rijk/beleidsregel/besluit-bestuurlijke-boeten-belastingdienst-1998/BWBR0009230
..
README.md

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 BWBR0009230 beleidsregel geldend 1998-01-01 https://wetten.overheid.nl/BWBR0009230 Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998

Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998

Hoofdstuk I. Algemene bepalingen

Artikel § 1

Het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 (hierna te noemen: het besluit) bevat beleidsregels voor het opleggen van boeten bij de heffing van rijksbelastingen waarop de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna te noemen: AWR) van toepassing is. Het besluit is mede van toepassing op de boeten die in verband met de premieheffing ingevolge de Wet financiering sociale verzekeringen, de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, Ziekenfondswet en de inkomenafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet kunnen worden opgelegd.

Artikel § 2

Onder belanghebbende wordt voor de toepassing van dit besluit verstaan degene aan wie een boete is of kan worden opgelegd.

Artikel § 3

Vervallen.

Artikel § 4

  1. De verzuimboete heeft tot doel een gebod tot nakoming van fiscale verplichtingen in te scherpen. Voor het opleggen van de verzuimboete is voldoende dat aan één of meer van deze verplichtingen niet is voldaan.

  2. De vergrijpboete is gericht op het bestraffen van een handelen of nalaten waarbij sprake is van opzet dan wel grove schuld. De inspecteur dient de aanwezigheid van opzet of grove schuld te stellen en te bewijzen.

  3. In geval van een pleitbaar standpunt of bij afwezigheid van alle schuld (hierna te noemen: avas) legt de inspecteur geen boete op. Indien bij bezwaar blijkt dat sprake is van een pleitbaar standpunt of avas, vernietigt de inspecteur de boete. Belanghebbende dient een pleitbaar standpunt of avas te stellen en te bewijzen.

  4. Van een pleitbaar standpunt is sprake als een door belanghebbende ingenomen standpunt, gelet op de stand van de jurisprudentie en de heersende leer, in die mate juridisch pleitbaar of verdedigbaar is dat belanghebbende redelijkerwijs kan menen juist te handelen.

Bij verzuimboeten gaat het in het algemeen om eenvoudig te constateren feiten.

Bij het opleggen van een verzuimboete gelden dezelfde waarborgen als bij het opleggen van een vergrijpboete, met uitzondering van de kennisgeving/hoorplicht vooraf. Het ontbreken van de kennisgeving/hoorplicht vooraf bij het opleggen van verzuimboeten is niet in strijd met het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna te noemen: EVRM). Het EVRM verplicht tot het mededelen van de gronden waarop de boete berust, uiterlijk bij het opleggen van de boete. Aan deze eis wordt bij het opleggen van zowel verzuim- als vergrijpboeten voldaan (zie artikel 67g van de AWR en paragraaf 15 van het besluit). Bij vergrijpboeten is echter tevens gekozen voor een kennisgeving/hoorplicht vooraf (zie artikel 67k van de AWR en paragraaf 19 van het besluit), hetgeen een verdergaand voorschrift is dan waartoe het EVRM dwingt.

Een vergrijpboete is gesteld op meer ernstige handelingen of nalatigheden. De stelplicht en bewijslast van opzet of grove schuld rusten op de inspecteur. De bij de heffing bestaande mogelijkheid om de belastingaanslag onder bepaalde voorwaarden vast te stellen met omkering van de bewijslast geldt niet voor het opleggen van vergrijpboeten.

Voor het bepalen van de grondslag van vergrijpboeten wordt, voorzover sprake is van opzet of grove schuld, aangesloten bij de feitelijk geheven belasting. Dit geldt ook indien de omvang van de feitelijk geheven belasting is vastgesteld met toepassing van de zogenoemde omkering van de bewijslast.

De inspecteur kan zich voor het bewijs van opzet of grove schuld baseren op door hem gestelde, en door belanghebbende niet of niet voldoende ontzenuwde vermoedens die gebaseerd zijn op feiten.

Als de inspecteur aannemelijk acht dat het standpunt van de belanghebbende pleitbaar is, laat hij het opleggen van een boete achterwege. Is al een boete opgelegd, dan wordt de boetebeschikking vernietigd. Is er sprake van een pleitbaar standpunt, dan kan de belanghebbende geen verwijt worden gemaakt dat er aanvankelijk geen of te weinig belasting is geheven. Onder een pleitbaar standpunt wordt verstaan een opvatting over de kwalificatie van de feiten of de toepassing van het recht op de feiten die in redelijkheid verdedigbaar is. Een pleitbaar standpunt sluit zowel het opleggen van een verzuimboete als een vergrijpboete uit.

