rijk/amvb/bezoldigingsbesluit-burgerlijke-ambtenaren-defensie/BWBR0006038
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00
..
README.md feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown 2026-03-30 06:27:40 +02:00

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Bezoldigingsbesluit burgerlijke ambtenaren defensie BWBR0006038 AMvB geldend 1993-07-14 https://wetten.overheid.nl/BWBR0006038 Bezoldigingsbesluit burgerlijke ambtenaren defensie

Bezoldigingsbesluit burgerlijke ambtenaren defensie

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1

1. Ambtenaar in de zin van dit besluit is degene die bij het Ministerie van Defensie in burgerlijke openbare dienst is aangesteld.

2.

Dit besluit is niet van toepassing op de ambtenaar, wiens bezoldiging is geregeld:

a. a. bij de wet; b. b. bij een algemene maatregel van bestuur tot regeling van de bezoldiging van

        1.
        de ambtenaren van de buitenlandse dienst; 
      
      
        2.
        leden van raden, besturen en commissies;
    1.   de ambtenaren van de buitenlandse dienst;
      
    1.   leden van raden, besturen en commissies;
      

c. c. krachtens artikel 20 van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie of een daarmee overeenkomende bepaling van gelijke strekking; d. d. krachtens artikel 21 van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie of een daarmee overeenkomende bepaling van gelijke strekking.

3.

Dit besluit is niet van toepassing op de ambtenaar die is aangesteld in de functie van tandarts en die hoofdzakelijk is belast met de curatieve tandheelkundige zorg, met uitzondering van

a. a. artikel 3, voor zover betrekking hebbend op de toelage, bedoeld in artikel 19 en het bedrag, bedoeld in artikel 22, tweede lid; b. b. de artikelen 9a, 11, 19, 21, 21a, 22, 23, 24 en 30a; c. c. artikel 26, derde en vierde lid, voor zover betrekking hebbend op de eindejaarsuitkering, de vakantie-uitkering en de artikelen 11, 19 en 24; d. d. artikel 27, derde lid, voor zover betrekking hebbend op artikel 21.

4. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen andere dan in het tweede lid bedoelde ambtenaren of groepen van ambtenaren worden uitgezonderd van de toepassing van dit besluit.

Artikel 2

In dit besluit wordt verstaan onder:

a. a. salaris het bedrag, dat met inachtneming van de bepalingen van dit besluit voor de ambtenaar is vastgesteld aan de hand van bijlage B van dit besluit; b. b. salaris per uur 1/165 deel van het salaris bij een volledige werktijd; c. c. salarisschaal een als zodanig in de bijlage B van dit besluit vermelde reeks van genummerde salarissen; d. d. salarisnummer een aanduiding, bestaande uit een getal of uit een letter en een getal, dat in een salarisschaal voor een salaris is vermeld; e. e. maximumsalaris het hoogste bedrag van een salarisschaal, waarvan het salarisnummer uitsluitend uit een getal bestaat; f. f. bezoldiging de som van het salaris en de toelagen waarop de ambtenaar ingevolge Hoofdstuk 4 gewijzigd: van dit besluit aanspraak heeft; g. g. volledige werktijd een werktijd welke gemiddeld achtendertig werkuren per week omvat; h. h. functie het samenstel van werkzaamheden door de ambtenaar te verrichten krachtens en overeenkomstig hetgeen hem door het daartoe bevoegde gezag is opgedragen; i. i. Onze Minister Onze Minister van Defensie; j. j. bevoegd gezag de bij koninklijk besluit of bij ministeriële regeling als zodanig aangewezen autoriteit.

Artikel 3

1. Het salaris, de toelagen en de vergoedingen voor extra diensten worden maandelijks betaald.

2. Wanneer het salaris, een toelage als bedoeld in de artikelen 12a, 13, 14, 17, 18, 19 en 20 of een bedrag, genoemd in artikel 22, tweede lid, moet worden berekend over een gedeelte van een kalendermaand, wordt het bedrag per dag vastgesteld door een maandbedrag te delen door het aantal dagen van de desbetreffende kalendermaand.

3. Van het bepaalde in het eerste en tweede lid kan worden afgeweken, ingeval daartoe naar het oordeel van het tot het vaststellen van het salaris bevoegde gezag op grond van bijzondere omstandigheden aanleiding bestaat.

Artikel 3a

Vervallen

Artikel 3b

Voor de berekening van het pensioen gevend inkomen worden aanspraken op grond van dit besluit of op grond van andere regelingen inzake beloningen van de ambtenaar, vermenigvuldigd met een factor 1/1,019 met inachtneming van een maximale vermindering van het pensioen gevend inkomen van € 65,92.

