rijk/amvb/rechtspositiereglement-wetenschappelijk-onderwijs/BWBR0004192
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00
..
README.md feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown 2026-03-30 06:27:40 +02:00

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Rechtspositiereglement Wetenschappelijk Onderwijs BWBR0004192 AMvB geldend 1987-10-01 https://wetten.overheid.nl/BWBR0004192 Rechtspositiereglement Wetenschappelijk Onderwijs

Rechtspositiereglement Wetenschappelijk Onderwijs

Artikel I

Vervallen

Artikel 1

Vervallen

Artikel 2

In dit besluit wordt verstaan onder:

a. a. orgaan voor postacademisch onderwijs: een publiekrechtelijk orgaan voor postacademisch onderwijs; b. b. instelling: een rijksuniversiteit, een orgaan voor postacademisch onderwijs, de Koninklijke Bibliotheek, de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie, de Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek, de Open Universiteit dan wel een academisch ziekenhuis bij een rijksuniversiteit. c. c. bevoegd gezag:

      1.
      in hoofdstuk II: voor zover het een rijksuniversiteit of de gemeentelijke universiteit te Amsterdam betreft, het college van bestuur, voor zover het een orgaan voor postacademisch onderwijs betreft, het bestuur van dat orgaan en, voor zover het betreft het van overeenkomstige toepassing zijn van hoofdstuk II op de Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek, op de Koninklijke Bibliotheek, op de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen en op het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie, het Algemeen Bestuur, onderscheidenlijk het Algemeen Bestuurscollege, het Bestuur en Onze Minister van Onderwijs en Wetenschappen;
    
    
      2.
      in hoofdstuk IV: het Algemeen Bestuur van de Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek;
    
    
      3.
      in hoofdstuk V: het college van bestuur van de Open Universiteit;
    
    
      4.
      in hoofdstuk VI: het bestuur van het academisch ziekenhuis.
    1. in hoofdstuk II: voor zover het een rijksuniversiteit of de gemeentelijke universiteit te Amsterdam betreft, het college van bestuur, voor zover het een orgaan voor postacademisch onderwijs betreft, het bestuur van dat orgaan en, voor zover het betreft het van overeenkomstige toepassing zijn van hoofdstuk II op de Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek, op de Koninklijke Bibliotheek, op de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen en op het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie, het Algemeen Bestuur, onderscheidenlijk het Algemeen Bestuurscollege, het Bestuur en Onze Minister van Onderwijs en Wetenschappen;
      
    1. in hoofdstuk IV: het Algemeen Bestuur van de Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek;
      
    1. in hoofdstuk V: het college van bestuur van de Open Universiteit;
      
    1. in hoofdstuk VI: het bestuur van het academisch ziekenhuis.
      

d. d. C.O.P.W.O.: het Centraal Overlegorgaan Personeelszaken Wetenschappelijk Onderwijs, bedoeld in artikel 2 van het Koninklijk besluit van 18 april 1974, Stb. 251; e. e. plaatselijk overlegorgaan: het overlegorgaan, bedoeld in artikel 14 van het Koninklijk besluit van 18 april 1974, Stb. 251.

Artikel 2a

Vervallen

Artikel 3

Vervallen

Artikel 4

Vervallen

Artikel 5

Vervallen

Artikel 5a

Vervallen

Artikel 6

Vervallen

Artikel 7

Vervallen

Artikel 8

Vervallen

Artikel 9

Vervallen

Artikel 10

Vervallen

Artikel 11

Vervallen

Artikel 12

Vervallen

Artikel 13

Vervallen

Artikel 13a

Vervallen

Artikel 13b

Vervallen

Artikel 13c

Vervallen

Artikel 13d

Vervallen

Artikel 13e

Vervallen

Artikel 13f

Vervallen

Artikel 13g

Vervallen

Artikel 13h

Vervallen

Artikel 14

1. De ambtenaar dan wel werknemer die is benoemd tot lid van het college van bestuur of van een faculteitsbestuur dan wel tot rector magnificus, wordt in verband daarmee ontheven van de vervulling van zijn betrekking.

