rijk/amvb/besluit-studiefinanciering-2000/BWBR0011545
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00
..
README.md feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown 2026-03-30 06:27:40 +02:00

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Besluit studiefinanciering 2000 BWBR0011545 AMvB geldend 2023-09-01 https://wetten.overheid.nl/BWBR0011545 Besluit studiefinanciering 2000

Besluit studiefinanciering 2000

Hoofdstuk 1. Algemeen

Artikel 1

1.

In dit besluit wordt verstaan onder:

aflosfase: aflosfase, bedoeld in artikel 6.7 van de wet,

familielid: familielid als bedoeld in richtlijn 2004/38/EG,

richtlijn 2004/38/EG: richtlijn nr. 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van de Richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG (PbEU L 158),

wet: Wet studiefinanciering 2000.

2. In hoofdstuk 3a van dit besluit wordt verstaan onder aanvullende beurs: toegekende en uitbetaalde aanvullende beurs als bedoeld in artikel 6.2, tweede lid, van de wet.

3. Een wijziging van richtlijn 2004/38/EG gaat voor de toepassing van dit besluit gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven.

Artikel 1a

1. Artikel 3 berust op artikel 2.2, eerste lid, onderdeel c, van de Wet studiefinanciering 2000.

2. Artikel 3a berust op artikel 2.2, tweede lid, van de Wet studiefinanciering 2000.

Artikel 2

Onder «belastbaar minimumloon», bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de wet, wordt verstaan:

108% van het twaalfvoud van het voor de maand januari van het berekeningsjaar geldende in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag bedoelde bedrag per maand.

Hoofdstuk 2. Reikwijdte

Artikel 3

1.

Met een Nederlander wordt gelijkgesteld de vreemdeling die in Nederland rechtmatig verblijf heeft:

a. a. op grond van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 8, onder b, van de Vreemdelingenwet 2000; b. b. op grond van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000; c. c. op grond van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 8, onder d, van de Vreemdelingenwet 2000; d. d. op grond van artikel 8, onderdelen g of h, van de Vreemdelingenwet 2000, voor zover hij reeds studiefinancieringsgenietende is; of e. e. op grond van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000 die is verleend onder een beperking:

        1°.
        verband houdend met verblijf als familie- of gezinslid van een Nederlander of van een vreemdeling als bedoeld in onderdeel a, b, c of dit onderdeel;
      
      
        2°.
        verband houdend met tijdelijke humanitaire gronden of hiermee verband houdende niet-tijdelijke humanitaire gronden;
      
      
        3°.
        als bedoeld in artikel 3.4, vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 of hiermee verband houdende niet-tijdelijke humanitaire gronden;
      
      
        4°.
        verband houdend met afwikkeling nalatenschap oude Vreemdelingenwet als bedoeld in artikel 3.17a, onderdeel b, van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 of hiermee verband houdende niet-tijdelijke humanitaire gronden; of

1°. 1°. verband houdend met verblijf als familie- of gezinslid van een Nederlander of van een vreemdeling als bedoeld in onderdeel a, b, c of dit onderdeel; 2°. 2°. verband houdend met tijdelijke humanitaire gronden of hiermee verband houdende niet-tijdelijke humanitaire gronden; 3°. 3°. als bedoeld in artikel 3.4, vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 of hiermee verband houdende niet-tijdelijke humanitaire gronden; 4°. 4°. verband houdend met afwikkeling nalatenschap oude Vreemdelingenwet als bedoeld in artikel 3.17a, onderdeel b, van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 of hiermee verband houdende niet-tijdelijke humanitaire gronden; of 5°. 5°. verband houdend met niet-tijdelijke humanitaire gronden die volgt op een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000 die is verleend onder de beperking medische behandeling; 6°. 6°. verband houdend met niet-tijdelijke humanitaire gronden die als eerste verblijfsvergunning op grond van de Vreemdelingenwet 2000 wordt toegekend.

