40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt. |
||
|---|---|---|
| .. | ||
| README.md | ||
| titel | bwb_id | type | status | datum_inwerkingtreding | bron | citeertitel |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Uitvoeringsbesluit WVO 2020 | BWBR0045787 | AMvB | geldend | 2023-10-06 | https://wetten.overheid.nl/BWBR0045787 | Uitvoeringsbesluit WVO 2020 |
Uitvoeringsbesluit WVO 2020
Hoofdstuk 1. Algemeen
Artikel 1.1
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
-
aanvullende bekostiging: aanvullende bekostiging als bedoeld in de artikelen 5.5, 5.9 en 5.10 van de wet;
-
accountant: accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek of een deskundige als bedoeld in artikel 121, zesde lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek BES;
-
algemeen vak: vak, niet zijnde een profielvak of een beroepsgericht keuzevak;
-
beroepsgericht keuzevak: keuzevak als bedoeld in artikel 2.29;
-
beroepsgericht programma: programma als bedoeld in artikel 3.7, eerste lid, onderdeel d;
-
college: College voor toetsen en examens;
-
cspe: centraal schriftelijk en praktisch examen in een profielvak;
-
eerste schooldag: 1 augustus of de dag waarop het onderwijs aan de school in enig schooljaar is aangevangen;
-
examinator: examinator als bedoeld in artikel 2.51, derde lid, van de wet;
-
extraneus: extraneus als bedoeld in artikel 2.51, tweede lid, van de wet;
-
gemeenschappelijk deel: deel van een profiel als bedoeld in artikel 2.21, eerste lid, onderdeel a, van de wet of artikel 2.24, eerste lid, onderdeel a, van de wet;
-
hoofdvestiging: hoofdvestiging als bedoeld in artikel 4.13 van de wet;
-
instelling voor educatie en beroepsonderwijs: instelling voor educatie en beroepsonderwijs als bedoeld in artikel 1.1.1 WEB of artikel 1.1.1 WEB BES;
-
nevenvestiging: nevenvestiging als bedoeld in artikel 4.14 van de wet; a. nieuwkomer: leerling die:
a. vreemdeling als bedoeld in artikel 1 van de Vreemdelingenwet 2000 is, b. als werkelijk schoolgaand staat ingeschreven bij een school, c. geen Internationaal georiënteerd voortgezet onderwijs of Europees secundair onderwijs volgt, en; d. in Nederland verblijft en korter dan twee jaar geleden voor het eerst is ingeschreven op een school als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 1 van de Wet op de expertisecentra of artikel 1.1 van de wet;
a. a. vreemdeling als bedoeld in artikel 1 van de Vreemdelingenwet 2000 is, b. b. als werkelijk schoolgaand staat ingeschreven bij een school, c. c. geen Internationaal georiënteerd voortgezet onderwijs of Europees secundair onderwijs volgt, en; d. d. in Nederland verblijft en korter dan twee jaar geleden voor het eerst is ingeschreven op een school als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 1 van de Wet op de expertisecentra of artikel 1.1 van de wet;
- praktijkgericht programma: programma als bedoeld in artikel 3.7, lid 1a;
- profiel: profiel als bedoeld in artikel 2.21, eerste lid, van de wet en artikel 2.24, eerste lid, van de wet;
- profieldeel: deel van een profiel als bedoeld in de artikel 2.21, eerste lid, onderdeel b, van de wet of artikel 2.24, eerste lid, onderdeel b, van de wet;
- profielvak: vak als bedoeld in artikel 2.21, eerste lid, en artikel 2.25, eerste lid;
- profielwerkstuk: profielwerkstuk als bedoeld in artikel 2.53, derde lid, van de wet;
- schoolsoortgroep 1: scholen voor mavo, vbo, praktijkonderwijs en scholengemeenschappen bestaande uit ten minste twee van deze schoolsoorten, inclusief het leerwegondersteunend onderwijs;
- schoolsoortgroep 2: scholen voor vbo, havo en scholengemeenschappen bestaande uit een combinatie van deze scholen;
- schoolsoortgroep 3: scholengemeenschappen bestaande uit scholen voor havo, mavo, al dan niet in combinatie met scholen voor vwo, inclusief het leerwegondersteunend onderwijs;
- schoolsoortgroep 4: scholengemeenschappen bestaande uit scholen voor havo, mavo en vbo, al dan niet in combinatie met scholen voor praktijkonderwijs of scholen voor vwo, inclusief het leerwegondersteunend onderwijs;
- teldatum: datum van 1 oktober, bedoeld in artikel 5.8, eerste lid, van de wet;
- uitkering: een werkloosheidsuitkering, een suppletie inzake arbeidsongeschiktheid of een uitkering wegens ziekte en arbeidsongeschiktheid van gewezen personeel anders dan op grond van de Ziektewet;
- vavo: opleiding voortgezet algemeen volwassenenonderwijs als bedoeld in artikel 7.3.1, eerste lid, onderdeel a, WEB en artikel 7.3.1, eerste lid, onderdeel a, WEB BES;
- vrije deel: deel van een profiel als bedoeld in de artikel 2.21, eerste lid, onderdeel c, van de wet of artikel 2.24, eerste lid, onderdeel c, van de wet;
- wet: Wet voortgezet onderwijs 2020.
Artikel 1.2
Dit besluit is ook van toepassing in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, tenzij anders is bepaald.
Hoofdstuk 2. Onderwijs
Paragraaf 1. Inrichting onderbouw voortgezet onderwijs
Artikel 2.1
De kerndoelen voor de eerste twee leerjaren voortgezet onderwijs vwo, havo, mavo en vbo worden bepaald in bijlage 1.
Artikel 2.2
1. Leerlingen die naar het oordeel van het bevoegd gezag niet in staat zijn alle delen van het onderwijsprogramma, bedoeld in artikel 2.14 van de wet, te volgen, kunnen in aanmerking komen voor afwijkingen in het onderwijsprogramma als bedoeld in artikel 2.18, tweede lid, van de wet.
2. Het bevoegd gezag stelt een commissie in die hem adviseert voor welke leerlingen artikel 2.18, tweede lid, van de wet kan worden toegepast. Het bevoegd gezag regelt de omvang en samenstelling van de commissie.
3. In haar schriftelijk advies doet de commissie aan het bevoegd gezag voorstellen over de aard van de afwijkingen. Daarbij geeft zij aan waarop deze voorstellen zijn gegrond.
4.
De commissie betrekt in elk geval bij haar oordeelsvorming:
a. a. in voorkomende gevallen het onderwijskundig rapport, bedoeld in artikel 42, eerste lid, WPO, artikel 48 van de WPO BES of artikel 43 WEC en de resultaten van het onderzoek naar de geschiktheid, bedoeld in artikel 8.3, eerste lid; b. b. indien de omstandigheid op grond waarvan afwijking wordt voorgesteld daartoe aanleiding geeft, de verklaring die is afgegeven door een deskundige; c. c. de schriftelijke zienswijze van de ouders van de leerlingen; d. d. de schriftelijke zienswijze van de leraar of leraren die zijn belast met het betrokken onderwijs.
5. Indien het bevoegd gezag het voornemen heeft om af te wijken van het advies van de commissie, overlegt het bevoegd gezag met de commissie.
6. De beslissing van het bevoegd gezag van een bijzondere school over het afwijken van onderdelen van het onderwijsprogramma berust op een deugdelijke motivering.
7. Het bevoegd gezag zendt zijn besluit, voorzien van een deugdelijke motivering en vergezeld van het advies van de commissie en de daarbij gevoegde gegevens, bedoeld in het vierde lid, aan de ouders van de betrokken leerlingen, aan de betrokken leraar of leraren en aan de inspectie.
Artikel 2.3
1. Het onderwijsprogramma in de eerste drie leerjaren aan een school voor vwo en aan een school voor havo omvat ook onderwijs in Franse taal en Duitse taal.
2. Het bevoegd gezag kan een leerling van een school als bedoeld in het eerste lid ontheffing verlenen voor het volgen van onderwijs in Franse taal of Duitse taal, indien de leerling onderwijs volgt in Spaanse taal, Russische taal, Italiaanse taal, Arabische taal, Turkse taal of, in vwo, Chinese taal en cultuur.
3.
Het bevoegd gezag kan een leerling van een school als bedoeld in het eerste lid ook ontheffing verlenen voor het volgen van onderwijs in Franse taal of Duitse taal of in beide talen, indien de leerling:
a. a. voor de eerste maal tot een school als bedoeld in het eerste lid is toegelaten; b. b. is geplaatst in een hoger leerjaar dan het eerste; c. c. eerder buiten Nederland vergelijkbaar onderwijs heeft gevolgd; en d. d. daarbij geen of te weinig onderwijs in deze taal of talen heeft gevolgd.
4. Het onderwijsprogramma in de eerste drie leerjaren aan een gymnasium omvat ook onderwijs in Latijnse taal en cultuur en Griekse taal en cultuur.
Artikel 2.4
1. Het onderwijsprogramma in de eerste twee leerjaren aan een school voor mavo en aan een school voor vbo omvat ook onderwijs in Franse taal of Duitse taal. De eerste volzin is niet van toepassing op leerlingen voor wie naar de verwachting van het bevoegd gezag het onderwijs in de basisberoepsgerichte leerweg het meest geschikt is.
2. Het bevoegd gezag kan een leerling van een school als bedoeld in het eerste lid ontheffing verlenen voor het volgen van onderwijs in Franse taal of Duitse taal, indien de leerling onderwijs volgt in Spaanse taal, Arabische taal of Turkse taal.
3.
Het bevoegd gezag kan een leerling van een school als bedoeld in het eerste lid ook ontheffing verlenen voor het volgen van onderwijs in de Franse taal of Duitse taal, indien de leerling:
a. a. voor de eerste maal tot een school als bedoeld in het eerste lid is toegelaten; b. b. is geplaatst in een hoger leerjaar dan het eerste; c. c. eerder buiten Nederland vergelijkbaar onderwijs heeft gevolgd; en d. d. daarbij geen of te weinig onderwijs in deze taal of talen heeft gevolgd.
4. De leerling die op basis van het eerste lid, tweede volzin, geen onderwijs volgt in de Franse taal of Duitse taal, volgt in het profiel economie en ondernemen of het profiel horeca, bakkerij en recreatie van de basisberoepsgerichte leerweg in plaats hiervan, naar keuze van de leerling, het vak Arabische taal, Turkse taal, Spaanse taal, maatschappijkunde, geschiedenis en staatsinrichting of aardrijkskunde.
Paragraaf 2. Profielen bovenbouw vwo-onderwijs
Artikel 2.5
1.
Het gemeenschappelijk deel van een profiel in het atheneum omvat de volgende vakken, met de daarbij vermelde normatieve studielast, uitgedrukt in uren:
a. a. Nederlandse taal en literatuur: 480; b. b. Engelse taal en literatuur: 400; c. c. Franse taal en literatuur, Duitse taal en literatuur, Spaanse taal en literatuur, Russische taal en literatuur, Italiaanse taal en literatuur, Arabische taal en literatuur, Turkse taal en literatuur, Chinese taal en cultuur of Friese taal en cultuur, ter keuze van de leerling, voor zover het bevoegd gezag deze vakken aanbiedt: 480; d. d. maatschappijleer: 120; e. e. culturele en kunstzinnige vorming: 160; en f. f. lichamelijke opvoeding: 160.
2.
Het gemeenschappelijk deel van een profiel in het gymnasium omvat de volgende vakken, met de daarbij vermelde normatieve studielast, uitgedrukt in uren:
a. a. Nederlandse taal en literatuur: 480; b. b. Engelse taal en literatuur: 400; c. c. Latijnse taal en cultuur of Griekse taal en cultuur, ter keuze van de leerling uit deze beide door het bevoegd gezag aan te bieden vakken: 760; d. d. maatschappijleer: 120; en e. e. lichamelijke opvoeding: 160.
Artikel 2.6
1.
Het profieldeel van het profiel natuur en techniek in vwo omvat de volgende vakken, met de daarbij vermelde normatieve studielast, uitgedrukt in uren:
a. a. wiskunde B: 600; b. b. natuurkunde: 480; c. c. scheikunde: 440; en d. d. een van de volgende profielkeuzevakken, ter keuze van de leerling, voor zover het bevoegd gezag deze vakken aanbiedt:
1°.
natuur, leven en technologie: 440;
2°.
informatica: 440;
3°.
biologie: 480; of
4°.
wiskunde D: 440.
1°. 1°. natuur, leven en technologie: 440; 2°. 2°. informatica: 440; 3°. 3°. biologie: 480; of 4°. 4°. wiskunde D: 440.
2.
Het profieldeel van het profiel natuur en gezondheid in vwo omvat de volgende vakken, met de daarbij vermelde normatieve studielast, uitgedrukt in uren:
a. a. wiskunde A: 520, met dien verstande dat de leerling het vak wiskunde A kan vervangen door wiskunde B, voor zover het bevoegd gezag dit vak als onderdeel van dit profiel aanbiedt; b. b. biologie: 480; c. c. scheikunde: 440; en d. d. een van de volgende profielkeuzevakken, ter keuze van de leerling, voor zover het bevoegd gezag deze vakken aanbiedt:
1°.
natuur, leven en technologie: 440;
2°.
aardrijkskunde: 440; of
3°.
natuurkunde: 480.
1°. 1°. natuur, leven en technologie: 440; 2°. 2°. aardrijkskunde: 440; of 3°. 3°. natuurkunde: 480.
3.
Het profieldeel van het profiel economie en maatschappij in vwo omvat de volgende vakken, met de daarbij vermelde normatieve studielast, uitgedrukt in uren:
a. a. wiskunde A: 520, met dien verstande dat de leerling het vak wiskunde A kan vervangen door wiskunde B, voor zover het bevoegd gezag dit vak als onderdeel van dit profiel aanbiedt; b. b. economie: 480; c. c. geschiedenis: 440; en d. d. een van de volgende profielkeuzevakken, ter keuze van de leerling, voor zover het bevoegd gezag deze vakken aanbiedt:
1°.
bedrijfseconomie: 440;
2°.
aardrijkskunde: 440;
3°.
maatschappijwetenschappen: 440; of
4°.
Franse taal en literatuur, Duitse taal en literatuur, Spaanse taal en literatuur, Russische taal en literatuur, Italiaanse taal en literatuur, Arabische taal en literatuur, Turkse taal en literatuur, Chinese taal en cultuur of Friese taal en cultuur: 480.
1°. 1°. bedrijfseconomie: 440; 2°. 2°. aardrijkskunde: 440; 3°. 3°. maatschappijwetenschappen: 440; of 4°. 4°. Franse taal en literatuur, Duitse taal en literatuur, Spaanse taal en literatuur, Russische taal en literatuur, Italiaanse taal en literatuur, Arabische taal en literatuur, Turkse taal en literatuur, Chinese taal en cultuur of Friese taal en cultuur: 480.
4.
Het profieldeel van het profiel cultuur en maatschappij in vwo omvat de volgende vakken, met de daarbij vermelde normatieve studielast, uitgedrukt in uren:
a. a. wiskunde C: 480, met dien verstande dat de leerling het vak wiskunde C kan vervangen door wiskunde A of wiskunde B, voor zover het bevoegd gezag deze vakken als onderdeel van dit profiel aanbiedt; b. b. geschiedenis: 480; c. c. een van de volgende culturele profielkeuzevakken, ter keuze van de leerling, voor zover het bevoegd gezag deze vakken aanbiedt:
1°.
kunst (beeldende vormgeving), kunst (muziek), kunst (drama), kunst (dans), muziek, tekenen, handvaardigheid of textiele vormgeving: 480;
2°.
filosofie: 480;
3°.
Franse taal en literatuur, Duitse taal en literatuur, Spaanse taal en literatuur, Russische taal en literatuur, Italiaanse taal en literatuur, Arabische taal en literatuur, Turkse taal en literatuur, Chinese taal en cultuur, Friese taal en cultuur met een normatieve studielast van 480 uren, Latijnse taal en cultuur of Griekse taal en cultuur met een normatieve studielast van 760 uren; of
1°. 1°. kunst (beeldende vormgeving), kunst (muziek), kunst (drama), kunst (dans), muziek, tekenen, handvaardigheid of textiele vormgeving: 480; 2°. 2°. filosofie: 480; 3°. 3°. Franse taal en literatuur, Duitse taal en literatuur, Spaanse taal en literatuur, Russische taal en literatuur, Italiaanse taal en literatuur, Arabische taal en literatuur, Turkse taal en literatuur, Chinese taal en cultuur, Friese taal en cultuur met een normatieve studielast van 480 uren, Latijnse taal en cultuur of Griekse taal en cultuur met een normatieve studielast van 760 uren; of d. d. een van de volgende maatschappelijke profielkeuzevakken, ter keuze van de leerling, voor zover het bevoegd gezag deze vakken aanbiedt:
1°.
aardrijkskunde: 440;
2°.
maatschappijwetenschappen: 440; of
3°.
economie: 480.
1°. 1°. aardrijkskunde: 440; 2°. 2°. maatschappijwetenschappen: 440; of 3°. 3°. economie: 480.
Artikel 2.7
Het vrije deel van een profiel in vwo omvat ter keuze van de leerling ten minste een vak uit het geheel van:
a. a. de vakken, genoemd in de artikelen 2.5 en 2.6, voor zover deze vakken niet al deel uitmaken van het profiel en het bevoegd gezag deze vakken als onderdeel van het vrije deel aanbiedt, met dien verstande dat:
1°.
binnen een profiel zijn toegestaan de combinatie van wiskunde A en wiskunde B of de combinatie van wiskunde B en wiskunde C, en dat wiskunde D kan worden gekozen indien wiskunde B al deel uitmaakt van het profiel;
2°.
kunst (beeldende vormgeving) niet gekozen kan worden in combinatie met tekenen, handvaardigheid of textiele vormgeving, dat kunst (muziek) niet gekozen kan worden in combinatie met muziek;
3°.
van de vakken tekenen, handvaardigheid en textiele vormgeving er een deel kan uitmaken van het profiel;
1°. 1°. binnen een profiel zijn toegestaan de combinatie van wiskunde A en wiskunde B of de combinatie van wiskunde B en wiskunde C, en dat wiskunde D kan worden gekozen indien wiskunde B al deel uitmaakt van het profiel; 2°. 2°. kunst (beeldende vormgeving) niet gekozen kan worden in combinatie met tekenen, handvaardigheid of textiele vormgeving, dat kunst (muziek) niet gekozen kan worden in combinatie met muziek; 3°. 3°. van de vakken tekenen, handvaardigheid en textiele vormgeving er een deel kan uitmaken van het profiel; b. b. de volgende vakken, met de daarbij vermelde normatieve studielast, uitgedrukt in uren, voor zover het vak niet al eerder is gevolgd of niet al deel uitmaakt van het profiel en voor zover het bevoegd gezag deze vakken in het vrije deel aanbiedt:
1°.
Spaanse taal en literatuur (elementair): 480;
2°.
Russische taal en literatuur (elementair): 480;
3°.
Italiaanse taal en literatuur (elementair): 480;
4°.
Arabische taal en literatuur (elementair): 480;
5°.
Turkse taal en literatuur (elementair): 480; en
6°.
Chinese taal en cultuur (elementair): 480;
1°. 1°. Spaanse taal en literatuur (elementair): 480; 2°. 2°. Russische taal en literatuur (elementair): 480; 3°. 3°. Italiaanse taal en literatuur (elementair): 480; 4°. 4°. Arabische taal en literatuur (elementair): 480; 5°. 5°. Turkse taal en literatuur (elementair): 480; en 6°. 6°. Chinese taal en cultuur (elementair): 480; c. c. de volgende vakken, met de daarbij vermelde normatieve studielast uitgedrukt in uren, voor zover het bevoegd gezag deze vakken als onderdeel van het vrije deel aanbiedt:
1°.
kunst (algemeen): 200;
2°.
algemene natuurwetenschappen: 120; en
3°.
bewegen, sport en maatschappij: 440;
1°. 1°. kunst (algemeen): 200; 2°. 2°. algemene natuurwetenschappen: 120; en 3°. 3°. bewegen, sport en maatschappij: 440; d. d. door het bevoegd gezag vast te stellen vakken en andere programmaonderdelen.
Artikel 2.8
1. De leerling van een school voor vwo met het diploma havo is vrijgesteld van het volgen van onderwijs in het vak maatschappijleer en als het gaat om een atheneum ook in het vak culturele en kunstzinnige vorming.
2. De leerling van een school voor vwo met het diploma havo of het diploma vmbo die in plaats van een vak voor die schoolsoort of als extra vak examen heeft afgelegd in een overeenkomstig vak, genoemd in de artikelen 2.5 tot en met 2.7, is vrijgesteld van het volgen van onderwijs in dit vak.
3. De leerling van een atheneum is vrijgesteld van het volgen van onderwijs in het vak culturele en kunstzinnige vorming, indien Latijnse taal en cultuur of Griekse taal en cultuur, of beide, deel uitmaken van het profiel.
Artikel 2.9
1.
Het bevoegd gezag van een atheneum kan een leerling ontheffing verlenen voor het volgen van onderwijs in een tweede moderne vreemde taal als bedoeld in artikel 2.5, eerste lid, onderdeel c, indien:
a. a. de leerling een stoornis heeft die specifiek betrekking heeft op taal of een zintuiglijke stoornis heeft die effect heeft op taal; b. b. de leerling een andere moedertaal heeft dan de Nederlandse taal of de Friese taal; of c. c. de leerling onderwijs volgt in het profiel natuur en techniek of in het profiel natuur en gezondheid en het onderwijs in de taal naar verwachting verhindert dat de opleiding met goed gevolg wordt afgerond.
2. In geval van een ontheffing als bedoeld in het eerste lid, wordt de taal vervangen door een van de vakken of programmaonderdelen, genoemd in de artikelen 2.6 of 2.7, onderdeel c en d, met een normatieve studielast van ten minste 440 uren, ter keuze van de leerling, voor zover het bevoegd gezag deze vakken of programmaonderdelen als zodanig aanbiedt.
Paragraaf 3. Profielen bovenbouw havo-onderwijs
Artikel 2.10
Het gemeenschappelijk deel van een profiel in havo omvat de volgende vakken, met de daarbij vermelde normatieve studielast, uitgedrukt in uren:
a. a. Nederlandse taal en literatuur: 400; b. b. Engelse taal en literatuur: 360; c. c. maatschappijleer: 120; d. d. culturele en kunstzinnige vorming: 120; en e. e. lichamelijke opvoeding: 120.
Artikel 2.11
1.
Het profieldeel van het profiel natuur en techniek in havo omvat de volgende vakken, met de daarbij vermelde normatieve studielast, uitgedrukt in uren:
a. a. wiskunde B: 360; b. b. natuurkunde: 400; c. c. scheikunde: 320; en d. d. een van de volgende profielkeuzevakken, ter keuze van de leerling, voor zover het bevoegd gezag deze vakken aanbiedt:
1°.
natuur, leven en technologie: 320;
2°.
informatica: 320;
3°.
biologie: 400;
4°.
wiskunde D: 320.
1°. 1°. natuur, leven en technologie: 320; 2°. 2°. informatica: 320; 3°. 3°. biologie: 400; 4°. 4°. wiskunde D: 320.
2.
Het profieldeel van het profiel natuur en gezondheid in havo omvat de volgende vakken, met de daarbij vermelde normatieve studielast, uitgedrukt in uren:
a. a. wiskunde A: 320, met dien verstande dat de leerling wiskunde A kan vervangen door wiskunde B, voor zover het bevoegd gezag dit vak als onderdeel van dit profiel aanbiedt; b. b. biologie: 400; c. c. scheikunde: 320; en d. d. een van de volgende profielkeuzevakken, ter keuze van de leerling, voor zover het bevoegd gezag deze vakken aanbiedt:
1°.
natuur, leven en technologie: 320;
2°.
aardrijkskunde: 320;
3°.
natuurkunde: 400.
1°. 1°. natuur, leven en technologie: 320; 2°. 2°. aardrijkskunde: 320; 3°. 3°. natuurkunde: 400.
3.
Het profieldeel van het profiel economie en maatschappij in havo omvat de volgende vakken, met de daarbij vermelde normatieve studielast, uitgedrukt in uren:
a. a. wiskunde A: 320, met dien verstande dat de leerling wiskunde A kan vervangen door wiskunde B, voor zover het bevoegd gezag dit vak als onderdeel van dit profiel aanbiedt; b. b. economie: 400; c. c. geschiedenis: 320; en d. d. een van de volgende profielkeuzevakken, ter keuze van de leerling, voor zover het bevoegd gezag deze vakken aanbiedt:
1°.
bedrijfseconomie: 320;
2°.
aardrijkskunde: 320;
3°.
maatschappijwetenschappen: 320;
4°.
Franse taal en literatuur, Duitse taal en literatuur, Spaanse taal en literatuur, Russische taal en literatuur, Italiaanse taal en literatuur, Arabische taal en literatuur, Turkse taal en literatuur, of Friese taal en cultuur: 400.
1°. 1°. bedrijfseconomie: 320; 2°. 2°. aardrijkskunde: 320; 3°. 3°. maatschappijwetenschappen: 320; 4°. 4°. Franse taal en literatuur, Duitse taal en literatuur, Spaanse taal en literatuur, Russische taal en literatuur, Italiaanse taal en literatuur, Arabische taal en literatuur, Turkse taal en literatuur, of Friese taal en cultuur: 400.
4.
Het profieldeel van het profiel cultuur en maatschappij in havo omvat de volgende vakken, met de daarbij vermelde normatieve studielast, uitgedrukt in uren:
a. a. geschiedenis: 320; b. b. Franse taal en literatuur, Duitse taal en literatuur, Spaanse taal en literatuur, Russische taal en literatuur, Italiaanse taal en literatuur, Arabische taal en literatuur, Turkse taal en literatuur, of Friese taal en cultuur, ter keuze van de leerling, voor zover het bevoegd gezag deze vakken aanbiedt: 400; c. c. een van de volgende culturele profielkeuzevakken, ter keuze van de leerling, voor zover het bevoegd gezag deze vakken aanbiedt:
1°.
kunst (beeldende vormgeving), kunst (muziek), kunst (drama), kunst (dans), muziek, tekenen, handvaardigheid of textiele vormgeving: 320;
2°.
filosofie: 320;
3°.
Franse taal en literatuur, Duitse taal en literatuur, Spaanse taal en literatuur, Russische taal en literatuur, Italiaanse taal en literatuur, Arabische taal en literatuur, Turkse taal en literatuur, of Friese taal en cultuur: 400; en
1°. 1°. kunst (beeldende vormgeving), kunst (muziek), kunst (drama), kunst (dans), muziek, tekenen, handvaardigheid of textiele vormgeving: 320; 2°. 2°. filosofie: 320; 3°. 3°. Franse taal en literatuur, Duitse taal en literatuur, Spaanse taal en literatuur, Russische taal en literatuur, Italiaanse taal en literatuur, Arabische taal en literatuur, Turkse taal en literatuur, of Friese taal en cultuur: 400; en d. d. een van de volgende maatschappelijke profielkeuzevakken, ter keuze van de leerling, voor zover het bevoegd gezag deze vakken aanbiedt:
1°.
aardrijkskunde: 320;
2°.
maatschappijwetenschappen: 320;
3°.
economie: 400.
1°. 1°. aardrijkskunde: 320; 2°. 2°. maatschappijwetenschappen: 320; 3°. 3°. economie: 400.
Artikel 2.12
Het vrije deel van een profiel in havo omvat ter keuze van de leerling ten minste één vak uit het geheel van:
a. a. de vakken, genoemd in de artikelen 2.10 en 2.11, voor zover deze vakken niet al deel uitmaken van het profiel en het bevoegd gezag deze vakken als onderdeel van het vrije deel aanbiedt, met dien verstande dat:
1°.
binnen een profiel zijn toegestaan de combinatie van wiskunde A en wiskunde B, en dat wiskunde D uitsluitend kan worden gekozen indien wiskunde B al deel uitmaakt van het profiel;
2°.
kunst (beeldende vormgeving) niet gekozen kan worden in combinatie met tekenen, handvaardigheid of textiele vormgeving, dat kunst (muziek) niet gekozen kan worden in combinatie met muziek;
3°.
van de vakken tekenen, handvaardigheid en textiele vormgeving er één deel kan uitmaken van het profiel;
1°. 1°. binnen een profiel zijn toegestaan de combinatie van wiskunde A en wiskunde B, en dat wiskunde D uitsluitend kan worden gekozen indien wiskunde B al deel uitmaakt van het profiel; 2°. 2°. kunst (beeldende vormgeving) niet gekozen kan worden in combinatie met tekenen, handvaardigheid of textiele vormgeving, dat kunst (muziek) niet gekozen kan worden in combinatie met muziek; 3°. 3°. van de vakken tekenen, handvaardigheid en textiele vormgeving er één deel kan uitmaken van het profiel; b. b. de volgende vakken, met de daarbij vermelde normatieve studielast, uitgedrukt in uren, voor zover het vak niet al eerder is gevolgd of al deel uitmaakt van het profiel en het bevoegd gezag deze vakken aanbiedt:
1°.
Spaanse taal en literatuur (elementair): 320;
2°.
Russische taal en literatuur (elementair): 320;
3°.
Italiaanse taal en literatuur (elementair): 320;
4°.
Arabische taal en literatuur (elementair): 320;
5°.
Turkse taal en literatuur (elementair): 320;
1°. 1°. Spaanse taal en literatuur (elementair): 320; 2°. 2°. Russische taal en literatuur (elementair): 320; 3°. 3°. Italiaanse taal en literatuur (elementair): 320; 4°. 4°. Arabische taal en literatuur (elementair): 320; 5°. 5°. Turkse taal en literatuur (elementair): 320; c. c. de volgende vakken, met de daarbij vermelde normatieve studielast in uren:
1°.
kunst (algemeen): 120;
2°.
algemene natuurwetenschappen: 120;
3°.
bewegen, sport en maatschappij: 320;
1°. 1°. kunst (algemeen): 120; 2°. 2°. algemene natuurwetenschappen: 120; 3°. 3°. bewegen, sport en maatschappij: 320; d. d. door het bevoegd gezag vast te stellen vakken en andere programmaonderdelen.
Artikel 2.13
Het bevoegd gezag kan de leerling van een school voor havo in de gelegenheid stellen in plaats van de vakken voor havo, genoemd in de artikelen 2.10 tot en met 2.12, de overeenkomstige vakken voor vwo, genoemd in de artikelen 2.5 tot en met 2.7, te volgen.
Artikel 2.14
De leerling van een school voor havo met een diploma vmbo die in plaats van een vak voor het vmbo of als extra vak examen heeft afgelegd in een overeenkomstig vak voor havo of vwo, genoemd in de artikelen 2.10 tot en met 2.12 respectievelijk de artikelen 2.5 tot en met 2.7, is vrijgesteld van het volgen van onderwijs in dit vak.
Paragraaf 4. Profielen bovenbouw mavo en vbo
Paragraaf 4.1. Profielen theoretische leerweg
Artikel 2.15
Het gemeenschappelijk deel van een profiel in de theoretische leerweg omvat de volgende vakken:
a. a. Nederlandse taal; b. b. Engelse taal; c. c. maatschappijleer; d. d. lichamelijke opvoeding; en e. e. ten minste een van de vakken behorende tot de beeldende vorming, muziek, dans, of drama.
Artikel 2.16
1.
Het profieldeel van het profiel techniek van de theoretische leerweg omvat de volgende vakken:
a. a. wiskunde; en b. b. natuur- en scheikunde I.
2.
Het profieldeel van het profiel zorg en welzijn van de theoretische leerweg omvat de volgende vakken:
a. a. biologie; en b. b. een van de volgende vakken, ter keuze van de leerling, met dien verstande dat het bevoegd gezag beslist welk vak, genoemd onder 2° tot met 4°, wordt of worden aangeboden:
1°.
wiskunde;
2°.
maatschappijkunde;
3°.
geschiedenis en staatsinrichting; of
4°.
aardrijkskunde.
1°. 1°. wiskunde; 2°. 2°. maatschappijkunde; 3°. 3°. geschiedenis en staatsinrichting; of 4°. 4°. aardrijkskunde.
3.
Het profieldeel van het profiel economie van de theoretische leerweg omvat de volgende vakken:
a. a. economie; en, b. b. een van de volgende vakken, ter keuze van de leerling, met dien verstande dat het bevoegd gezag beslist welk vak, genoemd onder 2° en 3°, wordt of worden aangeboden:
1°.
wiskunde;
2°.
Franse taal; of
3°.
Duitse taal.
1°. 1°. wiskunde; 2°. 2°. Franse taal; of 3°. 3°. Duitse taal.
4.
Het profieldeel van het profiel groen van de theoretische leerweg omvat de volgende vakken:
a. a. wiskunde; en b. b. een van de volgende vakken, ter keuze van de leerling:
1°.
biologie; of
2°.
natuur- en scheikunde I.
1°. 1°. biologie; of 2°. 2°. natuur- en scheikunde I.
Artikel 2.17
1.
Het vrije deel van de theoretische leerweg:
a. a. omvat door de leerling te kiezen vakken, genoemd in artikel 2.16, voor zover deze niet al deel uitmaken van het profiel; b. b. kan omvatten natuur- en scheikunde II, Spaanse taal, Turkse taal, Arabische taal, kunstvakken inclusief culturele en kunstzinnige vorming, Friese taal en cultuur, lichamelijke opvoeding 2, informatietechnologie en de praktijkgerichte vakken, genoemd in artikel 2.17a, door de leerling te kiezen, met dien verstande dat het bevoegd gezag beslist welke vakken worden aangeboden; en c. c. kan omvatten door het bevoegd gezag vast te stellen vakken en programmaonderdelen.
2. Naast het onderwijsprogramma, bedoeld in het eerste lid en in de artikelen 2.15, 2.16 , kan het bevoegd gezag de leerling in de gelegenheid stellen om beroepsgerichte keuzevakken als bedoeld in artikel 2.26, onderdeel b, te volgen, met dien verstande dat het bevoegd gezag beslist welke beroepsgerichte keuzevakken worden aangeboden.
Artikel 2.17a
1.
Het bevoegd gezag kan in de theoretische leerweg de volgende praktijkgerichte vakken aanbieden:
a. a. dienstverlening en producten; b. b. economie en ondernemen; c. c. informatietechnologie; d. d. technologie en toepassing; e. e. techniek en innovatief vakmanschap; f. f. zorg en welzijn.
2. Het bevoegd gezag van een school die deel uitmaakt van een scholengemeenschap met een gemengde leerweg kan een leerling in de theoretische leerweg in de gelegenheid stellen om de praktijkgerichte vakken te volgen die in de gemengde leerweg worden aangeboden.
Artikel 2.18
Het bevoegd gezag kan de leerling in de theoretische leerweg in de gelegenheid stellen, in plaats van de vakken, genoemd in de artikelen 2.15, 2.16 en 2.17, onderdeel b, de overeenkomstige vakken voor vwo, genoemd in de artikelen 2.5 tot en met 2.7, of voor havo, genoemd in de artikelen 2.10 tot en met 2.12 te volgen.
Artikel 2.19
1. In het derde leerjaar volgt de leerling in de theoretische leerweg naast de vakken van het gemeenschappelijk deel, onderwijs in ten minste zeven vakken van het profieldeel of het vrije deel waarin eindexamen kan worden afgelegd.
2. Indien de leerling onderwijs in een derde moderne vreemde taal volgt of heeft gevolgd in een voorafgaand leerjaar, is het aantal vakken, bedoeld in het eerste lid, zes.
3. Indien de leerling onderwijs in een praktijkgericht vak volgt, genoemd in artikel 2.17a, is het aantal vakken, bedoeld in het eerste lid, zes.
Paragraaf 4.2. Profielen beroepsgerichte leerwegen vmbo
Artikel 2.20
Het gemeenschappelijk deel van een profiel in de beroepsgerichte leerwegen omvat de volgende vakken:
a. a. Nederlandse taal; b. b. Engelse taal; c. c. maatschappijleer; d. d. lichamelijke opvoeding en e. e. ten minste een van de vakken behorende tot de beeldende vorming, muziek, dans, of drama.
Artikel 2.21
1.
Het profieldeel van de beroepsgerichte leerwegen omvat voor de volgende profielen de daarachter vermelde profielvakken:
a. a. het profiel bouwen, wonen en interieur: het profielvak bouwen, wonen en interieur; b. b. het profiel produceren, installeren en energie: het profielvak produceren, installeren en energie; c. c. het profiel mobiliteit en transport: het profielvak mobiliteit en transport; d. d. het profiel media, vormgeving en ICT: het profielvak media, vormgeving en ICT; e. e. het profiel maritiem en techniek: het profielvak maritiem en techniek; f. f. het profiel zorg en welzijn: het profielvak zorg en welzijn; g. g. het profiel economie en ondernemen: het profielvak economie en ondernemen; h. h. het profiel horeca, bakkerij en recreatie: het profielvak horeca, bakkerij en recreatie; i. i. het profiel groen: het profielvak groen; en j. j. het profiel dienstverlening en producten: het profielvak dienstverlening en producten.
