rijk/beleidsregel/beleidsregel-aanwijzing-gedragscodes-soortenbescherming-en-houtopstanden/BWBR0050302
..
README.md

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Beleidsregel aanwijzing gedragscodes soortenbescherming en houtopstanden BWBR0050302 beleidsregel geldend 2024-10-17 https://wetten.overheid.nl/BWBR0050302 Beleidsregel aanwijzing gedragscodes soortenbescherming en houtopstanden

Beleidsregel aanwijzing gedragscodes soortenbescherming en houtopstanden

Artikel 1

In deze beleidsregel wordt verstaan onder:

  • beschermde soort: van nature in Nederland in het wild voorkomende soort die valt onder de reikwijdte van de bepalingen in afdeling 11.2 van het besluit over vergunningplichtige flora- en fauna-activiteiten;
  • besluit: Besluit activiteiten leefomgeving;
  • minister: Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur.

Artikel 2

1. De minister wijst een gedragscode soortenbescherming als bedoeld in de artikelen 11.45, 11.53 of 11.59 van het besluit uitsluitend aan, als is voldaan aan de artikelen 3 tot en met 8.

2. De minister wijst een gedragscode houtopstanden op grond van artikel 11.131, eerste lid, aanhef en onder d, van het besluit uitsluitend aan, als is voldaan aan de artikelen 6 en 8.

Artikel 3

1.

Een gedragscode soortenbescherming voor activiteiten in het kader van bestendig beheer en onderhoud:

a. heeft betrekking op regelmatig terugkerend beheer of onderhoud, zonder dat dit beheer of onderhoud in de weg staat aan de vestiging en het behoud van individuen van beschermde soorten op locaties waar het beheer of onderhoud plaatsvindt; en b. beschrijft een wijze van uitvoering van de activiteiten die is gericht op het handhaven van de bestaande functionaliteit van het leefgebied of de bestaande situatie met inbegrip van de aanwezige beschermde soorten.

2. Voor de toepassing van het eerste lid worden onder activiteiten in het kader van bestendig beheer en onderhoud in ieder geval begrepen werkzaamheden die zijn opgenomen in bijlage I bij deze beleidsregel.

Artikel 4

1.

Een gedragscode soortenbescherming voor activiteiten in het kader van ruimtelijke ontwikkeling of inrichting heeft betrekking op:

a. activiteiten die een verandering van de fysieke inrichting van een bepaalde locatie tot gevolg hebben, als gevolg waarvan de functionaliteit van het leefgebied van een beschermde soort wezenlijk wordt aangetast of permanent verdwijnt op de betreffende locatie; of b. beheer- en onderhoudsactiviteiten die niet op reguliere schaal of wijze met een regelmatige frequentie plaatsvinden.

2. Voor de toepassing van het eerste lid worden onder activiteiten in het kader van ruimtelijke ontwikkeling of inrichting in ieder geval begrepen werkzaamheden die zijn opgenomen in bijlage II bij deze beleidsregel.

3. Voor de toepassing van het eerste lid, onder a, worden onder leefgebieden van beschermde soorten in ieder geval begrepen leefgebieden van soorten die zijn opgenomen in bijlage III bij deze beleidsregel.

Artikel 5

Een gedragscode bevat geen activiteiten als bedoeld in bijlage IV bij deze beleidsregel.

Artikel 6

1. Belanghebbenden zijn naar het oordeel van de minister voldoende betrokken geweest bij de totstandkoming van het concept van de gedragscode.

2. De minister betrekt bij zijn oordeel een verslag van de wijze waarop de afstemming met relevante soortenorganisaties en andere belanghebbenden heeft plaatsgevonden, de zienswijzen die naar voren zijn gebracht en de wijze waarop daarmee rekening is gehouden. Hieruit moet blijken dat er draagvlak bestaat binnen de sector en de betreffende soortenorganisatie.

Artikel 7

Om te verzekeren dat de activiteiten zorgvuldig worden verricht als bedoeld in de artikelen 11.45, tweede lid, aanhef en onder b, en derde lid, 11.53, tweede lid, aanhef en onder b, en derde lid en 11.59, tweede lid en aanhef en onder b, en derde lid, van het besluit:

a. wordt in de gedragscode ten minste de voorwaarde gesteld dat de verrichting van de activiteit wordt begeleid door een ecologisch deskundige; en b. worden in de gedragscode aan deze deskundige in ieder geval de volgende voorwaarden gesteld:

1°. het beschikken over aantoonbare kennis en ervaring om een natuurwaardenonderzoek te verrichten; 2°. het kennen en herkennen van de functionaliteit van leefgebieden van een beschermde soort; 3°. kennis hebben van erkende onderzoeksmethoden; 4°. het uitwerken van ecologische werkprotocollen; en 5°. begeleiden van specifieke maatregelen ten aanzien van een beschermde soort.

Artikel 8

1.

Een eerder aangewezen gedragscode wordt alleen opnieuw aangewezen of een gedragscode die grotendeels overeenkomt met een eerder aangewezen gedragscode wordt alleen aangewezen als:

a. naar het oordeel van de minister de effecten van de gedragscode die was aangewezen voldoende zijn geëvalueerd; b. deze evaluatie op een planmatige en systematische wijze is uitgevoerd; en c. de uitvoering en conclusies uit de evaluatie zijn verantwoord overeenkomstig een door de minister ter beschikking gesteld format.

2.

Onderdeel van de evaluatie zijn in ieder geval de volgende aspecten:

a. de werkbaarheid van de maatregelen, gericht op het voorkomen van nadelige effecten voor de beschermde soorten in de praktijk; en b. de bekendheid met de gedragscode onder de gebruikers, en de mate waarin er binnen de doelgroep gebruik van wordt gemaakt.

Artikel 9

De minister wijst een gedragscode op grond van de artikelen 11.45, 11.53, 11.59 en 11.131, eerste lid, onder d, van het besluit aan voor ten hoogste een periode van vijf jaar.

Artikel 10

Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van de dag na de datum van

uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Artikel 11

Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Beleidsregel aanwijzing gedragscodes soortenbescherming en houtopstanden.

Bijlage I. behorende bij

Bijlage II. behorende bij

Werkzaamheden die in ieder geval worden begrepen onder activiteiten in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting

Bijlage III. behorende bij

Bijlage IV. behorende bij