40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt. |
||
|---|---|---|
| .. | ||
| README.md | ||
| titel | bwb_id | type | status | datum_inwerkingtreding | bron | citeertitel |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Uitvoeringsbesluit WEB | BWBR0010646 | AMvB | geldend | 2022-08-01 | https://wetten.overheid.nl/BWBR0010646 | Uitvoeringsbesluit WEB |
Uitvoeringsbesluit WEB
Hoofdstuk 1. Algemeen
Artikel 1.1
- wet: Wet educatie en beroepsonderwijs.
Artikel 1.2
Dit besluit berust mede op de artikelen 2.6.2, eerste lid, 2.6.3, eerste lid en 6.1.4b, tweede lid, van de wet.
Hoofdstuk 2. Bekostiging beroepsonderwijs
Paragraaf 1. Algemene bepalingen
Artikel 2.1.1
1. Hoofdstuk 2 is van toepassing op instellingen als bedoeld in artikel 1.1.1 van de wet.
2. De paragrafen 6 en 6a hebben mede betrekking op de in artikel 12.3.8 van de wet genoemde instituten.
Artikel 2.1.2
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
- basisberoepsopleiding: opleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdeel b, van de wet;
- bbl-student: student die is ingeschreven voor een beroepsopleiding in de beroepsbegeleidende leerweg;
- bol-student: student die is ingeschreven voor een beroepsopleiding in de beroepsopleidende leerweg;
- diploma van een beroepsopleiding: door een examencommissie uitgereikt bewijsstuk dat met goed gevolg is afgelegd het examen van een beroepsopleiding die op grond van artikel 2.1.1 van de wet voor bekostiging in aanmerking komt, alsmede van een opleiding die niet langer wordt bekostigd op grond van artikel 2.1.1 van de wet;
- entreeopleiding: opleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdeel a, van de wet;
- middenkaderopleiding: opleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdeel d, van de wet;
- opleiding: beroepsopleiding die op grond van artikel 2.1.1 van de wet voor bekostiging in aanmerking komt;
- specialistenopleiding: opleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdeel e, van de wet;
- vakopleiding: opleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdeel c, van de wet.
Artikel 2.1.3
1. Binnen het raam van de door de begrotingswetgever voor het desbetreffende kalenderjaar beschikbaar gestelde middelen, stelt Onze Minister jaarlijks de omvang vast van het landelijk beschikbare budget voor de exploitatiekosten en de huisvestingskosten voor het beroepsonderwijs.
2.
Het landelijk beschikbare budget voor de exploitatiekosten en de huisvestingskosten voor het beroepsonderwijs wordt verdeeld in landelijk beschikbare budgetten voor:
a. a. de entreeopleiding, b. b. de basisberoepsopleiding, en c. c. de vakopleiding, middenkaderopleiding en specialistenopleiding.
3. Onze Minister berekent ieder kalenderjaar de som van de betalingen die op grond van artikel 2.2.3, eerste lid, van de wet, zijn verricht in de periode van 1 januari tot en met 31 oktober van het betreffende kalenderjaar en de betalingen waarvan vaststaat dat ze nog dat kalenderjaar worden verricht.
4. Voorts berekent Onze Minister ieder kalenderjaar de som van het bedrag dat voor de betalingen, bedoeld in het derde lid, was gereserveerd en het bedrag van de middelen die in dat kalenderjaar in mindering zijn gebracht op de rijksbijdrage op grond van een beschikking als bedoeld in artikel 2.2.3, tweede lid, tweede volzin, van de wet.
5. Indien de som, bedoeld in het vierde lid hoger is dan de som, bedoeld in het derde lid, wordt het landelijk beschikbare budget voor de exploitatiekosten en huisvestingskosten voor het betreffende kalenderjaar verhoogd met dat verschil.
Paragraaf 2. Exploitatiekosten en huisvestingskosten
Artikel 2.2.1
1.
Onze Minister berekent de rijksbijdrage voor een instelling voor de exploitatiekosten en de huisvestingskosten voor het beroepsonderwijs voor een kalenderjaar door bij elkaar op te tellen:
a. a. het rijksbijdragedeel voor de entreeopleiding, b. b. het rijksbijdragedeel voor de basisberoepsopleiding, en c. c. het rijksbijdragedeel voor de vakopleiding, middenkaderopleiding en specialistenopleiding,
zoals deze delen voor het desbetreffende jaar voor de instelling worden berekend op grond van de artikelen 2.2.2 en 2.2.3. De uitkomst van de berekening wordt rekenkundig afgerond op hele euro’s.
2. De op grond van het eerste lid berekende rijksbijdrage wordt vermeerderd met het rijksbijdragedeel voor gehandicapte studenten, zoals dat wordt berekend op grond van artikel 2.6a.1.
3. De op grond van het eerste en tweede lid berekende rijksbijdrage kan worden aangepast in verband met uit de rijksbegroting voortvloeiende maatregelen.
Artikel 2.2.2
1.
Onze Minister berekent het rijksbijdragedeel voor de entreeopleiding volgens de formule:
| ISW | ||
|---|---|---|
| ––––– | x | LB |
| LSW |
waarbij wordt verstaan onder:
- ISW: de op grond van het tweede lid berekende studentenwaarde voor de entreeopleiding van de instelling, afgerond op twee decimalen;
- LSW: de landelijke studentenwaarde voor de entreeopleiding, zijnde de som van de studentenwaarden voor de entreeopleiding van de instellingen;
- LB: het landelijk beschikbare budget voor de entreeopleiding.
2.
ISW wordt berekend volgens de formule:
∑ [(Sbbl x 0,5 x PF) + (Sbol x PF)] x Cf
waarbij wordt verstaan onder:
a. Sbbl: elke student die
a.
op 1 oktober van het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het bekostigingsjaar aan de desbetreffende instelling is ingeschreven voor de entreeopleiding in de beroepsbegeleidende leerweg,
b.
daadwerkelijk die opleiding volgt en
c.
uiterlijk op 31 december van datzelfde kalenderjaar een overeenkomst als bedoeld in artikel 7.2.8, tweede lid, van de wet heeft gesloten die geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op een kwalificatie of kwalificatiedossier, behorend bij die opleiding;
a. a. op 1 oktober van het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het bekostigingsjaar aan de desbetreffende instelling is ingeschreven voor de entreeopleiding in de beroepsbegeleidende leerweg, b. b. daadwerkelijk die opleiding volgt en c. c. uiterlijk op 31 december van datzelfde kalenderjaar een overeenkomst als bedoeld in artikel 7.2.8, tweede lid, van de wet heeft gesloten die geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op een kwalificatie of kwalificatiedossier, behorend bij die opleiding;
- Sbol: elke student die op 1 oktober van het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het bekostigingsjaar aan de desbetreffende instelling is ingeschreven voor de entreeopleiding in de beroepsopleidende leerweg en daadwerkelijk die opleiding volgt;
- PF: de op grond van het vijfde lid voor de opleiding waarin de student is ingeschreven geldende prijsfactor;
- Cf: de op grond van het vierde lid berekende correctiefactor tweede teldatum voor de entreeopleiding.
3. Vervallen.
4.
Cf wordt als volgt berekend:
| [Sbbl1 x 0,5 + Sbol1]+ [Sbbl2 x 0,5 + Sbol2] | |
|---|---|
| 2 x[Sbbl1 x 0,5 + Sbol1] |
In deze formule wordt verstaan onder:
- Sbbl1: het aantal bbl-studenten dat op 1 oktober van het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het bekostigingsjaar aan de desbetreffende instelling is ingeschreven voor de entreeopleiding en daadwerkelijk die opleiding volgt;
- Sbol1: het aantal bol-studenten dat op 1 oktober van het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het bekostigingsjaar aan de desbetreffende instelling staat ingeschreven voor een entreeopleiding en daadwerkelijk die opleiding volgt;
- Sbbl2: het aantal bbl-studenten dat op 1 februari van het kalenderjaar voorafgaand aan het bekostigingsjaar aan de desbetreffende instelling is ingeschreven voor de entreeopleiding en daadwerkelijk die opleiding volgt;
- Sbol2: het aantal bol-studenten dat op 1 februari van het kalenderjaar voorafgaand aan het bekostigingsjaar aan de desbetreffende instelling staat ingeschreven voor een entreeopleiding en daadwerkelijk die opleiding volgt.
