rijk/amvb/besluit-zij-instroom-leraren-primair-en-voortgezet-onderwijs/BWBR0024390
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00
..
README.md feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown 2026-03-30 06:27:40 +02:00

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Besluit zij-instroom leraren primair en voortgezet onderwijs BWBR0024390 AMvB geldend 2009-03-01 https://wetten.overheid.nl/BWBR0024390 Besluit zij-instroom leraren primair en voortgezet onderwijs

Besluit zij-instroom leraren primair en voortgezet onderwijs

Paragraaf 1. Algemene bepalingen

Artikel 1

In dit besluit wordt verstaan onder:

    •   assessment:
      * onderdeel van het geschiktheidsonderzoek, bedoeld in artikel 172, tweede lid, onderdeel b, van de Wet op het primair onderwijs, artikel 152, tweede lid, onderdeel b, van de Wet op de expertisecentra of artikel 7.27, vierde lid, onderdeel b, van de Wet voortgezet onderwijs 2020;
      
    •   bekwaamheidsonderzoek:
      * bekwaamheidsonderzoek, bedoeld in artikel 175 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 155 van de Wet op de expertisecentra of artikel 7.31 van de Wet voortgezet onderwijs 2020;
      
    •   betrokkene:
      * degene op wie het geschiktheidsonderzoek of het bekwaamheidsonderzoek betrekking heeft;
      
    •   bevoegd gezag:
      * bevoegd gezag, bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 1 van de Wet op de expertisecentra of artikel 1.1 van de Wet voortgezet onderwijs 2020;
      
    •   geschiktheidsonderzoek:
      * geschiktheidsonderzoek, bedoeld in artikel 172 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 152 van de Wet op de expertisecentra of artikel 7.27 van de Wet voortgezet onderwijs 2020;
      
    •   instellingsbestuur:
      * instellingsbestuur dat op grond van artikel 174 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 154 van de Wet op de expertisecentra of artikel 7.29 van de Wet voortgezet onderwijs 2020 bevoegd is om een geschiktheidsverklaring af te geven dan wel een instellingsbestuur als bedoeld in artikel 170, onderdeel b, van de Wet op het primair onderwijs, artikel 150, onderdeel b, van de Wet op de expertisecentra en artikel 7.26 van de Wet voortgezet onderwijs 2020 dat bevoegd is een bekwaamheidsonderzoek af te nemen.
      

Artikel 2

De beroepsgerichte vakken, bedoeld in de artikelen artikelen 152, derde lid, onderdeel b, van de Wet op de expertisecentra en 7.27, derde lid, onderdeel b, van de Wet voortgezet onderwijs 2020, zijn de volgende van de in artikel 2.21, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit WVO 2020 genoemde vakken:

a. a. bouwen, wonen en interieur; b. b. produceren, installeren en energie; c. c. mobiliteit en transport; en d. d. horeca, bakkerij en recreatie.

Paragraaf 2. Geschiktheidsonderzoek

Artikel 3

1. Aanvragen voor het geschiktheidsonderzoek worden gericht aan het instellingsbestuur. De aanvraag wordt gedaan door de betrokkene of het bevoegd gezag van de school die voornemens is de betrokkene in dienst te nemen. Tenzij het instellingsbestuur en de aanvrager anders overeenkomen, vangt het geschiktheidsonderzoek aan binnen twee maanden na ontvangst van de aanvraag en vindt het assessment plaats binnen drie maanden na ontvangst van de aanvraag. Het geschiktheidsoordeel wordt gegeven en de geschiktheidsverklaring wordt afgegeven binnen twee weken na het afsluiten van het assessment.

2. Het instellingsbestuur stelt degenen die bij een geschiktheidsonderzoek zijn betrokken, tijdig op de hoogte van de inhoudelijke criteria van het geschiktheidsonderzoek en van de gang van zaken bij dat onderzoek.

Artikel 4

1.

De beoordeling of de gevolgde opleiding en de maatschappelijke of beroepservaring in onderlinge samenhang bezien van voldoende belang zijn in verhouding tot de door de betrokkene beoogde werkzaamheden aan een school, geschiedt:

a. a. aan de hand van door de betrokkene overgelegde diplomas, getuigschriften en andere bewijsstukken van gevolgd onderwijs als bedoeld in artikel 172, derde lid, van de Wet op het primair onderwijs, artikel 152, derde lid, van de Wet op de expertisecentra of artikel 7.27, derde lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020, b. b. aan de hand van door de betrokkene overgelegde bewijsstukken omtrent maatschappelijke activiteiten of beroepservaring en voor zover van toepassing, door de betrokkene overgelegde referenties.