2. Met een Nederlander wordt eveneens gelijkgesteld de vreemdeling ten behoeve van wie of aan wie een tegemoetkoming is verstrekt als bedoeld in hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten.

Artikel 3a

1.

Artikel 2.2, tweede lid, van de wet is van toepassing op een persoon die:

a. a. een nationaliteit heeft van een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, dan wel van Zwitserland; b. b. niet het duurzaam verblijfsrecht, bedoeld in artikel 16 van richtlijn 2004/38/EG, heeft verworven; en c. c. geen:

        1°.
        werknemer;
      
      
        2°.
        zelfstandige;
      
      
        3°.
        persoon die de status van werknemer of zelfstandige heeft behouden; of
      
      
        4°.
        familie van een persoon als bedoeld in onderdeel 1° tot en met 3° is.

1°. 1°. werknemer; 2°. 2°. zelfstandige; 3°. 3°. persoon die de status van werknemer of zelfstandige heeft behouden; of 4°. 4°. familie van een persoon als bedoeld in onderdeel 1° tot en met 3° is.

2.

Artikel 2.2, tweede lid, van de wet is eveneens van toepassing op een persoon die in Nederland rechtmatig verblijf heeft op grond van:

a. a. een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 3.30b van het Vreemdelingenbesluit 2000; of b. b. een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 3.33 van het Vreemdelingenbesluit 2000.

3. Artikel 2.2, tweede lid, van de wet is eveneens van toepassing op familieleden van een persoon als bedoeld in het eerste en tweede lid.

4. Voor mbo-studenten wordt de tegemoetkoming op grond van het eerste tot en met derde lid verstrekt in de vorm van een gift ter hoogte van het bedrag van de basisbeurs voor een thuiswonende mbo-student, genoemd in artikel 3.18, overzicht 2, onder A, van de wet. De tegemoetkoming wordt toegekend in één bedrag per studiejaar. Indien de aanspraak gedurende een studiejaar ontstaat bestaat de aanspraak uit een twaalfde van het bedrag per studiejaar maal het aantal resterende maanden van dat studiejaar. Indien de mbo-student in aanmerking komt voor het levenlanglerenkrediet wordt de tegemoetkoming toegekend in de vorm van levenlanglerenkrediet.

5. Voor ho-studenten wordt de tegemoetkoming op grond van het eerste tot en met derde lid verstrekt in de vorm van een aanspraak op het collegegeldkrediet, bedoeld in artikel 3.16a, of het levenlanglerenkrediet van de wet.

6. Op de tegemoetkoming is artikel 3.21, derde lid, van de wet van overeenkomstige toepassing.

Artikel 4

Vervallen

Hoofdstuk 2a. Criteria toekenning meeneembare studiefinanciering

Artikel 5

In afwijking van artikel 1.1, eerste lid, van de wet, wordt in dit hoofdstuk onder partner verstaan: een echtgenoot of partner als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdelen a en b, of artikel 3, tweede lid, onderdeel b, van richtlijn 2004/38/EG.

Artikel 5a

1.

Van een band met Nederland, als bedoeld in artikel 2.14, tweede lid, onderdeel a, van de wet, is sprake indien aan ten minste één van de volgende criteria is voldaan:

a. a. de ho-student valt binnen de reikwijdte van artikel 45 of 49 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, of is daarmee gelijkgesteld op grond van het recht van de Europese Unie, en hij of zijn ouder of partner werkt in Nederland, anders dan louter marginaal en bijkomstig; b. b. de ho-student heeft ten minste 3 jaren van de 6 jaren voorafgaand aan diens inschrijving aan de buitenlandse opleiding in Nederland gewoond en gedurende deze periode rechtmatig verblijf gehad; c. c. de ho-student heeft ten minste 3 jaren van de 6 jaren voorafgaand aan diens inschrijving aan de buitenlandse opleiding in Nederland gewerkt, anders dan louter marginaal en bijkomstig; d. d. de ho-student heeft volledig Nederlands onderwijs dat is geregeld bij of krachtens de Wet op het primair onderwijs, de Wet voortgezet onderwijs 2020 of de Wet op de expertisecentra gevolgd in Nederland.