5. PF wordt bij ministeriële regeling vastgesteld voor elke opleiding.
6. Voor de berekening, bedoeld in dit artikel, tellen de studenten die op de genoemde tijdstippen voor de assistentopleiding, bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdeel a, van de wet zoals dat onderdeel luidde op 31 juli 2014, zijn ingeschreven als ingeschreven studenten voor de entreeopleiding.
Artikel 2.2.3
1.
Onze Minister berekent het rijksbijdragedeel voor de basisberoepsopleiding en het rijksbijdragedeel voor de vakopleiding, middenkaderopleiding en specialistenopleiding volgens de formule:
| ISW + IDiW | ||
|---|---|---|
| ------------- | x | LB |
| LSW + LDiW |
waarbij het rijksbijdragedeel voor de basisberoepsopleiding wordt berekend aan de hand van de gegevens die betrekking hebben op de basisberoepsopleiding en het rijksbijdragedeel voor de vakopleiding, middenkaderopleiding en specialistenopleiding wordt berekend aan de hand van de gegevens die betrekking hebben op de vakopleiding, middenkaderopleiding en specialistenopleiding, en
waarbij wordt verstaan onder:
ISW: de op grond van het tweede lid berekende studentenwaarde voor de basisberoepsopleiding respectievelijk de vakopleiding, middenkaderopleiding en specialistenopleiding van de instelling, afgerond op twee decimalen;
IDiW: de op grond van het zesde lid berekende diplomawaarde voor de basisberoepsopleiding respectievelijk de vakopleiding, middenkaderopleiding en specialistenopleiding, afgerond op twee decimalen;
LSW: de landelijke studentenwaarde voor de basisberoepsopleiding respectievelijk de vakopleiding, middenkaderopleiding en specialistenopleiding, zijnde de som van de ISW van alle instellingen;
LDiW: de landelijke diplomawaarde voor de basisberoepsopleiding respectievelijk de vakopleiding, middenkaderopleiding en specialistenopleiding, zijnde de som van de diplomawaarden van alle instellingen;
LB: het landelijk beschikbare budget voor de basisberoepsopleiding respectievelijk het landelijk beschikbare budget voor de vakopleiding, middenkaderopleiding en specialistenopleiding.
2.
ISW wordt berekend volgens de formule:
Σ [(Sbbl x 0,4 x PF) + (Sbol x PF)] x 0,8 x Cf
waarbij wordt verstaan onder:
Sbbl: elke student die
a. a. op 1 oktober van het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het bekostigingsjaar aan de desbetreffende instelling is ingeschreven voor de basisberoepsopleiding respectievelijk de vakopleiding, middenkaderopleiding of specialistenopleiding in de beroepsbegeleidende leerweg, b. b. daadwerkelijk die opleiding volgt, en c. c. uiterlijk op 31 december van datzelfde kalenderjaar een overeenkomst als bedoeld in artikel 7.2.8, tweede lid, van de wet heeft gesloten die geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op een kwalificatie of kwalificatiedossier, behorend bij die opleiding, en
1°
daadwerkelijk op die datum die opleiding in de praktijk van het beroep volgt, dan wel
2°
indien een student een opleiding volgt waarvoor kwalificaties als bedoeld in artikel 7.2.4, eerste lid, van de wet zijn vastgesteld in overeenstemming met Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport uiterlijk op 1 juni van het kalenderjaar daarop volgend de opleiding in de praktijk van het beroep volgt;
1° 1° daadwerkelijk op die datum die opleiding in de praktijk van het beroep volgt, dan wel 2° 2° indien een student een opleiding volgt waarvoor kwalificaties als bedoeld in artikel 7.2.4, eerste lid, van de wet zijn vastgesteld in overeenstemming met Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport uiterlijk op 1 juni van het kalenderjaar daarop volgend de opleiding in de praktijk van het beroep volgt;
Sbol: elke student die op 1 oktober van het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het bekostigingsjaar aan de desbetreffende instelling is ingeschreven voor de basisberoepsopleiding respectievelijk de vakopleiding, middenkaderopleiding of specialistenopleiding in de beroepsopleidende leerweg en daadwerkelijk die opleiding volgt;
PF: de op grond van het vierde lid voor de opleiding waarin de student is ingeschreven geldende prijsfactor;
Cf: de op grond van het vijfde lid berekende correctiefactor tweede teldatum voor de basisberoepsopleiding respectievelijk de vakopleiding, middenkaderopleiding of specialistenopleiding.
3. Vervallen.
4. PF wordt bij ministeriële regeling vastgesteld voor elke opleiding.
5.
Cf wordt als volgt berekend:
| [Sbbl1 x 0,4 + Sbol1]+ [Sbbl2 x 0,4 + Sbol2] | |
|---|---|
| ---------------------------------------------------- | |
| 2 x [Sbbl1 x 0,4 + Sbol1] |
In deze formule wordt verstaan onder:
Sbbl1: het aantal bbl-studenten dat op 1 oktober van het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het bekostigingsjaar aan de desbetreffende instelling is ingeschreven voor de basisberoepsopleiding respectievelijk de vakopleiding, middenkaderopleiding of specialistenopleiding en daadwerkelijk die opleiding volgt;
Sbol1: het aantal bol-studenten dat op 1 oktober van het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het bekostigingsjaar aan de desbetreffende instelling staat ingeschreven voor de basisberoepsopleiding respectievelijk de vakopleiding, middenkaderopleiding of specialistenopleiding en daadwerkelijk die opleiding volgt;
Sbbl2: het aantal bbl-studenten dat op 1 februari van het kalenderjaar voorafgaand aan het bekostigingsjaar aan de desbetreffende instelling is ingeschreven voor de basisberoepsopleiding respectievelijk de vakopleiding, middenkaderopleiding of specialistenopleiding en daadwerkelijk die opleiding volgt;
Sbol2: het aantal bol-studenten dat op 1 februari van het kalenderjaar voorafgaand aan het bekostigingsjaar aan de desbetreffende instelling staat ingeschreven voor de basisberoepsopleiding respectievelijk de vakopleiding, middenkaderopleiding of specialistenopleiding en daadwerkelijk die opleiding volgt.
6.
IDiW wordt berekend volgens de formule:
IDiW = Σ {[(S x DiW - DiE) + DS] x 0,2}
waarbij wordt verstaan onder:
S: elke student die in het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het bekostigingsjaar aan de desbetreffende instelling een diploma van een basisberoepsopleiding respectievelijk een vakopleiding of middenkaderopleiding heeft behaald;
DiW: de diplomawaarde; DiW bedraagt voor:
– – een basisberoepsopleiding: 1, – – een vakopleiding: 3, – – een middenkaderopleiding: 5;
DiE: DiW van het hoogste door S eerder behaalde diploma van een basisberoepsopleiding, een vakopleiding of een middenkaderopleiding;
DS: de diplomawaarde voor een specialistenopleiding bedraagt 2 voor elke student die een diploma van een specialistenopleiding heeft behaald in het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het bekostigingsjaar, en niet eerder een diploma van een specialistenopleiding heeft behaald.
Onder student wordt mede begrepen de extraneus, bedoeld in artikel 2.2.2, tweede lid, onderdeel b, van de wet.
Indien het eerder behaalde diploma, bedoeld in DiE van een hoger niveau is dan het diploma bedoeld in S, dan wordt het diploma bedoeld in S buiten beschouwing gelaten. Indien in het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het bekostigingsjaar meerdere diploma’s op dezelfde datum zijn afgegeven, telt steeds het laagste diploma als het eerder behaalde diploma.
Indien een diploma is behaald door een student die drie aaneengesloten voorgaande kalenderjaren niet op 1 oktober was ingeschreven, blijven diploma’s behaald voorafgaand aan deze onderbreking buiten beschouwing.
Artikel 2.2.4
1. In geval van fusie van instellingen betrekt Onze Minister bij de toepassing van paragraaf 2 de gegevens van de instellingen die in de gefuseerde instelling zijn opgegaan en berekent de bijdrage voor de gefuseerde instelling op basis van die gegevens.
2. In geval van splitsing van instellingen betrekt Onze Minister bij de toepassing van paragraaf 2 de afspraken omtrent de toerekening van de gegevens aan elk van de instellingen die daarover door de betrokken bevoegde gezagsorganen zijn gemaakt, blijkend uit een door die bevoegde gezagsorganen aan Onze Minister overgelegde en ondertekende verklaring dienaangaande.