Hoofdstuk 2. Bepalingen betreffende het salaris

Artikel 4

Vervallen

Artikel 5

1. Voor de ambtenaar geldt een salarisschaal.

2. De salarisschaal welke voor de ambtenaar geldt wordt, tenzij zijn wijze van functioneren zich nog daartegen verzet, bepaald met inachtneming van de zwaarte van zijn functie en van bijzondere regelingen, als bedoeld in artikel 18 van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie of in bepalingen van dezelfde strekking in een soortgelijke regeling.

3. De zwaarte van de functie wordt bepaald binnen de in de bijlage B van dit besluit aangegeven indelingsstructuur, met inachtneming van het door Onze Minister vastgestelde normeringsstelsel.

4. Indien de ambtenaar bij wijze van waarneming tijdelijk een andere functie uitoefent, blijft de voordien voor hem geldende salarisschaal van toepassing.

5. Anders dan bij wijze van disciplinaire straf als bedoeld in het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie of in een soortgelijke regeling kan zonder voorafgaand ontslag voor een ambtenaar geen salarisschaal gaan gelden met een lager maximumsalaris dan dat van de reeds voor hem geldende salarisschaal.

6.

Het vorige lid is niet van toepassing indien:

a. a. bij de bepaling van de salarisschaal, bedoeld in het tweede lid, tevens is bepaald dat de functie van de ambtenaar een tijdelijk karakter heeft en de salarisschaal in verband daarmee slechts tijdelijk zal gelden; b. b. de ambtenaar in verband met ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte wordt herplaatst in een andere functie.

Artikel 6

1. De ambtenaar die bedenkingen heeft tegen de uitkomst van de bepaling van de zwaarte van zijn functie bedoeld in artikel 5, derde lid, kan bij het voor de toepassing van artikel 5, tweede lid, bevoegde gezag een aanvraag indienen om die waarderingsuitkomst opnieuw in overweging te nemen.

2. Indien de toepassing van het bepaalde in artikel 5, tweede lid, berust bij Ons, worden Wij vertegenwoordigd door Onze Minister.

3. Onze Minister stelt regels betreffende de behandeling van verzoeken als bedoeld in het eerste lid.

4. Het in het eerste lid bepaalde is niet van toepassing indien voor de ambtenaar een bijzondere regeling geldt als bedoeld in artikel 18 van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie of in bepalingen van dezelfde strekking in een soortgelijke regeling.

Artikel 7

1.

Bij aanstelling wordt aan de in artikel 5 bedoelde ambtenaar het salaris toegekend, dat:

a. a. wanneer hij 22 jaar of ouder is, in de voor hem geldende salarisschaal is vermeld achter het salarisnummer 0; b. b. wanneer hij jonger dan 22 jaar is, in de voor hem geldende salarisschaal is vermeld achter het salarisnummer, bestaande uit de letter J en het getal, dat overeenkomt met zijn leeftijd. Indien het salarisnummer niet voorkomt, wordt de ambtenaar het laagste salaris in de schaal toegekend.

2. Van het bepaalde in het eerste lid kan worden afgeweken door het toekennen van een hoger salaris, ingeval daartoe naar het oordeel van het bevoegde gezag aanleiding bestaat.

Artikel 7a

Vervallen

Artikel 8

1. Het salaris van de ambtenaar wordt verhoogd tot het in de schaal naasthogere bedrag, indien hij naar het oordeel van het bevoegde gezag zijn functie naar behoren vervult.

2. Het salaris van de ambtenaar kan worden verhoogd tot een in de schaal hoger vermeld bedrag, indien hij naar het oordeel van het bevoegde gezag zijn functie zeer goed of uitstekend verricht.

3. Vervult de ambtenaar zijn functie naar het oordeel van het bevoegde gezag niet naar behoren, dan blijft salarisverhoging achterwege.

4.

De in het eerste en tweede lid bedoelde salarisverhoging wordt toegekend:

a. a. wanneer de ambtenaar 22 jaar of ouder is en het maximumsalaris van de voor hem geldende salarisschaal nog niet heeft bereikt, voor de eerste maal met ingang van de eerste dag van de maand, waarin sinds zijn aanstelling een jaar is verstreken en nadien telkens na één jaar; b. b. wanneer de ambtenaar jonger dan 22 jaar is, met ingang van de eerste dag van de maand, waarop zijn verjaardag valt.

5. Het tijdstip waarop ingevolge het vierde lid, onder a, een salarisverhoging wordt toegekend kan worden vervroegd indien daartoe naar het oordeel van het bevoegde gezag aanleiding bestaat.

6. Indien de in het vierde lid, onder a, bedoelde ambtenaar reeds voor zijn 22e verjaardag was aangesteld, wordt, onverlet het in het vijfde lid bepaalde, de salarisverhoging toegekend met ingang van de eerste dag van de maand waarin zijn verjaardag valt.