2. Voor de vervulling van de betrekking van de ambtenaar dan wel werknemer, bedoeld in het eerste lid, wordt in elk geval gedurende diens eerste bestuursperiode geen voorziening getroffen die de terugkeer van de betrokkene naar die betrekking onmogelijk maakt.

Artikel 15

1. Aan de ambtenaar dan wel werknemer, bedoeld in artikel 14, eerste lid, wordt, na beëindiging van zijn lidmaatschap van het college van bestuur of faculteitsbestuur dan wel van zijn rectoraat, op zijn verzoek buitengewoon verlof verleend met behoud van bezoldiging dan wel loon.

2. Bij de vaststelling van de duur van dat verlof wordt in aanmerking genomen dat het verlof uitsluitend ten doel heeft de ambtenaar dan wel werknemer in de gelegenheid te stellen de voor een juiste vervulling van zijn betrekking noodzakelijke kennis te verwerven van de ontwikkelingen die zich gedurende zijn in het eerste lid bedoelde lidmaatschap op zijn vakgebied hebben voorgedaan.

3. Het verlof wordt verleend voor ten hoogste een derde van het aantal maanden waarin de ambtenaar dan wel werknemer zonder onderbreking lid is geweest van het college van bestuur of faculteitsbestuur dan wel het rectoraat heeft vervuld. Het bedraagt in geen geval meer dan twaalf maanden.

4. Indien voor de vervulling van de betrekking van de ambtenaar dan wel werknemer aan wie ingevolge het bepaalde in het eerste lid verlof is verleend, geen voorziening is getroffen die diens terugkeer naar die betrekking onmogelijk maakt, wordt zulk een voorziening evenmin getroffen gedurende het verlof.

5. Het bepaalde in het eerste, tweede en derde lid is van overeenkomstige toepassing op de ambtenaar dan wel werknemer die, gekozen tot lid van een faculteitsbestuur, onverminderd het bepaalde in artikel 17, gedurende zijn lidmaatschap van dat bestuur vrijwel de gehele werktijd heeft besteed aan werkzaamheden die uit dat lidmaatschap voortvloeien. Voor de vervulling van de betrekking van de ambtenaar dan wel werknemer, bedoeld in de eerste volzin, wordt gedurende het verlof geen voorziening getroffen die diens terugkeer naar die betrekking onmogelijk maakt.

Artikel 16

1. Indien, onverminderd het bepaalde in de artikelen 14, tweede lid, en 15, vierde lid, in de vervulling van de betrekking van de ambtenaar dan wel werknemer, bedoeld in artikel 14, eerste lid, blijvend is voorzien dan wel die betrekking is opgeheven, onderzoekt na afloop van de bestuursperiode van de ambtenaar dan wel werknemer, onderscheidenlijk na afloop van het ingevolge artikel 15, eerste lid, verleende verlof het bevoegd gezag zorgvuldig of binnen zijn gezagsbereik de ambtenaar dan wel werknemer een andere mede in verband met zijn persoonlijkheid en omstandigheden passende betrekking kan worden opgedragen. Indien naar het oordeel van het bevoegd gezag nodig en mogelijk, wordt de ambtenaar dan wel werknemer in de gelegenheid gesteld zich de voor de nieuwe betrekking nodige bekwaamheden te verwerven. De daaraan verbonden kosten komen binnen redelijke grenzen, ter beoordeling van het bevoegd gezag, ten laste van de instelling.

2. Indien de ambtenaar dan wel werknemer geen andere passende betrekking kan worden opgedragen, wordt hem eervol ontslag verleend. Het bevoegd gezag neemt daarbij een opzeggingstermijn van ten minste drie maanden in acht.

3. Indien binnen een tijdvak van uiterlijk een jaar nadat de ambtenaar dan wel werknemer de andere betrekking is gaan vervullen, die betrekking voor hem niet passend blijkt te zijn, kan hem alsnog ontslag worden verleend. Het bevoegd gezag neemt daarbij een opzeggingstermijn van ten minste drie maanden in acht. Het ontslag wordt eervol verleend.

Artikel 17

1.