Artikel 2.2.5
1. De gegevens, bedoeld in de artikelen 4, eerste lid, onderdelen c, e en f, 5, eerste lid, onderdelen b en c, en derde lid, onderdeel a of c, 6, vijfde lid, 7, vijfde lid, onderdelen a tot en met c, en 8, zesde lid, onderdelen a en c, van het Besluit register onderwijsdeelnemers en de verklaring, bedoeld in artikel 2.2.4, vijfde lid, van de wet worden uiterlijk 1 juli van het jaar voorafgaand aan het bekostigingsjaar ingediend bij Onze Minister. Indien Onze Minister van een instelling de gegevens, bedoeld in de eerste volzin, niet uiterlijk 1 juli van het jaar voorafgaand aan het bekostigingsjaar, voorzien van een goedkeurende accountantsverklaring, heeft ontvangen en hierdoor niet tijdig over de gegevens kan beschikken, kan Onze Minister de hoogte van de rijksbijdrage voor deze instelling voor het desbetreffende kalenderjaar vaststellen conform de voorschriften in het tweede tot en met vierde lid.
2. Bij de toepassing van artikel 2.2.1 wordt voor een instelling als bedoeld in het eerste lid, bij de berekening van de rijksbijdrage voor exploitatiekosten en huisvestingskosten voor het beroepsonderwijs in afwijking van artikel 2.2.2 en artikel 2.2.3, de uitkomst van het gedeelte van de formule boven de streep zoals vermeld in het eerste lid van die artikelen, vastgesteld op de uitkomst van dat deel van de formule van het voorgaande kalenderjaar.
3. De instellingen, bedoeld in het eerste lid, dienen uiterlijk 1 november van het jaar voorafgaand aan het bekostigingsjaar de gegevens, bedoeld in de artikelen 4, eerste lid, onderdelen c, e en f, 5, eerste lid, onderdelen b en c, en derde lid, onderdeel a of c, 6, vijfde lid, 7, vijfde lid, onderdelen a tot en met c, en 8, zesde lid, onderdelen a en c, van het Besluit register onderwijsdeelnemers, voorzien van een goedkeurende accountantsverklaring, in bij Onze Minister.
4. Indien toepassing van artikel 2.2.2 en artikel 2.2.3 met gebruikmaking van de gegevens, bedoeld in het derde lid, leidt tot een lagere rijksbijdrage dan vastgesteld op grond van het tweede lid, wordt die lagere rijksbijdrage vastgesteld. Gebruikmaking van de gegevens, bedoeld in het derde lid, leidt in geen geval tot een hogere rijksbijdrage dan vastgesteld op grond van het tweede lid.
Artikel 2.2.6
Vervallen
Artikel 2.2.7
Vervallen
Paragraaf 3. Voorbereidend beroepsonderwijs aan agrarische opleidingscentra
Artikel 2.3.1
Vervallen
Artikel 2.3.2
Vervallen
Paragraaf 4. Huisvesting
Artikel 2.4.1
Vervallen
Paragraaf 5. Toevoeging rijksbijdrage in verband met kosten van werkloosheidsuitkeringen en suppleties inzake arbeidsongeschiktheid
Artikel 2.5.1
Vervallen
Artikel 2.5.2
Vervallen
Artikel 2.5.2a
Vervallen
Artikel 2.5.3
Vervallen
Paragraaf 6. Vermindering rijksbijdrage beroepsonderwijs in verband met normatieve inhouding cursusgelden
Artikel 2.6.1
1.
Onze Minister brengt op de rijksbijdrage voor een instelling voor een kalenderjaar een bedrag in mindering volgens de formule:
(Sbbl3 x DC1) + (Sbbl4 x DC2), waarin is:
Sbbl3: Sbbl, bedoeld in de artikelen 2.2.2, tweede lid, en 2.2.3, tweede lid, voor de entreeopleiding en de basisberoepsopleiding;
DC1: het cursusgeld per 1 januari van het desbetreffende kalenderjaar, bedoeld in artikel 15 van het Uitvoeringsbesluit Les- en cursusgeldwet 2000, voor de entreeopleiding en de basisberoepsopleiding;
Sbbl4: Sbbl, bedoeld in artikel 2.2.3, tweede lid, voor de vakopleiding, de middenkaderopleiding en de specialistenopleiding;
DC2: het cursusgeld per 1 januari van het desbetreffende kalenderjaar, bedoeld in artikel 15 van het Uitvoeringsbesluit Les- en cursusgeldwet 2000, voor de vakopleiding, de middenkaderopleiding en de specialistenopleiding.
2. Bij de berekening van het in het eerste lid bedoelde bedrag telt het aantal bbl-studenten Sbbl3 en Sbbl4 dat op 1 augustus van het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het bekostigingsjaar de leeftijd van 18 nog niet heeft bereikt, niet mee.
Paragraaf 6a. Gehandicapte studenten
Artikel 2.6a.1
1. Onze Minister stelt jaarlijks het landelijk beschikbare budget vast ten behoeve van de kosten voor gehandicapte studenten.
2. Onze Minister verdeelt het voor een kalenderjaar vastgestelde budget ten behoeve van de gehandicapte studenten over de instellingen naar rato van het totaal van de voor dat kalenderjaar op grond van de artikelen 2.2.2 en 2.2.3 berekende rijksbijdragedelen voor die instelling. De uitkomst van de berekening wordt rekenkundig afgerond op hele euro’s.
Paragraaf 7. Leerlinggebonden financiering
Artikel 2.7.1
Vervallen
Artikel 2.7.2
Vervallen
Artikel 2.7.3
Vervallen
Hoofdstuk 2A. Bekostiging voortgezet algemeen volwassenenonderwijs
Paragraaf 1. Algemene bepalingen
Artikel 2a.1.1
Dit hoofdstuk is van toepassing op regionale opleidingscentra.
Artikel 2a.1.2
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
a. a. opleiding vavo: een opleiding voortgezet algemeen volwassenenonderwijs als bedoeld in artikel 7.3.1., eerste lid, onderdeel a, van de wet, die op grond van artikel 2.1.2, eerste lid, van de wet voor bekostiging in aanmerking komt; b. b. diploma vavo: diploma als bedoeld in artikel 7.4.6 juncto artikel 7.4.11, vijfde lid, van de wet.
Artikel 2a.1.3
Binnen het raam van de door de begrotingswetgever voor het desbetreffende kalenderjaar beschikbaar gestelde middelen, stelt Onze Minister jaarlijks de omvang vast van het landelijk beschikbare budget voor de exploitatiekosten en huisvestingskosten voor het voortgezet algemeen volwassenenonderwijs.
Paragraaf 2. Exploitatiekosten en huisvestingskosten
Artikel 2a.2.1
1.
Onze Minister berekent de rijksbijdrage voor exploitatie- en huisvestingskosten vavo volgens de formule:
| (ISW x 0,4) + (IVW x 0,5) + (IDiW x 0,1) | ||
|---|---|---|
| ––––––––––––––––––––––––––––––––––––– | x | LB |
| (LSW x 0,4) + (LVW x 0,5)+ (LDiW x 0,1) |
Waarbij wordt verstaan onder:
- ISW: het aantal vavo-studenten dat op 1 oktober van het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het bekostigingsjaar aan de desbetreffende instelling is ingeschreven voor een opleiding vavo en daadwerkelijk die opleiding volgt;
- IVW: het aantal vakken van het eindexamen of deeleindexamen dat in het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het bekostigingsjaar bij de desbetreffende instelling is afgesloten met een eindcijfer 6 of hoger of een daarmee overeenkomende waardering door bij die instelling ingeschreven vavo-studenten;
- IDiW: het aantal diploma’s vavo dat in het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het bekostigingsjaar door de examencommissie van de desbetreffende instelling is afgegeven aan bij die instelling ingeschreven vavo-studenten;
- LSW: het aantal vavo-studenten dat op 1 oktober van het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het bekostigingsjaar is ingeschreven voor een opleiding vavo bij alle instellingen tezamen
- LVW: het aantal vakken van het eindexamen of deeleindexamen dat in het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het bekostigingsjaar bij alle instellingen tezamen door vavo-studenten is afgesloten met een eindcijfer 6 of hoger of een daarmee overeenkomende waardering;
- LDiW: het aantal diploma’s vavo dat in het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het bekostigingsjaar door de examencommissies van alle instellingen tezamen is afgegeven aan vavo-studenten;
- LB: het landelijk beschikbare budget voor het vavo.
