rijk/beleidsregel/beleidsregels-normenkader-randvoorwaarden-glb/BWBR0020128
..
README.md

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Beleidsregels normenkader randvoorwaarden GLB BWBR0020128 beleidsregel geldend 2008-01-01 https://wetten.overheid.nl/BWBR0020128 Beleidsregels normenkader randvoorwaarden GLB

Beleidsregels normenkader randvoorwaarden GLB

Artikel 1

Voor de toepassing van deze regeling wordt aangesloten bij de terminologie van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006 en verordening 796/2004.

Artikel 2

1.

Indien in strijd wordt gehandeld met de verplichtingen, bedoeld in artikel 3 van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006, wordt de inkomenssteun, behoudens overmacht en het bepaalde in het derde lid, gekort met een percentage dat afhankelijk is gesteld van:

de beoordeling van een niet-naleving, het aantal niet-nalevingen, en het beleidsterrein waartoe de overtreden randvoorwaarden behoren.

2.

De beoordeling van een niet-naleving gebeurt aan de hand van vier criteria:

a. herhaling; b. omvang; c. ernst; d. permanent karakter.

3. De minister kan aan de hand van de criteria bedoeld in het tweede lid, nadat een niet-naleving onmiddellijk is of tijdens de hercontrole blijkt te zijn hersteld, besluiten dat een niet-naleving van gering belang wordt beschouwd zoals bedoeld in artikel 24, tweede lid, van Verordening (EG) 73/2009.

4. De randvoorwaarden per beleidsterrein zijn opgenomen in de bijlage.

Artikel 3

De te onderscheiden beleidsterreinen van randvoorwaarden, bedoeld in artikel 2 zijn:

a. volksgezondheid, diergezondheid en gezondheid van planten; b. milieu; c. dierenwelzijn; d. goede landbouw- en milieuconditie.

Artikel 4

1. De randvoorwaarden worden voor zover van toepassing benoemd en gecontroleerd op het terrein van de onderscheiden artikelen in de betrokken nationale regelgeving.

2. Indien de feitelijke na te leven eisen in één verordening of richtlijn dezelfde norm bevatten, wordt deze norm benoemd als één te controleren eis.

Artikel 5

Kortingen worden toegepast op steunaanvragen die in de loop van het kalenderjaar waarin de niet-naleving is geconstateerd, zijn of worden ingediend.

Artikel 6

De berekening van de korting vindt als volgt plaats:

a. De beoordeling, bedoeld in artikel 2, tweede lid, leidt tot een initiële korting per randvoorwaarde die is weergegeven in de kolom initiële korting in de bijlage. b. Bij vaststelling van meerdere niet-nalevingen ten aanzien van hetzelfde besluit of dezelfde norm worden die niet-nalevingen voor de vaststelling van de korting beschouwd als één niet-naleving, waarbij per besluit of norm de niet-naleving met de hoogste initiële korting als uitgangspunt voor de berekening van het kortingspercentage wordt genomen. c. Per besluit of norm wordt overeenkomstig artikel 66, eerste lid, tweede alinea, van verordening 796/2004 beoordeeld of er factoren zijn die tot een verhoging of een verlaging van het in onderdeel b vastgestelde kortingspercentage moet leiden. In dat geval dient het verhoogde dan wel verlaagde kortingspercentage als uitgangspunt voor de berekening van het kortingspercentage. Indien de niet-naleving van gering belang wordt beschouwd, wordt ten aanzien van het desbetreffende besluit of desbetreffende norm geen korting toegepast. d. Bij vaststelling van meerdere niet-nalevingen ten aanzien van verschillende besluiten of normen die tot hetzelfde terrein van randvoorwaarden behoren worden die gevallen, na toepassing van onderdeel b en c, voor de vaststelling van de korting beschouwd als één niet-naleving, waarbij per terrein van randvoorwaarden de niet-naleving met de hoogste korting als uitgangspunt voor de berekening van de korting wordt genomen. e. De uit onderdeel d voortvloeiende kortingspercentages worden bij elkaar opgeteld. De maximale korting op alle vastgestelde niet-nalevingen op alle terreinen en over het totale bedrag aan de toe te kennen steun is niet hoger dan 5%, tenzij sprake is van herhaalde of opzettelijke niet-naleving van een randvoorwaarde.

Artikel 7

1.

Indien er sprake is van herhaalde niet-nalevingen als bedoeld in artikel 41 van verordening 796/2004, geldt dat het kortingspercentage voor de herhaalde niet-naleving als volgt wordt berekend:

a. Voor de eerste herhaalde niet-naleving: beoordeeld wordt of het initiële kortingspercentage als bedoeld in artikel 6, onderdeel a, voor de herhaalde niet-naleving verhoogd of verlaagd moet worden, al naar gelang de situatie ten opzichte van de vorige niet-naleving verbeterd of verslechterd is. De uitkomst van die beoordeling wordt vermenigvuldigd met de factor drie. b. Voor de tweede en verdere herhaalde niet-nalevingen: het percentage dat is opgelegd voor de voorgaande herhaling wordt vermenigvuldigd met de factor drie.

