40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt. |
||
|---|---|---|
| .. | ||
| README.md | ||
| titel | bwb_id | type | status | datum_inwerkingtreding | bron | citeertitel |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Besluit tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten | BWBR0012645 | AMvB | geldend | 2002-03-15 | https://wetten.overheid.nl/BWBR0012645 | Besluit tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten |
Besluit tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten
Hoofdstuk 1. Algemeen
Artikel 1
In dit besluit wordt verstaan onder wet: Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten.
Artikel 2
Vervallen
Artikel 3
1.
De vreemdeling die een tegemoetkoming op grond van hoofdstuk 4 of 5 van de wet aanvraagt, wordt met een Nederlander gelijkgesteld indien die vreemdeling rechtmatig in Nederland verblijf heeft:
a. a. op grond van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 8, onder b, van de Vreemdelingenwet 2000; b. b. op grond van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000; c. c. op grond van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 8, onder d, van de Vreemdelingenwet 2000; of d. d. op grond van artikel 8, onderdelen g of h, van de Vreemdelingenwet 2000, voor zover er aan hem reeds tegemoetkoming is verstrekt. e. e. op grond van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000 die is verleend onder een beperking:
1°.
verband houdend met verblijf als familie- of gezinslid van een Nederlander of van een vreemdeling als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, b, c of dit onderdeel, of hiermee verband houdende niet-tijdelijke humanitaire gronden;
2°.
verband houdend met tijdelijke humanitaire gronden of hiermee verband houdende niet-tijdelijke humanitaire gronden;
3°.
als bedoeld in artikel 3.4, vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 of hiermee verband houdende niet-tijdelijke humanitaire gronden;
4°.
verband houdende met afwikkeling nalatenschap oude Vreemdelingenwet als bedoeld in artikel 3.17a, onderdeel b, van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 of hiermee verband houdende niet-tijdelijke humanitaire gronden; of
5°.
verband houdend met niet-tijdelijke humanitaire gronden die volgt op een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000 die is verleend onder de beperking medische behandeling;
6°.
verband houdend met niet-tijdelijke humanitaire gronden die als eerste verblijfsvergunning op grond van de Vreemdelingenwet 2000 wordt toegekend.
1°. 1°. verband houdend met verblijf als familie- of gezinslid van een Nederlander of van een vreemdeling als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, b, c of dit onderdeel, of hiermee verband houdende niet-tijdelijke humanitaire gronden; 2°. 2°. verband houdend met tijdelijke humanitaire gronden of hiermee verband houdende niet-tijdelijke humanitaire gronden; 3°. 3°. als bedoeld in artikel 3.4, vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 of hiermee verband houdende niet-tijdelijke humanitaire gronden; 4°. 4°. verband houdende met afwikkeling nalatenschap oude Vreemdelingenwet als bedoeld in artikel 3.17a, onderdeel b, van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 of hiermee verband houdende niet-tijdelijke humanitaire gronden; of 5°. 5°. verband houdend met niet-tijdelijke humanitaire gronden die volgt op een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000 die is verleend onder de beperking medische behandeling; 6°. 6°. verband houdend met niet-tijdelijke humanitaire gronden die als eerste verblijfsvergunning op grond van de Vreemdelingenwet 2000 wordt toegekend.
2.
Met een Nederlander wordt mede gelijkgesteld de vreemdeling die in Nederland verblijft en die tegemoetkoming aanvraagt ingevolge:
a. a.
hoofdstuk 4 van de wet; of
b. b.
hoofdstuk 5 van de wet en ten behoeve van wie of aan wie een tegemoetkoming is verstrekt op grond van hoofdstuk 4 van de wet of aan wie studiefinanciering is verstrekt ingevolge de Wet studiefinanciering 2000.
Artikel 3a
1.
Artikel 2.2, derde lid, van de wet is van toepassing op een persoon die:
a. a. een nationaliteit heeft van een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, dan wel van Zwitserland; b. b. niet het duurzaam verblijfsrecht, bedoeld in artikel 16 van richtlijn 2004/38/EG, heeft verworven; en c. c. geen:
1°.
werknemer;
2°.
zelfstandige;
3°.
persoon die de status van werknemer of zelfstandige heeft behouden; of
4°.
familie van een persoon als bedoeld in onderdeel 1° tot en met 3° is.