De uitkomst van de berekening wordt rekenkundig afgerond op hele euro’s.
2. De op grond van het eerste lid berekende rijksbijdrage wordt vermeerderd met het rijksbijdragedeel voor gehandicapte vavo-studenten, zoals dat wordt berekend op grond van artikel 2a.3.1.
3. De op grond van het eerste en tweede lid berekende rijksbijdrage kan worden aangepast in verband met uit de rijksbegroting voortvloeiende maatregelen.
Artikel 2a.2.2
1. In geval van fusie van instellingen betrekt Onze Minister bij de toepassing van paragraaf 2 de gegevens van de instellingen die in de gefuseerde instelling zijn opgegaan en berekent de bijdrage voor de gefuseerde instelling op basis van die gegevens.
2. In geval van splitsing van instellingen betrekt Onze Minister bij de toepassing van paragraaf 2 de afspraken omtrent de toerekening van de gegevens aan elk van de instellingen die daarover door de betrokken bevoegde gezagsorganen zijn gemaakt, blijkend uit een door die bevoegde gezagsorganen aan Onze Minister overgelegde en ondertekende verklaring dienaangaande.
Artikel 2a.2.3
1. De gegevens, bedoeld in de artikelen 4, eerste lid, onderdelen c, e en f, 5, eerste lid, en derde lid, onder c, 6, vierde lid, onderdelen b en c, en 7, vierde lid, van het Besluit register onderwijsdeelnemers, en de verklaring, bedoeld in artikel 2.2a.4, vijfde lid, van de wet, worden uiterlijk 1 juli van het jaar voorafgaand aan het bekostigingsjaar ingediend bij Onze Minister. Indien Onze Minister van een instelling de gegevens, bedoeld in de eerste volzin, niet uiterlijk 1 juli van het jaar voorafgaand aan het bekostigingsjaar, voorzien van een goedkeurende accountantsverklaring, heeft ontvangen en hierdoor niet tijdig over de gegevens kan beschikken, kan Onze Minister de hoogte van de rijksbijdrage voor deze instelling voor het desbetreffende kalenderjaar vaststellen conform de voorschriften in het tweede tot en met vierde lid.
2. Bij de toepassing van artikel 2a.2.1 wordt voor een instelling als bedoeld in het eerste lid, bij de berekening van de rijksbijdrage, in afwijking van artikel 2a.2.1, eerste lid, de uitkomst van het gedeelte van de formule boven de streep, zoals vermeld in het eerste lid van die artikelen, vastgesteld op de uitkomst van dat deel van de formule van het voorgaande kalenderjaar.
3. De instellingen, bedoeld in het eerste lid, dienen uiterlijk 1 november van het jaar voorafgaand aan het bekostigingsjaar de gegevens, bedoeld in de artikelen 4, eerste lid, onderdelen c, e en f, 5, eerste lid, en derde lid, onder c, 6, vierde lid, onderdelen b en c, en 7, vierde lid, van het Besluit register onderwijsdeelnemers, voorzien van een goedkeurende accountantsverklaring, in bij Onze Minister.
4. Indien toepassing van artikel 2a.2.1, met gebruikmaking van de gegevens, bedoeld in het derde lid, leidt tot een lagere rijksbijdrage dan vastgesteld op grond van het tweede lid, wordt die lagere rijksbijdrage vastgesteld. Gebruikmaking van de gegevens, bedoeld in het derde lid, leidt in geen geval tot een hogere rijksbijdrage dan vastgesteld op grond van het tweede lid.
Paragraaf 3. Gehandicapte vavo-studenten
Artikel 2a.3.1
1. Onze minister stelt jaarlijks het landelijk beschikbare budget vast ten behoeve van de kosten voor gehandicapte vavo-studenten.
2. Onze minister verdeelt het voor een kalenderjaar vastgestelde budget ten behoeve van gehandicapte vavo-studenten over de instellingen naar rato van de voor dat kalenderjaar op grond van artikel 2a.2.1, eerste lid, berekende rijksbijdrage voor die instelling. De uitkomst van de berekening wordt rekenkundig afgerond op hele euro’s.
Hoofdstuk 2B. Kosten van werkloosheidsuitkeringen en suppleties inzake arbeidsongeschiktheid beroepsonderwijs en voortgezet algemeen volwassenenonderwijs
Paragraaf 1. Algemene bepalingen en berekeningswijze
Artikel 2b.1.1
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
a. a.
*instelling:* instelling als bedoeld in artikel 1.1.1 van de wet of instituut als bedoeld in artikel 12.3.8 van de wet;
b. b.
*uitkeringskosten:* kosten van werkloosheidsuitkeringen alsmede uitkeringen wegens ziekte en arbeidsongeschiktheid van gewezen personeel anders dan op grond van de Ziektewet, voortvloeiend uit een dienstbetrekking aan een instelling.
Artikel 2b.1.2
1. Onze Minister stelt jaarlijks het landelijk beschikbare budget vast ten behoeve van uitkeringskosten voor het beroepsonderwijs en het voortgezet algemeen volwassenenonderwijs.
2.
Onze Minister verdeelt het voor een kalenderjaar vastgestelde budget ten behoeve van uitkeringskosten over de instellingen naar rato van de som van de voor een instelling:
a. a. op grond van artikel 2.2.1, eerste lid, berekende rijksbijdrage beroepsonderwijs, en b. b. op grond van artikel 2a.2.1, eerste lid, berekende rijksbijdrage vavo.
3. De uitkomst van de berekening, bedoeld in het tweede lid, wordt rekenkundig afgerond op hele euro’s.
Hoofdstuk 3. Uitkering educatie
Paragraaf 1. Algemene bepalingen
Artikel 3.1.1
Dit hoofdstuk heeft betrekking op opleidingen educatie als bedoeld in artikel 7.3.1, eerste lid, onder b tot en met f, van de wet.
Artikel 3.1.2
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
a. a.
*CBS:* Centraal bureau voor de statistiek;
b. b.
*contactgemeente:* contactgemeente als bedoeld in artikel 2.3.1, tweede lid, van de wet;
c. c.
*regio educatie:* regio als bedoeld in artikel 2.3.1, tweede lid, van de wet;
d. d.
*uitkering educatie:* uitkering als bedoeld in artikel 2.3.2, van de wet;
e. e.
*volwassen inwoner:* persoon van achttien jaar of ouder die als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen.
Paragraaf 2. Uitkering educatie
Artikel 3.2.1
1.
De uitkering educatie die per kalenderjaar aan een college van burgemeester en wethouders van een contactgemeente van een regio educatie wordt verstrekt, is de som van de bedragen die voor elk van de tot die regio educatie behorende gemeenten wordt berekend volgens de volgende formule:
waarbij wordt verstaan onder:
Og: Het door het CBS op verzoek van Onze Minister berekende gemiddelde percentage inwoners van de gemeente van 15 tot en met 75 jaar met een opleiding op ten hoogste het niveau van het diploma middelbaar algemeen voortgezet onderwijs of voorbereidend beroepsonderwijs in het jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de uitkering wordt vastgesteld, vermenigvuldigd met het door het CBS op verzoek van Onze Minister berekende aantal volwassen inwoners van de gemeente op 1 januari van het jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de uitkering wordt vastgesteld;
On: de som van de uitkomsten van bovenbedoeld Og voor alle Nederlandse gemeenten tezamen;
Ag: Het door het CBS op verzoek van Onze Minister berekende aantal volwassen inwoners van de gemeente op 1 januari van het jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de uitkering wordt vastgesteld, waarvoor geldt dat beide ouders of de volwassen inwoner zelf en één ouder geboren zijn in een van de landen in Afrika, Latijns-Amerika en Azië (exclusief Indonesië en Japan) of Turkije.
An: de som van de uitkomsten van bovenbedoeld AG voor alle Nederlandse gemeenten tezamen;
Bg: Het aantal WWB-uitkeringen aan personen die de AOW-leeftijd nog niet hebben bereikt op 1 januari van het jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de uitkering wordt vastgesteld;
Bn: de som van bovenbedoeld Bg voor alle Nederlandse gemeenten tezamen;
Ib: het totale bedrag dat door Onze Minister beschikbaar is gesteld voor uitkeringen educatie voor alle regio’s educatie voor het jaar waarvoor de uitkering wordt vastgesteld.
2. De uitkomst van de berekening op grond van het eerste lid wordt rekenkundig afgerond op hele euro’s.
3. Jaarlijks wordt in januari de voor dat kalenderjaar vastgestelde uitkering educatie betaald aan de contactgemeente.
Artikel 3.2.2
Bij een wijziging van de gemeentelijke indeling of een grenscorrectie als bedoeld in de Wet algemene regels herindeling worden de gegevens waarmee de berekeningen op grond van artikel 3.2.1 worden uitgevoerd, vastgesteld op basis van een redelijke schatting van de toestand van die gegevens zoals die zou zijn geweest als de wijziging op de datum waarop die gegevens betrekking hebben, reeds was ingegaan.
Paragraaf 3. Overige bepalingen
Artikel 3.3.1
1. Indien in een kalenderjaar de uitkering educatie niet volledig is besteed, kan het college van burgemeester en wethouders van de contactgemeente het niet bestede bedrag tot maximaal 25% van de voor dat jaar toegekende uitkering educatie reserveren voor opleidingen educatie in het daaropvolgende kalenderjaar.
2. Indien in een kalenderjaar meer dan de uitkering educatie is besteed aan opleidingen educatie, kan het college van burgemeester en wethouders van de contactgemeente het meer bestede bedrag tot maximaal 25% van de voor dat jaar toegekende uitkering educatie ten laste brengen van de uitkering educatie voor het daaropvolgende kalenderjaar.
3. In afwijking van het eerste lid kan het college van burgemeester en wethouders van een contactgemeente maximaal 50% van de voor het kalenderjaar 2020 toegekende uitkering educatie reserveren voor opleidingen educatie in het kalenderjaar 2021.
4. In afwijking van het eerste lid kan het college van burgemeester en wethouders van een contactgemeente maximaal 50% van de voor het kalenderjaar 2021 toegekende uitkering educatie reserveren voor opleidingen educatie in het kalenderjaar 2022.
Hoofdstuk 4. Verticale scholengemeenschappen
Paragraaf 1. Voorschriften
Artikel 4.1.1
Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat een verticale scholengemeenschap slechts met ingang van een bepaald tijdstip kan worden gevormd, gewijzigd of beëindigd.
Artikel 4.1.2
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de aanvraagprocedure voor de vorming, wijziging of beëindiging van een verticale scholengemeenschap.
Artikel 4.1.3
Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat een percentage van de leerlingen van de school of scholengemeenschap die deel uitmaakt van de verticale scholengemeenschap ten minste afkomstig is uit hetzelfde postcodegebied als de studenten van de instelling die deel uitmaakt van die verticale scholengemeenschap.
Paragraaf 2. Huisvesting
Artikel 4.2.1
1. De rijksbijdrage voor de huisvestingskosten van een school of scholengemeenschap als bedoeld in artikel 2.6.3, eerste lid, van de wet, wordt berekend door het aantal leerlingen dat op 1 oktober van het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het desbetreffende kalenderjaar aan de school of scholengemeenschap was ingeschreven, te vermenigvuldigen met een jaarlijks bij ministeriële regeling te bepalen bedrag.
2. Artikel 2.2.4 is van overeenkomstige toepassing op een school of scholengemeenschap die deel uitmaakt van een verticale scholengemeenschap.
Hoofdstuk 4A. Maatstaven studiesucces beroepsonderwijs
Artikel 4a.1
In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
- beroepsopleiding op niveau 2, 3 of 4: basisberoepsopleiding en daarmee beroepsopleiding van het tweede niveau, vakopleiding en daarmee beroepsopleiding van het derde niveau, dan wel middenkader- of specialistenopleiding en daarmee beroepsopleiding van het vierde niveau als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdelen b tot en met e, en derde lid, van de wet;
- diploma: getuigschrift dat een beroepsopleiding met goed gevolg is afgesloten als bedoeld in artikel 7.4.6, eerste en tweede lid, van de wet;
- extraneus: degene die uitsluitend wordt toegelaten tot examenvoorzieningen als bedoeld in artikel 8.1.1, eerste lid, van de wet;
- gediplomeerde: student of extraneus die een diploma heeft behaald bij de instelling voor een beroepsopleiding op niveau 2, 3 of 4;
- instellingsverlater: student of extraneus die op 1 oktober was ingeschreven voor een beroepsopleiding bij de instelling en niet op 1 oktober van het daarop volgende jaar;
- jaartijdvak: tijdvak van 1 oktober tot en met 30 september van het daarop volgende jaar.
Artikel 4a.2
1.
Het studiesucces van een bekostigde beroepsopleiding, bedoeld in artikel 6.1.4b, eerste lid, aanhef, van de wet, wordt gemeten en beoordeeld aan de hand van de volgende indicatoren:
a. a. jaarresultaat: het aantal gediplomeerden in een jaartijdvak, afgezet tegen hetzelfde aantal gediplomeerden plus het aantal instellingsverlaters zonder diploma in hetzelfde jaartijdvak; b. b. diplomaresultaat: het aantal gediplomeerde instellingsverlaters in een jaartijdvak, afgezet tegen totaal aantal instellingsverlaters in hetzelfde jaartijdvak; c. c. startersresultaat: het aantal in een jaartijdvak nieuw ingeschreven studenten dat in dat jaartijdvak het diploma heeft behaald dan wel op 1 oktober van het volgende jaartijdvak nog is ingeschreven bij dezelfde instelling, afgezet tegen het totaal aantal studenten dat in dat jaartijdvak was gestart met de beroepsopleiding.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op een entreeopleiding.
Artikel 4a.3
Bij ministeriële regeling worden regels vastgesteld ter uitvoering van dit hoofdstuk, waaronder de berekeningswijze voor het meten van studiesucces en de normering voor het beoordelen van studiesucces voor beroepsopleidingen op niveau 2, 3 of 4.
Artikel 4a.4
Een beroepsopleiding heeft voldoende studiesucces indien wordt voldaan aan de bij ministeriële regeling bepaalde norm voor ten minste twee van de in artikel 4a.2, eerste lid, genoemde indicatoren.
Hoofdstuk 4B. Gebruik persoonsgebonden nummers
Paragraaf 1. Algemene bepalingen
Artikel 4b.1.1
1. Paragraaf 2 is van toepassing op personeel en gewezen personeel van een instelling als bedoeld in artikel 1.1.1 van de wet en personeel en gewezen personeel dat betrokken is onderscheidenlijk was bij een beroepsopleiding aan een instituut als bedoeld in artikel 12.3.8.
2. Paragraaf 3 is van toepassing op de gegevens van studenten die zijn ingeschreven of ingeschreven zijn geweest voor een beroepsopleiding aan een instelling als bedoeld in artikel 1.1.1 van de wet of een instituut als bedoeld in artikel 12.3.8 van de wet.
Paragraaf 2. Gebruik burgerservicenummer personeel door instelling
Artikel 4b.2.1
Het bevoegd gezag maakt gebruik van het burgerservicenummer van een lid van het personeel of gewezen personeel van de instelling bij de gegevensverstrekking, bedoeld in bijlage 1 en bijlage 4 bij dit besluit.
Artikel 4b.2.2
Vervallen
Artikel 4b.2.3
Vervallen
Artikel 4b.2.4
Vervallen
Paragraaf 3. Gebruik gegevens uit basisregister onderwijs door Minister
Artikel 4b.3.1
Vervallen
Artikel 4b.3.2
Vervallen
Artikel 4b.3.3
Vervallen
Hoofdstuk 5. Informatie
Paragraaf 1. Algemene bepalingen
Artikel 5.1.1
De bepalingen van dit hoofdstuk hebben betrekking op instellingen als bedoeld in artikel 1.1.1 van de wet.
Artikel 5.1.2
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
- Gegevenswoordenboek: de opsomming van een door het bevoegd gezag van een instelling te verzamelen gegevens, bedoeld in artikel 5.2.1.
Paragraaf 2. Ordening en wijze van beschikbaarstelling gegevens
Artikel 5.2.1
1. De informatieverzameling, bedoeld in de artikelen 2.2.4, 2.3.6, 2.5.3 en 2.5.5 van de wet, waarover het bevoegd gezag van een instelling dient te beschikken, bevat de gegevens volgens de beschrijving in het gegevenswoordenboek dat is opgenomen in bijlage 1 bij dit besluit.