Artikel 9

1. Het salaris van de ambtenaar met een onvolledige werktijd wordt vastgesteld op een evenredig deel van het salaris bij een volledige werktijd.

2. Het salaris van de ambtenaar die is aangesteld op grond van artikel 7, tweede lid, onder f., van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie, wordt, met inachtneming van het bepaalde in artikel 5, tweede lid, vastgesteld op een bedrag per uur dat daadwerkelijk dienst wordt verricht.

3. Een teruggebrachte werktijd als bedoeld in artikel 30c van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie of een daarmee overeenkomende bepaling in een ander rechtspositiereglement is geen onvolledige werktijd in de zin van het eerste lid.

Artikel 9a

1. Het salaris van de ambtenaar bedoeld in artikel 1, derde lid, wordt vastgesteld aan de hand van de soort en het aantal tandheelkundige verrichtingen.

2. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld omtrent de vaststelling van het salaris.

Artikel 10

In bijzondere gevallen kan een regeling worden getroffen, waarbij van de overige bepalingen van dit hoofdstuk kan worden afgeweken.

Artikel 10a

1. Bij de ambtenaar die ingevolge artikel 109, eerste lid, dan wel ingevolge artikel 109, tweede lid, onderdeel a of b, van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie is geschorst, wordt voor de duur van die schorsing eenderde gedeelte ingehouden van de bezoldiging, tenzij het bevoegde gezag bepaalt dat geen inhouding zal plaatsvinden.

2. In geval een schorsing als bedoeld in het eerste lid, langer duurt dan zes weken, kan het bevoegde gezag bepalen dat gedurende die verdere duur van die schorsing een verdere inhouding plaatsvindt tot het volle bedrag der bezoldiging. Bij de afweging omtrent de hoogte van de inhouding wordt de financiële positie van de ambtenaar in de beschouwing betrokken.

3. Bij de ambtenaar die ingevolge artikel 109, tweede lid, onderdeel c, van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie is geschorst, vindt geen inhouding van bezoldiging plaats.

4. De ingehouden bezoldiging kan alsnog geheel of gedeeltelijk aan de ambtenaar worden uitbetaald, indien een schorsing als bedoeld in artikel 109, tweede lid, onderdeel a of b, van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie niet wordt gevolgd door een veroordeling tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf, een vrijheidsbenemende maatregel, ontslag op grond van artikel 121, eerste lid, onderdeel e, van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie of een onvoorwaardelijk ontslag bij wijze van straf. Op de aldus uit te keren bezoldiging worden in mindering gebracht de inkomsten, welke de ambtenaar sedert de schorsing heeft genoten uit arbeid, die hij als gevolg van de schorsing heeft kunnen verrichten, tenzij zulks, naar het oordeel van het bevoegde gezag, onredelijk of onbillijk is.

5. In geval van schorsing tijdens ziekte van de ambtenaar wordt onder bezoldiging verstaan, hetgeen daaronder wordt verstaan voor de toepassing van het hoofdstuk 6 van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie.

Hoofdstuk 3. Bepalingen betreffende beloningen, de gratificatie bij ambtsjubileum, de proportionele diensttijdgratificatie en de functioneringstoelage

Artikel 11

1.

Het bevoegd gezag kan aan de ambtenaar die zich bijzonder heeft onderscheiden door optreden of gedragingen dan wel door buitengewone toewijding of bijzondere loffelijke dienstverrichtingen, één of meer van de onderstaande beloningen toekennen:

a. a. geschenk; b. b. geldelijke beloning; c. c. functioneringsgratificatie.

2. De totale waarde van één of meer van de beloningen, bedoeld in het eerste lid, bedraagt maximaal 20% van het tot een jaarbedrag herleide salaris in de maand van de toekenning. Bij de berekening van de totale waarde van de beloningen wordt geen rekening gehouden met de verschuldigde loonheffing en inhoudingen, bedoeld in het derde lid.

3. De in voorkomend geval over één of meer van de beloningen verschuldigde loonheffing en inhoudingen, bedoeld in paragraaf 5 van de Wet financiële voorzieningen privatisering ABP, komen voor rekening van Defensie.

Artikel 12

1. De ambtenaar heeft naar bij ministeriële regeling te stellen regels aanspraak op een gratificatie bij ambtsjubileum.

2.

De ambtenaar heeft naar bij ministeriële regeling te stellen regels aanspraak op een proportionele diensttijdgratificatie, welke wordt afgeleid van de gratificatie, bedoeld in het eerste lid, indien hij wordt ontslagen met toepassing van één van de volgende artikelen uit het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie:

a. a. artikel 114; b. b. artikel 116; c. c. artikel 119; d. d. artikel 121, eerste lid, onder f of h.