2.
Naast het profielvak omvat het profieldeel voor de volgende profielen de daarachter vermelde vakken:
a. a. het profiel bouwen, wonen en interieur, het profiel produceren, installeren en energie, het profiel mobiliteit en transport en het profiel media, vormgeving en ICT:
1°.
wiskunde; en
2°.
natuur- en scheikunde I.
1°. 1°. wiskunde; en 2°. 2°. natuur- en scheikunde I. b. b. het profiel zorg en welzijn:
1°.
biologie; en
2°.
ter keuze van de leerling, wiskunde, maatschappijkunde, geschiedenis en staatsinrichting, of aardrijkskunde, met dien verstande dat het bevoegd gezag beslist welke van de laatste drie vakken wordt of worden aangeboden;
1°. 1°. biologie; en 2°. 2°. ter keuze van de leerling, wiskunde, maatschappijkunde, geschiedenis en staatsinrichting, of aardrijkskunde, met dien verstande dat het bevoegd gezag beslist welke van de laatste drie vakken wordt of worden aangeboden; c. c. het profiel economie en ondernemen, en het profiel horeca, bakkerij en recreatie:
1°.
economie; en
2°.
ter keuze van de leerling, wiskunde, Franse taal of Duitse taal, met dien verstande dat het bevoegd gezag beslist welke van de twee laatste vakken wordt of worden aangeboden;
1°. 1°. economie; en 2°. 2°. ter keuze van de leerling, wiskunde, Franse taal of Duitse taal, met dien verstande dat het bevoegd gezag beslist welke van de twee laatste vakken wordt of worden aangeboden; d. d. het profiel groen:
1°.
wiskunde; en
2°.
ter keuze van de leerling, biologie of natuur- en scheikunde I;
1°. 1°. wiskunde; en 2°. 2°. ter keuze van de leerling, biologie of natuur- en scheikunde I; e. e. het profiel dienstverlening en producten:
ter keuze van de leerling, twee van de vakken wiskunde, economie, biologie en natuur- en scheikunde I.
Artikel 2.22
Het vrije deel van een profiel in de beroepsgerichte leerwegen:
a. a. omvat door de leerling te kiezen beroepsgerichte keuzevakken, met dien verstande dat het bevoegd gezag beslist welke beroepsgerichte keuzevakken worden aangeboden; en b. b. kan omvatten door het bevoegd gezag vast te stellen vakken en programmaonderdelen.
Artikel 2.23
1.
Het bevoegd gezag kan een leerling in een beroepsgerichte leerweg in de gelegenheid stellen om in plaats van de vakken van het gemeenschappelijk deel of van het profieldeel van de beroepsgerichte leerweg, genoemd in de artikelen 2.20 en 2.21, of van de vakken die in de plaats komen van een tweede moderne vreemde taal te volgen:
a. a. de overeenkomstige vakken van de theoretische leerweg, genoemd in de artikelen 2.15 tot en met 2.17; b. b. de overeenkomstige vakken van de gemengde leerweg, genoemd in de artikelen 2.24 tot en met 2.26; c. c. de overeenkomstige vakken voor havo, genoemd in de artikelen 2.10 tot en met 2.12; of d. d. de overeenkomstige vakken voor vwo, genoemd in de artikelen 2.5 tot en met 2.7.
2. Indien het gaat om een leerling in de basisberoepsgerichte leerweg, kan het bevoegd gezag de leerling ook in de gelegenheid stellen om in plaats van de vakken van het gemeenschappelijk deel of het profieldeel van de basisberoepsgerichte leerweg, genoemd in de artikelen 2.20 en 2.21, van de vakken die in de plaats komen van een tweede moderne vreemde taal of van de beroepsgerichte keuzevakken, de overeenkomstige vakken van de kaderberoepsgerichte leerweg te volgen.
3. Het bevoegd gezag kan de leerling in een beroepsgerichte leerweg in de gelegenheid stellen om Friese taal en cultuur als extra vak te volgen.
Paragraaf 4.3. Profielen gemengde leerweg vmbo
Artikel 2.24
Het gemeenschappelijk deel van een profiel in de gemengde leerweg omvat de volgende vakken:
a. a. Nederlandse taal; b. b. Engelse taal; c. c. maatschappijleer; d. d. lichamelijke opvoeding; en e. e. ten minste een van de vakken behorende tot de beeldende vorming, muziek, dans, of drama.
Artikel 2.25
1.
Het profieldeel van de gemengde leerweg vmbo omvat voor de volgende profielen de daarachter vermelde profielvakken, indien het bevoegd gezag dit aanbiedt:
a. a. het profiel bouwen, wonen en interieur; het profielvak bouwen, wonen en interieur; b. b. het profiel produceren, installeren en energie; het profielvak produceren, installeren en energie; c. c. het profiel mobiliteit en transport; het profielvak mobiliteit en transport; d. d. het profiel media, vormgeving en ICT; het profielvak media, vormgeving en ICT; e. e. het profiel maritiem en techniek; het profielvak maritiem en techniek; f. f. het profiel zorg en welzijn; het profielvak zorg en welzijn; g. g. het profiel economie en ondernemen; het profielvak economie en ondernemen; h. h. het profiel horeca, bakkerij en recreatie; het profielvak horeca, bakkerij en recreatie; i. i. het profiel groen; het profielvak groen; en j. j. het profiel dienstverlening en producten: het profielvak dienstverlening en producten.
1a. In afwijking van het eerste lid kan het profieldeel van de gemengde leerweg vmbo in plaats van het profielvak, één praktijkgericht vak behorend bij het profiel, genoemd in artikel 2.25a, omvatten, indien het bevoegd gezag dit aanbiedt.
2.
Naast het profielvak, dan wel, indien lid 1a van toepassing is, het praktijkgerichte vak genoemd, in artikel 2.25a, omvat het profieldeel voor de volgende profielen de daarachter vermelde vakken:
a. a. het profiel bouwen, wonen en interieur, het profiel produceren, installeren en energie, het profiel mobiliteit en transport, het profiel media, vormgeving en ICT:
1°.
wiskunde; en
2°.
natuur- en scheikunde I;
1°. 1°. wiskunde; en 2°. 2°. natuur- en scheikunde I; b. b. het profiel zorg en welzijn:
1°.
biologie; en,
2°.
ter keuze van de leerling, wiskunde, maatschappijkunde, geschiedenis en staatsinrichting, of aardrijkskunde, met dien verstande dat het bevoegd gezag beslist welke van de laatste drie vakken wordt of worden aangeboden;
1°. 1°. biologie; en, 2°. 2°. ter keuze van de leerling, wiskunde, maatschappijkunde, geschiedenis en staatsinrichting, of aardrijkskunde, met dien verstande dat het bevoegd gezag beslist welke van de laatste drie vakken wordt of worden aangeboden; c. c. het profiel economie en ondernemen, en het profiel horeca, bakkerij en recreatie:
1°.
economie; en,
2°.
ter keuze van de leerling, wiskunde, Franse taal of Duitse taal, met dien verstande dat het bevoegd gezag beslist welke van de twee laatste vakken wordt aangeboden;
1°. 1°. economie; en, 2°. 2°. ter keuze van de leerling, wiskunde, Franse taal of Duitse taal, met dien verstande dat het bevoegd gezag beslist welke van de twee laatste vakken wordt aangeboden; d. d. het profiel groen:
1°.
wiskunde; en,
2°.
ter keuze van de leerling, biologie of natuur- en scheikunde I;
1°. 1°. wiskunde; en, 2°. 2°. ter keuze van de leerling, biologie of natuur- en scheikunde I; e. e. het profiel dienstverlening en producten: ter keuze van de leerling twee van de vakken wiskunde, economie, biologie en natuur- en scheikunde I.
Artikel 2.25a
Het bevoegd gezag kan in de gemengde leerweg vmbo één of meer van de achter het profiel vermelde praktijkgerichte vakken aanbieden:
a. a. het profiel bouwen, wonen en interieur:
1°.
het praktijkgerichte vak bouwen, wonen en interieur;
2°.
het praktijkgerichte vak techniek en innovatief vakmanschap;
3°.
het praktijkgerichte vak technologie en toepassing;
4°.
het praktijkgerichte vak informatietechnologie;
1°. 1°. het praktijkgerichte vak bouwen, wonen en interieur; 2°. 2°. het praktijkgerichte vak techniek en innovatief vakmanschap; 3°. 3°. het praktijkgerichte vak technologie en toepassing; 4°. 4°. het praktijkgerichte vak informatietechnologie; b. b. het profiel produceren, installeren en energie:
1°.
het praktijkgerichte vak produceren, installeren en energie;
2°
het praktijkgerichte vak techniek en innovatief vakmanschap;
3°.
het praktijkgerichte vak technologie en toepassing;
4°.
het praktijkgerichte vak informatietechnologie;
1°. 1°. het praktijkgerichte vak produceren, installeren en energie; 2° 2° het praktijkgerichte vak techniek en innovatief vakmanschap; 3°. 3°. het praktijkgerichte vak technologie en toepassing; 4°. 4°. het praktijkgerichte vak informatietechnologie; c. c. het profiel mobiliteit en transport:
1°.
het praktijkgerichte vak mobiliteit en transport;
2°.
het praktijkgerichte vak techniek en innovatief vakmanschap;
3°.
het praktijkgerichte vak technologie en toepassing;
4°.
het praktijkgerichte vak informatietechnologie;
1°. 1°. het praktijkgerichte vak mobiliteit en transport; 2°. 2°. het praktijkgerichte vak techniek en innovatief vakmanschap; 3°. 3°. het praktijkgerichte vak technologie en toepassing; 4°. 4°. het praktijkgerichte vak informatietechnologie; d. d. het profiel media, vormgeving en ICT:
1°.
het praktijkgerichte vak media, vormgeving en ICT;
2°.
het praktijkgerichte vak technologie en toepassing
3°.
het praktijkgerichte vak informatietechnologie.
1°. 1°. het praktijkgerichte vak media, vormgeving en ICT; 2°. 2°. het praktijkgerichte vak technologie en toepassing 3°. 3°. het praktijkgerichte vak informatietechnologie. e. e. het profiel maritiem en techniek:
1°.
het praktijkgerichte vak maritiem en techniek;
2°.
het praktijkgerichte vak techniek en innovatief vakmanschap;
3°.
het praktijkgerichte vak technologie en toepassing;
4°.
het praktijkgerichte vak informatietechnologie;
1°. 1°. het praktijkgerichte vak maritiem en techniek; 2°. 2°. het praktijkgerichte vak techniek en innovatief vakmanschap; 3°. 3°. het praktijkgerichte vak technologie en toepassing; 4°. 4°. het praktijkgerichte vak informatietechnologie; f. f. het profiel zorg en welzijn:
1°.
het praktijkgerichte vak zorg en welzijn;
2°.
het praktijkgerichte vak technologie en toepassing;
3°.
het praktijkgerichte vak informatietechnologie;
1°. 1°. het praktijkgerichte vak zorg en welzijn; 2°. 2°. het praktijkgerichte vak technologie en toepassing; 3°. 3°. het praktijkgerichte vak informatietechnologie; g. g. het profiel economie en ondernemen:
1°.
het praktijkgerichte vak economie en ondernemen;
2°.
het praktijkgerichte vak technologie en toepassing;
3°.
het praktijkgerichte vak informatietechnologie;
1°. 1°. het praktijkgerichte vak economie en ondernemen; 2°. 2°. het praktijkgerichte vak technologie en toepassing; 3°. 3°. het praktijkgerichte vak informatietechnologie; h. h. het profiel horeca, bakkerij en recreatie:
1°.
het praktijkgerichte vak horeca, bakkerij en recreatie;
2°.
het praktijkgerichte vak technologie en toepassing;
3°.
het praktijkgerichte vak informatietechnologie;
1°. 1°. het praktijkgerichte vak horeca, bakkerij en recreatie; 2°. 2°. het praktijkgerichte vak technologie en toepassing; 3°. 3°. het praktijkgerichte vak informatietechnologie; i. i. het profiel groen:
1°.
het praktijkgerichte vak groen;
2°.
het praktijkgerichte vak technologie en toepassing;
3°.
het praktijkgerichte vak informatietechnologie;
1°. 1°. het praktijkgerichte vak groen; 2°. 2°. het praktijkgerichte vak technologie en toepassing; 3°. 3°. het praktijkgerichte vak informatietechnologie; j. j. het profiel dienstverlening en producten:
1°.
het praktijkgerichte vak dienstverlening en producten;
2°.
het praktijkgerichte vak technologie en toepassing
3°.
het praktijkgerichte vak informatietechnologie.
1°. 1°. het praktijkgerichte vak dienstverlening en producten; 2°. 2°. het praktijkgerichte vak technologie en toepassing 3°. 3°. het praktijkgerichte vak informatietechnologie.
Artikel 2.26
Het vrije deel van een profiel in de gemengde leerweg:
a. a. omvat door de leerling te kiezen vakken, genoemd in artikel 2.25, voor zover deze niet al deel uitmaken van het profiel; b. b. omvat door de leerling te kiezen beroepsgerichte keuzevakken, met dien verstande dat het bevoegd gezag beslist welke beroepsgerichte keuzevakken worden aangeboden; c. c. kan omvatten natuur- en scheikunde II, Spaanse taal, Turkse taal, Arabische taal, kunstvakken inclusief culturele en kunstzinnige vorming, Friese taal en cultuur, lichamelijke opvoeding 2 en informatietechnologie, door de leerling te kiezen; en d. d. kan omvatten door het bevoegd gezag vast te stellen vakken en programmaonderdelen.
Artikel 2.27
Het bevoegd gezag kan de leerling in de gemengde leerweg in de gelegenheid stellen in plaats van de vakken, genoemd in de artikelen 2.24, 2.25 en 2.26, onderdeel c, de overeenkomstige vakken voor vwo, genoemd in de artikelen 2.5 tot en met 2.7, of voor havo, genoemd in de artikelen 2.10 tot en met 2.12 te volgen.
Artikel 2.28
1. In het derde leerjaar volgt de leerling in de gemengde leerweg naast de vakken van het gemeenschappelijk deel ten minste onderwijs in een beroepsgericht programma als bedoeld in artikel 3.7, eerste lid, onderdeel d, en vijf algemene vakken waarin eindexamen kan worden afgelegd.
2. Indien de leerling onderwijs in een derde moderne vreemde taal volgt of heeft gevolgd in enig voorafgaand leerjaar, is het aantal algemene vakken, bedoeld in het eerste lid, vier.
3. Indien de leerling in plaats van een beroepsgericht programma als bedoeld in artikel 3.7, eerste lid, onderdeel d, onderwijs in een praktijkgericht programma als bedoeld in artikel 3.7, lid 1a, volgt of heeft gevolgd, is het aantal algemene vakken, bedoeld in het eerste lid, vier.
Paragraaf 4.4. Beroepsgerichte keuzevakken vmbo
Artikel 2.29
1.
Bij ministeriële regeling wordt bepaald welke beroepsgerichte keuzevakken deel kunnen uitmaken van:
a. a. het beroepsgerichte programma in de basisberoepsgerichte, kaderberoepsgerichte en gemengde leerweg van het vmbo; b. b. het praktijkgerichte programma in de gemengde leerweg van het vmbo.
2. Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat de school voldoende beroepsgerichte keuzevakken aanbiedt waaruit leerlingen kunnen kiezen in het kader van hun beroepsgerichte programma, dan wel praktijkgerichte programma.
3. Bij zijn keuze welke beroepsgerichte keuzevakken door de school worden aangeboden, consulteert het bevoegd gezag een of meer instellingen voor educatie en beroepsonderwijs en een of meer regionale arbeidsmarktpartijen.
Artikel 2.30
1. Het bevoegd gezag van een school voor vmbo kan, in samenwerking met een of meer instellingen voor educatie en beroepsonderwijs en een of meer regionale arbeidsmarktpartijen, een beroepsgericht keuzevak ontwikkelen.
2. Het bevoegd gezag stelt de medezeggenschapsraad van de school op de hoogte van het voornemen tot ontwikkeling van een beroepsgericht keuzevak.
3. Het bevoegd gezag meldt het voornemen tot ontwikkeling van een beroepsgericht keuzevak zo spoedig mogelijk aan Onze Minister.
4. Onze Minister brengt binnen zes weken na de melding schriftelijk advies uit over het voornemen.
5. Bij ministeriële regeling wordt een model vastgesteld voor de melding van het voornemen en kunnen nadere regels worden gesteld over de procedure voor deze melding.
Artikel 2.31
1. Onze Minister beslist over de goedkeuring van een beroepsgericht keuzevak.
2. Onze Minister beslist binnen dertien weken op de aanvraag tot goedkeuring en laat zich daarbij adviseren door een onafhankelijke adviescommissie.
3. Als Onze Minister een aanvraag inwilligt, neemt hij het nieuwe beroepsgerichte keuzevak uiterlijk met ingang van 1 augustus daaropvolgend op in de ministeriële regeling, bedoeld in artikel 2.29, eerste lid.
4.
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over beroepsgerichte keuzevakken, waaronder in elk geval over:
a. a. de aard en omvang van het beroepsgerichte keuzevak; b. b. de opbouw van de leerstof, gedifferentieerd naar de verschillende leerwegen waarin het beroepsgerichte keuzevak kan worden aangeboden; c. c. de mate waarin een nieuw beroepsgerichte keuzevak zich onderscheidt van bestaande beroepsgerichte keuzevakken.
5. Bij ministeriële regeling wordt een model vastgesteld voor de aanvraag tot goedkeuring van een beroepsgericht keuzevak en kunnen nadere regels worden gesteld over de procedure voor deze goedkeuring.
Paragraaf 4.4a. Praktijkgerichte vakken
Artikel 2.31a
Het bevoegd gezag dat een praktijkgericht vak, genoemd in artikel 2.17a of artikel 2.25a, aanbiedt, werkt indien mogelijk, samen met ten minste één regionale arbeidsmarktpartij, dan wel instelling voor educatie en beroepsonderwijs bij het uitvoeren van het praktijkgericht vak.
Paragraaf 4.5. Vrijstellingen en ontheffingen profielen vmbo
Artikel 2.32
1. De leerling van een school voor mavo of vbo die in het bezit is van een diploma vmbo in een andere leerweg dan de leerweg van zijn inschrijving, en die met toepassing van de artikelen 2.18, 2.23 of 2.27 in plaats van een vak voor de leerweg waarin hij eindexamen heeft afgelegd, examen heeft afgelegd in een overeenkomstig vak voor een andere leerweg, voor havo of voor vwo, of als extra vak, is vrijgesteld van het volgen van onderwijs in dat vak.
2. Dit artikel is ook van toepassing op een leerling die in een hoger leerjaar voor de eerste maal in Nederland tot een school is toegelaten.
Artikel 2.33
1.
Het bevoegd gezag kan een ontheffing als bedoeld in artikel 2.4, tweede of derde lid, verleend voor de eerste twee leerjaren van het volgen van onderwijs in Franse taal of Duitse taal ook aanmerken als ontheffing voor het volgen van onderwijs in die taal voor de periode waarin de leerling onderwijs in de theoretische, kaderberoepsgerichte of gemengde leerweg volgt. Deze ontheffing wordt verleend aan leerlingen die:
a. a. op grond van artikel 2.4, tweede lid, beschikken over een ontheffing en deze ontheffing wordt voortgezet; b. b. in de periode van de eerste twee leerjaren onderwijs in Spaanse taal, Arabische taal of Turkse taal volgden; of c. c. onderwijs gaan volgen in de basisberoepsgerichte leerweg en die in het schooljaar voorafgaand aan het betrokken schooljaar leerwegondersteunend onderwijs volgden.
2. Bij een ontheffing op grond van het eerste lid wordt het onderwijs in de betrokken taal vervangen door het onderwijs in Arabische taal, Turkse taal, Spaanse taal, maatschappijkunde, geschiedenis en staatsinrichting, of aardrijkskunde.
3. Dit artikel is ook van toepassing op een leerling die in een hoger leerjaar voor de eerste maal in Nederland tot een school is toegelaten.
Paragraaf 5. Stage beroepsgerichte leerwegen en gemengde leerweg
Artikel 2.34
De stage, bedoeld in de artikelen 2.26, derde lid, en 2.27, derde lid, van de wet, maakt onderdeel uit van de profielvakken van de basisberoepsgerichte, kaderberoepsgerichte of gemengde leerweg, de praktijkgerichte vakken, genoemd in artikel 2.25a of van de beroepsgerichte keuzevakken.
Artikel 2.35
1. Het doel, de inhoud, de omvang, de opbouw en de organisatie van de stage worden beschreven in een stageplan.
2. Een stage wordt doorlopen op een of meer stageplaatsen, die ter beschikking worden gesteld door een of meer stagebieders.
Artikel 2.36
1. Het bevoegd gezag sluit met de ouders respectievelijk de leerling indien deze handelingsbekwaam is en de stagebieder een schriftelijke stageovereenkomst waaruit blijkt dat de leerling leeractiviteiten ontplooit in het kader van het stageplan.
2. Het bevoegd gezag wijst op de school een stageleraar aan die belast is met het toezicht op de leerling gedurende de stage. De stagebieder wijst een stagebegeleider aan die bij hem werkzaam is en belast is met de begeleiding van de leerling.
3.
De stageovereenkomst omvat in elk geval:
a. a. de leeractiviteiten die de leerling bij de aangewezen stagebieder op een of meer specifieke stageplaatsen moet ontplooien; b. b. de aanvangsdatum, de einddatum en de tijden van de leeractiviteiten; c. c. een regeling voor de begeleiding van de leerling bij de stagebieder waarin in elk geval wordt geregeld welk aandeel in de begeleiding door de stageleraar respectievelijk door de stagebegeleider wordt verzorgd; d. d. de wijze waarop de stagebieder bij de beoordeling van de leeractiviteiten wordt betrokken; e. e. een regeling die de inspectie in staat stelt toezicht te houden op de leeractiviteiten.
4.
De stageovereenkomst bepaalt ook:
a. a. wie de verzekering sluit tegen het financiële risico van ongevallen en tegen wettelijke aansprakelijkheid van de leerling voor de tijd dat deze zich bevindt bij de stagebieder; en b. b. ten laste van wie de verzekeringspremie zal komen.
Artikel 2.37
Het bevoegd gezag kan voor de leerlingen een schriftelijke samenwerkingsovereenkomst met een of meer stagebieders sluiten waarin ook een of meer onderdelen van de stageovereenkomst, bedoeld in artikel 2.36, derde lid, worden opgenomen.
Paragraaf 6. Inrichting praktijkonderwijs
Artikel 2.38
1.
Praktijkonderwijs omvat ten minste onderwijs in:
a. a. Nederlandse taal; b. b. rekenen/wiskunde; c. c. informatiekunde; d. d. lichamelijke opvoeding; en e. e. aangelegenheden waarvan het bevoegd gezag heeft vastgesteld dat deze van belang zijn voor het uitoefenen van functies binnen de regionale arbeidsmarkt.
2. Het bevoegd gezag overlegt voor de vaststelling, bedoeld in het eerste lid, onderdeel e, met het college van burgemeester en wethouders dat daarbij de werkgevers betrekt die werkzaam zijn op de regionale arbeidsmarkt.
Artikel 2.39
De artikelen 2.34 tot en met 2.37 zijn van overeenkomstige toepassing op het onderwijs in de praktijk van de uitoefening van een vak of beroep aan een school voor praktijkonderwijs, voor zover dat onderwijs buiten die school plaatsvindt.
Paragraaf 7. Overige bepalingen inrichting onderwijs
Artikel 2.40
1. Indien het bevoegd gezag bij de vaststelling van vakken en andere programmaonderdelen van het vrije deel van profielen in vwo, havo, mavo of vmbo instellingen of deskundigen van buiten de school betrekt, kan het onderwijs in die vakken en andere programmaonderdelen van het vrije deel, onverminderd de verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag voor het onderwijs aan de school, ook worden gegeven door die andere instellingen of deskundigen.
2. Het bevoegd gezag stelt als voorwaarde dat die instellingen of deskundigen voldoen aan de wettelijke regels die voor hen gelden of, indien deze regels ontbreken, aan de binnen de beroepsgroep algemeen erkende normen.
3. De artikelen 7.3. en 7.11, eerste lid, van de wet zijn van overeenkomstige toepassing op degenen die dit onderwijs geven, met dien verstande dat als getuigschrift als bedoeld in artikel 7.11, eerste lid, onderdeel a, geldt een kwalificatie die, gelet op het eerste en tweede lid, passend is.
4. Het bevoegd gezag informeert de inspectie over de kwalificatie.
Artikel 2.41
1.
Een stageovereenkomst voor een maatschappelijke stage als bedoeld in 2.32 van de wet omvat in elk geval:
a. a. de leerdoelen; b. b. de activiteiten die de leerling moet ontplooien om de leerdoelen te bereiken; c. c. de aanvangsdatum, de einddatum en de tijden van de activiteiten; d. d. een regeling voor de begeleiding van de leerling bij de stagebieder.
2. Indien er geen externe stagebieder is, wordt de stageovereenkomst gesloten tussen het bevoegd gezag en ouders respectievelijk de leerling indien deze handelingsbekwaam is.
3. Artikel 2.36, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing op de stageovereenkomst voor een maatschappelijke stage.
Paragraaf 8. Onderwijstijd, vakanties
Artikel 2.42
1.
Op de volgende dagen wordt geen onderwijs gegeven:
a. a. de zaterdag en de zondag, ingeval van een vijfdaagse schoolweek; b. b. de zondag, ingeval van een zesdaagse schoolweek; c. c. nieuwjaarsdag, tweede Paasdag, Hemelvaartsdag, tweede Pinksterdag en de beide Kerstdagen; en d. d. Koningsdag en Bevrijdingsdag.
2. Het bevoegd gezag van een bijzondere school waar onderwijs wordt gegeven gebaseerd op een godsdienst of levensovertuiging, kan in plaats van of naast de feestdagen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, andere dagen die verband houden met deze godsdienst of levensovertuiging aanwijzen als feestdagen waarop geen onderwijs wordt gegeven.
3. Het bevoegd gezag wijst bij een zesdaagse schoolweek ten hoogste dertien extra dagen per schooljaar aan en bij een vijfdaagse schoolweek ten hoogste twaalf extra dagen per schooljaar aan waarop geen onderwijs wordt gegeven, waarvan ten hoogste zes dagen onmiddellijk aansluitend voor of na de zomervakantie die voor de school bij ministeriële regeling op grond van 2.39, vierde lid, van de wet is vastgesteld.
Artikel 2.43
1. Het aantal dagen dat per schooljaar ten hoogste als vakantie wordt vastgesteld, bedraagt 66 bij een zesdaagse schoolweek en 55 bij een vijfdaagse schoolweek.
2. Indien voor een school het aantal dagen vakanties dat bij ministeriële regeling op grond van artikel 2.39, vierde lid, van de wet wordt vastgesteld lager is dan het aantal dagen, bedoeld in het eerste lid, kan het bevoegd gezag voor het betrokken schooljaar extra dagen vakanties vaststellen, met dien verstande dat het totaal aantal dagen vakanties het aantal, bedoeld in het eerste lid, niet te boven gaat.
3. Onder dagen in het eerste lid wordt verstaan elke dag van de week met uitzondering van de zondag bij een zesdaagse schoolweek en met uitzondering van de zaterdag en de zondag bij een vijfdaagse schoolweek.
4. Behalve als zij vallen binnen een vakantie vastgesteld bij ministeriële regeling op grond van artikel 2.39, vierde lid, van de wet, of door het bevoegd gezag op grond van het tweede lid, worden de feestdagen, bedoeld in artikel 2.42 eerste lid, onderdelen c en d, en tweede lid, niet meegeteld bij het aantal dagen, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 2.44
Het aantal klokuren onderwijs in de praktijk van de uitoefening van een vak of beroep, bedoeld in artikel 2.38, achtste lid, van de wet op een school voor praktijkonderwijs bedraagt gedurende de cursusduur gemiddeld ten hoogste 50% van het aantal uren waarin onderwijs wordt gegeven, met dien verstande dat voor leerlingen tot en met het schooljaar waarop zij de leeftijd van 17 jaar hebben bereikt het aantal uren onderwijs in de praktijk van de uitoefening van een vak of beroep per schoolweek ten hoogste 80% bedraagt van het aantal uren waarin in die week onderwijs wordt gegeven.
Artikel 2.45
1. Onderwijstijd telt als klokuren als bedoeld in artikel 2.38 van de wet, indien tussen het bevoegd gezag van een school of scholengemeenschap en het bevoegd gezag van een school voor voortgezet speciaal onderwijs, een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, of van een instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, een schriftelijke overeenkomst over de uitvoering daarvan is gesloten.
2.
De schriftelijke overeenkomst omvat in elk geval afspraken over:
a. a. de termijn waarvoor deze is aangegaan; b. b. de vakken die de leerling volgt; c. c. het aantal uren onderwijstijd per week per vak dat ten minste wordt aangeboden; d. d. de aanwezigheid van leraren, onderwijsondersteunend personeel en andere begeleiding van de leerling.
3.
Een leerling kan gedurende een termijn van ten hoogste drie maanden aaneengesloten het volledige onderwijsprogramma volgen op een school of instelling als bedoeld in het eerste lid. In dat geval omvat de overeenkomst in elk geval afspraken over:
a. a. de termijn waarvoor deze is aangegaan; b. b. de aanwezigheid van leraren, onderwijsondersteunend personeel en andere begeleiding van de leerling; en c. c. het bedrag voor de personele en materiële kosten dat het bevoegd gezag van de school of scholengemeenschap waar de leerling is ingeschreven betaalt aan het bevoegd gezag van de school of van een instelling, bedoeld in het eerste lid, waarmee de overeenkomst wordt gesloten.
4. Het derde lid, onderdeel c, is niet van toepassing op een overeenkomst met een school waaraan onderwijs wordt gegeven aan leerlingen die zijn opgenomen in een inrichting als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen of een gesloten accommodatie als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet.
5. Indien voor de toepassing van artikel 2.40, eerste lid, van de wet, scholen, scholengemeenschappen of instellingen als bedoeld in het eerste lid binnen hetzelfde bevoegd gezag zijn betrokken, maakt dit bevoegd gezag afspraken met de directies van deze betrokken scholen, scholengemeenschappen of instellingen over de onderdelen, genoemd in het tweede, en, indien van toepassing, het derde lid.
Paragraaf 9. Extra begeleiding en ondersteuning van leerlingen
Artikel 2.46
1.
Een samenwerkingsverband baseert zijn beslissing op een in artikel 2.30, vijfde lid, van de wet bedoelde aanvraag van het bevoegd gezag of de leerling toelaatbaar is voor het praktijkonderwijs, of een in artikel 2.43, eerste lid, van de wet bedoelde aanvraag of de leerling is aangewezen op leerwegondersteunend onderwijs uitsluitend op:
a. a. de door het bevoegd gezag gegeven motivering, gebaseerd op ervaringen met de leerling in het onderwijsleerproces, zoals die onder meer blijken uit het onderwijskundig rapport, bedoeld in artikel 42, eerste lid, WPO of in artikel 43 WEC; b. b. de leerachterstand van de leerling in de domeinen technisch lezen, spellen, begrijpend lezen of inzichtelijk rekenen; c. c. het intelligentiequotiënt van de leerling, uitdrukkende zijn cognitieve capaciteiten op basis van scores op verbaal en niet-verbaal gebied; d. d. indien dat noodzakelijk is voor het vormen van een oordeel, de resultaten van een of meer persoonlijkheidsonderzoeken over prestatiemotivatie, faalangst en emotionele instabiliteit die een beeld geven van het sociaal-emotioneel functioneren van de leerling in relatie tot de leerprestaties; en e. e. voor een aanvraag voor toelaatbaarheid tot het praktijkonderwijs: de zienswijze van de ouders.
2. Bij ministeriële regeling worden jaarlijks voor 1 oktober screenings- of testinstrumenten vastgesteld voor de beoordeling van de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdelen b tot en met d, alsmede regels voor het gebruik van die instrumenten. Bij de beslissing op de aanvraag controleert het samenwerkingsverband of het bevoegd gezag deze screenings- of testinstrumenten heeft gebruikt. De testinstrumenten voor de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdelen c en d, worden toegepast onder verantwoordelijkheid van een diagnostisch geschoold psycholoog of diagnostisch geschoold orthopedagoog.
3.
De leerachterstand van de leerling in de domeinen technisch lezen, spellen, begrijpelijk lezen en inzichtelijk rekenen is de uitkomst van 1 minus (DLE/DL), waarin:
a. a. DLE staat voor didactische leeftijdseenheden en het aantal maanden onderwijs dat behoort bij het niveau dat de leerling feitelijk heeft bereikt; b. b. DL staat voor didactische leeftijd en het aantal maanden dat een leerling vanaf groep 3 in de perioden van september tot en met juni was ingeschreven bij een school als bedoeld in artikel 1 WPO of een school voor speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 1 WEC.
4.
Het samenwerkingsverband wijst de aanvraag voor praktijkonderwijs uitsluitend toe indien de leerling:
a. a. een intelligentiequotiënt heeft binnen de bandbreedte van 55 tot en met 80; en b. b. een leerachterstand heeft op ten minste twee van de vier domeinen inzichtelijk rekenen, begrijpend lezen, technisch lezen en spellen, ten minste een van deze twee domeinen gaat om inzichtelijk rekenen of begrijpend lezen en deze leerachterstand ten minste 0,5 bedraagt.
5.
Het samenwerkingsverband wijst de aanvraag voor leerwegondersteunend onderwijs uitsluitend toe indien:
a. a. de leerling:
1°.
een intelligentiequotiënt heeft binnen de bandbreedte 75 tot en met 90; en
2°.
een leerachterstand heeft op ten minste twee van de vier domeinen inzichtelijk rekenen, begrijpend lezen, technisch lezen en spellen, ten minste een van deze twee domeinen inzichtelijk rekenen of begrijpend lezen betreft en deze leerachterstand is gelegen binnen de bandbreedte van 0,25 tot 0,5; of
1°. 1°. een intelligentiequotiënt heeft binnen de bandbreedte 75 tot en met 90; en 2°. 2°. een leerachterstand heeft op ten minste twee van de vier domeinen inzichtelijk rekenen, begrijpend lezen, technisch lezen en spellen, ten minste een van deze twee domeinen inzichtelijk rekenen of begrijpend lezen betreft en deze leerachterstand is gelegen binnen de bandbreedte van 0,25 tot 0,5; of b. b. de leerling:
1°.
een intelligentiequotiënt heeft binnen de bandbreedte 91 tot en met 120;
2°.
een leerachterstand heeft op ten minste twee van de vier domeinen inzichtelijk rekenen, begrijpend lezen, technisch lezen en spellen, ten minste een van deze twee domeinen inzichtelijk rekenen of begrijpend lezen betreft en deze leerachterstand is gelegen binnen de bandbreedte van 0,25 tot 0,5; en
3°.
een sociaal-emotionele problematiek heeft waardoor het onderwijsleerproces substantieel wordt belemmerd.
1°. 1°. een intelligentiequotiënt heeft binnen de bandbreedte 91 tot en met 120; 2°. 2°. een leerachterstand heeft op ten minste twee van de vier domeinen inzichtelijk rekenen, begrijpend lezen, technisch lezen en spellen, ten minste een van deze twee domeinen inzichtelijk rekenen of begrijpend lezen betreft en deze leerachterstand is gelegen binnen de bandbreedte van 0,25 tot 0,5; en 3°. 3°. een sociaal-emotionele problematiek heeft waardoor het onderwijsleerproces substantieel wordt belemmerd.
6. Een leerling die als het gaat om intelligentiequotiënt of leerachterstand voldoet aan de vereisten voor toelaatbaarheid tot het praktijkonderwijs en die bovendien voldoet aan de vereisten voor het leerwegondersteunend onderwijs, kan toelaatbaar worden verklaard tot praktijkonderwijs of aangewezen worden op het leerwegondersteunend onderwijs, afhankelijk van de door het bevoegd gezag gegeven motivering, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a.
Artikel 2.47
1.
De criteria, bedoeld in artikel 2.30, tweede lid, onderdeel c, van de wet, voor de toelaatbaarheid van een leerling tot het praktijkonderwijs, zijn dat het zorg- en onderwijsaanbod van het praktijkonderwijs naar het oordeel van het bevoegd gezag het beste aansluit bij de behoeften van de leerling, en dat die leerling:
a. a. vbo of mavo bezoekt en op leerwegondersteunend onderwijs is aangewezen, en:
1°.
scores heeft op de criteria, bedoeld in artikel 2.46, in het grensvlak van het leerwegondersteunend onderwijs en praktijkonderwijs;
2°.
naar het oordeel van het bevoegd gezag een toegenomen problematiek heeft nadat de beslissing is genomen dat de leerling op leerwegondersteunend onderwijs is aangewezen; of
3°.
naar het oordeel van het bevoegd gezag een stapeling van andersoortige problematiek heeft dan wordt beoordeeld in het onderzoek of de leerling is aangewezen op leerwegondersteunend onderwijs of praktijkonderwijs; of
1°. 1°. scores heeft op de criteria, bedoeld in artikel 2.46, in het grensvlak van het leerwegondersteunend onderwijs en praktijkonderwijs; 2°. 2°. naar het oordeel van het bevoegd gezag een toegenomen problematiek heeft nadat de beslissing is genomen dat de leerling op leerwegondersteunend onderwijs is aangewezen; of 3°. 3°. naar het oordeel van het bevoegd gezag een stapeling van andersoortige problematiek heeft dan wordt beoordeeld in het onderzoek of de leerling is aangewezen op leerwegondersteunend onderwijs of praktijkonderwijs; of b. b. beschikt over een toelaatbaarheidsverklaring voor het speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs van een samenwerkingsverband of een ontwikkelingsperspectief, en:
1°.
voldoet aan het intelligentiequotiëntcriterium of leerachterstandscriterium voor toelating tot het praktijkonderwijs, bedoeld in artikel 2.46, vierde lid, zoals blijkt uit gegevens die gebaseerd zijn op screenings- of testinstrumenten als bedoeld in artikel 2.46, tweede lid; of
2°.
naar het oordeel van het bevoegd gezag, ongeacht de intelligentiequotiënt of de leerachterstand, een zodanige problematiek heeft dat toelaatbaarheid tot het praktijkonderwijs geboden is.
1°. 1°. voldoet aan het intelligentiequotiëntcriterium of leerachterstandscriterium voor toelating tot het praktijkonderwijs, bedoeld in artikel 2.46, vierde lid, zoals blijkt uit gegevens die gebaseerd zijn op screenings- of testinstrumenten als bedoeld in artikel 2.46, tweede lid; of 2°. 2°. naar het oordeel van het bevoegd gezag, ongeacht de intelligentiequotiënt of de leerachterstand, een zodanige problematiek heeft dat toelaatbaarheid tot het praktijkonderwijs geboden is.
2.
Het samenwerkingsverband baseert de beslissing over de toelaatbaarheid tot het praktijkonderwijs uitsluitend op de volgende, bij de aanvraag gevoegde, gegevens:
a. a. een kopie van de beslissing dat de leerling is aangewezen op leerwegondersteunend onderwijs, een kopie van de toelaatbaarheidsverklaring voor het speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs, of een kopie van het ontwikkelingsperspectief; b. b. de schriftelijke zienswijze en instemming van de ouders; c. c. een motivering van het bevoegd gezag waaruit blijkt dat de leerling voldoet aan de criteria, bedoeld in het eerste lid; en d. d. een leerling-dossier dat in elk geval omvat:
1°.
het ontwikkelingsperspectief of het onderwijskundig rapport over de leerling, bedoeld in artikel 42, eerste lid, WPO en artikel 43 WEC;
2°.
een beschrijving van de activiteiten van het verwijzende bevoegd gezag in het kader van de begeleiding van de leerling, en van de resultaten van die activiteiten;
3°.
een document waaruit blijkt welke externe deskundigen voor advies of hulp zijn ingeschakeld bij de begeleiding van de leerling;
4°.
een beschrijving van de risico’s die zich naar verwachting zullen voordoen indien de leerling vbo, mavo, speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs blijft volgen; en
5°.
mogelijk relevante test- en toetsgegevens.
1°. 1°. het ontwikkelingsperspectief of het onderwijskundig rapport over de leerling, bedoeld in artikel 42, eerste lid, WPO en artikel 43 WEC; 2°. 2°. een beschrijving van de activiteiten van het verwijzende bevoegd gezag in het kader van de begeleiding van de leerling, en van de resultaten van die activiteiten; 3°. 3°. een document waaruit blijkt welke externe deskundigen voor advies of hulp zijn ingeschakeld bij de begeleiding van de leerling; 4°. 4°. een beschrijving van de risico’s die zich naar verwachting zullen voordoen indien de leerling vbo, mavo, speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs blijft volgen; en 5°. 5°. mogelijk relevante test- en toetsgegevens.
Artikel 2.48
1. Indien een samenwerkingsverband regels stelt als bedoeld in artikel 2.48, eerste lid, onderdeel b, van de wet, over de duur van de beoordeling voor het aangewezen zijn op leerwegondersteunend onderwijs, heeft de beslissing van het samenwerkingsverband over het aangewezen zijn op het leerwegondersteunend onderwijs betrekking op een periode van een of meer schooljaren. Indien de beslissing wordt genomen in de loop van een schooljaar, wordt de periode tot de eerste dag van het eerstvolgende schooljaar toegevoegd aan deze periode.
2. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de uitoefening van de in artikel 2.48, eerste en tweede lid, van de wet bedoelde bevoegdheden van een samenwerkingsverband.
Artikel 2.49
1. Het ontwikkelingsperspectief, bedoeld in artikel 2.44 van de wet, van een leerling die praktijkonderwijs volgt of extra ondersteuning nodig heeft, bevat ten minste informatie over het vervolgonderwijs dat wordt verwacht en de onderbouwing daarvan. Voor een leerling die praktijkonderwijs volgt heeft de informatie ook betrekking op de soort arbeid waarvan uitstroom van de leerling wordt verwacht, en de onderbouwing daarvan.
2. De onderbouwing, bedoeld in het eerste lid, bevat ten minste een weergave van de belemmerende en bevorderende factoren die van invloed zijn op het onderwijs aan de leerling.
Artikel 2.50
1. Een leerling die is of wordt ingeschreven bij een school, kan gedurende ten hoogste twee jaar het onderwijsprogramma of een gedeelte daarvan volgen bij een orthopedagogisch-didactisch centrum als bedoeld in artikel 2.47, twaalfde lid van de wet.
2. Het onderwijs van leerlingen die langer dan drie maanden een programma volgen bij het orthopedagogisch-didactisch centrum, wordt gegeven door leraren die daartoe bevoegd zijn.
3. Indien een samenwerkingsverband een orthopedagogisch-didactisch centrum heeft ingericht, wordt dat vermeld in het ondersteuningsplan, bedoeld in artikel 2.47, negende lid, van de wet.
Artikel 2.51
1. De deskundigen, bedoeld in artikel 2.47, veertiende lid, van de wet zijn een orthopedagoog of een psycholoog en, afhankelijk van de leerling over wiens toelaatbaarheid wordt geadviseerd, ten minste een tweede deskundige, te weten een kinder- of jeugdpsycholoog, een pedagoog, een kinderpsychiater, een maatschappelijk werker of een arts.
2. Indien het samenwerkingsverband beslist dat een leerling aangewezen is op het leerwegondersteunend onderwijs of toelaatbaar is tot het praktijkonderwijs, kan de tweede deskundige ook een deskundige op het terrein van vbo, mavo, vmbo en praktijkonderwijs zijn.
Paragraaf 10. Indicatoren beoordeling leerresultaten voortgezet onderwijs
Artikel 2.52
1.
De inspectie hanteert de volgende indicatoren voor de beoordeling van de leerresultaten van het voortgezet onderwijs:
a. a. het percentage leerlingen met een onvertraagde studievoortgang in de eerste twee leerjaar; b. b. het percentage leerlingen met een onvertraagde studievoortgang in de overige leerjaren; c. c. het niveau dat de leerling in het derde leerjaar daadwerkelijk heeft bereikt ten opzichte van het niveau dat de leerling gelet op het schooladvies, bedoeld in artikel 45d, eerste lid, WPO, naar verwachting in het derde leerjaar zou bereiken; en d. d. het gemiddelde cijfer van het centraal examen.
2. De indicatoren worden onderscheiden naar de schoolsoorten en leerwegen, genoemd in artikel 2.94, eerste lid, van de wet.
3. Bij de bepaling van de leerresultaten, bedoeld in het eerste lid, kan rekening worden gehouden met groepskenmerken en individuele kenmerken van leerlingen, met dien verstande dat in elk geval rekening wordt gehouden met de sociaaleconomische situatie van de leerlingen.
4. De scores waarop het oordeel over de indicatoren wordt gebaseerd, kunnen wegens bijzondere omstandigheden worden gecorrigeerd.
Artikel 2.53
1. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over de berekening van de indicatoren voor de beoordeling van de leerresultaten, waaronder begrepen de toe te passen correcties, bedoeld in artikel 2.52, derde en vierde lid.
2.
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over:
a. a. de aard en de aantallen gegevens over de leerresultaten die ten minste nodig zijn voor de toepassing van de indicatoren; b. b. de normering waarop de inspectie het oordeel voldoende of onvoldoende onderwijsresultaat baseert, na toepassing van de indicatoren; c. c. de wijze waarop per schoolsoort of leerweg de beoordelingen, gebaseerd op de afzonderlijke indicatoren, leiden tot een oordeel over de leerresultaten van die schoolsoort respectievelijk leerweg.
Artikel 2.54
1. Indien recente ontwikkelingen, een eigen analyse of signalen uit het veld daartoe aanleiding geven, kan de inspecteur-generaal van het onderwijs Onze Minister een voorstel doen voor het vaststellen van een nieuwe indicator voor de beoordeling van de leerresultaten of het aanpassen van een indicator.
2. Over een voornemen tot een voorstel als bedoeld in het eerste lid overlegt de inspecteur-generaal met de daarvoor in aanmerking komende organisaties uit het onderwijsveld.
3. De inspecteur-generaal legt het voorstel voor aan Onze Minister met vermelding van de wijze waarop het voorstel rekening houdt met de reacties van de geraadpleegde organisaties uit het onderwijsveld.
4. Onze Minister beslist op basis van het voorstel of een voorstel van wet of ontwerp algemene maatregel van bestuur wordt voorbereid.
5. De wijze van meting en de aanpassing van de wijze van meting in het kader van toepassing van de indicatoren, alsmede de normering en de aanpassing van de normering, stelt Onze Minister vast op voorstel van de inspecteur-generaal van het onderwijs.
Paragraaf 11. Monitor veiligheid op school
Artikel 2.55
Het instrument ter monitoring van de veiligheid van leerlingen, bedoeld in artikel 3.40, eerste lid, onderdeel b, van de wet:
a. a. geeft inzicht in de ervaren en feitelijke veiligheid en het welbevinden van de leerlingen, voor zover dat verband houdt met de veiligheid, op school; b. b. wordt ten minste eens per schooljaar afgenomen onder een representatief deel van de leerlingen; en c. c. is gestandaardiseerd, valide en betrouwbaar.
Paragraaf 12. Onderwijskundige verbanden en samenwerking
Paragraaf 12.1. Samenwerking tussen scholen onderling en met instellingen voor educatie en beroepsonderwijs voor doelmatig en doeltreffend onderwijs
Artikel 2.56
Een samenwerkingsovereenkomst als bedoeld in artikel 2.100 van de wet omvat in elk geval:
a. a. het doel van de samenwerking; b. b. de doelgroep; c. c. de wijze waarop wordt nagegaan of het doel wordt bereikt; d. d. het onderwijsprogramma dat volgens de samenwerking wordt vormgegeven; e. e. bij overdracht van een deel van de bekostiging met toepassing van artikel 5.39, zevende lid, van de wet, de omvang en de bestemming van de over te dragen middelen; f. f. de wijze waarop de school geregeld contact onderhoudt met de leerlingen die aan die school zijn ingeschreven; en g. g. een regeling voor de beslechting van geschillen tussen partijen over de uitvoering van de overeenkomst.
Artikel 2.57
1.
De volgende leerlingen kunnen op grond van artikel 2.99, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de wet in de gelegenheid worden gesteld in het kader van het onderwijs waarvoor zij aan de school zijn ingeschreven, ook onderwijs te ontvangen aan een school van een ander bevoegd gezag of aan een instelling voor educatie en beroepsonderwijs:
a. a. voor het doel, bedoeld in artikel 2.99, tweede lid, onderdeel a, van de wet: leerlingen in het derde of het vierde leerjaar vbo of mavo die naar het oordeel van het bevoegd gezag zonder gerichte ondersteuning een vergrote kans lopen om het onderwijs te verlaten zonder ten minste een diploma van een basisberoepsopleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdeel b, WEB of artikel 7.2.2, eerste lid, onderdeel b, WEB BES; b. b. voor het doel, bedoeld in artikel 2.99, tweede lid, onderdeel b, van de wet: leerlingen die naar het oordeel van het bevoegd gezag een grotere kans hebben om vervolgonderwijs met goed gevolg te volgen door extra verrijking, verdieping en oriëntatie naast hun reguliere opleiding, of door onderdelen van beroepsopleidingen als bedoeld in artikel 7.2.2 WEB of artikel 7.2.2 WEB BES of opleidingen educatie als bedoeld in artikel 7.3.1 WEB of artikel 7.3.1 WEB BES te volgen, naast hun reguliere opleiding in het voortgezet onderwijs; en c. c. voor het doel, bedoeld in artikel 2.99, tweede lid, onderdeel c, van de wet: iedere leerling.
2. Een leerling als bedoeld in het eerste lid volgt voor ten hoogste de helft van het aantal klokuren van het onderwijsprogramma lessen of stages aan de andere school of aan een instelling voor educatie en beroepsonderwijs.
Artikel 2.58
Bij een samenwerking op grond van artikel 2.99, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de wet met een andere school wordt ten minste een deel van het onderwijs in de bovenbouw op de eigen school gegeven, met dien verstande dat:
a. a. als het gaat om een school voor vwo of een school voor havo, het onderwijs op de eigen school gegeven wordt in ten minste een van de profielen, bedoeld in artikel 2.20, derde lid, van de wet; b. b. als het gaat om een school voor mavo, het onderwijs op de eigen school gegeven wordt in ten minste een van de profielen, bedoeld in artikel 2.25, tweede lid, van de wet; c. c. als het gaat om een school voor vbo, het onderwijs op de eigen school gegeven wordt in ten minste een van de profielen bedoeld in artikel 2.26, tweede lid, van de wet; d. d. als het gaat om onderwijs in de gemengde leerweg aan een school voor mavo of aan een school voor vbo, het onderwijs op de eigen school gegeven wordt in ten minste een van de profielen, bedoeld in artikel 2.27, tweede lid van de wet.
Artikel 2.59
1. Leerlingen van zestien en zeventien jaar die naar het oordeel van het bevoegd gezag een grotere kans hebben een diploma of volgend diploma als bedoeld in artikel 2.58, tweede lid, van de wet te behalen indien zij vavo volgen in plaats van voortgezet onderwijs, kunnen op grond artikel 2.99, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de wet deelnemen aan een opleiding vavo en die opleiding met een examen afsluiten.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op leerlingen van achttien jaar of ouder die ononderbroken in het voortgezet onderwijs of daarmee op grond van de LPW of de LPW BES gelijkgesteld onderwijs ingeschreven zijn geweest, voor ten hoogste de periode van de resterende cursusduur van de opleiding waarvoor zij aan de school zijn ingeschreven, vermeerderd met een jaar.
3. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op leerlingen van zestien en zeventien jaar, die naar het oordeel van het bevoegd gezag grotere kans krijgen om vervolgonderwijs met gunstig resultaat te volgen door, aansluitend op hun met goed gevolg afgelegd eindexamen vwo, havo of vmbo in de theoretische of gemengde leerweg, aan het vavo onderwijs te volgen en examen te doen in een of meerdere vakken op het niveau van de schoolsoort of leerweg waarin zij reeds met goed gevolg eindexamen hebben afgelegd, voor ten hoogste de duur van een schooljaar.
Artikel 2.60
Leerlingen als bedoeld in de artikelen 2.56 en 2.58 gelden voor de toepassing van hoofdstuk 8a WEB voor het onderwijs dat zij volgen aan een instelling ook als student als bedoeld in de WEB.
Artikel 2.61
In afwijking van artikel 7.9, eerste lid, van de wet kan in geval van samenwerking het onderwijs bij een instelling voor educatie en beroepsonderwijs ook worden gegeven door docenten van de instelling voor educatie en beroepsonderwijs waarmee het bevoegd gezag van de school een samenwerkingsovereenkomst heeft gesloten als bedoeld in artikel 2.100 van de wet.
Paragraaf 12.2. Entreeopleiding in plaats van basisberoepsgerichte leerweg vmbo
Artikel 2.62
Het bevoegd gezag van een school voor vbo kan leerlingen jonger dan zestien jaar op grond van artikel 2.102, eerste lid, van de wet de gelegenheid geven om een entreeopleiding te volgen, indien:
a. a. de beroepspraktijkvorming, bedoeld in de artikelen 7.2.8 en 7.2.9 WEB of de artikelen 7.2.8 en 7.2.9 WEB BES, alleen het verrichten van lichte arbeid van geschikte aard omvat; b. b. in plaats van de basisberoepsgerichte leerweg geheel of gedeeltelijk zowel binnenschools als buitenschools onderwijs in de praktijk van de uitoefening van een vak of beroep wordt verzorgd; c. c. een gekwalificeerde mentor of docentbegeleider de voortgang van het onderwijs in de praktijk van de uitoefening van het beroep bewaakt; en d. d. het binnenschools en buitenschools onderwijs in de praktijk van de uitoefening van een vak of beroep geïntegreerd worden verzorgd.
Artikel 2.63
1.
Een samenwerkingsovereenkomst als bedoeld in artikel 2.102, vijfde lid, van de wet voor het verzorgen van een entreeopleiding omvat in elk geval afspraken over:
a. a. de entreeopleiding die geheel of gedeeltelijk in plaats van de basisberoepsgerichte leerweg zal worden verzorgd; b. b. de inschrijving van leerlingen als extraneus bij de instelling voor educatie en beroepsonderwijs; c. c. de examinering en diplomering door de instelling voor educatie en beroepsonderwijs; d. d. de invulling van de betrokkenheid van het bevoegd gezag bij de beroepspraktijkvorming, bedoeld in de artikelen 7.2.8 en 7.2.9 WEB of de artikelen 7.2.8 en 7.2.9 WEB BES, met dien verstande dat het bevoegd gezag de overeenkomst, bedoeld in artikel 7.2.9 WEB of artikel 7.2.9 WEB BES, ook ondertekent; e. e. de toepassing van artikel 2.102, tweede lid, van de wet; f. f. de rechtsbescherming van de leerling; en g. g. de doorstroom van de leerlingen na het met goed gevolg afsluiten van de entreeopleiding.
2. Indien het bevoegd gezag ook het bevoegd gezag is van een instelling voor educatie en beroepsonderwijs, regelt het bevoegd gezag op overeenkomstige wijze de onderwerpen, genoemd in het eerste lid.
Paragraaf 12.3. Leer-werktrajecten als anders ingerichte basisberoepsgerichte leerweg
Artikel 2.64
1.
Tot het verzorgen van het buitenschoolse praktijkgedeelte van een leer-werktraject als bedoeld in artikel 2.103 van de wet zijn bevoegd bedrijven en organisaties die voldoen aan de volgende voorschriften:
a. a. op de leer-werkplek of combinatie van leerwerkplekken kunnen de door het bevoegd gezag vastgestelde praktijkopdrachten daadwerkelijk worden uitgevoerd; b. b. elke praktijkopdracht kan in een bedrijf of organisatie worden uitgevoerd; c. c. in het bedrijf of de organisatie is een gekwalificeerde praktijkbegeleider of leermeester aanwezig, die in staat is om kennis, inzicht en vaardigheden van de leerling en de vorderingen daarin te beoordelen, en de leerling zowel werkinhoudelijk als pedagogisch-didactisch te begeleiden; d. d. het bedrijf of de organisatie is bereid met de mentor of docentbegeleider, bedoeld in het tweede lid, contact te onderhouden; e. e. de leerling kan zonder grote overgangsdrempels binnen hetzelfde bedrijf of dezelfde organisatie, dezelfde moederorganisatie of dezelfde branche, de leerdoelen van het vmbo en de eindtermen van de entreeopleiding of basisberoepsopleiding, bedoeld in de WEB behalen; f. f. het bedrijf of de organisatie waarborgt dat een gekwalificeerde praktijkbegeleider of leermeester is gekoppeld aan een leerling, en dat deze leermeester er zorg voor draagt dat de leerling voldoende hulp en tijd krijgt om de praktijkopdrachten uit te voeren; g. g. het productie- of dienstverleningsproces is technisch en organisatorisch voldoende gevarieerd en kan leerlingen goed praktijkmateriaal bieden en hen gedegen opleiden; h. h. de leer-werkplek past binnen de dagelijkse bedrijfsvoering; i. i. het bedrijf of de organisatie is bereid de leerling de vereiste praktijkopdrachten uit te laten voeren en het werk en het stageverslag te bespreken en te beoordelen; j. j. het bedrijf of de organisatie is geschikt voor de betrokken leeftijdsgroep waar het gaat om onder meer ruimte om te leren of fouten te maken, erkenning van jong zijn; k. k. het bedrijf of de organisatie respecteert, voor zover van toepassing, het multiculturele karakter van de leerlingenpopulatie.
2. Het bevoegd gezag draagt zorg voor beschikbaarheid van een gekwalificeerde mentor of docentbegeleider die de voortgang op de leer-werkplek en ook de integratie tussen het binnenschools en buitenschools programma bewaakt.
Artikel 2.65
Een leer-werkovereenkomst als bedoeld in artikel 2.103, zesde lid, van de wet regelt de rechten en plichten van partijen en omvat ten minste afspraken over:
a. a. inhoud, leerdoelen, duur, periode van en beoordelingsmaatstaven voor het buitenschoolse praktijkgedeelte; b. b. de begeleiding van de leerling; en c. c. de gevallen waarin en de wijze waarop de overeenkomst voortijdig kan worden beëindigd.
Paragraaf 12.4. Samenwerking voor examenbevoegdheid aangewezen onbekostigde scholen en onbekostigd vavo
Artikel 2.66
Leerlingen van zestien en zeventien jaar die naar het oordeel van het bevoegd gezag van een aangewezen school als bedoeld in de artikel 2.66 van de wet een grotere kans hebben een diploma of volgend diploma als bedoeld in artikel 2.58, tweede lid, van de wet te behalen indien zij vavo volgen in plaats van voortgezet onderwijs, kunnen op grond artikel 2.109, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de wet deelnemen aan een opleiding vavo bij een instelling voor educatie en beroepsonderwijs als bedoeld in artikel 2.109, eerste lid, van de wet en die opleiding met een examen afsluiten.
Artikel 2.67
Een samenwerkingsovereenkomst als bedoeld in artikel 2.109 van de wet omvat in elk geval:
a. a. het doel van de samenwerking; b. b. de doelgroep; c. c. de wijze waarop wordt nagegaan of het doel wordt bereikt; d. d. het onderwijsprogramma dat volgens de samenwerking wordt vormgegeven; en e. e. een regeling voor de beslechting van geschillen tussen partijen over de uitvoering van de overeenkomst.
Paragraaf 13. Beleidsinhoudelijke informatie
Artikel 2.68
1. De gegevens, bedoeld in artikel 2.111 van de wet, waarover een bevoegd gezag of een samenwerkingsverband beschikt voor het beleid van Onze Minister, worden gedefinieerd en geordend volgens de regels vermeld in bijlage 2.
2. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over de gegevens, bedoeld in het eerste lid, en over de wijze waarop de gegevens beschikbaar worden gesteld.
Artikel 2.69
Onze Minister kan bij een verzoek om beschikbaarstelling van de gegevens, bedoeld in artikel 2.111 van de wet, bij hem bekende gegevens opnemen.
Artikel 2.70
Bij de gegevensverstrekking op grond van artikel 2.111 van de wet maakt het bevoegd gezag gebruik van het burgerservicenummer van een lid van het personeel of gewezen personeel van de school.
Hoofdstuk 3. Eindexamen
Paragraaf 1. Inhoud van het eindexamen
Artikel 3.1
1.
Het eindexamen vwo (atheneum) omvat in elk geval:
a. a. de vakken van het gemeenschappelijk deel van een profiel, genoemd in artikel 2.5, eerste lid; b. b. de vakken van het profieldeel, genoemd in artikel 2.6; en c. c. ten minste een vak met een normatieve studielast van ten minste 440 uren van het vrije deel van een profiel, genoemd in artikel 2.7, met dien verstande dat een door het bevoegd gezag vast te stellen vak alleen onderdeel is van het eindexamen voor zover Onze Minister daarvoor goedkeuring heeft verleend.
2. Naast de vakken, bedoeld in het eerste lid, kan het eindexamen vwo (atheneum) ter keuze van de examenkandidaat extra vakken omvatten, voor zover het bevoegd gezag hem dat toestaat en het vak niet inhoudelijk overeenkomt met een vak dat al onderdeel is van dat eindexamen.
3. Het profielwerkstuk van het eindexamen vwo (atheneum) heeft betrekking op een of meer vakken van het eindexamen. Ten minste een van deze aan het profielwerkstuk gekoppelde vakken heeft een omvang van 400 uur of meer.
Artikel 3.2
1.
Het eindexamen vwo (gymnasium) omvat in elk geval:
a. a. de vakken van het gemeenschappelijk deel van een profiel, genoemd in artikel 2.5, tweede lid; b. b. de vakken van het profieldeel, genoemd in artikel 2.6; en c. c. ten minste een vak met een normatieve studielast van ten minste 440 uur van het vrije deel van een profiel, genoemd in artikel 2.7, met dien verstande dat een door het bevoegd gezag vast te stellen vak alleen onderdeel is van het eindexamen voor zover Onze Minister daarvoor goedkeuring heeft verleend.
2. Naast de vakken, bedoeld in het eerste lid, kan het eindexamen vwo (gymnasium) ter keuze van de examenkandidaat extra vakken omvatten, voor zover het bevoegd gezag hem dat toestaat en het vak niet inhoudelijk overeenkomt met een vak dat al onderdeel is van dat eindexamen.
3. Het profielwerkstuk van het eindexamen vwo (gymnasium) heeft betrekking op een of meer vakken van het eindexamen. Ten minste een van deze aan het profielwerkstuk gekoppelde vakken heeft een omvang van 400 uur of meer.
Artikel 3.3
1.
Het eindexamen havo omvat in elk geval:
a. a. de vakken van het gemeenschappelijk deel van elk profiel, genoemd in artikel 2.10; b. b. de vakken van het profieldeel, genoemd in artikel 2.11; en c. c. ten minste een vak met een normatieve studielast van ten minste 320 uur van het vrije deel van elk profiel, genoemd in artikel 2.12, met dien verstande dat een door het bevoegd gezag vast te stellen vak alleen onderdeel is van het eindexamen voor zover Onze Minister daarvoor goedkeuring heeft verleend.
2. In plaats van de vakken, bedoeld in het eerste lid, kan het eindexamen havo ter keuze van de examenkandidaat overeenkomstige vakken als bedoeld in artikel 2.13 op het niveau van vwo omvatten, voor zover het bevoegd gezag hem dat toestaat en het vervangen vak niet als extra vak als bedoeld in het derde lid gekozen wordt.
3. Naast de vakken, bedoeld in het eerste lid, kan het eindexamen havo ter keuze van de examenkandidaat extra vakken omvatten, voor zover het bevoegd gezag hem dat toestaat en het vak niet inhoudelijk overeenkomt met een vak dat al onderdeel is van dat eindexamen.
4. Het profielwerkstuk van het eindexamen havo heeft betrekking op een of meer vakken van het eindexamen. Ten minste een van deze aan het profielwerkstuk gekoppelde vakken heeft een omvang van 320 uur of meer.
Artikel 3.4
1.
Het eindexamen vmbo theoretische leerweg omvat in elk geval:
a. a. de vakken van het gemeenschappelijk deel van elk profiel, genoemd in artikel 2.15; b. b. de twee vakken van het profieldeel, genoemd in artikel 2.16; en c. c. in het vrije deel twee nog niet in het profieldeel gekozen vakken, genoemd in artikel 2.17, eerste lid, onderdelen a en b, met dien verstande dat het profieldeel en het vrije deel samen ten minste twee vakken omvatten die geen moderne vreemde taal zijn en dat het vrije deel ten hoogste één praktijkgericht vak, genoemd in artikel 2.17a, omvat.
2. Indien de examenkandidaat in het vrije deel twee kunstvakken kiest, wordt een kunstvak gekozen uit de vakken behorende tot de beeldende vorming en een kunstvak uit de vakken muziek, dans en drama.
3. In plaats van de vakken, bedoeld in het eerste en tweede lid, kan het eindexamen vmbo theoretische leerweg ter keuze van de examenkandidaat overeenkomstige vakken als bedoeld in artikel 2.18 op het niveau van vwo of havo omvatten, voor zover het bevoegd gezag hem dat toestaat en het vervangen vak niet als extra vak als bedoeld in het vierde lid gekozen wordt.
4.
Naast de vakken, bedoeld in het eerste lid, kan het eindexamen vmbo theoretische leerweg ter keuze van de examenkandidaat de volgende extra vakken omvatten, voor zover het bevoegd gezag hem dat toestaat en het vak niet inhoudelijk overeenkomt met een vak dat al onderdeel is van het eindexamen:
a. a. een vak als bedoeld in artikel 2.17, eerste lid, onderdelen a en b, dat behoort tot het vrije deel van de theoretische leerweg, met dien verstande dat het extra vak geen praktijkgericht vak, genoemd in artikel 2.17a, kan betreffen, indien de examenkandidaat in het vrije deel reeds een praktijkgericht vak heeft gevolgd; b. b. een vak dat behoort tot het eindexamen vmbo gemengde leerweg, met dien verstande dat het extra vak geen praktijkgericht vak, genoemd in artikel 2.17a en artikel 2.25a, kan betreffen, indien de examenkandidaat in het vrije deel reeds een praktijkgericht vak heeft gevolgd; of c. c. een vak dat behoort tot het eindexamen vwo of havo.
5. Het profielwerkstuk van het eindexamen vmbo theoretische leerweg heeft betrekking op een thema uit een profiel waarin de leerling onderwijs volgt.
Artikel 3.5
1.
Het eindexamen vmbo basisberoepsgerichte leerweg omvat in elk geval:
a. a. de vakken van het gemeenschappelijk deel van elk profiel, genoemd in artikel 2.20, b. b. de twee algemene vakken van het profieldeel, genoemd in artikel 2.21, tweede lid; en c. c. een beroepsgericht programma, bestaande uit:
1°.
het profielvak, bedoeld in artikel 2.21, eerste lid; en
2°.
in het vrije deel van het profiel vier beroepsgerichte keuzevakken.
1°. 1°. het profielvak, bedoeld in artikel 2.21, eerste lid; en 2°. 2°. in het vrije deel van het profiel vier beroepsgerichte keuzevakken.
2. In plaats van de vakken, bedoeld in het eerste lid, kan het eindexamen vmbo basisberoepsgerichte leerweg ter keuze van de examenkandidaat overeenkomstige vakken als bedoeld in artikel 2.23, eerste lid, omvatten op het niveau van vwo, havo, vmbo theoretische leerweg of vmbo kaderberoepsgerichte leerweg, voor zover het bevoegd gezag hem dat toestaat en het vervangen vak niet als extra vak als bedoeld in het derde lid gekozen wordt.
3.
Naast de vakken, bedoeld in het eerste lid, kan het eindexamen vmbo basisberoepsgerichte leerweg ter keuze van de examenkandidaat de volgende extra vakken omvatten, voor zover het bevoegd gezag hem dat toestaat, het vak nog geen onderdeel van dat eindexamen is en niet inhoudelijk overeenkomt met een vak dat al onderdeel is van het eindexamen:
a. a. een algemeen vak van het profieldeel, bedoeld in artikel 2.21, tweede lid, of een beroepsgericht keuzevak; b. b. het vak Friese taal en cultuur; c. c. een vak als bedoeld in artikel 2.4, vierde lid, dat op grond van dat artikel onderdeel kan zijn van de basisberoepsgerichte leerweg; d. d. een algemeen vak dat behoort tot het eindexamen vmbo theoretische leerweg, kaderberoepsgerichte leerweg of gemengde leerweg; of e. e. een vak dat behoort tot het eindexamen vwo of havo.
4.
Bij een leer-werktraject als bedoeld in artikel 2.103 van de wet, omvat het eindexamen vmbo basisberoepsgerichte leerweg in elk geval:
a. a. het vak Nederlandse taal; b. b. het beroepsgerichte programma, bedoeld in artikel 2.103, vierde lid, van de wet, dat onderdeel is van het leer-werktraject.
5. Bij een leer-werktraject als bedoeld in artikel 2.103 van de wet kan het eindexamen vmbo basisberoepsgerichte leerweg ter keuze van de examenkandidaat ook omvatten een of meer andere vakken van de basisberoepsgerichte leerweg waarvan het bevoegd gezag op grond van artikel 2.103, vierde lid, van de wet heeft beslist dat zij behoren tot het leer-werktraject van die leerling.
Artikel 3.6
1.
Het eindexamen vmbo kaderberoepsgerichte leerweg omvat in elk geval:
a. a. de vakken van het gemeenschappelijk deel van elk profiel, genoemd in artikel 2.20; b. b. de twee algemene vakken van het profieldeel, genoemd in artikel 2.21, tweede lid; en c. c. een beroepsgericht programma, bestaande uit:
1°.
het profielvak, bedoeld in artikel 2.21, eerste lid, van het profieldeel; en
2°.
in het vrije deel van het profiel vier beroepsgerichte keuzevakken.
1°. 1°. het profielvak, bedoeld in artikel 2.21, eerste lid, van het profieldeel; en 2°. 2°. in het vrije deel van het profiel vier beroepsgerichte keuzevakken.
2. In plaats van de vakken, bedoeld in het eerste lid, kan het eindexamen vmbo kaderberoepsgerichte leerweg ter keuze van de examenkandidaat overeenkomstige vakken als bedoeld in artikel 2.23 op het niveau van vwo, havo of vmbo theoretische leerweg omvatten, voor zover het bevoegd gezag hem dat toestaat en het vervangen vak niet als extra vak als bedoeld in het derde lid gekozen wordt.
3.
Naast de vakken, bedoeld in het eerste lid, kan het eindexamen vmbo kaderberoepsgerichte leerweg ter keuze van de examenkandidaat de volgende extra vakken omvatten, voor zover het bevoegd gezag hem dat toestaat, het vak nog geen onderdeel van dat eindexamen is en niet inhoudelijk overeenkomt met een vak dat al onderdeel is van het eindexamen:
a. a. een algemeen vak van het profieldeel, genoemd in artikel 2.21, tweede lid, of een beroepsgericht keuzevak; b. b. het vak Friese taal en cultuur; c. c. een vak als bedoeld in artikel 2.23, tweede lid, dat op grond van dat artikel onderdeel kan zijn van de kaderberoepsgerichte leerweg, d. d. een algemeen vak dat behoort tot het eindexamen vmbo theoretische leerweg of vmbo gemengde leerweg; of e. e. een vak dat behoort tot het eindexamen vwo of havo.
Artikel 3.7
1.
Het eindexamen vmbo gemengde leerweg omvat in elk geval:
a. a. de vakken van het gemeenschappelijk deel van elke profiel, genoemd in artikel 2.24; b. b. de twee algemene vakken van het profieldeel, genoemd in artikel 2.25, tweede lid; c. c. in het vrije deel van het profiel een nog niet in het profieldeel gekozen algemeen vak, genoemd in artikel 2.25, tweede lid, of artikel 2.26, onderdeel c; d. d. een beroepsgericht programma, bestaande uit:
1°.
het profielvak van het profieldeel, bedoeld in artikel 2.25, eerste lid; en
2°.
in het vrije deel twee beroepsgerichte keuzevakken.
1°. 1°. het profielvak van het profieldeel, bedoeld in artikel 2.25, eerste lid; en 2°. 2°. in het vrije deel twee beroepsgerichte keuzevakken.
1a.
In afwijking van het eerste lid, onderdeel d, kan het eindexamen vmbo gemengde leerweg een praktijkgericht programma omvatten, in plaats van het beroepsgerichte programma, bestaande uit:
1°. 1°. een praktijkgericht vak, genoemd in artikel 2.25a; en 2°. 2°. in het vrije deel twee beroepsgerichte keuzevakken.
2. In plaats van de vakken, bedoeld in het eerste lid, kan het eindexamen vmbo gemengde leerweg ter keuze van de examenkandidaat overeenkomstige vakken als bedoeld in artikel 2.27 op het niveau van vwo of havo omvatten, voor zover het bevoegd gezag hem dat toestaat en het vervangen vak niet als extra vak als bedoeld in het derde lid gekozen wordt.
3.