1°. 1°. werknemer; 2°. 2°. zelfstandige; 3°. 3°. persoon die de status van werknemer of zelfstandige heeft behouden; of 4°. 4°. familie van een persoon als bedoeld in onderdeel 1° tot en met 3° is.
2.
Artikel 2.2, derde lid, van de wet is eveneens van toepassing op een persoon die in Nederland rechtmatig verblijf heeft op grond van:
a. a. een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 3.30b van het Vreemdelingenbesluit 2000; of b. b. een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 3.33 van het Vreemdelingenbesluit 2000.
3. Artikel 2.2, derde lid, van de wet is eveneens van toepassing op familieleden van een persoon als bedoeld in het eerste en tweede lid.
4. De tegemoetkoming op grond van het eerste tot en met derde lid wordt verstrekt in de vorm van een gift en bestaat uit het bedrag genoemd in artikel 4.6 van de wet en voor zover het een leerling betreft als bedoeld in artikel 4.2, tweede lid, van de wet een bedrag ter grootte van eentwaalfde deel van het bedrag, bedoeld in artikel 5, tweede lid van de Les- en cursusgeldwet. Onze Minister verrekent het laatstgenoemde bedrag met de verschuldigde onderwijsbijdrage. Voor zover blijkt dat de onderwijsbijdrage reeds aan Onze Minister is betaald, wordt het bedrag door Onze Minister terugbetaald binnen 6 weken na het besluit, bedoeld in artikel 4.8, tweede lid, van de wet.
5. In afwijking van artikel 4.10, tweede lid, van de wet, kan een aanvraag op grond van artikel 2.2, derde lid, van de wet, betrekking hebben op een periode die uiterlijk aanvangt op de eerste dag van de vierde maand voorafgaand aan de maand waarin de aanvraag wordt ingediend.
6. De tegemoetkoming wordt toegekend in één bedrag per schooljaar. Indien de aanspraak gedurende een schooljaar ontstaat bestaat de aanspraak uit ééntwaalfde van het bedrag per schooljaar maal het aantal resterende maanden van dat schooljaar.
Artikel 4
Artikel 16 van het Besluit studiefinanciering 2000 is van overeenkomstige toepassing op de verplichting, bedoeld in artikel 9.5 van de wet.
Artikel 5
1. Onze Minister past de bedragen, genoemd in de artikelen 2.23, tweede lid, en 10.5, tweede lid, van de wet, per 1 januari van ieder kalenderjaar aan met de procentuele wijziging die het indexcijfer van de CAO-lonen in het tweede daaraan voorafgaande kalenderjaar heeft ondergaan.
2. Onze Minister past de bedragen, genoemd in de artikelen 4.3, 4.6, 5.4, 5.10 en 10.7, derde lid, van de wet per 1 januari van ieder kalenderjaar aan met de procentuele wijziging die de consumentenprijsindex over het tweede daaraan voorafgaande kalenderjaar heeft ondergaan.
3. Bij ministeriële regeling wordt bepaald wat onder de consumentenprijsindex en het indexcijfer van de CAO-lonen wordt verstaan.
Hoofdstuk 2. Overgangsrecht
Artikel 6
Degenen die op 31 juli 2001 op grond van het Besluit tegemoetkoming studiekosten rechtmatig tegemoetkoming ontvingen, voldoen aan de nationaliteitseis, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de wet.
Artikel 6a
Vervallen
Hoofdstuk 3. Wijzigingen in andere besluiten
Artikel 7
Wijzigt het Besluit geneeskundige verzorging politie 1994.
Artikel 8
Wijzigt het Besluit studiefinanciering 2000.
Artikel 9
Wijzigt het Bijdragebesluit Zorg.
Artikel 10
Wijzigt het Uitvoeringsbesluit Les- en cursusgeldwet 2000.
Hoofdstuk 4. Slotbepalingen
Artikel 11
Wijzigt het Uitvoeringsbesluit WEB.
Artikel 12
Dit besluit treedt in werking op 1 augustus 2001.
Artikel 13
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten.