rijk/amvb/interne-klokkenluidersregeling-rijk-politie-en-defensie/BWBR0038940
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00
..
README.md feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown 2026-03-30 06:27:40 +02:00

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Interne klokkenluidersregeling Rijk, Politie en Defensie BWBR0038940 AMvB geldend 2017-01-01 https://wetten.overheid.nl/BWBR0038940 Interne klokkenluidersregeling Rijk, Politie en Defensie

Interne klokkenluidersregeling Rijk, Politie en Defensie

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1

In dit besluit wordt verstaan onder:

a. a.

    *ambtenaar:*
  
  
    
      1°
      de ambtenaar in de zin van het Algemeen Rijksambtenarenreglement;
    
    
      2°
      de ambtenaar in de zin van het Ambtenarenreglement Staten-Generaal;
    
    
      3°
      de ambtenaar in de zin van het Reglement Dienst Buitenlandse Zaken;
    
    
      4°
      de ambtenaar in de zin van het Besluit algemene rechtspositie politie of het Besluit rechtspositie vrijwillige politie;
    
    
      5°
      de ambtenaar in de zin van het Algemeen militair ambtenarenreglement of het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie;
    
    
      6°
      gewezen ambtenaren;
    
    
      7°
      degenen die anderszins arbeid verrichten of hebben verricht bij een ambtelijke organisatie.

1° 1° de ambtenaar in de zin van het Algemeen Rijksambtenarenreglement; 2° 2° de ambtenaar in de zin van het Ambtenarenreglement Staten-Generaal; 3° 3° de ambtenaar in de zin van het Reglement Dienst Buitenlandse Zaken; 4° 4° de ambtenaar in de zin van het Besluit algemene rechtspositie politie of het Besluit rechtspositie vrijwillige politie; 5° 5° de ambtenaar in de zin van het Algemeen militair ambtenarenreglement of het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie; 6° 6° gewezen ambtenaren; 7° 7° degenen die anderszins arbeid verrichten of hebben verricht bij een ambtelijke organisatie. b. b.

    *ambtelijke organisatie:* de ambtelijke dienst van:
  
    
      1°
      elk ministerie;
    
    
      2°
      de Tweede Kamer en de Eerste Kamer der Staten-Generaal;
    
    
      3°
      de Raad van State;
    
    
      4°
      de Algemene Rekenkamer;
    
    
      5°
      de Nationale ombudsman;
    
    
      6°
      de Hoge Raad van Adel;
    
    
      7°
      het Kabinet van de Koning;
    
    
      8°
      de Kanselarij der Nederlandse Orden;
    
    
      9°
      het secretariaat van de commissie van toezicht op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten;
    
    
      10°
      de Raad voor de rechtspraak, de rechtbanken, de gerechtshoven, de Centrale Raad van Beroep, het College van beroep voor het bedrijfsleven, de niet rechterlijke leden van de Raad voor de rechtspraak en van de besturen van voornoemde gerechten daaronder begrepen, en de gemeenschappelijke diensten die twee of meer van de in dit onderdeel genoemde organisaties in stand houden;
    
    
      11°
      de Hoge Raad;
    
    
      12°
      de politie, bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de Politiewet 2012;
    
    
      13°
      de Politieacademie, bedoeld in artikel 73, eerste lid, van de Politiewet 2012;
    
    
      14°
      het secretariaat van de toetsingscommissie inzet bevoegdheden;

1° 1° elk ministerie; 2° 2° de Tweede Kamer en de Eerste Kamer der Staten-Generaal; 3° 3° de Raad van State; 4° 4° de Algemene Rekenkamer; 5° 5° de Nationale ombudsman; 6° 6° de Hoge Raad van Adel; 7° 7° het Kabinet van de Koning; 8° 8° de Kanselarij der Nederlandse Orden; 9° 9° het secretariaat van de commissie van toezicht op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten; 10° 10° de Raad voor de rechtspraak, de rechtbanken, de gerechtshoven, de Centrale Raad van Beroep, het College van beroep voor het bedrijfsleven, de niet rechterlijke leden van de Raad voor de rechtspraak en van de besturen van voornoemde gerechten daaronder begrepen, en de gemeenschappelijke diensten die twee of meer van de in dit onderdeel genoemde organisaties in stand houden; 11° 11° de Hoge Raad; 12° 12° de politie, bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de Politiewet 2012; 13° 13° de Politieacademie, bedoeld in artikel 73, eerste lid, van de Politiewet 2012; 14° 14° het secretariaat van de toetsingscommissie inzet bevoegdheden; c. c.