Artikel § 5

Bij het niet doen van aangifte met betrekking tot belastingen die bij wege van aanslag worden geheven alsmede bij het niet, gedeeltelijk niet of niet tijdig betalen van belastingen die op aangifte moeten worden voldaan of afgedragen, maakt de inspecteur een keuze tussen het opleggen van een verzuimboete en het opleggen van een vergrijpboete. Een eenmaal opgelegde verzuimboete sluit het opleggen van een vergrijpboete voor hetzelfde feit uit. Het opleggen van een vergrijpboete sluit het nadien opleggen van een verzuimboete voor hetzelfde feit uit.

Artikel § 6

1. De vaststelling van een belastingaanslag en de vaststelling van een met deze belastingaanslag samenhangende boetebeschikking vinden in beginsel gelijktijdig plaats. Uitzonderingen zijn met name de gevallen bedoeld in de artikelen 67e, derde lid, en 67f, vijfde lid, van de AWR alsmede de boeten die op grond van hoofdstuk 5 van de Douanewet worden opgelegd.

2. Een afzonderlijke boetebeschikking wordt gegeven in de gevallen waarin een boete kan worden opgelegd terwijl geen belasting verschuldigd is, dan wel geen belastingaanslag wordt of kan worden vastgesteld.

Artikel § 7

1. Indien belanghebbende niet meer in rechte tegen een hem opgelegde boete op kan komen, gaat de inspecteur na ontvangst van een verzoek om ambtshalve vermindering na of de boete tot de juiste hoogte is vastgesteld. Indien het de inspecteur blijkt dat de boete tot een te hoog bedrag is vastgesteld, vermindert hij de boete.

2. De termijn waarbinnen belanghebbende kan verzoeken om vermindering van de boete bedraagt vijf jaren, te rekenen vanaf de dag na het onherroepelijk worden van de boetebeschikking.

3. De inspecteur vermindert in elk geval ambtshalve een opgelegde boete indien deze als gevolg van een wijziging van de grondslag voor de berekening van de boete voor verlaging in aanmerking komt.

Hoofdstuk II

Afdeling A. Algemene bepalingen met betrekking tot verzuim- en vergrijpboeten

Artikel 8

Voor de toepassing van dit besluit geldt als dag van betaling:

bij betalingen per bank de datum van bijschrijving op de rekening van de Belastingdienst; bij betaling op het postkantoor door storting van contant geld, de eerste werkdag volgend op de dag van storting; bij betaling door middel van pin- en creditcardtransacties bij de Belastingdienst/Douane de dag van de pin- of creditcardtransactie.

Toelichting

Voor de betalingen wordt aangesloten bij het civielrechtelijke uitgangspunt dat een betaling geacht wordt te hebben plaatsgevonden op het tijdstip waarop het verschuldigde bedrag op de rekening van de crediteur is bijgeschreven. De huisbankier van de Belastingdienst, ING Bank N.V., heeft één werkdag nodig om het op het postkantoor gestorte contante geld op de rekening van de Belastingdienst bij te schrijven. Bij de Belastingdienst/Douane kan, uitsluitend ter zake van enkele niet-fiscale douanetaken, betaald worden door middel van pin- en creditcardtransacties.

Artikel § 9

1. Het opleggen van een boete is aan te merken als het instellen van een strafvervolging in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna te noemen: EVRM).

2. De aan belanghebbende in verband met het opleggen van boeten toekomende waarborgen gelden, met uitzondering van het inzagerecht, vanaf het tijdstip waarop de inspecteur jegens belanghebbende een handeling heeft verricht waaraan deze in redelijkheid de gevolgtrekking kan verbinden dat aan hem wegens een bepaalde gedraging een boete is of zal worden opgelegd.

Artikel § 10

Bij het opleggen van een boete gaat de inspecteur uit van de percentages of bedragen, vermeld in de hoofdstukken III, IV en V van dit besluit. Aangezien het opleggen van een boete een vorm van straftoemeting is, houdt de inspecteur vervolgens in voorkomende gevallen rekening met omstandigheden die aanleiding geven tot een hogere of een lagere boete dan op grond van deze hoofdstukken kan worden opgelegd (zie hoofdstuk VI van dit besluit).