2. De betrokkene overlegt bij indiening van de aanvraag voor het geschiktheidsonderzoek de in het eerste lid bedoelde bescheiden en zet daarbij op een door het instellingsbestuur voor te schrijven wijze uiteen, op welke gronden de activiteiten waarop deze bescheiden betrekking hebben, naar zijn oordeel van voldoende belang zijn in verhouding tot de beoogde werkzaamheden.

3. Indien de betrokkene werkzaamheden in het voortgezet onderwijs beoogt, blijkt uit de aanvraag dat de betrokkene over kennis, inzicht en vaardigheden beschikt in een vak dat relevant is in relatie tot die werkzaamheden.

Artikel 5

1.

De vaststelling van de geschiktheid van de betrokkene vindt plaats door beoordeling van kennis, inzicht en vaardigheden op het terrein van:

a. a. het handelen in het onderwijsleerproces, b. b. het algemeen professioneel handelen, en c. c. het werken binnen een onderwijsorganisatie.

2. Indien de beoordeling betrekking heeft op de geschiktheid voor het geven van basisonderwijs, speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs, omvat de in het eerste lid bedoelde vaststelling tevens beoordeling van de beroepshouding.

3.

De in het eerste lid, aanhef en onder a, bedoelde beoordeling omvat de vaststelling of de betrokkene in voldoende mate beschikt over:

a. a. het vermogen tot het begeleiden van leerlingen in hun leerproces, b. b. het vermogen tot het presenteren van informatie, en c. c. het vermogen tot omgaan met een groep, klassenorganisatie en groepsmanagement.

4.

De in het eerste lid, aanhef en onder b, bedoelde beoordeling omvat de vaststelling of de betrokkene in voldoende mate beschikt over:

a. a. het vermogen tot reflectie en het nemen van initiatief, b. b. het vermogen tot ontwikkeling van eigen professionele deskundigheid, en c. c. vakdeskundigheid.

5. De in het vierde lid, onder c, bedoelde vakdeskundigheid omvat in het bijzonder taal en rekenen/wiskunde voor zover het betreft het geven van basisonderwijs, speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs.

6. De in het eerste lid, aanhef en onder c, bedoelde beoordeling omvat de vaststelling of de betrokkene in voldoende mate beschikt over het vermogen om met anderen samen te werken in een team of sectie. Tevens omvat deze beoordeling de vaststelling van de kennis van het onderwijs.

7. De vaststelling, bedoeld in het derde, vierde en zesde lid, omvat tevens vaststelling van de terreinen waarop scholing en begeleiding als bedoeld in artikel 172, tweede lid, onderdeel c, van de Wet op het primair onderwijs, artikel 152, tweede lid, onderdeel c, van de Wet op de expertisecentra of artikel 7.27, vierde lid, onderdeel c, van de Wet voortgezet onderwijs 2020 moeten zijn gericht, alsmede van de mate van scholing en begeleiding.

Artikel 6

Het assessment berust op bevindingen uit praktijkopdrachten, waaronder opdrachten waaruit het gedrag blijkt in authentieke situaties, zoals in feitelijke klassituaties en op één of meer gestructureerde gesprekken met de betrokkene, waaronder ten minste een gesprek over de bevindingen.

Artikel 7

1.

Ter waarborging van de kwaliteit van het geschiktheidsonderzoek stelt het instellingsbestuur de inrichting van het geschiktheidsonderzoek vast en draagt zorg voor een:

a. a. duidelijke positie van de betrokkene in het geschiktheidsonderzoek, b. b. optimale aansluiting van het onderzoek op de door de betrokkene ingebrachte bewijzen van elders verworven competenties, c. c. expliciete voorafgaande vaststelling van de criteria waarop de beoordeling, bedoeld in artikel 4, eerste lid, aanhef, geschiedt en op basis waarvan de betrokkene al of niet geschikt wordt bevonden, en d. d. op grond van het geschiktheidsonderzoek op de betrokkene afgestemd advies over de te volgen scholing of anderszins te verwerven competenties alsmede, met instemming van het desbetreffende bevoegd gezag, de mate en vorm van benodigde begeleiding.

2. Het instellingsbestuur draagt er zorg voor dat de in artikel 172, vijfde lid, van de Wet op het primair onderwijs, artikel 152, vijfde lid, van de Wet op de expertisecentra, artikel 7.27, zesde lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020, bedoelde personen die het geschiktheidsonderzoek afnemen, daarvoor voldoende geschikt zijn en onafhankelijk van hun eventuele overige werkzaamheden in dienst van of ten behoeve van die instelling, tot een professioneel oordeel kunnen komen.

3. Het instellingsbestuur ziet toe op een zodanige verslaglegging over het geschiktheidsonderzoek dat daaruit in elk geval blijkt een deugdelijke motivering van het oordeel over de onderzoeksresultaten.

