40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt. |
||
|---|---|---|
| .. | ||
| README.md | ||
| titel | bwb_id | type | status | datum_inwerkingtreding | bron | citeertitel |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Besluit financiële bepalingen bodemsanering | BWBR0019285 | AMvB | geldend | 2006-01-01 | https://wetten.overheid.nl/BWBR0019285 | Besluit financiële bepalingen bodemsanering |
Besluit financiële bepalingen bodemsanering
Hoofdstuk 1. Algemeen
Artikel 1
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
– – wet: Wet bodembescherming, zoals deze luidde voor de inwerkingtreding van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet; – – budgethouder: gedeputeerde staten en daarmee op grond van artikel 88 van de wet gelijkgestelde bestuursorganen; – – subsidiabele saneringskosten: de werkelijk gemaakte kosten voor een sanering die is uitgevoerd, overeenkomstig het saneringsplan, bedoeld in artikel 39 van de wet, dan wel overeenkomstig artikel 39b van de wet; – – bedrijfsterrein: bedrijfsterrein als bedoeld in artikel 55a van de wet.
Artikel 1a
Dit besluit berust na het tijdstip van inwerkingtreding van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet mede op de artikelen 4 en 5 van de Kaderwet subsidies I en M en op de artikelen 3.1 en 3.2 van de Aanvullingswet bodem.
Hoofdstuk 2. Verstrekken van budget aan overheden
Artikel 2
Vervallen
Artikel 3
Vervallen
Artikel 4
Vervallen
Artikel 5
Vervallen
Artikel 6
Vervallen
Artikel 7
Vervallen
Artikel 7a
Vervallen
Hoofdstuk 3. Verstrekken subsidies aan derden
Paragraaf 1. Algemeen
Artikel 8
Waar in dit hoofdstuk en volgende hoofdstukken wordt gesproken over gedeputeerde staten wordt daaronder mede verstaan de daarmee op grond van artikel 88 van de wet gelijkgestelde bestuursorganen.
Paragraaf 2. Subsidieverlening
Artikel 9
Onze Minister kan, met inachtneming van de navolgende artikelen, op aanvraag subsidie verstrekken aan de eigenaar of als op het bedrijfsterrein een recht van erfpacht rust de erfpachter van een bedrijfsterrein voor het saneren van een geval van ernstige verontreiniging van een bedrijfsterrein ten aanzien waarvan voor de inwerkingtreding van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet:
a. a. een besluit is genomen dat spoedige sanering noodzakelijk is krachtens artikel 29 juncto artikel 37, eerste lid, van de wet; b. b. een saneringsplan als bedoeld in artikel 39, van de wet is ingediend, c. c. een saneringsplan voor een gedeelte van de verontreiniging van de bodem is ingediend als bedoeld in artikel 40 van de wet, uitsluitend voor het gedeelte waarop het saneringsplan betrekking heeft, of d. d. een melding als bedoeld in artikel 39b, derde lid, van de wet is gedaan.
Artikel 10
Indien een geval van verontreiniging als bedoeld in artikel 9 op verschillende momenten wordt gesaneerd in afzonderlijke delen, die zich onderscheiden doordat de verontreiniging daarbinnen door aanwijsbaar te onderscheiden oorzaken is ontstaan, kan Onze Minister voor ieder deel afzonderlijk subsidie verstrekken.
Artikel 11
1.
Om voor subsidie in aanmerking te komen dient te worden voldaan aan de volgende voorwaarden:
a. a. door Onze Minister is vastgesteld dat, en voor welk deel, de verontreiniging op of in de bodem van het bedrijfsterrein voor 1 januari 1975, is veroorzaakt; b. b. de eigendom onderscheidenlijk de erfpacht voor 1 januari 1995 is verworven; c. c. de aanmelding, bedoeld in artikel 12, plaatsvindt voor 1 januari 2008, tenzij aannemelijk wordt gemaakt dat door bijzondere omstandigheden aanmelding voor die datum niet mogelijk was; d. d. de sanering wordt uitgevoerd in overeenstemming met de wet; e. e. een saneringsplan als bedoeld in artikel 39 van de wet dan wel een melding op grond van artikel 39b, derde lid, van de wet is uiterlijk op 31 december 2023 bij gedeputeerde staten ingediend; f. f. er op grond van artikel 75, eerste, derde en zesde lid van de wet door de Staat geen kosten verhaald zullen worden op de aanvrager van de subsidie.