Artikel § 11

Overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM kan aanleiding zijn tot matiging van de boete, dan wel in uitzonderlijke gevallen tot het vervallen van de boete. Bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn is overschreden, moet onder meer worden gelet op de ingewikkeldheid van de zaak, het processuele gedrag van belanghebbende en de wijze waarop de zaak door de Belastingdienst is behandeld.

Artikel § 12

Indien de inspecteur jegens belanghebbende een handeling heeft verricht waaraan deze in redelijkheid de gevolgtrekking kan verbinden dat aan hem wegens een bepaalde gedraging een boete zal worden opgelegd, is belanghebbende niet langer verplicht ter zake van die gedraging een verklaring af te leggen voor zover het de boete-oplegging betreft. Het niet verstrekken van de uitsluitend met het oog op de boete-oplegging gevraagde inlichtingen en gegevens leidt niet tot omkering van de bewijslast.

Artikel 13

1. Er is sprake van een verhoor in de zin van artikel 67l van de AWR indien de inspecteur belanghebbende in een directe confrontatie ondervraagt in het kader van zijn voornemen een boete op te leggen.

2. Een verhoor vindt niet eerder plaats dan na schriftelijke oproep door de inspecteur. De inspecteur vermeldt in de oproep dat belanghebbende tijdens het verhoor niet tot antwoorden is verplicht.

3. Belanghebbende dient zelf te verschijnen. Met instemming van de inspecteur kan belanghebbende zich laten vertegenwoordigen.

4. Belanghebbende is tijdens het verhoor niet tot antwoorden verplicht. Hij dient voor de aanvang van het verhoor hierop te worden gewezen (cautie).

5. Belanghebbende kan zich tijdens het verhoor doen bijstaan.

6.

Wanneer een belanghebbende die de Nederlandse taal niet of gebrekkig beheerst, vóór het verhoor verzoekt om bijstand van een tolk, draagt de inspecteur er zorg voor dat deze wordt benoemd.

Indien de inspecteur weet dat belanghebbende de Nederlandse taal niet of gebrekkig beheerst, draagt hij zorg voor de aanwezigheid van een tolk.

Indien tijdens het verhoor blijkt dat belanghebbende de Nederlandse taal niet beheerst, wordt het verhoor afgebroken. Het verhoor vindt dan plaats op een later moment waarbij de inspecteur zorg draagt voor de aanwezigheid van een tolk. Voor dat nieuwe verhoor wordt een aparte oproep verzonden of uitgereikt.

7. De inspecteur maakt na afloop van het verhoor een verslag waarin hij vermeldt dat de cautie is gegeven. Belanghebbende krijgt een afschrift van het verslag.

Artikel § 14

Het aan belanghebbende in artikel 67m van de AWR toegekende recht op inzage geldt vanaf het moment waarop de inspecteur belanghebbende heeft medegedeeld dat hem een verzuimboete is opgelegd of hem ervan in kennis heeft gesteld dat hem een vergrijpboete zal worden opgelegd. Indien het voornemen tot het opleggen van een boete (mede) berust op gegevens over derden worden de desbetreffende bescheiden, voor zover mogelijk, geanonimiseerd.

Artikel § 15

1. De in artikel 67g, tweede lid, van de AWR bedoelde mededeling geschiedt schriftelijk.

2. Bij het opleggen van een verzuimboete vermeldt de mededeling het feit dat aanleiding heeft gegeven tot het opleggen van de boete alsmede de voor de berekening van de boete gehanteerde uitgangspunten.

3. Bij het opleggen van een vergrijpboete vermeldt de mededeling de feiten die aanleiding hebben gegeven tot het opleggen van de boete alsmede de feiten en omstandigheden op grond waarvan kan worden aangenomen dat sprake is van opzet of grove schuld. In voorkomende gevallen dient de mededeling tevens te vermelden de bijzondere omstandigheden van hoofdstuk VI van dit besluit die tot een matiging dan wel verhoging van de boete hebben geleid.

Artikel § 16

Indien de inspecteur weet dat belanghebbende noch zijn gemachtigde de Nederlandse taal voldoende begrijpt, vult hij de mededeling aan met een vertaling daarvan, althans een korte weergave in een voor belanghebbende of zijn gemachtigde begrijpelijke taal.

