rijk/amvb/besluit-forensische-zorg/BWBR0042326
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00
..
README.md feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown 2026-03-30 06:27:40 +02:00

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Besluit forensische zorg BWBR0042326 AMvB geldend 2019-06-26 https://wetten.overheid.nl/BWBR0042326 Besluit forensische zorg

Besluit forensische zorg

Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen

Artikel 1.1

In dit besluit wordt verstaan onder:

    *de regeling:* de Regeling forensische zorg;

    *de wet:* de Wet forensische zorg;

    *delictanalyse:* een door een zorgverlener op te stellen feitelijke beschrijving van de factoren die van invloed zijn geweest op en hebben geleid tot het delict door een forensisch patiënt;

    *Onze Minister:* de Minister voor Rechtsbescherming;

    *organisatorische eenheid:* een in bouwkundig opzicht herkenbare eenheid van een instelling;

    *persoonsgegevens:* persoonsgegevens als bedoeld in artikel 4, onderdeel 1, van de Algemene verordening gegevensbescherming;

    *risicotaxatie:* inschatting van het risico op recidive op basis van een hiertoe geëigend risicotaxatie-instrument;

    *verwerker:* verwerker als bedoeld in artikel 4, onderdeel 8, van de Algemene verordening gegevensbescherming;

    *verwerkingsverantwoordelijke:* verwerkingsverantwoordelijke als bedoeld in artikel 4, onderdeel 7 van de Algemene verordening gegevensbescherming.

Artikel 1.2

Onze Minister kan andere vormen van zorg aanmerken als forensische zorg, bedoeld in artikel 1.1, tweede lid, van de wet, dan wel daarvan uitsluiten.

Hoofdstuk 2. Gegevensverwerking en toezicht

Artikel 2.1

Indien het strafrechtsketennummer van de forensische patiënt ontbreekt, geldt bij verstrekking van gegevens als bedoeld in artikel 2.6, derde lid, van de wet en verwerking van gegevens als bedoeld in artikel 2.6, vierde lid, van de wet, het burgerservicenummer of het vreemdelingennummer als persoonsidentificerend nummer.

Artikel 2.2

1.

De gegevens, bedoeld in artikel 2.6, vijfde lid, van de wet, die het openbaar ministerie aan de reclassering ten behoeve van de begeleiding en het toezicht op de forensische zorg verstrekt, zijn dan wel hebben betrekking op:

a. a. de ten uitvoer te leggen straffen en maatregelen; b. b. de periode waarin het toezicht dient te worden uitgevoerd; c. c. het parketnummer; d. d. de dadelijke uitvoerbaarheid van de straffen en maatregelen; e. e. de ingangsdatum van het toezicht; f. f. de beschikbaarheid van een persoonsdossier; g. g. de beschikbaarheid van uitvoeringsopdrachten; h. h. de wijziging van de uitvoeringsopdracht; i. i. de begin- en einddatum van de proeftijd; j. j. de begin- en einddatum van de opschorting van de proeftijd; k. k. de datum van en reden voor de aanhouding, vrijlating of heenzending van de veroordeelde.

2.

De gegevens, bedoeld in artikel 2.6, vijfde lid, van de wet, die het openbaar ministerie aan de reclassering kan verstrekken indien dat noodzakelijk is ten behoeve van de begeleiding en het toezicht op de forensische zorg, zijn of kunnen afkomstig zijn uit dan wel hebben betrekking op:

a. a. het proces-verbaal; b. b. het advies van het openbaar ministerie; c. c. het reclasseringsadvies; d. d. overwegingen van de rechter inzake de tenuitvoerlegging; e. e. (een extract van) de strafrechtelijke beslissing; f. f. de pro Justitia rapportage; g. g. overige rapportages genoemd in de strafrechtelijke beslissing; h. h. onregelmatigheden of voor het toezicht relevante voorvallen.

Artikel 2.3

1.

De gegevens betreffende de behandeltrouw, bedoeld in artikel 2.6, zesde lid, van de wet, die de zorgaanbieder aan het openbaar ministerie dan wel de reclasseringsinstelling verstrekt, zijn dan wel hebben betrekking op:

a. a. de constatering of het vermoeden van een overtreding van een voorwaarde die in de strafrechtelijke beslissing is opgelegd; b. b. de data waarop de forensische patiënt zorg heeft genoten dan wel afwezig was; c. c. de medewerking van de forensische patiënt aan de verlening van de forensische zorg, met inbegrip van:

        
        de naleving van behandelafspraken;
      
      
        
        het weigeren van voorgeschreven medicatie tegen het advies van de behandelaar in, voor zo ver dit van invloed is op het recidiverisico;
      
      
        
        de mate van motivatie voor behandeling;
      
      
        
        de (ophanden zijnde) beëindiging van de behandeling en
      
      
        
        omstandigheden die een signaal vormen voor verhoogd risico op recidive.

de naleving van behandelafspraken; het weigeren van voorgeschreven medicatie tegen het advies van de behandelaar in, voor zo ver dit van invloed is op het recidiverisico; de mate van motivatie voor behandeling; de (ophanden zijnde) beëindiging van de behandeling en omstandigheden die een signaal vormen voor verhoogd risico op recidive.