2. Indien het bedrag van de subsidie hoger zal zijn dan het bedrag van de kosten die verhaald zullen worden, geldt de voorwaarde in het eerste lid, onder f, niet voor dat deel van de subsidie dat het kostenverhaal te boven gaat.
3. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ten aanzien van het bepalen van de ouderdom van de bodemverontreiniging, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a.
4.
De subsidie voor het saneren van een bedrijfsterrein kan, onder de voorwaarden genoemd in het eerste lid, met uitzondering van het eerste lid, onder b, worden verleend aan de opvolgend eigenaar respectievelijk erfpachter van een bedrijfsterrein indien:
a. a. de gegevens bedoeld in artikel 13, eerste en tweede lid van eerdere overdrachten, worden verstrekt, en b. b. eigendom of erfpacht van een bedrijfsterrein wordt overgedragen na een aanmelding, op grond van artikel 12.
Artikel 12
1.
De aanvraag tot subsidieverlening, gedaan op of na 1 januari 2008, wordt voor dat tijdstip aangemeld bij Onze Minister waarbij de volgende gegevens worden overgelegd:
a. a. naam en adresgegevens van de eigenaar respectievelijk de erfpachter; b. b. kadastrale gegevens van het desbetreffende perceel; c. c. de resultaten van bodemonderzoek op tenminste het niveau van een verkennend onderzoek als bedoeld in artikel 1, onder d, van het Besluit verplicht bodemonderzoek bedrijfsterreinen, dan wel, indien reeds nader onderzoek is verricht, de resultaten van dat onderzoek met betrekking tot het geval van ernstige verontreiniging dat zich op het betreffende perceel bevindt.
2. Aan de aanmelder wordt onverwijld een bericht van ontvangst gezonden, waarin de datum van ontvangst van de aanmelding wordt vermeld.
Artikel 13
1.
De aanvraag gaat in ieder geval vergezeld van:
a. a. een saneringsplan als bedoeld in artikel 39 van de wet, met daarbij de resultaten van een nader onderzoek indien deze niet bij de aanmelding, bedoeld in artikel 12 zijn overgelegd, dan wel een melding op grond van artikel 39b van de wet, b. b. een gewaarmerkte kopie van de koopovereenkomst en een kopie van de akte van eigendomsoverdracht van het bedrijfsterrein en, indien van toepassing, een kopie van de akte tot vestiging van het erfpachtrecht en van de akte tot overdracht van het erfpachtrecht, en c. c. bij wijziging van de gegevens die zijn verstrekt op grond van artikel 12, eerste lid, onder a, een actualisering van deze gegevens; d. d. een begroting van de saneringskosten.
2. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot gegevens die bij de aanvraag tot subsidieverlening worden verstrekt.
3. De aanvrager ontvangt onverwijld een bericht van ontvangst van de aanvraag tot subsidieverlening, waarin de datum van ontvangst van de aanvraag wordt vermeld.
Artikel 13a
1. Indien de subsidieontvanger de sanering in delen wil uitvoeren dient de aanvraag, bedoeld in artikel 13, vergezeld te gaan van een onderverdeling van de uitvoering van de sanering in delen die, in de tijd dan wel in uitvoering, als apart deel kan worden aangeduid.
2.
Indien de subsidieontvanger een deel van de uitvoering van de sanering overdraagt aan een coördinerend rechtspersoon als bedoeld in artikel 30 dient de aanvraag, bedoeld in artikel 13, tevens vergezeld te gaan van:
a. a. een getekende overeenkomst met de coördinerende rechtspersoon waarin het bedrag is opgenomen dat de subsidieontvanger betaalt aan de coördinerende rechtspersoon voor collectieve sanering als bedoeld in artikel 31, en b. b. een goedgekeurd saneringsplan als bedoeld in artikel 39 van de wet dan wel een melding op grond van artikel 39b van de wet.
3.