De ambtenaar dan wel werknemer die:

a. a. is gekozen tot lid van de universiteitsraad, van een faculteitsraad of faculteitsbestuur, b. b. als vertegenwoordiger van het niet tot de wetenschappelijke staf behorend wetenschappelijk personeel of van het ondersteunend of beheerspersoneel is aangewezen als lid van een vakgroeps- of werkgroepsbestuur, c. c. is benoemd tot of aangewezen als lid van een bij of krachtens de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek ingestelde commissie, daaronder mede begrepen een dienstcommissie, d. d. is benoemd tot lid of plaatsvervangend lid van het college van beroep voor de examens of van het College van beroep voor het wetenschappelijk onderwijs,

wordt in de gelegenheid gesteld de werkzaamheden die deze in zijn betrekking van ambtenaar dan wel werknemer dient te vervullen, te verminderen voor zolang en voor zover zulks redelijkerwijze noodzakelijk is voor het voorbereiden en bijwonen van de vergaderingen dan wel zittingen van die organen en voor het verrichten van daaruit voortvloeiende werkzaamheden ten behoeve van die organen, en zulks naar het oordeel van het bevoegd gezag redelijkerwijze is te verwezenlijken gelet op de vervulling van de bedoelde betrekking.

Artikel 18

Het bevoegd gezag kan ter zake van het in deze paragraaf bepaalde nadere voorschriften vaststellen.

Artikel 19

Het bevoegd gezag bevordert zo veel mogelijk het werkoverleg bij eenheden van beheer.

Artikel 20

1. Over de instelling van dienstcommissies krachtens artikel 103 van de Wet op het wetenschappelijk onderwijs heeft overleg plaats met het plaatselijk overlegorgaan.

2. Bij het instellen van dienstcommissies wordt er zoveel mogelijk op gelet, dat de eenheid waarvoor een commissie wordt ingesteld, in organisatorische dan wel beleidsuitvoerend opzicht een eenheid vormt.

3.

Bij de overeenkomstige toepassing van de artikelen 124 tot en met 126a, 126b, eerste, tweede en zesde lid, en 126c tot en met 129a van het Algemeen Rijksambtenarenreglement op de in de voorgaande leden bedoelde dienstcommissies wordt gelezen in de plaats van:

a. a. Onze Minister: het bevoegd gezag in de zin van dit besluit; b. b. bijzondere commissie: het plaatselijk overlegorgaan; c. c. de Centrale Commissie voor Georganiseerd Overleg in Ambtenarenzaken: het plaatselijk overlegorgaan.

Artikel 20a

1. Het bevoegd gezag van onderscheidenlijk de Koninklijke Bibliotheek, de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen en het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie stelt dienstcommissies in voor eenheden binnen de instelling.

2. De bepalingen van artikel 20 zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 21

Vervallen

Artikel 22

Vervallen

Artikel 23

Vervallen

Artikel 24

Vervallen

Artikel 25

Vervallen

Artikel 26

Vervallen

Artikel 27

Vervallen

Artikel 28

Vervallen

Artikel 29

Vervallen

Artikel 30

Vervallen

Artikel 31

Vervallen

Artikel 32

Vervallen

Artikel 33

Vervallen

Artikel 34

Vervallen

Artikel 35

Vervallen

Artikel 36

Vervallen

Artikel 37

Vervallen

Artikel 38

Vervallen

Artikel 39

Vervallen

Artikel 40

Vervallen

Artikel 41

Vervallen

Artikel 42

Vervallen

Artikel 43

Vervallen

Artikel 44

Vervallen

Artikel 45

Vervallen

Artikel 46

Vervallen

Artikel 47

Vervallen

Artikel 48

Vervallen

Artikel 49

Vervallen

Artikel 50

Vervallen

Artikel 51

Vervallen

Artikel 52

Vervallen

Artikel 53

Vervallen

Artikel 54

Vervallen

Artikel 55

Vervallen

Artikel 55a

Vervallen

Artikel 56

Vervallen

Artikel 57

Vervallen

Artikel 58

Vervallen

Artikel 59

Vervallen

Artikel 60

Vervallen

Artikel 61

Vervallen

Artikel 62

Vervallen

Artikel 63

Vervallen

Artikel 64

Vervallen

Artikel 65

Vervallen

Artikel 66

Vervallen

Artikel 67

Vervallen

Artikel 68

Vervallen

Artikel 69

Vervallen

Artikel 70

Vervallen

Artikel 71

Vervallen

Artikel 72

Vervallen

Artikel 73

Vervallen

Artikel 74

Vervallen

Artikel 75

Vervallen

Artikel 76

Vervallen

Artikel 77

Vervallen

Artikel 78

Ambtenaar in de zin van deze titel is degene die is benoemd tot lid van het algemeen bestuur van de Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek.