2. De zorgaanbieder en de reclasseringsinstelling spreken elkaar periodiek over de behandeltrouw van de forensische patiënt, de begeleiding en het toezicht, voor zover dat noodzakelijk is voor de uitoefening van de taken van deze partijen.

3. De zorgaanbieder die forensische zorg verleent aan een forensisch patiënt, die buiten de instelling voor de verpleging van ter beschikking gestelden of penitentiaire inrichting verblijft bij welke de algemene verantwoordelijkheid ligt voor de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel, verstrekt de gegevens bedoeld in het eerste lid tevens aan het hoofd van die instelling of de directeur van die inrichting.

Artikel 2.4

Het openbaar ministerie verstrekt door tussenkomst van Onze Minister aan de zorgaanbieder de noodzakelijke gegevens uit het strafdossier ten behoeve van de verpleging en behandeling van een ter beschikking gestelde aan wie een bevel tot verpleging van overheidswege is gegeven. Deze gegevens betreffen in ieder geval:

a. a. een extract van de strafrechtelijke beslissing; b. b. de strafrechtelijke beslissing; c. c. de akte van betekening; d. d. pro Justitia rapportages; e. e. overige rapportages ten behoeve van de maatregel van terbeschikkingstelling.

Artikel 2.5

1.

De verwerkingsverantwoordelijke voor een gegevensverwerking die voortvloeit uit de wet treft de nodige maatregelen van technische en organisatorische aard teneinde te borgen dat persoonsgegevens zijn beveiligd tegen:

a. a. verlies of aantasting; b. b. onbevoegde kennisneming, opneming, wijziging, verwijdering of verstrekking.

2.

De maatregelen, bedoeld in het eerste lid, omvatten ten minste:

a. a. maatregelen met betrekking tot personen die werkzaam zijn voor de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker; b. b. maatregelen met betrekking tot het beheer van de gegevens, waaronder maatregelen gericht op de technische beveiliging tegen onbevoegde digitale toegang tot de persoonsgegevens in geval van digitale gegevensverwerking; c. c. maatregelen voor het geval de geheimhouding van de vermelde gegevens is geschaad; d. d. maatregelen ter voorkoming van calamiteiten en het afhandelen daarvan; e. e. maatregelen gericht op het veilig verstrekken van persoonsgegevens; f. f. maatregelen om de vertrouwelijkheid, integriteit en beschikbaarheid van de verwerkingssystemen te garanderen en bij een incident de beschikbaarheid van en de toegang tot persoonsgegevens tijdig te herstellen; g. g. maatregelen om de doeltreffendheid van de technische en organisatorische maatregelen te testen, te evalueren en zo nodig aan te passen.

3. De verwerkingsverantwoordelijke voor een gegevensverwerking draagt zorg voor een zodanige inrichting van die gegevensverwerking, dat wordt geborgd dat de verstrekking van gegevens die voortvloeit uit de wet doelmatig en tijdig plaats kan vinden en dat de te verstrekken gegevens actueel, juist en volledig zijn.

4. Over de uitvoering van het eerste, tweede of derde lid, kunnen bij regeling van Onze Minister nadere regels worden gesteld.

5.

Bij regeling van Onze Minister worden regels gesteld over:

a. a. de wijze waarop de gegevens, bedoeld in artikel 2.6 van de wet, worden verstrekt en verder worden verwerkt; b. b. de technische standaarden volgens welke gegevensverwerking plaatsvindt.

Artikel 2.6

1.

De reclasseringsinstelling en de zorgaanbieder kunnen gegevens en bescheiden over de forensische patiënt aan een ander verstrekken met het oog op wetenschappelijk of historisch onderzoek of statistische doeleinden, indien:

a. a. de verwerking voor deze doeleinden noodzakelijk is; b. b. het onderzoek een zwaarwegend algemeen belang dient; c. c. bij de uitvoering voorzien is in zodanige waarborgen dat de persoonlijke levenssfeer van betrokkene niet onevenredig wordt geschaad; d. d. betrokkene niet uitdrukkelijk bezwaar heeft gemaakt tegen de verstrekking van zijn persoonsgegevens.

2. De resultaten van het onderzoek mogen geen persoonsgegevens bevatten.

Artikel 2.7

1. De reclasseringsinstelling die belast is met de begeleiding en het toezicht legt de aard en de intensiteit van de begeleiding en het toezicht, zoals de verplichtingen waaraan de forensisch patiënt zich in het kader van het toezicht heeft te houden, vast.

2. De reclasseringsinstelling draagt er zorg voor dat de begeleiding en het toezicht zo spoedig mogelijk aanvangen nadat Onze Minister een opdracht als bedoeld in artikel 2.4 van de wet heeft gegeven.