2.

Van een band met Nederland is voorts sprake indien de ho-student voldoende vaardig is in de Nederlandse taal, wat in ieder geval kan worden aangetoond met een NT2-diploma, en aan ten minste één van de volgende criteria voldoet:

a. a. de ho-student heeft voorafgaand aan diens inschrijving aan de buitenlandse opleiding gedurende een periode van ten minste 3 jaren in Nederland gewoond en gedurende deze periode rechtmatig verblijf gehad; b. b. de ho-student heeft voorafgaand aan diens inschrijving aan de buitenlandse opleiding gedurende een periode van ten minste 3 jaren in Nederland gewerkt, anders dan louter marginaal en bijkomstig; c. c. een ouder of de partner van de ho-student heeft voorafgaand aan diens inschrijving aan de buitenlandse opleiding gedurende een periode van ten minste 3 jaren in Nederland gewoond en gedurende deze periode rechtmatig verblijf gehad; d. d. een ouder of de partner van de ho-student heeft voorafgaand aan diens inschrijving aan de buitenlandse opleiding gedurende een periode van ten minste 3 jaren in Nederland gewerkt, anders dan louter marginaal en bijkomstig; e. e. de ho-student heeft Nederlands onderwijs dat is geregeld bij of krachtens de Wet op het primair onderwijs, de Wet voortgezet onderwijs 2020, de Wet educatie en beroepsonderwijs, de Wet op de expertisecentra of de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek gevolgd in Nederland gedurende een aaneengesloten periode van ten minste 6 jaren.

3. De ho-student kan op grond van een combinatie van de in het tweede lid genoemde criteria of op grond van andere omstandigheden aantonen dat er sprake is van een band met Nederland.

Hoofdstuk 3. Weigerachtige of onvindbare ouders

Artikel 6

1.

Aanspraak op aanvullende beurs als bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, van de wet, voor wat betreft de aanvullende lening die voortvloeit uit de veronderstelde ouderlijke bijdrage van de weigerachtige of onvindbare ouder, bestaat in ieder geval, indien:

a. a. sprake is van een ernstig en structureel conflict tussen ouder en student, b. b. het gezag van de ouder is beëindigd op grond van artikel 266 of 267 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, c. c. de student geen contact met de ouder heeft, d. d. sprake is van voor de student niet inbare alimentatie als bedoeld in titel 17 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, of e. e. gegevens over de verblijfplaats van de ouder niet kunnen worden achterhaald.

2.

Een aanvraag als bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, van de wet wordt niet in behandeling genomen indien deze betrekking heeft op:

a. a. een periode die meer dan twee jaar voor het moment van aanvragen ligt, of b. b. een periode waarover geen aanvullende beurs is aangevraagd.

Artikel 7

1. Van een ernstig en structureel conflict tussen ouder en student als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel a, is sprake, indien de ouder om ernstige redenen structureel weigert de veronderstelde ouderlijke bijdrage te verstrekken.

2. Onze Minister stelt bij de ouder vast dat er sprake is van weigering. Indien die ouder geen medewerking voor die vaststelling verleent, kan de verklaring van een onafhankelijke derde voor de betreffende ouderverklaring in de plaats treden.

3. De ernst van het conflict wordt aangetoond aan de hand van een verklaring afgegeven door een ter zake deskundige.

Artikel 8

Als bewijs dat het gezag van de ouder is beëindigd, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel b, dient een afschrift van de beschikking van de rechtbank te worden overlegd.

Artikel 9

Van geen contact met de ouder als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel c, is sprake, indien de student vanaf de maand waarin hij de leeftijd van 12 jaren heeft bereikt geen wezenlijk contact met de ouder had. Als bewijs dient een verklaring van een ter zake deskundige te worden overlegd.