2. De gegevens, bedoeld in het eerste lid, die betrekking hebben op de bekostiging, zijn in het desbetreffende gegevenswoordenboek als zodanig aangeduid.
Artikel 5.2.2
1. Op verzoek van Onze Minister stelt het bevoegd gezag van een instelling gegevens aan hem beschikbaar, die door de instelling op grond van artikel 5.2.1 zijn verzameld.
2. De beschikbaarstelling geschiedt voor het beroepsonderwijs en het voortgezet algemeen volwassenenonderwijs overeenkomstig bijlage 4 bij dit besluit.
3. In voorkomende gevallen kan Onze Minister bij het verzoek om beschikbaarstelling reeds bij hem bekende gegevens opnemen.
Artikel 5.2.3
Bij ministeriële regeling kan in bijzondere gevallen een aanvullende vragenlijst ten aanzien van bekostiging worden vastgesteld ter beantwoording door het bevoegd gezag van een instelling.
Artikel 5.2.4
1. Het bevoegd gezag van een instelling bewaart de boeken, bescheiden en informatie op andere informatiedragers die verband houden met de toepassing van dit hoofdstuk voor zover het betreft gegevens ten behoeve van het door Onze Minister te voeren beleid ten aanzien van het beroepsonderwijs en van het voortgezet algemeen volwassenenonderwijs, gedurende ten minste zeven jaren.
2. Het bevoegd gezag van een instelling bewaart de gegevens die verband houden met de toepassing van dit hoofdstuk op zodanige wijze dat daaruit de voor de vaststelling van de geaggregeerde gegevens van belang zijnde gegevens kunnen worden nagegaan.
Paragraaf 3. Controleprotocol
Artikel 5.2.5
1. Bij ministeriële regeling worden regels vastgesteld voor de inrichting en de uitvoering van de controle door de accountant van de boekhouding, de jaarrekening en de administratie van de instellingen.
2. De regels hebben betrekking op de controle op de rechtmatigheid van de verkrijging en de rechtmatigheid en doelmatigheid van de besteding van de rijksbijdrage, en de controle op de bekostigingsgegevens, bedoeld in dit besluit.
3. De administratie van de instelling omvat in ieder geval de gegevens, bedoeld in artikel 5.2.1, vierde lid, en de daaraan ten grondslag liggende bescheiden.
Paragraaf 4. Lerarenregister en registervoorportaal
Artikel 5.2.6
Vervallen
Artikel 5.2.7
Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2024/14.
Artikel 5.2.8
Vervallen
Artikel 5.2.9
Vervallen
Artikel 5.2.10
Vervallen
Hoofdstuk 5A. Personeel
Artikel 5a.1
De bepalingen van dit hoofdstuk hebben betrekking op instellingen als bedoeld in artikel 1.1.1 van de wet en instituten als bedoeld in artikel 12.3.8 van de wet.
Artikel 5a.1a
Vervallen
Artikel 5a.2
Het personeel en het gewezen personeel van instellingen zijn in elk geval belanghebbende in de zin van dit hoofdstuk.
Artikel 5a.3
Indien een instelling de taken beëindigt en een rechtsopvolger ontbreekt, waaronder tevens is begrepen het geval van een onherroepelijk vonnis tot faillietverklaring van de desbetreffende instelling, voorzien de bevoegde gezagsorganen van de overige instellingen er gezamenlijk in dat aan de verplichtingen jegens het personeel en het gewezen personeel die uit de wet- en regelgeving voortvloeien, wordt voldaan. De toepassing van de eerste volzin geschiedt met inachtneming van het bepaalde over vermindering van de rijksbijdrage in verband met de kosten van uitkeringen voor gewezen personeel van een instelling die de taken beëindigt in de ministeriële regeling op grond van artikel 12.3.48 van de wet.
Artikel 5a.4
Vervallen
Hoofdstuk 6. Overgangs- en invoeringsbepalingen
Paragraaf 1. Beroepsonderwijs
Artikel 6.1.1
Vervallen
Artikel 6.1.2
Vervallen
Artikel 6.1.3
Indien 12% van de rijksbijdrage voor exploitatiekosten en huisvestingskosten beroepsonderwijs voor een kalenderjaar voor een instelling, vermeerderd met het gedeelte van de rijksbijdrage, berekend op grond van artikel 2.4.1, minder bedraagt dan het op grond van artikel 3 of artikel 4, alsmede in voorkomende gevallen op grond van artikel 7 of artikel 8, van de Regeling bekostiging huisvesting bve-sector 1999 zoals deze luidde op 31 december 1999, voor het desbetreffende kalenderjaar vastgestelde bedrag voor de desbetreffende instelling, ontvangt de instelling voor het desbetreffende kalenderjaar een aanvulling tot dat bedrag.
Artikel 6.1.4
1. Voor de berekening van de overgangsbekostiging beroepsonderwijs van een instelling wordt de rijksbijdrage voor een instelling voor het kalenderjaar 2015, berekend op grond van artikel 2.2.1, eerste en tweede lid, zoals dat artikel met ingang van 1 augustus 2014 luidt, vergeleken met de rijksbijdrage voor beroepsonderwijs zoals die voor het kalenderjaar 2015 zou zijn vastgesteld volgens de berekeningswijze op grond van de artikelen 2.2.2, eerste lid en tweede lid, en 2.4.1, eerste lid, zoals deze luidden op 31 juli 2014.
2. Bij de uitvoering van de vergelijking bedoeld in het eerste lid wordt bij de berekening van de rijksbijdrage voor 2015 volgens de berekeningswijze op grond van de in het eerste lid genoemde artikelen zoals die luidden op 31 juli 2014, uitgegaan van het landelijk beschikbare budget, bedoeld in artikel 2.1.3, eerste lid, voor 2015, verminderd met het voor alle instellingen vastgestelde budget, bedoeld in artikel 12.4.1, tweede lid, van de wet. De aldus berekende rijksbijdrage van een instelling wordt verhoogd met het bedrag dat voor die instelling op grond van artikel 12.4.1, tweede lid, van de wet is berekend. Dit bedrag wordt rekenkundig afgerond op hele euro’s.
3. Indien uit de vergelijking bedoeld in het eerste lid blijkt dat de in dat lid eerstgenoemde rijksbijdrage voor een instelling hoger is dan de laatstgenoemde rijksbijdrage, wordt eerstgenoemde rijksbijdrage voor 2015 verminderd met 80% van het verschil tussen beide berekende rijksbijdragen. De uitkomst van de berekening wordt rekenkundig afgerond op hele euro’s.
4. Indien uit de vergelijking bedoeld in het eerste lid blijkt dat de in dat lid eerstgenoemde rijksbijdrage voor een instelling lager is dan de laatstgenoemde rijksbijdrage, wordt eerstgenoemde rijksbijdrage voor 2015 aangevuld met 80% van het verschil tussen beide berekende rijksbijdragen. De uitkomst van de berekening wordt rekenkundig afgerond op hele euro’s.
5. Indien aan een instelling voor het kalenderjaar 2015 een bedrag in mindering wordt gebracht op grond van het derde lid, wordt aan die instelling voor de kalenderjaren 2016, 2017 en 2018 60%, 40% respectievelijk 20% van het verschil bedoeld in het derde lid in mindering gebracht. De uitkomst van de berekening wordt rekenkundig afgerond op hele euro’s.
6. Indien een instelling voor het kalenderjaar 2015 een aanvulling ontvangt op grond van het vierde lid, ontvangt die instelling voor de kalenderjaren 2016, 2017 en 2018 aanvullingen van 60%, 40% respectievelijk 20% van het verschil bedoeld in het vierde lid. De uitkomst van de berekening wordt rekenkundig afgerond op hele euro’s.
7. Indien uit de vergelijking bedoeld in het eerste lid blijkt dat de eerstgenoemde rijksbijdrage voor een instelling meer dan 4% lager is dan de laatstgenoemde rijksbijdrage, kan Onze Minister ter voorkoming van een zodanig financieel nadeel voor die instelling dat de continuïteit van de instelling in gevaar komt, aanvullende bekostiging verstrekken aan die instelling naast de aanvulling bedoeld in het zesde lid.