3. Bij het houden van toezicht op de naleving van de voorwaarden, bedoeld in artikel 2.4, tweede lid, en in artikel 6.2, derde lid, van de wet, stelt de reclasseringsinstelling de identiteit van de forensisch patiënt vast op de wijze, bedoeld in artikel 27a, eerste lid, eerste volzin, en tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.

4. Indien een voorwaarde niet wordt nageleefd, doet de reclasseringsinstelling daarvan onverwijld melding aan Onze Minister en het openbaar ministerie. In het geval de forensisch patiënt buiten de instelling voor de verpleging van ter beschikking gestelden of de penitentiaire inrichting verblijft bij welke de algemene verantwoordelijkheid voor de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel ligt, doet de reclasseringsinstelling de melding tevens aan het hoofd van die instelling of de directeur van die inrichting.

5.

Zo spoedig mogelijk na de melding, bedoeld in artikel 6.10, vierde lid, van de wet, brengt de reclasseringsinstelling advies uit aan het hoofd van de instelling of de directeur van de penitentiaire inrichting bij wie de algemene verantwoordelijkheid ligt voor de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf of de vrijheidsbenemende maatregel van de forensische patiënt of de melding naar haar oordeel aanleiding zou kunnen geven tot een van de navolgende maatregelen:

a. a. het wijzigen van de voorwaarden, bedoeld in artikel 6.2, derde lid, van de wet, die aan de plaatsing van de forensisch patiënt bij de zorgaanbieder zijn verbonden; b. b. het beëindigen van deelname aan een penitentiair programma, bedoeld in artikel 4, vijfde lid, van de Penitentiaire beginselenwet; c. c. het tijdelijk plaatsen in een andere instelling, bedoeld in artikel 6.5, eerste en tweede lid, van de wet, teneinde te bezien of een overplaatsing met het oog op de veiligheid of op een andere behandeling nodig is; d. d. het overplaatsen van de forensische patiënt naar een andere instelling, dan wel naar de instelling of de penitentiaire inrichting waar de algemene verantwoordelijkheid ligt voor de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf of de vrijheidsbenemende maatregel, bedoeld in artikel 6.3, eerste lid; e. e. het beëindigen van het verblijf in de instelling, bedoeld in artikel 6.4 eerste lid.

6. Met het oog op het beëindigen van het toezicht stuurt de reclasseringsinstelling zo spoedig mogelijk een afloopbericht met een weergave van het feitelijk verloop van het toezicht aan het openbaar ministerie en Onze Minister. In het geval de forensisch patiënt buiten de instelling voor de verpleging van ter beschikking gestelden of de penitentiaire inrichting verblijft bij welke de algemene verantwoordelijkheid voor de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel ligt, stuurt de reclasseringsinstelling het afloopbericht tevens aan het hoofd van die instelling of de directeur van die inrichting.

Hoofdstuk 3. Instellingen

Artikel 3.1

1. Een aanvraag tot aanwijzing als private instelling voor forensische zorg, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid, van de wet wordt bij Onze Minister ingediend. Onze Minister stelt een model voor de aanvraag vast.

2.

Bij de aanvraag worden, voor zover mogelijk, de volgende bescheiden overgelegd:

a. a. de toelatingsvergunning, bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet toetreding zorgaanbieders; b. b. de statuten of reglementen van de rechtspersoon die de private instelling beheert; c. c. de door Onze Minister verlangde gegevens over de bouwkundige voorzieningen, passend bij het betreffende beveiligingsniveau van de instelling, die van belang zijn voor de beoordeling van de veiligheid binnen de instelling en de maatschappelijke veiligheid daarbuiten; d. d. de door Onze Minister verlangde gegevens over de personele en materiële toerusting die van belang zijn voor de beoordeling van de geschiktheid van de instelling; e. e. het integraal beveiligingsplan, als bedoeld in artikel 3.3, tweede lid.

3. Onze Minister bepaalt in de aanwijzing dat de private instelling of de organisatorische eenheid in het bijzonder is bestemd voor de verpleging van ter beschikking gestelden, indien minimaal vijfenzeventig procent van de zorgplaatsen in de instelling of de organisatorische eenheid bestemd is voor de verpleging van personen aan wie de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege is opgelegd.

4. Een aanwijzing voor de verpleging van ter beschikking gestelden krachtens artikel 37d, eerste lid, onder a, in samenhang met artikel 90quinquies, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht en artikel 2 van het Reglement verpleging ter beschikking gestelden, zoals deze luidden voor het tijdstip van inwerkingtreding van de wet, wordt op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit voor een periode van vier jaar, gerekend vanaf het moment van inwerkingtreding van de wet, aangemerkt als een aanwijzing dat de private instelling of de organisatorische eenheid in het bijzonder bestemd is voor de verpleging van ter beschikking gestelden krachtens artikel 3.3, eerste lid, van de wet.

Artikel 3.2

1.

De aanwijzing als private instelling wordt door Onze Minister opgeschort of ingetrokken:

a. a. op verzoek van de rechtspersoon die de private instelling beheert; b. b. indien de beveiliging dan wel de personele of materiële toerusting van de instelling, bedoeld in artikel 3.1, niet meer voldoet aan de eisen die daaraan naar het oordeel van Onze Minister moeten worden gesteld.