Paragraaf 3. Scholing en begeleiding

Artikel 8

1. De noodzakelijk geoordeelde scholing, bedoeld in artikel 5, zevende lid, geschiedt uitsluitend door of onder verantwoordelijkheid van personen die bevoegd zijn tot het verzorgen van onderwijs aan initiële lerarenopleidingen in het hoger onderwijs. Bij het verzorgen van de scholing wordt deze inhoudelijk steeds afgestemd op de vorderingen bij de werkzaamheden van de betrokkene aan de school.

2. Bij de noodzakelijk geoordeelde begeleiding, bedoeld in artikel 5, zevende lid, is in elk geval betrokken een leraar die bevoegd is tot het verzorgen van de werkzaamheden die de betrokkene aan de school verricht, met dien verstande dat bij begeleiding in het voortgezet onderwijs, de leraar bevoegd dient te zijn voor het vak dat de betrokkene aan de school verzorgt.

Paragraaf 4. Bekwaamheidsonderzoek

Artikel 9

1. Degene die zich wil onderwerpen aan een bekwaamheidsonderzoek, dient daartoe een aanvraag in bij het instellingsbestuur.

2. Het bekwaamheidsonderzoek omvat een onderzoek naar de kennis, het inzicht en de vaardigheden van de betrokkene, alsmede de beoordeling van de uitkomsten van dit onderzoek. Het bekwaamheidsonderzoek richt zich in het bijzonder op kennis, inzicht en vaardigheden die betrokkene blijkens de beoordeling, bedoeld in artikel 172, tweede lid, onderdeel c, van de Wet op het primair onderwijs, artikel 152, tweede lid, onderdeel c, van de Wet op de expertisecentra of artikel 7.27, vierde lid, onderdeel c, van de Wet voortgezet onderwijs 2020, nog behoorde te verwerven.

3. Het bekwaamheidsonderzoek is zodanig ingericht dat daarvan in ieder geval deel uitmaakt een, zonodig in tijd gespreide, beoordeling van het functioneren in de praktijk op die onderdelen waarop scholing en begeleiding noodzakelijk zijn geacht. Bij die beoordeling is in ieder geval personeel betrokken dat daartoe door het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 172 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 152, eerste lid, van de Wet op de expertisecentra of artikel 7.27, tweede lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020, wordt aangewezen.

4. De periode van scholing en begeleiding wordt zodanig ingericht dat daarin voor de betrokkene in elk geval tweemaal de gelegenheid bestaat het bekwaamheidsonderzoek te ondergaan.

Artikel 10

Ter waarborging van de kwaliteit van het bekwaamheidsonderzoek:

a. a. draagt het instellingsbestuur er zorg voor dat de personen die dit onderzoek afnemen daarvoor voldoende geschikt zijn. Artikel 7.12, derde lid, tweede volzin, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek is van overeenkomstige toepassing, b. b. stelt het instellingsbestuur de inrichting van het bekwaamheidsonderzoek vast, c. c. legt het instellingsbestuur de criteria vast waarom de beoordelingen, bedoeld in artikel 9, geschieden, d. d. draagt het instellingsbestuur zorg voor een duidelijke positie van de betrokkene in het bekwaamheidsonderzoek, en e. e. ziet het instellingsbestuur toe op een zodanige verslaglegging over dat onderzoek dat daaruit in elk geval een deugdelijke motivering van het oordeel over de onderzoeksresultaten blijkt.

Artikel 11

Aan degene die met goed gevolg het bekwaamheidsonderzoek heeft afgesloten, verstrekt het instellingsbestuur binnen twee weken nadat het onderzoek is afgesloten het getuigschrift, bedoeld in artikel 7a.3, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.

Paragraaf 5. Overige bepalingen

Artikel 12

Voor zover de betrokkene de werkzaamheden ten aanzien waarvan hem een geschiktheidsverklaring is verstrekt, gelijktijdig verricht bij twee of meer bevoegde gezagsorganen, dragen deze bevoegde gezagsorganen er zorg voor dat de overeenkomsten, bedoeld in de artikelen 38a, eerste lid, van de Wet op het primair onderwijs, 38a, van de Wet op de expertisecentra of 7.30 van de Wet voortgezet onderwijs 2020, waarbij zij ten aanzien van de betrokkene partij zijn, op elkaar worden afgestemd. Zonodig wordt een al gesloten overeenkomst daartoe gewijzigd.

Artikel 12a

Dit besluit berust mede op de artikelen 7.27, derde lid, onderdeel b, en achtste lid, en 7.30, vierde lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020.

Artikel 13

Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Artikel 14

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit zij-instroom leraren primair en voortgezet onderwijs.