Artikel 10

Van voor de student niet inbare alimentatie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel d, is sprake, indien de alimentatie oninbaar is gedurende ten minste 12 maanden voorafgaande aan de maand waarin de student voor het eerst studiefinanciering ontvangt. Als bewijs dient een verklaring van een ter zake deskundige te worden overlegd.

Artikel 11

Artikel 6, eerste lid, aanhef en onderdeel e, is van toepassing indien de student de verblijfplaats van de ouder niet kent en die verblijfplaats niet wordt achterhaald na onderzoek van Onze Minister gedurende ten hoogste 3 maanden onderscheidenlijk ten hoogste 6 maanden in geval van onderzoek in het buitenland.

Artikel 12

1. Indien een student van zijn ouder alimentatie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel d, ontvangt, komt het door de rechter vastgestelde bedrag aan alimentatie van de student in de plaats van de veronderstelde ouderlijk bijdrage. Als bewijs van de hoogte van de alimentatie dient in ieder geval de beschikking van de rechtbank of een notariële akte te worden overlegd. Het bedrag dat in het bewijsstuk wordt genoemd, wordt vermeerderd met de wettelijke indexering.

2. Indien nog geen beschikking is afgegeven, wordt de door de rechter vastgestelde alimentatie van de student in de plaats van de veronderstelde ouderlijke bijdrage gesteld vanaf de ingangsdatum van de alimentatie zoals die datum door de rechter is vastgesteld.

Hoofdstuk 3a. Kwijtschelding aanvullende beurs

Artikel 12a

In aanvulling op het begrip partner, genoemd in artikel 1.1, eerste lid, van de wet, is in dit hoofdstuk slechts sprake van partner van de debiteur indien in het derde jaar volgend op het kalenderjaar van het laatste studiefinancieringstijdvak het partnerschap een tijdvak van meer dan 6 maanden omvat.

Artikel 12b

Gehele kwijtschelding van de aanvullende beurs kan plaatsvinden indien het toetsingsinkomen van de debiteur zonder partner in het derde jaar volgend op het kalenderjaar van het laatste studiefinancieringstijdvak gelijk is aan of lager is dan 1,5 maal het belastbaar minimumloon.

Artikel 12c

1. Gedeeltelijke kwijtschelding van de aanvullende beurs kan plaatsvinden indien het toetsingsinkomen van de debiteur zonder partner in het derde jaar volgend op het kalenderjaar van het laatste studiefinancieringstijdvak hoger is dan 1,5 maal het belastbaar minimumloon en lager is dan 2 maal het belastbaar minimumloon.

2. De hoogte van de kwijtschelding tussen 1,5 en 2 maal het belastbaar minimumloon neemt in evenredigheid af tot nihil naarmate het toetsingsinkomen hoger is.

Artikel 12d

Gehele kwijtschelding van de aanvullende beurs kan plaatsvinden indien het toetsingsinkomen van de debiteur en diens partner in het derde jaar volgend op het kalenderjaar van het laatste studiefinancieringstijdvak gelijk is aan of lager is dan 2 maal het belastbaar minimumloon.

Artikel 12e

1. Gedeeltelijke kwijtschelding van de aanvullende beurs kan plaatsvinden indien het toetsingsinkomen van de debiteur en diens partner in het derde jaar volgend op het kalenderjaar van het laatste studiefinancieringstijdvak hoger is dan 2 maal het belastbaar minimumloon en lager is dan 2,5 maal het belastbaar minimumloon.

2. De hoogte van de kwijtschelding tussen 2 en 2,5 maal het belastbaar minimumloon neemt in evenredigheid af tot nihil naarmate het toetsingsinkomen hoger is.

Artikel 12f

1. Onze Minister neemt een aanvraag die wordt ingediend voor 1 november van het vierde jaar volgend op het kalenderjaar van het laatste studiefinancieringstijdvak, niet eerder dan op die datum in behandeling, waarbij 1 november geldt als datum van indiening.

2. Onze Minister besluit binnen 8 weken na de indiening van een aanvraag van een debiteur om kwijtschelding van de aanvullende beurs.