2. De aanwijzing als private instelling kan door Onze Minister worden opgeschort of ingetrokken, indien de rechtspersoon die de private instelling beheert heeft gehandeld in strijd met de toepasselijke wet- en regelgeving.

3. De aanwijzing als private instelling kan door Onze Minister worden opgeschort of ingetrokken, na beëindiging van de contractuele afspraken met de rechtspersoon die de private instelling beheert.

Artikel 3.3

1. Onze Minister stelt eisen aan de beveiliging van de private instelling.

2. De zorgaanbieder stelt een integraal beveiligingsplan op.

3. Onze Minister stelt eisen aan de bouwkundige staat van de private instelling.

4. Onze Minister controleert periodiek of naar aanleiding van belangrijke voorvallen of de beveiliging en de bouwkundige staat van de private instelling aan de gestelde eisen voldoen.

Artikel 3.4

1. Het hoofd van de instelling waar een ter beschikking gestelde is geplaatst, houdt aantekeningen bij, als bedoeld in artikel 509o, tweede lid, onder 2°, van het Wetboek van Strafvordering, omtrent de lichamelijke en geestelijke gesteldheid van ter beschikking gestelden die van overheidswege worden verpleegd.

2.

De aantekeningen bevatten in elk geval:

a. a. zo volledig mogelijke gegevens betreffende de afkomst en het verleden van de ter beschikking gestelde; b. b. gegevens omtrent de lichamelijke en geestelijke gesteldheid bij binnenkomst; c. c. gegevens omtrent de ontwikkelingen gedurende de verpleging; d. d. gegevens omtrent belangrijke voorvallen gedurende de verpleging.

3. Onze Minister stelt het model voor de aantekeningen vast.

Artikel 3.5

1. Het hoofd van de private instelling met een bijzondere aanwijzing, bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, van de wet en het hoofd van de rijksinstelling houden aantekeningen bij van de beslissingen tot beperking van het recht op onaantastbaarheid van het lichaam van de ter beschikking gestelde of anderszins verpleegde, genoemd in de artikelen 24 tot en met 28 en 30 van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden, alsmede van de beslissingen tot afzondering of separatie, genoemd in artikel 34, en van elke strafoplegging genoemd in artikel 49 van die wet.

2.

De aantekeningen bevatten in elk geval:

a. a. de personalia van de ter beschikking gestelde of anderszins verpleegde; b. b. de aard van de genomen beslissing; c. c. de omstandigheden die aanleiding gaven tot het nemen van de beslissing; d. d. de diagnose, voor zover de beslissing wordt genomen ter afwending van ernstig nadeel dat voortvloeit uit de psychische stoornis, psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap van de ter beschikking gestelde of anderszins verpleegde; e. e. indien de ter beschikking gestelde of anderszins verpleegde zich tegen de beslissing heeft verzet, een mededeling daarvan.

3. Onze Minister stelt het model voor de aantekeningen vast.

Artikel 3.6

1. Het hoofd van de private instelling met een bijzondere aanwijzing, bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, van de wet en het hoofd van de rijksinstelling kunnen de uitoefening van een bij of krachtens de wet of de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden gestelde bevoegdheid of de naleving van een bij of krachtens de wet gestelde plicht, met uitzondering van de bevoegdheden en plichten genoemd in het tweede en derde lid en in het eerste lid van artikel 3.4 van de wet, overdragen aan personeelsleden of medewerkers.

2.

Voor zover in de wet of de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden niet anders wordt bepaald, zijn aan het hoofd van de private instelling met een bijzondere aanwijzing bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, van de wet en het hoofd van de rijksinstelling voorbehouden:

a. a. de beslissingen met betrekking tot plaatsing of voortzetting van het verblijf op een afdeling van intensieve zorg, bedoeld in artikel 32 van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden; b. b. de separatie of de verlenging van de separatie, bedoeld in artikel 34 van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden; c. c. een beperking van het recht op onaantastbaarheid van het lichaam als bedoeld in de artikelen 25 tot en met 28 van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden; d. d. de beslissing tot het verrichten van geneeskundige behandeling, bedoeld in artikel 16b, onder a of b, van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden; e. e. de beslissingen met betrekking tot de onderbrenging van een kind in de instelling, bedoeld in artikel 47 van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden; f. f. de beslissingen met betrekking tot disciplinaire straffen, bedoeld in de artikelen 48 en 49 van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden.

3.

Aan het hoofd van de instelling zijn voorbehouden:

a. a. de beslissingen met betrekking tot het verlof en proefverlof, bedoeld in artikel 50, onderscheidenlijk artikel 51 van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden; b. b. de hoorplicht, bedoeld in artikel 53 van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden en de mededelingsplicht, bedoeld in artikel 54 van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden, voor zover het hoofd van de instelling de desbetreffende beslissing zelf neemt onderscheidenlijk heeft genomen.

