40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt. |
||
|---|---|---|
| .. | ||
| README.md | ||
| titel | bwb_id | type | status | datum_inwerkingtreding | bron | citeertitel |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet | BWBR0027929 | AMvB | geldend | 2021-12-01 | https://wetten.overheid.nl/BWBR0027929 | Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet |
Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet
Paragraaf 1. Begripsbepalingen
Artikel 1
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
- bestemmingsplan met verbrede reikwijdte: bestemmingsplan als bedoeld in artikel 7c of 7g;
- bijlage: bij dit besluit behorende bijlage;
- eco iglo: gebouw bestaande uit een drijfelement van ten hoogste 400 m^2 waarop een staal-glas of koolstof-glas constructie in de vorm van een halve bol is geplaatst, waarbij in de binnen het bouwwerk benodigde energie wordt voorzien door middel van aardwarmte, zonnecellen of miniwindturbines en in het binnen het bouwwerk benodigde water wordt voorzien door middel van een hemelwateropvanginstallatie, gecombineerd met nanofiltratie ten behoeve van de water- of drinkwatervoorziening;
- miniwindturbine: windturbine met een rotordiameter van ten hoogste 5 meter en een rotoroppervlak van ten hoogste 20 m^2, met een horizontale of verticale rotoras, ten behoeve van levering van elektriciteit achter de meter of aan een accu ten behoeve van eigen gebruik, welke windturbine gecertificeerd is volgens IEC 61400-12 (2006), dan wel gecertificeerd is volgens de standaarden van de American Wind Energy Association of de British Wind Energy Association of het Kleinwind keur heeft op basis van de Nederlandse beoordelingsrichtlijn Kleine Windturbines, en met een tiphoogte van niet meer dan tien meter, gemeten vanaf de nokhoogte van het gebouw waaraan die miniwindturbine elektriciteit levert;
- Onze Minister: Onze Minister van Infrastructuur en Milieu;
- wet: Crisis- en herstelwet;
- zuigercompressor-windturbinecombinatie: windturbine met een rotordiameter van ten hoogste vijf meter en een rotoroppervlak van ten hoogste 20 m^2, met een horizontale of verticale rotoras met een hoogte van niet meer dan 25 meter, gemeten vanaf de voet van de windturbine tot de tip van de rotor, waarbij het mechanisch vermogen van de rotor direct wordt gebruikt voor de aandrijving van een zuigercompressor of een ozongenerator en die klimaatbeheersing en ammoniakreductie in melkrundveehouderijen als functie heeft, of ten doel heeft water of drinkwater te winnen uit de lucht.
Paragraaf 2. Ontwikkelingsgebieden
Artikel 2
1.
Als ontwikkelingsgebied als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, van de wet worden voor de duur van tien jaar aangewezen:
a. a. Stadshavens Rotterdam, omvattende het Waal-Eemhavengebied, de Rijn- en Maashaven, het Merwehaven-Vierhavensgebied en het RDM-terrein (Heijplaat) zoals aangegeven op de kaart in bijlage 1; b. b. Spoorzone Deventer zoals aangegeven op de kaart in bijlage 2; c. c. Spoorzone Zwolle zoals aangegeven op de kaart in bijlage 3; d. d. Zaanstad Midden, omvattende de stadsdelen Wormerveer-Zuid, Oud Zaandijk, Oud Koog, ’t Kalf, Zaandam West, Kogerveld en Rosmolenwijk zoals aangegeven op de kaart in bijlage 4; e. e. Almere Centrum Weerwater zoals aangegeven op de kaart in bijlage 8; f. f. Amsterdam Buiksloterham zoals aangegeven op de kaart in bijlage 9; g. g. Doetinchem Hamburgerbroek zoals aangegeven op de kaart in bijlage 10; h. h. Maasdonk Nuland-Oost zoals aangegeven op de kaart in bijlage 11; i. i. Vliegbasis Soest en Zeist en Soesterberg-Noord zoals aangegeven op de kaart in bijlage 12; j. j. Amersfoort Kop van Isselt zoals aangegeven op de kaart in bijlage 16; k. k. Apeldoorn Kanaalzone zoals aangegeven op de kaart in bijlage 17; l. l. Stichtse Vecht Gebiedsontwikkeling Vreeland Oost zoals aangegeven op de kaart in bijlage 18; m. m. Veghel Gebiedsontwikkeling Heilig Hartplein en Noordkade zoals aangegeven op de kaart in bijlage 19; n. n. Deelgebied de Eilanden van Waterfront Harderwijk zoals aangegeven op de kaart in bijlage 20; o. o. Centrumplan Eerbeek Brummen zoals aangegeven op de kaart in bijlage 21; p. p. Spoorzone Tilburg zoals aangegeven op de kaart in bijlage 13; q. q. Oostelijk Centrumgebied Arnhem zoals aangegeven op de kaart in bijlage 22; r. r. Havengebied Rotterdam inclusief de Tweede Maasvlakte zoals aangegeven op de kaart in bijlage 24; s. s. Dijklaan Bergambacht zoals aangegeven op de kaart in bijlage 25; t. t. Blokhoeve Nieuwegein zoals aangegeven op de kaart in bijlage 26; u. u. Haarlemmermeer Masterplan Badhoevedorp-Centrum zoals aangegeven op de kaart in bijlage 27; v. v. Haven- en industriegebied Oosterhorn Delfzijl en Haven- en industriegebied Eemshaven Eemsmond, zoals aangegeven op de kaarten in bijlage 36^A en B; w. w. Transformatiegebied Noordelijke Stadsentree Meppel, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 49; x. x. Zuidas Flanken Amsterdam, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 53; y. y. Havengebied Moerdijk, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 54; z. z. Rijnhaven-Costerweg Wageningen, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 55; aa. aa. Kanaalzone Terneuzen, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 56; bb. bb. Sloegebied Borsele-Vlissingen, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 57; cc. cc. Havenstraatterrein Amsterdam, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 58; dd. dd. Havenkom Nijkerk, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 77; ee. ee. Het Kwadrant Stichtse Vecht, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 78; ff. ff. Haven-Stad, gemeente Amsterdam, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 93; gg. gg. Dorp Wijk aan Zee, gemeente Beverwijk, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 94; hh. hh. Transformatie ENCI-terrein, gemeente Maastricht, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 95; ii. ii. Schokkerhoek en bedrijventerrein, gemeente Urk, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 96; jj. jj. Luchthaven Twente, gemeente Enschede, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 111; kk. kk. Schieoevers Noord, gemeente Delft, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 128; ll. ll. Broekgraaf, gemeente Leerdam, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 129; mm. mm. Rooseveltstraat, gemeente Leiden, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 167.
2. Als categorieën van gevallen als bedoeld in artikel 2.3, negende lid, van de wet worden aangegeven alle gevallen waarin een ander bestuursorgaan dan burgemeester en wethouders bevoegd zou zijn te beslissen als bedoeld in artikel 2.3, negende lid, van de wet.
3. Een ander bestuursorgaan als bedoeld in het tweede lid kan categorieën van gevallen aangeven waarin een verklaring van geen bedenkingen niet is vereist.
Artikel 2a
1.
De bepalingen, bedoeld in artikel 2.3, zevende lid, van de wet, zijn:
a. a.
artikel 2.14, eerste lid, aanhef en onder c, onder 2°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, voor zover het de geldende grenswaarden betreft die voortvloeien uit de in dat onderdeel genoemde artikelen van de Wet geluidhinder;
b. b. onderstaande bepalingen van de Wet bodembescherming voor zover de afwijking van die bepalingen geen gevaar voor de gezondheid van mens of dier oplevert:
1°.
artikel 1,
2°.
de artikelen 13 en 27 voor zover de bodem is of wordt verontreinigd of aangetast door één of meerdere bemalingen die ten behoeve van bouw-, sloop- of onderzoekswerkzaamheden worden uitgevoerd of die het gevolg zijn van de onttrekking of infiltratie van grondwater door één of meerdere warmte koude opslagsystemen, en
3°.
de artikelen 28, 29, 37, 38, 39, tweede lid, 39b, 40, en 42;
1°. 1°.
artikel 1,
2°. 2°. de artikelen 13 en 27 voor zover de bodem is of wordt verontreinigd of aangetast door één of meerdere bemalingen die ten behoeve van bouw-, sloop- of onderzoekswerkzaamheden worden uitgevoerd of die het gevolg zijn van de onttrekking of infiltratie van grondwater door één of meerdere warmte koude opslagsystemen, en 3°. 3°. de artikelen 28, 29, 37, 38, 39, tweede lid, 39b, 40, en 42; c. c. de hoofdstukken V en VI van de Wet geluidhinder voor zover de betrokken bepalingen een ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting inhouden; d. d. de artikelen 4.9 tot en met 4.16 van het Besluit geluidhinder voor zover die bepalingen een ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting inhouden, en e. e.
artikel 20.3, eerste lid, van de Wet milieubeheer ten aanzien van besluiten met betrekking tot de bodem.
2. Artikel 2.19 van het Activiteitenbesluit milieubeheer is op het bestemmingsplan van overeenkomstige toepassing.
Paragraaf 3. Innovatie
Artikel 3
1.
Dit artikel is van toepassing op door burgemeester en wethouders aangewezen bedrijventerreinen binnen het grondgebied van de gemeenten:
a. a. Amersfoort; b. b. Houten; c. c. Leusden; d. d. Nieuwegein; e. e. Nijmegen; f. f. Utrecht, en g. g. Woerden.
2. De aanwijzing van de bedrijventerreinen vindt plaats uiterlijk op 25 oktober 2012.
3. Het verbod, gesteld in artikel 2.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht geldt tot 25 oktober 2022 niet voor het bouwen van een miniwindturbine. Bij het bouwen van een miniwindturbine wordt het bepaalde krachtens artikel 2.6, tweede lid, van de wet in acht genomen.
4. Behoudens in gevallen waarin sprake is van een inrichting type B als bedoeld in artikel 1.2 van het Activiteitenbesluit milieubeheer, kan tot 25 oktober 2022 worden afgeweken van paragraaf 3.2.3 van het Activiteitenbesluit milieubeheer voor het in werking hebben van een miniwindturbine op de inrichting of op het terrein behorende bij de inrichting.
5. De geluidbelasting door miniwindturbines op de dichtstbijzijnde gevel van een geluidgevoelige bestemming is niet groter dan 47 db L_den, te bepalen overeenkomstig bij ministeriële regeling te stellen regels.
Artikel 4
Ten behoeve van het bouwen van een eco iglo in de gemeente Leeuwarden kan tot 17 juli 2020 worden afgeweken van de artikelen 2.129, 2.130, 3.22, 3.23, 3.41, eerste lid, 6.11, eerste lid, 6.13, 6.14 en 5.2, eerste en tweede lid, van het Bouwbesluit 2012.
Artikel 4a
1.
Dit artikel is van toepassing op:
a. a. het project Ecodorp in de gemeente Boekel, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 50, tot 18 maart 2025; b. b. het project Ecodorp in de gemeente Vlagtwedde, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 97, tot 28 oktober 2026.
2. Bij het bouwen van woningen kan worden afgeweken van de artikelen 2.33, eerste lid, 3.74, 3.75, eerste, tweede en derde lid, 4.3 en 4.22, eerste lid, van het Bouwbesluit 2012.
3. Het verbod, gesteld in artikel 2.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht geldt niet voor het bouwen van een miniwindturbine.
4. Bij het bouwen van een miniwindturbine wordt het bepaalde krachtens artikel 2.6.9, derde lid, van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening in acht genomen.
Artikel 5
1. Dit artikel is van toepassing binnen het grondgebied van de gemeente Leeuwarden.
2.
Het verbod, gesteld in artikel 2.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht geldt tot 17 juli 2020 niet voor het bouwen van een zuigercompressor-windturbinecombinatie met ten hoogste 400 kg ammoniak als koudemiddel:
a. a. op of in directe nabijheid van een inrichting die tot een krachtens artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer aangewezen categorie behoort en die uitsluitend of in hoofdzaak is bestemd voor het houden van melkrundvee, of b. b. met als doel (drink)water te winnen uit de lucht.
3. Behoudens in gevallen waarin sprake is van een inrichting type B als bedoeld in artikel 1.2 van het Activiteitenbesluit milieubeheer, blijft paragraaf 3.2.3 van het Activiteitenbesluit milieubeheer tot 17 juli 2020 buiten toepassing voor het in werking hebben van een zuigercompressor-windturbinecombinatie op de inrichting of in de directe nabijheid daarvan.
Artikel 6
1. In het plangebied Spoorzone in de gemeente Eindhoven en het project Dijckerwaal in de gemeente Westland is op de aanvraag om een omgevingsvergunning waarbij ten behoeve van het bevorderen van duurzame en innovatieve toepassingen voor een activiteit voor een bepaalde termijn toepassing wordt gegeven aan artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, artikel 3.10, eerste lid, onderdeel a, van die wet niet van toepassing.
2. In aanvulling op artikel 6.19 van het Besluit omgevingsrecht wordt als categorie van gevallen als bedoeld in artikel 3.9, derde lid, tweede volzin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht aangewezen de beslissing op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in het eerste lid.
3. Dit artikel is van toepassing op aanvragen die zijn ingediend voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.
Artikel 6a
Ten behoeve van:
a. a. Stationsgebied Utrecht zoals aangegeven op de kaart in bijlage 7, b. b. Gebiedsgericht grondwaterbeheer Tilburg zoals aangegeven op de kaart in bijlage 23, c. c. het plangebied Spoorzone in de gemeente Eindhoven zoals aangegeven op de kaart in bijlage 14, d. d. de uitvoering van de «Visie op de ondergrond» van de gemeente Zwolle zoals aangegeven op de kaart in bijlage 15,
kunnen burgemeester en wethouders ten behoeve van gebiedsgericht bodembeheer of grondwaterbeheer vóór 6 maart 2018 voor de duur van ten hoogste vijftien jaar besluiten tot afwijking van de artikelen:
1°. 1°.
1 van de Wet bodembescherming,
2°. 2°.
13 en 27 van de Wet bodembescherming voor zover de bodem is of wordt verontreinigd of aangetast door één of meerdere bemalingen die ten behoeve van bouw-, sloop- of onderzoekswerkzaamheden worden uitgevoerd of die het gevolg zijn van de onttrekking of infiltratie van grondwater door één of meerdere warmte koude opslagsystemen,
3°. 3°.
28, 29, 37, 38, 39, tweede lid, 39b, 40, 42 en 88 van de Wet bodembescherming,
voor zover die afwijking geen gevaar voor de gezondheid van mens of dier oplevert. Artikel 20.3, eerste lid, van de Wet milieubeheer is niet van toepassing op de besluiten met betrekking tot de bodem ten aanzien van deze gebieden.
Artikel 6b
1. Voor woningen die vóór 1 januari 2021 worden gebouwd in het project De Mars in Zutphen geldt, in afwijking van tabel 5.1 bij artikel 5.2 van het Bouwbesluit 2012, als grenswaarde voor de energieprestatiecoëfficiënt, 75 procent van de op grond van die tabel geldende grenswaarde.
2.
Ten behoeve van
a. a. Giel Peetershof in Peel en Maas, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 92, b. b. Binckhorst in Den Haag, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 41,
geldt dat voor woningen die vóór 1 januari 2021 worden gebouwd, in afwijking van tabel 5.1 bij artikel 5.2 van het Bouwbesluit 2012, als grenswaarde voor de energieprestatiecoëfficiënt 0,2 geldt.
Artikel 6c
1. Dit artikel is tot 25 juli 2027 van toepassing op de bouw van gebouwen in het nieuwbouwproject Nieuwveense landen in de gemeente Meppel.
2. In afwijking van artikel 5.3, tweede en derde lid, van het Bouwbesluit 2012 geldt voor een constructie als bedoeld in die leden een weerstand van ten minste 4,5 m^2 • K/W, voor zover die waarde hoger is dan de waarde bedoeld in die leden.
3. Het bevoegd gezag voor de omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht kan de aanvrager verplichten om een ventilatieprestatiekeuring over te leggen. De ventilatieprestatiekeuring wordt opgesteld overeenkomstig BRL8010.
4. In afwijking van artikel 5.3, zesde lid, van het Bouwbesluit 2012 geldt voor ramen, deuren, kozijnen en daarmee gelijk te stellen constructieonderdelen als bedoeld in dat lid een warmtecoëfficiënt van ten hoogste 2,0 W/m^2 • K, voor zover die waarde lager is dan de waarde genoemd in dat lid. Voor vensterglas geldt een U-waarde van ten hoogste 0,9.
5. Artikel 5.6 van het Bouwbesluit 2012 wordt als volgt gelezen: «Bij het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen of het vergroten van een bouwwerk zijn de voorschriften van artikel 5.2 niet van toepassing.»
Artikel 6d
De artikelen 5.2, 6.10, eerste lid, 6.11 tot en met 6.14 en 6.16 van het Bouwbesluit 2012 gelden:
a. a. tot 25 juli 2017 niet voor de bouw van een drijvende autarkische recreatiebungalow naast de camping «De Kleine Wielen», De Groene Ster 14 te Leeuwarden; b. b. tot 18 maart 2025 niet voor de bouw van een drijvende autarkische trekkershut of een drijvend autarkisch theehuis op door de raad van de gemeente Zwolle aan te wijzen locaties.
Artikel 6e
In de gemeenten Almere, Castricum en Den Haag zijn tot 25 oktober 2017 voor te bouwen grondgebonden woonfuncties in particulier opdrachtgeverschap als bedoeld in artikel 1.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening de artikelen 2.129, 2.130, 3.20, 3.21, 3.23, 3.28, 3.29, 3.30, 3.31, 3.32, 3.33, 3.34, 3.41, 3.42, 3.43, 3.62, 3.63, 3.68, 3.69, 3.70, 3.74, 3.75, 4.8, 4.9, 4.10, 4.11, 4.17, 4.18, 4.19, 4.21, 4.22, 4.23, 4.24, 4.25, 4.26, 4.27, 4.28, 4.37, 4.38, 4.39, 6.7, 6.8, 6.9, 6.10, 6.11, 6.12, 6.13, 6.14, 6.15, 6.16, 6.17 en 6.18 van het Bouwbesluit 2012 niet van toepassing.
Artikel 6f
1. Dit artikel is tot 15 oktober 2022 van toepassing op de op het Bedrijventerrein Newtonpark IV in de gemeente Leeuwarden gelegen experimenteerinrichting, gesitueerd op het perceel met de kavelaanduidingen 11, 12 en 13 binnen de percelen, kadastraal bekend: Leeuwarden HzmE 2008, Leeuwarden HzmE 1714 en Leeuwarden HzmE 1692.
2. De experimenteerinrichting wordt in afwijking van artikel 1.1, vierde lid, tweede volzin, van de Wet milieubeheer aangemerkt als een inrichting als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
3. De artikelen 2.4, tweede lid, en 2.14, eerste lid, onderdeel c, onder 1°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht zijn niet van toepassing.
4. Het bepaalde krachtens artikel 2.8 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is niet van toepassing voor zover dat een omschrijving van de activiteiten of mogelijke maatregelen vereist.
Artikel 6g
1. Dit artikel is tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet van toepassing op de gemeenten Almere, Delft, Eindhoven, Haarlem, Haarlemmermeer, Hoogeveen, Hulst, Schijndel en Zoetermeer.
2.
Artikel 2.10, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is niet van toepassing, indien een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van die wet betrekking heeft op:
a. a. een op de grond staand bijbehorend bouwwerk als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht, mits niet hoger dan 5 meter; b. b. een dakkapel; c. c. een dakraam, daklicht, lichtstraat of soortgelijke daglichtvoorziening in een dak; d. d. een collector voor warmteopwekking of een paneel voor elektriciteitsopwekking; e. e. een kozijn, kozijninvulling of gevelpaneel; f. f. een zonwering, rolhek, luik of rolluik aan of in een gebouw; g. g. tuinmeubilair; h. h. een sport- of speeltoestel voor uitsluitend particulier gebruik, mits uitsluitend functionerend met behulp van de zwaartekracht of de fysieke kracht van de mens; i. i. een erf- of perceelafscheiding; j. j. een vlaggenmast.
