rijk/amvb/uitvoeringsbesluit-wtza/BWBR0045000
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00
..
README.md feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown 2026-03-30 06:27:40 +02:00

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Uitvoeringsbesluit Wtza BWBR0045000 AMvB geldend 2022-01-01 https://wetten.overheid.nl/BWBR0045000 Uitvoeringsbesluit Wtza

Uitvoeringsbesluit Wtza

Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen

Artikel 1

In dit besluit en de daarop rustende bepalingen wordt verstaan onder:

    *interne toezichthouder:* interne toezichthouder als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van de wet;

    *Regionale Ambulancevoorziening:* Regionale Ambulancevoorziening als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van de Wet ambulancezorgvoorzieningen;

    *verklaring omtrent het gedrag:* verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens;

    *wet:*
    Wet toetreding zorgaanbieders.

Hoofdstuk 2. Toetreding zorgaanbieders

Paragraaf 1. meldplicht

Artikel 2

De meldplicht, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de wet, is niet van toepassing op:

a. a. abortusklinieken als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet afbreking zwangerschap, die beschikken over een vergunning als bedoeld in artikel 2 van de Wet afbreking zwangerschap; b. b. apotheken, indien de apotheker die belast is met de leiding van de apotheek is ingeschreven in het register, bedoeld in artikel 61, vijfde lid, van de Geneesmiddelenwet; c. c. de militair geneeskundige dienst, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel f, van de Wet ambtenaren defensie; d. d. Regionale Ambulancevoorzieningen; e. e. de ingevolge artikel 3 van de Wet inzake bloedvoorziening aangewezen rechtspersoon; f. f. gemeentelijke gezondheidsdiensten als bedoeld in artikel 14 van de Wet publieke gezondheid alsmede gemeenten die zelf jeugdgezondheidszorg of ouderengezondheidszorg op grond van die wet verlenen; g. g. inrichtingen als bedoeld in de Penitentiaire beginselenwet, instellingen voor de verpleging van ter beschikking gestelden als bedoeld in de Wet forensische zorg en inrichtingen als bedoeld in de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen; h. h. zorgaanbieders die uitsluitend de volgende zorg, bedoeld bij of krachtens de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg, verlenen:

      1°
      vervoer van een cliënt als bedoeld in de artikelen 3.1.1, eerste lid, onderdeel f, en 11.1.5, eerste lid, onderdeel b, van de Wet langdurige zorg, anders dan ambulancezorg als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel d en e, van de Wet ambulancezorgvoorzieningen;
    
    
      2°
      schoonhouden van de woonruimte van een cliënt;
    
    
      3°
      verstrekken van eten en drinken;
    
    
      4°
      verstrekken van kleding verband houdende met het karakter en de doelstelling van de instelling;
    
    
      5°
      leveren van roerende voorzieningen of mobiliteitshulpmiddelen als bedoeld in artikel 3.1.1, eerste lid, onderdeel a, onder 3°, onderscheidenlijk onderdeel e, van de Wet langdurige zorg;
    
    
      6°
      bevolkingsonderzoek als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van de Wet op het bevolkingsonderzoek, mits de zorgaanbieder daartoe beschikt over een vergunning als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet op het bevolkingsonderzoek; of
    
    
      7°
      in ontvangst nemen na verkrijging, of bewerken, preserveren, bewaren of distribueren van lichaamsmateriaal als bedoeld in de Wet veiligheid en kwaliteit lichaamsmateriaal, mits de zorgaanbieder daartoe beschikt over een erkenning op grond van artikel 9 van de Wet veiligheid en kwaliteit lichaamsmateriaal.

1° 1° vervoer van een cliënt als bedoeld in de artikelen 3.1.1, eerste lid, onderdeel f, en 11.1.5, eerste lid, onderdeel b, van de Wet langdurige zorg, anders dan ambulancezorg als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel d en e, van de Wet ambulancezorgvoorzieningen; 2° 2° schoonhouden van de woonruimte van een cliënt; 3° 3° verstrekken van eten en drinken; 4° 4° verstrekken van kleding verband houdende met het karakter en de doelstelling van de instelling; 5° 5° leveren van roerende voorzieningen of mobiliteitshulpmiddelen als bedoeld in artikel 3.1.1, eerste lid, onderdeel a, onder 3°, onderscheidenlijk onderdeel e, van de Wet langdurige zorg; 6° 6° bevolkingsonderzoek als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van de Wet op het bevolkingsonderzoek, mits de zorgaanbieder daartoe beschikt over een vergunning als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet op het bevolkingsonderzoek; of 7° 7° in ontvangst nemen na verkrijging, of bewerken, preserveren, bewaren of distribueren van lichaamsmateriaal als bedoeld in de Wet veiligheid en kwaliteit lichaamsmateriaal, mits de zorgaanbieder daartoe beschikt over een erkenning op grond van artikel 9 van de Wet veiligheid en kwaliteit lichaamsmateriaal.