3. Aan de nabestaanden van de ambtenaar, bedoeld in artikel 127 van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie, wordt naar bij ministeriële regeling te stellen regels een proportionele diensttijdgratificatie bij overlijden toegekend, welke wordt afgeleid van de gratificatie, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 12a

1. Het bevoegd gezag kan aan de ambtenaar die het voor hem geldende maximumsalaris heeft bereikt een functioneringstoelage toekennen, indien de wijze van functioneren van de ambtenaar daartoe naar het oordeel van het bevoegd gezag aanleiding geeft.

2. De functioneringstoelage wordt toegekend voor een periode van tenminste één jaar.

3. De functioneringstoelage bedraagt ten hoogste 10 procent van het voor de ambtenaar geldende salaris.

Hoofdstuk 4. Bepalingen betreffende toelagen

Artikel 13

1. Aan de ambtenaar, die bij wijze van waarneming tijdelijk een functie uitoefent, welke bij toepassing van artikel 5, tweede en derde lid, zou leiden tot een salarisschaal met een hoger maximumsalaris, kan voor de duur van die waarneming een toelage worden toegekend.

2. De toelage wordt, tenzij bijzondere omstandigheden aanwezig zijn, slechts toegekend wanneer de waarneming ten minste een tijdvak van dertig dagen heeft geduurd.

3. Bij volledige waarneming van de functie bedoeld in het eerste lid is het bedrag van de toelage gelijk aan het verschil tussen het salaris dat de ambtenaar geniet en het salaris dat hij zou genieten, wanneer de salarisschaal met een hoger maximumsalaris met ingang van de dag waarop de waarneming is begonnen voor hem zou hebben gegolden.

4. Onze Minister stelt voor de toepassing van dit artikel nadere regels vast.

Artikel 14

1. Indien het salaris minder is dan het maandbedrag van het minimumloon, dat krachtens de artikelen 7, 8 en 14 van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag geldt voor werknemers van dezelfde leeftijd als de ambtenaar, wordt aan hem een toelage toegekend ten bedrage van het verschil.

2. Voor de ambtenaar met een onvolledige werktijd, wordt het voor werknemers van dezelfde leeftijd geldende minimumloon geacht te zijn vastgesteld op een evenredig deel van het minimumloon bij een volledige werktijd.

Artikel 15

1. Aan de ambtenaar, die anders dan bij wijze van overwerk, regelmatig of vrij regelmatig arbeid verricht op andere tijden dan op de dagen maandag tot en met vrijdag tussen 8.00 en 18.00 uur, wordt een toelage toegekend.

2.

De toelage bedraagt per gewerkt uur een percentage van het voor de ambtenaar geldende salaris per uur en wel:

a. a. 20% voor de uren op maandag tot en met vrijdag tussen 6.00 en 8.00 uur en tussen 18.00 en 22.00 uur; b. b. 40% voor de uren op maandag tot en met vrijdag tussen 0.00 en 6.00 uur en tussen 22.00 en 24.00 uur; c. c. 45% voor de uren op zaterdag; d. d. 70% voor de uren op zondag; e. e. 100% voor de uren op de feestdagen genoemd in artikel 31g, tweede lid, van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie;

met dien verstande dat genoemde percentages worden berekend over ten hoogste het salaris per uur, dat is afgeleid van het salaris behorende bij het maximumsalaris van salarisschaal 7.

3. Voor de in het tweede lid onder a genoemde morgen- en avonduren wordt de toelage slechts toegekend, indien de arbeid is aangevangen vóór 7.00 uur, respectievelijk is beëindigd na 19.00 uur.

4. In afwijking van het bepaalde in het eerste en het tweede lid ontvangt de ambtenaar met ingang van de maand waarin hij de leeftijd van 55 jaar bereikt een vaste toelage, mits hij op dat moment gedurende ten minste 5 jaar zonder wezenlijke onderbreking een toelage als bedoeld in het eerste lid heeft genoten.

5. De toelage genoemd in het vierde lid wordt vastgesteld op het bedrag dat de ambtenaar over de twaalf kalendermaanden voorafgaande aan de maand waarin hij de leeftijd van 55 jaar bereikt gemiddeld per maand aan toelage als bedoeld in het eerste lid heeft genoten en wordt aangepast aan algemene salariswijzigingen.

6. Voor de toepassing van het vierde lid wordt onder wezenlijke onderbreking verstaan een onderbreking van langer dan twee maanden.

7. In bijzondere gevallen kan een regeling worden getroffen, welke het bepaalde in dit artikel aanvult of daarvan afwijkt.