3. Onze Minister neemt slechts een aanvraag in behandeling die wordt ingediend binnen de diplomatermijn, genoemd in de artikelen 4.9 en 5.5 van de wet, of, indien dit daarna is, binnen 5 jaren volgend op het kalenderjaar van het laatste studiefinancieringstijdvak.

4. Het kwijt te schelden bedrag wordt aan de aanvrager uitbetaald indien verrekening niet mogelijk is.

Hoofdstuk 4. Uitbetaling en verrekening

Artikel 13

1. Studiefinanciering wordt uitbetaald tussen de twintigste en dertigste dag van elke maand.

2. Indien een herzieningsbeschikking als bedoeld in artikel 7.1, eerste en tweede lid, van de wet een beschikking op een bezwaarschrift of een uitspraak op een beroep daartoe aanleiding geeft, verrekent Onze Minister het bedrag aan studiefinanciering dat te weinig was toegekend met de betrokkene, of wordt dat bedrag ineens aan de betrokkene uitbetaald.

Artikel 14

Vervallen

Artikel 15

Vervallen

Hoofdstuk 5. Verstrekken van inlichtingen

Artikel 16

Het verstrekken van inlichtingen, benodigd voor de uitvoering van de wet, door organen met een publiekrechtelijke taak geschiedt binnen 8 weken na de dag van verzending van de aanvraag om inlichtingen, indien door het college van burgemeester en wethouders te verschaffen inlichtingen onderzoek buiten de basisregistratie personen noodzakelijk maken. In alle overige gevallen geschiedt het verstrekken van inlichtingen binnen 4 weken na de dag van verzending van de aanvraag om inlichtingen. Onze Minister kan bij de aanvraag om inlichtingen aangeven hoe de overdracht van informatie plaatsvindt.

Hoofdstuk 6. Aanpassing van bedragen

Artikel 17

1. Onze Minister past de bedragen, genoemd in de artikelen 3.9, tweede lid, en 3.9a, van de wet, per 1 januari van ieder kalenderjaar aan met de procentuele wijziging die het indexcijfer van de CAO-lonen in het tweede daaraan voorafgaande kalenderjaar heeft ondergaan.

2. Onze Minister past de bedragen, genoemd in de artikelen 3.18, met uitzondering van de maximale aanvullende beurs, 3.27, tweede lid, 4.7, 4.18, 5.2, 12.14, tweede lid, 12.15, derde lid, 12.16, eerste en tweede lid, 12.30, derde lid, en 12.31, tweede lid, van de wet, per 1 januari van ieder kalenderjaar aan met de procentuele wijziging die de consumentenprijsindex over het tweede daaraan voorafgaande kalenderjaar heeft ondergaan.

3. Bij ministeriële regeling wordt bepaald wat onder de consumentenprijsindex en het indexcijfer van de CAO-lonen wordt verstaan.

Hoofdstuk 7. Terugbetaling levenlanglerenkrediet in geval van samenloop

Artikel 18

1. Indien de debiteur naast de lening die is ontstaan door toekenning van het levenlanglerenkrediet ook op een andere lening aflost, wordt voor de draagkracht uitgegaan van de hoogste draagkracht die op basis van de terugbetalingsvoorwaarden behorende bij de verschillende soorten leningen die de debiteur heeft, kan worden vastgesteld.

2. De draagkracht wordt voor elke soort lening afzonderlijk berekend, waarna de hoogste draagkracht wordt uitgedrukt in een bedrag per maand.

3. Indien de partner van de debiteur ook een debiteur is op wie hoofdstuk 6 van de wet van toepassing is, is artikel 6.14 van toepassing op de berekening van de draagkracht.

Artikel 18a

1.