Artikel 6.1.5
1. Indien een instelling de gegevens en de verklaring, bedoeld in artikel 2.2.5, eerste lid, ten behoeve van de bekostiging voor het kalenderjaar 2015 niet tijdig indient, kan Onze Minister, in afwijking van artikel 2.2.5, de rijksbijdrage voor het kalenderjaar 2015 en, in afwijking van artikel 6.1.4, de overgangsbekostiging voor de kalenderjaren 2015 tot en met 2018 voor deze instelling voorlopig vaststellen met gebruik van de gegevens van het kalenderjaar 2012, respectievelijk het studiejaar 2012–2013.
2. De instellingen, bedoeld in het eerste lid, dienen uiterlijk 1 november 2014 de gegevens bedoeld in artikel 2.5.5a, tweede lid, onderdelen a, b, c, d, h, i, l, m en n, van de wet, voorzien van een goedkeurende accountantsverklaring, in bij Onze Minister.
3. Indien toepassing van de artikelen 2.2.2, 2.2.3 en 6.1.4 met gebruikmaking van de gegevens, bedoeld in het tweede lid, leidt tot een lagere rijksbijdrage of overgangsbekostiging dan vastgesteld op grond van het eerste lid, wordt die lagere rijksbijdrage of overgangsbekostiging vastgesteld. Gebruikmaking van de gegevens, bedoeld in het tweede lid, leidt in geen geval tot een hogere rijksbijdrage of overgangsbekostiging dan vastgesteld op grond van het eerste lid.
Artikel 6.1.6
1. Voor de berekening van de overgangsbekostiging beroepsonderwijs van een instelling wordt de rijksbijdrage voor een instelling voor het kalenderjaar 2019, berekend op grond van de artikelen 2.2.2, 2.2.3 en 2.6a.1 zoals die artikelen luiden na inwerkingtreding van artikel I, onderdelen B en C, van het besluit van 12 juli 2018 tot wijziging van het Uitvoeringsbesluit WEB met name in verband met het afschaffen van de cascadebekostiging (Stb. 2018, 261), vergeleken met de rijksbijdrage voor beroepsonderwijs zoals die voor het kalenderjaar 2019 zou zijn vastgesteld volgens de berekeningswijze op grond van de artikelen 2.2.2, 2.2.3 en 2.6a.1 zoals deze luidden op de dag voorafgaand aan die inwerkingtreding.
2. Indien uit de vergelijking, bedoeld in het eerste lid, blijkt dat de in dat lid eerstgenoemde rijksbijdrage voor een instelling hoger is dan de laatstgenoemde rijksbijdrage, wordt eerstgenoemde rijksbijdrage voor 2019 verminderd met 75% van het verschil tussen beide berekende rijksbijdragen. De uitkomst van de berekening wordt rekenkundig afgerond op hele euro’s.
3. Indien uit de vergelijking, bedoeld in het eerste lid, blijkt dat de in dat lid eerstgenoemde rijksbijdrage voor een instelling lager is dan de laatstgenoemde rijksbijdrage, wordt eerstgenoemde rijksbijdrage voor 2019 aangevuld met 75% van het verschil tussen beide berekende rijksbijdragen. De uitkomst van de berekening wordt rekenkundig afgerond op hele euro’s.
4. Indien aan een instelling voor het kalenderjaar 2019 een bedrag in mindering wordt gebracht op grond van het tweede lid, wordt aan die instelling voor de kalenderjaren 2020 en 2021 50% respectievelijk 25% van het verschil, bedoeld in het tweede lid, in mindering gebracht. De uitkomst van de berekening wordt rekenkundig afgerond op hele euro’s.
5. Indien een instelling voor het kalenderjaar 2019 een aanvulling ontvangt op grond van het derde lid, ontvangt die instelling voor de kalenderjaren 2020 en 2021 50% respectievelijk 25% van het verschil, bedoeld in het derde lid. De uitkomst van de berekening wordt rekenkundig afgerond op hele euro’s.
Artikel 6.1.7
1. Indien een instelling de gegevens en de verklaring, bedoeld in artikel 2.2.5, eerste lid, ten behoeve van de bekostiging voor het kalenderjaar 2019 niet tijdig indient, kan Onze Minister, in afwijking van artikel 2.2.5, de rijksbijdrage voor het kalenderjaar 2019 en, in afwijking van artikel 6.1.6 de overgangsbekostiging voor de kalenderjaren 2019, 2020 en 2022 voor deze instelling voorlopig vaststellen met gebruik van de gegevens van het kalenderjaar 2016, respectievelijk het studiejaar 2016-2017.
2. De instellingen, bedoeld in het eerste lid, dienen uiterlijk 1 november 2018 de gegevens, bedoeld in artikel 2.5.5a, tweede lid, onderdelen a, b, c, d, h, i, l, m en n, van de wet, voorzien van een goedkeurende accountantsverklaring, in bij Onze Minister.
3. Indien toepassing van de artikelen 2.2.2, 2.2.3 en 6.1.6 met gebruikmaking van de gegevens, bedoeld in het tweede lid, leidt tot een lagere rijksbijdrage of overgangsbekostiging dan vastgesteld op grond van het eerste lid, wordt die lagere rijksbijdrage of overgangsbekostiging vastgesteld. Gebruikmaking van de gegevens, bedoeld in het tweede lid, leidt in geen geval tot een hogere rijksbijdrage of overgangsbekostiging dan vastgesteld op grond van het eerste lid.
Artikel 6.1.8
1. Bij de vermindering van de rijksbijdrage, bedoeld in artikel 2.6.1, wordt voor het kalenderjaar 2024 voor de omvang van het cursusgeld, in afwijking van het in artikel 2.6.1 bepaalde omtrent DC1 en DC2, uitgegaan van artikel 17 van het Uitvoeringsbesluit Les- en cursusgeldwet 2000 zoals dit artikel luidt op 1 januari 2024, en niet van artikel 15 van het Uitvoeringsbesluit Les- en cursusgeldwet 2000.
2. Dit artikel vervalt met ingang van 1 januari 2027.
Artikel 6.1.9
1. Indien een instelling de gegevens en de verklaring, bedoeld in artikel 2.2.5, eerste lid, ten behoeve van de bekostiging voor het kalenderjaar 2025 niet tijdig indient, kan Onze Minister, in afwijking van artikel 2.2.5, tweede lid, de rijksbijdrage voor het kalenderjaar 2025 voor deze instelling voorlopig vaststellen met gebruik van de voorlopige gegevens van het kalenderjaar 2025.
2. Indien toepassing van artikel 2.2.3 met gebruikmaking van de gegevens, bedoeld in artikel 2.2.5, derde lid, leidt tot een lagere rijksbijdrage dan vastgesteld op grond van het eerste lid, wordt die lagere rijksbijdrage vastgesteld. Gebruikmaking van de gegevens, bedoeld in artikel 2.2.5, derde lid, leidt in geen geval tot een hogere rijksbijdrage dan vastgesteld op grond van het eerste lid.
3. Dit artikel vervalt met ingang van 1 januari 2027.
Paragraaf 2. Vavo
Artikel 6.2.1
Vervallen
Artikel 6.2.2
Vervallen
Paragraaf 2a. Kosten van werkloosheidsuitkeringen en suppleties inzake arbeidsongeschiktheid beroepsonderwijs en voortgezet algemeen volwassenenonderwijs
Artikel 6.2a.1
Op deze paragraaf is artikel 2b.1.1 van toepassing.
Artikel 6.2a.2
1.
Onze Minister verdeelt het voor het kalenderjaar 2015 respectievelijk 2016 vastgestelde budget ten behoeve van uitkeringskosten over de instellingen naar rato van de som van de voor een instelling:
a. a. op grond van artikel 6.1.4 voor het kalenderjaar 2015 respectievelijk 2016 berekende rijksbijdrage beroepsonderwijs, die in geval van een agrarisch opleidingscentrum wordt vermeerderd met de rijksbijdrage zoals berekend op grond van artikel 2.3.2, en b. b. op grond van artikel 6.2.1, eerste lid, respectievelijk artikel 6.2.2, eerste lid, berekende rijksbijdrage vavo.
2. De uitkomst van de berekening, bedoeld in het eerste lid, wordt rekenkundig afgerond op hele euro’s.
Artikel 6.2a.3
1.