Indien de subsidieontvanger een deel van de uitvoering van de sanering overdraagt aan een bestuursorgaan dat een gebiedsplan uitvoert als bedoeld in artikel 55d, eerste lid, van de wet dient de aanvraag, bedoeld in artikel 13, tevens vergezeld te gaan van:
a. a. een getekende overeenkomst met het bestuursorgaan dat het gebiedsplan uitvoert waarin het bedrag is opgenomen dat de subsidieontvanger vergoedt aan dat bestuursorgaan, en b. b. het gebiedsplan, bedoeld in artikel 55d, eerste lid, of het wijzigingsbesluit, bedoeld in artikel 55g, tweede lid, van de wet.
Artikel 14
1. Onze Minister neemt binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag tot subsidieverlening een beslissing op de aanvraag, waarbij het percentage van de subsidie wordt bepaald met inachtneming van de artikelen 17 tot en met 19, onder vermelding van een maximumbedrag.
2. Onze Minister kan de termijn als bedoeld in eerste lid met ten hoogste dertien weken verlengen.
3. Voorafgaand aan de verlenging wordt daarvan schriftelijk mededeling gedaan aan de aanvrager.
Artikel 15
Onze Minister weigert de subsidie indien:
a. a. reeds eerder subsidie op grond van dit besluit is vastgesteld voor een sanering van hetzelfde geval van verontreiniging of, op grond van artikel 10, voor hetzelfde afzonderlijke gedeelte van het geval van verontreiniging; b. b. uit andere hoofde een overheidsbijdrage voor de bodemsaneringsactiviteiten is of zal worden verstrekt; c. c. op het moment van de beslissing omtrent verlening reeds een aanvang is gemaakt met de uitvoering van de sanering waarvoor subsidie is aangevraagd.
Artikel 16
1. Aan de verleningsbeschikking wordt de verplichting verbonden dat de sanering van een geval van ernstige verontreiniging van het bedrijfsterrein voor 1 januari 2030 moet zijn afgerond.
2.
Aan de verleningsbeschikking kan op verzoek van de subsidieontvanger, en nadat de gegevens, bedoeld in artikel 13a, zijn overgelegd, worden opgenomen:
a. a. dat de sanering van een geval van ernstige verontreiniging van het bedrijfsterrein op in de aanvraag aangegeven en afgebakende delen wordt uitgevoerd, met het oog op een gedeeltelijke vaststelling van de uitgevoerde delen van de sanering; b. b. dat een aangegeven deel van de uitvoering van de sanering is overgedragen aan een coördinerend rechtspersoon als bedoeld in artikel 30, of, c. c. dat een aangegeven deel van de uitvoering van de sanering is overgedragen aan een bestuursorgaan dat een gebiedsplan uitvoert als bedoeld in artikel 55d, eerste lid, van de wet.
3. Indien in een verleningsbeschikking toepassing is gegeven aan het tweede lid, onderdeel b of c, kan het bedrag dat wordt verleend, voor het deel van de uitvoering van de sanering dat wordt overdragen, bij deze verleningsbeschikking gelijktijdig worden vastgesteld.
Artikel 17
1.
De hoogte van de subsidie is bij directe of indirecte betrokkenheid, als bedoeld in artikel 46, eerste lid, onderdeel b van de wet, van de eigenaar of de erfpachter bij de veroorzaking van de verontreiniging dan wel in het geval van een duurzame rechtsbetrekking tussen de eigenaar of de erfpachter enerzijds en de veroorzaker van de verontreiniging anderzijds
a. a. 30 % van de subsidiabele saneringskosten, indien de verwerving van het zakelijk recht heeft plaatsgevonden voor 1 januari 1983 of b. b. 15 % van de subsidiabele saneringskosten indien de verwerving van het zakelijk recht heeft plaatsgevonden op of na 1 januari 1983 en voor 1 januari 1995.
2.
De hoogte van de subsidie bedraagt bij het ontbreken van de in het eerste lid bedoelde betrokkenheid of duurzame rechtsbetrekking:
a. a. 60 % van de subsidiabele saneringskosten, indien de verwerving van het zakelijk recht heeft plaatsgevonden voor 1 januari 1983; b. b. 30 % van de subsidiabele saneringskosten, indien de verwerving van het zakelijk recht heeft plaatsgevonden op of na 1 januari 1983 en voor 1 januari 1987; c. c. 15% van de subsidiabele saneringskosten, indien de verwerving van het zakelijk recht heeft plaatsgevonden op of na 1 januari 1987 en voor 1 januari 1995.