Indien de debiteur, bedoeld in artikel 6.10, tweede lid, onder c, van de wet, naast de lening die is ontstaan door toekenning van het levenlanglerenkrediet ook een lening hoger onderwijs aflost en voldoende draagkracht heeft om de verschillende terugbetalingstermijnen volledig te voldoen, wordt de draagkracht als volgt verdeeld over de verschillende aflossingstermijnen:

a. a. ten hoogste 12 procent van het inkomen tussen 84 procent en 99,99 procent van het wettelijk minimumloon wordt benut voor de aflossing van de lening die is ontstaan door toekenning van het levenlanglerenkrediet; b. b. van het bedrag aan draagkracht dat daarna nog resteert, wordt ten hoogste 12 procent van het inkomen dat uitstijgt boven 100 procent van het wettelijk minimumloon benut voor de aflossing van beide leningen, waarbij een derde deel van dat aflossingsbedrag wordt benut voor de aflossing van de lening hoger onderwijs en twee derde deel wordt benut voor de aflossing van de lening die is ontstaan door toekenning van het levenlanglerenkrediet.

2.

Voor de debiteur, bedoeld in artikel 6.10, tweede lid, onder a of b, van de wet, is het eerste lid van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat:

a. a. voor 84 procent wordt gelezen 120 procent; b. b. voor 99,99 procent wordt gelezen 142,99 procent; c. c. voor 100 procent wordt gelezen 143 procent.

3. Indien voor de debiteur, bedoeld in artikel 6.10, tweede lid, onder a, na de toepassing van het tweede lid nog een bedrag aan draagkracht resteert, kan die draagkracht worden benut voor de aflossing van de studielening van de partner.

Artikel 18b

Indien de berekende terugbetalingstermijn hoger is dan de op grond van artikel 18 berekende draagkracht, worden aflossingen eerst afgeboekt op de terugbetalingstermijn behorende bij de lening met de kortste resterende terugbetalingsperiode, of bij een gelijke resterende terugbetalingsperiode op de lening die is ontstaan door de toekenning van het levenlanglerenkrediet.

Artikel 18c

1. Indien aan de debiteur een aflossingsvrije periode, bedoeld in de artikelen 6.7, tweede lid, 10a.5, eerste lid, van de wet of artikel 4.7, tweede lid, van de Wet studiefinanciering BES, wordt toegekend, wordt de draagkracht die is vastgesteld op grond van artikel 18 opnieuw bepaald, waarbij de draagkrachtberekening behorende bij de opgeschorte lening niet langer wordt gehanteerd.

2. Indien het eerste lid wordt toegepast, wordt de als gevolg daarvan resterende draagkracht benut voor de terugbetalingstermijn behorende bij de lening die is ontstaan door toekenning van het levenlanglerenkrediet.

Artikel 18d

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met het oog op een goede uitvoering van dit hoofdstuk.

Hoofdstuk 8. Tegemoetkoming voor de eerste vier cohorten onder het studievoorschot hoger onderwijs

Artikel 19

In dit hoofdstuk wordt onder tegemoetkoming verstaan: tegemoetkoming als bedoeld in artikel 12.15, eerste lid, van de wet.

Artikel 20

1. De tegemoetkoming wordt uiterlijk per 1 januari van het kalenderjaar volgend op het jaar waarin Onze Minister over de voor vaststelling van de aanspraak benodigde gegevens beschikt, ambtshalve toegekend, met dien verstande dat de toekenning aan een rechthebbende waarvan Onze Minister reeds voor of op 31 december 2024 over de voor vaststelling van de aanspraak benodigde gegevens beschikt, geschiedt in 2025.

2.

In afwijking van het eerste lid wordt de tegemoetkoming op aanvraag toegekend aan een rechthebbende op een tegemoetkoming die:

a. a. een hbo-bacheloropleiding of het geheel van een wo-bacheloropleiding en een wo-masteropleiding als bedoeld in artikel 12.15, tweede lid, onderdeel b, van de wet heeft afgerond aan een instelling waarop artikel 7.9d van de WHW niet van toepassing is; en b. b. die niet reeds een gewaarmerkte kopie van het aan het examen van die opleiding of opleidingen verbonden diploma aan Onze Minister heeft verstrekt in het kader van de omzettingsprocedure, bedoeld in artikel 5.9, tweede lid, van de wet.