Onze Minister verdeelt het voor het kalenderjaar 2017 respectievelijk 2018 vastgestelde budget ten behoeve van uitkeringskosten over de instellingen naar rato van de som van de voor een instelling:
a. a. op grond van artikel 6.1.4 voor het kalenderjaar 2017 respectievelijk 2018 berekende rijksbijdrage beroepsonderwijs, die in geval van een agrarisch opleidingscentrum wordt vermeerderd met de rijksbijdrage zoals berekend op grond van artikel 2.3.2, en b. b. op grond van de artikel 2a.2.1, eerste lid, berekende rijksbijdrage vavo.
2. De uitkomst van de berekening, bedoeld in het eerste lid, wordt rekenkundig afgerond op hele euro’s.
Artikel 6.2a.4
1.
Onze Minister verdeelt het voor het kalenderjaar 2019, 2020 respectievelijk 2021 vastgestelde budget ten behoeve van de uitkeringskosten over de instellingen naar rato van de som van de voor een instelling:
a. a. op grond van artikel 6.1.6 voor het kalenderjaar 2019, 2020 respectievelijk 2021 berekende rijksbijdrage beroepsonderwijs, die in geval van een agrarisch opleidingscentrum wordt vermeerderd met de rijksbijdrage zoals berekend op grond van artikel 2.3.2, en b. b. op grond van artikel 2a.2.1, eerste lid, berekende rijksbijdrage vavo.
2. De uitkomst van de berekening, bedoeld in het eerste lid, wordt rekenkundig afgerond op hele euro’s.
Paragraaf 3. Verticale scholengemeenschappen
Artikel 6.3.1
1. Voor de berekening van de rijksbijdrage van de scholen voor praktijkonderwijs en vbo binnen verticale scholengemeenschappen die van rechtswege zijn ontstaan na de omzetting op grond van artikel 12.2.4 van de wet, wordt voor wat betreft het kalenderjaar waarin die omzetting plaatsvindt, gebruik gemaakt van de berekeningswijze op grond van de artikelen 2.1.3, 2.3.2 en 2.4.1 zoals deze luidden op 1 januari van dat kalenderjaar.
2. Een besluit tot de berekening van de bekostiging van een school die van rechtswege is ontstaan na de omzetting op grond van artikel 12.2.4 van de wet, vindt voor het eerst toepassing op grond van de Wet voortgezet onderwijs 2020 en artikel 2.6.3 van de wet over het kalenderjaar volgend op die omzetting.
Paragraaf 4. Overgangsrecht uitkering educatie voor de jaren 2016 en 2017
Artikel 6.4.1
1.
Voor het kalenderjaar 2016 wordt de uitkering educatie die aan een college van burgemeester en wethouders van een contactgemeente van een regio wordt verstrekt, berekend door de uitkomst van de formule
{bi : bl} x 2/3 x bm, op te tellen bij een derde van het bedrag volgens de formule in artikel 3.2.1, eerste lid,
waarbij wordt verstaan onder:
bi: de som van de bedragen die de gemeenten binnen deze regio voor het jaar 2014 hebben ontvangen op grond van artikel 4 van het Besluit participatiebudget zoals dat luidde op 31 december 2014;
bl: het landelijk budget educatie in het jaar 2014 ingevolge de Wet participatiebudget zoals die luidde op 31 december 2014;
bm: het totale bedrag dat door Onze Minister beschikbaar is gesteld voor uitkeringen educatie voor alle regio’s educatie voor het kalenderjaar 2016.
2.
Voor het kalenderjaar 2017 wordt de uitkering educatie die aan een college van burgemeester en wethouders van een contactgemeente van een regio wordt verstrekt, berekend door de uitkomst van de formule
{bi : bl} x 1/3 x bm op te tellen bij twee derde van het bedrag volgens de formule in artikel 3.2.1, eerste lid,
waarbij wordt verstaan onder:
bi: de som van de bedragen die de gemeenten binnen deze regio voor het jaar 2014 hebben ontvangen op grond van artikel 4 van het Besluit participatiebudget zoals dat luidde op 31 december 2014;
bl: het landelijk budget educatie in het jaar 2014 ingevolge de Wet participatiebudget zoals die luidde op 31 december 2014;
bm: het totale bedrag dat door Onze Minister beschikbaar is gesteld voor uitkeringen educatie voor alle regio’s educatie voor het kalenderjaar 2017.
Hoofdstuk 7. Slotbepalingen
Artikel 7.a1
Vervallen
Artikel 7.1
1. Dit besluit treedt, met uitzondering van de hoofdstukken 2, 3, 4, 5 voor zover het betreft de artikelen 5.2.1, 5.2.2 en 5.2.4, en 6, in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst.
2. De hoofdstukken 2, 3, 4 en 6 van dit besluit treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende hoofdstukken, paragrafen en artikelen verschillend kan worden vastgesteld. Laatstbedoeld besluit wordt niet genomen dan nadat vier weken zijn verstreken nadat het onderhavige besluit is overgelegd aan de beide Kamers der Staten-Generaal en gedurende die termijn niet door of namens een van beide kamers de wens wordt te kennen gegeven dat het in de hoofdstukken 2 en 6, paragraaf 1, dan wel de hoofdstukken 3 en 6, paragraaf 2, dan wel de hoofdstukken 4 en 6, paragraaf 3, van dit besluit geregelde onderwerp bij de wet wordt geregeld. De bepalingen vinden voor het eerst toepassing ten aanzien van de rijksbijdragen voor het jaar 2000.
2. De artikelen 5.2.1, 5.2.2 en 5.2.4 van dit besluit treden in werking 12 maanden na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst, met dien verstande dat de formulieren ten aanzien van de gegevens inzake uitgereikte diploma's niet eerder van toepassing zijn dan over het kalenderjaar 2001 en de overige formulieren niet eerder dan over het studiejaar 2001–2002.
Artikel 7.2
Dit besluit wordt aangehaald als: Uitvoeringsbesluit WEB.
Bijlage 1. Informatieverzameling instellingen bij
Deze bijlage bevat een programma van eisen of gegevenswoordenboek, waarin de personeelsgegevens worden gespecificeerd die het bevoegd gezag verplicht is aan de overheid te leveren, krachtens artikel 2.3.6, tweede lid, en artikel 2.5.5, tweede lid, van de WEB en artikelen 5.2.1 en 5.2.2 van het Uitvoeringsbesluit WEB.
Bijlage 1A. Vooropleidingentabel bij hoofdstuk 5, informatie, van het Uitvoeringsbesluit WEB
Vervallen
Bijlage 1B. Codetabel kwalificatiestructuur educatie bij hoofdstuk 5, informatie, van het Uitvoeringsbesluit WEB
Vervallen
Bijlage 1C. Lijst ontwikkelde landen bij doelgroepen bve bij hoofdstuk 5, informatie, van het Uitvoeringsbesluit WEB
Vervallen
Bijlage 2. Informatieverzameling gemeenten bij
Vervallen
Bijlage 3. Informatieverzameling kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven bij hoofdstuk 5, informatie, van het Uitvoeringsbesluit WEB
Vervallen
Bijlage 4. Wijze van beschikbaarstelling gegevens door instellingen bij
De gegevens bedoeld in artikel 2.3.6, tweede lid, en artikel 2.5.5, tweede lid, van de WEB zijn op diverse momenten nodig, sommige enkele malen per jaar, andere vaker. De benodigde gegevens moeten door het bevoegd gezag worden geleverd. Voor steeds meer gegevens geldt een verplichte elektronische aanlevering in een bestandsformaat met een vooraf vastgestelde opbouw. Als gevolg hiervan is het van groot belang dat voor alle betrokken partijen bekend is welke gegevens op welke wijze (tijdstip en vorm) beschikbaar moeten worden gesteld. De overheid maakt bij de gegevensverzameling zoveel mogelijk gebruik van het principe van éénmaal bevragen, meer keren gebruiken.
Een groot deel van de gegevens (zoals organisatiegegevens) is reeds geregistreerd in systemen. Deze gegevens hoeven alleen aangepast te worden wanneer zich mutaties voordoen. Daarvoor kan men terecht op de site van DUO, www.ocwduo.nl. Afhankelijk of instellingen zelf gegevensleverancier zijn, worden personeelsgegevens onttrokken aan de schooladministratie of aan registraties bij salarisverwerkers of administratiekantoren. In deze bijlage wordt ingegaan op de termijn voor aanlevering van de personeelsgegevens en de wijze van aanlevering.
Bijlage 5. Modellen van formulieren gemeenten bij
Vervallen
Bijlage 6. Modellen van formulieren kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven bij
Vervallen