3. Op een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in het tweede lid is artikel 2.2 van de Regeling omgevingsrecht niet van toepassing.
4. In de gemeente Haarlemmermeer geldt het verbod, gesteld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, niet voor aanvragen om een omgevingsvergunning als bedoeld in het tweede lid, aanhef en onder a tot en met j.
5.
Het vierde lid is niet van toepassing op het bouwen van een bouwwerk in, aan, op of bij:
a. a. een rijksmonument als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet; b. b. een monument of archeologisch monument waarop artikel 9.1, eerste lid, onder b, van de Erfgoedwet van toepassing is; c. c. een krachtens een provinciale of gemeentelijke verordening aangewezen monument dan wel een monument waarop, voordat het is aangewezen, een zodanige verordening van overeenkomstige toepassing is; of d. d. beschermde stads- en dorpsgezichten als bedoeld in artikel 35 van de Monumentenwet 1988.
Artikel 6h
In afwijking van artikel 3.5, eerste volzin, van de Wet ruimtelijke ordening kunnen binnen de provincie Flevoland vóór 15 mei 2019 bij een bestemmingsplan gebieden worden aangewezen waarbinnen de daar aanwezige windturbines, die economisch of technisch zijn afgeschreven, dienen te worden gemoderniseerd of vervangen door windturbines met meer bouwmassa.
Artikel 6i
1. Artikel 2.10, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is niet van toepassing, indien de aanvraag betrekking heeft op een nieuw te bouwen grondgebonden woning waarvoor een waarborgcertificaat op basis van het keurmerk van de Stichting Garantiewoning is verstrekt.
2. Dit artikel is tot 20 september 2019 van toepassing op de gemeenten Delft, Den Haag, Eindhoven, Rotterdam en Sint Anthonis.
Artikel 6j
1. Het verbod uit artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht geldt, voor zover het gaat om de gronden, bedoeld in artikel 2.10, eerste lid, onder b, c of d, van die wet, tot 1 september 2025 niet voor een bouwactiviteit als bedoeld in het derde lid die wordt uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van een architect of een dienstverrichter als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de architectentitel.
2. In afwijking van het eerste lid geldt het verbod uit artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet niet voor een bouwactiviteit als bedoeld in het derde lid die wordt uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van een architect of een dienstverrichter als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de architectentitel die voldoet aan de in het vierde lid genoemde eisen.
3.
De bouwactiviteit bestaat uit de realisatie van:
a. a. een of twee eengezinswoningen; b. b. een op de grond staand bijbehorend bouwwerk als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht, mits niet hoger dan tien meter; c. c. een dakopbouw waarbij geen extra woningen worden gerealiseerd; d. d. een dakterras; e. e. een dakkapel, of f. f. de splitsing of samenvoeging van woningen, mits geen verandering van de bouwconstructie plaatsvindt.
4.
Eisen als bedoeld in het tweede lid houden in dat de architect of de dienstverrichter als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de architectentitel voldoet aan de door de raad gestelde eisen met betrekking tot:
a. a. de benodigde beroepservaring, vakkennis, vaardigheden en inzicht op het gebied van toetsing van en toezicht houden op de uitvoering van de bouwregelgeving, en b. b. de wijze waarop de toetsing en het toezicht op de bouwactiviteiten plaatsvindt.
5.
Onder het in het eerste en tweede lid bedoelde uitvoeren van een bouwactiviteit onder verantwoordelijkheid van een architect of dienstverrichter zoals bedoeld in artikel 1 van de Wet op de architectentitel worden tenminste de volgende verplichtingen voor die architect of dienstverrichter begrepen:
a. a. indien het tweede lid van toepassing is, heeft de architect vanaf de opdrachtverlening tot en met de oplevering van het bouwwerk opdracht voor het ontwerp en het toezicht op het bouwwerk en draagt er zorg voor dat de werkzaamheden in het kader van kwaliteitsborging zo worden uitgevoerd zodat het gerechtvaardigd vertrouwen ontstaat dat het eindresultaat van de bouwwerkzaamheden voldoet aan de daarvoor geldende regelgeving; b. b. de architect meldt binnen drie weken voor de start van de uitvoering van de bouwactiviteit aan burgemeester en wethouders dat voor die activiteit toepassing wordt gegeven aan dit artikel en aan de daarvoor door de raad gestelde eisen; c. c. binnen drie weken na de oplevering van de bouwactiviteiten door de bouwer overlegt de architect een opleverdossier aan burgemeester en wethouders dat voldoet aan de daaraan door de raad gestelde eisen.
6. Dit artikel is van toepassing op de door burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam aangewezen locaties.
Artikel 6k
Het in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht bedoelde verbod geldt in de gemeente Peel en Maas tot 24 september 2021 niet voor een bouwactiviteit bestaande uit de realisatie van een bouwwerk voor de ondergrondse opslag van uit energiewinning verkregen ijs bij woningen, met een maximale inhoud van 30 m^3, mits dit bouwwerk niet onder een gebouw als bedoeld in artikel 1 van de Woningwet wordt aangelegd.
Artikel 6l
1. Artikel 6.10 van het Bouwbesluit 2012 is tot 24 september 2021 niet van toepassing op nieuw te bouwen woningen in Giel Peetershof in Peel en Maas, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 92.
2. Artikel 6.10, tweede lid, van het Bouwbesluit 2012 is vanaf het moment van inwerkingtreding van dit besluit (Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet vijftiende tranche) voor de duur van vijf jaar niet van toepassing op nieuwe woningen in Haven-Stad in Amsterdam, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 93.
Artikel 6m
Voor het project The Green Village in de gemeente Delft, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 89, geldt tot 24 september 2026 dat:
a. a. kan worden afgeweken van het Bouwbesluit 2012, met uitzondering van de hoofdstukken 1 en 2 en de afdelingen 6.5 tot en met 6.8; b. b. de artikelen 2.4, tweede lid, en 2.14, eerste lid, onderdeel c, onder 1°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht niet van toepassing zijn; c. c. het bepaalde krachtens artikel 2.8 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht juncto artikel 4.1 van de Regeling omgevingsrecht niet van toepassing is voor zover die artikelen een omschrijving van de activiteiten of mogelijke maatregelen vereisen; d. d. het verbod uit artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht voor een bouwactiviteit niet geldt.
Artikel 6n
Voor het project Binnenstad in de gemeente Hulst, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 98, geldt tot 28 oktober 2021 dat:
a. a. de artikelen 3.74 en 3.75, eerste, tweede en derde lid van het Bouwbesluit 2012 zijn niet van toepassing op een bouwactiviteit voor woningen; b. b. in afwijking van artikel 4.31, tweede lid, van het Bouwbesluit 2012 geldt geen maximum voor de in dat artikel bedoelde gebruiksoppervlakte; c. c.
afdeling 4.6 van het Bouwbesluit 2012 is niet van toepassing.
Artikel 6o
1. Dit artikel is tot 29 november 2023 van toepassing op de gronden van het attractiepark De Efteling in Loon op Zand, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 130.
2.
In aanvulling op artikel 3 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht is een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht niet vereist, indien deze activiteit betrekking heeft op een project dat geheel bestaat uit het bouwen van een bouwwerk of wijziging of uitbreiding daarvan, en aan de volgende voorwaarden voldoet:
a. a. het bouwwerk is niet hoger dan 5 meter; b. b. het bouwwerk ligt of komt te liggen op een afstand van meer dan 10 meter vanaf openbaar toegankelijk gebied; c. c. de oppervlakte van het bouwwerk bedraagt niet meer dan 150 m^2, met uitzondering van overkappingen die onlosmakelijk verbonden zijn met attracties, gelegen binnen het gebied het Sprookjesbos, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 131, waarvoor een maximale oppervlakte van 50 m^2 per overkapping geldt; d. d. het bouwwerk is incidenteel toegankelijk voor onderhoud; e. e. het bouwwerk is niet toegankelijk voor het publiek, met uitzondering van de ruimte onder overkappingen, zoals bedoeld onder c.
3. De in onderdeel c van het tweede lid genoemde maximale oppervlakte van 150 m^2 voor bouwwerken, niet zijnde overkappingen mag alleen worden overschreden indien dit niet in strijd is met het op die gronden geldende bestemmingsplan.
4.
In aanvulling op artikel 2 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht is een omgevingsvergunning voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a of c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht niet vereist, indien deze activiteiten betrekking hebben op een bouwwerk ten behoeve van een infrastructurele of openbare voorziening, voor zover het betreft:
a. a. een bouwwerk ten behoeve van een nutsvoorziening of het telecommunicatieverkeer, mits voldaan wordt aan de volgende eisen:
1°
niet hoger dan 3 meter, en
2°
de oppervlakte niet meer dan 15 m^2,
1° 1° niet hoger dan 3 meter, en 2° 2° de oppervlakte niet meer dan 15 m^2, b. b. straatmeubilair.
Artikel 6p
1.
Dit artikel is van toepassing op de volgende gemeenten of gebieden:
a. a. Bloemendaal, Blekersveld, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 168; b. b. Enschede; c. c. Giessenlanden, Bedrijventerrein Betonson, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 80; d. d. Gooise Meren, Laren en Hilversum, Crailo, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 169; e. e. Harderwijk; f. f. Leusden; g. g. Zaanstad; h. h. Zuidhorn, Woongebied Tussen de Gasten, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 165.
2. In afwijking van artikel 5.2 van het Bouwbesluit 2012 geldt voor te bouwen woningen een energieprestatiecoëfficiënt van 0,2, mits de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht na inwerkingtreding van dit besluit en uiterlijk 31 december 2020 is ingediend.
3. In aanvulling op artikel 8 van de Woningwet kunnen tot en met 31 december 2020 in de bouwverordening, in afwijking van artikel 5.2 van het Bouwbesluit 2012, voor te bouwen gebruiksfuncties waarvoor een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht vereist is, voorschriften worden opgenomen die voorzien in een lagere energieprestatiecoëfficiënt.
4. In aanvulling op artikel 8 van de Woningwet kunnen in de periode tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet voor te bouwen gebruiksfuncties waarvoor een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht vereist is, in de bouwverordening voorschriften worden opgenomen die voorzien in lagere maximumwaarden voor energiebehoefte en primair fossiel energiegebruik en een hogere minimumwaarde voor het aandeel hernieuwbare energie dan bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, van het Bouwbesluit 2012.
Artikel 6q
In afwijking van artikel 5.9, eerste en tweede lid, van het Bouwbesluit 2012 kunnen de raden van de gemeenten Harderwijk en Amsterdam tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet in aanvulling op artikel 8 van de Woningwet in de bouwverordening bepalen dat voor aanvragen om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht voor een te bouwen woonfunctie, geen woonwagen zijnde, en een te bouwen kantoorgebouw, een milieuprestatie geldt van ten hoogste 0,9 bepaald volgens de Bepalingsmethode Milieuprestatie Gebouwen en GWW-werken.
Artikel 6r
1.
Dit artikel is tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet van toepassing op de volgende gemeenten:
a. a. Haarlemmermeer; b. b. Waalwijk.
2. Artikel 2.10, eerste lid, onder c en d, en tweede lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is niet van toepassing, indien een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van die wet betrekking heeft op door het college van burgemeester en wethouders aan te wijzen bouwwerken en locaties.
3. Op een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in het tweede lid is artikel 2.7, eerste lid, eerste volzin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht niet van toepassing.
Artikel 6s
1. Dit artikel is tot 1 januari 2025 van toepassing op de gemeenten Aalsmeer, Amstelveen, Amsterdam, Beemster, Diemen, Edam-Volendam, Haarlemmermeer, Landsmeer, Oostzaan, Ouder-Amstel, Purmerend, Uithoorn, Waterland, Wormerland en Zaanstad.
2. In afwijking van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder i, van de Huisvestingswet 2014 vormen de gemeenten, genoemd in het eerste lid, voor de toepassing van dit artikel gezamenlijk de woningmarktregio.
3. In afwijking van artikel 14, tweede lid, tweede volzin, van de Huisvestingswet 2014 kunnen de gemeenteraden, indien overeenstemming is bereikt met de andere gemeenten, bepalen dat voor ten hoogste zestig procent van het percentage, bedoeld in de eerste volzin van dat lid, bij de verlening van huisvestingsvergunningen voorrang mag worden gegeven aan woningzoekenden die economisch of maatschappelijk gebonden zijn aan een van die gemeenten binnen de woningmarktregio.
4. In afwijking van artikel 14, tweede lid, tweede volzin, van de Huisvestingswet 2014 kan de gemeenteraad, indien overeenstemming is bereikt met de andere gemeenten, in de huisvestingsverordening bepalen bij hoeveel huisvestingsvergunningen voorrang wordt gegeven aan woningzoekenden die economisch of maatschappelijk gebonden zijn aan die gemeente, met dien verstande dat het aantal huisvestingsvergunningen waarbij voorrang wordt gegeven aan woningzoekenden die economisch of maatschappelijk gebonden zijn aan een van die gemeenten voor de woningmarktregio in zijn geheel niet hoger is dan het percentage, bedoeld in het derde lid.
Artikel 6t
1.
Voor de toepassing van dit artikel wordt, in afwijking van artikel 1 van de Leegstandwet, verstaan onder:
a. a.
*gebouw:* bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt en geen woonruimte is;
b. b.
*leegstaan:*
1°.
voor zover het een gebouw betreft: het niet of niet krachtens een zakelijk of persoonlijk recht in gebruik zijn overeenkomstig de bestemming van het gebouw;
2°.
voor zover het een woonruimte betreft: waar niemand zijn woonadres heeft als bedoeld in artikel 1.1, onder o, onder 1°, van de Wet basisregistratie personen;
1°. 1°. voor zover het een gebouw betreft: het niet of niet krachtens een zakelijk of persoonlijk recht in gebruik zijn overeenkomstig de bestemming van het gebouw; 2°. 2°. voor zover het een woonruimte betreft: waar niemand zijn woonadres heeft als bedoeld in artikel 1.1, onder o, onder 1°, van de Wet basisregistratie personen; c. c.
*woonruimte:* besloten ruimte die, al dan niet tezamen met een of meer andere ruimten, bestemd of geschikt is voor bewoning door een huishouden.
2. In afwijking van artikel 3, eerste lid, van de Leegstandwet kan de gemeenteraad, indien hij een verordening als bedoeld in artikel 4 van de Huisvestingswet 2014 heeft vastgesteld, in de leegstandverordening bepalen dat de leegstand van daarbij aangewezen categorieën woonruimten, gelegen in de gemeente of daarbij aangegeven delen van de gemeente, door de eigenaar wordt gemeld aan burgemeester en wethouders, zodra die leegstand langer duurt dan een in die verordening aangegeven termijn van ten minste drie maanden.
3. In de leegstandverordening worden nadere regels gegeven over het melden, bedoeld in het tweede lid.
4. Burgemeester en wethouders voeren binnen twee maanden na ontvangst van de melding, bedoeld in het tweede lid, overleg met de eigenaar van de woonruimte over het gebruik ervan.
5. Burgemeester en wethouders stellen na het overleg, bedoeld in het vierde lid, of zonder overleg indien de eigenaar aan dat overleg geen medewerking verleent, een leegstandbeschikking vast.
6.
Burgemeester en wethouders kunnen in de leegstandbeschikking, bedoeld in het vijfde lid:
a. a. indien de woonruimte niet geschikt is voor gebruik als woonruimte en de woonruimte niet is bestemd voor afbraak of vernieuwbouw, bepalen welke voorzieningen door de eigenaar binnen de in de beschikking bepaalde termijn moeten zijn getroffen om de woonruimte geschikt te maken voor gebruik als woonruimte; b. b. indien de woonruimte is bestemd voor verhuur, de maximale marktconforme huurprijs bepalen waartegen de woonruimte te huur wordt aangeboden; c. c. indien het een woonruimte betreft die is bestemd voor verkoop en als woonruimte kan worden verhuurd op grond van artikel 15, eerste lid, onder b of d, van de Leegstandwet, de eigenaar verplichten de woonruimte te verhuren, met een vergunning als bedoeld in artikel 15, eerste lid, van die wet; d. d. indien het een woonruimte betreft die is bestemd voor afbraak of vernieuwbouw en als woonruimte kan worden verhuurd op grond van artikel 15, eerste lid, onder c, van de Leegstandwet, de eigenaar verplichten de woonruimte te verhuren, met een vergunning als bedoeld in artikel 15, eerste lid, van die wet; e. e. een termijn opnemen van ten minste één maand waarbinnen de woonruimte op het moment dat deze geschikt is voor bewoning in gebruik wordt genomen als woonruimte; f. f. andere voorwaarden opnemen die noodzakelijk zijn voor het zo spoedig mogelijk in gebruik nemen van de woonruimte.
7. De eigenaar kan gemotiveerd verzoeken om de termijn, bedoeld in het zesde lid, onder e, eenmaal te verlengen met een periode van ten minste één maand.
8. Indien een eigenaar een verzoek als bedoeld in het zevende lid doet, kunnen burgemeester en wethouders de voorwaarden, bedoeld in het zesde lid, onder b tot en met e, in de oorspronkelijke leegstandbeschikking wijzigen.
9. In aanvulling op artikel 4 van de Leegstandwet kunnen burgemeester en wethouders, indien ze vaststellen dat het gebouw of een gedeelte daarvan niet geschikt is voor gebruik, in een leegstandbeschikking voorschrijven welke voorzieningen door de eigenaar binnen de in de beschikking bepaalde termijn moeten worden getroffen om het gebouw of een gedeelte ervan geschikt te maken voor gebruik, tenzij het gebouw is bestemd voor afbraak of vernieuwbouw.
10. Dit artikel is tot 1 januari 2025 van toepassing op de gemeente Amsterdam.
Artikel 6u
1. Dit artikel is tot 1 januari 2035 van toepassing op de gebieden Carnisse, Oud Charlois en Tarwewijk in de gemeente Rotterdam, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 187.
2. In aanvulling op artikel 15, eerste lid, van de Leegstandwet kunnen burgemeester en wethouders een vergunning als bedoeld in dat lid ook verlenen voor de verhuur van een woning welke ten tijde van het aanvragen van de vergunning bestemd is om te worden samengevoegd met een of meerdere andere woningen.
3. In afwijking van artikel 15, tweede lid, van de Leegstandwet stellen burgemeester en wethouders een formulier beschikbaar via welke de eigenaar een vergunning als bedoeld in het tweede lid kan aanvragen.
4.
In afwijking van artikel 15, derde lid, van de Leegstandwet wordt de vergunning, bedoeld in het tweede lid, slechts verleend indien:
a. a. de woning, voor de verhuring waarvan de vergunning wordt aangevraagd, leegstaat; b. b. de eigenaar aantoont dat de te verhuren woonruimte, gelet op de omstandigheden en mogelijkheden, in voldoende mate zal worden bewoond; en c. c. de eigenaar, bedoeld onder b, de gemeente Rotterdam of een op grond van artikel 19, eerste lid, van de Woningwet toegelaten woningcorporatie is.
5. Onverminderd artikel 15, zesde lid, tweede volzin, van de Leegstandwet kunnen burgemeester en wethouders de vergunning, bedoeld in het tweede lid, op verzoek van de eigenaar telkens met ten hoogste drie jaren verlengen, met dien verstande dat de vergunning tot uiterlijk 1 januari 2035 kan worden verlengd.
6. Artikel 15, vijfde lid en zesde lid, laatste volzin, van de Leegstandwet is niet van toepassing.
7. In afwijking van artikel 15, negende lid, laatste volzin, van de Leegstandwet is het bepaalde in het derde lid van overeenkomstige toepassing.
8. Artikel 16 van de Leegstandwet is van overeenkomstige toepassing, behoudens het tweede lid, met dien verstande dat in het vierde en zesde lid van dat artikel een vergunning als bedoeld in artikel 15, eerste lid, onderdelen a, b en c, van de Leegstandwet wordt gelezen als een vergunning als bedoeld in het tweede lid.
Artikel 7
1. In de jaarlijkse voortgangsrapportage over de uitvoering van de wet geeft Onze Minister, indien daartoe aanleiding bestaat, aan in hoeverre afwijkingen bij wege van experiment van het bepaalde bij of krachtens de betrokken in artikel 2.4, eerste lid, van de wet genoemde wetten aan haar doel beantwoorden en of de overeenkomstig artikel 2.4, derde lid, van de wet vastgestelde ten hoogste toegestane tijdsduur van die afwijkingen aanpassing behoeft.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op het experiment duurzaam stortbeheer, bedoeld in artikel 17b, eerste lid, van het Stortbesluit bodembescherming.
Artikel 7a
1.
In het kader van een Platform 31-experiment «Flexibele bestemmingsplannen» kan bij de voorbereiding, vormgeving, inrichting en beschikbaarstelling van een bestemmingsplan worden afgeweken van:
a. a. de volgende artikelen van de Wet ruimtelijke ordening: 3.1, eerste lid, voor zover het daarbij gaat om het verplicht aanwijzen van bestemmingen, 3.7, vierde lid, en 6.12, eerste lid; b. b. de volgende artikelen van het Besluit ruimtelijke ordening:
1°.
1.2.1, tweede lid, en 1.2.1a, onderdeel a, onder de voorwaarde dat het ontwerp van het bestemmingplan of het vastgestelde bestemmingsplan elektronisch op een algemeen toegankelijke wijze beschikbaar wordt gesteld en blijft op een door de raad te bepalen internetadres. In dat geval bevat de landelijke voorziening, bedoeld in artikel 1.2.1, tweede lid, een verwijzing naar dit internetadres;
2°.
3.1.6, eerste lid, onder f, en vijfde lid, onder c;
1°. 1°.
1.2.1, tweede lid, en 1.2.1a, onderdeel a, onder de voorwaarde dat het ontwerp van het bestemmingplan of het vastgestelde bestemmingsplan elektronisch op een algemeen toegankelijke wijze beschikbaar wordt gesteld en blijft op een door de raad te bepalen internetadres. In dat geval bevat de landelijke voorziening, bedoeld in artikel 1.2.1, tweede lid, een verwijzing naar dit internetadres;
2°. 2°.
3.1.6, eerste lid, onder f, en vijfde lid, onder c;
c. c. de bij de ministeriële regeling, bedoeld in artikel 1.2.6 van het Besluit ruimtelijke ordening, gestelde regels of nadere regels.
2.
Voor de in het experiment betrokken bestemmingsplannen geldt dat indien daarin onbenutte bouw- of gebruiksmogelijkheden worden wegbestemd, de planschade in ieder geval als voorzienbaar in de zin van artikel 6.3, aanhef en onder a, wordt aangemerkt, indien:
a. a. deze herziening ten minste drie jaar voor de vaststelling van het bestemmingsplan is aangekondigd; b. b. van de voorgenomen herziening kennis is gegeven aan de eigenaren in het gebied, en c. c. gedurende deze termijn de mogelijkheid bestond de bouw- of gebruiksmogelijkheden te realiseren.
3. In afwijking van artikel 3.1, tweede lid, van de Wet ruimtelijke ordening wordt de bestemming van gronden, met inbegrip van de met het oog daarop gestelde regels, binnen een periode van twintig jaar opnieuw vastgesteld.
4. In afwijking van artikel 3.2 van de Wet ruimtelijke ordening geldt een voorlopige bestemming voor een termijn van ten hoogste tien jaar.
5.
Dit artikel is van toepassing op de volgende bestemmingsplangebieden, voor zover deze bestemmingsplannen worden vastgesteld voor 1 januari 2026 en het ontwerp van deze plannen ter inzage is gelegd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet:
a. a. het voormalige bedrijventerrein Cruquiusgebied in de gemeente Amsterdam zoals aangegeven op de kaart in bijlage 28; b. b. Nieuw Den Helder in de gemeente Den Helder zoals aangegeven op de kaart in bijlage 30; c. c. het voormalige NAVO-terrein in de gemeente Maastricht zoals aangegeven op de kaart in bijlage 31; d. d. de kernen Zetten en Hemmen in de gemeente Overbetuwe zoals aangegeven op de kaart in bijlage 32; e. e. «De Bronnen» in de gemeente Tynaarloo zoals aangegeven op de kaart in bijlage 33.
Artikel 7b
Vervallen
Artikel 7c
1.
In aanvulling op artikel 3.1, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening kunnen in het bestemmingsplan ook regels worden gesteld, die strekken ten behoeve van het:
a. a. bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, en b. b. doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke functies.
2. In afwijking van artikel 3.1, tweede lid, van de Wet ruimtelijke ordening wordt de bestemming van gronden, met inbegrip van de met het oog daarop gestelde regels, binnen een periode van twintig jaar opnieuw vastgesteld. Artikel 3.1, derde tot en met vijfde lid, van de Wet ruimtelijke ordening is niet van toepassing.
3. In afwijking van artikel 3.2 van de Wet ruimtelijke ordening geldt een voorlopige bestemming voor een termijn van ten hoogste tien jaar.
4. Het bestemmingsplan kan de door het gemeentebestuur gestelde regels als bedoeld in artikel 108 van de Gemeentewet bevatten die geheel of gedeeltelijk betrekking hebben op de fysieke leefomgeving.
5. De regels in het bestemmingsplan kunnen voorts inhouden een verbod om zonder voorafgaande melding aan burgemeester en wethouders een daarbij aangewezen activiteit te verrichten.
6. In het bestemmingsplan kunnen tevens regels worden gesteld waarvan de uitleg bij de uitoefening van een bij die regels aan te geven bevoegdheid afhankelijk wordt gesteld van beleidsregels. Daarbij kan worden bepaald dat de beleidsregels worden vastgesteld door de raad of door burgemeester en wethouders.
7. Als de regels, bedoeld in het zesde lid, betrekking hebben op het uiterlijk van bouwwerken en bij de toepassing een interpretatie behoeven, stelt de raad de criteria vast die worden toegepast bij de beoordeling van het uiterlijk van een bouwwerk waarop de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit betrekking heeft. Deze criteria zijn zoveel mogelijk toegesneden op de onderscheiden bouwwerken. In afwijking van artikel 12b van de Woningwet wordt het advies van de welstandscommissie dan wel de stadsbouwmeester slechts op die criteria gebaseerd.
8.
Voor de in het experiment betrokken bestemmingsplannen geldt dat indien daarin onbenutte bouw- of gebruiksmogelijkheden worden wegbestemd, de planschade in ieder geval als voorzienbaar in de zin van artikel 6.3, aanhef en onder a, van de Wet ruimtelijke ordening wordt aangemerkt, indien:
a. a. deze herziening ten minste drie jaar voor de vaststelling van het bestemmingsplan is aangekondigd; b. b. van de voorgenomen herziening kennis is gegeven aan de eigenaren in het gebied, en c. c. gedurende deze termijn de mogelijkheid bestond de bouw- of gebruiksmogelijkheden te realiseren.
9.
Bij de voorbereiding, vormgeving, inrichting en beschikbaarstelling van het bestemmingsplan kan worden afgeweken van:
a. a. de volgende artikelen van het Besluit ruimtelijke ordening:
1°.
1.2.1, tweede lid, en 1.2.1a, onderdeel a, onder de voorwaarde dat het ontwerp van het bestemmingplan of het vastgestelde bestemmingsplan elektronisch op een algemeen toegankelijke wijze beschikbaar wordt gesteld en blijft op een door de raad te bepalen internetadres. In dat geval bevat de landelijke voorziening, bedoeld in artikel 1.2.1, tweede lid, een verwijzing naar dit internetadres;
2°.
3.1.6, eerste lid, onder f, en vijfde lid, onder c;
1°. 1°.
1.2.1, tweede lid, en 1.2.1a, onderdeel a, onder de voorwaarde dat het ontwerp van het bestemmingplan of het vastgestelde bestemmingsplan elektronisch op een algemeen toegankelijke wijze beschikbaar wordt gesteld en blijft op een door de raad te bepalen internetadres. In dat geval bevat de landelijke voorziening, bedoeld in artikel 1.2.1, tweede lid, een verwijzing naar dit internetadres;
2°. 2°.
3.1.6, eerste lid, onder f, en vijfde lid, onder c;
b. b. de bij de ministeriële regeling, bedoeld in artikel 1.2.6 van het Besluit ruimtelijke ordening, gestelde regels of nadere regels. c. c.
hoofdstuk VIIIa van de Wet geluidhinder, met dien verstande dat:
1°.
in afwijking van afdeling 1 van dat hoofdstuk een besluit als bedoeld in artikel 110a van die wet deel kan uitmaken van het bestemmingsplan, en dat
2°.
in afwijking van afdeling 2 van dat hoofdstuk de mate van detail van de ten behoeve van de vaststelling van de geluidbelasting te verrichten akoestische onderzoeken kan worden afgestemd op het detailniveau en de fase van voorbereiding van het bestemmingsplan;
1°. 1°. in afwijking van afdeling 1 van dat hoofdstuk een besluit als bedoeld in artikel 110a van die wet deel kan uitmaken van het bestemmingsplan, en dat 2°. 2°. in afwijking van afdeling 2 van dat hoofdstuk de mate van detail van de ten behoeve van de vaststelling van de geluidbelasting te verrichten akoestische onderzoeken kan worden afgestemd op het detailniveau en de fase van voorbereiding van het bestemmingsplan; d. d.
artikel 5.4 van het Besluit geluidhinder, met dien verstande dat:
1°.
een besluit als bedoeld in artikel 110a van de Wet geluidhinder deel kan uitmaken van het bestemmingsplan en
2°.
de mate van detail van de ten behoeve van de vaststelling van de geluidbelasting te verrichten akoestische onderzoeken kan worden afgestemd op het detailniveau en de fase van voorbereiding van het bestemmingsplan.
1°. 1°. een besluit als bedoeld in artikel 110a van de Wet geluidhinder deel kan uitmaken van het bestemmingsplan en 2°. 2°. de mate van detail van de ten behoeve van de vaststelling van de geluidbelasting te verrichten akoestische onderzoeken kan worden afgestemd op het detailniveau en de fase van voorbereiding van het bestemmingsplan.
10. Bij de vaststelling van het bestemmingsplan kan de raad besluiten af te wijken van artikel 6.12, eerste en derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening, met dien verstande dat een exploitatieplan door burgemeester en wethouders kan worden vastgesteld bij een omgevingsvergunning voor het bouwen.
11.
Indien toepassing wordt gegeven aan het tiende lid, geldt dat:
a. a.
artikel 6.12, tweede lid, van de Wet ruimtelijke ordening van toepassing is op de omgevingsvergunning voor het bouwen;
b. b. in afwijking van artikel 6.14, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening, afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing is op de voorbereiding van het exploitatieplan; c. c. daarvoor in het bestemmingsplan een of meer exploitatiegebieden worden aangewezen; d. d. in aanvulling op artikel 2.10, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht de omgevingsvergunning voor het bouwen kan worden geweigerd als de exploitatieopzet als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, van de Wet ruimtelijke ordening, een tekort bevat, dat niet is gedekt; e. e. als de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt geweigerd, de exploitatieopzet als bedoeld in onderdeel d, deel uitmaakt van dat besluit.
12. Artikel 8.42b van de Wet milieubeheer en artikel 2.19 van het Activiteitenbesluit milieubeheer zijn op het bestemmingsplan van overeenkomstige toepassing.
13. De raad kan de bevoegdheid tot het vaststellen van delen van het bestemmingsplan delegeren aan burgemeester en wethouders.
14. In aanvulling op artikel 3.6, eerste lid, onder c, van de Wet ruimtelijke ordening kan bij het bestemmingsplan worden bepaald dat het met het oog op de regels bedoeld in het eerste lid verboden is zonder omgevingsvergunning, gronden of bouwwerken te gebruiken voor een daarbij aangegeven activiteit, als de activiteit niet in strijd is met het bestemmingsplan. Voor toepassing van deze bepaling in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht wordt deze vergunning aangemerkt als een vergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van die wet. De vergunning wordt verleend als wordt voldaan aan de daartoe in het bestemmingsplan gestelde voorwaarden.
15. In afwijking van artikel 2.8, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht juncto artikel 3.2, aanhef en onderdeel b, van de Regeling omgevingsrecht verstrekt de aanvrager in of bij de aanvraag om een vergunning voor het gebruiken van gronden of bouwwerken, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van die wet, gegevens en bescheiden over de gevolgen van het beoogde gebruik voor de fysieke leefomgeving.
16. In afwijking van artikel 2.12, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht kan een omgevingsvergunning die betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van die wet worden verleend als de activiteit niet in strijd is met de regels, bedoeld in het eerste lid.
17.
Dit artikel is van toepassing op de volgende plangebieden:
a. a. Oosterwold in de gemeenten Almere en Zeewolde, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 37; b. b. Weerwater in de gemeente Almere, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 38; c. c. Toeristisch, recreatieve zone (inclusief het TT-circuit) in de gemeente Assen, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 39; d. d. Spoorzone in de gemeente Culemborg, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 40; e. e. Binckhorst in de gemeente Den Haag, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 41; f. f. luchthaven Twente in de gemeente Enschede, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 42; g. g. Bloemendalerpolder in de gemeenten Muiden en Weesp, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 43; h. h. Hembrugterrein in de gemeente Zaandstad, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 44; i. i. Havenkwartier, gemeente Assen, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 47; j. j. Spoorzone, gemeente Delft, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 51; k. k. De Scheg, gemeente Amstelveen, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 59; l. l. Bedrijventerrein Rijnhaven-Oost, gemeente Alphen aan den Rijn, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 60; m. m. het gebied Laan 1945, gemeente Beuningen, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 29; n. n. Binnensingelgebied, gemeente Enschede, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 61; o. o. Brainport Park, gemeente Eindhoven, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 62; p. p. Automotive Campus, gemeente Helmond, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 63; q. q. Buitengebied Leudal, gemeente Leudal, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 64; r. r. CHV-terrein, gemeente Veghel, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 19; s. s. Bergwijkpark, gemeente Diemen, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 65; t. t. Binnenstad Apeldoorn, gemeente Apeldoorn, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 66; u. u. Buitengebied Boekel, gemeente Boekel, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 67; v. v. Brandevoort-Noord, gemeente Helmond, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 68; w. w. Buitengebied Rijssen-Holten, gemeente Rijssen-Holten, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 69; x. x. Buitengebied Steenwijkerland, gemeente Steenwijkerland, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 70; y. y. Locatieontwikkeling De Bulders, gemeente Heeze-Leende, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 71; z. z. Centrum Sneek, gemeente Súdwest-Fryslân, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 72; aa. aa. Buitengebied Borsele, gemeente Borsele, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 73; bb. bb. Business Centre Treeport, gemeente Zundert, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 74; cc. cc. Binnenstad Oudewater, gemeente Oudewater, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 75; dd. dd. Landschapspark Bergse Heide, gemeente Bergen op Zoom, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 76; ee. ee. Groene Delta van Nijmegen, gemeente Nijmegen, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 79; ff. ff. Bedrijventerrein Betonson, gemeente Giessenlanden, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 80; gg. gg. Transformatiegebied Noordelijke Stadsentree, gemeente Meppel, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 49; hh. hh. Transformatie ENCI-terrein en de mergelgroeve, gemeente Maastricht, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 81; ii. ii. Agriport, gemeente Hollands Kroon, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 82; jj. jj. Bedrijventerrein Donkersloot, gemeente Ridderkerk, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 83; kk. kk. Landelijk gebied Zoeterwoude, gemeente Zoeterwoude, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 84; ll. ll. Hoge Akker, Speelheide en De Leeuwerik, gemeente Best, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 85; mm. mm. Buitengebied in balans, gemeente Nederweert, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 86; nn. nn. Lange Weeren, gemeente Edam-Volendam, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 87; oo. oo. Binnenstad Wageningen, gemeente Wageningen, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 88; pp. pp. The Green Village, gemeente Delft, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 89; qq. qq. Bedrijventerrein Groote Haar, gemeente Gorinchem, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 90; rr. rr. Aardbevingsbestendig bestemmingsplan, gemeente Appingedam, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 91; ss. ss. Haven-Stad, gemeente Amsterdam, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 93; tt. tt. Brainport Park, gemeente Best, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 99; uu. uu. Dorp Wijk aan Zee, gemeente Beverwijk, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 100; vv. vv. Buitengebied, gemeente Brielle, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 101; ww. ww. Buitengebied, gemeente Westvoorne, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 102; xx. xx. Projectlocatie Valkenburg, gemeente Katwijk, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 35; yy. yy. Hoefweg-Zuid 2016, gemeente Lansingerland, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 103; zz. zz. Bedrijventerrein De Kade, gemeente Maassluis, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 104; aaa. aaa. Rijnhuizen, gemeente Nieuwegein, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 105; bbb. bbb. Campusterrein Nijmegen-Radboud, gemeente Nijmegen, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 106; ccc. ccc. Bavo-terrein, gemeente Noordwijkerhout, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 107; ddd. ddd. De Pas, gemeente Overbetuwe, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 108; eee. eee. Havenkanaal, gemeente Wassenaar, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 109; fff. fff. Landelijk gebied, gemeente Zutphen, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 110; ggg. ggg. World Food Center, gemeente Ede, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 112; hhh. hhh. Bebouwde kom Geldrop, gemeente Geldrop-Mierlo, zoals aangegeven op de kaart in bijlage113; iii. iii. Modern werklandschap Wijkevoort, gemeente Tilburg, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 114; jjj. jjj. Bedrijventerrein Dordtse Kil IV, gemeente Dordrecht, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 115; kkk. kkk. Park 21, gemeente Haarlemmermeer, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 116; lll. lll. Buitengebied Hattem, gemeente Hattem, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 117; mmm. mmm. Buitengebied Gilze en Rijen, gemeente Gilze en Rijen, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 118; nnn. nnn. Buitengebied Baarle-Nassau, gemeente Baarle-Nassau, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 119; ooo. ooo. Retailpark Belvédère, gemeente Maastricht, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 120; ppp. ppp. Mijnkintbuurt Fase 1, gemeente Rotterdam, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 121; qqq. qqq. Buitengebied Boarnsterhim, gemeente Leeuwarden, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 122; rrr. rrr. Sciencepark Technopolis, gemeente Delft, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 123; sss. sss. Maasvlakte 2, gemeente Rotterdam, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 124; ttt. ttt. Binnenstad Schoonhoven, gemeente Krimpenerwaard, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 125; uuu. uuu. Buitengebied Hillegom, gemeente Hillegom, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 126; vvv. vvv. Waubach, gemeente Landgraaf, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 132; www. www. Gravenrode, gemeente Landgraaf, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 133; xxx. xxx. Bad Nieuweschans, gemeente Oldambt, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 134; yyy. yyy. Goudasfalt, gemeente Gouda, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 135; zzz. zzz. Postcodegebied 1012, gemeente Amsterdam, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 136; aaaa. aaaa. Klein Plaspoelpolder, gemeente Leidschendam-Voorburg, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 137; bbbb. bbbb. Schieoevers Noord, gemeente Delft, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 128; cccc. cccc. Strijp-S en Strijp-T, gemeente Eindhoven, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 138; dddd. dddd. Buitengebied Woerden, gemeente Woerden, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 139; eeee. eeee. Buitengebied Gaasterlân-Sleat, gemeente Fryske Marren, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 140; ffff. ffff. Nuenen West, gemeente Nuenen, Gerwen, Nederwetten, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 141; gggg. gggg. Buitengebied Bernheze, gemeente Bernheze, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 142; hhhh. hhhh. Dorp Norg, gemeente Noordenveld, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 143; iiii. iiii. Dukenburg, gemeente Nijmegen, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 144; jjjj. jjjj. Lint-Zuid, gemeente Lansingerland, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 145; kkkk. kkkk. Broekgraaf, gemeente Leerdam, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 146; llll. llll. Kernen Rijssen en Holten, gemeente Rijssen-Holten, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 147; mmmm. mmmm. Kernen Koggenland, gemeente Koggenland, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 148; nnnn. nnnn. Koers 2025, Buiksloterham en Zuid as, gemeente Amsterdam, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 149; oooo. oooo. Meilust, gemeente Bergen op Zoom, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 150; pppp. pppp. Buitengebied, gemeente Bladel, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 151; qqqq. qqqq. De Groote Wielen, gemeente Den Bosch, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 152; rrrr. rrrr. Doornspijk, gemeente Elburg, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 153; ssss. ssss. Bedrijventerrein Dombosch, gemeente Geertruidenberg, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 154; tttt. tttt. Fokmast Regte Heide, gemeente Goirle, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 155; uuuu. uuuu. Zandzoom, gemeente Heiloo, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 156; vvvv. vvvv. Buitengebied Noord Oost en Rimburg, gemeente Landgraaf, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 157; wwww. wwww. Leiden Noord, gemeente Leiden, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 158; xxxx. xxxx. Buytewech-Noord, gemeente Nieuwkoop, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 159; yyyy. yyyy. De Binnentuinen Rucphen, gemeente Rucphen, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 160; zzzz. zzzz. Centrum Venray, gemeente Venray, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 161; aaaaa. aaaaa. Oosterseveld, gemeente Vlieland, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 162; bbbbb. bbbbb. Haven 8, gemeente Waalwijk, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 163; ccccc. ccccc. Poeldijk Centrum, gemeente Westland, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 164; ddddd. ddddd. Woongebied Tussen de Gasten, gemeente Zuidhorn, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 165; eeeee. eeeee. Sloterdijk II, III en IV (Sloterdijk West), gemeente Amsterdam, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 170; fffff. fffff. Blekersveld, gemeente Bloemendaal, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 168; ggggg. ggggg. GreenTech Park Brabant, gemeente Boxtel, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 171; hhhhh. hhhhh. Logistiek Ecopark IJsselvallei Doesburg, gemeente Doesburg, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 172; iiiii. iiiii. Proeftuin VAB Elsendorp, gemeente Gemert-Bakel, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 173; jjjjj. jjjjj. Crailo, gemeenten Gooise Meren, Laren en Hilversum, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 169; kkkkk. kkkkk. Buitengebied Landerd, gemeente Landerd, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 174; lllll. lllll. Rooseveltstraat, gemeente Leiden, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 167; mmmmm. mmmmm. Boezembocht-Veilingterrein, gemeente Rotterdam, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 175; nnnnn. nnnnn. Gebiedsontwikkeling Feyenoord City, gemeente Rotterdam, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 176; ooooo. ooooo. Laar – Nieuw Laar Berlicum, gemeente Sint-Michielsgestel, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 177; ppppp. ppppp. Sciencepark Ekkersrijt, gemeente Son en Breugel, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 178; qqqqq. qqqqq. Bedrijventerrein De Run, gemeente Veldhoven, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 179; rrrrr. rrrrr. Polstraat, gemeente Woudrichem, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 180; sssss. sssss. Engewormer, gemeente Wormerland, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 181; ttttt. ttttt. Strand van Zandvoort, gemeente Zandvoort, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 182.
