rijk/amvb/besluit-experiment-vraagfinanciering-hoger-onderwijs/BWBR0037862
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00
..
README.md feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown 2026-03-30 06:27:40 +02:00

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Besluit experiment vraagfinanciering hoger onderwijs BWBR0037862 AMvB geldend 2016-09-01 https://wetten.overheid.nl/BWBR0037862 Besluit experiment vraagfinanciering hoger onderwijs

Besluit experiment vraagfinanciering hoger onderwijs

Artikel 1

In dit besluit wordt verstaan onder:

a. a.

    *wet:*
    Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;

b. b.

    *Onze Minister:* Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;

c. c.

    *Inspectie:* de inspectie, bedoeld in de Wet op het onderwijstoezicht;

d. d.

    *instelling voor hoger onderwijs:* instelling voor hoger onderwijs als bedoeld in artikel 1.2, onderdelen a of b, van de wet;

e. e.

    *bekostigde instelling voor hoger onderwijs:* bekostigde instelling voor hoger onderwijs als bedoeld in artikel 1.8 van de wet;

f. f.

    *bestuur:* instellingsbestuur als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel j, van de wet;

g. g.

    *hoger beroepsonderwijs:* hoger onderwijs als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel d, van de wet;

h. h.

    *opleiding:* associate degree-opleiding als bedoeld in artikel 7.3a, tweede lid, onderdeel b en bacheloropleiding als bedoeld in artikel 7.3a, tweede lid, onderdeel a, van de wet;

i. i.

    vervallen;

j. j.

    *deeltijds:* deeltijds als bedoeld in artikel 7.7, eerste lid, van de wet;

k. k.

    *duaal:* duaal als bedoeld in artikel 7.7, tweede lid, van de wet;

l. l.

    *studiepunt:* studiepunt als bedoeld in artikel 7.4, eerste lid, van de wet;

m. m.

    *onderwijs- en examenregeling:* onderwijs- en examenregeling als bedoeld in artikel 7.13 van de wet;

n. n.

    *experiment:* experiment als bedoeld in artikel 2;

o. o.

    *deelnemende instelling:* instelling voor hoger onderwijs als bedoeld in artikel 7, eerste lid;

p. p.

    *toegelaten opleiding:* opleiding als bedoeld in artikel 7, tweede lid;

q. q.

    vervallen;

r. r.

    *voucher:* subsidie als bedoeld in artikel 3 van de Subsidieregeling vraagfinanciering hoger onderwijs;

s. s.

    *module:* hoger onderwijs als bedoeld in artikel 3 van de Subsidieregeling vraagfinanciering hoger onderwijs;

t. t.

    *instellingscollegegeld:* instellingscollegegeld als bedoeld in artikel 7.46 van de wet;

u. u.

    *collegegeldverlaging:* collegegeldverlaging, bedoeld in artikel 2, eerste lid.

Artikel 2

1. Een student die voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 3, tweede tot en met vierde lid, van de Subsidieregeling vraagfinanciering hoger onderwijs, kan bij een hogeschool die in aanmerking komt voor een voucher, aanspraak maken op collegegeldverlaging met maximaal € 1.250 in verband met het volgen van een module.

2. Een student die twee modules in hetzelfde studiejaar wenst te volgen, laat zich voor de eerste module uitschrijven voordat inschrijving voor de tweede module kan plaatsvinden.

3. Een student als bedoeld in het eerste lid verliest de aanspraak op wettelijk collegegeld, bedoeld in artikel 7.45a van de wet, en de aanspraak op vrijstelling dan wel vermindering van betaling van collegegeld als bedoeld in artikel 7.48 van de wet.

4. Het bestuur van een deelnemende instelling kan een student als bedoeld in het eerste en tweede lid in verband met de inschrijving voor een module collegegeld in rekening brengen tot een maximumbedrag van € 3.750.

5. Het bestuur van een bekostigde deelnemende instelling is vrij in de keuze van de vestigingsplaats van een toegelaten opleiding.

6. Het experiment duurt van 1 september 2016 tot en met 31 augustus 2024.

Artikel 3

Het doel van het experiment is te onderzoeken of een combinatie van

a. a. de vrijheid van vestigingsplaats van een opleiding; b. b. het bijzondere collegegeldregime, bedoeld in artikel 2; c. c. subsidieverlening als bedoeld in de Subsidieregeling vraagfinanciering hoger onderwijs; en d. d. een modulair aanbod van deeltijdse of duale opleidingen in het hoger beroepsonderwijs;

leidt tot een vraaggerichter en aantrekkelijker aanbod van hoger onderwijs van goede kwaliteit tegen redelijke prijzen, voor zowel werkenden, werkgevers als werkzoekenden, en daardoor tot een hogere deelname aan en diplomering in het hoger beroepsonderwijs.

Artikel 4

1. In verband met het experiment wordt afgeweken van de artikelen 7.17, 7.32, derde en vierde lid, 7.45a en 7.48 van de wet.