Artikel 16

1. Aan de ambtenaar die krachtens een rooster als bedoeld in artikel 30b, eerste lid, van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie of in bepalingen van dezelfde strekking in een soortgelijke regeling, anders dan bij wijze van overwerk regelmatig of vrij regelmatig arbeid verricht op andere tijden dan op de dagen van maandag tot en met vrijdag tussen 8.00 uur en 18.00 uur wordt voor het in opdracht van het bevoegde gezag verrichten van arbeid op uren die afwijken van het vastgestelde rooster een toelage toegekend, voor zover met die uren het totaal van het per werkperiode vastgestelde aantal arbeidsuren niet wordt overschreden.

2. Op de in het eerste lid bedoelde toelage bestaat geen aanspraak indien tussen het geven van de opdracht en het verrichten van de arbeid meer dan 72 uren zijn verstreken.

3. De toelage bedraagt voor elk vol uur waarop in afwijking van het rooster arbeid is verricht 40% van het voor de ambtenaar geldende salaris per uur, met dien verstande dat dit percentage wordt berekend over ten hoogste het salaris per uur, dat is afgeleid van het salaris behorende bij het maximumsalaris van salarisschaal 7.

Artikel 17

1. Aan de ambtenaar wiens bezoldiging als gevolg van het buiten zijn toedoen beëindigen of verminderen van een toelage als bedoeld in artikel 15, een blijvende verlaging ondergaat, welke tenminste 3% bedraagt van de som van het salaris en een toelage als bedoeld in artikel 20, wordt een aflopende toelage toegekend, mits hij eerstgenoemde toelage direct voorafgaande aan het tijdstip van vorenbedoelde beëindiging of vermindering ervan gedurende tenminste 2 jaren zonder wezenlijke onderbreking heeft genoten.

2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder wezenlijke onderbreking verstaan een onderbreking van langer dan 2 maanden.

3. Onze Minister stelt voor de toepassing van dit artikel nadere regels vast.

Artikel 18

1. Aan de ambtenaar die buiten de werktijden die voor hem gelden krachtens een rooster als bedoeld in artikel 30b, eerste lid, van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie of in bepalingen van dezelfde strekking in een soortgelijke regeling, ingevolge een schriftelijke aanwijzing van het bevoegde gezag zich regelmatig of vrij regelmatig bereikbaar en beschikbaar moet houden teneinde bij oproep arbeid te gaan verrichten, wordt een toelage toegekend.

2.

De toelage bedraagt per uur bereikbaarheid en beschikbaarheid een percentage van het voor de ambtenaar geldende salaris per uur en wel:

a. a. 5% voor de uren op maandag tot en met vrijdag; b. b. 10% voor de uren op zaterdag en zondag en op de feestdagen genoemd in artikel 30b, eerste lid, van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie;

met dien verstande dat genoemde percentages worden berekend over ten hoogste het salaris per uur, dat is afgeleid van het salaris behorende bij het maximumsalaris van salarisschaal 7.

3. De op basis van het tweede lid berekende toelage wordt verhoogd met 100% over de uren waarop aan de opgedragen bereikbaarheid en beschikbaarheid een extra plaatsgebondenheid op of rond de plaats van tewerkstelling is verbonden.

4. In bijzondere gevallen kan een regeling worden getroffen welke het bepaalde in dit artikel aanvult of daarvan afwijkt.

Artikel 19

1. Aan de ambtenaar kan om redenen van werving of behoud een toelage voor de duur van één jaar worden toegekend.

2. Indien naar het oordeel van het bevoegde gezag sprake is van bijzondere omstandigheden kan de toelage voor een bepaalde duur langer dan één jaar worden toegekend.

Artikel 20

In uitzonderlijke gevallen kan aan de ambtenaar of aan een groep ambtenaren een toelage worden toegekend op andere gronden dan die vermeld in de artikelen 12a tot en met 19.

Artikel 20a

Bij toekenning van een aanspraak op een beloning, als bedoeld in artikel 11, een functioneringstoelage, als bedoeld in artikel 12a, een wervings- en behoudtoelage, als bedoeld in artikel 19, of een wervings- en behoudpremie, als bedoeld in artikel 24, bedraagt de totale waarde van die aanspraken, gerekend over de voorafgaande 12 maanden, maximaal 30% van het tot een jaarbedrag herleide salaris in de maand van de toekenning.

Artikel 21

Een krachtens artikel 12a, 19 of 20 toegekende toelage wordt ingetrokken, indien de gronden, waarop de toelage werd toegekend, niet meer aanwezig zijn, tenzij het bevoegde gezag van oordeel is, dat er omstandigheden zijn om de toelage geheel of gedeeltelijk te handhaven.