3. In afwijking van het tweede lid, onderdeel a, bedraagt de subsidie 30% indien de eigenaar of de erfpachter blijkens de verwervingsdocumenten op de hoogte was van de verontreiniging.
4. In afwijking van het tweede lid, onder b en c, wordt indien de eigenaar of de erfpachter, blijkens de verwervingsdocumenten in verband met de sanering van een bodemverontreiniging een bedrag in mindering heeft gebracht op de koopprijs van het bedrijfsterrein, dat bedrag in mindering gebracht op de subsidiabele saneringskosten.
5. De hoogte van de subsidie wordt berekend naar evenredigheid van het door Onze Minister op grond van artikel 11, eerste lid, onderdeel a, juncto artikel 11, derde lid, vastgestelde deel van de verontreiniging dat is ontstaan voor 1 januari 1975.
6. In het geval van een subsidieverlening als bedoeld in artikel 11, vierde lid, is de hoogte van het subsidiepercentage ingevolge dit artikel, gelijk aan de hoogte van het subsidiepercentage dat aan de eigenaar of erfpachter zou zijn verleend als geen overdracht zou hebben plaatsgevonden.
7. Indien de sanering tot gevolg heeft dat de bodem geschikt wordt gemaakt voor een gevoeligere functie dan als bedrijfsterrein, wordt voor de hoogte van de subsidiabele kosten uitgegaan van de saneringsdoelstelling voor een functie als bedrijfsterrein.
8. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de saneringskostenposten die in aanmerking komen voor subsidiabele saneringskosten.
9. De hoogte van de subsidie voor het deel van de uitvoering van de sanering dat de subsidieontvanger overdraagt aan een coördinerend rechtspersoon als bedoeld in artikel 30 van dit besluit, of aan een bestuursorgaan dat een gebiedsplan uitvoert als bedoeld in artikel 55d, eerste lid, van de wet, of het wijzigingsbesluit, bedoeld in artikel 55g, tweede lid, van de wet, wordt berekend met toepassing van het betreffende percentage van de artikelen 17 en 19, over het bedrag dat in de overeenkomst, bedoeld in artikel 13a, tweede lid, is opgenomen.
Artikel 18
Onder verwerving als bedoeld in artikel 17 wordt niet verstaan:
a. a. de omzetting van de rechtsvorm van de onderneming als bedoeld in artikel 3.65 van de Wet inkomstenbelasting door de eigenaar dan wel de erfpachter van het bedrijfsterrein van de onderneming; b. b. de overdracht van de onderneming binnen het familieverband van de eigenaar tot de tweede graad in de rechte lijn; c. c. de verwerving binnen een opvolging onder algemene titel.
Artikel 19
1. Het in artikel 17 genoemde subsidiepercentage wordt met 10 verhoogd, indien de eigenaar respectievelijk de erfpachter een onderneming is en voldaan wordt aan de definitie van kleine en middelgrote ondernemingen overeenkomstig de Aanbeveling van de Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen (PbEG L124), dan wel daarvoor in de plaats tredende regelgeving.
2. Het in artikel 17 genoemde subsidiepercentage wordt met 10 verhoogd, indien de eigenaar of de erfpachter onderneming noch overheid is.
3. Het maximumbedrag van de door Onze Minister te verlenen subsidie wordt bepaald door de uitkomst van de subsidiabele saneringskosten van de gekozen saneringsvariant tegen het van toepassing zijnde subsidiepercentage te vermenigvuldigen met 1,15.
4. Indien met de gekozen saneringsvariant niet de beoogde effecten worden bereikt, kan Onze Minister, zolang de subsidie niet is vastgesteld, op verzoek van de aanvrager in een herziene beslissing op de aanvraag het maximumbedrag als bedoeld in het derde lid verhogen, waarbij het derde lid in acht wordt genomen.