2. In verband met de zorgplicht, bedoeld in artikel 11, eerste lid, kan het bestuur van een deelnemende bekostigde instelling afwijken van de artikelen 7.32, eerste lid, en 7.34.

Artikel 5

1. Onze Minister evalueert uiterlijk in 2021 het experiment.

2. Onze Minister evalueert het experiment tussentijds in 2018.

3. Onze Minister kan zich in het kader van de evaluatie, bedoeld in het eerste en het tweede lid, laten bijstaan door een van Onze Minister onafhankelijke deskundige.

4. Onze Minister stelt de inspectie, het accreditatieorgaan, bedoeld in artikel 1.1, onderdeel p, van de wet en de Commissie doelmatigheid hoger onderwijs, bedoeld in het Instellingsbesluit Commissie Doelmatigheid Hoger Onderwijs, in de gelegenheid hun zienswijzen naar voren te brengen naar aanleiding van een ontwerp van een verslag als bedoeld in artikel 1.7a, vijfde lid, van de wet.

Artikel 6

1.

Onze Minister evalueert het experiment in ieder geval op basis van de volgende criteria:

a. a. de mate waarin het experiment leidt tot een vraaggerichter en flexibeler aanbod; b. b. de mate waarin het aanbod van goede kwaliteit is en tegen redelijke prijzen wordt aangeboden; c. c. de mate waarin de aspecten, bedoeld onder a en b, leiden tot een toename van studenten aan deeltijdse en duale opleidingen; d. d. de mate waarin de aspecten, bedoeld onder a en b, leiden tot een toename van gediplomeerden; e. e. de mate waarin de aspecten, bedoeld onder a en b, effect hebben op de studievoortgang, zich uitend in de mate waarin studenten succesvol zijn in het behalen van het aantal punten verbonden aan een module, en de mate waarin modules worden gestapeld; f. f. de mate waarin de kosten toenemen, waaronder de kosten voor het Rijk en voor werkgevers; g. g. de mate waarin werkgevers en werkenden bijdragen aan de kosten van het collegegeld; en h. h. de mate waarin de wijze waarop het experiment is vormgegeven doelmatig is, mede in relatie tot de administratieve lasten.

2.

Bij de evaluatie zal aandacht worden geschonken aan de volgende effecten:

a. a. effecten op ontwikkeling van aard en inrichting van de opleidingen, waaronder het leveren van maatwerk, de aansluiting bij de vraag van werkgevers en werkenden en de toename of afname van het aantal opleidingen; b. b. effecten op omvang van het aanbod; c. c. effecten op de kwaliteit van opleidingen onder meer op basis van gegevens over studenttevredenheid en werkgeverstevredenheid en op basis van accreditatie als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel q van de wet, en oordelen van de Inspectie; d. d. effecten op de arbeidsmarktpositie van studenten; en e. e. effecten op de omvang van private investeringen in opleidingen.

Artikel 7

1. Aan het experiment kan uitsluitend worden deelgenomen door een instelling voor hoger onderwijs, die aanspraak maakt op een voucher.

2. Tot het experiment worden uitsluitend toegelaten de opleidingen in verband waarmee een voucher als bedoeld in het eerste lid door Onze Minister is verleend.

Artikel 8

1. Het bestuur van een deelnemende instelling sluit met een student die zich wenst in te schrijven voor een module bij een toegelaten opleiding, een onderwijsovereenkomst waarin in ieder geval de duur van de overeenkomst, het onderwijsprogramma voor de betrokken student, de hoogte van het daarmee verbonden collegegeld, de wijze van betaling en de gronden voor terugvordering worden vastgelegd.

2. Het bestuur van een deelnemende instelling maakt in de onderwijs- en examenregeling bekend op welke wijze de onderwijsovereenkomst, bedoeld in het eerste lid, wordt gesloten en welke wederzijdse rechten en verplichtingen daarin in ieder geval worden vastgelegd.

Artikel 9

1. Van 2017 tot en met 2021 rapporteert het bestuur van een deelnemende instelling jaarlijks aan Onze Minister over de uitvoering van het experiment in het voorafgaande kalenderjaar.

2. In 2021 rapporteert het bestuur van een deelnemende instelling aan Onze Minister over de uitvoering van het experiment in het tijdvak 2016 tot en met 2020.

3.

Het bestuur van de deelnemende instelling zendt jaarlijks de volgende gegevens aan Onze Minister:

a. a. de instroom van studenten met collegegeldverlaging in de toegelaten opleidingen; b. b. de gemiddelde verblijfsduur van studenten met collegegeldverlaging in de toegelaten opleidingen; c. c. de hoogte van het gevraagde collegegeld en van andere eigen bijdragen ten behoeve van het aanbieden van modules bij de toegelaten opleidingen; d. d. de hoogte van het gevraagde instellingscollegegeld voor studenten die aan de toegelaten opleidingen studeren zonder collegegeldverlaging; e. e. het aantal vouchers per student in de toegelaten opleidingen; f. f. de tijdstippen waarop studenten aan de toegelaten opleidingen een beroep hebben gedaan op collegegeldverlaging; g. g. het aantal studenten met collegegeldverlaging dat de toegelaten opleidingen met een diploma heeft afgesloten; h. h. het aantal studenten met collegegeldverlaging dat het totale aantal studiepunten behorend bij de vouchers heeft behaald.

