rijk/amvb/wijzigingsbesluit-enige-fiscale-uitvoeringsbesluiten-2012/BWBR0031017
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00
..
README.md feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown 2026-03-30 06:27:40 +02:00

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Wijzigingsbesluit enige fiscale uitvoeringsbesluiten (2012) BWBR0031017 AMvB geldend 2012-01-01 https://wetten.overheid.nl/BWBR0031017 Wijzigingsbesluit enige fiscale uitvoeringsbesluiten (2012)

Wijzigingsbesluit enige fiscale uitvoeringsbesluiten (2012)

Artikel I

Wijzigt het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001.

Artikel II

Wijzigt het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965.

Artikel III

Wijzigt het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965.

Artikel IV

1.

Ten aanzien van een werknemer ten aanzien van wie de bewijsregel, bedoeld in artikel 10ea van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965, of, voor zover de inhoudingsplichtige een keuze heeft gemaakt als bedoeld in artikel 39c van de Wet op de loonbelasting 1964, de bewijsregel, bedoeld in artikel 9 van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 zoals dat luidde op 31 december 2010, op 31 december 2011 wordt toegepast:

a. a. blijft artikel 10ee van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 zoals dat luidde op 31 december 2011, onderscheidenlijk artikel 9d van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 zoals dat vóór toepassing van artikel III luidde op 31 december 2010, van toepassing ingeval op 31 december 2011 niet meer dan 5 jaar van de looptijd van de bewijsregel, bedoeld in artikel 10ec, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965, onderscheidenlijk artikel 9b, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 zoals dat luidde op 31 december 2010, is verstreken; b. b. is artikel 10ee van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965, onderscheidenlijk artikel 9d van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 zoals dat luidde op 31 december 2010, niet van toepassing ingeval op 31 december 2011 meer dan 5 jaar van de looptijd van de bewijsregel, bedoeld in artikel 10ec, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965, onderscheidenlijk artikel 9b, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 zoals dat luidde op 31 december 2010, is verstreken.

2. Ingeval de werknemer, bedoeld in het eerste lid, na 31 december 2011 door een andere inhoudingsplichtige wordt tewerkgesteld, wordt die inhoudingsplichtige voor de toepassing van het eerste lid geacht dezelfde inhoudingsplichtige te zijn als de inhoudingsplichtige door wie de werknemer op 31 december 2011 werd tewerkgesteld.

Artikel V

Wijzigt het Uitvoeringsbesluit vennootschapsbelasting 1971.

Artikel VI

Het besluit van 20 augustus 1971, houdende vrijstelling van vennootschapsbelasting voor lichamen bij welke de behartiging van een algemeen maatschappelijk belang op de voorgrond staat (Stb. 1971, 559), wordt ingetrokken.

Artikel VII

Wijzigt het Besluit fiscale eenheid 2003.

Artikel VIII

Wijzigt het Uitvoeringsbesluit Successiewet 1956.

Artikel IX

Wijzigt het Uitvoeringsbesluit belastingen van rechtsverkeer.

Artikel X

Wijzigt het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968.

Artikel XI

Wijzigt het Uitvoeringsbesluit belasting van personenautos en motorrijwielen 1992.

Artikel XII

Wijzigt het Uitvoeringsbesluit motorrijtuigenbelasting 1994.

Artikel XIII

Wijzigt het Uitvoeringsbesluit belasting zware motorrijtuigen.

Artikel XIV

Wijzigt het Algemeen douanebesluit.

Artikel XV

Wijzigt het Uitvoeringsbesluit accijns.

Artikel XVI

Wijzigt het Uitvoeringsbesluit accijns.

Artikel XVII

Wijzigt Uitvoeringsbesluit kostenverrekening en gegevensuitwisseling Wet waardering onroerende zaken.

Artikel XVIII

Wijzigt het Besluit gegevensverstrekking Wet waardering onroerende zaken.

Artikel XIX

Wijzigt het Uitvoeringsbesluit belastingen op milieugrondslag.

Artikel XX

Wijzigt het Uitvoeringsbesluit Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen.

Artikel XXI

Wijzigt het Besluit voorkoming dubbele belasting 2001.

Artikel XXII

Voor het kalenderjaar 2010 worden de artikelen 23 en 24 van het Besluit voorkoming dubbele belasting 2001 als volgt gelezen:

    1. Het buitenlandse voordeel uit sparen en beleggen bestaat uit het gezamenlijke bedrag van hetgeen de belastingplichtige als bestanddeel van het voordeel uit sparen en beleggen geniet als voordeel uit de rendementsgrondslag in het buitenland.
    1. De rendementsgrondslag in het buitenland is de waarde van de bezittingen in het buitenland verminderd met de waarde van de schulden in verband met die bezittingen. Bezittingen in het buitenland zijn:

      a.
      binnen het gebied van een andere Mogendheid gelegen onroerende zaken;
      
      
      b.
      rechten die direct of indirect betrekking hebben op binnen het gebied van een andere Mogendheid gelegen onroerende zaken, en
      
      
      c.
      rechten op aandelen in de winst van een onderneming waarvan de leiding binnen het gebied van een andere Mogendheid is gelegen, voor zover zij niet voortkomen uit effectenbezit of dienstbetrekking.
      

a. a. binnen het gebied van een andere Mogendheid gelegen onroerende zaken; b. b. rechten die direct of indirect betrekking hebben op binnen het gebied van een andere Mogendheid gelegen onroerende zaken, en c. c. rechten op aandelen in de winst van een onderneming waarvan de leiding binnen het gebied van een andere Mogendheid is gelegen, voor zover zij niet voortkomen uit effectenbezit of dienstbetrekking. 3. 3. Bezittingen als bedoeld in het tweede lid behoren alleen tot de rendementsgrondslag in het buitenland voor zover de daaruit genoten opbrengsten zijn onderworpen aan een belasting naar het inkomen die vanwege de andere Mogendheid waarin de bezittingen zijn gelegen, wordt geheven.