Paragraaf 2. toelatingsvergunning

Artikel 3

De verplichting om te beschikken over een toelatingsvergunning is niet van toepassing op:

a. a. abortusklinieken als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet afbreking zwangerschap, die beschikken over een vergunning als bedoeld in artikel 2 van de Wet afbreking zwangerschap, mits naast het afbreken van zwangerschap geen andere zorg of dienst als omschreven bij of krachtens de Wet langdurige zorg of de Zorgverzekeringswet wordt verleend dan het verstrekken of plaatsen van anticonceptie aansluitend op een zwangerschapsafbreking; b. b. de militair geneeskundige dienst, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel f, van de Wet ambtenaren defensie; c. c. Regionale Ambulancevoorzieningen; d. d. inrichtingen als bedoeld in de Penitentiaire beginselenwet, rijksinstellingen als bedoeld in de Wet forensische zorg en rijksinrichtingen als bedoeld in de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen; e. e. zorgaanbieders die uitsluitend de volgende zorg of andere dienst als omschreven bij of krachtens de Wet langdurige zorg of de Zorgverzekeringswet verlenen:

      1°
      hulpmiddelenzorg als bedoeld in artikel 2.9 van het Besluit zorgverzekering;
    
    
      2°
      vervoer als bedoeld in de artikelen 2.5, eerste lid, onderdelen e en f, 2.14 en 2.15 van het Besluit zorgverzekering en 3.1.1, eerste lid, onderdeel f, en 11.1.5, eerste lid, onderdeel b, van de Wet langdurige zorg, anders dan ambulancezorg als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel d en e, van de Wet ambulancezorgvoorzieningen;
    
    
      3°
      schoonhouden van de woonruimte van een cliënt; of
    
    
      4°
      leveren van roerende voorzieningen of mobiliteitshulpmiddelen als bedoeld in artikel 3.1.1, eerste lid, onderdeel a, onder 3°, onderscheidenlijk onderdeel e, van de Wet langdurige zorg.

1° 1° hulpmiddelenzorg als bedoeld in artikel 2.9 van het Besluit zorgverzekering; 2° 2° vervoer als bedoeld in de artikelen 2.5, eerste lid, onderdelen e en f, 2.14 en 2.15 van het Besluit zorgverzekering en 3.1.1, eerste lid, onderdeel f, en 11.1.5, eerste lid, onderdeel b, van de Wet langdurige zorg, anders dan ambulancezorg als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel d en e, van de Wet ambulancezorgvoorzieningen; 3° 3° schoonhouden van de woonruimte van een cliënt; of 4° 4° leveren van roerende voorzieningen of mobiliteitshulpmiddelen als bedoeld in artikel 3.1.1, eerste lid, onderdeel a, onder 3°, onderscheidenlijk onderdeel e, van de Wet langdurige zorg.

Artikel 4

1. Onze Minister kan een zorgaanbieder verzoeken een verklaring omtrent het gedrag te verstrekken, indien Onze Minister kennis heeft van feiten of omstandigheden op grond waarvan hij redelijkerwijs kan vermoeden dat niet of niet langer wordt voldaan aan de eisen voor het afgeven van een verklaring omtrent het gedrag.

2.

Een verklaring omtrent het gedrag ten behoeve van een natuurlijke persoon kan betrekking hebben op:

a. a. een natuurlijke persoon die als lid van de dagelijkse of algemene leiding optreedt dan wel voornemens is dit te doen; of b. b. een natuurlijke persoon die als lid van een interne toezichthouder optreedt dan wel voornemens is dit te doen.

