|
…
|
||
|---|---|---|
| .. | ||
| README.md | ||
| titel | bwb_id | type | status | datum_inwerkingtreding | bron | citeertitel |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Beleidsregel meeneembare studiefinanciering hoger onderwijs | BWBR0038774 | beleidsregel | geldend | 2016-12-01 | https://wetten.overheid.nl/BWBR0038774 | Beleidsregel meeneembare studiefinanciering hoger onderwijs |
Beleidsregel meeneembare studiefinanciering hoger onderwijs
Artikel 1
In deze beleidsregel wordt verstaan onder:
- buitenlandse opleiding: opleiding als bedoeld in artikel 2.14, tweede lid, onder a en b, van de wet;
- Nederland: het Europese deel van Nederland;
- ouder: natuurlijke ouder of adoptiefouder in de zin van de artikelen 197 tot en met 232 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek;
- partner: familielid als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdelen a en b, en 3, tweede lid, onder b, van de Richtlijn nr. 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van de Richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG (PbEU L 158);
- primair onderwijs: onderwijs in de zin van de Wet op het primair onderwijs;
- voortgezet onderwijs: onderwijs in de zin van de Wet op het voortgezet onderwijs en speciaal onderwijs en voortgezet speciaal onderwijs in de zin van de Wet op de expertisecentra;
- wet: Wet studiefinanciering 2000.
Artikel 2
1. Een student die gebruik heeft gemaakt van de in artikel 21 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie neergelegde vrijheid om op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven komt, in afwijking van artikel 2.14, tweede lid, onderdeel c, van de wet, in aanmerking voor studiefinanciering voor een buitenlandse opleiding, indien sprake is van een voldoende mate van integratie van de student met Nederland.
2.
Van een voldoende mate van integratie met Nederland is sprake indien aan ten minste één van de volgende criteria is voldaan:
a. de student heeft ten minste 3 jaren van de 6 jaren voorafgaand aan diens inschrijving aan de buitenlandse opleiding in Nederland gewoond en gedurende deze periode rechtmatig verblijf gehad; b. de student heeft ten minste 3 jaren van de 6 jaren voorafgaand aan diens inschrijving aan de buitenlandse opleiding in Nederland gewerkt, anders dan louter marginaal en bijkomstig; c. de student heeft volledig Nederlands basisonderwijs dan wel volledig Nederlands voortgezet onderwijs gevolgd in Nederland.
3.
Van een voldoende mate van integratie met Nederland is in ieder geval ook sprake indien de student voldoende vaardig is met de Nederlandse taal, wat kan worden aangetoond met een NT2-diploma, en aan ten minste één van de volgende criteria voldoet:
a. de student heeft voorafgaand aan diens inschrijving aan de buitenlandse opleiding gedurende een periode van ten minste 3 jaren in Nederland gewoond en gedurende deze periode rechtmatig verblijf gehad; b. de student heeft voorafgaand aan diens inschrijving aan de buitenlandse opleiding gedurende een periode van ten minste 3 jaren in Nederland gewerkt, anders dan louter marginaal en bijkomstig; c. een ouder of de partner van de student heeft voorafgaand aan diens inschrijving aan de buitenlandse opleiding gedurende een periode van ten minste 3 jaren in Nederland gewoond en gedurende deze periode rechtmatig verblijf gehad; d. een ouder of de partner van de student heeft voorafgaand aan diens inschrijving aan de buitenlandse opleiding gedurende een periode van ten minste 3 jaren in Nederland gewerkt, anders dan louter marginaal en bijkomstig; e. De student heeft basisonderwijs of voortgezet onderwijs gevolgd in Nederland gedurende een aaneengesloten periode van ten minste 6 jaren.
Artikel 3
Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.