Naast de vakken, bedoeld in het eerste lid, kan het eindexamen vmbo gemengde leerweg ter keuze van de examenkandidaat de volgende extra vakken omvatten, voor zover het bevoegd gezag hem dat toestaat en het vak niet inhoudelijk overeenkomt met een vak dat al onderdeel is van het eindexamen:
a. a. een vak als bedoeld in artikel 2.26, onderdelen a, b of c; b. b. een vak dat behoort tot het eindexamen vwo of havo; c. c. een praktijkgericht vak als bedoeld in artikel 2.25a.
4. Het profielwerkstuk van het eindexamen vmbo gemengde leerweg heeft betrekking op een thema uit een profiel waarin de leerling onderwijs volgt.
Artikel 3.8
1.
De examenkandidaat is bij het eindexamen vrijgesteld van het vak waarvoor:
a. a. een vrijstelling geldt van het volgen van onderwijs op grond van de artikelen 2.8, 2.14 of 2.32; of b. b. een ontheffing is verleend voor het volgen van onderwijs op grond van artikel 2.33, vierde lid, van de wet of de artikelen 2.9 of 2.33.
2. In geval van een ontheffing in vwo (atheneum) voor het volgen van onderwijs in een tweede moderne vreemde taal op grond van artikel 2.9, eerste lid, wordt het eindexamen in de taal vervangen door het eindexamen in het vak, bedoeld in het tweede lid van dat artikel.
3. In geval van een ontheffing in vmbo op grond van artikel 2.33, eerste lid, voor het volgen van onderwijs in Franse of Duitse taal, wordt het eindexamen in de taal vervangen door het eindexamen in het vak, bedoeld in het tweede lid van dat artikel.
Artikel 3.9
Indien het eindexamen een of meer vakken omvat van een andere schoolsoort of leerweg dan die waarvoor de examenkandidaat als leerling is ingeschreven, behoort ten minste een vak van de schoolsoort of leerweg van inschrijving tot de voorgeschreven eindexamenvakken.
Artikel 3.10
1. Het eindexamen vwo, havo en vmbo kan ook een maatschappelijke stage als bedoeld in artikel 2.32 van de wet omvatten.
2. De maatschappelijke stage als onderdeel van het eindexamen duurt ten minste 30 uur.
Paragraaf 2. Het schoolexamen
Artikel 3.11
1. Het schoolexamen bestaat uit een examendossier. Het examendossier is het geheel van de onderdelen van het schoolexamen zoals gedocumenteerd in een door het bevoegd gezag gekozen vorm.
2. Het examendossier voor het vmbo theoretische leerweg en gemengde leerweg omvat ook de resultaten die de leerling heeft behaald voor de vakken, bedoeld in artikel 2.19 onderscheidenlijk artikel 2.28, als in die vakken geen eindexamen is afgelegd.
Artikel 3.12
1. In de gevallen, bedoeld in artikel 3.17, wordt het schoolexamen in het vak waarop dit schoolexamen betrekking heeft, afgesloten tien werkdagen voor de afname van het centraal examen in dat vak.
2. Indien het centraal examen overeenkomstig artikel 2.56, vierde lid, van de wet wordt afgesloten in het voorlaatste leerjaar of het daaraan voorafgaande leerjaar, wordt het schoolexamen in dat vak of die vakken afgesloten voordat in dat leerjaar het centraal examen in dat vak of die vakken aanvangt.
Artikel 3.13
1. Het cijfer van het schoolexamen wordt uitgedrukt in een cijfer uit een schaal van cijfers lopende van 1 tot en met 10 met de daartussen liggende cijfers met 1 decimaal.
2. Indien in een vak geen centraal examen wordt afgelegd, wordt het cijfer van het schoolexamen uitgedrukt in een cijfer van 1 tot en met 10, zonder decimaal.
3. In afwijking van het eerste lid wordt in alle schoolsoorten het vak lichamelijke opvoeding uit het gemeenschappelijk deel van elk profiel en in het vmbo de kunstvakken beoordeeld met «goed», «voldoende» of «onvoldoende».
4. De beoordeling van het vak lichamelijke opvoeding en de kunstvakken inclusief culturele en kunstzinnige vorming gaat uit van de prestaties van de leerling binnen zijn mogelijkheden, zoals blijkend uit het examendossier.
Artikel 3.14
1. In afwijking van artikel 3.13, eerste lid, wordt het profielwerkstuk in het vmbo beoordeeld met «goed», «voldoende» of «onvoldoende».
2. De beoordeling van het profielwerkstuk in het vmbo vindt plaats op de grondslag van het voldoende voltooien van het profielwerkstuk, zoals blijkend uit het examendossier.
3. Het profielwerkstuk in het vmbo wordt beoordeeld door ten minste twee examinatoren.
Artikel 3.15
1.
Voor de aanvang van het centraal examen verstrekt de rector of directeur aan de examenkandidaat:
a. a. het cijfer of de cijfers voor het schoolexamen; b. b. de beoordeling van de vakken waarvoor geen cijfer wordt vastgesteld; c. c. de beoordeling van het profielwerkstuk in het vmbo; en d. d. een overzicht van de behaalde resultaten van alle onderdelen in het examendossier, bedoeld in artikel 3.11.
2. De rector of directeur en de examensecretaris tekenen voor de verstrekking van de in het eerste lid genoemde cijfers, beoordelingen en overzicht.
3. De examenkandidaat tekent voor ontvangst van de in het eerste lid genoemde cijfers, beoordelingen en overzicht.
Artikel 3.16
1. De examenkandidaat die eindexamen vmbo aflegt kan het schoolexamen maatschappijleer behorend tot het gemeenschappelijk deel van de leerwegen opnieuw afleggen, indien hij voor dat vak een eindcijfer heeft behaald lager dan 6.
2. Het bevoegd gezag van een school voor mavo of vbo kan bepalen dat een examenkandidaat voor een of meer andere vakken dan maatschappijleer het schoolexamen waarin geen centraal examen wordt afgenomen, opnieuw kan afleggen.
3. Het herexamen omvat door het bevoegd gezag aangegeven onderdelen van het examenprogramma.
4. Het bevoegd gezag stelt vast hoe het cijfer van het herexamen wordt bepaald.
5. Het hoogste cijfer voor een vak, behaald bij het schoolexamen of het herexamen, is het definitieve cijfer van het schoolexamen in dat vak.
Paragraaf 3. Het centraal examen
Artikel 3.17
1. Het college kan bepalen dat een centraal examen in een vak wordt afgenomen op een tijdstip dat is gelegen voor de aanvang van het eerste tijdvak.
2. Het college kan voor een centraal examen in een vak een afnameperiode instellen waarbinnen het bevoegd gezag zelf de afnametijdstippen bepaalt. Deze afnameperiode vangt niet eerder aan dan op 1 april van dat examenjaar en omvat het eerste en tweede tijdvak van dat examenjaar.
Artikel 3.18
De rector of directeur deelt jaarlijks voor 1 november aan Onze Minister mee hoeveel examenkandidaten per vak aan het centraal examen in het eerste tijdvak zullen deelnemen.
Artikel 3.19
1. Onze Minister draagt er zorg voor dat de opgaven, bedoeld in artikel 2, onderdeel c, van de Wet College voor toetsen en examens, tijdig beschikbaar worden gesteld aan de rector of directeur van de school.
2. De rector of directeur draagt er zorg voor, dat de opgaven voor het centraal examen geheim blijven tot de aanvang van de toets waarvoor deze opgaven dienen.
3. Het college kan opgaven aanwijzen waarop het tweede lid niet van toepassing is.
Artikel 3.20
1. De rector of directeur draagt zorg voor het nodige toezicht bij het centraal examen.
2. Tijdens het centraal examen worden aan de examenkandidaten geen mededelingen van welke aard ook over de opgaven gedaan, uitgezonderd mededelingen van het college.
3. Zij die toezicht hebben gehouden, maken een proces-verbaal op. Zij leveren dit in bij de rector of directeur samen met het gemaakte examenwerk.
4. Een examenkandidaat wordt tot uiterlijk een half uur na de aanvang tot een toets toegelaten.
5. De aan de examenkandidaten voorgelegde opgaven blijven in het examenlokaal tot het einde van die toets.
6. Het college kan regels stellen voor de uitvoering van een toets van het centraal examen.
Artikel 3.21
1.
De rector of directeur doet aan de examinator in een vak toekomen:
a. a. het gemaakte werk van het centraal examen; b. b. een exemplaar van de opgaven; c. c. de beoordelingsnormen; en d. d. het proces-verbaal van het examen.
2. De examinator beoordeelt het werk zo spoedig mogelijk en past daarbij de beoordelingsnormen, bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel d, van de Wet College voor toetsen en examens toe.
3. De examinator drukt zijn beoordeling uit in de score, bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel d, van de Wet College voor toetsen en examens.
4. De examinator zendt de score en het beoordeelde werk aan de rector of directeur.
5. Bij digitale examinering met gebruikmaking van de daartoe door het college beschikbaar gestelde programmatuur worden de handelingen, bedoeld in dit artikel, digitaal verricht, uitgezonderd de handelingen die betrekking hebben op het proces-verbaal.
6. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de beoordeling van het centraal examen door de examinator.
Artikel 3.22
1. Onze Minister maakt een koppeling van scholen en instellingen voor educatie en beroepsonderwijs voor de uitvoering van de tweede correctie door gecommitteerden als bedoeld in artikel 2.56, zesde lid, van de wet.
2. Onze Minister maakt de koppeling bekend aan het bevoegd gezag van elke school of elke instelling voor educatie en beroepsonderwijs en kan, zo nodig, zelf een gecommitteerde aanwijzen voor een school of instelling.
Artikel 3.23
1. Het bevoegd gezag wijst op grond van de koppeling, bedoeld in artikel 3.22, een of meer gecommitteerden aan.
2. Het bevoegd gezag maakt de gecommitteerden, bedoeld in het eerste lid, bekend aan de scholen waarvoor zij de tweede correctie verrichten. Zij blijven als gecommitteerde aangewezen tot na de afloop van de herkansing.
3. Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat de aangewezen gecommitteerde zijn verplichtingen nakomt.
4. Voor het cspe van het centraal examen vmbo wordt geen gecommitteerde aangewezen.
Artikel 3.24
1.
De rector of directeur, bedoeld in artikel 3.21, doet onverwijld na de beoordeling door de examinator aan de rector of directeur van de gecommitteerde toekomen:
a. a. het door de examinator beoordeelde werk van het centraal examen; b. b. een exemplaar van de opgaven; c. c. de beoordelingsnormen; d. d. het proces-verbaal van het examen; en e. e. de regels voor het bepalen van de score, bedoeld in artikel 3.21, derde lid.
2. De rector of directeur van de gecommitteerde doet de documenten, bedoeld in het eerste lid, toekomen aan de gecommitteerde.
3. Artikel 3.21, tweede, derde, vijfde en zesde lid, is van overeenkomstige toepassing op de beoordeling door de gecommitteerde.
4. De gecommitteerde voegt bij het gecorrigeerde werk een verklaring over de verrichte correctie. Deze verklaring is medeondertekend door het bevoegd gezag van de school waar de gecommitteerde werkzaam is.
5. Bij ministeriële regeling kunnen nadere voorschriften worden gegeven voor de toepassing van het bepaalde in dit artikel.
Artikel 3.25
1. De examinator en de gecommitteerde stellen in onderling overleg de score voor het centraal examen vast.
2. Indien de examinator en de gecommitteerde niet tot overeenstemming over de score komen, wordt het geschil voorgelegd aan het bevoegd gezag van de gecommitteerde. Het bevoegd gezag van de gecommitteerde kan hierover in overleg treden met het bevoegd gezag van de examinator.
3. Indien het geschil niet kan worden beslecht, wordt hiervan melding gemaakt aan de inspectie. De inspectie kan een onafhankelijke corrector aanwijzen. De beoordeling van deze corrector komt in de plaats van de eerdere beoordelingen.
4. De rector of directeur stelt het cijfer voor het centraal examen in een vak vast op grond van de score, bedoeld in het eerste lid, of de beoordeling, bedoeld in het derde lid, en met inachtneming van de regels, bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel e, van de Wet College voor toetsen en examens.
Artikel 3.26
1. De rector of directeur draagt er zorg voor dat bij het maken van het cspe van een eindexamen vmbo een examinator in het vak of programma aanwezig is.
2. De examinator beoordeelt de prestaties van de examenkandidaat tijdens het maken van de opgaven en legt zijn bevindingen van de verrichtingen van de examenkandidaat schriftelijk vast, volgens daartoe door het college gegeven richtlijnen.
3. De examinator beoordeelt het werk zo spoedig mogelijk en past daarbij toe de beoordelingsnormen, bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel d, van de Wet College voor toetsen en examens.
4. De examinator drukt zijn beoordeling uit in de score, bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel d, van de Wet College voor toetsen en examens.
5. De examinator doet de score en voor zover mogelijk het beoordeelde werk toekomen aan de rector of directeur.
Artikel 3.27
1. Voor het cspe van het eindexamen vmbo vindt de beoordeling ook plaats door een tweede examinator als bedoeld in artikel 3.26, tweede lid. De tweede examinator kan een deskundige als bedoeld in artikel 2.51, vierde lid, van de wet of een examinator van de school zijn.
2. De tweede examinator beoordeelt het resultaat van de opgaven en de verrichtingen van de examenkandidaat zoals blijkend uit de schriftelijke vastlegging, bedoeld in artikel 3.26, tweede lid.
3.
De rector of directeur overhandigt aan de tweede examinator:
a. a. een exemplaar van de opgaven; b. b. de beoordelingsnormen; c. c. het proces-verbaal; en d. d. de regels voor het bepalen van de score, bedoeld in het eerste lid.
4. Artikel 3.21, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 3.28
Het college kan vakken aanwijzen waarin wegens het zeer geringe aantal examenkandidaten, het centraal examen in het tweede tijdvak door dit college wordt afgenomen.
Artikel 3.29
1. Indien een examenkandidaat om een geldige reden, ter beoordeling van de rector of directeur, is verhinderd bij het centraal examen van een of meer vakken in het eerste tijdvak aanwezig te zijn, krijgt in het tweede tijdvak de gelegenheid het centraal examen alsnog te voltooien. De examenkandidaat maakt in dat geval maximaal twee toetsen per dag.
2. Indien een examenkandidaat ook in het tweede tijdvak om een geldige reden, ter beoordeling van de rector of directeur, verhinderd is, of als hij het centraal examen in het tweede tijdvak niet kan voltooien, wordt hij in de gelegenheid gesteld in het derde tijdvak ten overstaan van het college zijn eindexamen te voltooien.
3. Indien het bevoegd gezag op grond van artikel 3.17, tweede lid, zelf de afnametijdstippen van een centraal examen bepaalt, kan de rector of directeur een examenkandidaat de gelegenheid geven om binnen de afnameperiode die het college daarvoor heeft ingesteld, alsnog het centraal examen te voltooien, waarvoor hij eerder was verhinderd.
Artikel 3.30
1. Indien een examenkandidaat gebruik wil maken van de gelegenheid, bedoeld in artikel 3.29, tweede lid, meldt hij dit zo spoedig mogelijk aan de rector of directeur.
2. De rector of directeur deelt voorafgaande aan het tweede of het derde tijdvak aan het college mee welke examenkandidaten het centraal examen in deze tijdvakken ten overstaan van het college zullen afleggen en in welke vakken.
3. Indien voor een examenkandidaat toepassing is gegeven aan de artikelen 3.54 of 3.55, deelt de rector of directeur dit mee aan het college, onder vermelding van de toepassing.
4. De examenkandidaat levert de opgaven, de door hem gemaakte aantekeningen en andere door hem gemaakte stukken in bij een van degenen die toezicht houden. Het college bepaalt in welke gevallen wordt afgeweken van de eerste volzin en in welke gevallen en op welk tijdstip de opgaven, de aantekeningen en de andere stukken, bedoeld in die volzin, aan de examenkandidaat worden teruggegeven.
5. Het college deelt het door de examenkandidaat behaalde cijfer voor het centraal examen aan de rector of directeur mee.
6. Indien sprake is van een centraal eindexamen met geheime opgaven, kan de examenkandidaat over zijn werk gedurende een periode van zes maanden na de mededeling, bedoeld in het vijfde lid, inlichtingen inwinnen bij het college.
Artikel 3.31
1. Het bevoegd gezag bewaart het gemaakte werk van het centraal examen van de examenkandidaat gedurende ten minste zes maanden na de vaststelling van de uitslag, ter inzage voor belanghebbenden.
2. Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat een volledig stel van de bij de centrale examens gebruikte opgaven gedurende ten minste zes maanden na de vaststelling van de uitslag bewaard blijft in het archief van de school.
Paragraaf 4. De uitslag van het eindexamen en herkansing centraal examen
Artikel 3.32
1. Het eindcijfer voor vakken van het eindexamen wordt uitgedrukt in een geheel cijfer uit de reeks 1 tot en met 10.
2. De rector of directeur bepaalt het eindcijfer op het rekenkundig gemiddelde van het cijfer voor het schoolexamen en het cijfer voor het centraal examen. Indien de uitkomst van de berekening niet een geheel getal is, wordt dat getal indien het eerste cijfer achter de komma een 4 of lager is, naar beneden afgerond en indien dat cijfer een 5 of hoger is, naar boven afgerond.
3. Indien in een vak alleen een schoolexamen is afgenomen en niet ook een centraal examen, is het cijfer voor het schoolexamen ook het eindcijfer.
Artikel 3.33
1. De rector of directeur stelt voor de vaststelling van de uitslag van het eindexamen vast of de examenkandidaat het eindexamen heeft afgelegd in de voor het eindexamen voorgeschreven vakken, bedoeld in de artikelen 3.1 tot en met 3.7.
2. De examenkandidaat toont in voorkomend geval ten genoegen van de rector of directeur aan dat hij recht heeft op een vrijstelling op grond van artikel 3.8.
3. Indien dat nodig is om de examenkandidaat te laten slagen betrekken de rector of directeur en de examensecretaris een of meer eindcijfers van de vakken niet bij de bepaling van de definitieve uitslag. De overgebleven vakken dienen een eindexamen te vormen.
4. Indien de examenkandidaat eindexamen heeft afgelegd en in datzelfde jaar deelstaatsexamen heeft afgelegd of eindexamen in een of meer vakken aan een instelling voor educatie en beroepsonderwijs, betrekken de rector of directeur en de examensecretaris de met het deelstaatsexamen respectievelijk dat eindexamen behaalde cijfers, indien de examenkandidaat daarom tijdig en schriftelijk heeft verzocht, bij de uitslagbepaling.
Artikel 3.34
1.
De examenkandidaat die eindexamen vwo of havo heeft afgelegd, is geslaagd indien:
a. a. het rekenkundig gemiddelde van zijn bij het centraal examen behaalde cijfers ten minste 5,5 is; b. b. hij voor één van de vakken Nederlandse taal en literatuur, Engelse taal en literatuur en voor zover van toepassing wiskunde A, wiskunde B of wiskunde C als eindcijfer 5 of hoger heeft behaald en hij voor het andere vak of andere hier genoemde vakken als eindcijfer 6 of hoger heeft behaald; c. c. hij onverminderd onderdeel b:
1°.
voor een van zijn vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, als eindcijfer 5 of hoger en voor de overige vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, als eindcijfer 6 of hoger heeft behaald;
2°.
voor een van zijn vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, als eindcijfer 4 en voor de overige vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, als eindcijfer 6 of hoger heeft behaald, en het gemiddelde van de eindcijfers ten minste 6,0 bedraagt;
3°.
voor twee van zijn vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, als eindcijfer 5 heeft behaald en voor de overige vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, als eindcijfer 6 of hoger heeft behaald, en het gemiddelde van de eindcijfers ten minste 6,0 bedraagt; of
4°.
voor een van de vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld als eindcijfer 4 en voor een van deze vakken als eindcijfer 5 heeft behaald en voor de overige vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, als eindcijfer 6 of hoger heeft behaald, en het gemiddelde van de eindcijfers ten minste 6,0 bedraagt;
1°. 1°. voor een van zijn vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, als eindcijfer 5 of hoger en voor de overige vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, als eindcijfer 6 of hoger heeft behaald; 2°. 2°. voor een van zijn vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, als eindcijfer 4 en voor de overige vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, als eindcijfer 6 of hoger heeft behaald, en het gemiddelde van de eindcijfers ten minste 6,0 bedraagt; 3°. 3°. voor twee van zijn vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, als eindcijfer 5 heeft behaald en voor de overige vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, als eindcijfer 6 of hoger heeft behaald, en het gemiddelde van de eindcijfers ten minste 6,0 bedraagt; of 4°. 4°. voor een van de vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld als eindcijfer 4 en voor een van deze vakken als eindcijfer 5 heeft behaald en voor de overige vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, als eindcijfer 6 of hoger heeft behaald, en het gemiddelde van de eindcijfers ten minste 6,0 bedraagt; d. d. hij voor geen van de onderdelen, genoemd in het tweede lid, lager dan het eindcijfer 4 heeft behaald; en e. e. hij voor het vak lichamelijke opvoeding van het gemeenschappelijk deel van elk profiel, de kwalificatie «voldoende» of «goed» heeft behaald.
2.
Bij de uitslagbepaling volgens het eerste lid, wordt het gemiddelde van de eindcijfers van ten minste de volgende onderdelen aangemerkt als het eindcijfer van een vak, voor zover voor deze onderdelen een eindcijfer is bepaald: maatschappijleer, culturele en kunstzinnige vorming en het profielwerkstuk. Het bevoegd gezag kan daaraan toevoegen:
a. a. literatuur, als onderdeel van alle afzonderlijke moderne talen, met dien verstande dat indien het bevoegd gezag daartoe niet besluit, literatuur voor de bepaling van de eindcijfers een onderdeel is van het schoolexamen van die taal en literatuur; b. b. algemene natuurwetenschappen in vwo en havo; c. c. bij bijzondere scholen: godsdienst of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs, met dien verstande dat indien het bevoegd gezag hiertoe niet besluit, godsdienst of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs geen onderdeel is van het eindexamen, tenzij Onze Minister daarvoor goedkeuring heeft verleend met toepassing van artikel 3.1, eerste lid, onderdeel c, artikel 3.2, eerste lid, onderdeel c, of artikel 3.3, eerste lid, onderdeel c.
3. Indien het bevoegd gezag toepassing geeft aan het tweede lid, tweede volzin, wordt in het examenreglement vermeld welk onderdeel of welke onderdelen zijn toegevoegd voor de bepaling van het eindcijfer, bedoeld in dat lid.
4. De rector of directeur bepaalt het eindcijfer, bedoeld in het tweede lid, als het rekenkundig gemiddelde van de eindcijfers van de samenstellende onderdelen. Indien de uitkomst van deze berekening niet een geheel getal is, wordt dat getal indien het eerste cijfer achter de komma een 4 of lager is, naar beneden afgerond en indien dat cijfer een 5 of hoger is, naar boven afgerond.
5. Zodra de eindcijfers en indien mogelijk de uitslag zijn vastgesteld, maakt de rector of directeur deze schriftelijk aan de examenkandidaat bekend, onder mededeling van het recht van herkansing, bedoeld in artikel 3.38. Indien de examenkandidaat geen herexamen doet is deze uitslag de definitieve uitslag.
Artikel 3.35
1.
De examenkandidaat die het eindexamen vmbo in een leerweg heeft afgelegd, is geslaagd indien:
a. a. het rekenkundig gemiddelde van zijn bij het centraal examen behaalde cijfers ten minste 5,5 is; b. b. hij voor het vak Nederlandse taal als eindcijfer 5 of hoger heeft behaald; c. c. hij onverminderd onderdeel b:
1°.
voor een van zijn vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, als eindcijfer 5 of hoger en voor de overige vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, als eindcijfer 6 of hoger heeft behaald;
2°.
voor een van zijn vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, als eindcijfer 4 en voor de overige vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, als eindcijfer 6 of hoger waarvan ten minste een 7 of hoger heeft behaald; of
3°.
voor twee van zijn vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, als eindcijfer 5 heeft behaald en voor de overige vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, als eindcijfer 6 of hoger waarvan ten minste een 7 of hoger heeft behaald;
1°. 1°. voor een van zijn vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, als eindcijfer 5 of hoger en voor de overige vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, als eindcijfer 6 of hoger heeft behaald; 2°. 2°. voor een van zijn vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, als eindcijfer 4 en voor de overige vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, als eindcijfer 6 of hoger waarvan ten minste een 7 of hoger heeft behaald; of 3°. 3°. voor twee van zijn vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, als eindcijfer 5 heeft behaald en voor de overige vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, als eindcijfer 6 of hoger waarvan ten minste een 7 of hoger heeft behaald; d. d. hij voor geen van de onderdelen, genoemd in het derde of vierde lid, lager dan het eindcijfer 4 heeft behaald; e. e. hij voor de vakken lichamelijke opvoeding en kunstvakken inclusief culturele en kunstzinnige vorming de kwalificatie «voldoende» of «goed» heeft behaald; en f. f. als het gaat om een eindexamen vmbo gemengde of theoretische leerweg: hij voor het profielwerkstuk de kwalificatie «voldoende» of «goed» heeft behaald.
2. Bij de uitslagbepaling volgens het eerste lid, onderdeel c, wordt bij het eindexamen vmbo theoretische leerweg het eindcijfer van een profielvak of beroepsgericht keuzevak behorende tot het eindexamen vmbo gemengde leerweg bij de uitslagbepaling betrokken als deze vakken samen ten minste een volledig beroepsgericht programma als bedoeld in artikel 3.7, eerste lid, onderdeel d, dan wel het praktijkgerichte programma, als bedoeld in artikel 3.7, lid 1a, vormen. In dat geval is het vierde lid van overeenkomstige toepassing.
3. Bij de uitslagbepaling volgens het eerste lid, onderdeel c, wordt bij het eindexamen vmbo basisberoepsgerichte leerweg en kaderberoepsgerichte leerweg het gemiddelde van de eindcijfers van alle beroepsgerichte keuzevakken aangemerkt als het eindcijfer van een vak.
4. Bij de uitslagbepaling volgens het eerste lid, onderdeel c, wordt bij het eindexamen vmbo gemengde leerweg het gemiddelde van de eindcijfers van het profielvak, dan wel het praktijkgerichte vak dat in de plaats van het profielvak is gekozen, en alle beroepsgerichte keuzevakken aangemerkt als het eindcijfer van een vak, met dien verstande dat het eindcijfer voor het profielvak, dan wel het praktijkgerichte vak daarbij net zo vaak meetelt als het aantal eindcijfers van beroepsgerichte keuzevakken dat in de berekening wordt betrokken.
5. De rector of directeur bepaalt het eindcijfer, bedoeld in het derde en vierde lid, als het rekenkundig gemiddelde van de eindcijfers van de samenstellende onderdelen. Indien de uitkomst van deze berekening niet een geheel getal is, wordt dat getal indien het eerste cijfer achter de komma een 4 of lager is, naar beneden afgerond en indien dat cijfer een 5 of hoger is, naar boven afgerond.
6.
In afwijking van het eerste lid is de examenkandidaat die het eindexamen vmbo basisberoepsgerichte leerweg heeft afgelegd ter afsluiting van een leer-werktraject als bedoeld in artikel 2.103 van de wet geslaagd indien:
a. a. hij voor het vak Nederlandse taal als eindcijfer 6 of hoger heeft behaald; b. b. hij voor het profielvak als eindcijfer 6 of hoger heeft behaald; en c. c. hij als eindcijfer, bedoeld in het derde lid, 6 of hoger heeft behaald.
Indien de vakken waarin examen is afgelegd, samen het eindexamen vmbo basisberoepsgerichte leerweg vormen, zijn het eerste en derde lid van overeenkomstige toepassing.
7. Zodra de eindcijfers en indien mogelijk de uitslag zijn vastgesteld, maakt de rector of directeur deze schriftelijk aan de examenkandidaat bekend, onder mededeling van het recht van herkansing, bedoeld in artikel 3.38. Indien de examenkandidaat geen herexamen doet is deze uitslag de definitieve uitslag.
Artikel 3.36
1. Indien een leerling overeenkomstig artikel 2.56, vierde lid, van de wet in een of meer vakken eindexamen heeft afgelegd in het voorlaatste of direct daaraan voorafgaande leerjaar, maakt de rector of directeur het eindcijfer van dit eindexamen schriftelijk aan de examenkandidaat bekend zodra deze is vastgesteld, onder mededeling van het recht van herkansing, bedoeld in artikel 3.38.
2. Indien een leerling als bedoeld in het eerste lid niet is bevorderd tot het volgende leerjaar, vervallen de met dit centraal examen of deze centrale examens behaalde resultaten.
Artikel 3.37
Indien een examenkandidaat gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid tot het afleggen van eindexamen in een overeenkomstig vak op een hoger niveau dan het niveau van de schoolsoort of leerweg van inschrijving, stelt de rector of directeur de examenkandidaat in de gelegenheid alsnog in dat vak het eindexamen af te leggen van die schoolsoort of leerweg.
Artikel 3.38
1. De examenkandidaat kan voor één vak van het eindexamen waarin hij centraal examen heeft afgelegd, in het tweede of, indien artikel 3.29, eerste lid, van toepassing is, het derde tijdvak, opnieuw deelnemen aan het centraal examen of aan het cspe.
2. Bij het eindexamen vmbo basisberoepsgerichte leerweg en kaderberoepsgerichte leerweg kan de examenkandidaat ook opnieuw deelnemen aan het cspe dat door het bevoegd gezag aansluitend aan het eerste tijdvak of in het tweede tijdvak wordt afgenomen.
3. De herkansing van het cspe bestaat uit het opnieuw afleggen van deze toets of van een of meer onderdelen daarvan.
4. De examenkandidaat heeft het recht, bedoeld in het eerste en tweede lid, indien op grond van artikel 3.34, vijfde lid, of artikel 3.35, zevende lid, de eindcijfers zijn bekendgemaakt.
5. De examenkandidaat deelt de rector of directeur voor een door deze laatste te bepalen dag en tijdstip schriftelijk mee dat hij gebruik maakt van het recht van herkansing, bedoeld in het eerste of tweede lid.
6. Dit artikel is ook van toepassing als in plaats van een volledig eindexamen, eindexamen in een of meer vakken wordt afgelegd. De examenkandidaat die in een examenjaar zowel een volledig eindexamen als eindexamen in een of meer vakken aflegt, oefent het recht, bedoeld in het eerste en tweede lid, ten hoogste eenmaal uit.
Artikel 3.39
1. Het hoogste cijfer voor een vak, behaald bij het centraal examen of de herkansing, is het definitieve cijfer van het centraal examen in dat vak.
2. Na afloop van de herkansing in het laatste leerjaar stelt de rector of directeur de uitslag definitief vast met overeenkomstige toepassing van artikel 2.57, tweede lid, van de wet en de artikelen 3.34 en 3.35 en maakt deze schriftelijk aan de examenkandidaat bekend.
3. Na afloop van een herkansing in het voorlaatste of direct daaraan voorafgaande leerjaar maakt de rector of directeur het definitief cijfer schriftelijk aan de examenkandidaat bekend.
Paragraaf 5. Cijferlijsten, diploma’s en certificaten
Artikel 3.40
1.
Op de cijferlijst van het eindexamen worden vermeld:
a. a. de cijfers voor het schoolexamen en de cijfers voor het centraal examen; b. b. voor vwo en havo het vak of de vakken en het onderwerp of de titel van het profielwerkstuk; c. c. voor vmbo theoretische leerweg en gemengde leerweg het thema en de beoordeling van het profielwerkstuk; d. d. de beoordeling van het vak lichamelijke opvoeding in vwo en havo; e. e. de beoordeling van de vakken lichamelijke opvoeding en kunstvakken inclusief culturele en kunstzinnige vorming uit het gemeenschappelijk deel van een leerweg in mavo en vbo; f. f. de beoordeling van de maatschappelijke stage, indien deze onderdeel is van het eindexamen en is beoordeeld met «voldoende» of «goed»; g. g. de eindcijfers voor de examenvakken, met inbegrip van het eindcijfer, bedoeld in artikel 3.34, tweede lid, of artikel 3.35, derde lid; en h. h. de uitslag van het eindexamen, bedoeld in artikel 2.57, tweede lid, van de wet.
2. Indien een examenkandidaat in meer vakken examen heeft afgelegd dan in de vakken die ten minste samen een eindexamen vormen, worden de vakken die niet bij de bepaling van de uitslag zijn betrokken, op de cijferlijst vermeld, tenzij de examenkandidaat daartegen bedenkingen heeft geuit.
3. De rector of directeur en de examensecretaris ondertekenen de cijferlijst.
4. Indien de examenkandidaat in een bepaald jaar is geslaagd voor het eindexamen, draagt de rector of directeur er op verzoek van de examenkandidaat zorg voor dat de behaalde cijfers voor de vakken waarin in datzelfde jaar eindexamen in een of meer vakken of deelstaatsexamen is afgelegd, worden vermeld op de cijferlijst.
Artikel 3.41
Op de cijferlijst van een examenkandidaat als bedoeld in artikel 3.52 die eindexamen vmbo aan een school heeft afgelegd in een of meer vakken worden vermeld:
a. a. de leerweg; b. b. de cijfers voor het schoolexamen en het centraal examen; c. c. het thema en de beoordeling van het profielwerkstuk; en d. d. de eindcijfers voor de examenvakken, met inbegrip van het eindcijfer, bedoeld in artikel 3.35, derde en vierde lid.
Artikel 3.42
Bij het eindexamen vwo en het eindexamen havo geldt voor de vermelding op de cijferlijst van vakken waarvoor de examenkandidaat bij het eindexamen vrijstelling is verleend het volgende:
a. a. het vak maatschappijleer waarvoor de examenkandidaat bij het eindexamen vwo is vrijgesteld op grond van het bezit van een diploma havo, wordt niet vermeld op de cijferlijst; b. b. vakken waarvoor de examenkandidaat bij het eindexamen vwo is vrijgesteld op grond van een eerder afgelegd eindexamen havo of eindexamen vmbo waarvan deze vwo-vakken deel uitmaakten, worden vermeld op de cijferlijst, met vermelding van het eerder behaalde cijfer; c. c. vakken waarvoor de examenkandidaat bij het eindexamen havo is vrijgesteld op grond van een eerder afgelegd eindexamen vmbo waarvan deze havo-vakken deel uitmaakten, worden vermeld op de cijferlijst, met vermelding van het eerder behaalde cijfer; en d. d. andere vakken waarvoor de examenkandidaat vrijstelling is verleend, worden vermeld op de cijferlijst, zonder vermelding van een cijfer.
Artikel 3.43
Bij het eindexamen vmbo geldt voor de vermelding op de cijferlijst van vakken waarvoor de examenkandidaat bij het eindexamen vrijstelling is verleend het volgende:
a. a. vakken waarvoor de examenkandidaat bij het eindexamen vmbo theoretische leerweg is vrijgesteld op grond van een eerder afgelegd eindexamen vmbo kaderberoepsgerichte leerweg of de basisberoepsgerichte leerweg waarvan deze vakken van de theoretische leerweg deel uitmaakten, worden vermeld op de cijferlijst, met vermelding van het eerder behaalde cijfer; b. b. de extra vakken die op grond van artikel 3.4, vierde lid, bij het eindexamen vmbo theoretische leerweg zijn gekozen worden vermeld op de cijferlijst, met vermelding van het daarvoor behaalde cijfer; c. c. andere vakken waarvoor de examenkandidaat vrijstelling is verleend, worden vermeld op de cijferlijst, zonder vermelding van een cijfer.
Artikel 3.44
De rector of directeur van een scholengemeenschap of school voor vwo die gymnasium verzorgt, kan in plaats van een diploma gymnasium een diploma atheneum uitreiken aan een examenkandidaat indien:
a. a. de scholengemeenschap of school voor vwo atheneum onderwijs verzorgt; b. b. de scholengemeenschap of school voor vwo overeenkomstig artikel 2.93 van de wet kenbaar heeft gemaakt dat het behalen van een diploma atheneum en het volgen van atheneumonderwijs mogelijk is; en c. c. de examenkandidaat staat ingeschreven voor atheneum onderwijs.
Artikel 3.45
De rector of directeur van een scholengemeenschap die in elk geval een school voor mavo omvat, reikt op verzoek van de examenkandidaat die met goed gevolg het examen vmbo gemengde leerweg aan die school heeft afgelegd en bovendien examen heeft afgelegd in een extra algemeen vak en met het meetellen van dat vak voldoet aan artikel 3.35 voor zover het gaat om de uitslag van het eindexamen vmbo theoretische leerweg, het diploma vmbo theoretische leerweg uit.
Artikel 3.46
1. Het diploma voor het eindexamen vermeldt het profiel of de profielen die bij de uitslag van het eindexamen zijn betrokken.
2. Het diploma vmbo vermeldt in elk geval de leerweg die bij de uitslag is betrokken.
3. De rector of directeur en de examensecretaris ondertekenen het diploma.
Artikel 3.47
1.