Paragraaf 3. bestuursstructuur

Artikel 5

Artikel 3, eerste lid, van de wet is niet van toepassing op:

a. a. academische ziekenhuizen; b. b. instellingen die op grond van de Wet forensische zorg zijn aangewezen als private instelling voor de verpleging van ter beschikking gestelden en particuliere inrichtingen als bedoeld in de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen; c. c. instellingen waar cliënten verblijven waarvan de zorg uitsluitend wordt bekostigd uit een persoonsgebonden budget, indien de meerderheid van de zeggenschap in de dagelijkse of algemene leiding van die instelling is belegd bij de cliënten die in die instelling verblijven, hun wettelijke vertegenwoordigers of bloed- of aanverwanten; d. d. instellingen die in de regel met tien of minder zorgverleners zorg verlenen of doen verlenen; e. e. instellingen waarin cliënten niet gedurende ten minste een etmaal kunnen verblijven en die in de regel met vijftig of minder zorgverleners zorg of een andere dienst als omschreven bij of krachtens de Wet langdurige zorg of de Zorgverzekeringswet verlenen of doen verlenen indien geen sprake is van:

      1°
      medisch specialistische zorg; of
    
    
      2°
      persoonlijke verzorging, begeleiding of verpleging als bedoeld in artikel 3.1.1, eerste lid, onderdeel b, van de Wet langdurige zorg of artikel 2.10 van het Besluit zorgverzekering.

1° 1° medisch specialistische zorg; of 2° 2° persoonlijke verzorging, begeleiding of verpleging als bedoeld in artikel 3.1.1, eerste lid, onderdeel b, van de Wet langdurige zorg of artikel 2.10 van het Besluit zorgverzekering.

Artikel 6

1. De interne toezichthouder bestaat uit ten minste drie natuurlijke personen.

2. Een persoon wordt voor ten hoogste vier jaar aangesteld als lid van de interne toezichthouder van de instelling. Deze periode kan eenmaal met ten hoogste vier jaar worden verlengd. De al dan niet aaneengesloten totale periode waarin een persoon lid is van de interne toezichthouder van de instelling is ten hoogste acht jaar.

Artikel 7

1.

De instelling borgt de onafhankelijke taakvervulling door de interne toezichthouder. Dit betekent in ieder geval dat:

a. a. een lid van de interne toezichthouder geen andere financiële vergoeding van de instelling ontvangt dan een passende vergoeding voor de als lid van de interne toezichthouder verrichte werkzaamheden; b. b. een lid van de interne toezichthouder, diens echtgenoot of andere levensgezel, pleegkind of bloed- of aanverwant tot in de tweede graad:

        1°
        tijdens dan wel in de periode van drie jaar voorafgaand aan het lidmaatschap van de interne toezichthouder geen lid is van de dagelijkse of algemene leiding van de instelling;
      
      
        2°
        in de periode van een jaar voorafgaand aan het lidmaatschap van de interne toezichthouder niet tijdelijk heeft voorzien in de dagelijkse of algemene leiding van de instelling bij belet of ontstentenis van een of meer leden van de dagelijkse of algemene leiding;
      
      
        3°
        tijdens dan wel in de periode van drie jaar voorafgaand aan het lidmaatschap van de interne toezichthouder geen werknemer van de instelling is dan wel krachtens een overeenkomst van opdracht werkzaamheden voor de instelling heeft verricht;
      
      
        4°
        tijdens dan wel in de periode van drie jaar voorafgaand aan het lidmaatschap van de interne toezichthouder geen zakelijke relatie onderhoudt met de instelling die de onafhankelijkheid van het lid van de interne toezichthouder dan wel het vertrouwen in die onafhankelijkheid in gevaar brengt;
      
      
        5°
        geen lid is van de dagelijkse of algemene leiding van een andere instelling indien een lid van de dagelijkse of algemene leiding van de instelling lid is van de interne toezichthouder van die andere instelling;
      
      
        6°
        geen aandelen in de instelling houdt;
      
      
        7°
        geen lid is van de dagelijkse of algemene leiding van een rechtspersoon die aandelen in de instelling houdt dan wel van een andere instelling die binnen het verzorgingsgebied van de instelling geheel of gedeeltelijk dezelfde werkzaamheden verricht;
      
      
        8°
        geen lid is van de interne toezichthouder van een andere instelling die binnen het verzorgingsgebied van de instelling geheel of gedeeltelijk dezelfde werkzaamheden verricht, tenzij die andere instelling een dochtermaatschappij van de instelling is als bedoeld in artikel 24a van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek of die andere instelling met de instelling is verbonden in een groep als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek;
      
      
        9°
        geen lid is van de interne toezichthouder van een rechtspersoon die aandelen in de instelling houdt, tenzij die rechtspersoon met de instelling is verbonden in een groep als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.