    1. De in artikel 22 bedoelde vrijstelling voor buitenlands voordeel uit sparen en beleggen wordt toegepast door een vermindering te verlenen op de verschuldigde inkomstenbelasting.
    1. De in het eerste lid bedoelde vermindering is gelijk aan het bedrag dat tot de belasting die zonder de toepassing van dit besluit volgens de Wet inkomstenbelasting 2001 over het belastbare inkomen uit sparen en beleggen verschuldigd zou zijn, in dezelfde verhouding staat als het forfaitair rendement, bedoeld in artikel 5.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001, van het gemiddelde van de rendementsgrondslag in het buitenland aan het begin van het jaar (begindatum) en aan het einde van het jaar (einddatum) staat tot het noemerinkomen. De vermindering kan, met inachtneming van de verminderingen volgens andere regelen ter voorkoming van dubbele belasting, niet meer bedragen dan de belasting die zonder de toepassing van dit besluit volgens de Wet inkomstenbelasting 2001 over het belastbare inkomen uit sparen en beleggen verschuldigd zou zijn.
    1. Indien de belastingplichtige niet het gehele jaar binnenlands belastingplichtige is, wordt de naar tijdsgelang herleide waarde van de rendementsgrondslag in het buitenland over de periode dat hij in Nederland woonde in aanmerking genomen. Gedeelten van kalendermaanden worden hierbij verwaarloosd. Als noemerinkomen geldt de som van het naar tijdsgelang herleide noemerinkomen over de periode dat de belastingplichtige in Nederland woonde en het naar tijdsgelang herleide belastbare inkomen uit sparen en beleggen in Nederland over de periode dat hij niet in Nederland woonde. De derde volzin vindt geen toepassing bij de belastingplichtige die volgens artikel 2.5 van de Wet inkomstenbelasting 2001 kiest voor toepassing van de regels van die wet voor binnenlandse belastingplichtigen.
    1. Indien de in artikel 23, tweede lid, genoemde zaken, rechten en schulden niet het gehele jaar tot de rendementsgrondslag van de belastingplichtige behoren, wordt zowel op de begindatum als op de einddatum de naar tijdsgelang herleide waarde hiervan als rendementsgrondslag in het buitenland in aanmerking genomen, waarbij gedeelten van kalendermaanden als volle maand worden beschouwd. Behoort de zaak, het recht of de schuld op de begindatum of de einddatum tot de rendementsgrondslag van de belastingplichtige dan wordt de waarde op dat tijdstip als basis genomen voor de toepassing van de eerste volzin. Behoort de zaak, het recht of de schuld op geen van die tijdstippen tot de rendementsgrondslag van de belastingplichtige, dan wordt uitgegaan van de waarde op het tijdstip waarop de zaak, het recht of de schuld niet meer tot de rendementsgrondslag behoort.
    1. Onder de belasting die zonder de toepassing van dit besluit volgens de Wet inkomstenbelasting 2001 verschuldigd zou zijn over het belastbare inkomen uit sparen en beleggen wordt verstaan: de over het kalenderjaar berekende belasting op het belastbare inkomen uit sparen en beleggen, bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de Wet inkomstenbelasting 2001.
    1. Onder noemerinkomen wordt verstaan het belastbare inkomen uit sparen en beleggen.
    1. In afwijking van het zesde lid, wordt, indien het inkomen van een belastingplichtige hoofdzakelijk uit een Mogendheid afkomstig is en die Mogendheid bij de belastingheffing van het inkomen de persoonlijke- en gezinssituatie van de belastingplichtige volledig in aanmerking neemt, of op grond van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie gehouden is de persoonlijke- en gezinssituatie volledig in aanmerking te nemen, het noemerinkomen vermeerderd met de op het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen in het jaar in mindering gebrachte persoonsgebonden aftrek, alsmede met het forfaitair rendement, bedoeld in artikel 5.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001, van het in aanmerking genomen heffingvrije vermogen. De vorige volzin is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot een Mogendheid, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die als zij een zodanige lidstaat zou zijn, gehouden zou zijn om op grond van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie de persoonlijke- en gezinssituatie volledig in aanmerking te nemen.

Artikel XXIII

1.

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2012, met dien verstande dat:

a. a.

      artikel XX, onderdeel B, onder 2, tweede volzin, en onder 3, terugwerkt tot en met 1 mei 2010;

b. b.

      artikel I, onderdeel C, onder 1 en 3, artikel VIII, onderdeel A, onder 1 en 3, en artikel XXI, onderdelen G en H, terugwerken tot en met 1 januari 2011;

c. c.

      artikel V, artikel VI en artikel XXI, onderdelen K tot en met U, voor het eerst toepassing vinden met betrekking tot boekjaren die aanvangen op of na 1 januari 2012.

2. In afwijking van het eerste lid treedt artikel VII in werking met ingang van de dag die is gelegen acht weken na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het besluit is geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2012, met dien verstande dat het voor het eerst toepassing vindt met betrekking tot boekjaren die aanvangen op of na 1 januari 2012.

3. In afwijking van het eerste lid treden het in artikel II, onderdeel F, opgenomen artikel 10eb, vijfde lid, en het in artikel III, onderdeel C, opgenomen artikel 9a, vijfde lid, in werking met ingang van 1 januari 2013.