Een examenkandidaat is geslaagd voor het eindexamen vwo met toekenning van het judicium cum laude indien de eindexamenuitslag voldoet aan de volgende voorschriften:
a. a. ten minste het gemiddelde eindcijfer 8,0, berekend op basis van de eindcijfers voor:
1°.
de vakken in het gemeenschappelijke deel van het profiel, het eindcijfer, bedoeld in artikel 3.34, tweede lid, en de vakken van het profieldeel; en
2°.
het vak uit het vrije deel waarvoor het hoogste eindcijfer is vastgesteld, en
1°. 1°. de vakken in het gemeenschappelijke deel van het profiel, het eindcijfer, bedoeld in artikel 3.34, tweede lid, en de vakken van het profieldeel; en 2°. 2°. het vak uit het vrije deel waarvoor het hoogste eindcijfer is vastgesteld, en b. b. ten minste het eindcijfer 7 of ten minste de kwalificatie «voldoende» voor alle vakken die meetellen bij de uitslagbepaling op grond van artikel 3.34.
2.
Een examenkandidaat is geslaagd voor het eindexamen havo met toekenning van het judicium cum laude indien de eindexamenuitslag voldoet aan de volgende voorschriften:
a. a. ten minste het gemiddelde eindcijfer 8,0, berekend op basis van de eindcijfers voor:
1°.
de vakken in het gemeenschappelijke deel van het profiel, het eindcijfer, bedoeld in artikel 3.34, tweede lid, en de vakken van het profieldeel; en
2°.
het vak uit het vrije deel waarvoor het hoogste eindcijfer is vastgesteld, en
1°. 1°. de vakken in het gemeenschappelijke deel van het profiel, het eindcijfer, bedoeld in artikel 3.34, tweede lid, en de vakken van het profieldeel; en 2°. 2°. het vak uit het vrije deel waarvoor het hoogste eindcijfer is vastgesteld, en b. b. ten minste het eindcijfer 6 of ten minste de kwalificatie «voldoende» voor alle vakken die meetellen bij de uitslagbepaling op grond van artikel 3.34.
Artikel 3.48
1.
Een examenkandidaat is geslaagd voor het eindexamen vmbo theoretische leerweg met toekenning van het judicium cum laude indien de eindexamenuitslag voldoet aan de volgende voorschriften:
a. a. ten minste het gemiddelde eindcijfer 8,0, berekend op basis van de eindcijfers voor:
1°.
de vakken Nederlandse taal, Engelse taal en maatschappijleer, en de algemene vakken van het profieldeel; en
2°.
het vak uit het vrije deel waarvoor het hoogste eindcijfer is vastgesteld, en
1°. 1°. de vakken Nederlandse taal, Engelse taal en maatschappijleer, en de algemene vakken van het profieldeel; en 2°. 2°. het vak uit het vrije deel waarvoor het hoogste eindcijfer is vastgesteld, en b. b. ten minste het eindcijfer 6 of ten minste de kwalificatie «voldoende» voor het profielwerkstuk en alle vakken die meetellen bij de uitslagbepaling op grond van artikel 3.35.
2.
Een examenkandidaat is geslaagd voor het eindexamen vmbo basisberoepsgerichte leerweg of kaderberoepsgerichte leerweg met toekenning van het judicium cum laude indien de eindexamenuitslag voldoet aan de volgende voorschriften:
a. a. ten minste het gemiddelde eindcijfer 8,0, berekend op basis van:
1°.
de eindcijfers voor het profielvak en de twee algemene vakken van het profieldeel; en
2°.
het eindcijfer, bedoeld in artikel 3.35, derde lid, en
1°. 1°. de eindcijfers voor het profielvak en de twee algemene vakken van het profieldeel; en 2°. 2°. het eindcijfer, bedoeld in artikel 3.35, derde lid, en b. b. ten minste het eindcijfer 6 of ten minste de kwalificatie «voldoende» voor alle vakken die meetellen bij de uitslagbepaling op grond van artikel 3.35.
3.
Een examenkandidaat is geslaagd voor het eindexamen vmbo gemengde leerweg met toekenning van het judicium cum laude indien de eindexamenuitslag voldoet aan de volgende voorschriften:
a. a. ten minste het gemiddelde eindcijfer 8,0, berekend op basis van de eindcijfers voor:
1°.
de vakken Nederlandse taal, Engelse taal en maatschappijleer, en de algemene vakken van het profieldeel; en
2°.
het algemene vak uit het vrije deel of het eindcijfer, bedoeld in artikel 3.35, derde lid; en
1°. 1°. de vakken Nederlandse taal, Engelse taal en maatschappijleer, en de algemene vakken van het profieldeel; en 2°. 2°. het algemene vak uit het vrije deel of het eindcijfer, bedoeld in artikel 3.35, derde lid; en b. b. ten minste het eindcijfer 6 of ten minste de kwalificatie «voldoende» voor het profielwerkstuk en alle vakken die meetellen bij de uitslagbepaling op grond van artikel 3.35.
Artikel 3.49
1.
De rector of directeur verstrekt een voorlopige cijferlijst aan de examenkandidaat:
a. a. die:
1°.
in het voorlaatste of direct daaraan voorafgaande leerjaar een centraal examen of een afsluitend schoolexamen in een of meer vakken heeft afgelegd, voor zover de cijfers niet op grond van artikel 3.36, tweede lid, zijn vervallen; of
2°.
het gespreid centraal examen, bedoeld in artikel 3.56, aflegt; en
1°. 1°. in het voorlaatste of direct daaraan voorafgaande leerjaar een centraal examen of een afsluitend schoolexamen in een of meer vakken heeft afgelegd, voor zover de cijfers niet op grond van artikel 3.36, tweede lid, zijn vervallen; of 2°. 2°. het gespreid centraal examen, bedoeld in artikel 3.56, aflegt; en b. b. die vervolgens de school verlaat zonder het eindexamen te voltooien.
2.
Op de voorlopige cijferlijst worden vermeld:
a. a. het vak of de vakken waarin de examenkandidaat centraal examen of een afsluitend schoolexamen heeft afgelegd; b. b. het cijfer van het schoolexamen; c. c. het cijfer van het centraal examen; d. d. het eindcijfer voor het vak; e. e. de aantekening of gebruik is gemaakt van het recht van herkansing, bedoeld in artikel 3.38.
3. Bij ministeriële regeling wordt het model voor de voorlopige cijferlijst vastgesteld.
4. De examenkandidaat kan geen rechten meer ontlenen aan de voorlopige cijferlijst met ingang van het moment waarop aan de examenkandidaat een cijferlijst als bedoeld in artikel 2.58, eerste lid, van de wet is uitgereikt die in ieder geval de eindcijfers van de voorlopige cijferlijst omvat.
Artikel 3.50
Op het certificaat, bedoeld in artikel 2.58, eerste lid, onderdeel d, van de wet, voor de voor het eindexamen vmbo afgewezen examenkandidaat die de school verlaat, worden vermeld:
a. a. het vak of de vakken waarvoor de examenkandidaat een eindcijfer 6 of hoger heeft behaald; en b. b. het thema van het profielwerkstuk, indien beoordeeld met «goed» of «voldoende».
Artikel 3.51
1. Van een afgegeven diploma, certificaat, bewijs van ontheffing of cijferlijst wordt geen duplicaat verstrekt.
2. Onze Minister kan een schriftelijke verklaring verstrekken dat een document als bedoeld in het eerste lid is afgegeven. Deze verklaring heeft dezelfde waarde als dat document zelf.
3. Onze Minister kan een document ter vervanging van een diploma, certificaat of cijferlijst verstrekken indien op grond van artikel 4, vierde lid, artikel 7, eerste lid, of artikel 28b, tweede lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek of ten gevolge van het verkrijgen van het Nederlanderschap op grond van artikel 7, eerste lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap, de voornaam respectievelijk de geslachtsnaam van de examenkandidaat is gewijzigd.
Paragraaf 6. Specifieke voorzieningen eindexamen
Artikel 3.52
1. Het bevoegd gezag van een school voor vbo kan een leerling in de basisberoepsgerichte leerweg, de kaderberoepsgerichte leerweg of de gemengde leerweg die is ingeschreven aan een school voor voortgezet speciaal onderwijs of een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs in de gelegenheid stellen als extraneus het eindexamen af te leggen in een of meer profielvakken, praktijkgerichte vakken of beroepsgerichte keuzevakken van die leerwegen.
2. Het bevoegd gezag van een school voor mavo kan een leerling in de theoretische leerweg die is ingeschreven aan een school voor voortgezet speciaal onderwijs of een school voor speciaal en voortgezet onderwijs in de gelegenheid stellen als extraneus het eindexamen af te leggen in een praktijkgericht vak.
Artikel 3.53
1. Een extraneus is aan het bevoegd gezag een financiële bijdrage verschuldigd van € 720 voor het afleggen van een eindexamen.
2. De financiële bijdrage voor het afleggen van een eindexamen is niet verschuldigd door de extraneus die is ingeschreven bij een andere uit ’s Rijks kas bekostigde school, afdeling of onderwijsinstelling en die aldaar geen eindexamen of geen eindexamen in alle vakken aflegt.
3. Bij ministeriële regeling kan het bedrag, bedoeld in het eerste lid, worden gewijzigd voor zover de consumentenprijsindex daartoe aanleiding geeft.
4. In afwijking van het eerste lid bedraagt de financiële bijdrage, bedoeld in het eerste lid, in 2022 € 685.
Artikel 3.54
1. De rector of directeur kan toestaan dat een examenkandidaat op grond van zijn handicap of ziekte het eindexamen geheel of gedeeltelijk aflegt op een wijze die is aangepast aan de mogelijkheden van die examenkandidaat.
2. De rector of directeur bepaalt de wijze waarop het eindexamen door de examenkandidaat vanwege zijn handicap of ziekte wordt afgelegd, met dien verstande dat aan de overige bepalingen van dit besluit wordt voldaan.
3.
Tenzij sprake is van een objectief waarneembare lichamelijke handicap of ziekte, geldt voor de aangepaste wijze van examineren, bedoeld in het eerste lid, dat:
a. a. er een deskundigenverklaring is die door een ter zake kundige psycholoog, orthopedagoog, neuroloog of psychiater is opgesteld; b. b. de aanpassing voor zover betrekking hebbend op het centraal examen in elk geval kan bestaan uit een verlenging van de duur van de toets van het centraal examen met ten hoogste 30 minuten; en c. c. een andere aanpassing kan worden toegestaan voor zover daartoe in de onderdeel a genoemde deskundigenverklaring over betrokkene een voorstel wordt gedaan of indien de aanpassing aantoonbaar aansluit bij de begeleidingsadviezen, vermeld in die deskundigenverklaring.
4. De rector of directeur doet van de wijze waarop het examen ingevolge dit artikel wordt afgelegd zo spoedig mogelijk mededeling aan de inspectie.
Artikel 3.55
1. Het bevoegd gezag kan toestaan dat voor een examenkandidaat op grond van onvoldoende beheersing van de Nederlandse taal wordt afgeweken van dit besluit, indien deze examenkandidaat met inbegrip van het schooljaar waarin hij eindexamen aflegt, ten hoogste zes jaar onderwijs in Nederland heeft gevolgd en het Nederlands niet de moedertaal is.
2.
De afwijking, bedoeld in het eerste lid, kan betrekking hebben op:
a. a. het vak Nederlandse taal en literatuur; b. b. het vak Nederlandse taal; of c. c. enig ander vak waarbij het gebruik van de Nederlandse taal van overwegende betekenis is.
3. De afwijking bestaat voor zover betrekking hebbend op het centraal examen uit een verlenging van de duur van het centraal examen met ten hoogste 30 minuten en het verlenen van toestemming tot het gebruik van een verklarend woordenboek van de Nederlandse taal.
4. De rector of directeur doet van elke afwijking ingevolge dit artikel mededeling aan de inspectie.
Artikel 3.56
1. Het bevoegd gezag kan, de inspectie gehoord, toestaan dat een examenkandidaat die in het laatste leerjaar langdurig ziek is of die lange tijd ten gevolge van een bijzondere, van zijn wil onafhankelijke, omstandigheid niet in staat is geweest het onderwijs in alle eindexamenvakken gedurende het laatste leerjaar te volgen, het centraal examen en in voorkomend geval het schoolexamen, voor een deel van de vakken in het ene schooljaar en voor het andere deel in het daarop volgende schooljaar aflegt. In dat geval wordt het eindexamen in een vak in het eerste of in het tweede van deze schooljaren afgesloten.
2. Het bevoegd gezag geeft de toestemming, bedoeld in het eerste lid, uiterlijk voor de aanvang van het eerste tijdvak van het centraal examen. In bijzondere gevallen kan het bevoegd gezag afwijken van de eerste volzin voor een examenkandidaat die nog niet in alle betrokken eindexamenvakken centraal examen heeft afgelegd.
3. De examenkandidaat heeft het recht van herkansing, bedoeld in artikel 3.38, in het eerste en in het tweede schooljaar van het gespreid centraal examen, met dien verstande dat het recht van herkansing in het eerste schooljaar ontstaat nadat de eindcijfers van de vakken waarvoor in het eerste schooljaar het centraal examen is afgesloten, voor de eerste maal zijn vastgesteld.
4. De rector of directeur en de examensecretaris stellen op verzoek van de examenkandidaat de uitslag van het eindexamen vast aan het einde van het eerste schooljaar van het gespreid centraal examen of het gespreid schoolexamen, met overeenkomstige toepassing van artikel 3.34 of artikel 3.35.
Artikel 3.57
In het examenreglement, bedoeld in artikel 2.60 van de wet, kan worden opgenomen dat tot herkansingsmogelijkheden van het schoolexamen, bedoeld in artikel 2.60, eerste lid, onderdeel c, van de wet kunnen behoren gevallen dat de examenkandidaat door ziekte of ten gevolge van een bijzondere van zijn wil onafhankelijke omstandigheid, niet in staat is geweest aan de toets deel te nemen.
Paragraaf 7. Maatregelen in geval van onregelmatigheden
Artikel 3.58
1.
De maatregelen, bedoeld in artikel 2.61, eerste lid, van de wet, die de rector of directeur jegens een examenkandidaat kan nemen, zijn:
a. a. het toekennen van het cijfer 1 voor een toets van het schoolexamen of het centraal examen; b. b. het ontzeggen van de deelname of de verdere deelname aan een of meer toetsen van het schoolexamen of het centraal examen; c. c. het ongeldig verklaren van een of meer toetsen van het al afgelegde deel van het schoolexamen of het centraal examen; of d. d. het bepalen dat het diploma en de cijferlijst alleen kunnen worden uitgereikt na een hernieuwd examen in door de rector of directeur aan te wijzen onderdelen.
2. De maatregelen, bedoeld in het eerste lid, kunnen afhankelijk van de aard van de onregelmatigheid afzonderlijk of in combinatie met elkaar genomen worden.
3. Indien een hernieuwd examen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, betrekking heeft op een of meer onderdelen van het centraal examen legt de examenkandidaat dat examen af in een volgend tijdvak van het centraal examen.
4. De rector of directeur zendt de beslissing waarbij een maatregel als bedoeld in het eerste lid wordt genomen aan de examenkandidaat en zijn wettelijke vertegenwoordigers, en in afschrift aan de inspectie.
Artikel 3.59
1. De commissie van beroep voor de eindexamens stelt bij haar beslissing op een bezwaarschrift tegen een maatregel als bedoeld in artikel 3.58 zo nodig vast op welke wijze de examenkandidaat alsnog in de gelegenheid zal worden gesteld het eindexamen geheel of gedeeltelijk af te leggen, onverminderd artikel 3.58, derde lid.
2. De commissie zendt haar beslissing aan de examenkandidaat en zijn wettelijke vertegenwoordigers, en in afschrift aan de rector of directeur en aan de inspectie.
3. De samenstelling en het adres van de commissie van beroep voor de eindexamens worden vermeld in het examenreglement, bedoeld in artikel 2.60, eerste lid, van de wet.
Paragraaf 8. Het eindexamen bij opleidingen vavo aan een instelling voor educatie en beroepsonderwijs
Artikel 3.60
1.
De bij of krachtens dit hoofdstuk gestelde bepalingen, met uitzondering van de artikelen 3.10 en 3.53, zijn ook van toepassing op het eindexamen bij een opleiding vavo aan een instelling voor educatie en beroepsonderwijs, tenzij in deze paragraaf hiervan wordt afgeweken, met dien verstande dat:
a. a. voor «bevoegd gezag» telkens wordt gelezen «bevoegd gezag, bedoeld in artikel 1.1.1 WEB of artikel 1.1.1 WEB BES»; b. b. voor «leerling» telkens wordt gelezen «vavo-student»; c. c. voor «school» telkens wordt gelezen «instelling voor educatie en beroepsonderwijs», met dien verstande dat in de artikelen 3.22 en 3.62 onder «school» wordt verstaan «school voor voortgezet onderwijs»; d. d. voor «rector of directeur» of voor «rector of directeur en examensecretaris» telkens wordt gelezen «de examencommissie vavo».
2.
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
- bevoegd gezag: het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 1.1.1. WEB of artikel 1.1.1 WEB BES;
- examencommissie vavo: examencommissie voor een opleiding vavo, bedoeld in artikel 7.4.11, tweede lid, juncto artikel 7.4.5 WEB of artikel 7.4.13, tweede lid, juncto artikel 7.4.7 WEB BES;
- instelling voor educatie en beroepsonderwijs: een instelling voor educatie en beroepsonderwijs, voor zover het gaat om door die instelling verzorgde opleidingen vavo.
Artikel 3.61
Het bevoegd gezag stelt de vavo-student in de gelegenheid af te leggen:
a. a. het volledig eindexamen vwo, havo of vmbo theoretische leerweg; of b. b. het eindexamen vwo, havo of vmbo theoretische leerweg in een of meer vakken.
Artikel 3.62
1.
Het volledig eindexamen vwo (atheneum), havo en vmbo theoretische leerweg aan een instelling voor educatie en beroepsonderwijs omvat de vakken van het eindexamen vwo (atheneum), havo, respectievelijk vmbo theoretische leerweg aan een school, met uitzondering van de volgende vakken van het gemeenschappelijk deel:
a. a. lichamelijke opvoeding; b. b. voor vwo (atheneum) en havo: culturele en kunstzinnige vorming; en c. c. voor vmbo theoretische leerweg: de vakken behorende tot de beeldende vorming, muziek, dans of drama.
2. Het volledig eindexamen vwo (gymnasium) aan een instelling voor educatie en beroepsonderwijs omvat de vakken van het eindexamen vwo (gymnasium) aan een school, met uitzondering van het vak lichamelijke opvoeding van het gemeenschappelijk deel.
3. Het volledig eindexamen vwo (atheneum), havo en vmbo theoretische leerweg aan een instelling voor educatie en beroepsonderwijs omvat ook het profielwerkstuk.
Artikel 3.63
1. Indien de examenkandidaat aan een instelling voor educatie en beroepsonderwijs eindexamen aflegt in een vak of in een aantal vakken die samen geen eindexamen vormen, kan de examenkandidaat daaraan voorafgaand aan de examencommissie vavo kenbaar maken, het volledig eindexamen te willen afsluiten.
2.
De examenkandidaat kan het volledige eindexamen afsluiten door voor de ontbrekende vakken in aanvulling op de cijferlijst voor die vakken aan de examencommissie vavo een of meer van de volgende bewijsstukken over te leggen:
a. a. een door een school uitgereikte cijferlijst als bedoeld in 2.58, eerste lid van de wet of artikel 3.39, uitgereikt in een eerder schooljaar; b. b. een door een andere instelling voor educatie en beroepsonderwijs uitgereikte cijferlijst als bedoeld in artikel 2.58, eerste lid, van de wet of artikel 3.72; c. c. een resultatenlijst als bedoeld in artikel 7.4.6, derde lid, WEB of 7.4.8, tweede lid, WEB BES; d. d. een cijferlijst van een staatsexamen of deelstaatsexamen als bedoeld in artikel 4.25 of artikel 4.26; of e. e. een bewijs van ontheffing als bedoeld in artikel 3.67, derde lid, of artikel 4.9, derde lid.
3. Een cijferlijst wordt bij de vaststelling van de uitslag van het eindexamen betrokken, indien na het jaar waarin deze is vastgesteld, nog geen tien jaar zijn verstreken. Een bewijs van ontheffing wordt bij de vaststelling van de uitslag betrokken indien na het jaar waarin het onderliggende diploma, getuigschrift of ander bewijsstuk is vastgesteld, nog geen tien jaar zijn verstreken.
Artikel 3.64
1.
De examenkandidaat aan een instelling voor educatie en beroepsonderwijs is vrijgesteld van:
a. a. het eindexamen in een vak in vwo op grond van een examen vwo, indien voor het overeenkomstige vak een eindcijfer 6 of hoger of een daarmee overeenkomende waardering is behaald; b. b. het eindexamen in een vak in havo op grond van een examen vwo of havo, indien voor het overeenkomstige vak een eindcijfer 6 of hoger of een daarmee overeenkomende waardering is behaald; c. c. het eindexamen in een vak van de theoretische leerweg in het vmbo op grond van een examen vwo, havo, theoretische leerweg of gemengde leerweg vmbo, indien voor het overeenkomstige vak een eindcijfer 6 of hoger of een daarmee overeenkomende waardering is behaald; d. d. het eindexamen in een vak van vwo, havo of vmbo op grond van het overeenkomstige examen, afgelegd in Curaçao, Sint Maarten of Aruba, indien voor het overeenkomstige vak een eindcijfer 6 of hoger of een daarmee overeenkomende waardering is behaald; e. e. het profielwerkstuk vwo of havo, indien eerder een profielwerkstuk is gemaakt dat betrekking heeft op een of meer vakken van dezelfde schoolsoort, behorende tot het profiel van de examenkandidaat en waarvoor een eindcijfer 6 of hoger is behaald; of f. f. het profielwerkstuk vmbo, indien eerder een profielwerkstuk vmbo is gemaakt dat betrekking heeft op een thema uit het profiel van de examenkandidaat, en dat is beoordeeld als «voldoende» of «goed».
2. Het eerste lid is van toepassing indien na het jaar waarin het eindcijfer of de beoordeling is vastgesteld, nog geen tien jaar zijn verstreken. Het eerste lid, onderdeel f, is van overeenkomstige toepassing op een eerder gemaakt sectorwerkstuk dat is beoordeeld als «voldoende» of «goed».
3. De examenkandidaat, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdelen a tot en met d, is ook vrijgesteld van het eindexamen in dat vak indien het eindcijfer 5 of 4 is behaald, mits de examenkandidaat voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in de artikelen 3.34 of 3.35, om te slagen voor het eindexamen.
4. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de toepassing van het eerste lid.
Artikel 3.65
1. Onverminderd de toepasselijkheid van artikel 3.8 op het eindexamen bij een instelling voor educatie en beroepsonderwijs, is de examenkandidaat aan een instelling voor educatie en beroepsonderwijs die eerder op grond van de artikelen 3.8, 3.64 of het tweede en derde lid, bij het eindexamen is vrijgesteld in een vak, bij het eindexamen vrijgesteld van dat vak.
2. De examenkandidaat aan een instelling voor educatie en beroepsonderwijs, aan wie eerder op grond van artikel 3.66 of artikel 4.8 een bewijs van ontheffing is verleend voor het eindexamen of staatsexamen in een vak, is bij het eindexamen vrijgesteld van dat vak.
3. Op grond van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 9.3, eerste lid, van de wet, is de examenkandidaat aan een instelling voor educatie en beroepsonderwijs, die op grond van artikel 12 van de Beleidsregel verstrekking licentie Topsporttalentschool VO 2020 of artikel 13 van de Beleidsregel verstrekking DAMU-licentie VO 2020, ontheffing heeft verkregen voor een vak als genoemd in die artikelen, bij het eindexamen vrijgesteld van dat vak.
4. Een bewijs van ontheffing als bedoeld in het tweede lid wordt bij de vaststelling van de uitslag van het eindexamen betrokken, indien na het jaar waarin het onderliggende diploma, getuigschrift of ander bewijsstuk is vastgesteld, nog geen tien jaar zijn verstreken.
Artikel 3.66
1. Het college kan op aanvraag van de examenkandidaat aan een instelling voor educatie en beroepsonderwijs bij het eindexamen ontheffing verlenen voor een vak, indien de examenkandidaat op grond van eerder gevolgd onderwijs aantoonbaar in het bezit is van voldoende kennis en vaardigheden over dat vak.
2. De ontheffing, bedoeld in het eerste lid, kan worden verleend op basis van een diploma, getuigschrift, certificaat of ander bewijsstuk, al dan niet behaald in Nederland, dat door het college wordt aanvaard als bewijs van voldoende kennis en vaardigheden. Indien het college dit nodig oordeelt, onderzoekt het college of de examenkandidaat in het bezit is van voldoende kennis en vaardigheden.
3. Het tweede lid is van toepassing indien na het jaar waarin het diploma, getuigschrift, certificaat of ander bewijsstuk is vastgesteld, nog geen tien jaar zijn verstreken.
4. Tot het diploma, getuigschrift, certificaat en ander bewijsstuk, bedoeld in het tweede lid, behoren in elk geval die van het Internationaal Baccalaureaat, het Europees Baccalaureaat en die van het overeenkomstige onderwijs in een lidstaat van de Europese Unie.
Artikel 3.67
1.
De aanvrager voegt bij een aanvraag voor een ontheffing als bedoeld in artikel 3.66:
a. a. een gewaarmerkt afschrift van gegevens uit de basisregistratie personen; en b. b. een gewaarmerkte kopie van het diploma, getuigschrift, certificaat of andere bewijsstuk waarop de aanvraag om ontheffing berust.
2. Indien het college de gevraagde ontheffing verleent, verstrekt het college de aanvrager een bewijs van ontheffing, en zendt het college Onze Minister een afschrift daarvan.
3.
Het bewijs van ontheffing vermeldt:
a. a. de gronden van de ontheffing; en b. b. het tijdstip van het verrichten van de onderwijs- of examenprestatie waarop de ontheffing berust.
4. Indien van toepassing gaat het bewijs van ontheffing vergezeld van een verklaring over het onderzoek, bedoeld in artikel 3.66, tweede lid, naar de kennis en vaardigheden van de examenkandidaat, of naar de bewijsstukken, bedoeld in dat lid.
5. Bij ministeriële regeling wordt het model voor het bewijs van ontheffing vastgesteld.
Artikel 3.68
1.
Het bevoegd gezag kan de examenkandidaat die het eindexamen atheneum aflegt aan een instelling voor educatie en beroepsonderwijs bij het eindexamen ontheffing verlenen voor een tweede moderne vreemde taal, genoemd in artikel 2.5, eerste lid, onderdeel c, indien de leerling:
a. a. een stoornis heeft die specifiek betrekking heeft op taal of een zintuiglijke stoornis heeft die effect heeft op taal; b. b. een andere moedertaal heeft dan de Nederlandse taal; of c. c. onderwijs volgt in het profiel natuur en techniek of het profiel natuur en gezondheid en het onderwijs in de taal verhindert naar verwachting dat de opleiding met goed gevolg wordt afgerond.
2. In geval van een ontheffing als bedoeld in het eerste lid wordt het eindexamen in de taal vervangen door het eindexamen in een van de vakken, genoemd in artikel 2.6 of in artikel 2.7, onderdeel c, met een normatieve studielast van ten minste 440 uren, naar keuze van de examenkandidaat, voor zover het bevoegd gezag deze als zodanig aanbiedt.
Artikel 3.69
1.
Het bevoegd gezag kan de examenkandidaat die het eindexamen vmbo theoretische leerweg aflegt aan een instelling voor educatie of beroepsonderwijs bij het eindexamen ontheffing verlenen van de vakken Franse taal of Duitse taal van het profieldeel, of van beide, indien de leerling:
a. a. een stoornis heeft die specifiek betrekking heeft op taal of een zintuiglijke stoornis heeft die effect heeft op taal; b. b. een andere moedertaal heeft dan de Nederlandse taal; of c. c. onderwijs volgt in het profiel natuur en techniek of het profiel natuur en gezondheid en het onderwijs in de taal verhindert naar verwachting dat de opleiding met goed gevolg wordt afgerond.
2. In geval van een ontheffing op grond van het eerste lid, wordt het eindexamen in de taal vervangen door het eindexamen in een van de vakken, genoemd in artikel 2.33, tweede lid.
Artikel 3.70
1. Onverminderd artikel 3.33, eerste lid, betrekt de eindexamencommissie vavo bij de vaststelling van de uitslag van een volledig eindexamen bewijsstukken als bedoeld in artikel 3.63, tweede en derde lid.
2. Onverminderd artikel 3.33, tweede lid, toont de examenkandidaat aan een instelling voor educatie en beroepsonderwijs in voorkomend geval ten genoegen van de eindexamencommissie vavo aan dat hij recht heeft op een vrijstelling of ontheffing als bedoeld in deze paragraaf.
Artikel 3.71
Onverminderd de artikelen 3.42 en 3.43, wordt op de cijferlijst van de examenkandidaat aan een instelling voor educatie en beroepsonderwijs vermeld de vakken waarvoor de examenkandidaat is vrijgesteld op grond van artikel 3.64 of 4.5, met vermelding van het eerder behaalde cijfer.
Artikel 3.72
De examencommissie vavo reikt aan de examenkandidaat die eindexamen heeft afgelegd aan een instelling voor educatie en beroepsonderwijs in een of meer vakken, een cijferlijst uit waarop worden vermeld:
a. a. de cijfers voor het schoolexamen en het centraal examen; b. b. voor vwo en havo het vak of de vakken en het onderwerp of de titel van het profielwerkstuk; c. c. voor het vmbo het thema en de beoordeling van het profielwerkstuk; en d. d. de eindcijfers voor de examenvakken met inbegrip van het eindcijfer, bedoeld in artikel 3.34, tweede lid.
Artikel 3.73
De examencommissie vavo reikt aan de examenkandidaat die aan een instelling voor educatie en beroepsonderwijs eindexamen heeft afgelegd en aan wie op grond van de uitslag niet een diploma kan worden uitgereikt of die eindexamen heeft afgelegd in een of meer vakken, een certificaat uit, waarop voor zover van toepassing zijn vermeld:
a. a. het vak of de vakken waarvoor de examenkandidaat een eindcijfer 6 of hoger heeft behaald; b. b. voor vwo en havo het vak of de vakken en het onderwerp of de titel van het profielwerkstuk; en c. c. voor het vmbo het thema van het profielwerkstuk, indien beoordeeld met «goed» of «voldoende».
Paragraaf 9. Experimenten
Artikel 3.74
Onze Minister kan toestaan dat wordt afgeweken van dit hoofdstuk voor experimenten met een andere inrichting van het eindexamen dan in dit hoofdstuk geregeld.
Hoofdstuk 4. Staatsexamen
Paragraaf 1. Aanmelding en toelating tot het staatsexamen
Artikel 4.1
1. Het college stelt de aanmeldingsprocedure voor het staatsexamen en het deelstaatsexamen vast.
2.
De aanmelding heeft betrekking op:
a. a. het verkrijgen van toelating tot het afleggen van het staatsexamen of het deelstaatsexamen ten overstaan van het college; of b. b. het overleggen aan het college van de bewijsstukken, bedoeld in artikel 2.72, tweede lid, onderdeel b, van de wet, ter verkrijging van het staatsexamendiploma, al dan niet in combinatie met het afleggen van het staatsexamen in een of meer vakken ten overstaan van het college.
3. Onze Minister maakt de aanmeldingsprocedure tijdig bekend, voert die uit en bevestigt schriftelijk de aanmelding aan de examenkandidaat.
4. Uit de aanmelding voor het staatsexamen blijkt ook of sprake is van een of meer vrijstellingen of ontheffingen als bedoeld in de artikelen 4.5, 4.6, 4.7 of 4.8.
5. Indien de examenkandidaat minderjarig is, ondertekenen ook de wettelijke vertegenwoordigers de aanmelding.
Artikel 4.2
1.
Tot het staatsexamen vmbo basisberoepsgerichte leerweg, kaderberoepsgerichte leerweg of gemengde leerweg wordt toegelaten de examenkandidaat die:
a. a. ten tijde van de aanmelding voor het staatsexamen:
1°.
is ingeschreven als student aan een beroepsopleiding als bedoeld in de WEB of WEB BES; of
2°.
is ingeschreven aan een school voor voortgezet speciaal onderwijs of een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs en als extraneus het eindexamen vmbo in een in de aanhef genoemde leerweg heeft afgelegd;
1°. 1°. is ingeschreven als student aan een beroepsopleiding als bedoeld in de WEB of WEB BES; of 2°. 2°. is ingeschreven aan een school voor voortgezet speciaal onderwijs of een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs en als extraneus het eindexamen vmbo in een in de aanhef genoemde leerweg heeft afgelegd; b. b. eerder voor het eindexamen vmbo in een in de aanhef genoemde leerweg is afgewezen; en c. c. een cijferlijst overlegt waaruit blijkt dat voor elk van de vakken van het beroepsgerichte programma, bedoeld in de artikelen 3.5, eerste lid, onderdeel c, artikel 3.6, eerste lid, onderdeel c, of artikel 3.7, eerste lid, onderdeel d, dan wel het praktijkgerichte programma, als bedoeld in artikel 3.7, lid 1a, waarin eindexamen is afgelegd, het eindcijfer 6 of hoger is behaald.
2. Tot het deelstaatsexamen vmbo voor een of meer algemene vakken in de basisberoepsgerichte leerweg, kaderberoepsgerichte leerweg of gemengde leerweg wordt ook toegelaten de examenkandidaat die is ingeschreven aan een school voor voortgezet speciaal onderwijs of school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs.
Artikel 4.3
1. De financiële bijdrage, bedoeld in artikel 2.72, vierde lid, van de wet, voor toelating tot het afleggen van het staatsexamen bedraagt € 720.
2. De financiële bijdrage voor toelating tot het afleggen van een deelstaatsexamen voor een vak waarin zowel het college-examen als het centraal examen wordt afgelegd bedraagt € 144.
3. De financiële bijdrage voor toelating tot het afleggen van deelstaatsexamen voor een vak waarin alleen het centraal examen of alleen het college-examen wordt afgelegd, bedraagt € 71.
4. De bedragen, genoemd in het eerste, tweede en derde lid, kunnen bij ministeriële regeling worden gewijzigd voor zover de consumentenprijsindex daartoe aanleiding geeft.
5. Bij ministeriële regeling wordt de financiële bijdrage vastgesteld die per kalenderjaar ten hoogste is verschuldigd voor toelating tot het afleggen van deelstaatsexamens.
6. De verschuldigde financiële bijdrage wordt voldaan op de wijze en voor de datum, bepaald door het college.
Paragraaf 2. Inhoud van het staatsexamen
Artikel 4.4
1.
Het staatsexamen vwo (atheneum), havo en vmbo theoretische leerweg omvat de vakken van het eindexamen vwo (atheneum), havo, respectievelijk vmbo theoretische leerweg, aan een school, met uitzondering van de volgende vakken van het gemeenschappelijk deel:
a. a. lichamelijke opvoeding; b. b. voor vwo (atheneum) en havo: culturele en kunstzinnige vorming; en c. c. voor vmbo theoretische leerweg: de vakken behorende tot de beeldende vorming, muziek, dans of drama.
2. Het staatsexamen vmbo theoretische leerweg omvat niet een praktijkgericht vak als bedoeld in artikel 2.17a.
3. Het staatsexamen vwo (gymnasium) omvat de vakken van het eindexamen vwo (gymnasium) aan een school, met uitzondering van het vak lichamelijke opvoeding van het gemeenschappelijk deel.
4. Het staatsexamen vmbo basisberoepsgerichte leerweg, kaderberoepsgerichte leerweg en gemengde leerweg omvat de vakken van het eindexamen vmbo in deze leerwegen, met dien verstande dat in deze leerwegen alleen de algemene vakken van het eindexamen via het staatsexamen kunnen worden afgesloten, met uitzondering van een praktijkgericht vak, als bedoeld in artikel 2.25a.
5. Het college kan, al dan niet voor een bepaalde groep examenkandidaten, besluiten dat geen gelegenheid wordt gegeven tot het afleggen van staatsexamen in een vak dat alleen behoort tot het vrije deel van een profiel, het vak kunst (drama) of het vak kunst (dans).
6.
Het profielwerkstuk vwo en havo heeft betrekking op een of meer vakken van het staatsexamen. Ten minste een van deze vakken heeft minimaal de volgende omvang:
a. a. voor havo: 320 uur; b. b. voor vwo: 400 uur.
7. Het profielwerkstuk vmbo theoretische leerweg heeft betrekking op een thema uit een profiel waarin de leerling onderwijs volgt.
Artikel 4.5
1.