1° 1° tijdens dan wel in de periode van drie jaar voorafgaand aan het lidmaatschap van de interne toezichthouder geen lid is van de dagelijkse of algemene leiding van de instelling; 2° 2° in de periode van een jaar voorafgaand aan het lidmaatschap van de interne toezichthouder niet tijdelijk heeft voorzien in de dagelijkse of algemene leiding van de instelling bij belet of ontstentenis van een of meer leden van de dagelijkse of algemene leiding; 3° 3° tijdens dan wel in de periode van drie jaar voorafgaand aan het lidmaatschap van de interne toezichthouder geen werknemer van de instelling is dan wel krachtens een overeenkomst van opdracht werkzaamheden voor de instelling heeft verricht; 4° 4° tijdens dan wel in de periode van drie jaar voorafgaand aan het lidmaatschap van de interne toezichthouder geen zakelijke relatie onderhoudt met de instelling die de onafhankelijkheid van het lid van de interne toezichthouder dan wel het vertrouwen in die onafhankelijkheid in gevaar brengt; 5° 5° geen lid is van de dagelijkse of algemene leiding van een andere instelling indien een lid van de dagelijkse of algemene leiding van de instelling lid is van de interne toezichthouder van die andere instelling; 6° 6° geen aandelen in de instelling houdt; 7° 7° geen lid is van de dagelijkse of algemene leiding van een rechtspersoon die aandelen in de instelling houdt dan wel van een andere instelling die binnen het verzorgingsgebied van de instelling geheel of gedeeltelijk dezelfde werkzaamheden verricht; 8° 8° geen lid is van de interne toezichthouder van een andere instelling die binnen het verzorgingsgebied van de instelling geheel of gedeeltelijk dezelfde werkzaamheden verricht, tenzij die andere instelling een dochtermaatschappij van de instelling is als bedoeld in artikel 24a van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek of die andere instelling met de instelling is verbonden in een groep als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek; 9° 9° geen lid is van de interne toezichthouder van een rechtspersoon die aandelen in de instelling houdt, tenzij die rechtspersoon met de instelling is verbonden in een groep als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.

2. Onder instelling als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a en onderdeel b, wordt mede verstaan een dochtermaatschappij van de instelling als bedoeld in artikel 24a van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek alsmede met de instelling in een groep verbonden rechtspersonen of vennootschappen als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.

3. Onder lid van de dagelijkse of algemene leiding als bedoeld in de subonderdelen 1°, 5° en 7° van onderdeel b van het eerste lid, wordt mede verstaan de natuurlijke persoon die het beleid van de instelling heeft bepaald of mede heeft bepaald, als ware hij lid van de dagelijkse of algemene leiding van de instelling.

Artikel 8

1. De interne toezichthouder richt zich bij de vervulling van zijn taak naar het belang van de instelling, het te behartigen maatschappelijke belang en het belang van de betrokken belanghebbenden.

2. De interne toezichthouder stelt een profielschets op voor de leden van de interne toezichthouder rekening houdend met de aard van de instelling, diens activiteiten en de gewenste deskundigheid en achtergrond van de leden van de interne toezichthouder.

Artikel 9

1. De instelling verschaft de interne toezichthouder tijdig, en desgevraagd schriftelijk, de voor de uitoefening van diens taak noodzakelijke gegevens.

2.

De instelling stelt de interne toezichthouder voorts ten minste eenmaal per jaar schriftelijk op de hoogte van in ieder geval:

a. a. de hoofdlijnen van het strategisch beleid; b. b. de algemene en financiële risicos; en c. c. het beheers- en controlesysteem van de instelling.

Hoofdstuk 3. Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 10

De meldplicht, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de wet, is niet van toepassing op de volgende categorieën van zorgaanbieders:

a. a. zorgaanbieders als bedoeld in artikel 2; b. b. zorgaanbieders die op de dag van inwerkingtreding van de wet vermeld staan in het openbaar register, bedoeld in artikel 12 van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg; c. c. zorgaanbieders die binnen de termijn, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de wet, de jaarverantwoording, bedoeld in artikel 40b van de Wet marktordening gezondheidszorg, over het jaar 2021 op de krachtens dat artikel bepaalde wijze openbaar hebben gemaakt.

Artikel 11

Wijzigt het Besluit Jeugdwet.

Artikel 12

Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Artikel 13

Dit besluit wordt aangehaald als: Uitvoeringsbesluit Wtza.