4. De gegevens, bedoeld in het derde lid, worden voorzien van een accountantsverklaring die voldoet aan de eisen van de Verordening gedrags- en beroepsregels accountants.

5. Het bestuur van een bekostigde deelnemende instelling neemt de rapportages en gegevens, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, op in het verslag, bedoeld in artikel 2.9 van de wet. Het bestuur van een andere deelnemende instelling voor hoger onderwijs neemt de rapportages en gegevens, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, op in het verslag, bedoeld in artikel 1.12, derde lid, van de wet.

6. Het bestuur van een deelnemende instelling verstrekt desgevraagd andere informatie aan Onze Minister in verband met de deelname aan en monitoring, evaluatie en effectmeting van het experiment.

Artikel 10

1. Het bestuur van een bekostigde deelnemende instelling is verplicht tijdig zodanige informatie aan studenten en aanstaande studenten te verstrekken over de deelname aan en inrichting van het experiment dat het hen in staat stelt zich voorafgaand aan de inschrijving een goed oordeel te vormen over de gevolgen daarvan, in het bijzonder in verband met het verlies van de aanspraak op wettelijk collegegeld.

2. Het bestuur van een bekostigde deelnemende instelling maakt voor 1 september 2016 in de onderwijs- en examenregeling bekend op welke opleidingen en op welke wijze dit besluit van toepassing is.

Artikel 11

1. Het bestuur van een bekostigde deelnemende instelling zorgt ervoor dat een uitschrijving als bedoeld in artikel 2, tweede lid, en de jaarlijkse uitschrijving per 31 augustus in verband met artikel 7.32, vierde lid, eerste volzin, van de wet geen gevolgen hebben voor de rechten van de student, bedoeld in artikel 7.34 van de wet, die verband houden met het volgen en afronden van een module.

2. Een bestuur van een deelnemende instelling zorgt ervoor dat in geval van geheel of gedeeltelijke beëindiging van het experiment bij de instelling de onderwijscontinuïteit voor de betrokken studenten gedurende een redelijke termijn is gewaarborgd.

Artikel 12

1. Het bestuur van een bekostigde deelnemende instelling stelt het deel medezeggenschapsraad dat uit en door de studenten is gekozen in de gelegenheid te adviseren over de hoogte van het collegegeld.

2. Indien het bestuur van een bekostigde deelnemende instelling op grond van artikel 10.16a, eerste lid, van de wet heeft besloten dat de Wet op de ondernemingsraden met uitzondering van hoofdstuk VIIB van toepassing is, stelt het bestuur de gezamenlijke vergadering van de ondernemingsraad in de gelegenheid te adviseren over de hoogte van het collegegeld.

3. Het bestuur van een bekostigde deelnemende instelling stelt de medezeggenschapsraad in de gelegenheid te adviseren over de inrichting van het experiment.

4. Indien het bestuur van een bekostigde deelnemende instelling op grond van artikel 10.16a, eerste lid, van de wet heeft besloten dat de Wet op de ondernemingsraden met uitzondering van hoofdstuk VIIB van toepassing is, stelt het bestuur de gezamenlijke vergadering van de ondernemingsraad in de gelegenheid te adviseren over de inrichting van het experiment.

5. Het bestuur van een deelnemende instelling voert het experiment cohortsgewijs uit.

6. Onze Minister kan een deelnemende instelling in verband met het experiment andere, op de individuele instelling voor hoger onderwijs of op een categorie instellingen voor hoger onderwijs afgestemde, verplichtingen opleggen.

Artikel 13

1.

Onze Minister kan het experiment bij een deelnemende instelling op verzoek van die instelling geheel of gedeeltelijk beëindigen, indien:

a. a. bij die instelling de belangstelling voor het volgen van modules bij studenten sterk afneemt; of b. b. de financiële haalbaarheid van het aanbieden van modules bij die instelling sterk afwijkt van de verwachtingen;

2.

Onze Minister kan het experiment bij een deelnemende instelling ook ongevraagd geheel of gedeeltelijk beëindigen, indien:

a. a. de desbetreffende deelnemende instelling de voorschriften van dit besluit niet naar behoren naleeft; b. b. de diplomagerichtheid van het onderwijs bij die deelnemende instelling sterk afneemt; c. c. door voortzetting bij die instelling afbreuk zou worden gedaan aan de kwaliteit of toegankelijkheid van het hoger onderwijs; of d. d. de op grond van de Subsidieregeling vraagfinanciering hoger onderwijs beschikbare financiële middelen niet toereikend zijn om het experiment bij die instelling voort te zetten.

Artikel 14

Dit besluit treedt in werking op 1 september 2016 en vervalt met ingang van 1 september 2024.

Artikel 15

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit experiment vraagfinanciering hoger onderwijs.