2. Het kortingspercentage, bedoeld in het eerste lid, bedraagt in totaal ten hoogste 15%.

3. Bij de toepassing van het in het tweede lid bedoelde kortingspercentage van 15% deelt de minister de landbouwer schriftelijk mee dat een volgende niet-naleving van de desbetreffende eis of norm zal worden beschouwd als een opzettelijke niet-naleving.

4. In het geval dat een herhaalde niet-naleving wordt geconstateerd samen met een andere niet-naleving of een andere herhaalde niet-naleving worden de daaruit voortvloeiende kortingspercentages bij elkaar opgeteld. Onverminderd het bepaalde in de derde alinea, is de maximale korting op alle vastgestelde niet-nalevingen niet hoger dan 15% van het totale bedrag aan de toe te kennen steun, tenzij sprake is van opzettelijke niet-naleving.

5.

Niet-nalevingen die zijn geconstateerd vóór 1 januari 2008 ten aanzien van de randvoorwaarden onder respectievelijk:

a. punt 3, b. punt 6, c. punten 7 en 8, d. punt 8bis, e. punt 9, f. punten 13 tot en met 15 van bijlage III van verordening 1782/2003 en g. het onderdeel bodemerosie, als bedoeld in bijlage IV van verordening 1782/2003,

worden voor de beoordeling van de vraag of er sprake is van herhaling beschouwd als niet-nalevingen van de onderdelen respectievelijk:

a. 3, b. 6, c. 7, d. 8, e. 9, f. 15 en g. 20

van de bijlage zoals deze vanaf 1 januari 2008 luidt.

Artikel 8

1. Bij opzettelijke niet-nalevingen bedraagt de korting voor die niet-naleving van een eis of norm in de regel 20%.

2.

De beoordeling van opzet gebeurt in ieder geval aan de hand van de volgende criteria:

a. in de omschrijving van de betrokken randvoorwaarde wordt een rechtstreeks verband met de opzettelijkheid van de niet-naleving gelegd; b. de mate van complexiteit van de betreffende randvoorwaarde; c. de vraag of er sprake is van langdurig bestendig beleid; d. de vraag of er sprake is van een actieve handeling dan wel bewust nalaten van een handeling; e. de omstandigheid dat de landbouwer reeds eerder op de hoogte is gesteld van onvolkomenheden in de naleving ten aanzien van de betreffende randvoorwaarde; f. de mate waarin de randvoorwaarde niet wordt nageleefd.

3. Op basis van beoordeling op de 4 criteria, bedoeld in artikel 2, tweede lid, kan de minister adviseren het kortingspercentage op het niveau van een randvoorwaardenterrein te verlagen tot niet minder dan 15% of te verhogen tot ten hoogste 100%.

4.

Indien de opzettelijke niet-naleving betrekking heeft op een specifieke steunregeling, wordt de landbouwer hiervoor voor het betrokken kalenderjaar uitgesloten. Dit betreft in ieder geval niet-naleving van de bepalingen van

a. Bijlage II, Punt B, onderdeel 9, van Verordening 73/2009 voor de specifieke steunregelingen, bedoeld in artikel 2, onderdeel b, van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006, en b. Bijlage II, Punt A, onderdeel 7 en Punt B, onderdeel 10, van Verordening 73/2009 voor de specifieke steunregeling artikel 2, onderdeel c, van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006.

Artikel 9

De minister beoordeelt de ernst van een niet-naleving aan de hand van het belang van de gevolgen van de niet-naleving, gelet op de doelstelling van de betrokken eis of norm.

Artikel 10

De minister houdt bij de bepaling van de omvang van een niet naleving rekening met de al dan niet verstrekkende invloed van de niet-naleving, waarbij met name bepalend is of de uitstraling van de niet-naleving tot het landbouwbedrijf zelf beperkt blijft.

Artikel 11

De minister beoordeelt het permanent karakter van een niet-naleving aan de hand van de duur van de periode waarin de effecten van de niet naleving blijven bestaan, en aan de hand van de mogelijkheden om die effecten te beëindigen.

Artikel 12

1. De minister beoordeelt aan de hand van de criteria, bedoeld in artikel 2, tweede lid, of er sprake is van een extreem geval van niet-naleving.

2. Onder een extreem geval van niet-naleving wordt verstaan een dusdanig ingrijpende schending van de betrokken norm wat betreft de omvang, de ernst of het permanente karakter ervan dat de betrokken overtreder in redelijkheid niet meer in aanmerking kan komen voor inkomenssteun.

3. In geval van een extreem geval van niet-naleving en in het geval van herhaalde opzettelijke niet-nalevingen, wordt de landbouwer van de betrokken steunregeling uitgesloten voor het lopende en het daaropvolgende kalenderjaar.

Artikel 12a

De artikelen 6 en 7, vierde lid, zoals deze artikelen luiden vanaf 1 januari 2008 worden toegepast op uitbetalingen van inkomenssteun die betrekking hebben op het jaar 2008 en later.

Artikel 13

Deze regeling wordt aangehaald als: Beleidsregels normenkader randvoorwaarden GLB.

Artikel 14

Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Bijlage

^1 In geval de PVV-verordening niet (langer) van kracht is, gelden de bepalingen van de Regeling verbod handel met bepaalde stoffen behandelde dieren en producten: ze zijn elkaars vangnet.