3. De rechthebbende, bedoeld in het tweede lid, zendt uiterlijk binnen drie maanden na het verstrijken van de diplomatermijn hoger onderwijs een kopie van het diploma als bedoeld in het tweede lid aan Onze Minister en dient daarbij op een bij ministeriële regeling te bepalen wijze een aanvraag van de tegemoetkoming in. Op die kopie vermeldt de instelling de datum waarop het examen met goed gevolg is afgesloten. Onze Minister besluit uiterlijk per 1 januari van het kalenderjaar volgend op de aanvraag.

Artikel 21

1.

De tegemoetkoming wordt verstrekt in de vorm van:

a. a. een kwijtschelding van de openstaande studieschuld of een deel daarvan; of b. b. een bijschrijving op de bij Onze Minister voor de toekenning van studiefinanciering bekende bankrekening, indien:

        1°
        er op het moment van toekenning geen studieschuld openstaat; of
      
      
        2°
        er na de kwijtschelding, bedoeld in onderdeel a, nog aanspraak op een deel van de tegemoetkoming bestaat.

1° 1° er op het moment van toekenning geen studieschuld openstaat; of 2° 2° er na de kwijtschelding, bedoeld in onderdeel a, nog aanspraak op een deel van de tegemoetkoming bestaat.

2. Indien bij Onze Minister de benodigde gegevens van de rechthebbende op een tegemoetkoming over de bankrekening waarop de tegemoetkoming kan worden uitbetaald niet bekend zijn, wordt de rechthebbende verzocht deze gegevens binnen twaalf maanden te verstrekken. Indien de rechthebbende op een tegemoetkoming niet binnen deze termijn de gegevens aanvult, vervalt de aanspraak op de tegemoetkoming op grond van een daartoe strekkend besluit van Onze Minister.

Hoofdstuk 8a. Tegemoetkoming voor cohorten onder het studievoorschot hoger onderwijs

Artikel 21a

In dit hoofdstuk wordt onder tegemoetkoming verstaan: tegemoetkoming als bedoeld in artikel 12.30, eerste lid, van de wet.

Artikel 21b

1. De tegemoetkoming wordt uiterlijk per 1 januari van het kalenderjaar volgend op het jaar waarin Onze Minister over de voor vaststelling van de aanspraak benodigde gegevens beschikt, ambtshalve toegekend, met dien verstande dat de toekenning aan een rechthebbende waarvan Onze Minister reeds voor of op 31 december 2024 over de voor vaststelling van de aanspraak benodigde gegevens beschikt, geschiedt in 2025.

2. In afwijking van het eerste lid wordt de tegemoetkoming op aanvraag toegekend voor de periode waarover Onze Minister niet over de voor vaststelling van de aanspraak van een rechthebbende benodigde gegevens beschikt.

3. De rechthebbende, bedoeld in het tweede lid, dient uiterlijk binnen drie maanden na het verstrijken van de diplomatermijn hoger onderwijs of, indien hij geen studiefinanciering heeft aangevraagd, uiterlijk binnen tien jaar en drie maanden nadat hij zich voor het eerst heeft ingeschreven voor het hoger onderwijs, op een bij ministeriële regeling te bepalen wijze een aanvraag in. Onze Minister besluit uiterlijk per 1 januari van het kalenderjaar volgend op de aanvraag.

Artikel 21c

1.

De tegemoetkoming wordt verstrekt in de vorm van:

a. a. een kwijtschelding van de openstaande studieschuld of een deel daarvan; of b. b. een bijschrijving op de bij de Onze Minister voor de toekenning van studiefinanciering bekende bankrekening, indien:

        1°
        er op het moment van toekenning geen studieschuld openstaat; of
      
      
        2°
        er na de kwijtschelding, bedoeld in onderdeel a, nog aanspraak op een deel van de tegemoetkoming bestaat.

1° 1° er op het moment van toekenning geen studieschuld openstaat; of 2° 2° er na de kwijtschelding, bedoeld in onderdeel a, nog aanspraak op een deel van de tegemoetkoming bestaat.

2. Indien bij Onze Minister de benodigde gegevens van de rechthebbende op een tegemoetkoming over de bankrekening waarop de tegemoetkoming kan worden uitbetaald niet bekend zijn, wordt de rechthebbende verzocht deze gegevens binnen twaalf maanden te verstrekken. Indien de rechthebbende op een tegemoetkoming niet binnen deze termijn de gegevens aanvult, vervalt de aanspraak op de tegemoetkoming op grond van een daartoe strekkend besluit van Onze Minister.

Artikel 22

Vervallen

Artikel 23

Vervallen

Artikel 24

Vervallen

Artikel 25

Vervallen

Artikel 26

Vervallen

Artikel 27

Vervallen

Artikel 28

Vervallen

Artikel 29

Vervallen

Artikel 30

Vervallen

Hoofdstuk 9. Overgangsbepalingen

Artikel 30a

Vervallen

Artikel 31

Vervallen

Artikel 32

Vervallen

Artikel 33

Op een ho-student die voor 1 september 2007 op grond van artikel 3a studiefinanciering ontving, blijft artikel 3a, zoals dat luidde op 31 augustus 2007, van toepassing zolang hij zonder onderbreking studiefinanciering op grond van dat artikel geniet.

Artikel 34

Vervallen

Artikel 34a

Artikel 17, tweede lid, is niet van toepassing in de kalenderjaren 2011 en 2012.

Hoofdstuk 10. Wijzigingen in andere besluiten

Artikel 35

Wijzigt het Bekostigingsbesluit WHW.

Artikel 36

Wijzigt het Besluit aanwijzing registraties gezamenlijke huishouding 1998.

Artikel 37

Wijzigt het Besluit bijdragen justitiële kinderbescherming en vrijwillige jeugdhulpverlening.

Artikel 38

Wijzigt het Besluit categorieën van verzekerden Wtz 1998.

Artikel 39

Wijzigt het Besluit geneeskundige verzorging politie 1994.

Artikel 40

Wijzigt het Besluit passende arbeid schoolverlaters en academici.

Artikel 41

Wijzigt het Besluit tegemoetkoming studiekosten.

Artikel 42

Wijzigt het Besluit tegemoetkoming ziektekosten en inkomenstoeslag onderwijs- en onderzoekpersoneel.

Artikel 43

Wijzigt het Besluit tegemoetkoming ziektekosten rijkspersoneel.

Artikel 44

Wijzigt het Bijdragebesluit Zorg.

Artikel 45

Wijzigt het Inkomens- en samenloopbesluit Anw.

Artikel 46

Wijzigt het Inkomensbesluit IOAW.

Artikel 47

Wijzigt het Inkomensbesluit Toeslagenwet.

Artikel 48

Wijzigt het Interimbesluit ziektekosten burgerlijke ambtenaren defensie.

Artikel 49

Wijzigt het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel.

Artikel 50

Wijzigt het Uitvoeringsbesluit WEB.

Artikel 51

Wijzigt het Uitvoeringsbesluit WHW.

Artikel 52

Wijzigt het Verplaatsingskostenbesluit militairen.

Hoofdstuk 11. Slotbepalingen

Artikel 53

1. Het Besluit studiefinanciering wordt ingetrokken.

2. In afwijking van het eerste lid blijven de artikelen 16m en 16n van het Besluit studiefinanciering van kracht tot het tijdstip waarop de wet houdende Wet opheffing College van beroep studiefinanciering (Stb. 2000, 284) in werking treedt.

Artikel 54

Dit besluit treedt in werking op 1 september 2000.

Artikel 55

Dit besluit wordt aangehaald als «Besluit studiefinanciering 2000».

Bijlage . behorend bij het koninklijk besluit van 5 augustus 2000 (Stb. 329)

Vervallen