Artikel 3.7

Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over de eisen omtrent het beheer van de rijksinstellingen, de huisvesting van forensische patiënten en het aantekenen van andere belangrijke voorvallen omtrent de ter beschikking gestelde of anderszins verpleegde als bedoeld in artikel 3.5, derde lid, van de wet.

Hoofdstuk 4. Inkoop

Artikel 4.1

1. Ingevolge artikel 4.1, eerste lid, van de wet, sluit Onze Minister schriftelijke overeenkomsten met zorgaanbieders als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, aanhef en onder o, van de wet. De instelling dient te beschikken over een aanwijzing als private instelling voor forensische zorg.

2. Onze Minister maakt voorafgaand aan een inkoopronde bekend volgens welke modellen hij aan zorgaanbieders overeenkomsten aanbiedt.

3.

De overeenkomsten, bedoeld in het eerste lid, bevatten ten minste bepalingen over:

a. a. het tijdstip waarop de overeenkomst aanvangt, de duur van de overeenkomst en de tussentijdse beëindiging van de overeenkomst; b. b. de aard, de kwaliteit, de doelmatigheid, de omvang, de prestaties en de prijs van de te verlenen forensische zorg; c. c. de plaatsing, aanvang en continuïteit van de te verlenen forensische zorg; d. d. de voorwaarden met het oog op de veiligheid van de samenleving, van de forensische patiënten en van het personeel en overige voorwaarden waaronder de overeengekomen zorg wordt geleverd; e. e. de informatie die door de zorgaanbieder moet worden verstrekt in verband met het toezicht op de tenuitvoerlegging van de strafrechtelijke titel en controle op de naleving van het afgesloten inkoopcontract; f. f. de administratieve voorwaarden die partijen bij de uitvoering van de overeenkomst in acht zullen nemen, waaronder in elk geval de eisen waaraan de registratie, de declaratie en betaling van de verleende forensische zorg moeten voldoen; g. g. de controle op de naleving van de overeenkomst, waaronder begrepen de controle op de te verlenen dan wel verleende zorg en op de juistheid van de daarvoor in rekening gebrachte bedragen; h. h. niet nakoming van de overeenkomst en de wijze waarop geschillen worden beslecht; i. i. een periodiek overleg met de burgemeester en wethouders van de gemeente waarin de instelling is gelegen.

4. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de administratieve voorwaarden die partijen bij de uitvoering van de overeenkomst in acht zullen nemen, zoals bedoeld in het derde lid, onder f, en de controle op de naleving van de overeenkomst, zoals bedoeld in het derde lid, onder g.

Hoofdstuk 5. Indicatiestelling

Artikel 5.1

1.

De tot indicatiestelling bevoegde organen, bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, van de wet, zijn:

a. a. het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie; b. b. het Psycho Medisch Overleg van een penitentiaire inrichting van de Dienst Justitiële Inrichtingen; c. c. de reclassering.

2.

Het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie is bevoegd indien het forensische zorg betreft waarbij sprake is van:

a. a. verblijf in een inrichting of op een afdeling als bedoeld in artikel 14, vierde lid, van de Penitentiaire beginselenwet; b. b. verblijf in een instelling voor forensische zorg, waarbij deze bevoegdheid in geval sprake is van verblijf in een instelling voor beschermd wonen enkel geldt ten aanzien van:

        1°.
        verblijf dat volgt op een verblijf in een instelling voor forensische zorg of een verblijf in een inrichting of op een afdeling als bedoeld in artikel 14, vierde lid, van de Penitentiaire beginselenwet;
      
      
        2°.
        verblijf van gedetineerden, die veroordeeld zijn wegens een ernstig gewelds- of zedenmisdrijf.

1°. 1°. verblijf dat volgt op een verblijf in een instelling voor forensische zorg of een verblijf in een inrichting of op een afdeling als bedoeld in artikel 14, vierde lid, van de Penitentiaire beginselenwet; 2°. 2°. verblijf van gedetineerden, die veroordeeld zijn wegens een ernstig gewelds- of zedenmisdrijf.

3.

Het Psycho Medisch Overleg is bevoegd indien het forensische zorg betreft waarbij sprake is van:

a. a. de verlening van ambulante zorg aan gedetineerden; b. b. verblijf van gedetineerden in een instelling voor beschermd wonen, behoudens de gevallen waarin het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie daartoe bevoegd is.

4.

De reclassering is bevoegd, indien het forensische zorg betreft waarbij sprake is van:

a. a. de verlening van ambulante zorg; b. b. verblijf in een instelling voor beschermd wonen, behoudens de gevallen waarin het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie daartoe bevoegd is.

Artikel 5.2

1. Een indicatiestelling die is gelast ten behoeve van de overplaatsing of overbrenging van een gedetineerde, die veroordeeld is tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wegens een ernstig gewelds- of zedenmisdrijf, naar een instelling voor de verlening van forensische zorg, wordt mede gebaseerd op een delictanalyse en een recent opgemaakte risicotaxatie. De risicotaxatie is in ieder geval gericht op het type misdrijf waarvoor de gedetineerde is veroordeeld, is met redenen omkleed en is niet ouder dan zes maanden, gerekend vanaf de datum van de last tot indicatiestelling.

2. De directeur van de penitentiaire inrichting waarin de gedetineerde is opgenomen of bij wie de algemene verantwoordelijkheid ligt voor de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf draagt ervoor zorg dat de delictanalyse en de risicotaxatie bij de last tot indicatiestelling worden gevoegd.

3. De voorbereiding van de indicatiestelling, bedoeld in het eerste lid, omvat in ieder geval een onderzoek door de indicatiesteller van de gedetineerde in persoon.

Artikel 5.3

1.

Van de bevoegdheid bedoeld in artikel 5.2, vierde lid, van de wet mag de officier van justitie alleen gebruik maken indien:

a. a. de verlening van forensische zorg naar zijn oordeel nodig is in verband met de veiligheid van de justitiabele zelf of van andere personen, de veiligheid van goederen of de algemene veiligheid, en b. b. hij redelijkerwijs mag veronderstellen dat een strafrechtelijke titel voor de verlening van forensische zorg zal worden opgelegd.

2. Indien de officier van justitie gebruik maakt van de in het eerste lid bedoelde bevoegdheid, plaatst Onze Minister de justitiabele zonder indicatiestelling bij een gecontracteerde zorgaanbieder die ambulante begeleiding, ambulante behandeling of verblijf in een accommodatie voor beschermd wonen verleent.

3. Gelijktijdig met het gelasten van de verlening van forensische zorg, gelast de officier van justitie de reclassering om zo spoedig mogelijk alsnog een indicatiestelling af te geven.

Artikel 5.4

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ten aanzien van de deskundigheid van de personen die het onderzoek verrichten, de kwaliteit van de indicatiestellingen, het toezicht op de kwaliteitseisen die aan de indicatiestelling worden gesteld, de ontwikkeling en de implementatie van kwaliteitsinstrumenten en onderzoek en de procedure met betrekking tot de indicatiestelling en de daarbij te gebruiken modellen.

Hoofdstuk 6. Plaatsing, overplaatsing en overbrenging

Artikel 6.1

De plaatsing bij een zorgaanbieder bedoeld in artikel 6.1, eerste lid, van de wet, wordt door Onze Minister gedaan, dan wel, namens deze en onder diens regie, door:

a. a. de Divisie Individuele Zaken van de Dienst Justitiële Inrichtingen, indien het forensische zorg betreft waarbij sprake is van verblijf in een instelling voor forensische zorg, met uitzondering van het verblijf in een instelling voor beschermd wonen en behoudens de hieronder onder b genoemde uitzonderingen; b. b. de directeur van de penitentiaire inrichting, indien het de plaatsing van gedetineerden in een inrichting of op een afdeling als bedoeld in artikel 14, vierde lid, van de Penitentiaire beginselenwet betreft, dan wel de overbrenging van gedetineerden naar een instelling voor forensische zorg; c. c. de reclassering, indien het een andere vorm van forensische zorg betreft.

Artikel 6.2

1. Van een voor tenuitvoerlegging vatbare rechterlijke beslissing of strafbeschikking of een in het kader van de tenuitvoerlegging genomen beslissing waaruit voor de forensische patiënt een aanspraak op forensische zorg voortvloeit, doet het openbaar ministerie onverwijld mededeling aan Onze Minister, onder bijvoeging van de indicatiestelling.

2. Het plaatsingsbesluit, als bedoeld in artikel 6.1, eerste lid, van de wet, bevat een aanduiding van het beveiligingsniveau dat van toepassing is op de forensische patiënt. Tevens bevat het een aanduiding van welke aard categorale zorg, te weten psychiatrische zorg, verslavingszorg dan wel gehandicaptenzorg of psychogeriatrische zorg, van toepassing is. Voorts geeft het besluit aan bij welke zorgaanbieder en op welke behandellocatie de zorg zal worden verleend en bevat het de eventueel gestelde voorwaarden waaraan de verlening van de zorg dient te voldoen in verband met de in artikel 6.2, eerste lid, onder a, van de wet genoemde eisen, alsmede de wijze waarop het toezicht daarop wordt vormgegeven.

3. De beslissing van Onze Minister omtrent de plaatsing in een instelling die strekt tot de tenuitvoerlegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met het bevel tot verpleging van overheidswege wordt door hem zo spoedig mogelijk meegedeeld aan de officier van justitie bij de rechtbank die in de eerste aanleg heeft kennis genomen van het misdrijf ter zake waarvan de maatregel van terbeschikkingstelling is gelast.

4. Aan de gedetineerde wordt van de beslissing van Onze Minister omtrent de plaatsing in een instelling voor de verpleging van ter beschikking gestelden en tot beëindiging van zijn verblijf in die inrichting onverwijld schriftelijk en zo veel mogelijk in een voor hem begrijpelijke taal een met redenen omklede, gedagtekende en ondertekende mededeling gedaan. Daarbij wordt de gedetineerde gewezen op de mogelijkheid van het instellen van beroep, bedoeld in hoofdstuk XVI van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden, en de wijze waarop en de termijn waarbinnen dit dient te geschieden.