18. Van de in dit artikel bedoelde bevoegdheid tot het vaststellen van bestemmingsplannen met verbrede reikwijdte kan tot 1 januari 2026 gebruik worden gemaakt mits het ontwerp van deze plannen ter inzage is gelegd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.
Artikel 7d
1.
Bij het vaststellen van een bestemmingsplan kan de raad besluiten tot afwijking gedurende een periode van maximaal tien jaar van:
a. a.
artikel 45, eerste lid, van de Wet geluidhinder, met dien verstande dat de ter plaatse ten hoogste toelaatbare geluidbelasting, bedoeld in artikel 44 van die wet, voor woningen in stedelijk gebied niet hoger mag worden vastgesteld dan 65 dB(A);
b. b.
artikel 83, eerste lid, van de Wet geluidhinder met dien verstande dat:
1°.
niet afgeweken kan worden van de ter plaatse ten hoogste toelaatbare geluidbelasting voor woningen, die gelegen zijn in zones langs wegen waarvoor geluidproductieplafonds als bedoeld in artikel 11.19 van de Wet milieubeheer gelden, en
2°.
de ter plaatse ten hoogste toelaatbare geluidbelasting, bedoeld in artikel 82, eerste lid, van die wet niet hoger mag worden vastgesteld dan 63 dB;
1°. 1°. niet afgeweken kan worden van de ter plaatse ten hoogste toelaatbare geluidbelasting voor woningen, die gelegen zijn in zones langs wegen waarvoor geluidproductieplafonds als bedoeld in artikel 11.19 van de Wet milieubeheer gelden, en 2°. 2°. de ter plaatse ten hoogste toelaatbare geluidbelasting, bedoeld in artikel 82, eerste lid, van die wet niet hoger mag worden vastgesteld dan 63 dB; c. c.
artikel 3.2, eerste lid, onder b, van het Besluit geluidhinder, met dien verstande dat:
1°.
niet afgeweken kan worden van de ter plaatse ten hoogste toelaatbare geluidbelasting voor andere geluidgevoelige objecten in zones langs wegen waarvoor geluidproductieplafonds als bedoeld in artikel 11.19 van de Wet milieubeheer gelden en
2°.
de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting niet hoger mag worden vastgesteld dan 68 dB.
1°. 1°. niet afgeweken kan worden van de ter plaatse ten hoogste toelaatbare geluidbelasting voor andere geluidgevoelige objecten in zones langs wegen waarvoor geluidproductieplafonds als bedoeld in artikel 11.19 van de Wet milieubeheer gelden en 2°. 2°. de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting niet hoger mag worden vastgesteld dan 68 dB.
2.
Dit artikel is van toepassing op de volgende plangebieden:
a. a. Binckhorst in de gemeente Den Haag, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 41; b. b. Hembrugterrein in de gemeente Zaanstad, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 44; c. c. Bergwijkpark in de gemeente Diemen, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 65.
3.
Van de in dit artikel bedoelde afwijkingsbevoegdheid kan gebruik worden gemaakt:
a. a. voor de in het tweede lid, onderdelen a en b, genoemde plangebieden: tot 15 mei 2019; b. b. voor het in het tweede lid, onderdeel c, genoemde plangebied: tot 9 september 2020.
Artikel 7e
Indien binnen de op de kaarten in bijlage 45^A en B aangegeven gebieden Amstel III en Teleport in de gemeente Amsterdam bij een herziening van een bestemmingsplan onbenutte bouwmogelijkheden worden wegbestemd, wordt de planschade aangemerkt als voorzienbaar in de zin van artikel 6.3, aanhef en onder a, van de Wet ruimtelijke ordening indien:
a. a. deze herziening ten minste drie jaar voor de vaststelling van het bestemmingsplan, doch uiterlijk vóór 15 mei 2019, is aangekondigd; b. b. van de voorgenomen herziening kennis is gegeven aan de eigenaren in het gebied, en c. c. gedurende deze termijn de mogelijkheid bestond de bouw- of gebruiksmogelijkheden te realiseren.
Artikel 7f
1.
Onverminderd artikel 7a geldt voor het bestemmingsplangebied voor het voormalige bedrijventerrein Cruquiusgebied in de gemeente Amsterdam, bedoeld in artikel 7a, vijfde lid, onder a, dat gedurende een periode van maximaal tien jaar:
a. a.
artikel 7c, negende lid, onderdelen c en d, en artikel 7d van overeenkomstige toepassing zijn;
b. b. in afwijking van artikel 2.2, onderdeel c, van het Besluit geluidhinder de hogere waarde voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting van het industrieterrein op ligplaatsen voor woonschepen die reeds aanwezig waren op 1 juli 2012 niet hoger mag worden vastgesteld dan 60 dB(A); c. c. in afwijking van artikel 2.4 van het Besluit geluidhinder of artikel 2.20, tweede lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer voor woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen die reeds aanwezig waren op 1 juli 2012 niet voldaan hoeft te worden aan de in die artikelen opgenomen binnenwaarden zolang binnen de geluidsgevoelige ruimten respectievelijk verblijfsruimten een goed woon- en leefklimaat is gewaarborgd; d. d. in afwijking van artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit milieubeheer de in de periode tussen 07.00 en 19.00 uur in tabel 2.17a opgenomen maximale geluidsniveaus worden verhoogd met maximaal 5 dB(A).
2. Dit artikel is van toepassing op het in het eerste lid bedoelde bestemmingsplan, voor zover dit bestemmingsplan wordt vastgesteld vóór 1 juli 2018.
Artikel 7g
1. De voor het grondgebied van een gemeente vastgestelde bestemmingsplannen gelden als één bestemmingsplan.
2. Artikel 7c is op een gehele of gedeeltelijke herziening van het bestemmingsplan, bedoeld in het eerste lid, van overeenkomstige toepassing.
3. Een bestemmingsplan voor een gedeelte van het grondgebied van een gemeente dat na het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit onherroepelijk wordt, maakt vanaf het tijdstip waarop dit bestemmingsplan onherroepelijk is geworden deel uit van het bestemmingsplan, bedoeld in het eerste lid.
4.
Dit artikel is van toepassing op de gemeenten:
a. a. Breda; b. b. Bussum; c. c. Deventer; d. d. Oldenzaal; e. e. Soest; f. f. Venlo; g. g. Meerssen; h. h. Stadskanaal; i. i. Veere; j. j. Kampen; k. k. Lopik; l. l. Peel en Maas; m. m. Berg en dal; n. n. Dalfsen; o. o. Heerlen; p. p. Utrecht; q. q. Urk; r. r. Zeist; s. s. Amersfoort; t. t. Nunspeet; u. u. Leusden; v. v. Harderwijk; w. w. Schouwen-Duiveland.
5. Van de in dit artikel bedoelde bevoegdheid tot het vaststellen van een bestemmingsplan met verbrede reikwijdte kan tot 1 januari 2026 gebruik worden gemaakt mits het ontwerp van deze plannen ter inzage is gelegd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.
Artikel 7h
1.
In aanvulling op artikel 2.1 van de Wet ruimtelijke ordening kan de raad van de gemeente Meerssen uiterlijk op 20 september 2019 een structuurvisie vaststellen waarin zijn vastgelegd de hoofdzaken van het door de gemeente te voeren beleid met het oog op:
a. a. het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, en b. b. het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke functies.
2.
Bij de voorbereiding, vormgeving, inrichting en beschikbaarstelling van de structuurvisie kan worden afgeweken van:
a. a. de volgende artikelen van het Besluit ruimtelijke ordening:
1°.
1.2.1, tweede lid, en 1.2.1a, onderdeel a, onder de voorwaarde dat het ontwerp van de structuurvisie of de vastgestelde structuurvisie elektronisch op een algemeen toegankelijke wijze beschikbaar wordt gesteld en blijft op een door de raad te bepalen internetadres. In dat geval bevat de landelijke voorziening, bedoeld in artikel 1.2.1, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening een verwijzing naar dit internetadres;
2°.
3.1.6, eerste lid, onder f, en vijfde lid, onder c;
1°. 1°.
1.2.1, tweede lid, en 1.2.1a, onderdeel a, onder de voorwaarde dat het ontwerp van de structuurvisie of de vastgestelde structuurvisie elektronisch op een algemeen toegankelijke wijze beschikbaar wordt gesteld en blijft op een door de raad te bepalen internetadres. In dat geval bevat de landelijke voorziening, bedoeld in artikel 1.2.1, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening een verwijzing naar dit internetadres;
2°. 2°.
3.1.6, eerste lid, onder f, en vijfde lid, onder c;
b. b. de bij de ministeriële regeling, bedoeld in artikel 1.2.6 van het Besluit ruimtelijke ordening, gestelde regels of nadere regels.
Artikel 7i
1. In afwijking van artikel 3.1, tweede lid, van de Wet ruimtelijke ordening wordt de bestemming van gronden, met inbegrip van de met het oog daarop gestelde regels, binnen een periode van vijftien jaar opnieuw vastgesteld.
2. In afwijking van artikel 3.2 van de Wet ruimtelijke ordening geldt een voorlopige bestemming voor een termijn van ten hoogste vijftien jaar.
3. Dit artikel is van toepassing op het bestemmingsplangebied Galecopperzoom in de gemeente Nieuwegein, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 48, voor zover het bestemmingsplan voor dit gebied wordt vastgesteld vóór 20 september 2019.
Artikel 7j
1.
Dit artikel is van toepassing op door de raad bij bestemmingsplan aan te wijzen locaties binnen de gemeenten:
a. a. Heerhugowaard; b. b. Hoorn; c. c. Koggenland; d. d. Leeuwarden; e. e. Ooststellingwerf; f. f. Weststellingwerf; g. g. Peel en Maas.
2.
In aanvulling op artikel 3, van Bijlage II, van het Besluit omgevingsrecht is binnen de bij bestemmingsplan aangewezen locaties gedurende een periode van dertig jaar na inwerkingtreding van dat plan geen omgevingsvergunning vereist voor een activiteit, die betrekking heeft op een collector voor warmteopwekking of een paneel voor elektriciteitsopwekking op de grond of op een op de grond staand bouwwerk, mits het bouwwerk, waarop de collectoren of panelen worden geplaatst, voldoet aan de volgende eisen:
1°. 1°. de bouwhoogte van het bouwwerk niet hoger is dan vijf meter; 2°. 2°. het bouwwerk niet voorzien is van een niet op de grond gelegen buitenruimte.
3. In aanvulling op artikel 3.1, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening kunnen voor die aan te wijzen locaties in het bestemmingsplan regels worden gesteld met betrekking tot het uiterlijk van de in het eerste lid bedoelde bouwwerken en beleidsregels worden opgenomen die betrekking hebben op redelijke eisen van welstand als bedoeld in hoofdstuk II, afdeling 3, van de Woningwet. In afwijking van artikel 12b van de Woningwet wordt het advies van de welstandscommissie dan wel de stadsbouwmeester mede gebaseerd op de criteria, die zijn opgenomen in het bestemmingsplan.
4. In afwijking van artikel 3.1, tweede lid, van de Wet ruimtelijke ordening wordt de bestemming van gronden voor de aan te wijzen locaties, met inbegrip van de met het oog daarop gestelde regels, binnen een periode van dertig jaar opnieuw vastgesteld.
5. In afwijking van artikel 3.2 van de Wet ruimtelijke ordening geldt een voorlopige bestemming voor de aan te wijzen locaties voor de duur van ten hoogste dertig jaar.
6. Van de in dit artikel bedoelde bevoegdheid tot het bij bestemmingsplan aanwijzen van locaties kan tot 1 januari 2026 gebruik worden gemaakt mits het ontwerp van het bestemmingsplan ter inzage is gelegd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.
Artikel 7k
1.
In aanvulling op artikel 3.26 juncto artikel 3.1, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening kunnen provinciale staten van Noord-Brabant uiterlijk op 18 maart 2020 in een inpassingsplan voor het plangebied «Logistiek Park Moerdijk» in de gemeente Moerdijk, zoals aangegeven op de kaart in bijlage no. 52, regels stellen die strekken ten behoeve van:
a. a. het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, en b. b. het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke functies.
2. In afwijking van artikel 3.26 juncto artikel 3.1, tweede lid, van de Wet ruimtelijke ordening worden de in het inpassingsplan gestelde regels binnen een periode van twintig jaar opnieuw vastgesteld.
Artikel 7l
1. In aanvulling op artikel 4.1 juncto artikel 3.1, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening kunnen provinciale staten van Noord-Brabant uiterlijk op 18 maart 2018 in de provinciale verordening ruimte regels stellen omtrent de inhoud van bestemmingsplannen, die strekken ten behoeve van het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving, een goede omgevingskwaliteit, mede met inachtneming van het belang om private inspanningen gericht op een duurzame en zorgvuldige veehouderij te bevorderen.
2. Hiertoe kunnen behoren regels waarbij in afwijking van de artikelen 2 en 6 van de Wet geurhinder en veehouderij voorschriften worden gesteld over de cumulatieve geurhinder veroorzaakt door veehouderijen.
3. Onverminderd het Besluit emissiearme huisvesting en paragraaf 3.5.8 van het Activiteitenbesluit milieubeheer kunnen burgemeester en wethouders bij een beschikking maatregelen voorschrijven die de emissie van geur of van zwevende deeltjes (PM_10) vanuit binnen een door burgemeester en wethouders aangewezen gebied gelegen dierenverblijven, waarin landbouwhuisdieren worden gehouden, verminderen, als blijkt dat de nadelige gevolgen van deze emissie voor het milieu, gezien de ontwikkeling van de technische mogelijkheden tot bescherming van het milieu of gezien de ontwikkeling van de kwaliteit van het milieu, verder kunnen onderscheidenlijk moeten worden beperkt.
4. Het vorige lid is alleen van toepassing op door burgemeester en wethouders vóór 18 maart 2020 aangewezen gebieden, waarvoor door de raad vóór 18 maart 2022 een verbeterplan is vastgesteld. Een aangewezen gebied geldt voor een termijn van tien jaar.
Artikel 7m
Voor het project stedelijke ontwikkelingen Cadzand-Bad in de gemeente Sluis wordt in aanvulling op artikel 2.3.1, eerste lid, van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening tot uiterlijk 9 september 2025 onder «stedelijk gebied» mede verstaan de in de Ontwikkelingsvisie Cadzand-Bad 2006 en de Schilvisie Cadzand-Bad 2011 aangewezen ruimte voor stedenbouwkundige ontwikkelingen.
Artikel 7n
1. Bij het ten behoeve van het experiment Solarpark Eerbeek wijzigen van de omgevingsvergunning voor de stortplaats Doonweg te Eerbeek kan het bevoegd gezag in afwijking van artikel 4, vierde lid, van het Stortbesluit bodembescherming de einddatum van de termijn, waarop de in dat artikel bedoelde bovenafdichting moet worden aangebracht of de in dat artikel bedoeld maatregelen moeten worden getroffen, vaststellen op 31 december 2040.
2. Het bevoegd gezag brengt uiterlijk vijf jaar na inwerkingtreding van dit besluit het betreffende vergunningsvoorschrift weer in overeenstemming met artikel 4, vierde lid, van het Stortbesluit bodembescherming als uit een onderzoek naar de doeltreffendheid en effecten van dit experiment blijkt dat de grondwaterkwaliteit verslechtert doordat de bovenafdichting met zonnefolie onvoldoende tegengaat dat water in de gestorte afvalstoffen infiltreert.
Artikel 7o
1. Dit artikel is van toepassing op bestemmingsplannen als bedoeld in artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening en inpassingsplannen als bedoeld in artikel 3.26 respectievelijk artikel 3.28 van de Wet ruimtelijke ordening voor de door provinciale staten van de provincie Groningen aangewezen concentratiegebieden voor de realisering van windturbineparken en voor Windpark Fryslân en Windpark De Drentse Monden en Oostermoer. In deze gebieden kunnen aan gronden voorlopige bestemmingen voor het bouwen en in werking hebben van een windturbine voor een termijn van tussen de vijfentwintig en dertig jaar worden toegekend aan de exacte locaties van de windturbines, mits deze worden vastgesteld voor 15 juli 2021.
2. In afwijking van artikel 3.1, tweede lid, van de Wet ruimtelijke ordening, respectievelijk artikel 3.26 juncto artikel 3.1, tweede lid, van de Wet ruimtelijke ordening in verbinding met artikel 9e van de Elektriciteitswet 1998, respectievelijk artikel 3.28 juncto artikel 3.1, tweede lid, van de Wet ruimtelijke ordening in verbinding met artikel 9b van de Elektriciteitswet 1998, wordt de bestemming van gronden waaraan tevens een voorlopige bestemming voor een windturbine is toegekend, met inbegrip van de met het oog op de toegekende bestemmingen gestelde regels, binnen een periode van vijfendertig jaar opnieuw vastgesteld. Artikel 3.1, derde tot en met vijfde lid, van de Wet ruimtelijke ordening is niet van toepassing.
3. In afwijking van artikel 3.2, respectievelijk artikel 3.26 juncto artikel 3.2, tweede lid, van de Wet ruimtelijke ordening in verbinding met artikel 9e van de Elektriciteitswet 1998 respectievelijk artikel 3.28 juncto artikel 3.2 van de Wet ruimtelijke ordening in verbinding met artikel 9b van de Elektriciteitswet 1998, geldt de voorlopige bestemming voor een termijn van tussen de vijfentwintig en dertig jaar.
4. In afwijking van artikel 3.26, vijfde lid, van de Wet ruimtelijke ordening en artikel 9e van de Elektriciteitswet 1998 respectievelijk artikel 3.28, vijfde lid, van de Wet ruimtelijke ordening en artikel 9b van de Elektriciteitswet 1998 is de raad voor de duur van de in het tweede lid bedoelde termijn niet bevoegd de voor de exacte locaties van de windturbines in een inpassingsplan opgenomen bestemming en voorlopige bestemming te wijzigen.
5. In afwijking van het bepaalde in het eerste tot en met het derde lid kan de raad van Delfzijl in het bestemmingsplan voor het bedrijventerrein Oosterhorn voorlopige bestemmingen voor het bouwen en in werking hebben van een windturbine voor een termijn van tussen de vijfentwintig en tweeëndertig jaar toekennen, mits de voorlopige bestemming wordt toegekend aan de concrete mastposities van de windturbines. De bestemming van deze gronden wordt binnen een periode van zevenendertig jaar opnieuw vastgesteld. Artikel 3.1, derde tot en met vijfde lid, van de Wet ruimtelijke ordening is gedurende deze periode niet van toepassing.
Artikel 7p
1. In afwijking van artikel 2.7, eerste lid, eerste volzin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en onverminderd artikel 2.5 van die wet kunnen, als een project dat bestaat uit het bouwen van een bouwwerk tevens is aan te merken als een project dat bestaat uit het oprichten van een inrichting, de aanvragen voor een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van die wet en voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van die wet, los van elkaar worden ingediend.
2.
Dit artikel is:
a. a. tot 15 juli 2031 van toepassing in de gemeente Bergen op Zoom; b. b. in die gemeente tot die datum van overeenkomstige toepassing op aanvragen om wijziging van de voorschriften van een omgevingsvergunning.
Artikel 7q
Onverminderd het Besluit emissiearme huisvesting en paragraaf 3.5.8 van het Activiteitenbesluit milieubeheer kan het college van burgemeester en wethouders van Nederweert tot 24 september 2031 bij een beschikking maatregelen voorschrijven die de emissie van geur of van zwevende deeltjes (PM_10) vanuit dierenverblijven, waarin landbouwhuisdieren worden gehouden, verminderen, als blijkt dat de nadelige gevolgen van deze emissie voor het milieu, gezien de ontwikkeling van de technische mogelijkheden tot bescherming van het milieu of gezien de ontwikkeling van de kwaliteit van het milieu, verder kunnen onderscheidenlijk moeten worden beperkt.
Artikel 7r
1.
In dit artikel wordt verstaan onder:
a. a.
*afvalwater:* afvalwater, dat gewasbeschermingsmiddelen bevat en afkomstig is van het telen of kweken van gewassen in een kas;
b. b.
*overig afvalwater:* afvalwater als bedoeld in artikel 3.63, eerste lid, onder a tot en met i, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, voor zover dit andere afvalwaterstromen bevat dan bedoeld onder a.
2. In aanvulling op artikel 10.32a, eerste lid, van de Wet milieubeheer kunnen de gemeenteraden van Zaltbommel en Maasdriel ten behoeve van de collectieve zuivering van afvalwater bij verordening bepalen dat in aangewezen gebieden bij het brengen van afvalwater wordt voldaan aan de in die verordening gestelde regels.
3. In aanvulling op artikel 10.32a, tweede lid, van de Wet milieubeheer maken de gemeenteraden van Zaltbommel en Maasdriel geen gebruik van de mogelijkheid, bedoeld in het eerste lid, onder b, van dat artikel, als van degene bij wie afvalwater vrijkomt redelijkerwijs geen andere wijze van afvoer van dat water kan worden gevergd.
4.
In aanvulling op artikel 3.63, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer is het in de door de gemeenteraden van Maasdriel en Zaltbommel aangewezen gebieden in een oppervlaktewaterlichaam lozen van afvalwater en overig afvalwater toegestaan, als ten minste:
a. a. het perceel waar het afvalwater en overig afvalwater vrijkomt niet is aangesloten op een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater, waarop geloosd kan worden, en de afstand tot de dichtstbijzijnde voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater, waarop kan worden geloosd, meer dan 40 meter bedraagt, of b. b. het lozen van afvalwater en overig afvalwater in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater waarop het perceel waar het afvalwater vrijkomt is aangesloten, gelet op de capaciteit van dat riool niet volledig mogelijk is.
5. Van de in dit artikel opgenomen bevoegdheden kan tot 1 januari 2027 gebruik worden gemaakt.
Artikel 7s
1. In het gebied Windpark Elzenburg-De Geer, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 127, kan in afwijking van artikel 3.2 van de Wet ruimtelijke ordening, in een bestemmingsplan aan gronden een voorlopige bestemming voor het bouwen en in werking hebben van een windturbine voor een termijn van maximaal vijfentwintig jaar worden toegekend aan de exacte locaties van de windturbines, mits dit bestemmingsplan wordt vastgesteld voor 27 juni 2022.
2. In afwijking van artikel 3.1, tweede lid, van de Wet ruimtelijke ordening wordt de bestemming van gronden waaraan tevens een voorlopige bestemming voor een windturbine is toegekend, met inbegrip van de met het oog op de toegekende bestemmingen gestelde regels, binnen een periode van dertig jaar opnieuw vastgesteld. Artikel 3.1, derde tot en met vijfde lid, van de Wet ruimtelijk ordening is gedurende deze periode niet van toepassing.
Artikel 7t
1. In de provincie Groningen kunnen in afwijking van artikel 3.2 van de Wet ruimtelijke ordening, in een bestemmingsplan aan gronden voorlopige bestemmingen voor het bouwen en in werking hebben van een collector voor warmteopwekking of een paneel voor elektriciteitsopwekking voor een termijn van maximaal dertig jaar worden toegekend aan de exacte locaties van deze collectoren of panelen, mits dit bestemmingsplan wordt vastgesteld voor 29 november 2023.
2. In afwijking van artikel 3.1, tweede lid, van de Wet ruimtelijke ordening wordt de bestemming van gronden waaraan tevens een voorlopige bestemming voor een collector voor warmteopwekking of een paneel voor elektriciteitsopwekking is toegekend, met het oog op de toegekende bestemmingen gestelde regels, binnen een periode van vijfendertig jaar opnieuw vastgesteld. Artikel 3.1, derde tot en met vijfde lid, van de Wet ruimtelijke ordening is gedurende deze periode niet van toepassing.
Artikel 7u
1. Dit artikel is van toepassing op de transitie naar een duurzame energievoorziening en de elektrificatie van het mijnbouwplatform Ameland Westgat. Daarbij wordt overeenkomstig het bepaalde in dit artikel afgeweken van artikel 3.10d van het Activiteitenbesluit milieubeheer.
2.
Ter bevordering van de elektrificatie, bedoeld in het eerste lid, onderzoekt degene die het voornoemde mijnbouwplatform drijft, tot 1 januari 2019 of de gasturbine die zorg draagt voor de energievoorziening van dit mijnbouwplatform kan worden vervangen door een elektrische installatie. Uiterlijk op 1 januari 2019 dient deze drijver bij onze Minister een projectplan in waarbij de keuze wordt gemaakt voor:
a. a. het overgaan op een elektrische installatie zonder dat een nieuwe elektriciteitskabel tussen Ameland en het elektriciteitsnetwerk op het vaste land wordt aangelegd en waarbij de huidige gasturbine tot uiterlijk 1 januari 2022 in bedrijf zal zijn, of b. b. het aanpassen van de in de aanhef genoemde gasturbine indien niet wordt overgegaan op een elektrische installatie, zodat uiterlijk per 31 december 2019 aan de emissiegrenswaarden, genoemd in artikel 3.10d van het Activiteitenbesluit milieubeheer wordt voldaan.
3. Afhankelijk van de in het tweede lid bedoelde keuze voldoet het rookgas van de gasturbine genoemd in dat lid in afwijking van artikel 3.10d van het Activiteitenbesluit milieubeheer tot de in het tweede lid, onder a, respectievelijk onder b, genoemde datum aan de emissiegrenswaarden die op 31 maart 2010 voor die installatie golden ingevolge het Besluit emissie-eisen stookinstallaties milieubeheer B of het Besluit emissie-eisen stookinstallaties milieubeheer A, dan wel aan de daarvan afwijkende emissiegrenswaarden, die voor die stookinstallatie golden op grond van een daarvoor verleende omgevingsvergunning.
4. Indien toepassing wordt gegeven aan het tweede lid, onder a, rapporteert de drijver jaarlijks uiterlijk per 1 januari tot aan de in die bepaling genoemde datum aan Onze Minister over de vordering van het project en overlegt hij het projectplan voor de resterende periode.
5. Indien naar het oordeel van Onze Minister uit het projectplan, bedoeld in het tweede lid, of het projectplan voor de resterende periode, bedoeld in het vierde lid, onvoldoende blijkt dat daadwerkelijk overgegaan kan worden op een elektrische installatie voor 1 januari 2022, kan bij algemene maatregel van bestuur de afwijking van artikel 3.10d van het Activiteitenbesluit milieubeheer op een daarbij te bepalen tijdstip voortijdig worden beëindigd.
6. Indien toepassing wordt gegeven aan het vijfde lid wordt een overgangstermijn van twaalf maanden bepaald, gedurende welke het rookgas van de gasturbine van het mijnbouwplatform de emissiegrenswaarden genoemd in artikel 3.10d van het Activiteitenbesluit milieubeheer mogen overschrijden tot maximaal de emissiegrenswaarden als bedoeld in het tweede lid.
Artikel 7v
1. In afwijking van afdeling 6.4 van de Wet ruimtelijke ordening en het tiende en elfde lid van artikel 7c kan de raad op grond van dit artikel regels voor kostenverhaal opnemen in het bestemmingsplan of voorschriften daaromtrent aan de omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht verbinden.
2. Het bevoegd gezag verhaalt de kosten verbonden aan de in het twintigste lid bedoelde werken, werkzaamheden en maatregelen op diegene die de in het negentiende lid genoemde activiteiten verricht.
3. Kosten worden slechts verhaald voor zover die worden gedragen door de waardestijging die de locatie als gevolg van de activiteit heeft of zal hebben.
4. De kosten worden verhaald voor zover de werken, werkzaamheden en maatregelen als bedoeld in het twintigste lid toerekenbaar zijn aan de gebieden, of een deel daarvan, als bedoeld in het tiende lid, en voor zover de kosten proportioneel zijn in verhouding tot het profijt dat de gebieden, of een deel daarvan, van de werken, werkzaamheden of maatregelen ondervinden.
5.
In afwijking van het tweede lid kan het bevoegd gezag beslissen om geheel of gedeeltelijk af te zien van het verhalen van de kosten:
a. a. indien het totaal aan te verhalen kosten minder bedraagt dan 10.000 euro; b. b. indien er geen verhaalbare kosten zijn voor werken, werkzaamheden en maatregelen als bedoeld in het twintigste lid, onder a, of; c. c. indien de verhaalbare kosten voor werken, werkzaamheden en maatregelen, bedoeld in het twintigste lid, onder a, uitsluitend de aansluiting van een bouwperceel op de openbare ruimte of de aansluiting op nutsvoorzieningen betreffen.
6.
Het is verboden om te beginnen met een activiteit als bedoeld in het negentiende lid als de verschuldigde geldsom, bedoeld in het negende lid, niet is betaald en
a. a. de omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, nog niet onherroepelijk is; of b. b. het bestemmingsplan, bedoeld in het eerste lid, nog niet onherroepelijk is.
7. In afwijking van het zesde lid kan bij de beschikking, bedoeld in het negende lid, worden bepaald dat de betaling geheel of gedeeltelijk na aanvang van de activiteit plaatsvindt, mits aan de beschikking voorschriften worden verbonden over het stellen van aanvullende zekerheden voor betaling van de verschuldigde geldsom.
8. De rechtspersoon waartoe het bevoegd gezag behoort, kan een overeenkomst aangaan waarin het kostenverhaal wordt verzekerd.
9. Als er geen overeenkomst is aangegaan, wordt de verschuldigde geldsom overeenkomstig de regels in het bestemmingsplan, bedoeld in het eerste lid, of de voorschriften bij de vergunning, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht bij beschikking vastgesteld.
10. In het bestemmingsplan, bedoeld in het eerste lid, en de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht worden een of meer gebieden aangewezen waarbinnen de in het tweede lid bedoelde kosten worden verhaald.
11. De kosten worden in of op grond van het bestemmingsplan, bedoeld in het eerste lid, of de omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, verdeeld over de activiteiten of over samenhangende activiteiten.
12. Als de regels, bedoeld in artikel 7c, zesde lid, betrekking hebben op kostenverhaal en bij de toepassing een interpretatie behoeven, stelt de raad deze regels vast.
13. In het bestemmingsplan, bedoeld in het eerste lid, of de omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, kan een indexeringsregeling voor de kosten als bedoeld in het tweede lid worden opgenomen.
14. Artikel 6.2.10 van het Besluit ruimtelijke ordening en de Regeling plankosten exploitatieplan zijn van overeenkomstige toepassing
15. In het bestemmingsplan, bedoeld in het eerste lid, of de vergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht wordt een regeling voor de eindafrekening opgenomen.
16. Bij de eindafrekening op basis van een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid worden verleende omgevingsvergunningen, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht betrokken.
17. De eindafrekening leidt er niet toe dat een aanvullende geldsom is verschuldigd.
18. Als de eindafrekening ertoe leidt dat het bevoegd gezag gehouden is een deel van de betaalde geldsom terug te betalen, gebeurt dit binnen vier weken na vaststelling van de afrekening met dien verstande dat als de herberekende verschuldigde geldsom meer dan vijf procent lager is dan de betaalde verschuldigde geldsom, het bevoegd gezag alleen gehouden is het bedrag met rente terug te betalen aan degene aan wie de beschikking als bedoeld in het negende lid is opgelegd of diens rechtsopvolger voor zover het bedrag groter is dan vijf procent.
19.
Activiteiten als bedoeld in het tweede lid, zijn:
a. a. de bouw van een of meer woningen, b. b. de bouw van een of meer andere hoofdgebouwen, c. c. de uitbreiding van een gebouw met ten minste 1.000 m^2 bruto-vloeroppervlakte of met een of meer woningen, d. d. de bouw van een gebouw, dat geen hoofdgebouw is, met ten minste 1.000 m^2 bruto-vloeroppervlakte, e. e. de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits ten minste tien woningen worden gerealiseerd, f. f. de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe gebruiksvormen ten minste 1.500 m^2 bruto-vloeroppervlakte bedraagt, g. g. de wijziging van het gebruik van een locatie, voor zover dat in het bestemmingsplan is bepaald.
20.
Werken, werkzaamheden en maatregelen als bedoeld in het tweede lid, zijn:
a. a. het aanleggen van voorzieningen, waaronder:
1.
nutsvoorzieningen met bijbehorende werken en bouwwerken,
2.
riolering met inbegrip van bijbehorende werken en bouwwerken,
3.
wegen, ongebouwde openbare parkeergelegenheden, pleinen, voet- en rijwielpaden, waterpartijen, watergangen, voorzieningen voor de waterhuishouding, bruggen, tunnels, duikers, kades, steigers, en andere rechtstreeks met de aanleg van deze voorzieningen verband houdende werken en bouwwerken,
4.
infrastructuur voor openbaar vervoervoorzieningen met bijbehorende werken en bouwwerken,
5.
groenvoorzieningen, waaronder begrepen openbare parken, plantsoenen, speelplaatsen, trapvelden en speelweiden, natuurvoorzieningen en openbare niet-commerciële sportvoorzieningen,
6.
openbare verlichting en brandkranen met aansluitingen,
7.
straatmeubilair, speeltoestellen, sierende elementen, kunstobjecten en afrasteringen in de openbare ruimte,
8.
openbare gebouwde parkeervoorzieningen,
-
-
nutsvoorzieningen met bijbehorende werken en bouwwerken,
-
-
-
riolering met inbegrip van bijbehorende werken en bouwwerken,
-
-
-
wegen, ongebouwde openbare parkeergelegenheden, pleinen, voet- en rijwielpaden, waterpartijen, watergangen, voorzieningen voor de waterhuishouding, bruggen, tunnels, duikers, kades, steigers, en andere rechtstreeks met de aanleg van deze voorzieningen verband houdende werken en bouwwerken,
-
-
-
infrastructuur voor openbaar vervoervoorzieningen met bijbehorende werken en bouwwerken,
-
-
-
groenvoorzieningen, waaronder begrepen openbare parken, plantsoenen, speelplaatsen, trapvelden en speelweiden, natuurvoorzieningen en openbare niet-commerciële sportvoorzieningen,
-
-
-
openbare verlichting en brandkranen met aansluitingen,
-
-
-
straatmeubilair, speeltoestellen, sierende elementen, kunstobjecten en afrasteringen in de openbare ruimte,
-
-
-
openbare gebouwde parkeervoorzieningen,
-
b. b. het verwerven van percelen ten behoeve van de voorzieningen, c. c. het slopen, verwijderen en verplaatsen van opstallen, obstakels, funderingen, kabels en leidingen, d. d. het uitvoeren van werkzaamheden, waaronder het dempen van oppervlaktewateren, verrichten van grondwerken, met inbegrip van het egaliseren, ophogen en afgraven, e. e. voorbereiding en toezicht op de uitvoering vanwege de aanleg van de voorzieningen en werken, inclusief het daartoe benodigde onderzoek, f. f. tijdelijk beheer van de door of vanwege de overheid verworven percelen, verminderd met de uit het tijdelijk beheer te verwachten opbrengsten, g. g. het vrijmaken van de locatie van persoonlijke rechten en lasten, eigendom, bezit of beperkt recht en zakelijke lasten, h. h. het vaststellen van een bestemmingsplan, inclusief het daartoe benodigde onderzoek, i. i. vanwege het belang van de fysieke leefomgeving noodzakelijke maatregelen, j. j. de betaling van planschade, bedoeld in afdeling 6.1 van de Wet ruimtelijke ordening, niet-terugvorderbare BTW, niet-gecompenseerde compensabele BTW, of andere niet-terugvorderbare belastingen, over de kostenelementen, genoemd onder a tot en met i, rente van geïnvesteerde kapitalen en overige lasten, verminderd met renteopbrengsten.
21.
De kosten voor de werken, werkzaamheden en maatregelen genoemd in het twintigste lid zijn in elk geval verrekenbaar voor zover het betreft:
a. a. de werken, werkzaamheden en maatregelen genoemd onder a, c en d; b. b. de werken, werkzaamheden en maatregelen genoemd onder b, f en g; c. c. de werken, werkzaamheden en maatregelen genoemd onder e en h.
22. Dit artikel is van toepassing op de in artikel 7c, zeventiende lid, onderdelen e, l, xx, aaa, kkk, rrr en uuu genoemde plangebieden voor zover het bestemmingsplan, bedoeld in het eerste lid, of de omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, voor die gebieden voor de in artikel 7c, achttiende lid, bedoelde datum wordt vastgesteld en op de in artikel 7g, vierde lid, onderdeel s, genoemde gemeente voor zover het betreft de gebieden «Wagenwerkplaats» en «De Hoef-West», zoals aangegeven op de kaart in bijlage 166, en voor zover de bestemmingsplannen, bedoeld in het eerste lid, of de omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, voor die gebieden voor de in artikel 7g, vijfde lid, onderdeel f, genoemde datum worden vastgesteld.
