rijk/amvb/besluit-specifieke-uitkeringen-gemeentelijk-onderwijsachterstandenbeleid/BWBR0041370
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00
..
README.md feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown 2026-03-30 06:27:40 +02:00

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Besluit specifieke uitkeringen gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid BWBR0041370 AMvB geldend 2018-09-28 https://wetten.overheid.nl/BWBR0041370 Besluit specifieke uitkeringen gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid

Besluit specifieke uitkeringen gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid

Artikel 1

In dit besluit wordt verstaan onder:

  • basisschool: basisschool als bedoeld in artikel 1 WPO, niet zijnde een school als bedoeld in artikel 193 WPO;
  • onderwijsscore: verwachte score van een kind in de leeftijd van 2,5 jaar tot 4 jaar of van een leerling van een basisschool die op basis van statistische gegevens door het Centraal bureau voor de statistiek wordt bepaald;
  • achterstandsscore: overeenkomstig artikel 3 berekende score van een gemeente voor de toekenning van een specifieke uitkering gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid als bedoeld in artikel 2;
  • teldatum: datum als bedoeld in artikel 118, eerste lid, WPO;
  • WPO: Wet op het primair onderwijs.

Artikel 2

Een gemeente komt in een kalenderjaar in aanmerking voor een uitkering als bedoeld in artikel 163 WPO indien de uitkomst van de formule, bedoeld in artikel 4, eerste lid, voor dat kalenderjaar groter is dan nul.

Artikel 3

1.

Het Centraal bureau voor de statistiek berekent jaarlijks de achterstandsscore van elke gemeente op basis van gegevens op de teldatum op basis van:

a. a. de onderwijsscores van alle kinderen in de leeftijd van 2,5 jaar tot 4 jaar die op de teldatum zijn ingeschreven in de basisregistratie personen, bedoeld in artikel 1.2 van de Wet basisregistratie personen, en die woonachtig zijn in de betreffende gemeente; en b. b. de onderwijsscores van alle leerlingen van alle basisscholen die op de teldatum zijn ingeschreven op een basisschool in die gemeente en van wie het persoonsgebonden nummer tezamen met de basisgegevens, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, van de Wet register onderwijsdeelnemers binnen vier weken na die dag zijn opgenomen in het register onderwijsdeelnemers overeenkomstig artikel 14 van de Wet register onderwijsdeelnemers.

2.

De achterstandsscore van een gemeente is de uitkomst van de formule A B en wordt als volgt berekend:

A = som van de uitkomsten van de formule C D voor alle kinderen in de leeftijd van 2,5 jaar tot 4 jaar en alle leerlingen van de basisscholen in de gemeente die behoren tot de 15% van alle kinderen in de leeftijd van 2,5 jaar tot 4 jaar en alle leerlingen van alle basisscholen met de laagste onderwijsscore, waarbij:
C = landelijk gemiddelde onderwijsscore van alle kinderen in de leeftijd van 2,5 jaar tot 4 jaar en alle leerlingen van alle basisscholen;
D = onderwijsscore van het kind in de leeftijd van 2,5 jaar tot 4 jaar of de leerling van een basisschool in de gemeente.
B = E x F x (CG) waarbij
E = het aantal kinderen in de leeftijd van 2,5 jaar tot 4 jaar en aantal leerlingen van de basisscholen in de gemeente;
F = 5%;
C = landelijk gemiddelde onderwijsscore van alle kinderen in de leeftijd van 2,5 jaar tot 4 jaar en alle leerlingen van alle basisscholen;
G = landelijk gemiddelde onderwijsscore van alle kinderen in de leeftijd van 2,5 jaar tot 4 jaar en alle leerlingen van de basisscholen in de gemeente die behoren tot de 15% van alle kinderen in de leeftijd van 2,5 jaar tot 4 jaar en alle leerlingen van alle basisscholen met de laagste onderwijsscore.

3. De achterstandsscore wordt rekenkundig afgerond op twee decimalen. Indien de achterstandsscore negatief is, wordt deze gelijkgesteld aan nul.

4. Het Centraal bureau voor de statistiek verstrekt jaarlijks aan Onze Minister de achterstandsscores van de gemeenten zoals die op grond van dit artikel zijn berekend en maakt deze zo spoedig mogelijk daarna openbaar.

5. Bij de toepassing van dit artikel blijven scholen als bedoeld in artikel 193 WPO en de leerlingen van die scholen buiten beschouwing.

Artikel 4

1.