    *bevoegd gezag:* het tot aanstelling bevoegde gezag in de zin van:
  
    
      1°
      het Algemeen Rijksambtenarenreglement;
    
    
      2°
      het Ambtenarenreglement Staten-Generaal;
    
    
      3°
      het Reglement dienst Buitenlandse Zaken;
    
    
      4°
      het Besluit algemene rechtspositie politie;
    
    
      5°
      het Besluit rechtspositie vrijwillige politie;
    
    
      6°
      het Algemeen militair ambtenarenreglement;
    
    
      7°
      en het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie;

1° 1° het Algemeen Rijksambtenarenreglement; 2° 2° het Ambtenarenreglement Staten-Generaal; 3° 3° het Reglement dienst Buitenlandse Zaken; 4° 4° het Besluit algemene rechtspositie politie; 5° 5° het Besluit rechtspositie vrijwillige politie; 6° 6° het Algemeen militair ambtenarenreglement; 7° 7° en het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie; d. d.

    *hoogste leidinggevende:* de ambtenaar die de hoogste zeggenschap uitoefent bij de leiding van de arbeid in de ambtelijke organisatie;

e. e.

    *melder:* de ambtenaar, de gewezen ambtenaar en degene die anderszins arbeid verricht of heeft verricht bij een ambtelijke organisatie die een vermoeden van een misstand meldt overeenkomstig hoofdstuk 2 van dit besluit;

f. f.

    *melding:* de melding van een vermoeden van een misstand door een melder.

Artikel 2

1. Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat een melder als gevolg van het te goeder trouw en naar behoren melden van een vermoeden van een misstand of een vertrouwenspersoon integriteit vanwege diens functie als vertrouwenspersoon integriteit bij de uitoefening van zijn functie geen nadelige gevolgen ondervindt tijdens en na de behandeling van de melding.

2. Ten aanzien van een melder die anderszins arbeid verricht of heeft verricht bij een ambtelijke organisatie wordt als gevolg van het te goeder trouw en naar behoren melden van een vermoeden van een misstand geen beslissing genomen of handeling verricht met nadelige gevolgen voor zijn rechtspositie tijdens en na de behandeling van deze melding bij het bevoegd gezag, een andere werkgever, de afdeling onderzoek van het Huis voor klokkenluiders of een andere daartoe bevoegde instantie.

3. Ten aanzien van een vertrouwenspersoon integriteit of een gewezen vertrouwenspersoon integriteit wordt vanwege de uitoefening van zijn taken op basis van dit besluit geen beslissing genomen of handeling verricht met nadelige gevolgen voor zijn rechtspositie.

Hoofdstuk 2. Procedure voor het melden van een misstand

Artikel 3

1. Het bevoegd gezag wijst een of meer vertrouwenspersonen integriteit aan bij de ambtelijke organisatie.

2.

De vertrouwenspersoon integriteit heeft in elk geval tot taak:

a. a. een ambtenaar op diens verzoek te adviseren over het omgaan met een vermoeden van een misstand; en b. b. de hoogste leidinggevende te informeren over een melding.

Artikel 4

1. Een ambtenaar doet een melding bij zijn direct leidinggevende, bij een hogere leidinggevende, bij een daartoe ingericht organisatieonderdeel of bij een vertrouwenspersoon integriteit. Indien dit niet in redelijkheid van hem kan worden gevraagd, kan hij rechtstreeks een melding doen bij de afdeling onderzoek van het Huis voor klokkenluiders of een andere daartoe bevoegde instantie.

2. Een melding over een andere organisatie doet een ambtenaar bij een leidinggevende of bij een vertrouwenspersoon van die organisatie of, indien dit in redelijkheid niet van hem kan worden gevraagd, rechtstreeks bij de afdeling onderzoek van het Huis voor klokkenluiders of een andere daartoe bevoegde instantie.

Artikel 5

Een ambtenaar kan een krachtens artikel 3, eerste lid, aangewezen vertrouwenspersoon integriteit in vertrouwen raadplegen over een vermoeden van een misstand.

Artikel 6

De vertrouwenspersoon integriteit maakt de identiteit van de melder niet bekend zonder schriftelijke instemming van de melder.

Artikel 7

Degene bij wie een melding is gedaan, stelt de hoogste leidinggevende onverwijld in kennis van de melding en de datum waarop deze is ontvangen.

Artikel 8

Diegenen die betrokken zijn bij de behandeling van de melding gaan vertrouwelijk met de melding en de identiteit van de melder om.

