rijk/beleidsregel/beleidsregeling-subsidies-budget-investeringen-ruimtelijke-kwaliteit/BWBR0014631
..
README.md

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Beleidsregeling Subsidies Budget Investeringen Ruimtelijke Kwaliteit BWBR0014631 beleidsregel geldend 2003-01-30 https://wetten.overheid.nl/BWBR0014631 Beleidsregeling Subsidies Budget Investeringen Ruimtelijke Kwaliteit

Beleidsregeling Subsidies Budget Investeringen Ruimtelijke Kwaliteit

Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen

Artikel 1

1. Deze regeling vindt mede haar grondslag in artikel 6.10 van de Wet ruimtelijke ordening en afdeling 6.3 van het Besluit ruimtelijke ordening.

2. In deze beleidsregeling wordt verstaan onder:

Hoofdstuk 2. Algemene bepalingen

Artikel 2

De Minister kan ten laste van het Budget Investeringen Ruimtelijke Kwaliteit subsidies verlenen ter tegemoetkoming in de kosten verbonden aan een project ter bevordering van ruimtelijke kwaliteit.

Artikel 3

1. Ingevolge deze beleidsregeling kan een eenmalige bijdrage worden verstrekt in de noodzakelijke rechtstreeks aan de ruimtelijke kwaliteit van een project toe te rekenen investeringskosten.

2. De bijdrage bedraagt niet meer dan 20% van de investeringskosten.

3. Om in aanmerking te komen voor een subsidie dienen de totale investeringskosten ten minste overeen te komen met de financieringsdrempel zoals vermeld in bijlage 2.

Hoofdstuk 3. De oriëntatiefase

Artikel 4

1. Het projectvoorstel kan slechts worden ingediend door een gemeente, provincie of waterschap.

2. Het projectvoorstel wordt ingediend bij de Minister.

Artikel 5

Voor de in te dienen projectvoorstellen geldt:

  1. Alle voorstellen dienen volgens de voorschriften, genoemd in de aanvraagset als bedoeld in bijlage 1, volledig ingevuld, ondertekend en van de noodzakelijke bijlagen voorzien, te worden ingezonden.
  2. De indiener zendt het projectvoorstel in afschrift ter kennisneming aan de provincie waarbinnen het project is gelegen.

Artikel 6

Een project waarvoor een projectvoorstel wordt ingediend, dient teneinde in behandeling te kunnen worden genomen, betrekking te hebben op minimaal één van de toepassingsgebieden, zoals neergelegd in bijlage 2.

Artikel 7

a. het voorstel niet of in onvoldoende mate voldoet aan de beoordelingscriteria neergelegd in bijlage 2; b. voor een subsidie geen budgettaire ruimte meer aanwezig is; c. een project naar het oordeel van de Minister:

  1. strijdig is met het rijksbeleid;
  2. strijdig is met het provinciaal beleid;
  3. niet doeltreffend of doelmatig is.

Artikel 8

Zodra een projectvoorstel in behandeling is genomen, benoemt de Minister een ambtelijke projectleider die namens hem aanspreekbaar is.

Artikel 9

Een ingediend projectvoorstel wordt getoetst aan de vastgelegde beoordelingscriteria, die betrekking hebben op proceskwaliteit en inhoudelijke kwaliteit, zoals nader uitgewerkt in bijlage 2, waarbij de verschillende punten, waar mogelijk, omschreven dienen te worden.

Artikel 10

De Minister beslist, gehoord de commissie, bedoeld in artikel 11, omtrent het al dan niet doorleiden van een ingediend projectvoorstel naar de uitwerkingsfase.

Hoofdstuk 4. De commissie

Artikel 11

1.

De Minister benoemt een vaste adviescommissie, die belast wordt met het opstellen en het uitbrengen van adviezen als bedoeld in artikel 16, bestaande uit:

a. een voorzitter, zijnde de Directeur Gebiedsontwikkeling; b. een vertegenwoordiger van DGM; c. een vertegenwoordiger van DGW; d. een vertegenwoordiger van DGRGD; e. een vertegenwoordiger van de Minister van Financiën,

zulks voor een periode van drie jaar.

2. Tevens benoemt de Minister maximaal 3 externe niet-ambtelijke adviseurs in de commissie.

3. De voorzitter en/of één of meer leden kunnen tussentijds schriftelijk een verzoek om ontslag indienen, terwijl de Minister de voorzitter en/of één of meer leden, alsmede de adviseurs door middel van een gemotiveerd besluit kan schorsen of ontslaan.