De examenkandidaat die staatsexamen aflegt is vrijgesteld van:
a. a. het staatsexamen in een vak in vwo op grond van een examen vwo, indien voor het overeenkomstige vak een eindcijfer 6 of hoger is behaald; b. b. het staatsexamen in een vak in havo op grond van een examen vwo of havo, indien voor het overeenkomstige vak een eindcijfer 6 of hoger is behaald; c. c. het staatsexamen in een vak in de theoretische of gemengde leerweg van het vmbo op grond van een examen vwo, havo, vmbo theoretische leerweg of vmbo gemengde leerweg, indien voor het overeenkomstige vak een eindcijfer 6 of hoger is behaald; d. d. het staatsexamen in een vak in de basisberoepsgerichte of kaderberoepsgerichte leerweg van het vmbo op grond van een examen vwo, havo of vmbo, indien voor het overeenkomstige vak een eindcijfer 6 of hoger is behaald; e. e. het staatsexamen in een vak van vwo, havo of vmbo op grond van het overeenkomstige examen, afgelegd in Curaçao, Sint Maarten, Aruba, indien voor het overeenkomstige vak een eindcijfer 6 of hoger is behaald; f. f. het profielwerkstuk vwo of havo, indien eerder een profielwerkstuk is gemaakt dat betrekking heeft op een of meer vakken van dezelfde schoolsoort, behorende tot het profiel van de examenkandidaat en waarvoor een eindcijfer 6 of hoger is behaald; of g. g. het profielwerkstuk vmbo, indien eerder een profielwerkstuk vmbo is gemaakt dat betrekking heeft op een thema uit dat profiel, en dat is beoordeeld als «voldoende» of «goed».
2. In aanvulling op het eerste lid, onderdelen a tot en met d, is de examenkandidaat vrijgesteld van het onderdeel literatuur van elke moderne taal, indien de examenkandidaat bij het eerder afgelegde examen, voor literatuur een cijfer 6 of hoger heeft behaald.
3. Het eerste en tweede lid zijn van toepassing indien na het jaar waarin het eindcijfer of de beoordeling is vastgesteld, nog geen tien jaar zijn verstreken.
4. De examenkandidaat, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a tot en met f, en derde lid, is ook vrijgesteld van het vak indien het eindcijfer 5 of 4 is behaald, mits hij voldoet aan de voorwaarden van de artikelen 4.20 of 4.21 om te slagen voor het staatsexamen.
5. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over de toepassing van het eerste lid.
6. Artikel 3.40, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 4.6
1. De examenkandidaat die eerder op grond van de artikelen 3.8, 3.64 of 3.65 bij het eindexamen aan een school of een instelling voor educatie en beroepsonderwijs is vrijgesteld van een vak, is bij het staatsexamen vrijgesteld van dat vak.
2. De examenkandidaat aan wie eerder op grond van artikel 3.67 bij het eindexamen aan een instelling voor educatie en beroepsonderwijs of op grond van artikel 4.7 ontheffing is verleend voor het eindexamen in een vak, is bij het staatsexamen vrijgesteld in dat vak.
3. Een bewijs van ontheffing wordt bij de vaststelling van de uitslag van het staatsexamen betrokken, indien na het jaar waarin het onderliggende diploma, getuigschrift of ander bewijsstuk is vastgesteld, nog geen tien jaar zijn verstreken.
Artikel 4.7
1. De examenkandidaat met het diploma havo is bij het staatsexamen vwo vrijgesteld van het vak maatschappijleer van het gemeenschappelijk deel.
2. De examenkandidaat met het diploma havo of het diploma vmbo die in plaats van een vak voor die schoolsoort of als extra vak examen heeft afgelegd in een overeenkomstige vak voor vwo, genoemd in de artikelen 2.5 tot en met 2.7, is bij het staatsexamen vwo vrijgesteld van dat vak.
3. De examenkandidaat met het diploma vmbo die in plaats van een vak voor die schoolsoort of als extra vak examen heeft afgelegd in een overeenkomstige vak voor havo, genoemd in de artikelen 2.10 tot en met 2.12, is bij het staatsexamen havo vrijgesteld van dat vak.
4. De examenkandidaat die op grond van artikel 12 van de Beleidsregel verstrekking LOOT-licentie VO of artikel 13 van de Beleidsregel verstrekking DAMU-licentie VO ontheffing heeft verkregen voor een vak, genoemd in die artikelen, is bij het staatsexamen vrijgesteld van dat vak.
Artikel 4.8
1. Het college kan op aanvraag van de examenkandidaat voor het staatsexamen ontheffing verlenen voor een vak, indien de examenkandidaat op grond van eerder gevolgd onderwijs aantoonbaar in het bezit is van voldoende kennis en vaardigheden over dat vak.
2. De ontheffing, bedoeld in het eerste lid, kan worden verleend op basis van een diploma, getuigschrift, certificaat of ander bewijsstuk, al dan niet behaald in Nederland, dat door het college wordt aanvaard als bewijs van voldoende kennis en vaardigheden. Indien het college dit nodig oordeelt, onderzoekt het college of de examenkandidaat in het bezit is van voldoende kennis en vaardigheden.
3. Het tweede lid is van toepassing indien na het jaar waarin het diploma, getuigschrift, certificaat of ander bewijsstuk is vastgesteld, nog geen tien jaar zijn verstreken.
4. Tot het diploma, getuigschrift, certificaat en ander bewijsstuk, bedoeld in het tweede lid, behoren in elk geval die van het Internationaal Baccalaureaat, het Europees Baccalaureaat en die van het overeenkomstige onderwijs in een lidstaat van de Europese Unie.
Artikel 4.9
1.
De aanvrager voegt bij de aanvraag voor een ontheffing als bedoeld in artikel 4.8:
a. a. een gewaarmerkt afschrift van gegevens uit de basisregistratie personen; en b. b. een gewaarmerkte fotokopie van het diploma, getuigschrift, certificaat of andere bewijsstuk waarop de aanvraag om ontheffing berust.
2. Indien het college de gevraagde ontheffing verleent, verstrekt het college de aanvrager een bewijs van ontheffing, en zendt het college Onze Minister een afschrift daarvan.
3.
Het bewijs van ontheffing vermeldt:
a. a. de gronden van de ontheffing; b. b. het tijdstip van het verrichten van de onderwijs- of examenprestatie waarop de ontheffing berust.
4. Indien van toepassing gaat het bewijs van ontheffing vergezeld van een verklaring over het onderzoek, bedoeld in artikel 4.8, tweede lid, naar de kennis en vaardigheden van de examenkandidaat, of naar de bewijsstukken, bedoeld in dat lid.
5. Bij ministeriële regeling wordt het model voor het bewijs van ontheffing vastgesteld.
Paragraaf 3. College-examen
Artikel 4.10
Het college-examen bestaat uit een examendossier. Het examendossier is het geheel van de onderdelen van het college-examen zoals gedocumenteerd in een door het college gekozen vorm.
Artikel 4.11
1. Het cijfer van het college-examen wordt uitgedrukt in een cijfer uit een schaal van cijfers lopende van 1 tot en met 10 gebruikt met de daartussen liggende cijfers met 1 decimaal.
2. Indien in een vak geen centraal examen wordt afgelegd, wordt het cijfer van het college-examen uitgedrukt in een cijfer van 1 tot en met 10, zonder decimaal.
3. In afwijking van het eerste lid wordt het profielwerkstuk in het vmbo beoordeeld met «goed», «voldoende» of «onvoldoende».
Artikel 4.12
Indien bij het college, al dan niet naar aanleiding van mededelingen van de examenkandidaat, twijfel is gerezen over de juistheid van de beoordeling van het college-examen in enig vak of onderdeel van een vak, kan het college die beoordeling ongeldig verklaren en een nieuw examen in dat vak of onderdeel opleggen.
Paragraaf 4. Centraal examen van het staatsexamen
Artikel 4.13
1. Onze Minister draagt er zorg voor dat de opgaven, bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel c, van de Wet College voor toetsen en examens, tijdig beschikbaar worden gesteld aan het college.
2. Het college draagt er zorg voor dat de opgaven en correctieregels voor het centraal examen geheim blijven tot de aanvang van de toets.
Artikel 4.14
1. Tijdens een schriftelijke toets van het centraal examen worden aan de examenkandidaat geen mededelingen van welke aard ook over de opgaven gedaan, uitgezonderd mededeling van door het college vastgestelde errata.
2. Het college draagt zorg voor het nodige toezicht bij het centraal examen.
3. Zij die toezicht hebben gehouden, maken daarvan een proces-verbaal op. Zij leveren dit samen met het gemaakte examenwerk in bij het college.
4. Een examenkandidaat wordt tot uiterlijk een half uur na de aanvang tot de toets toegelaten.
5. De aan de examenkandidaat voorgelegde opgaven blijven in het examenlokaal tot het einde van die toets.
6. De examenkandidaat levert de opgaven, de door hem gemaakte aantekeningen en ook andere door hem gemaakte stukken in bij een van degenen die toezicht houden. Het college bepaalt in welke gevallen kan worden afgeweken van de eerste volzin, en ook in welke gevallen en op welk tijdstip de opgaven, de aantekeningen en de andere stukken, bedoeld in die volzin, aan de examenkandidaat worden teruggegeven.
Artikel 4.15
1. Het college draagt er zorg voor dat elk afzonderlijk gemaakte werk voor het centraal examen achtereenvolgens door twee door het college aan te wijzen correctoren wordt beoordeeld.
2. De correctoren kijken het werk onafhankelijk van elkaar na.
3. De corrector past bij zijn beoordeling de beoordelingsnormen, bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel d, van de Wet College voor toetsen en examens toe.
4. De corrector drukt zijn beoordeling uit in de score, bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel d, van de Wet College voor toetsen en examens.
5. De corrector zendt de score en het beoordeelde werk aan het college.
6. Indien dit het college noodzakelijk voorkomt, wordt het oordeel van een derde corrector ingeroepen. Het tweede, derde en vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing op de derde corrector.
Artikel 4.16
1. Het college stelt op grond van scores van de correctoren de score voor het centraal examen vast.
2. Het college stelt het cijfer voor het centraal examen vast op grond van de score voor het centraal examen en met inachtneming van de regels, bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel e, van de Wet College voor toetsen en examens voor toetsen en examen.
3. Bij de vaststelling van het cijfer gebruikt het college een van de cijfers uit de schaal lopend van 1 tot en met 10, met de tussenliggende cijfers met 1 decimaal.
Artikel 4.17
1. Indien een examenkandidaat om een geldige reden, ter beoordeling van het college, is verhinderd bij het centraal examen in een of meer vakken in het eerste tijdvak aanwezig te zijn, krijgt hij in het tweede tijdvak de gelegenheid het centraal examen voor ten hoogste twee vakken alsnog te voltooien.
2. Indien een examenkandidaat ook in het tweede tijdvak om een geldige reden, ter beoordeling van het college, verhinderd is, of wanneer hij het centraal examen in het tweede tijdvak niet kan voltooien, wordt hij in de gelegenheid gesteld in het derde tijdvak het centraal examen te voltooien.
3. Indien een examenkandidaat ook in het derde tijdvak om een geldige reden, ter beoordeling van het college, verhinderd is, of wanneer hij het centraal examen in het derde tijdvak niet kan voltooien, wordt hij in de gelegenheid gesteld op een door het college vast te stellen tijdstip het staatsexamen te voltooien.
4.
Voor de aanvang van het derde tijdvak zendt Onze Minister aan de inspectie een opgave van:
a. a. de kandidaten; b. b. de in het eerste of tweede tijdvak door hen behaalde cijfers; c. c. voor zover van toepassing de alsnog behaalde cijfers; en d. d. een overzicht van het vak of de vakken waarin elke kandidaat zal worden geëxamineerd.
Paragraaf 5. Uitslag en herkansing staatsexamen
Artikel 4.18
1. Het eindcijfer voor alle vakken van het staatsexamen en het deelstaatsexamen wordt uitgedrukt in een geheel cijfer uit de reeks van 1 tot en met 10.
2. Het college bepaalt het eindcijfer voor een vak op het rekenkundig gemiddelde van het cijfer voor het college-examen en het cijfer voor het centraal examen. Indien de uitkomst van deze berekening niet een geheel getal is, wordt dat getal indien het eerste cijfer achter de komma een 4 of lager is, naar beneden afgerond en indien dat cijfer een 5 of hoger is, naar boven afgerond.
3. Indien in een vak alleen een college-examen wordt afgenomen, is het cijfer voor het college-examen ook het eindcijfer.
4. Indien voor een vak alleen een centraal examen wordt afgenomen, vormt het cijfer voor het centraal examen, afgerond overeenkomstig het tweede lid, het eindcijfer.
Artikel 4.19
1. Het college stelt voor de vaststelling van de uitslag van het staatsexamen vast of de examenkandidaat het staatsexamen heeft afgelegd in de voor het staatsexamen voorgeschreven vakken.
2. Het college kan een examenkandidaat die deelstaatsexamen aflegt toestaan het volledige staatsexamen af te leggen, als deze examenkandidaat het college daar voorafgaand aan zijn examens om verzoekt. Het examen wordt in datgeval afgerond door voor de ontbrekende vakken, in aanvulling op de cijferlijst voor het deelstaatsexamen, aan het college bewijsstukken te over te leggen als bedoeld in het vierde lid.
3.
De uitslag van het staatsexamen wordt vastgesteld:
a. a. op grond van de eindcijfers die zijn behaald voor een volledig staatsexamen dat in dat jaar is afgelegd; of b. b. op grond van bewijsstukken als bedoeld in vierde lid.
4.
De bewijsstukken, bedoeld in artikel 2.72 van de wet, ter verkrijging van een diploma van het staatsexamen zijn:
a. a. eindcijfers van deelstaatsexamens die in dat jaar zijn afgelegd; b. b. cijferlijsten als bedoeld in artikel 2.80, eerste lid, van de wet en de artikelen 4.25 en 4.26; c. c. cijferlijsten van een school; d. d. resultatenlijsten of cijferlijsten van instellingen voor educatie en beroepsonderwijs; e. e. bewijzen van ontheffing als bedoeld in artikel 4.9, tweede lid; f. f. bewijzen van ontheffing als bedoeld in artikel 3.67, tweede lid.
5. Een cijferlijst wordt bij de vaststelling van de uitslag betrokken, indien na het jaar waarin deze is vastgesteld, nog geen tien jaar zijn verstreken. Een bewijs van ontheffing wordt bij de vaststelling van de uitslag betrokken indien na het jaar waarin het onderliggende diploma, getuigschrift of ander bewijsstuk is vastgesteld, nog geen tien jaar zijn verstreken.
6. Indien dat nodig is om de examenkandidaat te laten slagen voor het staatsexamen, betrekt het college een of meer eindcijfers van de vakken niet bij de bepaling van de definitieve uitslag. De overgebleven vakken dienen een staatsexamen te vormen.
Artikel 4.20
1.
De examenkandidaat die staatsexamen vwo of havo heeft afgelegd, is geslaagd indien:
a. a. het rekenkundig gemiddelde van zijn bij het centraal examen behaalde cijfers ten minste 5,5 is; b. b. hij voor een van de vakken Nederlandse taal en literatuur, Engelse taal en literatuur en voor zover van toepassing wiskunde A, wiskunde B of wiskunde C als eindcijfer 5 of hoger heeft behaald en hij voor het andere vak of andere hier genoemde vakken als eindcijfer 6 of hoger heeft behaald; c. c. hij onverminderd onderdeel b:
1°.
voor een van zijn vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, als eindcijfer 5 of hoger en voor de overige vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, als eindcijfer 6 of hoger heeft behaald;
2°.
voor een van zijn vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, als eindcijfer 4 en voor de overige vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, als eindcijfer 6 of hoger heeft behaald, en het gemiddelde van de eindcijfers ten minste 6,0 bedraagt;
3°.
voor twee van zijn vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, als eindcijfer 5 heeft behaald en voor de overige vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, als eindcijfer 6 of hoger heeft behaald, en het gemiddelde van de eindcijfers ten minste 6,0 bedraagt; of
4°.
voor een van de vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld als eindcijfer 4 en voor een van deze vakken als eindcijfer 5 heeft behaald en voor de overige vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, als eindcijfer 6 of hoger heeft behaald, en het gemiddelde van de eindcijfers ten minste 6,0 bedraagt; en
1°. 1°. voor een van zijn vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, als eindcijfer 5 of hoger en voor de overige vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, als eindcijfer 6 of hoger heeft behaald; 2°. 2°. voor een van zijn vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, als eindcijfer 4 en voor de overige vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, als eindcijfer 6 of hoger heeft behaald, en het gemiddelde van de eindcijfers ten minste 6,0 bedraagt; 3°. 3°. voor twee van zijn vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, als eindcijfer 5 heeft behaald en voor de overige vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, als eindcijfer 6 of hoger heeft behaald, en het gemiddelde van de eindcijfers ten minste 6,0 bedraagt; of 4°. 4°. voor een van de vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld als eindcijfer 4 en voor een van deze vakken als eindcijfer 5 heeft behaald en voor de overige vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, als eindcijfer 6 of hoger heeft behaald, en het gemiddelde van de eindcijfers ten minste 6,0 bedraagt; en d. d. hij voor geen van de onderdelen, genoemd in het tweede lid, lager dan het eindcijfer 4 heeft behaald.
2.
Bij de uitslagbepaling volgens het eerste lid, wordt het gemiddelde van de eindcijfers van ten minste de volgende onderdelen aangemerkt als het eindcijfer van één vak, voor zover voor deze onderdelen een eindcijfer is bepaald: maatschappijleer en het profielwerkstuk. Het college kan daaraan toevoegen:
a. a. literatuur, als onderdeel van alle afzonderlijke moderne talen, met dien verstande dat indien het college daartoe niet besluit, literatuur voor de bepaling van de eindcijfers een onderdeel is van het college-examen van deze taal en literatuur; b. b. algemene natuurwetenschappen in vwo en havo.
3. Het eindcijfer, bedoeld in het tweede lid, wordt bepaald als het rekenkundig gemiddelde van de eindcijfers van de samenstellende onderdelen. Indien de uitkomst van deze berekening niet een geheel getal is, wordt dat getal indien het eerste cijfer achter de komma een 4 of lager is, naar beneden afgerond en indien dat cijfer een 5 of hoger is, naar boven afgerond.
4. De examenkandidaat wiens staatsexamen niet voldoet aan dit artikel is afgewezen voor het staatsexamen.
5. Zodra de uitslag van het staatsexamen is vastgesteld, maakt het college deze samen met de eindcijfers schriftelijk aan de examenkandidaat bekend. Indien de examenkandidaat is afgewezen voor het staatsexamen, wordt bij de bekendmaking mededeling gedaan van het recht op herkansing als bedoeld in artikel 4.22. De uitslag is de definitieve uitslag indien de examenkandidaat geen gebruik maakt van het recht op herkansing.
Artikel 4.21
1.
De examenkandidaat die het staatsexamen vmbo heeft afgelegd, is geslaagd indien:
a. a. het rekenkundig gemiddelde van zijn bij het centraal examen behaalde cijfers ten minste 5,5 is; b. b. hij voor het vak Nederlandse taal als eindcijfer 5 of hoger heeft behaald; c. c. hij onverminderd onderdeel b:
1°.
voor een van zijn vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, als eindcijfer 5 of hoger en voor de overige vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, als eindcijfer 6 of hoger heeft behaald;
2°.
voor een van zijn vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, als eindcijfer 4 en voor de overige vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, als eindcijfer 6 of hoger waarvan ten minste een 7 of hoger heeft behaald; of
3°.
voor twee van zijn vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, als eindcijfer 5 heeft behaald en voor de overige vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, als eindcijfer 6 of hoger waarvan ten minste een 7 of hoger heeft behaald;
1°. 1°. voor een van zijn vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, als eindcijfer 5 of hoger en voor de overige vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, als eindcijfer 6 of hoger heeft behaald; 2°. 2°. voor een van zijn vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, als eindcijfer 4 en voor de overige vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, als eindcijfer 6 of hoger waarvan ten minste een 7 of hoger heeft behaald; of 3°. 3°. voor twee van zijn vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, als eindcijfer 5 heeft behaald en voor de overige vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, als eindcijfer 6 of hoger waarvan ten minste een 7 of hoger heeft behaald; d. d. hij voor geen van de onderdelen, genoemd in het derde of vierde lid, lager dan het eindcijfer 4 heeft behaald; en e. e. als het gaat om een staatsexamen gemengde of theoretische leerweg: hij voor het profielwerkstuk de kwalificatie «voldoende» of «goed» heeft behaald.
2. Bij de uitslagbepaling volgens het eerste lid, onderdeel c, wordt in de theoretische leerweg het eindcijfer van een profielvak of beroepsgericht keuzevak behorende tot het eindexamen van de gemengde leerweg niet betrokken, tenzij deze vakken samen ten minste een volledig beroepsgericht programma als bedoeld in artikel 3.7, eerste lid, onderdeel d, dan wel het praktijkgerichte programma, als bedoeld in artikel 3.7, lid 1a, vormen. In dat geval is het vierde lid van overeenkomstige toepassing.
3. Bij de uitslagbepaling volgens het eerste lid, onderdeel c, wordt in de basisberoepsgerichte leerweg en de kaderberoepsgerichte leerweg het gemiddelde van de eindcijfers van alle beroepsgerichte keuzevakken aangemerkt als het eindcijfer van één vak.
4. Bij de uitslagbepaling volgens het eerste lid, onderdeel c, wordt in de gemengde leerweg het gemiddelde van de eindcijfers van het profielvak, dan wel het praktijkgerichte vak, en alle beroepsgerichte keuzevakken aangemerkt als het eindcijfer van een vak, met dien verstande dat het eindcijfer voor het profielvak, dan wel het praktijkgerichte vak, daarbij net zo vaak meetelt als het aantal eindcijfers van beroepsgerichte keuzevakken dat in de berekening wordt betrokken.
5. Het eindcijfer, bedoeld in het derde en vierde lid, wordt bepaald als het rekenkundig gemiddelde van de eindcijfers van de samenstellende onderdelen. Indien de uitkomst van deze berekening niet een geheel getal is, wordt dat getal indien het eerste cijfer achter de komma een 4 of lager is, naar beneden afgerond en indien dat cijfer een 5 of hoger is, naar boven afgerond.
6. De examenkandidaat wiens staatsexamen niet voldoet aan dit artikel, is afgewezen voor het staatsexamen.
7. Zodra de uitslag van het staatsexamen is vastgesteld, maakt het college deze samen met de eindcijfers schriftelijk aan de examenkandidaat bekend. Indien de examenkandidaat is afgewezen voor het staatsexamen, wordt bij de bekendmaking mededeling gedaan van het recht op herkansing als bedoeld in artikel 4.22. De uitslag is de definitieve uitslag indien de examenkandidaat geen gebruik maakt van het recht op herkansing.
Artikel 4.21a
Vervallen
Artikel 4.22
1. De examenkandidaat die in enig jaar is afgewezen voor het staatsexamen, heeft recht op herkansing in het derde tijdvak van dat jaar, mits de examenkandidaat daardoor alsnog kan slagen voor het staatsexamen.
2. Indien de examenkandidaat op grond van artikel 4.17, tweede lid, in de gelegenheid wordt gesteld in het derde tijdvak het centraal examen te voltooien, wordt het recht op herkansing uitgeoefend op een door het college te bepalen tijdstip.
3.
Het recht op herkansing houdt in om voor twee door de examenkandidaat te kiezen vakken waarin hij dat jaar door het college is geëxamineerd, opnieuw deel te nemen aan:
a. a. het college-examen of onderdelen daarvan, in door het college vast te stellen onderdelen van het examenprogramma; en b. b. het centraal examen.
Artikel 4.23
1. De examenkandidaat die van zijn recht op herkansing als bedoeld in artikel 4.22 gebruik wil maken, stelt het college binnen acht dagen na de bekendmaking, bedoeld in artikel 4.20, vijfde lid, of artikel 4.21, zevende lid, schriftelijk hiervan in kennis, onder vermelding van de vakken waarin hij opnieuw wil deelnemen aan het college-examen en de vakken waarin hij opnieuw wil deelnemen aan het centraal examen.
2. Indien de examenkandidaat het college niet overeenkomstig het eerste lid in kennis stelt, is hij alsnog afgewezen voor het staatsexamen.
3. Het college bevestigt zo spoedig mogelijk schriftelijk aan de examenkandidaat de ontvangst van de kennisgeving, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 4.24
1. Het college stelt vast op welke wijze het cijfer van de herkansing voor het college-examen wordt bepaald. In zijn overwegingen betrekt het college de cijfers voor die toetsen van het eerder afgelegde college-examen die betrekking hebben op niet tot de herkansing behorende onderdelen van het examenprogramma.
2. Het hoogste cijfer van de cijfers behaald bij de herkansing en bij het eerder afgelegde college-examen of centraal examen geldt als definitief cijfer voor het college-examen of het centraal examen.
3. Na afloop van de herkansing stelt het college de uitslag definitief vast met overeenkomstige toepassing van de artikelen 4.18 tot en met 4.21 en maakt de uitslag schriftelijk aan de examenkandidaat bekend.
Paragraaf 6. Cijferlijsten, diploma’s en certificaten
Artikel 4.25
1.
Op de cijferlijst van de examenkandidaat die is afgewezen voor het staatsexamen worden over de vakken waarin hij in dat jaar door het college is geëxamineerd, vermeld:
a. a. de cijfers voor het college-examen en het centraal examen; b. b. het vak of de vakken en het onderwerp of de titel van het profielwerkstuk vwo of havo; c. c. het thema en de beoordeling van het profielwerkstuk vmbo; d. d. de eindcijfers voor de examenvakken; e. e. de uitslag van het staatsexamen.
2.
Op de cijferlijst van de examenkandidaat die is geslaagd voor het staatsexamen worden over elk examenvak dat bij de bepaling van de uitslag is betrokken vermeld:
a. a. de cijfers voor het college-examen, het centraal examen, en in voorkomend geval het schoolexamen; b. b. het vak of de vakken en het onderwerp of de titel van het profielwerkstuk vwo of havo; c. c. het thema en de beoordeling van het profielwerkstuk vmbo; d. d. de vakken waarvoor de examenkandidaat vrijstelling of ontheffing is verleend, met voor zover van toepassing de cijfers voor deze vakken; e. e. de eindcijfers voor de examenvakken; en f. f. de uitslag van het staatsexamen.
3. Indien een examenkandidaat in meer vakken examen heeft afgelegd dan in de vakken die ten minste nodig zijn voor het behalen van het staatsexamen, worden de vakken die niet bij de bepaling van de uitslag zijn betrokken, op de cijferlijst vermeld, tenzij de examenkandidaat daartegen bezwaar heeft.
4. Het college ondertekent de cijferlijst.
Artikel 4.26
1.
Het college reikt aan de kandidaat die deelstaatsexamen heeft afgelegd een cijferlijst uit waarop zijn vermeld:
a. a. de cijfers voor het college-examen en het centraal examen; b. b. het vak of de vakken en het onderwerp of de titel van het profielwerkstuk vwo of havo; c. c. het thema en de beoordeling van het profielwerkstuk vmbo; en d. d. de eindcijfers voor de examenvakken.
2. Het college ondertekent de cijferlijst voor het deelstaatsexamen.
Artikel 4.27
Bij het staatsexamen vwo en het staatsexamen havo worden op de cijferlijst vermeld:
a. a. vakken waarvoor de examenkandidaat is vrijgesteld op grond van de artikelen 3.64 of 4.5, met vermelding van het eerder behaalde cijfer; b. b. vakken waarvoor de examenkandidaat bij het staatsexamen vwo is vrijgesteld op grond van een eerder afgelegd examen havo of vmbo waarvan deze vwo-vakken deel uitmaakten, met vermelding van het eerder behaalde cijfer; c. c. vakken waarvoor de examenkandidaat bij het staatsexamen havo is vrijgesteld op grond van een eerder afgelegd examen vmbo waarvan deze vakken of de overeenkomstige vakken, bedoeld in artikel 3.3, tweede lid, deel uitmaakten, met vermelding van het eerder behaalde cijfer; d. d. andere vakken waarvoor de examenkandidaat vrijstelling of ontheffing is verleend, zonder vermelding van een cijfer.
Artikel 4.28
Bij het staatsexamen vmbo worden op de cijferlijst vermeld:
a. a. vakken waarvoor de examenkandidaat is vrijgesteld op grond van de artikelen 3.64 of 4.5, met vermelding van het eerder behaalde cijfer; b. b. vakken waarvoor de examenkandidaat bij het staatsexamen vmbo theoretische leerweg of staatsexamen vmbo gemengde leerweg is vrijgesteld op grond van een eerder afgelegd eindexamen of staatsexamen vmbo kaderberoepsgerichte leerweg of eindexamen of staatsexamen basisberoepsgerichte leerweg waarvan deze vakken of de overeenkomstige vakken, bedoeld in de artikelen 2.18 of 2.27, deel uitmaakten, met vermelding van het eerder behaalde cijfer; c. c. andere vakken waarvoor de examenkandidaat vrijstelling of ontheffing is verleend, zonder vermelding van een cijfer.
Artikel 4.29
1. Op elk diploma voor het staatsexamen wordt het profiel of de profielen vermeld die bij de bepaling van de uitslag zijn betrokken.
2. Het college ondertekent het diploma.
Artikel 4.30
1.
Een examenkandidaat is geslaagd voor het staatsexamen vwo met toekenning van het judicium cum laude indien de examenuitslag voldoet aan de volgende voorschriften:
a. a. ten minste het gemiddelde eindcijfer 8,0, berekend op basis van de eindcijfers voor:
1°.
de vakken in het gemeenschappelijke deel van het profiel, het eindcijfer, bedoeld in artikel 4.20, tweede lid, en de vakken van het profieldeel; en
2°.
het vak uit het vrije deel waarvoor het hoogste eindcijfer is vastgesteld;
1°. 1°. de vakken in het gemeenschappelijke deel van het profiel, het eindcijfer, bedoeld in artikel 4.20, tweede lid, en de vakken van het profieldeel; en 2°. 2°. het vak uit het vrije deel waarvoor het hoogste eindcijfer is vastgesteld; b. b. ten minste het eindcijfer 7 of ten minste de kwalificatie «voldoende» voor alle vakken die meetellen bij de uitslagbepaling op grond van artikel 4.20; en c. c. alle centrale examens zijn afgelegd binnen de periode van een jaar voorafgaand aan de diplomering.
2.
Een examenkandidaat is geslaagd voor het staatsexamen havo met toekenning van het judicium cum laude indien de examenuitslag voldoet aan de volgende voorschriften:
a. a. ten minste het gemiddelde eindcijfer 8,0, berekend op basis van de eindcijfers voor:
1°.
de vakken in het gemeenschappelijke deel van het profiel, het eindcijfer bedoeld in artikel 4.20, tweede lid, en de vakken van het profieldeel; en
2°.
het vak uit het vrije deel waarvoor het hoogste eindcijfer is vastgesteld;
1°. 1°. de vakken in het gemeenschappelijke deel van het profiel, het eindcijfer bedoeld in artikel 4.20, tweede lid, en de vakken van het profieldeel; en 2°. 2°. het vak uit het vrije deel waarvoor het hoogste eindcijfer is vastgesteld; b. b. ten minste het eindcijfer 6 of ten minste de kwalificatie «voldoende» voor alle vakken die meetellen bij de uitslagbepaling op grond van artikel 4.20; en c. c. alle centrale examens zijn afgelegd binnen de periode van een jaar voorafgaand aan de diplomering.
Artikel 4.31
1.
Een examenkandidaat is geslaagd voor het staatsexamen vmbo theoretische leerweg met toekenning van het judicium cum laude indien de examenuitslag voldoet aan de volgende voorschriften:
a. a. ten minste het gemiddelde eindcijfer 8,0, berekend op basis van de eindcijfers voor:
1°.
de vakken Nederlandse taal, Engelse taal en maatschappijleer, en de algemene vakken van het profieldeel, en
2°.
het vak uit het vrije deel waarvoor het hoogste eindcijfer is vastgesteld,
1°. 1°. de vakken Nederlandse taal, Engelse taal en maatschappijleer, en de algemene vakken van het profieldeel, en 2°. 2°. het vak uit het vrije deel waarvoor het hoogste eindcijfer is vastgesteld, b. b. ten minste het eindcijfer 6 of ten minste de kwalificatie «voldoende» voor het profielwerkstuk en alle vakken die meetellen bij de uitslagbepaling op grond van artikel 4.21, en c. c. alle centrale examens zijn afgelegd binnen de periode van een jaar voorafgaand aan de diplomering.
2.
Een examenkandidaat is geslaagd voor het staatsexamen vmbo basisberoepsgerichte leerweg of kaderberoepsgerichte leerweg met toekenning van het judicium cum laude indien de examenuitslag voldoet aan de volgende voorschriften:
a. a. ten minste het gemiddelde eindcijfer 8,0, berekend op basis van:
1°.
de eindcijfers voor het profielvak en de twee algemene vakken van het profieldeel, en
2°.
het eindcijfer, bedoeld in artikel 4.21, derde lid,
1°. 1°. de eindcijfers voor het profielvak en de twee algemene vakken van het profieldeel, en 2°. 2°. het eindcijfer, bedoeld in artikel 4.21, derde lid, b. b. ten minste het eindcijfer 6 of ten minste de kwalificatie «voldoende» voor alle vakken die meetellen bij de uitslagbepaling op grond van artikel 4.21, en c. c. alle centrale examens zijn afgelegd binnen de periode van een jaar voorafgaand aan de diplomering.
3.
Een examenkandidaat is geslaagd voor het staatsexamen vmbo gemengde leerweg met toekenning van het judicium cum laude indien de examenuitslag voldoet aan de volgende voorschriften:
a. a. ten minste het gemiddelde eindcijfer 8,0, berekend op basis van de eindcijfers voor:
1°.
de vakken Nederlandse taal, Engelse taal en maatschappijleer, en de algemene vakken van het profieldeel;
2°.
het algemene vak uit het vrije deel of het eindcijfer, bedoeld in artikel 4.21, vierde lid; en
1°. 1°. de vakken Nederlandse taal, Engelse taal en maatschappijleer, en de algemene vakken van het profieldeel; 2°. 2°. het algemene vak uit het vrije deel of het eindcijfer, bedoeld in artikel 4.21, vierde lid; en b. b. ten minste het eindcijfer 6 of ten minste de kwalificatie «voldoende» voor het profielwerkstuk en alle vakken die meetellen bij de uitslagbepaling op grond van artikel 4.21.
Artikel 4.32
1.
Op het certificaat, bedoeld in artikel 2.80, tweede lid, onderdeel b, van de wet worden vermeld:
a. a. het vak of de vakken waarvoor de kandidaat een eindcijfer 6 of hoger heeft behaald; b. b. het vak of de vakken en het onderwerp of de titel van het profielwerkstuk vwo of havo; c. c. het thema en de beoordeling van het profielwerkstuk vmbo, voor zover beoordeeld met «goed» of «voldoende».
2. Het college ondertekent het certificaat.
Artikel 4.33
1. Van een afgegeven diploma, certificaat, bewijs van ontheffing of cijferlijst worden geen duplicaat verstrekt.
2. Onze Minister kan een schriftelijke verklaring verstrekken dat een document als bedoeld in het eerste lid is afgegeven. Deze verklaring heeft dezelfde waarde als dat document zelf.
3. Onze Minister kan een document ter vervanging van een diploma, certificaat of cijferlijst verstrekken indien op grond van artikel 4, vierde lid, artikel 7, eerste lid, of artikel 28b, tweede lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek of ten gevolge van het verkrijgen van het Nederlanderschap op grond van artikel 7, eerste lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap, de voornaam respectievelijk de geslachtsnaam van de examenkandidaat is gewijzigd.
Paragraaf 7. Specifieke voorzieningen staatsexamen
Artikel 4.34
1. Het college kan toestaan dat een examenkandidaat op grond van zijn handicap of ziekte het staatsexamen geheel of gedeeltelijk aflegt op een wijze die is aangepast aan de mogelijkheden van die examenkandidaat.
2. Het college bepaalt de wijze waarop het staatsexamen door de examenkandidaat wordt afgelegd, met dien verstande dat aan de overige bepalingen in dit besluit wordt voldaan.
3.
Tenzij sprake is van een objectief waarneembare lichamelijke handicap, geldt voor de aangepaste wijze van examineren, bedoeld in het eerste lid, dat:
a. a. een deskundigenverklaring voorligt die door een ter zake kundige psycholoog, orthopedagoog, neuroloog of psychiater is opgesteld; b. b. de aanpassing voor zover betrekking hebbend op het centraal examen in elk geval kan bestaan uit een verlenging van de duur van het centraal examen met ten hoogste 30 minuten; en c. c. een andere aanpassing slechts kan worden toegestaan voor zover daartoe in de onder a genoemde deskundigenverklaring over betrokkene een voorstel wordt gedaan of indien de aanpassing aantoonbaar aansluit bij de begeleidingsadviezen, vermeld in die deskundigenverklaring.