Artikel 7w
1. Voor het plangebied «Buitengebied Hillegom» van de gemeente Hillegom, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 126, geldt dat als voor een activiteit een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of een omgevingsvergunning voor een bestemmingsplanactiviteit als bedoeld in artikel 7c, veertiende lid, van dit besluit, is vereist, in zoverre in afwijking van artikel 6.1, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wet ruimtelijke ordening, alleen deze omgevingsvergunningen als oorzaak als bedoeld in die bepaling gelden.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op schade in de vorm van een vermindering van de waarde van een onroerende zaak als de schade het rechtstreekse gevolg is van de wijziging van de bestemming van de tot de onroerende zaak behorende grond of van de op onroerende zaak betrekking hebbende regels als bedoeld in artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening.
3.
De aanvrager heeft het risico op het ontstaan van schade in ieder geval niet aanvaard als:
a. a. de aanvrager overeenkomstig artikel 2, eerste lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek tot koop is overgegaan van een tot woning bestemde onroerende zaak na de vaststelling of wijziging van het bestemmingsplan, bedoeld in artikel 7c, zeventiende lid, onder uuu, en b. b. de schade bestaat uit waardevermindering van de onroerende zaak.
4. De schade die bestaat uit waardevermindering van de onroerende zaak wordt bepaald aan de hand van een vergelijking van de waarde van de onroerende zaak onmiddellijk voor en na het tijdstip waarop het bevoegd gezag mededeling heeft gedaan van het besluit tot het verlenen of wijzigen van de omgevingsvergunning.
Artikel 7x
In het gebied Oosterwold in de gemeenten Almere en Zeewolde, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 37, kan het bevoegd gezag, in afwijking van artikel 3.12 van de Activiteitenregeling milieubeheer, in het bestemmingsplan als bedoeld in artikel 7c, zeventiende lid, onder a, van dit besluit, regels opnemen ter voorkoming of beperking van slagschaduw en lichtschittering ter plaatse van gevoelige objecten, als bedoeld in artikel 1 van het Activiteitenbesluit milieubeheer.
Artikel 7y
1. Dit artikel geldt voor de duur van vijf jaar, te rekenen vanaf een bij koninklijk besluit te bepalen datum, voor het gebied «De negen straatjes» in Amsterdam, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 183.
2. In aanvulling op artikel 1.1 van de Wet milieubeheer wordt onder huishoudelijke afvalstoffen ook begrepen bedrijfsafvalstoffen.
Artikel 7z
1. Dit artikel is tot 1 januari 2031 van toepassing in de gemeenten Nederweert en Someren ten behoeve van het wegnemen van overschrijdingen van de grenswaarden voor zwevende deeltjes (PM_10) zoals opgenomen in bijlage 2 bij de Wet milieubeheer, door veehouderijen. Daartoe kunnen de in dit artikel opgenomen bevoegdheden worden uitgeoefend.
2. Burgemeester en wethouders kunnen artikel 5.16, eerste lid, onder b, van de Wet milieubeheer buiten toepassing laten.
3. In afwijking van artikel 5.13a van het Besluit omgevingsrecht kunnen aan een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder i, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht voorschriften worden verbonden.
4. In aanvulling op artikel 2.31, tweede lid, aanhef en onderdelen b en c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht kunnen burgemeester en wethouders de voorschriften van een omgevingsvergunning wijzigen als deze betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, of i, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de grenswaarden voor zwevende deeltjes (PM_10) zoals opgenomen in bijlage 2 bij de Wet milieubeheer worden overschreden. Artikel 2.31a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is van overeenkomstige toepassing.
5. In aanvulling op artikel 2.33, tweede lid, aanhef en onderdelen d en f, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht kunnen burgemeester en wethouders een omgevingsvergunning geheel of gedeeltelijk intrekken als deze betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, of i, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de grenswaarden voor zwevende deeltjes (PM_10) zoals opgenomen in bijlage 2 bij de Wet milieubeheer worden overschreden.
6. In aanvulling op artikel 7 van het Besluit emissiearme huisvesting kunnen burgemeester en wethouders bij besluit voorschrijven dat in dierenverblijven die zijn opgericht voor, op of na 1 juli 2015 huisvestingssystemen voor landbouwhuisdieren worden toegepast met een emissiefactor voor zwevende deeltjes (PM_10) die lager is dan de maximale emissiewaarde voor zwevende deeltjes (PM_10) die voor de betreffende diercategorie is vermeld in bijlage 2 bij het Besluit emissiearme huisvesting.
7. In afwijking van artikel 2, aanhef en onder b, van het Besluit emissiearme huisvesting is het bepaalde in het zesde lid ook van toepassing op huisvestingssystemen voor landbouwhuisdieren die worden gehouden overeenkomstig de biologische productiemethode.
Artikel 7aa
1. Dit artikel is tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet van toepassing binnen de provincies Gelderland, Limburg, Noord-Brabant en Overijssel.
2. In aanvulling op artikel 2, zesde lid en bijlage I bij de Regeling geurhinder en veehouderij kan het bestuursorgaan dat bevoegd zou zijn of is om een omgevingsvergunning voor de betrokken inrichting te verlenen voor een huisvestingssysteem dat niet in bijlage 1 van deze regeling is opgenomen op aanvraag een bijzondere geuremissiefactor vaststellen die bij de berekening van het aantal odour units per seconde per dier van een diercategorie als bedoeld in artikel 2, zesde lid, van deze regeling wordt toegepast.
3.
Het bestuursorgaan dat bevoegd zou zijn of is om een omgevingsvergunning voor de betrokken inrichting te verlenen kan een bijzondere geuremissiefactor vaststellen indien naar zijn oordeel:
a. a. toepassing van het huisvestingssysteem voldoende bijdraagt aan de ontwikkeling van innovatieve stalsystemen voor de reductie van geur; b. b. de verwachte emissie van het huisvestingssysteem minimaal 10% lager is dan de geuremissiefactor die is opgenomen voor overige huisvesting voor die diercategorie in bijlage 1 bij de Regeling geurhinder en veehouderij; c. c. het huisvestingssysteem zich leent voor toepassing in de praktijk; d. d. de controleerbaarheid van de werking van het huisvestingssysteem voldoende is gewaarborgd; en e. e. voldoende is gewaarborgd dat de geuremissie overeenkomstig het Protocol voor meting van geuremissie uit huisvestingssystemen in de veehouderij 2010 of een gelijkwaardige methode wordt gemeten en dat over de wijze van meten en de resultaten van de metingen aan hem wordt gerapporteerd.
4. In aanvulling op artikel 2.2a van het Besluit omgevingsrecht wordt aangewezen als categorie activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, voor zover deze plaatsvindt binnen een inrichting als bedoeld in artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer, niet zijnde een inrichting als bedoeld in artikel 1.1, derde lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht het oprichten of wijzigen van een dierenverblijf met een huisvestingssysteem waarvoor een bijzondere geuremissiefactor als bedoeld in het tweede lid is vastgesteld.
5. In aanvulling op artikel 5.13b van het Besluit omgevingsrecht kan een omgevingsvergunning voor de categorie activiteiten als bedoeld in het vierde lid worden geweigerd in het belang van bescherming van de leefomgeving tegen geurhinder.
6. In afwijking van artikel 5.13a van het Besluit omgevingsrecht kunnen aan een omgevingsvergunning voor de categorie activiteiten, bedoeld in het vierde lid, voorschriften worden verbonden in het belang van de bescherming van de fysieke leefomgeving tegen geurhinder.
7.
In aanvulling op artikel 2.31, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht wijzigt het bevoegd gezag de voorschriften van een omgevingsvergunning als deze betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van die wet of de categorie activiteiten, bedoeld in het vierde lid, indien:
a. a. uit metingen blijkt dat de geuremissie in odour units per seconde per dier hoger is dan de op grond van het tweede lid vastgestelde bijzondere geuremissiefactor; b. b. niet binnen twee jaar nadat het huisvestingssysteem is opgericht, metingen zijn uitgevoerd; of c. c. aanvullende maatregelen nodig zijn voor een goede werking van het huisvestingssysteem.
Artikel 2.31a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is van overeenkomstige toepassing.
8.
In aanvulling op artikel 2.33, tweede lid, aanhef en onder d en f, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht kan het bevoegd gezag een omgevingsvergunning geheel of gedeeltelijk intrekken als deze betrekking heeft op een activiteit, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van die wet of de categorie activiteiten, bedoeld in het vierde lid, indien:
a. a. uit metingen blijkt dat de geuremissie in odour units per seconde per dier hoger is dan de op grond van het tweede lid vastgestelde bijzondere geuremissiefactor; of b. b. niet binnen twee jaar nadat het huisvestingssysteem is opgericht, metingen zijn uitgevoerd.
9. Indien toepassing wordt gegeven aan het achtste lid wordt het besluit bedoeld in tweede lid ingetrokken.
10. In aanvulling op artikel 6.19 van het Besluit omgevingsrecht wordt als categorie van gevallen als bedoeld in artikel 3.9, derde lid, tweede volzin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht aangewezen de beslissing op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor activiteiten als bedoeld in het vierde lid.
Artikel 7ab
1.
Dit artikel is van toepassing op de gebieden:
a. a. Haven 8 en Oostelijke Insteekhaven in Waalwijk, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 184, en b. b. en Heesch-West in ’s-Hertogenbosch en Bernheze, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 186,
voor zover de bestemmingsplannen voor deze gebieden worden vastgesteld voor 1 januari 2026 en het ontwerp van deze plannen ter inzage is gelegd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.
2. In afwijking van artikel 1.1 van het Activiteitenbesluit milieubeheer geldt voor bedrijfsgebouwen als bedoeld in artikel 1, onder b, onder g, van het Besluit externe veiligheid inrichtingen waarbinnen een logistieke functie wordt uitgeoefend gecombineerd met een kantoorfunctie, als bedoeld in artikel 1, onderdeel l, onder c, aanhef en onder 1°, van het Besluit externe veiligheid inrichtingen dat dit kwetsbare objecten zijn, uitsluitend voor zover het gaat om die kantoorfunctie.
Artikel 7ad
1. In afwijking van artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder e, van het Besluit ruimtelijke ordening geldt voor een sociale koopwoning de kostengrens, zoals vastgesteld in de Voorwaarden en Normen Nationale Hypotheekgarantie, als de ten hoogste koopprijs.
2. In afwijking van artikel 3.1.2, vierde lid, van het Besluit ruimtelijke ordening kan de gemeenteraad, indien een bestemmingsplan regels bevat ten aanzien van sociale koopwoningen, na regionale afstemming een lagere koopprijs vaststellen dan de ten hoogste koopprijs, bedoeld in het eerste lid.
3.
Dit artikel is, voor zover de bestemmingsplannen, waarin toepassing is gegeven aan het eerste of tweede lid, worden vastgesteld voor 1 januari 2026 en het ontwerp van deze plannen ter inzage is gelegd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, van toepassing op de gemeenten:
a. a. Aalsmeer; b. b. Albrandswaard; c. c. Almere; d. d. Amstelveen; e. e. Amsterdam, f. f. Arnhem; g. g. Barendrecht; h. h. Beemster; i. i. Berg en Dal; j. j. Best; k. k. Beuningen; l. l. Beverwijk; m. m. Blaricum; n. n. Bloemendaal; o. o. Brielle; p. p. Bunnik; q. q. Capelle aan den IJssel; r. r. Delft; s. s. De Bilt; t. t. Diemen; u. u. Den Haag; v. v. De Ronde Venen; w. w. Doesburg; x. x. Dordrecht; y. y. Druten; z. z. Duiven; aa. aa. Edam-Volendam; ab. ab. Eindhoven; ac. ac. Geldrop-Mierlo; ad. ad. Gooise Meren; ae. ae. Groningen; af. af. Haarlem; ag. ag. Haarlemmermeer; ah. ah. Heemskerk; ai. ai. Heemstede; aj. aj. Hellevoetsluis; ak. ak. Helmond; al. al. Heumen; am. am. Hilversum; an. an. Houten; ao. ao. Huizen; ap. ap. IJsselstein; aq. aq. Katwijk; ar. ar. Krimpen aan den IJssel; as. as. Landsmeer; at. at. Lansingerland; au. au. Laren; av. av. Leiden; aw. aw. Leidschendam-Voorburg; ax. ax. Lelystad; ay. ay. Lingewaard; az. az. Lopik; ba. ba. Maassluis; bb. bb. Midden-Delfland; bc. bc. Montferland; bd. bd. Montfoort; be. be. Mook en Middelaar; bf. bf. Nieuwegein; bg. bg. Nijmegen; bh. bh. Nissewaard; bi. bi. Nuenen; bj. bj. Oirschot; bk. bk. Oostzaan; bl. bl. Ouder-Amstel; bm. bm. Oudewater; bn. bn. Overbetuwe; bo. bo. Pijnacker-Nootdorp; bp. bp. Purmerend; bq. bq. Renkum; br. br. Rheden; bs. bs. Ridderkerk; bt. bt. Rijswijk; bu. bu. Rotterdam; bv. bv. Rozendaal; bw. bw. Schiedam; bx. bx. Son en Breugel; by. by. Stichtse Vecht; bz. bz. Uitgeest; ca. ca. Uithoorn; cb. cb. Utrecht; cc. cc. Utrechtse Heuvelrug; cd. cd. Veldhoven; ce. ce. Velsen; cf. cf. Vijfheerenlanden; cg. cg. Vlaardingen; ch. ch. Waalre; ci. ci. Wassenaar; cj. cj. Waterland; ck. ck. Weesp; cl. cl. Westervoort; cm. cm. Westland; cn. cn. Westvoorne; co. co. Wijchen; cp. cp. Wijdemeren; cq. cq. Wijk bij Duurstede; cr. cr. Woerden; cs. cs. Wormerland; ct. ct. Zaanstad; cu. cu. Zandvoort; cv. cv. Zeist; cw. cw. Zevenaar; cx. cx. Zoetermeer; cy. cy. Zwijndrecht.
Artikel 7ae
1. Dit artikel is tot 1 januari 2025 van toepassing binnen de provincies Gelderland, Limburg, Noord-Brabant en Overijssel.
2. Het bevoegd gezag is het bestuursorgaan dat bevoegd zou zijn of is om een omgevingsvergunning voor de betrokken inrichting te verlenen.
3. In afwijking van artikel 2, eerste lid, van de Regeling ammoniak en veehouderij kan het bevoegd gezag voor een huisvestingssysteem dat of een additionele techniek die niet in bijlage 1 bij die regeling is opgenomen op aanvraag bij besluit bepalen dat in plaats van emissiefactoren gebruik wordt gemaakt van meetsensoren die de feitelijke emissies meten voor het beoordelen of wordt voldaan aan artikel 3, 4 of 5 van het Besluit emissiearme huisvesting en hetzij artikel 7, eerste lid, onder a en b, van de Wet ammoniak en veehouderij, hetzij artikel 3.114, eerste lid, onder a en b, van het Activiteitenbesluit milieubeheer.
4. Indien toepassing wordt gegeven aan het derde lid, zijn artikel 6, eerste lid, van het Besluit emissiearme huisvesting, artikel 1, tweede lid, van de Wet ammoniak en veehouderij en artikel 3.112 van het Activiteitenbesluit milieubeheer niet van toepassing.
5.
Indien het bevoegd gezag een besluit neemt als bedoeld in het derde lid, wordt in de omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of het tiende lid, opgenomen:
a. a. het emissieplafond en de wijze waarop wordt aangetoond dat hieraan wordt voldaan; b. b. dat de emissies worden gemeten overeenkomstig het Protocol voor meting met sensoren van ammoniakemissie uit huisvestingssystemen in de veehouderij of een gelijkwaardige methode.
6. Onverminderd artikel 3 van de Regeling ammoniak en veehouderij kan het bevoegd gezag voor een huisvestingssysteem dat of een additionele techniek die niet in bijlage 1 bij die regeling is opgenomen, op aanvraag bij besluit een bijzondere ammoniakemissiefactor of een emissiereductiepercentage vaststellen die bij de berekening van de ammoniakemissie worden toegepast.
7. Indien het bevoegd gezag een besluit neemt als bedoeld in het zesde lid, wordt in de omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of het tiende lid, opgenomen dat de emissies binnen twee jaar vanaf het in gebruik nemen van het huisvestingssysteem of de additionele techniek worden gemeten overeenkomstig het Protocol voor meting van ammoniakemissie uit huisvestingssystemen in de veehouderij, versie 2013a, of een gelijkwaardige methode, tenzij is aangetoond dat al voldoende metingen op andere locaties worden uitgevoerd.
8. Onverminderd artikel 67, eerste en derde lid, van de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 kan het bevoegd gezag op aanvraag bij besluit andere gegevens gebruiken en goedkeuren dan de gegevens, bedoeld in artikel 66, onder i, van die regeling.
9. Indien het bevoegd gezag een besluit neemt als bedoeld in het achtste lid, wordt in de omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of het tiende lid, opgenomen dat de emissies binnen twee jaar vanaf het in gebruik nemen van het huisvestingssysteem of de additionele techniek worden gemeten overeenkomstig het Protocol voor meting van fijnstofemissie uit huisvestingssystemen in de veehouderij, versie 2010, of een gelijkwaardige methode, tenzij is aangetoond dat al voldoende relevante metingen op andere locaties worden uitgevoerd.
10. In aanvulling op artikel 2.2a van het Besluit omgevingsrecht wordt aangewezen als categorie activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht het oprichten of wijzigen van een dierenverblijf waarbij toepassing is gegeven aan het derde, zesde of achtste lid, voor zover deze activiteit plaatsvindt binnen een inrichting type B zoals omschreven in artikel 1.2 van het Activiteitenbesluit milieubeheer.
11. In afwijking van artikel 5.13a van het Besluit omgevingsrecht kunnen aan een omgevingsvergunning als deze betrekking heeft op de categorie activiteiten, bedoeld in het tiende lid, voorschriften worden verbonden als toepassing is gegeven aan het derde, zesde of achtste lid.
12. In aanvulling op artikel 5.13b van het Besluit omgevingsrecht kan een omgevingsvergunning als deze betrekking heeft op de categorie activiteiten, bedoeld in het tiende lid, worden geweigerd vanwege de aard of locatie van de activiteit.
13.
In aanvulling op artikel 2.31, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht kan het bevoegd gezag de voorschriften van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van die wet of als deze betrekking heeft op de categorie activiteiten, bedoeld het tiende lid, wijzigen, indien:
a. a. uit metingen blijkt dat de ammoniakemissie in kg per dierplaats per jaar hoger is dan de op grond van het zesde lid vastgestelde bijzondere ammoniakemissiefactor of het op grond van dat lid vastgestelde emissiereductiepercentage; b. b. uit metingen blijkt dat de emissie van zwevende deeltjes (PM_10) in kg per dier per jaar hoger is dan de op grond van het achtste lid vastgestelde bijzondere emissiefactor of het op grond van dat lid vastgestelde emissiereductiepercentage; c. c. aanvullende maatregelen nodig zijn voor een goede werking van het huisvestingssysteem; of d. d. aanvullende eisen nodig zijn voor het meten met sensoren.
14. Indien toepassing wordt gegeven aan het dertiende lid, is artikel 2.31a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van overeenkomstige toepassing.
15.
In aanvulling op artikel 2.33, tweede lid, aanhef en onder d en f, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht kan het bevoegd gezag een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van die wet of het tiende lid geheel of gedeeltelijk intrekken, indien:
a. a. uit metingen blijkt dat de ammoniakemissie hoger is dan de op grond van het zesde lid vastgestelde bijzondere ammoniakemissiefactor of het op grond van dat lid vastgestelde emissiereductiepercentage; b. b. uit metingen blijkt dat de emissie van zwevende deeltjes (PM_10) in kg per dier per jaar hoger is dan de op grond van het achtste lid vastgestelde bijzondere emissiefactor of het op grond van dat lid vastgestelde emissiereductiepercentage; of c. c. niet binnen twee jaar nadat het huisvestingssysteem is opgericht, metingen zijn uitgevoerd.
16. Indien toepassing wordt gegeven aan het vijftiende lid, wordt het besluit, bedoeld in zesde en achtste lid, ingetrokken.