Artikel 9

De hoogste leidinggevende bevestigt de ontvangst van de melding schriftelijk aan de melder, al dan niet via de vertrouwenspersoon integriteit, en informeert de persoon of personen op wie de melding betrekking heeft over de melding, tenzij daardoor een onderzoeksbelang of een belang van de melder onnodig of onevenredig kan worden geschaad.

Artikel 10

1.

Het bevoegd gezag stelt onverwijld een onderzoek in naar het vermoeden van een misstand, tenzij:

a. a. het vermoeden van een misstand kennelijk ongegrond is; b. b. de melding kennelijk onredelijk laat is gedaan.

2. Het bevoegd gezag meldt het achterwege laten van een onderzoek en van de verdere behandeling van de melding zo spoedig mogelijk schriftelijk en gemotiveerd aan de melder, al dan niet via de vertrouwenspersoon integriteit, alsmede aan de persoon of personen op wie de melding betrekking heeft, indien deze op de hoogte zijn gebracht van de melding.

3. Bij de kennisgeving, bedoeld in het tweede lid, wordt mededeling gedaan van de mogelijkheid het vermoeden van een misstand te melden bij de afdeling onderzoek van het Huis voor klokkenluiders of een andere daartoe bevoegde instantie.

4. Het onderzoek wordt niet verricht door een persoon die mogelijk betrokken is of is geweest bij de vermoedelijke misstand of op onvoldoende afstand staat van de te onderzoeken kwestie of personen.

Artikel 11

1. Het bevoegd gezag stelt de melder, al dan niet via de vertrouwenspersoon integriteit, binnen twaalf weken na de melding schriftelijk en gemotiveerd in kennis van de bevindingen van het onderzoek, het oordeel daarover en de eventuele consequenties die daaraan worden verbonden.

2. Als niet binnen twaalf weken toepassing kan worden gegeven aan het eerste lid, wordt de melder, al dan niet via de vertrouwenspersoon integriteit, voordat deze termijn verlopen is daarvan schriftelijk en gemotiveerd op de hoogte gesteld. Daarbij wordt de termijn aangegeven waarbinnen de melder, al dan niet via de vertrouwenspersoon integriteit, een kennisgeving als bedoeld in het eerste lid ontvangt.

3. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op de persoon of personen op wie de melding betrekking heeft, tenzij daardoor een onderzoeksbelang kan worden geschaad.

4. Bij de kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, wordt mededeling gedaan van de mogelijkheid het vermoeden van een misstand te melden bij de afdeling onderzoek van het Huis voor klokkenluiders of een andere daartoe bevoegde instantie.

Artikel 12

1. Indien de afdeling onderzoek van het Huis voor klokkenluiders aan het bevoegd gezag in haar rapport een aanbeveling doet als bedoeld in artikel 17, tweede lid, onder c, van de Wet Huis voor klokkenluiders, stelt het bevoegd gezag de melder, al dan niet via de vertrouwenspersoon integriteit, en de persoon of personen op wie de melding betrekking heeft, uiterlijk binnen twaalf weken na openbaarmaking van het rapport schriftelijk in kennis van zijn standpunt dienaangaande en de eventuele consequenties die het daaraan verbindt.

2. Als het standpunt en de consequenties afwijken van de aanbeveling, vermeldt het bevoegd gezag de reden voor de afwijking.

Hoofdstuk 3. Financiële tegemoetkoming

Artikel 13

1.

De melder, de vertrouwenspersoon integriteit of de gewezen vertrouwenspersoon integriteit, die bezwaar maakt of een gerechtelijke procedure instelt, kan aanspraak maken op een tegemoetkoming in de kosten van die procedure, op voorwaarde dat:

a. a. de procedure is gericht tegen een gestelde benadeling als gevolg van een melding dan wel de procedure is gericht tegen een gestelde benadeling van de vertrouwenspersoon integriteit of de gewezen vertrouwenspersoon integriteit als gevolg van de uitoefening van zijn functie als vertrouwenspersoon integriteit; b. b. de benadeling, bedoeld in onderdeel a, heeft plaatsgevonden binnen vijf jaar nadat het bevoegd gezag kennis heeft gegeven van de bevindingen en het oordeel, bedoeld in artikel 10, eerste lid, of binnen vijf jaar na openbaarmaking van een rapport als bedoeld in artikel 17 van de Wet Huis voor klokkenluiders door de afdeling onderzoek van het Huis voor klokkenluiders, dan wel binnen vijf jaar nadat de melding anderszins is afgehandeld.