4. Het college doet van elke afwijking op grond van dit artikel zo spoedig mogelijk mededeling aan de inspectie.
Artikel 4.35
1. Het college kan toestaan dat voor examenkandidaat op grond van onvoldoende beheersing van de Nederlandse taal wordt afgeweken van de bij of krachtens dit besluit gestelde regels, indien de examenkandidaat met inbegrip van het jaar waarin hij staatsexamen of deelstaatsexamen aflegt, ten hoogste zes jaar onderwijs in Nederland heeft gevolgd en niet het Nederlands als moedertaal heeft.
2.
De afwijking, bedoeld in het eerste lid, kan betrekking hebben op:
a. a. het vak Nederlandse taal en literatuur; b. b. enig ander vak waarbij het gebruik van de Nederlandse taal van overwegende betekenis is.
3. De afwijking, bedoeld in het eerste lid, bestaat voor het centraal examen uit een verlenging van de duur van het centraal examen met ten hoogste 30 minuten, en het verlenen van toestemming tot het gebruik van een verklarend woordenboek van de Nederlandse taal.
4. Het college doet van elke afwijking op grond van dit artikel mededeling aan de inspectie.
Paragraaf 8. Maatregelen in geval van onregelmatigheden
Artikel 4.36
1.
De maatregelen, bedoeld in artikel 2.82, eerste lid, van de wet, die het college jegens een examenkandidaat kan nemen, zijn:
a. a. het toekennen van het cijfer 1 voor een toets van het college-examen of het centraal examen; b. b. het ontzeggen van de deelname of de verdere deelname aan een of meer toetsen van het college-examen of het centraal examen van dat vak; c. c. het ongeldig verklaren van een of meer toetsen van het al afgelegde deel van het college-examen of het centraal examen; d. d. minder vergaande maatregelen dan die, bedoeld onderdelen a tot en met c.
2. De maatregelen kunnen afhankelijk van de aard van de onregelmatigheid afzonderlijk of in combinatie met elkaar genomen worden.
3. De ontzegging, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, ten aanzien van een examenkandidaat die in meer dan een vak eindexamen aflegt, kan betrekking hebben op alle toetsen.
4. Indien de onregelmatigheid pas wordt ontdekt na afloop van het examen, kan het college de examenkandidaat het diploma, bedoeld in artikel 2.80, tweede lid, onderdeel a, van de wet, het certificaat, bedoeld in artikel 2.80, tweede lid, onderdeel b, van de wet, of de cijferlijst onthouden, of kan bepalen dat aan de betrokken examenkandidaat dat diploma of certificaat, of die cijferlijst, alleen kunnen worden uitgereikt na een hernieuwd examen in de door het college aan te wijzen onderdelen en op de door deze te bepalen wijze.
5. Het college zendt het besluit waarbij een maatregel als bedoeld in het eerste lid wordt genomen aan de examenkandidaat en zijn wettelijke vertegenwoordigers, en in afschrift aan de inspectie.
Artikel 4.37
1. Het college stelt bij zijn beslissing op een bezwaarschrift tegen een maatregel als bedoeld in artikel 4.36 zo nodig vast op welke wijze de examenkandidaat alsnog in de gelegenheid zal worden gesteld het staatsexamen geheel of gedeeltelijk af te leggen of opnieuw af te leggen.
2. Het college zendt zijn beslissing op het bezwaar in afschrift aan de wettelijke vertegenwoordigers indien de examenkandidaat minderjarig is en aan de inspectie.
Paragraaf 9. Gegevensverstrekking en bewaren examenwerk
Artikel 4.38
1.
Zo spoedig mogelijk na de vaststelling van de definitieve uitslag zendt het college aan Onze Minister en aan de inspectie een lijst die voor een examenkandidaat die niet is geslaagd voor het staatsexamen, voor zover van toepassing, vermeldt:
a. a. de vakken waarin examen is afgelegd; b. b. de cijfers van het college-examen; c. c. het vak of de vakken waarop het profielwerkstuk vwo of havo betrekking heeft; d. d. de beoordeling en het thema van het profielwerkstuk vmbo; e. e. de cijfers van het centraal examen; f. f. de eindcijfers; g. g. de uitslag van het staatsexamen.
2.
Zo spoedig mogelijk na de vaststelling van de definitieve uitslag zendt het college aan Onze Minister en aan de inspectie een lijst die voor een examenkandidaat die is geslaagd voor het staatsexamen, voor zover van toepassing, vermeldt:
a. a. het profiel of de profielen waarop het examen betrekking heeft; b. b. de vakken die zijn vermeld op de cijferlijst; c. c. de cijfers van het college-examen of het schoolexamen; d. d. het vak of de vakken waarop het profielwerkstuk vwo of havo betrekking heeft; e. e. de beoordeling en het thema van het profielwerkstuk vmbo; f. f. de cijfers van het centraal examen; g. g. de eindcijfers; h. h. de vakken waarvoor de kandidaat vrijstelling of ontheffing is verleend, met voor zover van toepassing de cijfers voor die vakken; i. i. de uitslag van het staatsexamen.
3.
Zo spoedig mogelijk na de vaststelling van de eindcijfers van de examenkandidaten die deelstaatsexamen hebben afgelegd, zendt het college aan Onze Minister en aan de inspectie een lijst die voor een examenkandidaat vermeldt:
a. a. de vakken die zijn vermeld op de cijferlijst; b. b. de cijfers van het college-examen; c. c. het vak of de vakken waarop het profielwerkstuk vwo of havo betrekking heeft; d. d. de beoordeling en het thema van het profielwerkstuk vmbo; e. e. de cijfers van het centraal examen; f. f. de eindcijfers.
Artikel 4.39
1. Het schriftelijke werk van de examenkandidaat wordt gedurende ten minste zes maanden na afloop van het examen bewaard op een door het college te bepalen wijze. Een examenkandidaat die voor een vak centraal examen aflegt met geheime opgaven kan over zijn werk gedurende genoemde periode van zes maanden inlichtingen inwinnen bij het college. De andere examenkandidaten kunnen gedurende die periode hun schriftelijk werk inzien.
2. Een door het college ondertekend exemplaar van de lijst, bedoeld in artikel 4.38, eerste, tweede en derde lid, en de door de examenkandidaat overgelegde documenten, worden gedurende ten minste zes maanden na de vaststelling van de uitslag in het archief van het college bewaard.
3. Het college draagt er zorg voor dat een volledig stel van de bij de centrale examens gebruikte opgaven gedurende ten minste zes maanden na de vaststelling van de uitslag bewaard blijft in het archief van het college.
Hoofdstuk 5. Specifieke bepalingen voorzieningenplanning vmbo
Artikel 5.1
1. Onderwijs in de gemengde leerweg aan een hoofdvestiging of een nevenvestiging van een school voor vbo wordt op grond van artikel 4.20, eerste lid, aanhef en onderdeel d, van de wet, voor bekostiging in aanmerking gebracht, indien het bevoegd gezag van dat onderwijs met het bevoegd gezag van een school voor mavo een samenwerkingsovereenkomst heeft gesloten voor de uitwisseling van expertise, de leerlingbegeleiding en de examinering.
2. Het vorige lid is van overeenkomstige toepassing op onderwijs in de gemengde leerweg aan een hoofdvestiging of een nevenvestiging van een school voor mavo.
Hoofdstuk 6. Bekostiging en verantwoording
Paragraaf 1. Vaststelling omvang bekostiging
Artikel 6.1
1.
Een vestiging van een school of scholengemeenschap komt in aanmerking voor het bedrag, bedoeld in artikel 5.4, eerste lid, onderdeel a, van de wet indien:
a. a. sprake is van een hoofdvestiging of een nevenvestiging, waaraan door Onze Minister een registratienummer als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel a, van het Besluit register onderwijsdeelnemers is toegekend; en b. b. bij die vestiging op de teldatum ten minste 130 leerlingen of, indien sprake is van een vestiging waaraan uitsluitend praktijkonderwijs wordt verzorgd, 60 leerlingen, staan ingeschreven.
2. Bij het bepalen van het bedrag per vestiging, bedoeld in artikel 5.4, eerste lid, onderdeel a, van de wet wordt onderscheid gemaakt tussen een bedrag voor de hoofdvestiging van een school of scholengemeenschap en een bedrag voor een nevenvestiging.
3.
Bij het bepalen van het bedrag per leerling, bedoeld in artikel 5.4, eerste lid, onderdeel b, van de wet wordt onderscheid gemaakt tussen:
a. a. leerlingen in het praktijkonderwijs of in het derde of vierde leerjaar van de basisberoepsgerichte of kaderberoepsgerichte leerweg van het vbo; en b. b. leerlingen in het vwo, havo, mavo of vbo, met uitzondering van leerlingen in het derde of vierde leerjaar van de basisberoepsgerichte en kaderberoepsgerichte leerweg van het vbo.
4. Een hoofd- of nevenvestiging van een scholengemeenschap komt in aanmerking voor aanvullende bekostiging als bedoeld in artikel 5.9, derde lid, van de wet, indien aan die vestiging onderwijs wordt verzorgd in alle leerjaren van het vwo, havo, mavo en vbo. De hoogte van deze aanvullende bekostiging wordt vastgesteld bij ministeriële regeling.
Artikel 6.2
1. Onze Minister stelt jaarlijks voor elke school of scholengemeenschap de hoogte van de bekostiging, bedoeld in artikel 5.6 van de wet vast.
2. Onze Minister stelt voor elke school of scholengemeenschap die daarvoor in aanmerking komt het bedrag van de aanvullende bekostiging, bedoeld in de artikelen 5.9 en 5.10 vast.
3. De bekostiging bedoeld in het eerste lid komt tot stand door het aantal vestigingen, bedoeld in artikel 6.1, eerste lid, en het aantal leerlingen, bedoeld in artikel 8, te vermenigvuldigen met de bedragen per vestiging en per leerling, bedoeld in artikel 5.4, eerste lid, van de wet, waarbij de uitkomst van deze vermenigvuldigingen bij elkaar wordt opgeteld.
Artikel 6.3
1. Het Rijk verstrekt de bekostiging, bedoeld in de artikelen 5.4 en 5.5 van de wet, met ingang van de eerste schooldag van een school waarvan het bekostigd onderwijs op grond hoofdstuk 4 van de wet een aanvang neemt.
2. Onze Minister kan op verzoek van het bevoegd gezag een door hem te bepalen deel van de bekostiging, bedoeld in de artikelen 5.4 en 5.5 van de wet, verstrekken gedurende een periode van ten hoogste vier maanden voorafgaand aan de eerste schooldag van een school waarvan het bekostigd onderwijs op grond van hoofdstuk 4 van de wet een aanvang neemt.
3. Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden gesteld over de wijze waarop de bekostiging wordt vastgesteld en verstrekt.
Artikel 6.4
1.
Onze Minister brengt op de bekostiging, bedoeld in artikel 5.32 van de wet voor een school voor een kalenderjaar een bedrag in mindering volgens de volgende formule:
(PI/PL) x (A + B + C + D)
In deze formule wordt verstaan onder:
PI: de bekostiging, bedoeld in artikel 5.4 van de wet van de desbetreffende school voor het desbetreffende kalenderjaar;
PL: de bekostiging, bedoeld in artikel 5.4 van de wet, van alle scholen voor het desbetreffende kalenderjaar;
A: de kosten van de uitkeringen in het desbetreffende kalenderjaar voor gewezen personeel van de scholen voortvloeiend uit een ontslag dat is geëffectueerd voor 1 augustus 1995;
B: de kosten van de uitkeringen in het desbetreffende kalenderjaar voor gewezen personeel van de scholen voortvloeiend uit een ontslag dat is geëffectueerd in de periode tussen 31 juli 1995 en 1 januari 2007 en waarvoor de rechtspersoon, bedoeld in artikel 98b van de Wet op het voortgezet onderwijs, zoals luidend op 31 december 2006, heeft ingestemd op grond van artikel 96o, derde lid, tweede volzin, van de Wet op het voortgezet onderwijs, zoals luidend op 31 december 2006, met het ten laste van bedoelde rechtspersoon brengen van de kosten van deze uitkeringen;
C: een bij ministeriële regeling vast te stellen percentage van de kosten van de uitkeringen in het desbetreffende kalenderjaar voor gewezen personeel van de scholen voortvloeiend uit een ontslag dat is geëffectueerd op of na 1 januari 2007, waarbij ten aanzien van de verschillende soorten uitkeringen verschillende percentages kunnen worden vastgesteld;
D: de kosten van de uitkeringen in het desbetreffende kalenderjaar voor gewezen personeel van een school die de taken beëindigt, anders dan op grond van een samenvoeging, een bestuursoverdracht als bedoeld in artikel 3.33 van de wet, of een splitsing, indien het bevoegd gezag van deze school niet tevens een andere school onder zijn bestuur heeft.
2.
Onze Minister brengt tevens op de bekostiging van een school of samenwerkingsverband voor het in het eerste lid bedoelde kalenderjaar in mindering:
a. a. de kosten van de uitkeringen in het desbetreffende kalenderjaar voor gewezen personeel van de desbetreffende school voortvloeiend uit een ontslag dat is geëffectueerd in de periode tussen 31 juli 1995 en 1 januari 2007 en waarvoor de rechtspersoon, bedoeld in artikel 98b van de Wet op het voortgezet onderwijs, zoals luidend op 31 december 2006, niet heeft ingestemd op grond van artikel 96o, derde lid, tweede volzin, van de Wet op het voortgezet onderwijs, zoals luidend op 31 december 2006, met het ten laste van bedoelde rechtspersoon brengen van de kosten van deze uitkeringen; en b. b. een bij ministeriële regeling vast te stellen percentage van de kosten van de uitkeringen in het desbetreffende kalenderjaar voor gewezen personeel van de desbetreffende school of samenwerkingsverband voortvloeiend uit een ontslag dat is geëffectueerd op of na 1 januari 2007, waarbij het percentage bedoeld in het eerste lid, onder c, en het in dit onderdeel bedoelde percentage samen 100 bedraagt.
3. De uitkomsten van de in het eerste en tweede lid bedoelde berekeningen worden rekenkundig afgerond op hele eurocenten.
4. Indien een school is opgeheven, wordt het desbetreffende bevoegd gezag belast indien deze nog ten minste één andere school onder zijn bestuur heeft.
5. Over het moment en de wijze van in mindering brengen, bedoeld in het eerste en tweede lid, kunnen bij ministeriële regeling nadere voorschriften worden gegeven.
6. Het tweede lid is niet van toepassing op een school binnen een verticale scholengemeenschap.
Artikel 6.5
In afwijking van artikel 6.1, tweede lid, wordt er voor een school of scholengemeenschap die deel uitmaakt van een verticale scholengemeenschap in het bedrag per vestiging geen onderscheid gemaakt tussen de hoofdvestiging en een nevenvestiging. De hoofdvestiging van de school of scholengemeenschap die voldoet aan artikel 6.1, eerste lid, komt in aanmerking voor het op grond van artikel 6.1, tweede lid, vastgestelde bedrag voor een nevenvestiging.
Artikel 6.6
Onze Minister bepaalt de wijze waarop de artikelen 5.4 en 5.5 van de wet en de artikelen 6.1 tot en met 6.5 van toepassing zijn op een cursus als bedoeld in artikel 4.28 van de wet, verbonden aan een school of scholengemeenschap, in verband met de aard, inhoud, omvang of duur van de cursus.
Paragraaf 2. Leerlingentelling
Artikel 6.7
1.
Voor de toepassing van het bepaalde bij of krachtens de wet worden, onverminderd de artikelen 2.45, 6.8, 6.9, 6.10 en 8.13, de leerlingen meegeteld die op de teldatum:
a. a. op die school als werkelijk schoolgaand staan ingeschreven, of b. b. in bij ministeriële regeling te bepalen gevallen tijdelijk buiten de school waar zij staan ingeschreven zijn geplaatst.
2. Een leerling telt voor één school mee voor de bekostiging.
Artikel 6.8
1.
Voor het bepalen van de hoogte van de bekostiging van een school of scholengemeenschap worden niet meegeteld de leerlingen die:
a. a. vanaf het begin van het schooljaar tot de teldatum meer dan de helft van het aantal schooldagen zonder geldige reden hebben verzuimd; b. b. al met goed gevolg eindexamen aan een school voor vwo, havo, mavo of vbo hebben afgelegd en zich voorbereiden op het opnieuw afleggen van het eindexamen aan een gelijksoortige school, met dien verstande dat het afleggen van het eindexamen in een bepaalde leerweg van het vmbo door een leerling die al met goed gevolg het eindexamen heeft afgelegd van een andere leerweg van het vmbo niet wordt aangemerkt als het opnieuw afleggen van het eindexamen aan een gelijksoortige school; c. c. deelnemen aan het onderwijs in het kader van contractactiviteiten als bedoeld in artikel 2.9, tweede lid, van de wet; en d. d. voor zover het betreft de bekostiging bedoeld in de artikelen 5.4, eerste lid, onderdeel b, en 5.5 van de wet, nieuwkomers zijn die op de teldatum korter dan 1 jaar in Nederland als werkelijk schoolgaand staan ingeschreven op een school als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 1 van de Wet op de expertisecentra of artikel 1.1 van de wet.
2.
Als geldige reden voor verzuim als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, wordt aangemerkt:
a. a. ten aanzien van een leerplichtige leerling: een vrijstelling van geregeld schoolbezoek als bedoeld in de LPW of de LPW BES; b. b. ten aanzien van een niet-leerplichtige leerling: dezelfde gronden als die welke leiden tot vrijstelling van geregeld schoolbezoek als bedoeld in onderdeel a.
Artikel 6.9
1.
Onverminderd het bepaalde in de artikelen 6.7, 6.8 en 6.10, wordt een leerling meegeteld voor de aanvullende bekostiging voor leerwegondersteunend onderwijs, bedoeld in artikel 5.5, eerste lid, van de wet, indien:
a. a. het samenwerkingsverband voor de teldatum heeft bepaald dat:
1°.
de leerling is aangewezen op leerwegondersteunend onderwijs; of
2°.
de leerling is toelaatbaar tot het praktijkonderwijs; of
1°. 1°. de leerling is aangewezen op leerwegondersteunend onderwijs; of 2°. 2°. de leerling is toelaatbaar tot het praktijkonderwijs; of b. b. sprake is van een tijdelijke plaatsing als bedoeld in artikel 8.13 van de wet.
2.
Onverminderd het bepaalde in de artikelen 6.7, 6.8 en 6.10 wordt een leerling in het praktijkonderwijs meegeteld voor de aanvullende bekostiging, bedoeld in artikel 5.5, tweede lid, van de wet, indien:
a. a. het samenwerkingsverband voor de teldatum heeft bepaald dat de leerling toelaatbaar is tot het praktijkonderwijs; of b. b. er sprake is van een tijdelijke plaatsing als bedoeld in artikel 8.13 van de wet.
Artikel 6.10
1. Leerlingen als bedoeld in de artikelen 2.57 en 2.59 worden aangemerkt als leerlingen die op de teldatum als werkelijk schoolgaand op de school zijn ingeschreven, als bedoeld in artikel 6.7, eerste lid. Artikel 6.8, eerste lid, onderdeel a, en tweede lid, is op deze leerlingen van overeenkomstige toepassing.
2. In afwijking van het eerste lid, tellen leerlingen die zijn afgewezen voor een eindexamen als bedoeld in artikel 2.51 van de wet en aansluitend op grond van artikel 2.58 voor een of meer vakken vavo volgen in plaats van voortgezet onderwijs, op de teldatum voor 50% mee.
3. In afwijking van het eerste lid en van artikel 6.8, eerste lid, onderdeel b, tellen leerlingen die op grond van artikel 2.58, derde lid, voor een of meer vakken vavo volgen in plaats van voortgezet onderwijs, op de teldatum voor 50% mee.
Paragraaf 3. Betaling van de bekostiging
Artikel 6.11
1. Het Rijk betaalt elke maand van het kalenderjaar aan het bevoegd gezag van een school een gedeelte van de bekostiging, bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, waarop het over dat jaar recht heeft.
2. Onze Minister kan op de in artikel 6.2, eerste lid, bedoelde bekostiging de verwachte bedragen als bedoeld in artikel 5.34, vijfde lid, van de wet in mindering brengen.
3. De aanvullende bekostiging, bedoeld in artikel 6.2, tweede lid, wordt in een keer betaald dan wel wordt betaald volgens een bij ministeriële regeling te bepalen betaalritme.
Artikel 6.12
1. Voor de vaststelling van de bekostiging zendt Onze Minister jaarlijks voor 15 januari volgend op de teldatum aan het bevoegd gezag overzichten van de gegevens, bedoeld in de artikelen 5, eerste lid, 6, derde lid, en 8, vijfde lid, onderdeel a, van het Besluit register onderwijsdeelnemers over het aantal leerlingen op de teldatum dat bij de vaststelling van de bekostiging voor het daarop volgende kalenderjaar in aanmerking wordt genomen.
2.
Het bevoegd gezag zendt jaarlijks voor 1 juli aan Onze Minister voor het daaropvolgende schooljaar:
a. a. een verklaring van het bevoegd gezag omtrent de juistheid van de gegevens, bedoeld in de artikelen 5, eerste lid, 6, derde lid, en 8, vijfde lid, onderdeel a, van het Besluit register onderwijsdeelnemers van de leerlingen op de teldatum die het aan Onze Minister heeft gemeld; of b. b. indien de in onderdeel a bedoelde gegevens naar het oordeel van het bevoegd gezag onjuist zijn, de door het bevoegd gezag gecorrigeerde gegevens; en c. c. een verklaring van een accountant omtrent de juistheid van de gegevens, bedoeld in onderdeel a of onderdeel b.
3.
Bij ministeriële regeling kan worden vastgesteld:
a. a. een model voor de verklaring, bedoeld in het tweede lid, onderdelen a en c; en b. b. een leidraad voor de controle door de accountant, bedoeld in het tweede lid, onderdeel c.
4. Indien Onze Minister voor 1 juli in enig jaar aanvullende bekostiging heeft vastgesteld, dient het bevoegd gezag voor die datum bij Onze Minister een verklaring in over de juistheid van de respectievelijk voor de vaststelling van de aanvullende bekostiging aan Onze Minister gemelde gegevens. Het tweede lid, onderdelen b en c, en het derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 6.13
1. Onze Minister maakt het bedrag voor de bekostiging, bedoeld in artikel 5.6 en 5.9 van de wet, bekend voorafgaand aan het kalenderjaar waarop dit betrekking heeft.
2. Indien de verklaring, bedoeld in artikel 6.12, tweede lid, onderdeel c, van de accountant daartoe aanleiding geeft, wijzigt Onze Minister de bekostiging of aanvullende bekostiging.
3. Onze Minister kan de bekostiging wijzigen wegens algemene salarismaatregelen of wegens andere al dan niet uit de rijksbegroting voortvloeiende maatregelen.
Artikel 6.14
1. Onze Minister gaat gedurende het kalenderjaar waarop de verminderingen op de bekostiging, bedoeld in artikel 6.4, eerste lid, betrekking hebben, per maand over tot een voorlopige inhouding op de bekostiging.
2. De definitieve vaststelling van de verminderingen, bedoeld in het eerste lid, vindt zo snel mogelijk na afloop van het desbetreffende kalenderjaar plaats.
3. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de wijze waarop toepassing wordt gegeven aan het in mindering brengen van bekostiging.
Artikel 6.15
Onze Minister kan op aanvraag van het bevoegd gezag van een school of scholengemeenschap met een bijzondere inrichting van het onderwijs besluiten dat wordt afgeweken van de artikelen 6.1 tot en met 6.14.
Paragraaf 4. Boekhouding, financieel beheer en financiële controle
Artikel 6.16
1. De boekhouding van een niet door een gemeente in stand gehouden school is zodanig ingericht dat op doelmatige wijze informatie kan worden verkregen over het gevoerde financiële beheer.
2. Het boekjaar is gelijk aan het kalenderjaar.
Artikel 6.17
1. Het bevoegd gezag verstrekt op verzoek van Onze Minister nadere financiële informatie met betrekking tot de school.
2. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de wijze waarop de financiële informatie wordt verstrekt.
Artikel 6.18
1. Het bevoegd gezag stelt jaarlijks tijdig voor het komende begrotingsjaar een begroting vast voor de school.
2. De begroting bevat een raming van de baten en lasten van de school en is sluitend. De in de begroting voorziene baten uit de van het Rijk te ontvangen bekostiging komen overeen met de voor het desbetreffende jaar door Onze Minister vastgestelde bekostiging.
3. Het bevoegd gezag doet de noodzakelijke uitgaven binnen de grenzen van de begroting.
4. Af- en overschrijving op de uitgavenposten van de begroting kunnen door het bevoegd gezag geschieden overeenkomstig door het bevoegd gezag vastgestelde regels.
5. Het bevoegd gezag zendt Onze Minister op diens verzoek de vastgestelde begroting.
6. Bij ministeriële regeling kan een model voor de inrichting van de begroting worden vastgesteld.
Artikel 6.19
1. Het jaarverslag, bedoeld in artikel 5.46 van de wet, wordt ingericht overeenkomstig bij ministeriële regeling vast te stellen regels.
2. Het bevoegd gezag stelt jaarlijks ten behoeve van de school een jaarverslag vast over het afgelopen jaar.
3. In de jaarrekening legt het bevoegd gezag verantwoording af over het financieel beheer. Uit de jaarrekening blijkt dat sprake is van een rechtmatige aanwending van de rijksbekostiging. De jaarrekening omvat ook de gegevens die van belang zijn voor de verantwoording met betrekking tot de besteding van toegekende aanvullende bekostiging.
4. Het bevoegd gezag zendt het vastgestelde jaarverslag voor 1 juli van het jaar volgend op het boekjaar aan Onze Minister. Het jaarverslag gaat vergezeld van een verklaring omtrent de getrouwheid, afgegeven door een door het bevoegd gezag aangewezen accountant. Bij de aanwijzing van de accountant bedingt het bevoegd gezag dat aan Onze Minister op diens verzoek inzage wordt geboden in de controlerapporten en de controledossiers van de accountant.
5. Indien het bevoegd gezag meer dan één school in stand houdt, wordt voor deze scholen een gezamenlijke balans en een gezamenlijke exploitatierekening vastgesteld. Bij de jaarrekening is een bijlage gevoegd die inzicht biedt in het bestedingspatroon voor de afzonderlijke scholen van het bevoegd gezag.
6. Bij ministeriële regeling wordt een model voor de inrichting van de jaarrekening vastgesteld.
7. Bij ministeriële regeling kan een leidraad worden vastgesteld over de inrichting en de uitvoering van de controle door de accountant.
Artikel 6.20
1. Indien aan het bevoegd gezag van een school een aanvullende bekostiging is verstrekt onder de voorwaarde dat deze bekostiging voor het bij de verstrekking aangegeven doel wordt besteed, blijkt uit de jaarrekening van de school in hoeverre deze bekostiging voor dat doel is besteed.
2. Indien verrekening plaatsvindt of zal plaatsvinden van het daadwerkelijk bestede bedrag met de vastgestelde aanvullende bekostiging, maakt het bevoegd gezag in de desbetreffende jaarrekening melding van het daadwerkelijk bestede bedrag.
Artikel 6.21
1.
Onverminderd de bevoegdheid van de inspectie op grond van de WOT kan Onze Minister een onderzoek instellen of doen instellen naar:
a. a. de jaarverslaggeving; b. b. de gegevens die noodzakelijk zijn voor de vaststelling van de bekostiging; c. c. de rechtmatigheid van de bestedingen; d. d. de doelmatigheid van het financiële beheer van de school.
2. Onze Minister kan besluiten tot het aanbrengen van correcties op de bekostiging indien uit een onderzoek als bedoeld in het eerste lid blijkt dat de bekostiging van een school onjuist is vastgesteld. Onze Minister doet het bevoegd gezag schriftelijk mededeling van een besluit tot het aanbrengen van een correctie op de bekostiging.
3. Onverminderd artikel 4:49 Awb, kan Onze Minister besluiten dat een gedeelte van de bekostiging niet ten laste komt van het Rijk of dat de daarmee gemoeide bedragen in mindering worden gebracht op de bekostiging, indien uit het jaarverslag, bedoeld in artikel 5.46, eerste lid, van de wet, uit de verklaring van de accountant, bedoeld in artikel 5.46, vierde lid, van de wet of uit een op grond van het eerste lid ingesteld onderzoek blijkt dat de bekostiging voor een school onrechtmatig is besteed of ondoelmatig is aangewend.
Artikel 6.22
Onze Minister betaalt een correctie als bedoeld in artikel 6.21, tweede lid, die strekt tot verhoging van de bekostiging, binnen acht weken na de bekendmaking van de mededeling, bedoeld in artikel 6.21, tweede lid.
Paragraaf 5. Informatie voor bekostiging
Artikel 6.23
1. De gegevens, bedoeld in de artikel 5.48, eerste lid, van de wet, waarover een bevoegd gezag of een samenwerkingsverband beschikt, worden gedefinieerd en geordend volgens de regels vermeld in bijlage 3.
2. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over de gegevens, bedoeld in het eerste lid, en over de wijze waarop de gegevens beschikbaar worden gesteld.
3. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de gegevens die betrekking hebben op verstrekte aanvullende bekostiging en de wijze waarop deze gegevens worden gedefinieerd, geordend en beschikbaar gesteld.
4. In de ministeriële regeling wordt geregeld welke gevraagde gegevens van belang zijn voor de berekening van de hoogte van de bekostiging.
Artikel 6.24
Bij ministeriële regeling kan in spoedeisende gevallen een aanvullende vragenlijst over de bekostiging worden vastgesteld ter beantwoording door het bevoegd gezag.
Artikel 6.25
Onze Minister kan bij het verzoek om beschikbaarstelling van gegevens als bedoeld in artikel 5.48, eerste lid, van de wet bij hem bekende gegevens opnemen.
Paragraaf 6. Samenvoeging, afsplitsing en opheffing scholen en beëindiging bekostiging
Artikel 6.26
1. In geval van oprichting, verplaatsing of splitsing van een school kan Onze Minister afwijken van de teldatum en de op die afwijkende datum getelde leerlingen toerekenen aan de nieuwe scholen. Hij kan daarbij nadere voorschriften geven.
2. Onze Minister kan in verband met de aanvang of beëindiging van de bekostiging van een school, van een scholengemeenschap of van een profiel aan een school voor vbo afwijken van de artikelen 6.7 en 6.8.
Artikel 6.27
1. Bij samenvoeging van scholen als bedoeld in artikel 4.10 van de wet, op 1 augustus van enig kalenderjaar, wordt de bekostiging op grond van artikel 5.4 van de wet, en de aanvullende bekostiging van alle bij de samenvoeging betrokken scholen gehandhaafd tot het einde van dat kalenderjaar.
2. Bij afsplitsing van een of meer scholen van een scholengemeenschap als bedoeld in artikel 4.2, derde lid, van de wet, op 1 augustus van enig kalenderjaar, wordt de bekostiging op grond van artikel 5.4 van de wet, en de aanvullende bekostiging van de bij de afsplitsing betrokken scholengemeenschap gehandhaafd tot het einde van dat kalenderjaar.
Artikel 6.28
Het bevoegd gezag doet binnen twee weken na een besluit tot opheffing van de school daarvan mededeling aan Onze Minister, gedeputeerde staten, de inspectie, en indien het een bijzondere school betreft, eveneens aan burgemeester en wethouders van de gemeente waarin de school is gelegen.
Artikel 6.29
1. Indien een school wordt opgeheven anders dan in verband met samenvoeging met een andere school of de aanspraak op bekostiging voor een school verloren gaat, stort het bevoegd gezag het exploitatie-overschot, bedoeld in artikel 5.37 van de wet, terug in ’s Rijks kas. Het neemt daarbij het derde lid in acht.
2.
Het exploitatie-overschot is de som van:
a. a. het bedrag van de bekostiging, bedoeld in artikel 5.32 van de wet, verminderd met de lasten over dat jaar voor zover deze als rechtmatig kunnen worden aangemerkt; b. b. de reserveringen voor zover afkomstig uit ’s Rijks kas, met inbegrip van de ontvangen rentebaten; en c. c. voor zover het gaat om een bijzondere school, de niet bestede gedeelten van de uitkeringen op grond van de voorschriften inzake de gemeentelijke overschrijding.
3. Indien het exploitatie-overschot van een bijzondere school ook is opgebouwd uit uitkeringen als bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, geldt als maatstaf voor de verdeling van dat deel van het exploitatie-overschot tussen het Rijk en de gemeente de verhouding tussen het ontvangen bedrag aan bekostiging van het Rijk en het ontvangen bedrag aan overschrijdingsuitkeringen van de gemeente in een periode van vijf jaren, voorafgaand aan het jaar van de beëindiging van de bekostiging. De verdeling behoeft de goedkeuring van Onze Minister.
Paragraaf 7. Samenwerkingsverbanden
Artikel 6.30
1. Het samenwerkingsverband neemt in het ondersteuningsplan een datum op wanneer wordt vastgesteld of sprake is van een meer dan gemiddelde toename van het aantal ingeschreven leerlingen, bedoeld in artikel 2.47, negende lid, onderdeel g, van de wet. Deze vaststelling vindt in ieder geval plaats in de periode tussen 1 februari en 1 juni.
2. Indien een meer dan gemiddelde toename, bedoeld in het eerste lid, wordt vastgesteld, draagt het samenwerkingsverband voor het aantal leerlingen dat na 1 februari toelaatbaar is verklaard tot het voortgezet speciaal onderwijs per leerling een bedrag over aan de school waar de leerling is ingeschreven.
3. Het bedrag, bedoeld in het tweede lid, is afhankelijk van de in de toelaatbaarheidsverklaring opgenomen ondersteuningsbehoefte van de leerling en wordt bij ministeriële regeling vastgesteld.
4. De overdracht, bedoeld in het tweede lid, heeft betrekking op het kalenderjaar dat volgt op de teldatum.
Artikel 6.31
Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2022/4.
Artikel 6.32
Paragraaf 4 is van overeenkomstige toepassing op een samenwerkingsverband.
Hoofdstuk 7. Dit hoofdstuk treedt niet meer in werking. Het hoofdstuk is ingetrokken door Stb. 2024/14.
Artikel 7.1
Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2024/14.
Artikel 7.2
Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2024/14.
Artikel 7.3
Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2024/14.
Artikel 7.4
Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2024/14.
Hoofdstuk 8. Deelname
Paragraaf 1. Toelating en voorwaardelijke bevordering
Artikel 8.1
1. De gevallen, bedoeld in artikel 8.5, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de wet, waarin het bevoegd gezag een kandidaat-leerling mag toelaten die afkomstig is van een andere school, zijn opgenomen in het tweede tot en met vierde lid van dit artikel.
2.
Het bevoegd gezag van een school voor vwo of voor havo kan tot het eerste leerjaar van die school toelaten:
a. a. de kandidaat-leerling die tot het eerste leerjaar van een andere school voor vwo of voor havo is toegelaten; of b. b. de kandidaat-leerling die het eerste leerjaar van een school voor mavo gedeeltelijk heeft doorlopen, indien de studieresultaten naar het oordeel van het bevoegd gezag aanleiding geven tot toelating tot vwo of havo.
3.
Het bevoegd gezag van een school voor mavo kan tot het eerste leerjaar van die school toelaten:
a. a. de kandidaat-leerling die tot het eerste leerjaar van een andere school voor mavo of tot het eerste leerjaar van een school voor vwo of voor havo is toegelaten; of b. b. de kandidaat-leerling die het eerste leerjaar van een school voor vbo gedeeltelijk heeft doorlopen, indien de studieresultaten naar het oordeel van het bevoegd gezag aanleiding geven tot toelating tot mavo.
4. Het bevoegd gezag van een school voor vbo kan tot het eerste leerjaar van die school toelaten de kandidaat-leerling die tot het eerste leerjaar van een andere school is toegelaten, ongeacht de schoolsoort.
Artikel 8.2
1. Het bevoegd gezag kan zijn bevoegdheid, bedoeld in artikel 8.6, eerste lid, van de wet, om te beslissen over de toelating van een leerling tot de school, onder zijn verantwoordelijkheid laten uitoefenen door een door hem in te stellen toelatingscommissie.
2. Het bevoegd gezag stelt regels over de omvang, samenstelling en werkzaamheden van de toelatingscommissie en kan nadere regels stellen over de bevoegdheidsuitoefening van de toelatingscommissie.
Artikel 8.3
1. Indien voor een kandidaat-leerling geen definitief schooladvies als bedoeld in artikel 8.6, tweede lid, van de wet is vastgesteld, baseert het bevoegd gezag zijn beslissing over de toelating tot het eerste leerjaar op een doorstroomtoets als bedoeld in artikel 45b, derde lid, WPO, artikel 48c, derde lid, WEC of artikel 51b, eerste lid, WPO BES. Indien de leerling geen doorstroomtoets heeft afgelegd, baseert het bevoegd gezag zijn beslissing tot toelating op een onderzoek naar de geschiktheid van de kandidaat-leerling.
2. Het bevoegd gezag van een school met een bijzondere inrichting waarvoor specifieke kennis of vaardigheden van de kandidaat-leerling noodzakelijk zijn, kan een onderzoek naar die specifieke kennis of vaardigheden bij de kandidaat-leerling afnemen.
Artikel 8.4
Het bevoegd gezag stelt een procedure op voor de toelating van leerlingen tot het eerste leerjaar en zendt de procedure aan de inspectie.
Artikel 8.5
Het bevoegd gezag stelt jaarlijks een verslag op over de middelen die het heeft toegepast voor de toelating van leerlingen tot het eerste leerjaar en over de daarmee opgedane ervaringen en zendt het verslag jaarlijks binnen zes maanden na de toelating aan de inspectie.
Artikel 8.6
Het bevoegd gezag stelt de directeur van de basisschool, de speciale school voor basisonderwijs, de school voor speciaal onderwijs, de school voor voortgezet speciaal onderwijs of de school of instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs in kennis van:
a. a. de beslissing over de toelating; en b. b. indien de directeur dit verzoekt, de studieresultaten van de leerling na afloop van het eerste leerjaar.
Artikel 8.7
Bij toelating plaatst het bevoegd gezag de leerling, die van een gelijksoortige school afkomstig is, in het leerjaar waarin die leerling op die andere school onderwijs had mogen volgen.
Artikel 8.8
1. Het bevoegd gezag vermeldt een voorwaardelijke bevordering op het eindrapport.
2.
Het bevoegd gezag doet ook schriftelijk mededeling van de voorwaardelijke bevordering aan de ouders van de betrokken leerling, waarbij worden vermeld:
a. a. de datum tussen 1 oktober en 1 januari daaropvolgend waarop definitief over de overgang zal worden beslist; en b. b. de voorwaarden voor bevordering.
3. Bevordering tot het hoogste leerjaar gebeurt niet voorwaardelijk.
Artikel 8.9
1.
Een leerling die in het bezit is van een diploma vmbo in de theoretische leerweg kan de toelating tot het vierde leerjaar van een school voor havo worden geweigerd, indien het eindexamen dat heeft geleid tot zijn diploma geen van de volgende vakken als extra vak omvat:
a. a. de vakken, genoemd in artikel 2.16; b. b. de vakken, genoemd in artikel 2.17, onderdeel b; c. c. de vakken, genoemd in artikelen 2.6 en 2.7, met uitzondering van de vakken genoemd in artikel 2.7, onderdeel c, subonderdelen 1° en 2°, en onderdeel d; of d. d. de vakken, genoemd in artikelen 2.11 en 2.12, met uitzondering van de vakken, genoemd in artikel 2.12, onderdeel c, subonderdelen 1° en 2°, en onderdeel d.
2.
Een leerling die in het bezit is van een diploma vmbo in de gemengde leerweg kan de toelating tot het vierde leerjaar van een school voor havo worden geweigerd, indien het eindexamen dat heeft geleid tot zijn diploma geen van de volgende vakken als extra vak omvat:
a. a. de vakken, genoemd in artikel 2.25, tweede lid; b. b. de vakken, genoemd in artikel 2.26, onderdeel c; of c. c. de vakken, bedoeld in het eerste lid, onderdelen c en d.
Paragraaf 2. Leerlingenadministratie
Artikel 8.10
1.
Het bevoegd gezag draagt zorg voor:
a. a. een overzichtelijke administratie van de inschrijving van leerlingen; b. b. de beschikbaarheid van een bewijs van de uitschrijving en van de gegevens over het verzuim van leerlingen; en c. c. de beschikbaarheid van de gegevens van leerlingen en hun ouders die noodzakelijk zijn voor de vaststelling van de bekostiging.
2. De gegevens van de leerling die in de leerlingenadministratie zijn opgenomen, worden nadat de leerling is uitgeschreven ten minste vijf jaar bewaard.
3. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de wijze waarop de leerlingenadministratie wordt ingericht.
Artikel 8.11
1. Onverminderd het bepaalde bij of krachtens de Les- en cursusgeldwet, schrijft het bevoegd gezag van een school een leerling slechts in na een beslissing van het bevoegd gezag tot toelating van de leerling, of indien de leerling tijdelijk op de school wordt geplaatst op grond van artikel 8.13 van de wet.
2.
Het bevoegd gezag schrijft de leerling in met ingang van:
a. a. de dag waarop de leerling de school voor het eerst bezoekt; of b. b. 1 augustus van het schooljaar, indien de leerling de school voor het eerst op de eerste schooldag van het schooljaar bezoekt.
Artikel 8.12
1. Het bevoegd gezag maakt bij beslissingen tot verwijdering van leerlingen op de grond dat deze niet zijn bevorderd tot het zesde leerjaar van het vwo dan wel het vijfde leerjaar van het havo, geen onderscheid tussen leerlingen op basis van de schoolsoort of leerweg waarvoor zij eerder stonden ingeschreven.
2. Een leerling wordt op grond van onvoldoende vorderingen niet in de loop van een schooljaar verwijderd.
Artikel 8.13
1.
Het bevoegd gezag schrijft de leerling uit met ingang van:
a. a. 31 juli van het schooljaar, indien de leerling de school op de laatste schooldag van dat schooljaar heeft bezocht; of b. b. de dag waarop de leerling de school voor het laatst heeft bezocht.
2. Indien het bevoegd gezag van een school waarop de leerling stond ingeschreven, binnen vier weken na de dag waarop de leerling de school voor het laatst heeft bezocht uit het register onderwijsdeelnemers, bedoeld in de Wet register onderwijsdeelnemers, een melding ontvangt van de inschrijving van de leerling op een andere school of een school voor ander onderwijs, wijzigt het bevoegd gezag de datum van uitschrijving, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, alsnog in de datum van de dag voorafgaande aan de dag van inschrijving op die andere school of die school voor ander onderwijs.
Paragraaf 3. Melding en vaststelling langdurige afwezigheid in verband met
Artikel 8.14
1. Een ziekte als bedoeld in artikel 8.30, eerste lid, van de wet kan alleen worden aangetoond door middel van een gedagtekende verklaring van een arts.
2. Het bevoegd gezag meldt uiterlijk op de derde werkdag na afloop van een periode van afwezigheid zonder geldige reden van vier weken van een leerling als bedoeld in artikel 8.30, eerste lid, van de wet, aan deze leerling dat van die afwezigheid in de leerlingenadministratie van de school aantekening is gemaakt en verzoekt de leerling om opgaaf van de reden van de afwezigheid. Het bevoegd gezag doet daarbij mededeling van de levering van de gegevens van de leerling, bedoeld in artikel 8.20, eerste lid, van de wet.
3.
Het bevoegd gezag stelt uiterlijk op de vijfde werkdag na afloop van een periode van acht weken na de aanvang van de afwezigheid vast:
a. a. of de reden die de leerling tijdens deze acht weken gaf voor zijn afwezigheid, een geldige is; of b. b. dat de leerling tijdens deze acht weken geen reden heeft opgegeven voor die afwezigheid; en c. c. of de leerling tijdens deze acht weken weer aan het onderwijs is gaan deelnemen.
4. De melding, bedoeld in artikel 8.30, eerste lid, van de wet, vindt plaats uiterlijk op de vijfde werkdag na afloop van de periode van acht weken, bedoeld in het tweede lid. Indien die leerling tijdens deze acht weken weer aan het onderwijs is gaan deelnemen, meldt het bevoegd gezag Onze Minister ook de datum daarvan.
5. De periode van vijf weken, bedoeld in artikel 8.30, eerste lid, van de wet, en de periode van acht weken, bedoeld in het tweede lid, worden verlengd met de weken waarin vanwege vakantie geen onderwijs wordt gegeven. Vakantieweken worden niet als onderbreking van de periode gezien.
Hoofdstuk 8a. Tijdelijke nieuwkomersvoorzieningen
Artikel 8.15
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
- inrichtingsplan: inrichtingsplan, bedoeld in artikel 9.3h, derde lid, van de wet;
- instellingscode: code bestaande uit twee cijfers en twee hoofdletters waarmee de school uniek is te identificeren in de Registratie Instellingen en Opleidingen;
- vestigingscode: nummer dat bestaat uit de instellingscode, aangevuld met de twee cijfers die de vestiging aanduiden.
Artikel 8.16
1.
De melding van het bevoegd gezag over de inrichting van een tijdelijke nieuwkomersvoorziening, bedoeld in artikel 9.3h, eerste lid, van de wet, gaat vergezeld van de volgende gegevens:
a. a. de naam van de contactpersoon; b. b. het correspondentieadres van de contactpersoon; c. c. het telefoonnummer van de contactpersoon; d. d. het e-mailadres van de contactpersoon; e. e. de naam en het bestuursnummer van het bevoegd gezag; f. f. de naam en de instellingscode van de school en de vestigingscode waarvan de tijdelijke nieuwkomersvoorziening een uitbreiding is; g. g. het vestigingsadres; h. h. de startdatum; i. i. het aantal leerlingen in de tijdelijke nieuwkomersvoorziening of het aantal leerlingen dat naar verwachting de tijdelijke nieuwkomersvoorziening zal bezoeken en het aantal groepen of klassen; j. j. indien van toepassing de specifieke opvanglocatie waaraan de tijdelijke nieuwkomersvoorziening is verbonden; en k. k. de contactgegevens van de betrokken samenwerkingsverbanden.
2. Het inrichtingsplan bevat de gegevens, bedoeld in het eerste lid, en een beschrijving van de wijze waarop voldoende expertise over het aanbieden van onderwijs aan nieuwkomers wordt geborgd.
3. Het bevoegd gezag stelt het inrichtingsplan beschikbaar aan de ouders van de leerlingen van een tijdelijke nieuwkomersvoorziening.
Artikel 8.17
1. Het bevoegd gezag stelt voor elke leerling in een tijdelijke nieuwkomersvoorziening binnen zes weken na de inschrijving van de leerling een doorstroomperspectief vast.
2. Het doorstroomperspectief bevat in elk geval een plan over de wijze waarop een leerling zo snel mogelijk en in ieder geval binnen twee jaren na inschrijving in een tijdelijke nieuwkomersvoorziening zal doorstromen naar een school voor speciaal onderwijs, school voor voortgezet speciaal onderwijs, school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs of een school voor voortgezet onderwijs, niet zijnde een tijdelijke nieuwkomersvoorziening.
3. Het bevoegd gezag evalueert ten minste een keer per jaar het doorstroomperspectief in overleg met de ouders en stelt dit indien nodig bij.
Artikel 8.18
Indien een vacature voor het geven van onderwijs in een tijdelijke nieuwkomersvoorziening niet kan worden vervuld door een bevoegde leraar of door onderwijspersoneel als bedoeld in artikel 9.3h van de wet, dan kan het bevoegd gezag in afwijking van de artikelen 2.38, eerste tot en met negende lid, en 2.39 eerste en tweede lid, van de wet het aantal klokuren onderwijs in de tijdelijke nieuwkomersvoorziening tijdelijk beperken, met dien verstande dat:
a. a. de onderwijstijd niet meer en langer dan strik noodzakelijk wordt beperkt; b. b. leerlingen ten minste 12,5 klokuren per week onderwijs ontvangen verspreid over ten minste 3 onderwijsdagen per week; en c. c. leerlingen ten minste 10 klokuren per week onderwijs ontvangen in de Nederlandse taal.
Artikel 8.19
Bij vaststelling van het schoolplan en de schoolgids, bedoeld in de artikelen 2.88, 2.89, 2.90, 2.91 en 2.92 van de wet, wordt de tijdelijke nieuwkomersvoorziening niet betrokken.
Artikel 8.20
1. Het bevoegd gezag meldt het voornemen tot opheffing van een tijdelijke nieuwkomersvoorziening aan Onze Minister.
2. Na de melding plaatst het bevoegd gezag geen nieuwe leerlingen in de tijdelijke nieuwkomersvoorziening.
3.
De melding gaat vergezeld van:
a. a. de gegevens, bedoeld in artikel 8.16; en b. b. een uitfaseringsplan.
4. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over het uitfaseringsplan.
Artikel 8.21
1. Een tijdelijke nieuwkomersvoorziening moet zijn opgeheven indien de termijn bedoeld in artikel 9.3d, vierde lid, van de wet is verstreken.
2. Onze Minister verbindt aan het besluit, bedoeld in 9.3d, vierde lid, van de wet, een uiterlijke termijn voor het plaatsen van nieuwe leerlingen.
3. Het bevoegd gezag zendt twee maanden voor het verstrijken van de termijn de gegevens bedoeld in artikel 8.16, eerste lid, en het uitfaseringsplan, bedoeld in artikel 8.20, derde lid, onder b, aan Onze Minister.
Artikel 8.22
Hoofdstuk 8a vervalt op het tijdstip waarop hoofdstuk 9, paragraaf 2a, van de wet vervalt.
Hoofdstuk 9. Caribisch Nederland
Paragraaf 1. Algemeen
Artikel 9.1
Dit hoofdstuk is van toepassing in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
Paragraaf 2. Wijze van toepassing
Artikel 9.2
1. In de artikelen 2.3, 2.4 en 2.33 wordt voor «Duitse taal» telkens gelezen «Spaanse taal» en wordt voor «Spaanse taal» telkens gelezen «Papiaments, Duitse taal».
2. In de artikelen 2.5, eerste lid, 2.6, derde lid, en 2.11, derde en vierde lid, wordt voor «Franse taal en literatuur» telkens gelezen «Papiaments, Franse taal en literatuur».
3. In aanvulling op de artikelen 2.17 en 2.26 kan het vrije deel van de theoretische leerweg en van de gemengde leerweg ook het vak Papiaments omvatten.
4. In aanvulling op artikel 2.23 kan het bevoegd gezag de leerling in een beroepsgerichte leerweg in de gelegenheid stellen om Papiaments als extra vak te volgen.
5. In aanvulling op de artikelen 2.7, onderdeel b, en 2.12, onderdeel b, kunnen ook Papiaments (elementair) en Duitse taal en literatuur (elementair) deel uitmaken van het vrije deel van een profiel in vwo en havo, voor zover deze taal niet al eerder is gevolgd of niet al deel uitmaakt van het profiel en het bevoegd gezag deze vakken aanbiedt, met een normatieve studielast van 480 uur.
Artikel 9.3
Artikel 2.41 is niet van toepassing.
Artikel 9.4
1. In artikel 2.42, eerste lid, onderdeel d, wordt voor «Bevrijdingsdag» gelezen «Koninkrijksdag».
2. Artikel 2.45 is niet van toepassing.
Artikel 9.5
Hoofdstuk 2, paragraaf 9, is niet van toepassing.
Artikel 9.6
Hoofdstuk 2, paragraaf 10, is niet van toepassing.
Artikel 9.7
1. Het bevoegd gezag kan bij een samenwerkingsovereenkomst als bedoeld in artikel 2.56 afwijken van artikel 2.57, tweede lid, als het gaat om het geven van vakken of onderdelen van het profieldeel of het vrije deel van de beroepsgerichte leerwegen.
2. De artikelen 2.59 en 2.60 zijn niet van toepassing.
Artikel 9.8
Artikel 2.70 is niet van toepassing.
Paragraaf 3. Wijze van toepassing
Artikel 9.9
1. De artikelen 3.4, tweede lid, 3.5, derde lid, onderdeel b, en 3.6, derde lid, onderdeel b, zijn niet van toepassing.
2. In artikel 3.8, derde lid, wordt voor «Duitse taal» gelezen «Spaanse taal» en wordt voor «het vak, bedoeld in het tweede lid van dat artikel» gelezen «Arabische taal, Turkse taal, Duitse taal, Papiaments, maatschappijkunde, geschiedenis en staatsinrichting, of aardrijkskunde».
Artikel 9.10
Artikel 3.10 is niet van toepassing.
Artikel 9.11
1. In afwijking van de artikelen 3.22 en 3.23 wijst Onze Minister voor elke school de gecommitteerden aan en maakt deze aanwijzing bekend aan de scholen waarvoor zij de tweede correctie verrichten.
2. In afwijking van het eerste lid wijst Onze Minister geen gecommitteerden aan voor het praktische gedeelte van het cspe.
Artikel 9.12
Artikel 3.51, derde lid, is niet van toepassing.
Artikel 9.13
Artikel 3.52 is niet van toepassing.
Artikel 9.14
In afwijking van artikel 3.53, eerste lid, is een extraneus een financiële bijdrage van USD 45 verschuldigd voor het afleggen van het eindexamen.
Artikel 9.15
In artikel 3.55 wordt voor «ten hoogste zes jaar onderwijs in Nederland heeft gevolgd» gelezen «ten hoogste zes jaar Nederlandstalig onderwijs heeft gevolgd».
Artikel 9.16
1. Artikel 3.63, tweede lid, onderdeel c, is niet van toepassing.
2. Bij de toepassing van artikel 3.64 wordt ten hoogte een cijferlijst van een examenkandidaat, die is uitgereikt aan een school, betrokken.
3. Artikel 3.65, derde lid, is niet van toepassing.
4. In artikel 3.69, eerste lid, wordt voor «Franse taal of Duitse taal» gelezen «Franse taal of Spaanse taal».
Paragraaf 4. Wijze van toepassing
Artikel 9.17
1. Artikel 4.2, eerste lid, onderdeel a, onder 2, en tweede lid, is niet van toepassing.
2. In afwijking van artikel 4.2, eerste lid onderdeel c, overlegt de examenkandidaat voor de toelating tot het staatsexamen vmbo basisberoepsgerichte leerweg, kaderberoepsgerichte leerweg of gemengde leerweg een cijferlijst waaruit blijkt dat bij het eindexamen voor het beroepsgerichte programma, bedoeld in de artikelen 3.5, eerste lid, onderdeel c, artikel 3.6, eerste lid, onderdeel c, of artikel 3.7, eerste lid, onderdeel d, dan wel het praktijkgerichte programma, als bedoeld in artikel 3.7, lid 1a, het eindcijfer 6 of hoger is behaald.
Artikel 9.18
1. In afwijking van artikel 4.3, eerste lid, bedraagt de financiële bijdrage voor toelating tot het afleggen van het staatsexamen USD 45.
2. In afwijking van artikel 4.3, tweede lid, bedraagt de financiële bijdrage voor toelating tot het afleggen van een deelstaatsexamen voor een vak waarin zowel het college-examen als het centraal examen wordt afgelegd USD 20.
3. In afwijking van artikel 4.3, derde lid, bedraagt de financiële bijdrage voor toelating tot het afleggen van deelstaatsexamen voor een vak waarin alleen het centraal examen of alleen het college-examen wordt afgelegd USD 17.
4. Voor de toelating tot deelstaatsexamens bedraagt de financiële bijdrage per kalenderjaar in totaal niet meer dan USD 45.
Artikel 9.19
Artikel 4.21, eerste lid, onderdeel b, is niet van toepassing.
Artikel 9.20
Artikel 4.33, derde lid, is niet van toepassing.
Artikel 9.21
In afwijking van artikel 4.35, derde lid, kan de aanpassing voor zover betrekking hebbend op het centraal examen in elk geval bestaan uit een verlenging van de duur van een toets met een door het college noodzakelijk geoordeelde periode, en het verlenen van toestemming tot het gebruik van een verklarend woordenboek der Nederlandse taal.
Paragraaf 5. Wijze van toepassing
Artikel 9.22
Hoofdstuk 5 is niet van toepassing.
Paragraaf 6. Wijze van toepassing
Artikel 9.23
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
- CAPE: Caribbean Advanced Proficiency Examination als bedoeld in artikel 1 van het Besluit Saba Comprehensive School en Gwendoline van Puttenschool BES;
- CCSLC: Caribbean Certificate of Secondary Level Competence als bedoeld in artikel 1 van het Besluit Saba Comprehensive School en Gwendoline van Puttenschool BES;
- CSEC: Caribbean Secondary Education Certificate als bedoeld in artikel 1 van het Besluit Saba Comprehensive School en Gwendoline van Puttenschool BES;
- CVQ: Caribbean Vocational Qualification als bedoeld in artikel 1 van het Besluit Saba Comprehensive School en Gwendoline van Puttenschool BES;
- ISK-leerlingen: leerlingen in een internationale schakelklas op scholen op Bonaire;
- lower forms: de eerste drie leerjaren van het voortgezet onderwijs aan scholen op Sint Eustatius en Saba, dat wordt ingevuld met CCSLC, eventueel aangevuld met vakken van CSEC en CVQ.
Artikel 9.24
In plaats van artikel 6.1 is artikel 9.25 van toepassing.
Artikel 9.25
1.
De bekostiging, bedoeld in artikel 11.56 van de wet, voor scholen op Bonaire bestaat uit:
a. a. een bedrag per school dat afhangt van het aantal leerlingen op de school; b. b. een bedrag per leerling, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen:
1°.
leerlingen in het praktijkonderwijs of in het derde of vierde leerjaar van de basisberoepsgerichte of kaderberoepsgerichte leerweg van het vbo, alsmede ISK-leerlingen en leerlingen met een specifieke onderwijsbehoefte; en
2°.
leerlingen in het vwo, havo, mavo of vbo, met uitzondering van leerlingen in het derde of vierde leerjaar van de basisberoepsgerichte en kaderberoepsgerichte leerweg van het vbo, ISK-leerlingen en leerlingen met een specifieke onderwijsbehoefte;
1°. 1°. leerlingen in het praktijkonderwijs of in het derde of vierde leerjaar van de basisberoepsgerichte of kaderberoepsgerichte leerweg van het vbo, alsmede ISK-leerlingen en leerlingen met een specifieke onderwijsbehoefte; en 2°. 2°. leerlingen in het vwo, havo, mavo of vbo, met uitzondering van leerlingen in het derde of vierde leerjaar van de basisberoepsgerichte en kaderberoepsgerichte leerweg van het vbo, ISK-leerlingen en leerlingen met een specifieke onderwijsbehoefte; c. c. een bij ministeriële regeling te bepalen procentuele opslag over de optelsom van de bedragen bedoeld in de onderdelen a en b, in verband met de zorg aan leerlingen met een specifieke onderwijsbehoefte, bedoeld in artikel 11.23, eerste lid, van de wet; en d. d. een aanvullend bedrag per school voor het opzetten en in stand houden van kleine arbeidsmarktgerelateerde mbo-opleidingen.
2.
De bekostiging, bedoeld in artikel 11.56 van de wet, voor scholen als bedoeld in artikel 1 van het Besluit Saba Comprehensive School en Gwendoline van Puttenschool BES, bestaat uit:
a. a. een bedrag per school, dat afhangt van het aantal leerlingen op de school; b. b. een bedrag per leerling, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen:
1°.
leerlingen in de lower forms of leerlingen die CSEC en CAPE volgen; en
2°.
leerlingen in het praktijkonderwijs of leerlingen die CVQ volgen.
1°. 1°. leerlingen in de lower forms of leerlingen die CSEC en CAPE volgen; en 2°. 2°. leerlingen in het praktijkonderwijs of leerlingen die CVQ volgen. c. c. een bij ministeriële regeling nader te bepalen procentuele opslag over de optelsom van de bedragen, bedoeld in de onderdelen a en b, in verband met de zorg aan leerlingen met een specifieke onderwijsbehoefte, bedoeld in artikel 11.23, eerste lid, van de wet; d. d. een bij ministeriële regeling te bepalen procentuele opslag over de optelsom van de onderdelen a tot en met c in verband met het loon- en prijspeil en de examenkosten op Sint-Eustatius en Saba; e. e. een aanvullend bedrag per school in verband met de geïsoleerde ligging en de kleinschaligheid op Sint Eustatius en Saba, dat afhangt van het aantal leerlingen op de school; en f. f. een aanvullend bedrag per school voor het opzetten en in stand houden van kleine arbeidsmarktgerelateerde CVQ-opleidingen.
3. De bekostiging, bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt vastgesteld in US dollars, en wordt rekenkundig afgerond op twee decimalen.
Artikel 9.26
1. In artikel 6.2, eerste lid, wordt voor «artikel 5.6» gelezen «artikel 11.56».
2. Artikel 6.2, derde lid, is niet van toepassing.
Artikel 9.27
In artikel 6.3 wordt telkens voor «de artikelen 5.4 en 5.5» gelezen «de artikelen 5.4 en 11.56» en wordt voor «hoofdstuk 4 van de wet» gelezen «hoofdstukken 4 en 11, paragraaf 4, van de wet».
Artikel 9.28
Artikel 6.4 is niet van toepassing.
Artikel 9.29
Artikel 6.5 is niet van toepassing.
Artikel 9.30
Artikel 6.6 is niet van toepassing.
Artikel 9.31
In plaats van artikel 6.8 is artikel 9.32 van toepassing.
Artikel 9.32
1.
Voor het bepalen van de hoogte van de bekostiging van een school of scholengemeenschap worden niet meegeteld de leerlingen die :
a. a. vanaf het begin van het schooljaar tot de teldatum meer dan de helft van het aantal schooldagen zonder geldige reden hebben verzuimd; en b. b. deelnemen aan het onderwijs in het kader van contractactiviteiten als bedoeld in artikel 2.9, tweede lid, van de wet.
2.
Als geldige reden als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, voor verzuim wordt aangemerkt:
a. a. ten aanzien van een leerplichtige leerling: een vrijstelling van geregeld schoolbezoek als bedoeld in de LPW BES; of b. b. ten aanzien van een niet-leerplichtige leerling: dezelfde gronden als die welke leiden tot vrijstelling van geregeld schoolbezoek als bedoeld in onderdeel a.
3. Bij het bepalen van het aantal leerlingen op de school, bedoeld in artikel 9.25, eerste lid, onderdeel a, en tweede lid, onderdeel a, worden tevens ingeschreven studenten als bedoeld in de WEB BES meegeteld.
Artikel 9.33
Artikel 6.9 is niet van toepassing.
Artikel 9.34
In plaats van artikel 6.11 is artikel 9.35 van toepassing.
Artikel 9.35
1. Het Rijk betaalt elke maand van het kalenderjaar aan het bevoegd gezag van een school een gedeelte van de bekostiging, bedoeld in artikel 9.25, waarop het over dat jaar recht heeft.
2. De aanvullende bekostiging, bedoeld in de artikelen 5.9 en 5.10 van de wet, wordt in een keer betaald, dan wel wordt betaald volgens een bij ministeriële regeling te bepalen betaalritme.
Artikel 9.36
Artikel 6.14 is niet van toepassing.
Artikel 9.37
Hoofdstuk 6, paragraaf 7, is niet van toepassing.
Paragraaf 7. Wijze van toepassing
Artikel 9.38
Vervallen
Paragraaf 8. Wijze van toepassing
Artikel 9.39
Vervallen
Artikel 9.40
Vervallen
Artikel 9.41
Het bevoegd gezag van een school voor praktijkonderwijs kan als leerling toelaten degene die ten minste de leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt.
Artikel 9.42
In afwijking van artikel 8.13, eerste lid, schrijft het bevoegd gezag de leerling uit met ingang van de dag volgende op de dag waarop de leerling de school voor het laatst heeft bezocht en verstrekt de ouders of de leerling indien deze handelingsbekwaam is een bewijs van uitschrijving.
Paragraaf 9. Wijze van toepassing
Artikel 9.43
1. Hoofdstuk 8a is niet van toepassing.
2. Deze bepaling vervalt op het tijdstip waarop hoofdstuk 11, paragraaf 8a van de wet vervalt.
Hoofdstuk 10. Invoerings- en overgangsrecht
Paragraaf 1. Invoeringsrecht
Artikel 10.1
1. De landelijke commissie voor geschillen, bedoeld in artikel 12.34 van de wet, bestaat uit ten minste zeven leden. De leden worden benoemd op gezamenlijke bindende voordracht van de landelijke ouderorganisaties, de landelijke patiënten- en gehandicaptenorganisaties en de sectororganisaties.
2. Onze Minister benoemt en ontslaat de leden.
3. De leden worden benoemd voor een periode van vier jaar en kunnen ten hoogste twee maal worden herbenoemd.
4. De commissie is zo samengesteld dat zij beschikt over (ortho)pedagogische, psychologische, onderwijskundige, maatschappelijke, bestuurlijke, juridische en medische deskundigheid. Voor de behandeling van elk ingediend geschil kiest de commissie uit haar leden een voorzitter en twee leden. De commissie bepaalt welke samenstelling bij de behandeling van het geschil het meest geschikt is.
5. De leden worden op hun verzoek door Onze Minister ontslagen.
6. De leden mogen geen deel uitmaken van het bevoegd gezag van een van de scholen die deelnemen aan het samenwerkingsverband dat betrokken is in het geschil of het bevoegd gezag van dat samenwerkingsverband.
7. De leden functioneren zonder last of ruggenspraak.
Artikel 10.2
1. De landelijke commissie voor geschillen, bedoeld in artikel 12.34 van de wet, zendt haar oordeel over een geschil aan het bevoegd gezag en een afschrift van haar oordeel aan de ouders.
2. Het bevoegd gezag van de school die het oordeel van de commissie heeft ontvangen, deelt schriftelijk aan de ouders en aan de commissie mee wat met het oordeel wordt gedaan.
3. Indien de beslissing van het bevoegd gezag van de school afwijkt van het oordeel van de commissie, wordt in de beslissing de reden voor die afwijking vermeld.
Paragraaf 2. Overgangsrecht
Artikel 10.3
1. Het eindexamen vmbo en havo omvat voor leerlingen die geen eindexamen afleggen in het vak wiskunde een schoolexamen rekenen als bedoeld in artikel 12.45 van de wet.
2. In afwijking van het eerste lid is een kandidaat die in het bezit is van het diploma van een leerweg in het vmbo en die het schoolexamen rekenen heeft afgelegd zoals dit op grond van artikel 2, tweede lid, en onderdeel c, van de Wet referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen is vastgesteld voor het eindexamen vmbo, bij het afleggen van het eindexamen in een andere leerweg van het vmbo, vrijgesteld van het schoolexamen rekenen.
3. In afwijking van het eerste lid is de kandidaat die het eindexamen vmbo aflegt aan een instelling voor educatie en beroepsonderwijs vrijgesteld van het schoolexamen rekenen, indien hij reeds eerder een schoolexamen rekenen vmbo of een schoolexamen rekenen havo heeft gemaakt. De vorige volzin is van overeenkomstige toepassing op de kandidaat die het eindexamen havo aflegt aan een instelling voor educatie en beroepsonderwijs en reeds eerder een schoolexamen rekenen havo heeft gemaakt.
4. Het cijfer voor het schoolexamen rekenen weegt niet mee in de uitslagbepaling voor het eindexamen vmbo en havo, bedoeld in de artikelen 3.34 en 3.35.
5. In afwijking van de artikelen 3.40, eerste lid, onderdeel a, 3.49, tweede lid, 3.72, onderdeel a, en 3.41, onderdeel b, wordt het cijfer voor het schoolexamen rekenen vermeld op een bijlage bij de cijferlijst.
6. Indien de kandidaat is vrijgesteld van het schoolexamen rekenen op grond van het vierde lid, wordt het schoolexamen rekenen vermeld op een bijlage bij de cijferlijst, zonder vermelding van een cijfer.
7. Het vijfde lid is van overeenkomstige toepassing op het eindcijfer van het vak wiskunde, indien de kandidaat het eindexamen wiskunde heeft afgelegd, het eindcijfer voor wiskunde niet is betrokken in de uitslagbepaling, bedoeld in artikel 3.34 of artikel 3.35, en de kandidaat bedenkingen heeft geuit tegen het opnemen van het eindcijfer van het vak wiskunde op de cijferlijst op grond van artikel 3.40, tweede lid.
8. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op de kandidaat die het eindexamen vmbo in de basisberoepsgerichte leerweg aflegt ter afsluiting van een leer-werktraject als bedoeld in artikel 2.103 van de wet.
9. Dit artikel vervalt op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
Artikel 10.4
1. Het staatsexamen vmbo en havo omvat voor kandidaten die geen schoolexamen rekenen als bedoeld in artikel 12.45 van de wet, of eindexamen in het vak wiskunde hebben afgelegd, of voor kandidaten die geen staatsexamen afleggen of hebben afgelegd in het vak wiskunde, een college-examen rekenen als bedoeld in artikel 12.46 van de wet.
2. In afwijking van het eerste lid is een kandidaat die in het bezit is van het diploma van een leerweg in het vmbo en die een schoolexamen rekenen als bedoeld in artikel 12.45 van de wet, of een college-examen rekenen als bedoeld in het eerste lid, heeft afgelegd zoals dit op grond van artikel 2, tweede lid, en onderdeel c, van de Wet referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen is vastgesteld voor het eindexamen vmbo, bij het afleggen van het staatsexamen in een andere leerweg van het vmbo, vrijgesteld van het college-examen rekenen.
3. In afwijking van het eerste lid is de kandidaat die de rekentoets, bedoeld in artikel 60, zesde lid, van de wet, zoals dat artikel luidde op de dag voor inwerkingtreding van artikel I, onderdeel C, van de Wet van 1 juli 2020 tot wijziging van onder andere de Wet op het voortgezet onderwijs in verband met de afschaffing van de rekentoets in het voortgezet onderwijs (afschaffing rekentoets vo) (Stb. 2020, 233), heeft afgelegd, vrijgesteld van het college-examen rekenen.
4. Het cijfer voor het college-examen rekenen weegt niet mee in de uitslagbepaling voor het staatsexamen vmbo en havo, bedoeld in de artikelen 4.20 en 4.21.
5. In afwijking van de artikelen 4.25, eerste lid, onderdeel a, tweede lid, onderdeel a, en 4.26, eerste lid, onderdeel a, wordt het cijfer voor het college-examen rekenen vermeld op een bijlage bij de cijferlijst.
6. Indien de kandidaat is vrijgesteld van het college-examen rekenen op grond van het tweede of het derde lid, wordt het college-examen rekenen vermeld op een bijlage bij de cijferlijst, zonder vermelding van een cijfer.
7. Het vijfde lid is van overeenkomstige toepassing op het eindcijfer van het vak wiskunde, indien de kandidaat het eindexamen of staatsexamen in het vak wiskunde heeft afgelegd, het eindcijfer voor wiskunde niet is betrokken in de uitslagbepaling, bedoeld in artikel 4.20 of artikel 4.21, en de kandidaat bezwaar heeft tegen het opnemen van het eindcijfer van het vak wiskunde op de cijferlijst op grond van artikel 4.25, derde lid.
8. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op de kandidaat die het staatsexamen vmbo in de basisberoepsgerichte leerweg aflegt ter afsluiting van een leer-werktraject als bedoeld in artikel 2.103 van de wet.
9. Dit artikel vervalt op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
Artikel 10.5
1. Het eindcijfer van het profielvak, behaald in het schooljaar 2020–2021 of 2021–2022, wordt betrokken bij de berekening van het rekenkundig gemiddelde, bedoeld in artikel 3.35, eerste lid, onderdeel a, of artikel 4.21, eerste lid, onderdeel a.
2. De kandidaat, bedoeld in artikel 2.56, vierde lid, van de wet, of artikel 3.56, die in het schooljaar 2020–2021 of 2021–2022 het eindexamen in het profielvak heeft afgerond, behoudt het recht op herkansing van het cspe, bedoeld in artikel 3.38, eerste lid.
3. Het eerste lid is uitsluitend van toepassing indien na het jaar waarin het eindcijfer is vastgesteld, nog geen 10 jaren zijn verstreken.
4. Deze bepaling vervalt met ingang van 1 januari 2033.
Artikel 10.6
Vervallen
Hoofdstuk 11. Slotbepalingen
Artikel 11.1
De volgende besluiten worden ingetrokken:
a. a. het Bekostigingsbesluit WVO BES; b. b. het Besluit bekostiging WVO 2021; c. c. het Besluit informatievoorziening WVO; d. d. het Besluit informatievoorziening WVO BES; e. e. het Besluit kerndoelen onderbouw VO; f. f. het Besluit kerndoelen onderbouw VO BES; g. g. het Besluit samenwerking VO-BVE; h. h. het Besluit samenwerking VO-BVE BES; i. i. het Eindexamenbesluit VO; j. j. het Eindexamenbesluit VO BES; k. k. het Inrichtingsbesluit WVO; l. l. het Inrichtingsbesluit WVO BES; m. m. het Staatsexamenbesluit VO; n. n. het Staatsexamenbesluit VO BES.
Artikel 11.2
Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan en voor het Europese deel van Nederland en de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba verschillend kan worden vastgesteld.
Artikel 11.3
Dit besluit wordt aangehaald als: Uitvoeringsbesluit WVO 2020.