rijk/amvb/verhuis-en-verblijfkostenbesluit-ministers-en-staatssecretarissen/BWBR0002556
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00
..
README.md feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown 2026-03-30 06:27:40 +02:00

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Verhuis- en verblijfkostenbesluit Ministers en Staatssecretarissen BWBR0002556 AMvB geldend 1967-03-09 https://wetten.overheid.nl/BWBR0002556 Verhuis- en verblijfkostenbesluit Ministers en Staatssecretarissen

Verhuis- en verblijfkostenbesluit Ministers en Staatssecretarissen

Artikel 1

Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder:

a. a.

    *betrokkene:* hij, die is benoemd tot minister of staatssecretaris dan wel aan wie als zodanig ontslag is verleend;

b. b.

    *jaarinkomen:* het tot een jaarbedrag herleide salaris in de zin van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1948, in voorkomende gevallen verhoogd met de tot een jaarbedrag herleide som van de kindertoelage, toegekend ingevolge de Kindertoelageregeling overheidspersoneel en de kinderbijslag, toegekend ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet;

c. c.

    *gezinsleden:* de echtgenote, de eigen, stief- en pleegkinderen van betrokkene, die deel uitmaken van zijn gezin.

Artikel 2

De betrokkene, die in verband met zijn ambtsaanvaarding naar een woning in- of nabij 's-Gravenhage verhuist, heeft aanspraak op een verhuiskostenvergoeding. Behoudens bij het betrekken van een ambtswoning, bestaat bij een verhuizing binnen 's-Gravenhage geen aanspraak op een verhuiskostenvergoeding.

Artikel 3

1. De betrokkene, die in verband met het hem verleende ontslag uit een ambts- of rijkswoning verhuist, heeft aanspraak op een verhuiskostenvergoeding, mits de verhuizing plaatsvindt binnen een termijn van 12 maanden gerekend vanaf de ingangsdatum van het ontslag.

2. Indien de in het vorige lid bedoelde verhuizing samenhangt met het aanvaarden van een andere betrekking waaruit enigerlei geldelijke tegemoetkoming in de kosten van die verhuizing voortvloeit, wordt de in het eerste lid bedoelde verhuiskostenvergoeding met het bedrag van die tegemoetkoming verminderd.

Artikel 4

Aan de betrokkene, die:

a. a. in verband met zijn ambtsaanvaarding in afwachting van zijn verhuizing naar een woning in of nabij 's-Gravenhage, aldaar verblijft en deswege extra kosten heeft; b. b. als gevolg van het hem verleende ontslag terstond een ambtswoning heeft moeten verlaten en in verband met een tijdelijk verblijf bijzonder hoge kosten heeft moeten maken; c. c. wonende buiten 's-Gravenhage in verband met zijn ambtsvervulling een hotel- of andere kamer in of nabij 's-Gravenhage tot zijn beschikking heeft;

wordt vergoeding verleend in de extra uitgaven tot de bedragen welke volgens zijn opgave met gepaste zuinigheid zijn uitgegeven.

Artikel 5

1.

De verhuiskostenvergoeding bestaat uit:

a. a. een bedrag voor de kosten verbonden aan het vervoer van de betrokkene en zijn gezinsleden, zomede voor inwonend dienstpersoneel, naar de nieuwe woning, welk bedrag zo nodig wordt vermeerderd met een bedrag voor reis- en verblijfkosten, welke de betrokkene en eventueel één of meer van diens gezinsleden vooraf hebben gemaakt ter bezichtiging van woonruimte (reiskosten); b. b. een bedrag voor de kosten van vervoer van de bagage en van de inboedel van de betrokkene naar de nieuwe woning, waaronder begrepen de kosten van het in- en uitpakken (transportkosten); c. c. een bedrag voor alle andere uit de verhuizing voortvloeiende kosten (andere kosten).

2. In de gevallen, bedoeld in artikel 2, wordt het bedrag, bedoeld in het eerste lid, onder c., vastgesteld op 10% van het jaarinkomen op de dag, waarop de nieuwe woning wordt betrokken.

3. In de gevallen, bedoeld in artikel 3, wordt het bedrag, bedoeld in het eerste lid, onder c., vastgesteld op 10% van het jaarinkomen, dat de betrokkene vóór zijn ontslag laatstelijk genoot.

Artikel 6

Onze Minister van Binnenlandse Zaken is bevoegd, in overeenstemming met Onze Minister van Financiën, te beslissen, voor zover nodig in afwijking van de in dit besluit gestelde regelen, in gevallen, waarin deze regelen niet of niet naar redelijkheid voorzien.

Artikel 7

Dit besluit, dat kan worden aangehaald als Verhuis- en verblijfkostenbesluit Ministers en Staatssecretarissen, treedt in werking met ingang van de tweede dag na die van uitgifte van het Staatsblad, waarin het wordt geplaatst.