2.

De melder, de vertrouwenspersoon integriteit of de gewezen vertrouwenspersoon integriteit die zijn zienswijze naar voren brengt met betrekking tot een voorgenomen beslissing of handeling die naar zijn oordeel een benadeling inhoudt als gevolg van een melding of van de uitoefening van zijn functie als vertrouwenspersoon integriteit, kan aanspraak maken op een tegemoetkoming in de kosten, indien:

a. a. het voornemen is kenbaar gemaakt binnen de in het eerste lid, onder b, genoemde termijn, en b. b. in de zienswijze naar voren wordt gebracht dat de voorgenomen beslissing of handeling het gevolg is van de melding of van de uitoefening van zijn functie als vertrouwenspersoon integriteit.

3. De melder, de vertrouwenspersoon integriteit, of de gewezen vertrouwenspersoon integriteit richt een verzoek om een tegemoetkoming aan het bevoegd gezag.

4. Aanspraak op een tegemoetkoming bestaat alleen voor zover in verband met de in het eerste en tweede lid bedoelde procedures daadwerkelijk kosten worden of zijn gemaakt met betrekking tot door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Artikel 14

1. De tegemoetkoming voor iedere afzonderlijke procedure, bedoeld in artikel 13, eerste en tweede lid, is gelijk aan tweemaal het bedrag, genoemd in onderdeel B1 van de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht.

2. Artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 15

1. Het bevoegd gezag beslist binnen zes weken op het verzoek.

2. Het bevoegd gezag kan de beslissing voor ten hoogste vier weken verdagen. Van de verdaging wordt schriftelijk mededeling gedaan.

Artikel 16

Degene aan wie een tegemoetkoming is toegekend, kan worden verplicht tot terugbetaling, indien hij de procedure waarop de tegemoetkoming betrekking heeft voortijdig staakt. Deze verplichting geldt niet, indien het staken van de procedure direct voortvloeit uit de intrekking door het bevoegd gezag van de beslissing of het herzien van de handeling, waartegen de procedure is gericht.

Artikel 17

1.

Als een beslissing of handeling of een voorgenomen beslissing of handeling waarvoor op grond van artikel 13 aanspraak bestaat op een tegemoetkoming in de kosten van de procedures, in de bezwaarprocedure of zienswijzeprocedure wordt herroepen wegens een aan het bevoegd gezag te wijten onrechtmatigheid of de bestreden beslissing of handeling als gevolg van een uitspraak van de rechter die onherroepelijk is geworden wordt vernietigd, waarbij de rechtsgevolgen niet in stand worden gelaten, vergoedt het bevoegd gezag voor iedere afzonderlijke procedure aan de melder, de vertrouwenspersoon integriteit of de gewezen vertrouwenspersoon integriteit alle daadwerkelijk en in redelijkheid door hem gemaakte kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht, met dien verstande dat:

a. a. de vergoeding wordt toegekend zonder toepassing van het tariefsysteem in voornoemd besluit; b. b. de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand worden vergoed voor een bedrag van ten hoogste € 258,57 per uur tot een bedrag van ten hoogste € 6205,71, beide bedragen exclusief BTW en kantoorkosten; c. c. aan de betrokkene toegekende bedragen waarop hij op grond van een ander wettelijk voorschrift of een uitspraak van een gerechtelijke instantie aanspraak heeft in verband met de vergoeding van kosten als bedoeld in dit artikel, in aftrek worden gebracht op de vergoeding.

2. De in het eerste lid genoemde bedragen worden per 1 januari van elk jaar bij ministeriële regeling gewijzigd aan de hand van de consumentenprijsindex, geldend voor de maand september van het voorafgaande jaar.

Hoofdstuk 4. Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 18

1. Het Besluit melden vermoeden van misstand bij Rijk en Politie wordt ingetrokken.

2. Op een melding ingediend bij de Commissie integriteit overheid voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit blijft hetgeen ter zake was bepaald in het Besluit melden vermoeden van misstand bij Rijk en Politie van toepassing.

Artikel 19

Wijzigt het Algemeen militair ambtenarenreglement.

Artikel 20

Wijzigt het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie.

Artikel 21

Onze Minister voor Wonen en Rijksdienst zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van dit besluit aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van dit besluit in de praktijk.

Artikel 22

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2017.

Artikel 23

Dit besluit wordt aangehaald als: Interne klokkenluidersregeling Rijk, Politie en Defensie.