Artikel 20
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de voorwaarden waaronder de subsidie wordt verleend en de verplichtingen voor de subsidie-ontvanger.
Paragraaf 3. Subsidievaststelling
Artikel 21
1.
De aanvraag tot subsidievaststelling wordt ingediend uiterlijk dertien weken na de volgende besluiten of handelingen en in ieder geval voor 1 januari 2030:
a. a. de beschikking tot instemming met een schriftelijk verslag als bedoeld in artikel 39b, zesde lid, of artikel 39c van de wet, of b. b. het doen van een schriftelijk verslag als bedoeld in artikel 39b, zesde lid, indien geen instemming is vereist krachtens artikel 39b, zevende lid.
2. De aanvraag gaat vergezeld van een financieel verslag dat is opgebouwd overeenkomstig de begroting van de saneringskosten op grond waarvan subsidie is verleend.
3. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de gegevens die bij de aanvraag bedoeld in het eerste lid worden verstrekt.
4. Het financiële verslag gaat vergezeld van een verklaring van getrouwheid van een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, die wordt afgegeven na toetsing van de wijze van besteding van de gelden op basis van de wet, dit besluit en de daarop berustende regelgeving.
5. De aanvraag tot vaststelling voor een in de verleningsbeschikking, bedoeld in artikel 16, tweede lid, onderdeel a, opgenomen deel van de sanering gaat tevens vergezeld van een verslag van de werkzaamheden van dat deel van de sanering, opgebouwd als een schriftelijk verslag als bedoeld in artikel 39b of 39c van de wet.
Artikel 22
1. Onze Minister beslist binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag tot subsidievaststelling op de aanvraag, in elk geval nadat is beslist op het verslag, bedoeld in artikel 39c van de wet.
2. Onze Minister kan de termijn, bedoeld in het eerste lid, met ten hoogste dertien weken verlengen. Van die verlenging wordt schriftelijk mededeling gedaan aan de aanvrager.
Artikel 23
1. Indien de uitvoering van de sanering van het bedrijfsterrein overeenkomstig artikel 38, derde lid, van de wet, in fasen geschiedt of ingevolge artikel 39, eerste lid, onderdeel h, van de wet, tijdstippen zijn bepaald waarop tussentijds wordt gerapporteerd aan gedeputeerde staten, kan de aanvraag om vaststelling bedoeld in artikel 21, eerste lid, eerder worden ingediend, na voltooiing van een aantal fasen van de sanering, of, indien tussentijds over de voortgang wordt gerapporteerd en daaruit blijkt dat de tussentijdse effecten zijn bereikt.
2. Indien de aanvraag om subsidievaststelling op grond van het eerste lid is ingediend, wordt de hoogte van de subsidie berekend over de subsidiabele saneringskosten die zijn gemoeid met de uitvoering van de sanering voor zover deze is voltooid.
Paragraaf 4. Voorschot
Artikel 24
1. Op aanvraag van de subsidie-ontvanger kan Onze Minister ten hoogste tweemaal een voorschot verlenen, indien de aanvrager financiële zekerheid heeft gesteld voor het nog te voltooien gedeelte van de sanering.
2. De hoogte van het voorschot wordt berekend naar rato van het gedeelte van de subsidiabele saneringskosten die zijn gemoeid met de uitvoering van de sanering voor zover deze is voltooid.
Paragraaf 5. Betaling
Artikel 25
Het subsidiebedrag wordt betaald binnen acht weken nadat de beschikking tot subsidievaststelling op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.
Hoofdstuk 4. Verdeling van de rijksbijdrage
Artikel 26
1. De bestuursorganen aan wie Onze Minister de uitvoering van bepalingen van dit besluit krachtens artikel 76j, vierde lid, van de wet heeft gedelegeerd, melden een aanvraag als bedoeld in artikel 13, eerste lid, voorafgaand aan de beslissing omtrent verlening van de subsidie bij Onze Minister.
2. De melding, bedoeld in het eerste lid, bevat de bij ministeriële regeling voorgeschreven gegevens.
Artikel 27
1. De bestuursorganen, bedoeld in artikel 26, dienen jaarlijks een aanvraag in tot verstrekking van een bijdrage ter vergoeding van subsidie en betaling van voorschotten aan derden ten behoeve van de sanering van gevallen van ernstige verontreiniging van in gebruik zijnde en blijvende bedrijfsterreinen als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel e.
2. De aanvraag om een bijdrage, bedoeld in het eerste lid, wordt schriftelijk uiterlijk op 31 maart na het kalenderjaar waarover de bijdrage wordt gevraagd, ingediend bij Onze Minister.
3. De bestuursorganen, bedoeld in artikel 26, kunnen schriftelijk een gemotiveerde aanvraag voor een voorschot op de bijdrage, bedoeld in het eerste lid, indienen. Deze aanvraag kan worden ingediend indien en voor zover bedoelde bestuursorganen voorzien dat er onvoldoende financiële middelen op grond van de uitvoering van de wet zijn om de subsidie aan derden, ten behoeve van sanering van gevallen genoemd in het eerste lid, tijdig te kunnen uitbetalen.
Artikel 28
Vervallen
Artikel 29
Vervallen
Hoofdstuk 5. Collectieve saneringen
Artikel 30
Onze Minister kan coördinerende rechtspersonen aanwijzen, die belast zijn met de uitvoering en coördinatie van de bodemsaneringactiviteiten met betrekking tot bedrijfsterreinen van bij de rechtspersoon aangesloten eigenaren of erfpachters van die bedrijfsterreinen. Van de aanwijzing wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.
Artikel 31
1.
Onze Minister kan op aanvraag een projectsubsidie verstrekken aan de coördinerende rechtspersoon, voor het collectief saneren van een aantal gevallen van ernstige verontreiniging van bedrijfsterreinen waar voor de inwerkingtreding van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet:
a. a. een besluit is genomen dat spoedige sanering noodzakelijk is krachtens artikel 29 juncto artikel 37, eerste lid, van de wet; b. b. een saneringsplan als bedoeld in artikel 39, van de wet is ingediend, of c. c. een saneringsplan voor een gedeelte van de verontreiniging van de bodem als bedoeld in artikel 40 van de wet is ingediend, uitsluitend voor het gedeelte waarop het saneringsplan betrekking heeft, of d. d. waarvoor een melding is gedaan als bedoeld in artikel 39b, derde lid, van de wet.
2. Bij ministeriële regeling kunnen ter zake van de bevoegdheid in het eerste lid nadere regels worden gesteld.
Artikel 32
1. De aanvraag tot verlening van een projectsubsidie wordt uiterlijk dertien weken voor de aanvang van de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd, ingediend bij Onze Minister.
2.
De aanvraag tot verlening van een projectsubsidie omvat:
a. a. een omschrijving van de activiteiten en de daarmee beoogde doelstellingen, b. b. een overzicht van de aan de activiteiten verbonden uitgaven.
Artikel 33
1. De ontvanger van een projectsubsidie voert een zodanig ingerichte administratie, dat daaruit te allen tijde de voor de vaststelling van de subsidie van belang zijnde rechten en verplichtingen alsmede de betalingen en de ontvangsten kunnen worden nagegaan.
2. Deze administratie wordt gedurende zeven jaren bewaard.
Artikel 34
1. Binnen dertien weken na afloop van de activiteiten waarvoor subsidie is verleend dient de subsidie-ontvanger een aanvraag tot vaststelling van de projectsubsidie in.
2. De aanvraag gaat vergezeld van een financieel verslag dat is opgebouwd overeenkomstig de begroting van de saneringskosten op grond waarvan subsidie is verleend.
3. Het financiële verslag gaat vergezeld van een verklaring van getrouwheid van een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, die wordt afgegeven na toetsing van de wijze van besteding van de gelden op basis van de wet, dit besluit en de daarop berustende regelgeving.
4. Onze Minister beslist binnen dertien weken op de aanvraag tot vaststelling van de projectsubsidie.
Artikel 35
Onze Minister kan per boekjaar subsidie verstrekken aan de coördinerende rechtspersoon, bedoeld in artikel 30 ten behoeve van de exploitatielasten van diens bureau. Afdeling 4.2.8 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing.
Artikel 36
1. Onze Minister beslist binnen dertien weken op de aanvraag tot verlening van een subsidie als bedoeld in artikel 35.
2. Onze Minister kan de termijn bedoeld in het eerste lid met ten hoogste dertien weken verlengen.Van die verlenging wordt schriftelijk mededeling gedaan aan de aanvrager.
Artikel 37
1. Onze Minister beslist binnen dertien weken op de aanvraag tot vaststelling van een subsidie als bedoeld in artikel 35.
2. Onze Minister kan de termijn, bedoeld in het eerste lid, voor ten hoogste dertien weken verlengen. Van die verlenging wordt schriftelijk mededeling gedaan aan de aanvrager.
3. De aanvraag tot vaststelling van een subsidie als bedoeld in artikel 35, gaat vergezeld van een financieel verslag dat is opgebouwd overeenkomstig de begroting van de exploitatiekosten op grond waarvan subsidie is verleend.
4. Het financiële verslag gaat vergezeld van een verklaring van getrouwheid van een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, die wordt afgegeven na toetsing van de wijze van besteding van de gelden op basis van de wet, dit besluit en de daarop berustende regelgeving.
Artikel 37a
Onze Minister weigert de subsidie voor het deel waarvoor:
a. a. reeds eerder subsidie op grond van dit besluit is vastgesteld voor een sanering van hetzelfde geval van verontreiniging of, op grond van artikel 10, voor hetzelfde afzonderlijke gedeelte van het geval van verontreiniging; b. b. uit andere hoofde een overheidsbijdrage voor de bodemsaneringsactiviteiten is of zal worden verstrekt; c. c. op het moment van de beslissing omtrent verlening reeds een aanvang is gemaakt met de uitvoering van de sanering waarvoor subsidie is aangevraagd.
Hoofdstuk 6. Financiële zekerheid
Artikel 38
1.
Financiële zekerheid als bedoeld in artikel 55b, derde lid van de wet, wordt door de opvolgende eigenaar of erfpachter ten behoeve van gedeputeerde staten gesteld door middel van:
a. a. een bankgarantie, of b. b. een hypotheek- of een pandrecht of, c. c. het treffen van een andere voorziening, waarbij de financiële zekerheid naar het oordeel van gedeputeerde staten gelijkwaardig is aan de financiële zekerheid, genoemd in de onderdelen a en b.
2. De financiële zekerheid wordt in stand gehouden totdat gedeputeerde staten hebben ingestemd met het saneringsplan, bedoeld in artikel 39 van de wet.
3. Bij het niet nakomen van de verplichting waarvoor financiële zekerheid is gesteld nemen gedeputeerde staten verhaal op de gestelde zekerheid.
4. Gedeputeerde staten kunnen het te verhalen bedrag, bedoeld in het derde lid, invorderen bij dwangbevel.
Artikel 39
1. Gedeputeerde staten kunnen financiële zekerheid laten stellen in een geval als bedoeld in artikel 39f van de wet, indien de saneringskosten van het te saneren geval, dan wel de kosten van nazorg na de sanering, voor meer dan 50% na een periode van tenminste vijf jaar zullen worden gerealiseerd.
2.
Indien gedeputeerde staten de verplichting tot het stellen van financiële zekerheid opleggen, kunnen zij bepalen op welke wijze aan die verplichting uitvoering wordt gegeven. Daarbij kunnen de volgende vormen worden opgelegd:
a. a. een borgtocht of een bankgarantie b. b. een hypotheek- of een pandrecht, c. c. het deelnemen aan een fonds dat naar het oordeel van gedeputeerde staten voldoende waarborg biedt dat de desbetreffende kosten zijn gedekt, of d. d. het treffen van een andere voorziening, waarbij de financiële zekerheid naar het oordeel van gedeputeerde staten gelijkwaardig is aan de financiële zekerheid, genoemd in a tot en met c.
3. Bij het niet nakomen van de verplichting waarvoor financiële zekerheid is gesteld nemen gedeputeerde staten verhaal op de gestelde zekerheid.
4. Gedeputeerde staten kunnen het te verhalen bedrag, bedoeld in het derde lid, invorderen bij dwangbevel.
5.