Artikel 79

Met uitzondering van de eerste volzin van artikel 65, tweede lid, is hoofdstuk III zoals dat luidde op 18 maart 1997, van overeenkomstige toepassing op de leden van het algemeen bestuur.

Artikel 80

1. Aan de leden van de gebiedsbesturen en afdelingsbesturen van de Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek kan een tegemoetkoming, vergoeding van kosten dan wel beide worden toegekend. Het bevoegd gezag kan nadere regelen stellen met betrekking tot het bepaalde in de voorgaande volzin.

2. De tegemoetkoming dan wel de vergoeding van kosten, bedoeld in het eerste lid, is geen bezoldiging in de zin van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984.

Artikel 81

Vervallen

Artikel 82

Vervallen

Artikel 83

Vervallen

Artikel 84

Vervallen

Artikel 84a

Vervallen

Artikel 85

Vervallen

Artikel 86

Vervallen

Artikel 87

Vervallen

Artikel 88

Vervallen

Artikel 89

Vervallen

Artikel 90

Vervallen

Artikel 91

Vervallen

Artikel 91a

Vervallen

Artikel 91b

Vervallen

Artikel 92

Vervallen

Artikel 92a

Vervallen

Artikel 92b

Vervallen

Artikel 92c

Vervallen

Artikel 92d

Vervallen

Artikel 92e

Vervallen

Artikel 92f

Vervallen

Artikel 93

1. De ambtenaar dan wel werknemer die is benoemd tot lid van het college van bestuur, wordt in verband daarmee ontheven van de vervulling van zijn betrekking.

2. Voor de vervulling van de betrekking van de ambtenaar dan wel werknemer, bedoeld in het eerste lid, wordt in elk geval gedurende diens eerste bestuursperiode geen voorziening getroffen die de terugkeer van de betrokkene naar die betrekking onmogelijk maakt.

Artikel 94

1. Aan de ambtenaar dan wel werknemer, bedoeld in artikel 93, eerste lid, wordt, na beëindiging van zijn lidmaatschap van het college van bestuur op zijn verzoek buitengewoon verlof verleend met behoud van bezoldiging dan wel loon.

2. Bij de vaststelling van de duur van dat verlof wordt in aanmerking genomen dat het verlof uitsluitend ten doel heeft de ambtenaar dan wel werknemer in de gelegenheid te stellen de voor een juiste vervulling van zijn betrekking noodzakelijke kennis te verwerven van de ontwikkelingen die zich gedurende zijn in het eerste lid bedoelde lidmaatschap op zijn vakgebied hebben voorgedaan.

3. Het verlof wordt verleend voor ten hoogste een derde van het aantal maanden waarin de ambtenaar dan wel de werknemer zonder onderbreking lid is geweest van het college van bestuur. Het bedraagt in geen geval meer dan twaalf maanden.

4. Indien voor de vervulling van de betrekking van de ambtenaar dan wel werknemer aan wie ingevolge het bepaalde in het eerste lid verlof is verleend, geen voorziening is getroffen die diens terugkeer naar die betrekking onmogelijk maakt, wordt zulk een voorziening evenmin getroffen gedurende het verlof.

Artikel 95

1. Indien, onverminderd het bepaalde in de artikelen 93, tweede lid, en 94, vierde lid, in de vervulling van de betrekking van de ambtenaar dan wel werknemer, bedoeld in artikel 93, eerste lid, blijvend is voorzien dan wel die betrekking is opgeheven, onderzoekt na afloop van de bestuursperiode van de ambtenaar dan wel werknemer, onderscheidenlijk na afloop van het ingevolge artikel 94, eerste lid, verleende verlof het bevoegd gezag zorgvuldig of binnen zijn gezagsbereik de ambtenaar dan wel werknemer een andere mede in verband met zijn persoonlijkheid en omstandigheden passende betrekking kan worden opgedragen. Indien naar het oordeel van het bevoegd gezag nodig en mogelijk, wordt de ambtenaar dan wel werknemer in de gelegenheid gesteld zich de voor de nieuwe betrekking nodige bekwaamheden te verwerven. De daaraan verbonden kosten komen binnen redelijke grenzen, ter beoordeling van het bevoegd gezag, ten laste van de instelling.