De hoogte van de uitkering bedraagt per kalenderjaar per gemeente de uitkomst van de formule (H + I) x (J / K), waarbij:

H = de helft van de achterstandsscore in die gemeente zoals door het Centraal bureau voor de statistiek is vastgesteld op basis van de onderwijsscores op de teldatum één jaar voorafgaand aan het betreffende kalenderjaar;

I = de helft van de achterstandsscore in die gemeente zoals door het Centraal bureau voor de statistiek is vastgesteld op basis van de onderwijsscores op de teldatum twee jaar voorafgaand aan het betreffende kalenderjaar;

J = het voor het betreffende kalenderjaar in het kader van de Rijksbegroting beschikbare bedrag voor het doen van de uitkering, bedoeld in artikel 163 WPO, verminderd met het bedrag dat nodig is voor de aanvullingen op de uitkering, bedoeld in het tweede lid;

en

K = de helft van de som van de achterstandsscores van alle gemeenten gezamenlijk zoals door het Centraal bureau voor de statistiek is vastgesteld op basis van de onderwijsscores op de teldata één jaar en twee jaar voorafgaand aan het betreffende kalenderjaar.

2. Indien de factor A bedoeld in artikel 3, eerste lid, op de teldatum één jaar of twee jaar voorafgaand aan het betreffende kalenderjaar groter is dan 0 en de hoogte van de uitkering berekend op grond van het eerste lid minder bedraagt dan € 64.000, wordt de uitkering voor de betreffende gemeente vastgesteld op € 64.000.

3.

In afwijking van het eerste en tweede lid wordt bij de berekening van de achterstandsscore:

a. a. voor het kalenderjaar 2022:

        1°.
        bij factor H uitgegaan van de onderwijsscores op 1 oktober 2020;
      
      
        2°.
        bij factor I uitgegaan van de onderwijsscores op 1 oktober 2019;
      
      
        3°.
        bij factor K uitgegaan van de onderwijsscores op 1 oktober 2020 en 1 oktober 2019;
      
      
        4°.
        in het tweede lid uitgegaan van factor A op 1 oktober 2020 of 1 oktober 2019;

1°. 1°. bij factor H uitgegaan van de onderwijsscores op 1 oktober 2020; 2°. 2°. bij factor I uitgegaan van de onderwijsscores op 1 oktober 2019; 3°. 3°. bij factor K uitgegaan van de onderwijsscores op 1 oktober 2020 en 1 oktober 2019; 4°. 4°. in het tweede lid uitgegaan van factor A op 1 oktober 2020 of 1 oktober 2019; b. b. voor het kalenderjaar 2023:

        1°.
        bij factor H uitgegaan van de onderwijsscores op 1 oktober 2021;
      
      
        2°.
        bij factor I uitgegaan van de onderwijsscores op 1 oktober 2020;
      
      
        3°.
        bij factor K uitgegaan van de onderwijsscores op 1 oktober 2021 en 1 oktober 2020;
      
      
        4°.
        in het tweede lid uitgegaan van factor A op 1 oktober 2021 of 1 oktober 2020.

1°. 1°. bij factor H uitgegaan van de onderwijsscores op 1 oktober 2021; 2°. 2°. bij factor I uitgegaan van de onderwijsscores op 1 oktober 2020; 3°. 3°. bij factor K uitgegaan van de onderwijsscores op 1 oktober 2021 en 1 oktober 2020; 4°. 4°. in het tweede lid uitgegaan van factor A op 1 oktober 2021 of 1 oktober 2020.

Artikel 5

1. Indien de uitkering in een kalenderjaar niet of niet geheel is besteed aan het doel waarvoor deze is bestemd, kan het overschot worden besteed in een volgend kalenderjaar binnen het tijdvak, bedoeld in het tweede lid.

2. Aan het einde van een tijdvak van vier kalenderjaren dient het totaalbedrag aan uitkeringen te zijn besteed aan het doel waarvoor het is bestemd, met dien verstande dat een bedrag ter hoogte van maximaal de helft van de uitkering die is ontvangen in het vierde kalenderjaar kan worden besteed in het volgende vierjarige tijdvak.

3. Het eerste tijdvak van vier kalenderjaren vangt aan op 1 januari 2019.

4. Onverminderd het tweede lid vordert onze minister bedragen terug die blijkens de verantwoordingsinformatie, bedoeld in artikel 17a van de Financiële-verhoudingswet, niet zijn besteed aan het doel waar zij voor waren bestemd.

Artikel 6

Vervallen

Artikel 7

Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Artikel 8

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit specifieke uitkeringen gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid.