40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt. |
||
|---|---|---|
| .. | ||
| README.md | ||
| titel | bwb_id | type | status | datum_inwerkingtreding | bron | citeertitel |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Besluit subsidies stadseconomie GSB III | BWBR0018534 | AMvB | geldend | 2005-07-29 | https://wetten.overheid.nl/BWBR0018534 | Besluit subsidies stadseconomie GSB III |
Besluit subsidies stadseconomie GSB III
Paragraaf 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
1.
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. a. Onze Minister: Onze Minister van Economische Zaken; b. b. GSB III periode: de derde convenantperiode ten aanzien van het Grotestedenbeleid, lopend van 1 januari 2005 tot en met 31 december 2009.
2. In afwijking van het eerste lid loopt de GSB III periode voor de gemeente Sittard-Geleen van 1 januari 2006 tot en met 31 december 2009.
Artikel 2
1. Onze Minister kan ten behoeve van de uitvoering van het gemeentelijk beleid inzake het vergroten van de economische kracht voor de GSB III periode een subsidie verlenen aan een in de bijlage van dit besluit vermelde gemeente.
2. Waar bij of krachtens dit besluit bevoegdheden zijn toegekend aan Onze Minister, oefent hij deze uit in overeenstemming met Onze Minister belast met de coördinatie van het Grotestedenbeleid.
Artikel 3
1.
Subsidie wordt slechts verstrekt indien de gemeente beschikt over een door de gemeenteraad vastgesteld meerjaren ontwikkelingsprogramma:
a. a. dat betrekking heeft op de GSB III periode; b. b. dat een analyse bevat van de bestaande stedelijke economische structuur, waarbij ten minste aandacht wordt besteed aan de in artikel 4, eerste lid, genoemde doelstellingen; c. c. waarin de gemeentelijke doelstellingen inzake het vergroten van de economische kracht, bedoeld in artikel 4, eerste en tweede lid, voldoende zijn onderbouwd en worden weergegeven in termen van toetsbare resultaten, op de in artikel 4, derde tot en met achtste lid, bedoelde wijze; d. d. waaruit blijkt dat de doelstellingen, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdelen a en f, zijn afgestemd met de omringende gemeenten en dat een weergave bevat van deze intergemeentelijke afspraken op hoofdlijnen, en e. e. dat een financiële paragraaf bevat, die inzicht geeft in de totale kosten van het realiseren van de doelstellingen en de kosten per afzonderlijk op de doelstelling geformuleerd resultaat en de daar tegenover staande financiering om de doelstellingen en resultaten te kunnen realiseren, met inbegrip van de inzet van eigen gemeentelijke middelen per afzonderlijk geformuleerd resultaat.
2. Geen subsidie wordt verstrekt voor zover voor activiteiten voortvloeiend uit het meerjaren ontwikkelingsprogramma reeds door Onze minister subsidie is verstrekt.
Artikel 4
1.
Het meerjaren ontwikkelingsprogramma bevat de gemeentelijke doelstellingen inzake het vergroten van de economische kracht met betrekking tot:
a. a. het verminderen van het aantal verouderde bedrijventerreinen en het verbeteren van het aanbod van nieuwe bedrijventerreinen; b. b. het verminderen van de criminaliteit tegen bedrijven en ondernemers; c. c. het vergroten van het aantal breedbandaansluitingen; d. d. het verbeteren van de gemeentelijke dienstverlening aan ondernemers; e. e. het verminderen van de lokale administratieve lasten; f. f. het verbeteren van de economische bereikbaarheid; g. g. het verminderen van het gebrek aan aansluiting van arbeidsvraag en arbeidsaanbod; h. h. het verbeteren van het innovatief vermogen van het bedrijfsleven.
2. Het meerjaren ontwikkelingsprogramma kan voorts één of meer gemeentelijke doelstellingen ter vergroting van de economische kracht naar keuze van de gemeente bevatten.
3.
De gemeente formuleert de resultaten op de doelstelling, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, overeenkomstig de volgende prestatie-indicatoren:
a. a. aantal hectare geherstructureerde bedrijventerreinen; b. b. aantal hectare nieuw aangelegde bedrijventerreinen.
4.
De gemeente formuleert de resultaten op de doelstelling, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, overeenkomstig de volgende prestatie-indicatoren:
a. a. aantal delicten tegen bedrijven en ondernemers; b. b. gevoel van onveiligheid van het lokale bedrijfsleven; c. c. aangiftebereidheid van ondernemers.
5.
De gemeente formuleert de resultaten op de doelstelling, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, overeenkomstig de volgende prestatie-indicatoren:
a. a. vraagbundelingstraject, gericht op het aansluiten van (semi-)publieke instellingen op breedband, afgerond met een aanbestedingsronde; b. b. aantal locaties van (semi-)publieke instellingen in de gemeente dat door middel van een vraagbundelingsinitiatief is aangesloten op breedband.
6.
De gemeente formuleert de resultaten op de doelstelling, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, overeenkomstig de volgende prestatie-indicatoren:
a. a. aansluiting bij het nationaal elektronisch bedrijvenloket; b. b. tevredenheid van de ondernemers.
7. De gemeente formuleert de resultaten op de doelstelling, bedoeld in het eerste lid, onderdeel e, overeenkomstig de volgende prestatie-indicator: procentuele daling van de administratieve lasten ten opzichte van de situatie in de nulmeting uit 2004.
8. De gemeente formuleert de resultaten op de doelstellingen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel f tot en met h, en het tweede lid, overeenkomstig één of meer prestatie-indicatoren naar keuze van de gemeente.
9. De gemeente kan met betrekking tot één of meer doelstellingen, bedoeld in het eerste lid, geen resultaten formuleren; dit wordt in het meerjaren ontwikkelingsprogramma gemotiveerd.
Artikel 5
De subsidie bedraagt het in de bijlage van dit besluit bij de betrokken gemeente genoemde bedrag, tenzij Onze Minister toepassing geeft aan artikel 7.
Paragraaf 2. Aanvraag en verlening van subsidie
Artikel 6
1. Een aanvraag tot subsidieverlening wordt door het college van burgemeester en wethouders ingediend bij Onze Minister en gaat vergezeld van het meerjaren ontwikkelingsprogramma.
2. Een aanvraag tot subsidieverlening wordt uiterlijk binnen acht weken na het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit ingediend.
3. Onze Minister geeft een beschikking tot subsidieverlening binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag tot subsidieverlening.
4. Een aanvraag tot verlening van de onderscheiden subsidies van het Grotestedenbeleid die door het college van burgemeester en wethouders bij Onze Minister belast met de coördinatie van het Grotestedenbeleid is ingediend, wordt in afwijking van het eerste lid, als een aanvraag tot subsidieverlening krachtens dit besluit aangemerkt voor zover betrekking hebbend op het gemeentelijk beleid inzake het vergroten van de economische kracht.
5. Onze Minister besluit op een aanvraag tot subsidieverlening als bedoeld in het vierde lid, binnen acht weken na inwerkingtreding van dit besluit.
Artikel 7
Onze Minister kan de aanvraag tot subsidieverlening geheel of gedeeltelijk weigeren, indien:
a. a. de aard en omvang van de in het meerjaren ontwikkelingsprogramma opgenomen doelstellingen en resultaten, bedoeld in artikel 4, gelet op de hoogte van het in de bijlage van dit besluit bij de betrokken gemeente genoemde bedrag, naar het oordeel van Onze Minister daartoe aanleiding geven; b. b. het meerjaren ontwikkelingsprogramma niet verenigbaar is met op grond van een wettelijke bevoegdheid vastgesteld provinciaal of rijksbeleid.
Artikel 8
Onze Minister verbindt aan de subsidieverlening verplichtingen met betrekking tot:
a. a. de aanwezigheid en het gebruik van een gemeentelijk systeem voor de registratie van de uitvoering en realisatie van de gemeentelijke doelstellingen inzake het vergroten van de economische kracht; b. b. de verstrekking van gegevens aan Onze Minister over de uitvoering en realisatie van de gemeentelijke doelstellingen inzake het vergroten van de economische kracht.
Paragraaf 3. Voorschotten
Artikel 9
Op een subsidie ter zake waarvan een beschikking tot subsidieverlening geldt, wordt door Onze Minister gedurende de GSB III periode eenmaal per kalenderjaar ambtshalve een voorschot verstrekt.
Paragraaf 4. De subsidievaststelling
Artikel 10
1. Het college van burgemeester en wethouders van een gemeente waaraan subsidie is verleend, dient uiterlijk op 15 juli 2010 een aanvraag tot vaststelling van de subsidie in bij Onze Minister.
2. Bij de beoordeling van de aanvraag wordt gebruik gemaakt van de verantwoordingsinformatie bedoeld in artikel 58a van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten.
3. Een aanvraag tot vaststelling van de onderscheiden subsidies van het Grotestedenbeleid die door het college van burgemeester en wethouders uiterlijk 15 juli 2010 bij Onze Minister belast met de coördinatie van het Grotestedenbeleid is ingediend, wordt in afwijking van het eerste lid, als een aanvraag tot subsidievaststelling krachtens dit besluit aangemerkt voor zover betrekking hebbend op het gemeentelijk beleid inzake het vergroten van de economische kracht. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op de aanvraag als bedoeld in de eerste zin.
Artikel 11
1. Onze Minister geeft een beschikking inzake subsidievaststelling binnen vier maanden na ontvangst van de aanvraag.
2. Indien Onze Minister voornemens is de subsidie lager vast te stellen en hij hierover advies wil vragen, hoort hij eerst de betrokken gemeente over de adviesaanvraag.
3. De termijn, bedoeld in het eerste lid, wordt opgeschort met ingang van de dag waarop Onze Minister de gemeente schriftelijk mededeelt toepassing te geven aan artikel 12, eerste lid, tot de dag waarop het in het tweede lid van dat artikel bedoelde verantwoordings- en bestedingsverslag is ontvangen.
Artikel 12
1. Onze Minister kan indien naar zijn oordeel de bij de subsidieverlening vastgelegde resultaten onvoldoende zijn gerealiseerd een periode van ten hoogste twee jaar na afloop van de GSB III periode voor de gemeente vaststellen om die resultaten alsnog te realiseren.
2. Het college van burgemeester en wethouders zendt binnen zes maanden na afloop van de periode, bedoeld in het eerste lid, aan Onze Minister een verantwoordings- en bestedingsverslag als bedoeld in artikel 10, tweede en derde lid, onder a.
Paragraaf 5. Slotbepalingen
Artikel 13
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.
Artikel 14
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit subsidies stadseconomie GSB III.