2. Indien de ambtenaar dan wel werknemer geen andere passende betrekking kan worden opgedragen, wordt hem eervol ontslag verleend. Het bevoegd gezag neemt daarbij een opzeggingstermijn van ten minste drie maanden in acht.

3. Indien binnen een tijdvak van uiterlijk een jaar nadat de ambtenaar dan wel werknemer de andere betrekking is gaan vervullen, die betrekking voor hem niet passend blijkt te zijn, kan hem alsnog ontslag worden verleend. Het bevoegd gezag neemt daarbij een opzeggingstermijn van ten minste drie maanden in acht. Het ontslag wordt eervol verleend.

Artikel 96

1.

De ambtenaar dan wel werknemer die:

a. a. is gekozen tot lid van de bestuursraad, de medezeggenschapsraad, een personeelsraad, een deelraad van een studiecentrum of van een combinatie van studiecentra; b. b. is benoemd tot of aangewezen als lid van een bij of krachtens de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek ingestelde commissie of een krachtens dit besluit ingestelde dienstcommissie; c. c. is benoemd tot lid of plaatsvervangend lid van het college van beroep voor de examens,

wordt in de gelegenheid gesteld de werkzaamheden die deze in zijn betrekking van ambtenaar dan wel werknemer dient te vervullen, te verminderen voor zolang en voor zover zulks redelijkerwijs noodzakelijk is voor het voorbereiden en bijwonen van de vergaderingen dan wel zittingen van die organen en voor het verrichten van daaruit voortvloeiende werkzaamheden ten behoeve van die organen, en zulks naar het oordeel van het bevoegd gezag redelijkerwijze is te verwezenlijken gelet op de vervulling van de bedoelde betrekking.

Artikel 97

Het bevoegd gezag kan ter zake van het in deze paragraaf bepaalde nadere voorschriften vaststellen.

Artikel 98

Het bevoegd gezag bevordert zoveel mogelijk het werkoverleg bij eenheden van beheer.

Artikel 98a

1. Bij onderdelen van de Open Universiteit kunnen door het bevoegd gezag dienstcommissies worden ingesteld. Over de instelling van dienstcommissies heeft overleg plaats met het plaatselijk overlegorgaan.

2. Bij het instellen van dienstcommissies wordt er zoveel mogelijk op gelet, dat de eenheid waarvoor een commissie wordt ingesteld, in organisatorisch dan wel beleidsuitvoerend opzicht een eenheid vormt.

3.

Bij de overeenkomstige toepassing van de artikelen 124 tot en met 126a, 126b, eerste, tweede en zesde lid, en 126c tot en met 129a van het Algemeen Rijksambtenarenreglement op de in de voorgaande leden bedoelde dienstcommissies wordt gelezen in de plaats van:

a. a. Onze Minister: het bevoegd gezag in de zin van dit besluit; b. b. bijzondere commissie: het plaatselijk overlegorgaan; c. c. de Centrale Commissie voor Georganiseerd Overleg in Ambtenarenzaken: het plaatselijk overlegorgaan.

Artikel 99

Vervallen

Artikel 99a

Vervallen

Artikel 100

Vervallen

Artikel 101

Vervallen

Artikel 102

Vervallen

Artikel 103

Vervallen

Artikel 104

Vervallen

Artikel 105

Vervallen

Artikel 106

Vervallen

Artikel 107

Vervallen

Artikel 108

Vervallen

Artikel 109

Vervallen

Artikel 110

Vervallen

Artikel 111

Vervallen

Artikel 112

Vervallen

Artikel 113

Vervallen

Artikel 114

Vervallen

Artikel II

Vervallen

Artikel III

Vervallen

Artikel IV

Vervallen

Artikel V

Vervallen

Artikel VI

Vervallen

Artikel VII

Vervallen

Artikel VIII

Vervallen

Artikel IX

Vervallen