Artikel 7af
1. Dit artikel is tot 1 januari 2025 van toepassing binnen de provincies Gelderland, Limburg en Noord-Brabant.
2. Het bevoegd gezag is het bestuursorgaan dat bevoegd zou zijn of is om een omgevingsvergunning voor de betrokken inrichting te verlenen.
3.
Onverminderd het Besluit emissiearme huisvesting kan het bevoegd gezag in de omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, en voor een inrichting type B, bedoeld in artikel 1.2 van het Activiteitenbesluit milieubeheer, bij besluit maatregelen voorschrijven die de emissie van geur, ammoniak of zwevende deeltjes (PM_10) verminderen, als blijkt dat de nadelige gevolgen van deze emissies voor het milieu verder kunnen onderscheidenlijk moeten worden beperkt, vanwege:
a. a. de ontwikkeling van de technische mogelijkheden tot bescherming van het milieu; b. b. de ontwikkeling van de kwaliteit van het milieu; c. c. de cumulatieve gevolgen van de emissie van geur, ammoniak of zwevende deeltjes (PM_10) door veehouderijen; d. d. door het bevoegd gezag vastgesteld beleid voor verbetering van de luchtkwaliteit; of e. e. onaanvaardbare geurhinder als bedoeld in het twaalfde lid.
4. Indien voor dierenverblijven die zijn opgericht voor 1 januari 2007 toepassing wordt gegeven aan het derde lid, kan het bevoegd gezag afwijken van artikel 5, tweede lid, van het Besluit emissiearme huisvesting.
5. Indien voor een inrichting type B als bedoeld in artikel 1.2 van het Activiteitenbesluit milieubeheer toepassing wordt gegeven aan het derde lid, kan het bevoegd gezag afwijken van de artikelen 3.113 tot en met 3.119a van het Activiteitenbesluit milieubeheer.
6.
In aanvulling op artikel 2.31, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht kan het bevoegd gezag de voorschriften van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van die wet wijzigen, vanwege:
a. a. de cumulatieve gevolgen van de emissie van geur, ammoniak of zwevende deeltjes (PM_10) door veehouderijen; b. b. door het bevoegd gezag vastgesteld beleid voor verbetering van de luchtkwaliteit; of c. c. onaanvaardbare geurhinder als bedoeld in het twaalfde lid.
7. Bij het wijzigen van de voorschriften van een omgevingsvergunning als bedoeld in het zesde lid kan het bevoegd gezag afwijken van het Besluit emissiearme huisvesting.
8. Indien toepassing wordt gegeven aan het zesde lid, is artikel 2.31a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van overeenkomstige toepassing.
9. Voor het voorschrijven van maatregelen, bedoeld in het derde lid, is artikel 3, derde lid, laatste volzin, van de Wet ammoniak en veehouderij ook van toepassing op een veehouderij waartoe geen IPPC-installatie behoort.
10. In afwijking van artikel 3, derde lid, tweede volzin, van de Wet ammoniak en veehouderij kunnen ook voorschriften worden gesteld over huisvestingssystemen die op 1 januari 2007 al aanwezig waren.
11. In aanvulling op artikel 2.33, tweede lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht kan het bevoegd gezag een omgevingsvergunning geheel of gedeeltelijk intrekken als deze betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van die wet als sprake is van onaanvaardbare geurhinder als bedoeld in het twaalfde lid.
12.
Bij het bepalen of sprake is van onaanvaardbare geurhinder wordt ten minste rekening gehouden met de volgende aspecten:
a. a. lokaal geurbeleid; b. b. de individuele en cumulatieve geurbelasting ter plaatse van geurgevoelige objecten; c. c. de aard, omvang en waardering van de geur die vrijkomt; d. d. de historie van de betreffende inrichting en het klachtenpatroon met betrekking tot geurhinder; e. e. de bestaande en verwachte geurhinder van de betreffende inrichting; en f. f. de kosten en baten van technische voorzieningen en gedragsregels in de inrichting.
13. In aanvulling op artikel 3 van de Wet geurhinder en veehouderij wordt een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht geweigerd indien niet kan worden voldaan aan voorschriften die vanwege de technische kenmerken en de geografische ligging van de veehouderij of vanwege de plaatselijke milieuomstandigheden moeten worden gesteld.
14.
In afwijking van artikel 3, vierde lid, van de Wet geurhinder en veehouderij kan het bevoegd gezag bepalen dat:
a. a. de toename van de geurbelasting ten gevolge van die wijziging minder bedraagt dan de helft van de vermindering van de geurbelasting die het gevolg zou zijn van de toegepaste geurbelastingreducerende maatregel bij het eerder vergunde veebestand; of b. b. de totale geurbelasting na die wijziging minder bedraagt dan het gemiddelde van de in de verordening vastgelegde waarde en de geurbelasting die de inrichting voorafgaand aan het toepassen van de maatregel veroorzaakte.
15. In afwijking van de artikelen 3.115, tweede lid, aanhef en onder b, en 3.118, tweede lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer kan het bevoegd gezag bij uitbreiding van een dierenverblijf bij maatwerkvoorschrift bepalen dat de geurbelasting, bedoeld in artikel 3.115, tweede lid, onder b, van dat besluit, minder bedraagt dan het in dat lid bedoelde gemiddelde.
16. Op welke wijze invulling wordt gegeven aan de bevoegdheid, bedoeld in het veertiende en vijftiende lid, wordt vastgelegd in beleidsregels, in een bestemmingsplan met verbrede reikwijdte als bedoeld in artikel 7c of in de verordening, bedoeld in artikel 6 van de Wet geurhinder en veehouderij.
17. Het bevoegd gezag kent degene tot wie een besluit is gericht krachtens of met toepassing van het derde, zesde, elfde of dertiende tot en met vijftiende lid en die ten gevolge daarvan kosten maakt of schade lijdt die redelijkerwijs niet of niet geheel voor zijn rekening behoren te komen op zijn verzoek of uit eigen beweging een naar billijkheid te bepalen vergoeding toe, voor zover niet op een andere wijze in een redelijke vergoeding is of kan worden voorzien.
18. Indien toepassing wordt gegeven aan het zeventiende lid, is artikel 4.2, tweede en derde lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van overeenkomstige toepassing.
Artikel 7ag
1. In dit artikel wordt verstaan onder kookgasaansluiting: aansluiting als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder m, van de Gaswet waarbij de onroerende zaak ook een aansluiting heeft op een warmtenet als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Warmtewet dat kan voorzien in de verwachte warmtebehoefte.
2. In afwijking van artikel 62 van de Gaswet en in aanvulling op artikel 3.1, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening kunnen in een bestemmingsplan met verbrede reikwijdte gebieden worden aangewezen waarbinnen het verboden is te beschikken over een kookgasaansluiting vanaf een in dat bestemmingsplan gestelde datum.
3. Op de dag volgend op de in het bestemmingsplan gestelde datum, bedoeld in het tweede lid, wordt degene die over een kookgasaansluiting beschikt geacht de netbeheerder te hebben verzocht om beëindiging van die aansluiting.
4.
Het tweede lid kan uitsluitend worden toegepast, indien:
a. a. de bestaande gastransportleidingen om veiligheidsredenen aan vervanging toe zijn; b. b. de onroerende zaken zijn aangesloten op een warmtenet als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Warmtewet dat kan voorzien in de verwachte warmtebehoefte; en c. c. het college van burgemeester en wethouders het gebied, bedoeld in het tweede lid, heeft aangewezen als een gebied in de zin van artikel 10, zevende lid, onder b, van de Gaswet.
5. Artikel 7c, negende lid, onder a, onder 2°, is niet van toepassing.
6. Indien gebruik wordt gemaakt van de bevoegdheid, bedoeld in het tweede lid, zijn de artikelen 3.2.1, 3.2.2 en 3.2.3 van het Besluit ruimtelijke ordening niet van toepassing.
7. Dit artikel is van toepassing op het plangebied Overvecht-Noord in de gemeente Utrecht, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 185.
Artikel 7ah
1. In afwijking van afdeling 6.4 van de Wet ruimtelijke ordening en artikel 7c, tiende en elfde lid, kan de raad op grond van dit artikel regels voor kostenverhaal opnemen in het bestemmingsplan.
2.
Als een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid voorziet in het toelaten van bouwactiviteiten als bedoeld in het vijftiende lid, verhaalt het bestuursorgaan op degene die die bouwactiviteiten verricht de kosten die het vanwege de in het zestiende lid bedoelde kostensoorten maakt, voor zover:
a. a. de kostensoorten toerekenbaar zijn aan het kostenverhaalsgebied; en b. b. de kosten proportioneel zijn in verhouding tot het profijt dat het kostenverhaalsgebied van de kostensoorten heeft.
3.
In afwijking van het tweede lid kan het bestuursorgaan beslissen kosten niet te verhalen als:
a. a. het totaal van de verschuldigde geldsommen dat op grond van het tiende lid kan worden verhaald, minder bedraagt dan € 10.000,–; b. b. er geen verhaalbare kosten als bedoeld in de zestiende lid, onder c tot en met i, zijn; of c. c. de verhaalbare kosten alleen de aansluiting van een locatie op de openbare ruimte of de aansluiting op nutsvoorzieningen betreffen.
4. Het is verboden een activiteit als bedoeld in het vijftiende lid te verrichten, voordat de op grond van dit artikel verschuldigde kosten zijn betaald.
5. De gemeente waarvan het bestuursorgaan een orgaan is, kan met degene die kosten is verschuldigd een overeenkomst aangaan over kostenverhaal. Bij de overeenkomst kan, in afwijking van het vierde lid, worden bepaald dat de betaling geheel of gedeeltelijk na aanvang van de activiteit plaatsvindt, mits aan de overeenkomst voorwaarden worden verbonden over het stellen van aanvullende zekerheden voor de betaling.
6. Als het verhalen van kosten, bedoeld het tweede lid, is verzekerd vanwege een overeenkomst als bedoeld in het vijfde lid, zijn het zevende tot en met veertiende en zeventiende tot en met eenentwintigste lid niet van toepassing.
7.
In het bestemmingsplan, bedoeld in het eerste lid:
a. a. worden kostenverhaalsgebieden aangewezen waarvoor de kosten, bedoeld in het tweede lid, worden gemaakt; b. b. wordt per kostenverhaalsgebied bepaald welke kostensoorten waarvan het gebied ten dele profijt heeft, naar evenredigheid aan dat kostenverhaalsgebied worden toegerekend; c. c. wordt per kostenverhaalsgebied een raming van de kosten opgenomen, met dien verstande dat ook alleen het maximum van de globaal te verhalen kosten als geheel per kostenverhaalsgebied kan worden opgenomen; en d. d. worden per kostenverhaalsgebied regels gesteld over:
1°.
de verdeling van de kosten over de bouwactiviteiten, waarbij ook het maximum van de te verhalen kosten per activiteit wordt opgenomen; en
2°.
de eindafrekening van de kosten.
1°. 1°. de verdeling van de kosten over de bouwactiviteiten, waarbij ook het maximum van de te verhalen kosten per activiteit wordt opgenomen; en 2°. 2°. de eindafrekening van de kosten.
8. De kosten worden verhaald tot ten hoogste het bedrag van de waardevermeerdering van de locatie waar de activiteit wordt verricht, die optreedt of zal optreden als gevolg van de bouwactiviteit.
9. De verschuldigde geldsom wordt berekend door de kosten over de bouwactiviteiten te verdelen naar rato van de opbrengsten van de gronden.
10. Als er geen overeenkomst is aangegaan, wordt de verschuldigde geldsom door het college van burgemeester en wethouders bij beschikking vastgesteld volgens hetgeen daarover is bepaald in dit artikel en in het bestemmingsplan, bedoeld in het eerste lid. Voordat het bestuursorgaan de beschikking geeft, stelt het de aanvrager in de gelegenheid zijn zienswijze naar voren te brengen.
11.
De beslissing op een aanvraag om een beschikking als bedoeld in het tiende lid wordt aangehouden als voor de in de aanvraag bedoelde te verrichten activiteit het bestemmingsplan nog niet onherroepelijk is, tenzij:
a. a. een ingesteld beroep tegen het bestemmingsplan geen gevolgen kan hebben voor de beoordeling van de activiteit; of b. b. deze gevolgen volgens het bestuursorgaan niet opwegen tegen het belang dat met het geven van de beschikking is gediend.
12. De beschikking bevat een raming van de kosten en van de waardevermeerdering waarop de verschuldigde geldsom is gebaseerd. Bij de beschikking kan, in afwijking van het vierde lid, worden bepaald dat de betaling geheel of gedeeltelijk na aanvang van de activiteit plaatsvindt, mits aan de beschikking voorschriften worden verbonden over het stellen van aanvullende zekerheden voor de betaling van de verschuldigde geldsom.
13. De regeling voor de eindafrekening, bedoeld in het zevende lid, onder d, onder 2°, leidt er niet toe dat er een aanvullende geldsom is verschuldigd.
14.
Als een opnieuw berekende geldsom:
a. a. meer dan vijf procent lager is dan de op grond van de beschikking betaalde geldsom, betaalt het bestuursorgaan binnen vier weken na de eindafrekening het verschil, voor zover het groter is dan vijf procent, naar evenredigheid terug met rente; en b. b. is gebaseerd op andere kosten dan de kosten waarop de op grond van het tiende lid bij beschikking vastgestelde verschuldigde geldsom is gebaseerd, vindt geen terugbetaling plaats voor zover:
1°.
de kosten vanwege de in het zestiende lid bedoelde kostensoorten zijn gemaakt; en
2°.
het maximum, bedoeld in het zevende lid, onder c, niet wordt overschreden.
1°. 1°. de kosten vanwege de in het zestiende lid bedoelde kostensoorten zijn gemaakt; en 2°. 2°. het maximum, bedoeld in het zevende lid, onder c, niet wordt overschreden.
15.
Bouwactiviteiten waarvan kosten worden verhaald als bedoeld in het tweede lid, aanhef, zijn:
a. a. de bouw van een of meer woningen; b. b. de bouw van een of meer andere hoofdgebouwen; c. c. de uitbreiding van een gebouw met ten minste 1.000 m^2 bruto-vloeroppervlakte of met een of meer woningen; d. d. de bouw van een gebouw dat geen hoofdgebouw als bedoeld onder b is, met ten minste 1.000 m^2 bruto-vloeroppervlakte; e. e. de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits ten minste tien woningen worden gerealiseerd; of f. f. de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies ten minste 1.500 m^2 bruto-vloeroppervlakte bedraagt.
16.
De kostensoorten, bedoeld in het tweede lid, aanhef, zijn:
a. a. de kosten van het vaststellen van een bestemmingsplan of het verlenen van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a of c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, inclusief het daarvoor benodigde onderzoek; b. b. de waarde van de gronden die worden gebruikt voor de uitvoering van de onder h en i bedoelde werken, werkzaamheden en maatregelen, inclusief de waarde van de te slopen opstallen, geraamd overeenkomstig het eenentwintigste lid; c. c. de kosten van het vrijmaken van de gronden, bedoeld onder b, van persoonlijke rechten en lasten, eigendom en bezit en beperkte rechten of zakelijke lasten; d. d. het tijdelijk beheer van de door of vanwege de gemeente verworven percelen, verminderd met de uit het tijdelijk beheer te verwachten opbrengsten; e. e. de kosten van het slopen, verwijderen en verplaatsen van opstallen, obstakels, funderingen, kabels en leidingen op de gronden, bedoeld onder b; f. f. de kosten van bodemsanering, het dempen van oppervlaktewateren en het verrichten van grondwerken op de gronden, bedoeld onder b; g. g. de kosten van de noodzakelijke compensatie van in het kostenverhaalsgebied verloren gegane natuurwaarden, groenvoorzieningen en watervoorzieningen; h. h. de kosten van de volgende werken:
1°.
wegen, gebouwde en ongebouwde openbare parkeergelegenheden, pleinen, voet- en rijwielpaden, gebouwde openbare fietsenstallingen, faciliteiten voor ondergrondse afvalinzameling, waterpartijen, watergangen, voorzieningen voor de waterhuishouding, bruggen, tunnels, duikers, kades, steigers en andere rechtstreeks met de aanleg daarvan verband houdende werken en bouwwerken;
2°.
infrastructuur voor openbaar-vervoervoorzieningen met bijbehorende werken en bouwwerken;
3°.
groenvoorzieningen, natuurvoorzieningen en openbare niet-commerciële sportvoorzieningen;
4°.
openbare verlichting en brandkranen met aansluitingen;
5°.
straatmeubilair, speeltoestellen, sierende elementen, kunstobjecten en afrasteringen in de openbare ruimte;
6°.
distributienetwerken voor elektriciteit, warmte, gas en water, inclusief bijbehorende werken en bouwwerken;
7°.
riolering, inclusief bijbehorende werken en bouwwerken;
1°. 1°. wegen, gebouwde en ongebouwde openbare parkeergelegenheden, pleinen, voet- en rijwielpaden, gebouwde openbare fietsenstallingen, faciliteiten voor ondergrondse afvalinzameling, waterpartijen, watergangen, voorzieningen voor de waterhuishouding, bruggen, tunnels, duikers, kades, steigers en andere rechtstreeks met de aanleg daarvan verband houdende werken en bouwwerken; 2°. 2°. infrastructuur voor openbaar-vervoervoorzieningen met bijbehorende werken en bouwwerken; 3°. 3°. groenvoorzieningen, natuurvoorzieningen en openbare niet-commerciële sportvoorzieningen; 4°. 4°. openbare verlichting en brandkranen met aansluitingen; 5°. 5°. straatmeubilair, speeltoestellen, sierende elementen, kunstobjecten en afrasteringen in de openbare ruimte; 6°. 6°. distributienetwerken voor elektriciteit, warmte, gas en water, inclusief bijbehorende werken en bouwwerken; 7°. 7°. riolering, inclusief bijbehorende werken en bouwwerken; i. i. de kosten van werken, werkzaamheden en maatregelen die noodzakelijk zijn voor het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit; j. j. de kosten van voorbereiding en toezicht op de uitvoering van de onder c, e, f, h en i bedoelde werken, werkzaamheden en maatregelen, inclusief het daarvoor benodigde onderzoek; k. k. tegemoetkoming van schade als bedoeld in artikel 6.1 van de Wet ruimtelijke ordening; l. l. niet-terugvorderbare BTW, niet-gecompenseerde compensabele BTW of andere niet-terugvorderbare belastingen, over de kostenelementen, genoemd onder a en c tot en met j; m. m. de rente van geïnvesteerde kapitalen en overige lasten, verminderd met renteopbrengsten; en n. n. de kosten van andere door of in opdracht van het bevoegd gezag te verrichten werkzaamheden, voor zover die werkzaamheden rechtstreeks verband houden met de in dit lid bedoelde werken, werkzaamheden en maatregelen.
17. Als het bestemmingsplan, bedoeld in het eerste lid, voor de aangewezen kostenverhaalsgebieden een raming van de opbrengsten voor alle daarin gelegen gronden bevat, wordt bij die raming uitgegaan van de opbrengst van de locatie waar een bouwactiviteit wordt verricht in het jaar waarin de beschikking, bedoeld in het tiende lid, zal worden gegeven.
18. De waardevermeerdering, bedoeld in het achtste en twaalfde lid, en de opbrengsten, bedoeld in het zeventiende lid, worden geraamd op basis van objectief bepaalbare maatstaven.
19.
De raming van de waardevermeerdering, bedoeld in het twaalfde lid, wordt vastgesteld door de geraamde opbrengst van de locatie waar de activiteit wordt verricht te verminderen met de raming van de inbrengwaarde van die locatie, waarbij tot de inbrengwaarde worden gerekend:
a. a. de waarde van de grond en de te slopen opstallen in de toestand voorafgaand aan het vaststellen van het bestemmingsplan; b. b. de kosten van het vrijmaken van de grond van persoonlijke rechten en lasten, eigendom, bezit en beperkte rechten of zakelijke lasten; c. c. de kosten van het slopen, verwijderen en verplaatsen van opstallen, obstakels, funderingen, kabels en leidingen; en d. d. de kosten van bodemsaneringswerkzaamheden, het dempen van oppervlaktewateren en het verrichten van grondwerken.
