40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt. |
||
|---|---|---|
| .. | ||
| README.md | ||
| titel | bwb_id | type | status | datum_inwerkingtreding | bron | citeertitel |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Besluit mestbassins milieubeheer | BWBR0004990 | AMvB | geldend | 1991-02-01 | https://wetten.overheid.nl/BWBR0004990 | Besluit mestbassins milieubeheer |
Besluit mestbassins milieubeheer
Artikel 1
1.
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. a. inrichting: een inrichting die behoort tot een krachtens artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer aangewezen categorie; b. b. bewaren van dunne mest: het bewaren van dunne mest in één of meer bassins, voor zover:
1°.
de gezamenlijke oppervlakte van de in de inrichting aanwezige bassins niet meer bedraagt dan 750 m²;
2°.
de gezamenlijke inhoud van de in de inrichting aanwezige bassins niet meer bedraagt dan 2500 m^3;
3°.
er in de bassins geen beluchting, geforceerde vergisting of een andere be- of verwerking van dunne mest plaatsvindt, behoudens mengen of roeren;
1°. 1°. de gezamenlijke oppervlakte van de in de inrichting aanwezige bassins niet meer bedraagt dan 750 m²; 2°. 2°. de gezamenlijke inhoud van de in de inrichting aanwezige bassins niet meer bedraagt dan 2500 m^3; 3°. 3°. er in de bassins geen beluchting, geforceerde vergisting of een andere be- of verwerking van dunne mest plaatsvindt, behoudens mengen of roeren; c. c. dunne mest: mest die verpompbaar is en die bestaat uit faeces of urine van landbouwhuisdieren, al dan niet vermengd met mors-, spoel-, reinigings- of regenwater; d. d. bassin: een reservoir bestemd en geschikt voor het bewaren van dunne mest, dat niet geheel of gedeeltelijk is gelegen onder een stal en dat tot stand is gebracht na 1 juni 1987; e. e. woning: een gebouw of een deel van een gebouw, dat voor bewoning wordt gebruikt of daartoe is bestemd; f. f. gevoelig object: een gebouw of deel van een gebouw dat tot het verblijf van personen is bestemd, een gebouw of terrein dat is bestemd voor verblijfs- of dagrecreatie, niet zijnde een kampeerterrein als bedoeld in artikel 8, tweede lid, onder a, of artikel 8, derde lid, van de Wet op de openluchtrecreatie, een gebouw dat deel uitmaakt van een agrarisch bedrijf en ter beschikking wordt gesteld voor het houden van recreatief nachtverblijf, of een als kamphuis of blokhut aan te merken bouwwerk, dat ter beschikking wordt gesteld voor het houden van recreatief nachtverblijf; g. g. zeer kwetsbaar gebied: zeer kwetsbaar gebied in de zin van de Wet ammoniak en veehouderij; h. h. bevoegd gezag: het bestuursorgaan dat bevoegd is of zou zijn een omgevingvergunning voor de inrichting waar dunne mest wordt bewaard, te verlenen.
2.
Dit besluit is niet van toepassing op een inrichting waar dunne mest wordt bewaard in een bassin, dat is gelegen:
a. a. op minder dan 50 m afstand van een woning van derden, die behoort tot een krachtens artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer aangewezen inrichting voor het kweken, fokken, mesten, houden, verhandelen, verladen of wegen van dieren; b. b. op minder dan 100 m afstand van een gevoelig object van derden of een woning van derden, niet zijnde een woning als bedoeld onder a.
3. Indien de gezamenlijke oppervlakte van de in de inrichting aanwezige bassins minder bedraagt dan 350 m², bedragen de in het tweede lid bedoelde afstanden respectievelijk 25 en 50 m.
Artikel 2
Degene die een inrichting drijft, waarin dunne mest wordt bewaard, dient te voldoen aan de voorschriften die zijn opgenomen in dit besluit en de bij dit besluit behorende bijlage I, alsmede aan de krachtens die voorschriften door het bevoegd gezag gestelde nadere eisen.
Artikel 3
Indien een inrichting tot een krachtens artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer aangewezen categorie behoort, niet uitsluitend omdat daarin dunne mest wordt bewaard, geldt een voor de inrichting verleende omgevingsvergunning ook voor het oprichten, in werking hebben of veranderen van de inrichting, dan wel het veranderen van de werking daarvan, voor zover dit oprichten, in werking hebben of veranderen dan wel veranderen van de werking betrekking heeft op het bewaren van dunne mest overeenkomstig artikel 1.