Artikel 12

1. De commissie wordt bijgestaan door een ambtelijk secretaris.

2. De ambtelijk secretaris wordt door de Minister benoemd.

3. De secretaris is geen lid van de commissie.

4. De secretaris is voor de uitoefening van zijn taak uitsluitend verantwoording schuldig aan de commissie.

5. De Minister voorziet in een bureau voor de commissie, dat onder leiding staat van de secretaris.

6. De Minister stelt voor de uitoefening van de taak van de ambtelijk secretaris een instructie op, in elk geval betrekking hebbende op dossiervorming, voorbereiding van de zitting van de commissie, verslaglegging van de beraadslaging en vorm van advisering van de commissie.

Artikel 13

Een projectvoorstel dat in behandeling wordt genomen, wordt door de Minister voorgelegd aan de commissie.

Artikel 14

De Minister stelt een protocol vast omtrent de wijze waarop de commissie voorgelegde projectvoorstellen moet toetsen en wegen.

Artikel 15

1. De commissie vormt zich een oordeel over de in het projectvoorstel opgenomen gegevens.

2. De commissie kan de indiener als bedoeld in artikel 4 om nadere informatie verzoeken omtrent de in artikel 5, eerste lid bedoelde gegevens.

Artikel 16

1. Het gemotiveerde advies van de commissie wordt uitgebracht aan de Minister overeenkomstig het gevoelen van de meerderheid van de vergadering.

2. De vertegenwoordiger van de Minister van Financiën in de commissie kan een minderheidsstandpunt beargumenteerd vanuit de doelmatigheid van de uitvoering van het ruimterlijk beleid laten verwoorden in dit advies.

Artikel 17

De commissie houdt de voorbereidende stukken die betrekking hebben op de door haar uitgebrachte adviezen ter beschikking van de Minister.

Hoofdstuk 5. De uitwerkingsfase

Artikel 18

1.

De Minister kan verzoeken een nadere uitwerking van het projectvoorstel vergezeld te doen gaan van voorstellen tot optimalisatie van het project die betrekking kunnen hebben op:

a. aanpassing van de in het projectvoorstel opgenomen gegevens; b. aanpassing van de omvang van het project waarop het projectvoorstel betrekking heeft; c. aanpassing van de projectorganisatie; d. aanpassing van de begrotingscijfers voor het project; e. aanpassing van het planningsschema; f. de wijze waarop het project nader kan worden uitgewerkt.

2. Een verzoek wordt niet gedaan dan nadat de indiener in de gelegenheid is gesteld zijn projectvoorstel nader toe te lichten.

Artikel 19

1. De Minister bepaalt, opnieuw gehoord de commissie, welke overheidsorganen die een projectvoorstel hebben ingediend, in de gelegenheid worden gesteld een subsidie-aanvraag, bedoeld in artikel 6.3.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening, in te dienen.

2. De subsidie-aanvraag dient binnen 4 weken na ontvangst van de uitnodiging tot indiening door de Minister ontvangen te zijn.

Hoofdstuk 6. De verantwoording en de vaststelling en betaling van de subsidie

Artikel 20

1. De aanvraag tot subsidievaststelling, bedoeld in artikel 6.3.5.1, eerste lid, van het Besluit ruimtelijke ordening, wordt ingericht overeenkomstig bijlage 3.

2. Het activiteitenverslag en het financieel verslag, bedoeld in artikel 6.3.5.1, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening, wordt ingericht overeenkomstig bijlage 4.

Artikel 21

De Minister stelt de subsidie vast binnen 8 weken nadat de aanvraag tot vaststelling door hem is ontvangen.

Hoofdstuk 7. Overgangsbepaling

Artikel 22

Projecten die voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze beleidsregeling reeds in behandeling zijn genomen vallen buiten de werking van de artikelen 4 tot en met 18.

Hoofdstuk 8. Slotbepalingen

Artikel 23

Deze beleidsregeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en vervalt met ingang van 1 januari 2011.

Artikel 24

Deze beleidsregeling wordt aangehaald als: Beleidsregeling Subsidies Budget Investeringen Ruimtelijke Kwaliteit.

Bijlage 1

Ligt ter inzage bij het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.

Bijlage 2

Ligt ter inzage bij het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.

Bijlage 3

Ligt ter inzage bij het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.

Bijlage 4

Ligt ter inzage bij het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.