Artikel 6.2a

1. Indien het plaatsingsbesluit, als bedoeld in artikel 6.1, eerste lid, van de wet, betrekking heeft op de overbrenging van een gedetineerde naar een instelling voor forensische zorg op grond van artikel 15, vijfde lid, of artikel 43, derde lid, van de Penitentiaire beginselenwet, gelden de in de leden twee tot en met vijf van dit artikel neergelegde aanvullende eisen.

2.

Bij het opstellen van het plaatsingsbesluit, bedoeld in het eerste lid, betrekt de directeur van de penitentiaire inrichting naast de indicatiestelling in ieder geval:

a. a. het penitentiair dossier, bedoeld in een artikel 36 van de Penitentiaire maatregel; b. b. het inrichtingsdossier, bedoeld in artikel 37, tweede lid, van de Penitentiaire maatregel; c. c. een advies van de officier van justitie over de tenuitvoerlegging, het niveau van beveiliging en de eventueel te stellen voorwaarden waaraan de verlening van de zorg dient te voldoen in verband met de in artikel 6.2, eerste lid, onder a, van de wet genoemde eisen; d. d. een advies van de reclassering over de wijze waarop het toezicht wordt vormgegeven, in het geval van een overbrenging op grond van artikel 43, derde lid, van de Penitentiaire beginselenwet; e. e. een eventueel advies van de rechter over de tenuitvoerlegging; f. f. een advies van de plaatsings- en vrijhedencommissie van de penitentiaire inrichting. Dit advies gaat in op de eisen bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, onder a en b, van de wet en bij het opstellen van dat advies betrekt de plaatsings- en vrijhedencommissie de onder a en b genoemde dossiers en de onder c tot en met f genoemde adviezen.

3. De selectiefunctionaris van de Divisie Individuele Zaken van de Dienst Justitiële Inrichtingen draagt ervoor zorg dat de directeur over de indicatiestelling en de adviezen bedoeld in het eerste lid, onder c tot en met f, beschikt. De selectiefunctionaris geeft de directeur tevens advies over de zorgaanbieder bij welke en de behandellocatie op welke de verlening van de forensische zorg zal plaatsvinden.

4.

Indien het plaatsingsbesluit, bedoeld in het eerste lid, betrekking heeft op een gedetineerde, die veroordeeld is wegens een ernstig gewelds- of zedenmisdrijf stelt de directeur daarin altijd de algemene voorwaarden dat:

a. a. de forensische patiënt ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs as bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt; en b. b. de forensische patiënt, die op grond van artikel 43, derde lid, van de Penitentiaire beginselenwet wordt overgebracht naar een instelling voor forensische zorg, medewerking verleent aan reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 2.4 van de wet, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken.

5. Voor het wijzigen van de grondslag voor de plaatsing in een instelling voor forensische zorg van artikel 15, vijfde lid, naar artikel 43, derde lid, van de Penitentiaire beginselenwet, is een nieuw plaatsingsbesluit, als bedoeld in het eerste lid, vereist.

Artikel 6.3

1.

Onze Minister kan, indien de omstandigheden dit wenselijk maken, ambtshalve, op schriftelijk verzoek van het hoofd van de instelling waarin de forensische patiënt verblijft, dan wel op verzoek van de forensische patiënt zelf, of op verzoek van de toezichthoudende instantie, beslissen dat een forensische patiënt naar een andere instelling zal worden overgeplaatst of overgebracht, dan wel naar de instelling of de penitentiaire inrichting waar de algemene verantwoordelijkheid ligt voor de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf of de vrijheidsbenemende maatregel. Bij deze beslissing betrekt de Minister in ieder geval in zijn overwegingen:

a. a. de eisen die de bescherming van de maatschappij stelt in verband met het risico dat van de forensische patiënt uitgaat voor de veiligheid van anderen dan de forensische patiënt of de algemene veiligheid van personen of goederen; b. b. de eisen die de behandeling van de forensische patiënt stelt gezien de aard van de bij hem geconstateerde psychische stoornis, psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap.

2. De overplaatsing of overbrenging van een forensische patiënt naar een andere zorgaanbieder geschiedt, door of vanwege Onze Minister, op basis van een gedagtekend plaatsingsbesluit. Het hoofd van de instelling stelt in dit geval een eindverslag op betreffende het verblijf, de behandeling en in voorkomende gevallen de verpleging van de forensische patiënt in diens instelling. Hij voegt dit toe aan het behandeldossier en draagt dit dossier over aan de nieuwe zorgaanbieder.

3. De beslissing van Onze Minister tot overplaatsing of overbrenging, bedoeld in het vorige lid, wordt zo spoedig mogelijk meegedeeld aan het hoofd van de instelling waarin de forensische patiënt verblijft en aan het hoofd van de instelling waarheen de forensische patiënt zal worden overgeplaatst of overgebracht.