Artikel 4
1. Degene die voornemens is een inrichting op te richten, voor zover dit oprichten betrekking heeft op het bewaren van dunne mest, meldt dit tenminste vier weken voor het oprichten aan het bevoegd gezag.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot het uitbreiden of wijzigen van een inrichting, dan wel het veranderen van de werking daarvan, voor zover dat betrekking heeft op het bewaren van dunne mest. Deze melding is niet vereist, indien eerder een melding overeenkomstig het bepaalde in dit artikel is gedaan en door dit uitbreiden, wijzigen of veranderen van de werking van de inrichting geen afwijking ontstaat van de bij die melding verstrekte gegevens.
3. Bij een melding als bedoeld in het eerste of tweede lid, wordt in ieder geval het tijdstip vermeld, waarop de inrichting of de uitbreiding of wijziging daarvan in werking zal worden gebracht, dan wel de verandering van de werking daarvan verwezenlijkt zal zijn, en worden de gegevens verstrekt, die in de bij dit besluit behorende bijlage II zijn aangegeven. Tevens dienen de gegevens te worden verstrekt die zijn aangegeven in de krachtens bijlage II door het bevoegd gezag gestelde nadere eisen. De melding dient te worden gedaan op een formulier waarvan het model wordt vastgesteld door Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. Onze Minister kan daarbij nadere regels stellen met betrekking tot de in bijlage II bedoelde gegevens.
4. Degene die een melding heeft gedaan als bedoeld in het eerste of het tweede lid, dient het bevoegd gezag zo tijdig in kennis te stellen van een wijziging van het in het derde lid bedoelde tijdstip dat het bevoegd gezag in staat is voorafgaand aan dat tijdstip te controleren of aan de in bijlage I opgenomen voorschriften wordt voldaan.
Artikel 5
1. Gedurende één jaar vanaf het tijdstip waarop dit besluit van toepassing wordt op een reeds opgerichte inrichting waar dunne mest wordt bewaard, zijn de artikelen 2 en 3 niet van toepassing.
2. In een geval als bedoeld in het eerste lid, meldt degene die de inrichting drijft, ten hoogste zes maanden na het in dat lid bedoelde tijdstip aan het bevoegd gezag dat hij de inrichting in werking heeft. De melding dient te geschieden overeenkomstig artikel 4, derde lid.
3.
Deze melding is niet vereist, indien voor de inrichting:
a. a. een vergunning krachtens artikel 8.1 van de Wet milieubeheer of krachtens de Hinderwet is verleend, die betrekking heeft op het bewaren van dunne mest waarop dit besluit van toepassing is; b. b. een melding als bedoeld in een verordening krachtens artikel 3 van de Hinderwet, heeft plaatsgevonden, die betrekking heeft op het bewaren van dunne mest waarop dit besluit van toepassing is; c. c. een eerdere kennisgeving heeft plaatsgevonden waarbij de gegevens zijn verstrekt, die zijn aangegeven in bijlage II van het ontwerp van dit besluit, dat is voorgepubliceerd in de Staatscourant 1987, 55.
Artikel 6
Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede kalendermaand na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.
Artikel 7
Dit besluit kan worden aangehaald als: Besluit mestbassins milieubeheer.
Bijlage I. Behorende bij het besluit mestbassins milieubeheer
Bijlage II. Behorende bij het
-
Bij een melding of kennisgeving als bedoeld in de artikelen 4, eerste en tweede lid, en 5, tweede lid, moeten de volgende gegevens worden verstrekt:
-
Indien het bevoegd gezag van oordeel is dat de verklaring als bedoeld onder 1, sub e, onvoldoende gegevens bevat om te beoordelen of aan de bedoelde voorschriften kan worden voldaan, kan het nadere eisen stellen, inhoudende dat de daartoe nodige nadere of verdere, door haar aangeduide gegevens moeten worden verstrekt; dergelijke nadere eisen kunnen niet worden gesteld, indien uit de verklaring blijkt dat:
-
Met een geaccrediteerde instelling als bedoeld in het tweede lid, onder a, wordt gelijkgesteld een instelling die is geaccrediteerd in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel in een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij een daartoe strekkend of mede daartoe strekkend verdrag dat Nederland bindt, op basis van onderzoekingen of documenten die een beschermingsniveau bieden dat ten minste gelijkwaardig is aan het beschermingsniveau dat met de nationale onderzoekingen of documenten wordt nagestreefd.
Bijlage III. Behorende bij het
Vervallen.