Hoofdstuk 4A. Bepalingen betreffende de eindejaarsuitkering

Artikel 21a

1. De ambtenaar, die aanspraak heeft op salaris volgens bijlage B van dit besluit respectievelijk de gewezen ambtenaar, die aanspraak had op salaris volgens bijlage B van dit besluit en in het genot is van wachtgeld als bedoeld in artikel 22 van het Werkloosheidsbesluit defensiepersoneel of uitkering op grond van het Besluit uitkering wegens functioneel leeftijdsontslag burgerlijke ambtenaren defensie, heeft aanspraak op een eindejaarsuitkering ten bedrage van 0,8% van het door hem genoten salaris respectievelijk het door hem genoten wachtgeld of de door hem genoten uitkering na toepassing van de bij of krachtens die besluiten geldende vermindering wegens inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf.

2. Indien op het genoten salaris van de ambtenaar een uitkering op grond van de Ziektewet of de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering in mindering is gebracht, wordt voor de toepassing van het eerste lid het genoten salaris in acht genomen, zoals dit zou zijn genoten, indien geen sprake zou zijn geweest van recht op een uitkering op grond van de Ziektewet of de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering.

3. Indien voor de ambtenaar op grond van artikel 23, tweede lid, van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie het feitelijk genot van de bezoldiging is teruggebracht tot het bedrag van het op de ambtenaar te verhalen gedeelte van de pensioenbijdrage, wordt hij voor de toepassing van het eerste en tweede lid geacht geen salaris te genieten.

4. De eindejaarsuitkering wordt eenmaal per kalenderjaar en over dat kalenderjaar in de maand december betaald.

5. Bij ontslag van de ambtenaar vindt betaling plaats over het tijdvak gelegen tussen het einde van de laatst verstreken periode waarover de eindejaarsuitkering is betaald en de datum van het ontslag.

Hoofdstuk 5. Bepalingen betreffende de vakantie-uitkering

Artikel 22

1. De ambtenaar heeft recht op een vakantie-uitkering ten bedrage van 8% van de door hem genoten bezoldiging.

2. Voor de ambtenaar die 22 jaar of ouder is bedraagt de vakantie-uitkering tenminste € 137,12 per maand met dien verstande dat dit bedrag bij een onvolledige werktijd of bij genot van slechts een gedeelte van de bezoldiging, op andere gronden dan vermeld in het vierde lid, naar evenredigheid wordt verminderd.

3. Voor de ambtenaar die jonger is dan 22 jaar bedraagt de vakantie-uitkering ten minste het in het tweede lid genoemde bedrag verminderd met 10% voor elk leeftijdsjaar of gedeelte van een leeftijdsjaar dat hij jonger is dan 22 jaar, met een maximumaftrek van 30%, met dien verstande dat het bedrag waarop hij alsdan aanspraak heeft bij een onvolledige werktijd of bij genot van slechts een gedeelte van de bezoldiging, op andere gronden dan vermeld in het vierde lid, naar evenredigheid wordt verminderd.

4. Wanneer de ambtenaar op grond van de artikelen 22 tot en met 29 of van artikel 59 van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie of op grond van bepalingen van dezelfde strekking in een soortgelijke regeling slechts een gedeelte van zijn bezoldiging geniet, wordt hij voor de toepassing van het eerste lid geacht in het genot van zijn volle bezoldiging te zijn, met dien verstande dat wanneer het feitelijke genot van de bezoldiging is teruggebracht tot het bedrag van het op de ambtenaar te verhalen gedeelte van de pensioenbijdrage, hij voor toepassing van het eerste lid wordt geacht geen bezoldiging te genieten.

Artikel 23

1. De vakantie-uitkering wordt eenmaal per jaar betaald over de periode van 12 maanden, die is aangevangen met de maand juni van het voorafgaande kalenderjaar.

2. Bij ontslag van de ambtenaar vindt betaling plaats over het tijdvak, gelegen tussen het einde van de laatste verstreken periode waarover de vakantie-uitkering is betaald en de datum van het ontslag.

Hoofdstuk 6. Bepalingen betreffende een uitkering om redenen van werving of behoud

Artikel 24

1. Aan de ambtenaar kan om redenen van werving of behoud een uitkering worden toegekend.

2. De in het eerste lid bedoelde uitkering wordt toegekend aan het eind van een tijdvak dat tevoren is vastgesteld door het tot het toekennen van de uitkering bevoegde gezag, dat aan het toekennen nadere voorwaarden kan verbinden.

3. Aan de ambtenaar die niet heeft kunnen voldoen aan de in het tweede lid bedoelde voorwaarden door een naar het oordeel van het bevoegde gezag niet aan hemzelf te wijten oorzaak, kan de uitkering gedeeltelijk worden toegekend.