20. Tot de kosten, bedoeld in het negentiende lid, onder b, c en d, worden ook gerekend de kosten die voorafgaand aan het vaststellen van het bestemmingsplan zijn gemaakt en direct verband houden met de te verrichten bouwactiviteiten.
21.
De raming van de inbrengwaarde, bedoeld in het negentiende lid, aanhef, wordt vastgesteld:
a. a. met overeenkomstige toepassing van de artikelen 40b tot en met 40f van de onteigeningswet, met dien verstande dat voor gronden die zijn onteigend of waarvoor een onteigeningsbeschikking is gegeven of die op onteigeningsbasis zijn of worden verworven, de inbrengwaarde gelijk is aan de schadeloosstelling ingevolge die wet, of b. b. overeenkomstig de waarde die bij beschikking op grond van artikel 22, eerste lid, van de Wet waardering onroerende zaken is vastgesteld voor het kalenderjaar waarin de raming wordt vastgesteld.
22. Over de hoogte en de begrenzing van de kostensoorten, bedoeld in het zevende lid, onder a, c, j en n, kunnen bij ministeriële regeling regels worden gesteld. Daarbij kan onderscheid worden gemaakt naar het type locatie en de aard en omvang van de activiteit.
23. Dit artikel is van toepassing op de bij ministeriële regeling aangewezen plangebieden.
Artikel 7ai
1.
In dit artikel wordt verstaan onder:
a. a.
*geconcentreerd afvalwater:* afvalwater, dat afvalstoffen bevat bestaande uit uitwerpselen afkomstig van vacuümtoiletten of voedselresten als bedoeld onder b;
b. b.
*voedselresten:* afvalstoffen afkomstig van het bereiden van voedingsmiddelen en daarmee samenhangende activiteiten.
2. In aanvulling op artikel 10.32a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer kan de gemeenteraad bij verordening bepalen dat bij het brengen van afvalwater afkomstig van het bereiden van voedingsmiddelen en daarmee samenhangende activiteiten in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater, wordt voldaan aan de in die verordening gestelde regels. In de verordening kan worden afgeweken van artikel 6 van het Besluit lozing afvalwater huishoudens en artikel 3.131, derde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer.
3.
Indien toepassing wordt gegeven aan het tweede lid, geldt voor een afvoervoorziening voor afvalwater afkomstig van een opstelplaats voor een watercloset en van een opstelplaats voor een keukengootsteenbak voorzien van apparatuur voor het vermalen van voedselresten, in afwijking van de artikelen 6.15, tweede lid, en 6.16, tweede lid, onder a en b, van het Bouwbesluit 2012, het volgende:
a. a. de afvoervoorziening is aangesloten op een vacuümleiding; b. b. gebouwgebonden vacuümleidingen hebben een diameter van ten minste 50 mm, waarbij niet wordt voorzien in een ontluchtingsleiding; c. c. vacuümleidingen voeren uitsluitend geconcentreerd afvalwater af; en d. d. vacuümleidingen worden aangesloten op het vacuümriool.
4.
Dit artikel is tot 1 januari 2040 van toepassing op de volgende gebieden:
a. a. Buiksloterham in de gemeente Amsterdam, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 188; b. b. Strandeiland en Buiteneiland in de gemeente Amsterdam, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 189.
Artikel 7aj
1. Dit artikel geldt tot 1 januari 2036 voor de Sluisbuurt in de gemeente Amsterdam, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 190.
2.
In de titels 10.4 en 10.6 van de Wet milieubeheer wordt, in aanvulling op artikel 1.1 van die wet, onder huishoudelijke afvalstoffen ook begrepen bedrijfsafvalstoffen voor zover deze de volgende fracties bevatten:
a. a. afgedankte elektrische en elektronische apparatuur; b. b. bioafval; c. c. drankenkartons; d. d. glas; e. e. kunststof; f. f. metaal; g. g. papier; h. h. restafval; of i. i. textiel.
3. Indien de fracties, bedoeld in het tweede lid, door de oorspronkelijke leverancier als retourvracht kunnen worden meegenomen, is het tweede lid niet van toepassing.
Artikel 7ak
1.
In aanvulling op artikel 10.32a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer kan de gemeenteraad bij verordening bepalen dat bij in die verordening aangegeven gevallen van het telen of het kweken van gewassen in een kas wordt voldaan aan de in die verordening gestelde regels bij het in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater brengen van:
a. a. drainwater; b. b. drainagewater afkomstig van een teelt waarbij gewassen op een bodem groeien die in verbinding staat met de ondergrond; c. c. spoelwater van filters van een waterdoseringsinstallatie; of d. d. ander afvalwater, dat gewasbeschermingsmiddelen bevat.
2. In de verordening, bedoeld in het eerste lid, kan worden afgeweken van artikel 3.64a, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer.
3. Indien toepassing wordt gegeven aan het tweede lid, is, in afwijking van artikel 3.63, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, het in een oppervlaktelichaam lozen van spoelwater van filters van een waterdoseringsinstallatie, drainwater en drainagewater afkomstig van een teelt waarbij gewassen op een bodem groeien die in verbinding staat met de ondergrond verboden.
4. In de verordening, bedoeld in het eerste lid, worden in ieder geval regels opgenomen die ertoe strekken dat de hoeveelheid gewasbeschermingsmiddelen, die met het bedrijfsafvalwater in het openbaar vuilwaterriool wordt gebracht, zoveel mogelijk wordt beperkt.
5.
Indien toepassing wordt gegeven aan het tweede lid, geldt voor degene die het zuiveringtechnisch werk exploiteert, waarin het afvalwater, bedoeld in het eerste lid, wordt gebracht, in ieder geval het volgende:
a. a. een aanvullende zuiveringsstap voor het verwijderen van nutriënten uit het afvalwater wordt ingevoerd; b. b. iedere zes maanden wordt aan burgemeester en wethouders gerapporteerd over de voortgang van het hergebruiken van het gezuiverde water; en c. c. ieder kwartaal wordt aan burgemeester en wethouders bericht over de planning voor de oplevering van de zuiveringstechnologie en over de inspanningen die worden gepleegd om de opleveringsdatum te verkorten.
6. Dit artikel is tot 1 januari 2024 van toepassing op glastuinbouwbedrijven in de gemeente Westland, die kunnen aantonen dat zij hun afvalwater via de nog te realiseren collectieve zuiveringsvoorziening bij de Nieuwe Waterweg zullen laten zuiveren.
Artikel 7al
1.
In aanvulling op artikel 4.1 juncto artikel 3.1, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening kunnen provinciale staten bij verordening regels stellen omtrent de inhoud van bestemmingsplannen, die strekken tot het in onderlinge samenhang:
a. a. bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, ook vanwege de intrinsieke waarde van de natuur; en b. b. doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften.
2. In afwijking van artikel 4.1a, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening kan bij de verordening worden bepaald dat gedeputeerde staten, op verzoek van een bestuursorgaan van de gemeente, ontheffing kunnen verlenen van de krachtens het eerste lid vastgestelde regels, voor zover de uitoefening van de taak of bevoegdheid waarvoor ontheffing wordt gevraagd onevenredig wordt belemmerd in verhouding tot het belang dat wordt gediend met de regel waarvan ontheffing is gevraagd. Aan een ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden. In de ontheffing kan worden bepaald dat deze geldt voor een daarbij gestelde termijn.
3. Van de bevoegdheden, bedoeld in het eerste en tweede lid, kan gebruik worden gemaakt tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Bestemmingsplannen kunnen met inachtneming van de verordening, bedoeld in het eerste lid, worden vastgesteld tot 1 januari 2026, mits het ontwerp van deze plannen ter inzage is gelegd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.
4.
Dit artikel is van toepassing op de provincies:
a. a. Flevoland; b. b. Gelderland; c. c. Utrecht.
Paragraaf 4. Versnelde uitvoering van bouwprojecten
Artikel 8
1.
Als categorieën andere projecten van maatschappelijke betekenis als bedoeld in artikel 2.9, eerste lid, onderdeel b, van de wet worden aangewezen:
a. a. onderwijsgebouwen; b. b. ziekenhuizen en verpleeghuizen; c. c. verzorgingstehuizen; d. d. psychiatrische inrichtingen; e. e. medische centra; f. f. poliklinieken; g. g. medische kleuterdagverblijven; en h. h. opwekking van duurzame energie als bedoeld in bijlage I, onder 1, bij de wet, onverminderd de bevoegdheden van Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat op grond van de artikelen 9b, eerste lid, aanhef en onder a en b, en 9e, zesde lid, van de Elektriciteitswet 1998.
2. Indien een project als bedoeld in het eerste lid tevens voorziet in een beperkte mate van woningbouw, doet dat geen afbreuk aan de kwalificatie van het project als project van maatschappelijke betekenis als bedoeld in dat lid.
Paragraaf 5. Lokale projecten met nationale betekenis
Artikel 9
Als lokaal project met nationale betekenis als bedoeld in artikel 2.18 juncto artikel 2.19 van de wet worden aangewezen:
a. a. FlorijnAs te Assen, omvattende de gebieden Stadsboulevard, het Stadsbedrijvenpark, het Havenkwartier, de Blauwe As 2^e fase, het Stationsgebied, Assen-Zuid en het Nationaal landschap Drentsche Aa ten oosten van de stad zoals aangegeven op de kaart in bijlage 5; b. b. Rotterdam Central District omvattende de projecten Schiekadeblok, Weenapoint, Kruispleingarage, Delftseplein, OV Terminal, Conradstraat, Calypso zoals aangegeven op de kaart in bijlage 6, en c. c. Stationsgebied Utrecht omvattende gebied 1 (Vredenburg-Catharijnesingel, Smakkelaarsveld/Nieuwe Stationsstraat, OV-terminal, Knoopkazerne, Van Sijpesteijnkwartier, Kop Jaarbeursterrein) en gebied 2 (Jaarbeurskwartier inclusief parkeerterrein en parkeergarage overzijde Merwedekanaal, Lombokplein en Paardenveld) zoals aangegeven op de kaart in bijlage 7.
Paragraaf 6. Overige bepalingen
Artikel 10
Onder besluiten als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, onderdelen a en b, van de wet worden in ieder geval niet verstaan besluiten omtrent planschade en nadeelcompensatie.
Artikel 11
1. Indien afdeling 2 van hoofdstuk 1 van de wet op een besluit van toepassing is, wordt dit bij het besluit en bij de bekendmaking of mededeling van het besluit vermeld.
2.
Indien tegen het besluit beroep openstaat, wordt bij het besluit en bij de bekendmaking van het besluit voorts vermeld dat:
a. a. de beroepsgronden in het beroepschrift worden opgenomen; b. b. het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard, indien binnen de beroepstermijn geen gronden zijn ingediend, en c. c. deze na afloop van de beroepstermijn niet meer kunnen worden aangevuld.
Artikel 12
1. Indien afdeling 2 van hoofdstuk 1 van de wet van toepassing is op het hoger beroep tegen een uitspraak van de rechtbank, wordt dit in de uitspraak vermeld.
2.
De uitspraak vermeldt voorts dat:
a. a. de beroepsgronden in het beroepschrift worden opgenomen; b. b. het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard, indien binnen de beroepstermijn geen gronden zijn ingediend, en c. c. deze na afloop van de beroepstermijn niet meer kunnen worden aangevuld.
Artikel 13
Wijzigt de Crisis- en herstelwet.
Artikel 14
Wijzigt het Besluit geluidhinder.
Artikel 15
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.
Artikel 16
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet.
Bijlage 1. bij Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet
Bijlage 2. bij Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet
Bijlage 3. bij Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet
Bijlage 4. bij Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet
Bijlage 5. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
[afbeelding]
Bijlage 6. bij Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet
Bijlage 7. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
[afbeelding]
Bijlage 8. bij Besluit uitvoering Crisis en Herstelwet
Bijlage 9. bij Besluit uitvoering Crisis en Herstelwet
Bijlage 10. bij Besluit uitvoering Crisis en Herstelwet
Bijlage 11. bij Besluit uitvoering Crisis en Herstelwet
Bijlage 12. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
Bijlage 13. bij Besluit uitvoering Crisis en Herstelwet
Bijlage 14. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
Bijlage 15. bij Besluit uitvoering Crisis en Herstelwet
Bijlage 16. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet, derde tranche
[afbeelding]
Bijlage 17. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet, derde tranche
[afbeelding]
Bijlage 18. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet, derde tranche
[afbeelding]
Bijlage 19. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet, derde tranche
[afbeelding]
Bijlage 20. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
Bijlage 21. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
Bijlage 22. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
Bijlage 23. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
Bijlage 24. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
Bijlage 25. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
Bijlage 26. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
Bijlage 27. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
Bijlage 28. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
[afbeelding]
Bijlage 29. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
[afbeelding]
Bijlage 30. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
[afbeelding]
Bijlage 31. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
[afbeelding]
Bijlage 32. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
[afbeelding]
Bijlage 33. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
[afbeelding]
Bijlage 34. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
[afbeelding]
Bijlage 35. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
[afbeelding]
Bijlage 36
[afbeelding]
[afbeelding]
Bijlage 37
[afbeelding]
Bijlage 38
[afbeelding]
Bijlage 39
[afbeelding]
Bijlage 40
[afbeelding]
Bijlage 41
[afbeelding]
Bijlage 42
[afbeelding]
Bijlage 43
[afbeelding]
Bijlage 44
[afbeelding]
Bijlage 45
[afbeelding]
[afbeelding]
Bijlage 46. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
Vervallen
Bijlage 47. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
[afbeelding]
Bijlage 48. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
[afbeelding]
Bijlage 49. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
Kaart Meppel, Transformatiegebied Noordelijke Stadsentree Meppel
[afbeelding]
Bijlage 50. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
Kaart Boekel, Ecodorp Boekel
[afbeelding]
Bijlage 51. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
Kaart Delft, Spoorzone
[afbeelding]
Bijlage 52. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
Kaart Noord-Brabant, Logistiek Park Moerdijk
[afbeelding]
Bijlage 53. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
[afbeelding]
Bijlage 54. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
[afbeelding]
Bijlage 55. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
[afbeelding]
Bijlage 56. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
[afbeelding]
Bijlage 57. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
[afbeelding]
Bijlage 58. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
[afbeelding]
Bijlage 59. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
[afbeelding]
Bijlage 60. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
[afbeelding]
Bijlage 61. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
[afbeelding]
Bijlage 62. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
[afbeelding]
Bijlage 63. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
[afbeelding]
Bijlage 64. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
[afbeelding]
Bijlage 65. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
[afbeelding]
Bijlage 66. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
[afbeelding]
Bijlage 67. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
[afbeelding]
Bijlage 68. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
[afbeelding]
Bijlage 69. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
[afbeelding]
Bijlage 70. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
[afbeelding]
Bijlage 71. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
[afbeelding]
Bijlage 72. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
[afbeelding]
Bijlage 73. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
[afbeelding]
Bijlage 74. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
[afbeelding]
Bijlage 75. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
[afbeelding]
Bijlage 76. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
[afbeelding]
Bijlage 77. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
[afbeelding]
Bijlage 78. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
[afbeelding]
Bijlage 79. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
[afbeelding]
Bijlage 80. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
[afbeelding]
Bijlage 81. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
[afbeelding]
Bijlage 82. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
[afbeelding]
Bijlage 83. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
[afbeelding]
Bijlage 84. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
[afbeelding]
Bijlage 85. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
[afbeelding]
Bijlage 86. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
[afbeelding]
Bijlage 87. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
[afbeelding]
Bijlage 88. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
[afbeelding]
Bijlage 89. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
[afbeelding]
Bijlage 90. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
[afbeelding]
Bijlage 91. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
[afbeelding]
Bijlage 92. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
[afbeelding]
Bijlage 93. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
[afbeelding]
Bijlage 94. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
[afbeelding]
Bijlage 95. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
[afbeelding]
Bijlage 96. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
[afbeelding]
Bijlage 97. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
[afbeelding]
Bijlage 98. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
[afbeelding]
Bijlage 99. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
[afbeelding]
Bijlage 100. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
[afbeelding]
Bijlage 101. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
[afbeelding]
Bijlage 102. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
[afbeelding]
Bijlage 103. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
[afbeelding]
Bijlage 104. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
[afbeelding]
Bijlage 105. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
[afbeelding]
Bijlage 106. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
[afbeelding]
Bijlage 107. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
[afbeelding]
Bijlage 108. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
[afbeelding]
Bijlage 109. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
[afbeelding]
Bijlage 110. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
[afbeelding]
Bijlage 111. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
[afbeelding]
Bijlage 112. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
[afbeelding]
Bijlage 113. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
[afbeelding]
Bijlage 114. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
[afbeelding]
Bijlage 115. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
[afbeelding]
Bijlage 116. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
[afbeelding]
Bijlage 117. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
[afbeelding]
Bijlage 118. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
[afbeelding]
Bijlage 119. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
[afbeelding]
Bijlage 120. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
[afbeelding]
Bijlage 121. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
[afbeelding]
Bijlage 122. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
[afbeelding]
Bijlage 123. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
[afbeelding]
Bijlage 124. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
[afbeelding]
Bijlage 125. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
[afbeelding]
Bijlage 126. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
[afbeelding]
Bijlage 127. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
[afbeelding]
Bijlage 128. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
[afbeelding]
Bijlage 129. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
[afbeelding]
Bijlage 130. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
[afbeelding]
Bijlage 131. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
[afbeelding]
Bijlage 132. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
[afbeelding]
Bijlage 133. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
[afbeelding]
Bijlage 134. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
[afbeelding]
Bijlage 135. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
[afbeelding]
Bijlage 136. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
[afbeelding]
Bijlage 137. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
[afbeelding]
Bijlage 138. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
[afbeelding]
Bijlage 139. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
[afbeelding]
Bijlage 140. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
[afbeelding]
Bijlage 141. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
[afbeelding]
Bijlage 142. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
[afbeelding]
Bijlage 143. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
[afbeelding]
Bijlage 144. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
[afbeelding]
Bijlage 145. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
[afbeelding]
Bijlage 146. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
[afbeelding]
Bijlage 147. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
[afbeelding]
Bijlage 148. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
[afbeelding]
Bijlage 149. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
[afbeelding]
Bijlage 150. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
[afbeelding]
Bijlage 151. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
[afbeelding]
Bijlage 152. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
[afbeelding]
Bijlage 153. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
[afbeelding]
Bijlage 154. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
[afbeelding]
Bijlage 155. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
[afbeelding]
Bijlage 156. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
[afbeelding]
Bijlage 157. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
[afbeelding]
Bijlage 158. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
[afbeelding]
Bijlage 159. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
[afbeelding]
Bijlage 160. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
[afbeelding]
Bijlage 161. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
[afbeelding]
Bijlage 162. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
[afbeelding]
Bijlage 163. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
[afbeelding]
Bijlage 164. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
[afbeelding]
Bijlage 165. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
[afbeelding]
Bijlage 166. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
[afbeelding]
Bijlage 167. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
[afbeelding]
Bijlage 168. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
[afbeelding]
Bijlage 169. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
[afbeelding]
Bijlage 170. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
[afbeelding]
Bijlage 171. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
[afbeelding]
Bijlage 172. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
[afbeelding]
Bijlage 173. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
[afbeelding]
Bijlage 174. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
[afbeelding]
Bijlage 175. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
[afbeelding]
Bijlage 176. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
[afbeelding]
Bijlage 177. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
[afbeelding]
Bijlage 178. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
[afbeelding]
Bijlage 179. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
[afbeelding]
Bijlage 180. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
[afbeelding]
Bijlage 181. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
[afbeelding]
Bijlage 182. bij Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet
[afbeelding]
Bijlage 183. bij Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet
[afbeelding]
Bijlage 184. bij Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet
[afbeelding]
Bijlage 185. bij Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet
[afbeelding]
Bijlage 186. bij Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet
[afbeelding]
Bijlage 187. bij Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet
[afbeelding]
Bijlage 188. bij Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet
[afbeelding]
Bijlage 189. bij Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet
[afbeelding]
Bijlage 190. bij Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet
[afbeelding]