De verplichting financiële zekerheid in stand te houden vervalt:
a. a. Met betrekking tot de uitvoering van het saneringsplan als bedoeld in artikel 39, eerste lid: wanneer gedeputeerde staten overeenkomstig artikel 39c, tweede lid, hebben ingestemd met het daarin bedoelde verslag; b. b. Wanneer gedeputeerde staten aan degene aan wie de verplichting was opgelegd te kennen hebben gegeven dat naar hun oordeel financiële zekerheid niet langer vereist is.
6. Gedeputeerde staten bepalen de hoogte van het bedrag waarvoor financiële zekerheid wordt gesteld op basis van de te verwachten kosten van sanering of nazorg na een periode van 5 jaar. Het bedrag kan op verzoek van degene die de zekerheid heeft gesteld tussentijds worden bijgesteld indien een deel van de maatregelen waarvoor zekerheid is gesteld, is uitgevoerd.
Hoofdstuk 7. Overige bepalingen
Artikel 40
1. Het bepaalde in het tweede tot en met vierde lid is van toepassing op een sanering, voor zover de verontreiniging op of in de bodem van het bedrijfsterrein voor 1 januari 1975 is veroorzaakt, dan wel voor zover de verontreiniging op of na 1 januari 1975 is veroorzaakt en de eigenaar of erfpachter van het bedrijfsterrein niet op grond van artikel 75, eerste lid, van de wet aansprakelijk is voor de gevolgen daarvan.
2. Indien naar het oordeel van Onze Minister de levensvatbaarheid van een bedrijf als gevolg van de handhaving van de verplichting tot sanering zodanig in gevaar komt dat het voortbestaan van het bedrijf onzeker is, neemt Onze Minister op verzoek van de eigenaar of erfpachter de uitvoering van de sanering op zich.
3. De eigenaar of erfpachter vergoedt in het geval, bedoeld in het tweede lid, aan Onze Minister een naar draagkracht te bepalen bedrag waarvan de hoogte wordt bepaald volgens de bijlage bij dit besluit.
4. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de wederzijdse bevoegdheden en verplichtingen van eigenaar of erfpachter en Onze Minister bij de uitvoering van de sanering in het in het tweede lid bedoelde geval.
Artikel 40a
1. Voor zover de verontreiniging op of in de bodem van het bedrijfsterrein op of na 1 januari 1975 is veroorzaakt en de eigenaar of erfpachter van het bedrijfsterrein op grond van artikel 75, eerste lid, van de wet aansprakelijk is voor de gevolgen daarvan, is artikel 40, tweede en derde lid, van overeenkomstige toepassing indien voldaan wordt aan de eisen gesteld bij of krachtens de Verordening (EG) nr. 69/2001 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 12 januari 2001 betreffende de toepassing van artikel 87 en 88 van het EG-verdrag op de de minimis-steun (PbEG L10),dan wel daarvoor in de plaats tredende Europese regelgeving. Daarbij wordt afgeweken van de bijlage behorende bij artikel 40 van dit besluit voor zover de regels gesteld bij of krachtens de genoemde verordening of de daarvoor in de plaats tredende regelgeving daartoe verplichten.
2. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld ter uitvoering van het eerste lid. Artikel 40, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 41
1. Onze Minister kan aan een organisatie zonder winstoogmerk per boekjaar subsidie verstrekken voor bij ministeriële regeling aangewezen activiteiten op het gebied van onderzoek en sanering.
2. Afdeling 4.2.8 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing.
Artikel 42
Vervallen
Artikel 43
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot de gegevens bedoeld in artikel 87a, tweede lid, van de wet en de wijze waarop het verslag bedoeld in 87b van de wet wordt gedaan en de gegevens die daarbij worden verstrekt.
Hoofdstuk 8. Slotbepalingen
Artikel 44
Een aanvraag om subsidieverlening, ingediend op een tijdstip gelegen vóór de inwerkingtreding van dit besluit, wordt afgehandeld overeenkomstig de op dat tijdstip geldende regelgeving.
Artikel 44a
Dit besluit vervalt met ingang van 1 januari 2025 met dien verstande dat het van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn aangevraagd.
Artikel 45
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit financiële bepalingen bodemsanering.
Artikel 46
Vervallen