Hoofdstuk 7. Bepalingen betreffende vergoeding voor extra diensten

Artikel 25

1. Aan de ambtenaar, voor wie een salarisschaal geldt met een lager maximumsalaris dan dat van schaal 11 en die in opdracht van het bevoegde gezag overwerk verricht, wordt behoudens het bepaalde in het derde lid een vergoeding toegekend.

2. Onder overwerk wordt verstaan arbeid buiten de werktijden geldende voor de ambtenaar krachtens een rooster als bedoeld in artikel 30b, eerste lid, van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie of in bepalingen van dezelfde strekking in een soortgelijke regeling, voor zover daardoor het per werkperiode vastgestelde aantal arbeidsuren wordt overschreden.

3. Voor overwerk dat gedurende korter dan een half uur aansluitend aan de dagelijkse werktijd wordt verricht, wordt geen vergoeding toegekend.

4.

De werkperiode bedoeld in het tweede lid wordt gesteld op:

a. a. één dag, indien aanvang en einde van de werktijd in de regel niet aan wisselingen onderhevig zijn; b. b. een tijdvak van ten minste zeven dagen, indien de tijdstippen van aanvang en einde van de werktijd volgens een tevoren vastgesteld rooster wisselen.

5.

De vergoeding voor overwerk bestaat uit:

a. a. verlof, gelijk aan het aantal uren overschrijding van het per werkperiode vastgestelde aantal arbeidsuren, en b. b. een bedrag in geld, dat voor elk uur van die overschrijding een percentage van het voor de ambtenaar geldende salaris per uur bedraagt.

6. De vergoeding in verlof wordt zo spoedig mogelijk toegekend, doch in de regel niet later dan in de kalendermaand volgende op die, waarin de overschrijding plaats had, waarbij zoveel mogelijk rekening wordt gehouden met de wensen van de ambtenaar.

7. Indien naar het oordeel van het bevoegde gezag het dienstbelang zich verzet tegen het toekennen van verlof, wordt in plaats van verlof voor ieder uur een bedrag in geld toegekend gelijk aan het voor de ambtenaar geldende salaris per uur.

8.

Indien de werkperiode één dag omvat, bedraagt het in het vijfde lid, onder b, bedoelde percentage:

a. a. behoudens het gestelde onder b en c, het getal, vermeld in de onderstaande tabel: b. b. 50, indien gedurende langer dan twee uur overwerk is verricht, voor zover het overwerk betreft, dat na de eerste twee uur is verricht op maandag, dinsdag, woensdag, donderdag of vrijdag tussen 6.00 en 20.00 uur, behoudens het gestelde onder c; c. c. 100, indien het overwerk is verricht op een der feestdagen, genoemd in artikel 31g, tweede lid, van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie dan wel op de daarop volgende dag tussen 0.00 en 6.00 uur.

9.

Indien de werkperiode een tijdvak van tenminste zeven dagen omvat, bedraagt het in het vijfde lid, onder b bedoelde percentage:

a. a. 50, behoudens het gestelde onder b; b. b. 100, indien het overwerk is verricht op zondag, op maandag tussen 0.00 en 6.00 uur, op een der feestdagen, genoemd in artikel 31g, tweede lid, van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie, dan wel op de dag, volgende op de laatstgenoemde dag tussen 0.00 en 6.00 uur.

10. Voor het vaststellen van de duur van de overschrijding gelden de uren waarop krachtens het vijfde lid onder a, of krachtens het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie dan wel een overeenkomstige regeling vakantie of verlof is genoten, als uren waarop is gewerkt.

11. Aan ambtenaren voor wie verschillende salarisschalen gelden, die ingevolge een opdracht als bedoeld in het eerste lid gelijke werkzaamheden verrichten kan, in afwijking van het in dit artikel bepaalde, naar billijkheid een voor alle betrokken ambtenaren gelijke vergoeding worden toegekend.

12. In bijzondere gevallen kan een regeling worden getroffen, welke het bepaalde in dit artikel aanvult of daarvan afwijkt.

Hoofdstuk 8. Bepalingen betreffende het bevoegde gezag

Artikel 26

1. Het bepalen van de salarisschaal van de ambtenaar geschiedt door Onze Minister.

2. In afwijking van het eerste lid geschiedt het bepalen van de salarisschaal bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister, indien het maximumsalaris van die schaal gelijk is aan of hoger is dan het maximumsalaris van schaal 15 van bijlage B van dit besluit.

3. Het toekennen van het salaris, de eindejaarsuitkering, de vakantieuitkering, een beloning als bedoeld in artikel 11, een gratificatie als bedoeld in artikel 12, een toelage als bedoeld in de artikelen 12a tot en met 19, de uitkering, bedoeld in artikel 24, en een vergoeding voor extra diensten als bedoeld in artikel 25 en een vervangingstoelage als bedoeld in artikel 29a geschiedt door Onze Minister, dan wel door het bevoegd gezag.

4. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen bepalingen worden vastgesteld die afwijken van het bepaalde in dit artikel.

Artikel 27

1. Het vaststellen van een regeling als bedoeld in de artikelen 10, 15 zevende lid, 18 vierde lid en 25 twaalfde lid, geschiedt door Onze Minister.

2. Het toekennen van een toelage als bedoeld in artikel 20 geschiedt bij koninklijk besluit op gemeenschappelijke voordracht van Onze Minister-President en Onze Minister.

3. Het intrekken ingevolge artikel 21 van een toelage als bedoeld in de artikelen 12a, 19, 20 en 29a geschiedt door het gezag dat bevoegd is deze toelage toe te kennen.

Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 28

Voor gevallen, waarin dit besluit niet of niet naar billijkheid voorziet, wordt bij koninklijk besluit een bijzondere regeling getroffen op gemeenschappelijke voordracht van Onze Minister-President en Onze Minister.

Artikel 29

De aanspraken, welke een ambtenaar aan één van de onder at/m e opgesomde regelingen op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit kan ontlenen, blijven conform het bepaalde in die regelingen van kracht:

a. a.

    Overgangsregeling bezoldigingsbesluit burgerlijke rijksambtenaren 1984;

b. b. koninklijk besluit van 1 augustus 1984, houdende verlaging van beginsalarissen van burgerlijke rijksambtenaren (Stb. 1984, 371); c. c. koninklijk besluit van 14 december 1988, tot wijziging van het Bezoldigingsbesluit burgerlijke rijksambtenaren 1984 en enkele andere besluiten in verband met differentiatie in beloning op grond van individueel functioneren ( Stb. 1988, 652); d. d. koninklijk besluit van 22 juli 1985, houdende wijziging van het Bezoldigingsbesluit burgerlijke rijksambtenaren 1984 en vaststelling van een bijbehorende overgangsregeling (Stb. 1985, 454).

Artikel 29a

1. Voor de ambtenaar die op 30 juni 2003 aanspraak heeft op een toelage op grond van de Toelageregeling afschaffing tariefbeloning Defensie, wordt die aanspraak met ingang van 1 juli 2003 omgezet in een vervangingstoelage.

2. Het bedrag van de vervangingstoelage is op 1 juli 2003 gelijk aan het bedrag van de toelage waarop de ambtenaar op 30 juni 2003 aanspraak heeft op grond van de Toelageregeling afschaffing tariefbeloning Defensie.

3. Voor zover de toelage op grond van de Toelageregeling afschaffing tariefbeloning Defensie op 30 juni 2003 deel uitmaakt van de bezoldiging onderscheidenlijk de grondslag voor de vakantie-uitkering onderscheidenlijk het pensioengevend inkomen, maakt de vervangingstoelage vanaf 1 juli 2003 op overeenkomstige wijze deel uit van de bezoldiging onderscheidenlijk de grondslag voor de vakantie-uitkering onderscheidenlijk het pensioengevend inkomen.

4. Voor zover de toelage op grond van de Toelageregeling afschaffing tariefbeloning Defensie vóór 30 juni 2003 wordt aangepast met het percentage van een algemene salarismaatregel, wordt de vervangingstoelage vanaf 1 juli 2003 op overeenkomstige wijze aangepast met het percentage van een algemene salarismaatregel.

Artikel 30

Voor zover op grond van de bepalingen van dit besluit nadere regels moeten worden gegeven gelden na de inwerkingtreding van dit besluit ten aanzien van de ambtenaar als genoemd in artikel 1 van dit besluit de op basis van de overeenkomstige bepalingen van het Bezoldigingsbesluit burgerlijke rijksambtenaren 1984 vastgestelde regels 1) als nadere regels berustende op dit besluit voor zover zij daarmede niet in strijd zijn. Zij blijven gedurende één jaar na het in werking treden van dit besluit van toepassing op de in artikel 1 genoemde ambtenaar tenzij Onze Minister anders bepaalt.

Artikel 30a

Aan de ministeriële regeling bedoeld in artikel 9a kan terugwerkende kracht worden verleend tot en met 1 januari 1995.

Artikel 31

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 april 1993.

Artikel 32

Dit besluit wordt aangehaald als Bezoldigingsbesluit burgerlijke ambtenaren defensie.

Bijlage A. (BBAD, artikel 4)

Vervallen.

Bijlage B. (BBAD, artikel 5, derde lid) van het Bezoldigingsbesluit burgerlijke ambtenaren defensie bevattende het kader (hoofd- en niveaugroepen) waarbinnen aard en niveau van de functies worden bepaald, alsmede de daarbij behorende salarisschalen voor de ambtenaren