4. Op de beslissing van Onze Minister, bedoeld in artikel 6.5, eerste, tweede of vierde lid, en artikel 6.7 van de wet is het vorige lid van overeenkomstige toepassing.

Artikel 6.4

1. Onze Minister kan beslissen dat het verblijf in de instelling op grond van artikel 13 of artikel 19 van het Wetboek van Strafrecht wordt beëindigd. Alvorens dit besluit te nemen, wordt het hoofd van de instelling waarin de forensische patiënt is geplaatst, hierover om advies gevraagd.

2. De plaatsing in een instelling aangewezen voor de verpleging van ter beschikking gestelden van een veroordeelde tot gevangenisstraf, die tevens de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege is opgelegd, geschiedt indien het ten uitvoer te leggen gedeelte van de gevangenisstraf is ondergaan.

3.

In afwijking van het tweede lid kan Onze Minister bepalen dat de plaatsing op een eerder tijdstip plaatsvindt, indien:

a. a. er dringende medische redenen aanwezig zijn die plaatsing op een eerder tijdstip noodzakelijk maken; b. b. de veroordeelde jonger is dan 23 jaar en plaatsing op een eerder tijdstip met het oog op zijn ontwikkeling noodzakelijk is; c. c. het advies van de rechter, bedoeld in artikel 37b, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, daartoe aanleiding geeft.

4. Ten aanzien van veroordeelden tot gevangenisstraf die tevens de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege is opgelegd wordt zo spoedig mogelijk na het onherroepelijk worden van de rechterlijke uitspraak een plaatsingsbesluit genomen.

5. Ten aanzien van de in het tweede lid bedoelde veroordeelden vindt na het onherroepelijk worden van de rechterlijke uitspraak, een periodieke beoordeling plaats omtrent de noodzaak tot plaatsing in een instelling aangewezen voor de verpleging van ter beschikking gestelden.

Artikel 6.5

De genoemde elementen in artikel 2 van het Besluit verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling zijn van overeenkomstige toepassing op een meldcode, bedoeld in artikel 6.10a, van de wet.

Artikel 6.6

1. Indien de zorgaanbieder niet voldoet aan de verplichting tot opneming en verlening van de geïndiceerde forensische zorg en beveiliging, bedoeld in artikel 6.1, derde lid, van de wet, kan Onze Minister bij een eerste overtreding een bestuurlijke boete van ten hoogste € 12.500 opleggen.

2. Bij een tweede overtreding binnen een periode van vijf jaar kan Onze Minister een bestuurlijke boete van ten hoogste € 25.000 opleggen.

3.

Alvorens de boete bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt opgelegd, wordt de zorgaanbieder:

a. a. schriftelijk geïnformeerd over de mogelijke oplegging van een bestuurlijke boete bij het niet voldoen aan de verplichting bedoeld in artikel 6.1, derde lid, van de wet; b. b. in de gelegenheid gesteld hierover te worden gehoord.

4. De Minister legt de boete, bedoeld in het eerste en tweede lid, niet op, indien de zorgaanbieder naar zijn oordeel aannemelijk maakt dat het opleggen van een boete niet redelijk zou zijn, omdat voor het niet voldoen aan de verplichting tot opneming en verlening van geïndiceerde forensische zorg en beveiliging, bedoeld in artikel 6.1, derde lid, van de wet, een rechtvaardigingsgrond bestaat.

Artikel 6.7

Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld ten aanzien van de plaatsing en overplaatsing van forensische patiënten en de wijze waarop het vervoer plaatsvindt, de overbrenging van forensische patiënten met het oog op de aanvang of voortzetting van de tenuitvoerlegging van de uitspraak of de beslissing en de te volgen procedure bij de ongeoorloofde afwezigheid vande forensische patiënt en andere bijzondere voorvallen, bedoeld in artikel 6.10 van de wet. In de regels wordt aangegeven op welke wijze de veiligheid en de behandeling meewegen.

Hoofdstuk 7. Wijzigingen in andere regelingen

Paragraaf 1. Justitie en Veiligheid

Artikel 7.1

Wijzigt het Besluit justitiële en strafvorderlijke gegevens.

Artikel 7.2

Wijzigt de Penitentiaire maatregel.

Artikel 7.3

Wijzigt de Reclasseringsregeling 1995.

Artikel 7.4

Wijzigt het Reglement verpleging ter beschikking gestelden.

Paragraaf 2. Sociale Zaken en Werkgelegenheid

Artikel 7.5

Wijzigt het Besluit Wfsv.

Paragraaf 3. Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Artikel 7.6

Wijzigt het Besluit uitbreiding en beperking werkingssfeer WMG.

Artikel 7.7

Wijzigt het Besluit zorgverzekering.

Artikel 7.8

Wijzigt het Uitvoeringsbesluit WTZi.

Hoofdstuk 8. Slotbepalingen

Artikel 8.1

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.

Artikel 8.2

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit forensische zorg.