Artikel § 17

Indien belanghebbende niet binnen de in de wet gestelde termijn in bezwaar is gekomen tegen de boete en hij gemotiveerd stelt dat de termijnoverschrijding niet aan hem of zijn gemachtigde kan worden toegerekend, verklaart de inspecteur hem ontvankelijk in zijn bezwaar, tenzij de inspecteur aantoont dat deze stelling van belanghebbende niet juist is.

Artikel § 18

Indien de inspecteur binnen vijf jaren na het tijdstip van overlijden van belanghebbende, daarvan op de hoogte raakt en hem geen verzoek heeft bereikt om de boetebeschikking te vernietigen, dan wel de boete te verminderen, past hij artikel 67i, tweede en derde lid, van de AWR ambtshalve toe.

Afdeling B. Bijzondere bepalingen met betrekking tot vergrijpboeten

Artikel § 19

1. De kennisgeving van het voornemen een vergrijpboete op te leggen en van de gronden waarop dat voornemen berust, geschiedt schriftelijk.

2. De inspecteur geeft belanghebbende een redelijke termijn waarbinnen hij de aangevoerde gronden kan betwisten.

3. Indien belanghebbende de in de kennisgeving aangevoerde gronden mondeling wenst te betwisten, wordt hij door de inspecteur gehoord.

4. Paragraaf 16 van dit besluit is van overeenkomstige toepassing.

Artikel § 20

1. Het una via-beginsel sluit het opleggen van een vergrijpboete op grond van de artikelen 67d of 67e van de AWR uit in gevallen waarin ter zake van hetzelfde feit tegen belanghebbende een strafvervolging is ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting een aanvang heeft genomen, dan wel het recht tot strafvervolging is vervallen omdat belanghebbende aan de hem daartoe gestelde voorwaarden heeft voldaan (transactie). Omgekeerd sluit het opleggen van een vergrijpboete aan belanghebbende strafvervolging tegen hem ter zake van hetzelfde feit uit.

2. Het voorgaande lid houdt in dat de inspecteur het opleggen van de vergrijpboete aanhoudt zodra hij weet dat een gedraging onderwerp is of kan zijn van een opsporingsonderzoek dan wel van een strafrechtelijke vervolging. Indien de termijn waarbinnen de belastingaanslag en de boetebeschikking moeten zijn opgelegd, dreigt te verstrijken, treedt de inspecteur tijdig in overleg met de betrokken opsporingsautoriteiten om te bepalen of er definitief voor strafrechtelijke afdoening wordt gekozen dan wel of er alsnog een vergrijpboete wordt opgelegd.

Hoofdstuk III. Verzuimboeten

Artikel § 21

1. Bij het opleggen van een verzuimboete wegens het niet of niet tijdig doen van aangifte voor een belasting (premie volksverzekeringen en de premie ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen daaronder begrepen) die bij wege van aanslag wordt geheven, wordt een onderscheid gemaakt tussen een eerste, tweede, derde, vierde en vijfde/volgend verzuim.

2. Van een tweede respectievelijk derde, vierde, vijfde/volgend verzuim is sprake, indien belanghebbende over de voorafgaande vijf belastingjaren éénmaal respectievelijk tweemaal, driemaal of meer in verzuim is geweest.

3. Wordt de aanslag op een positief bedrag vastgesteld, dan legt de inspecteur in geval van een eerste, tweede, derde, vierde of vijfde/volgend verzuim een boete op van respectievelijk € 113, € 340, € 567, € 794 of € 1134. Wordt de aanslag op nihil of op een negatief bedrag vastgesteld dan legt de inspecteur een boete op van respectievelijk € 22, € 68, € 113, € 158 of € 226. Voor de toepassing van deze paragraaf wordt onder een op een positief bedrag vastgestelde aanslag verstaan een aanslag waarvan het bedrag na verrekening van voorheffingen en de tot het moment van indiening van de aangifte opgelegde voorlopige aanslagen positief is. Onder een op nihil of een op een negatief bedrag vastgestelde aanslag wordt voor de toepassing van deze paragraaf verstaan een aanslag waarvan het bedrag na verrekening van voorheffingen en de tot het moment van indiening van de aangifte opgelegde voorlopige aanslagen nihil of negatief is.

4. De verzuimenreeks wordt toegepast per belastingmiddel. Om te bepalen of sprake is van een eerste, tweede, derde, vierde of vijfde/volgend verzuim worden verzuimboeten die gelijktijdig met een nihilaanslag of een op een negatief bedrag vastgestelde aanslag zijn opgelegd en verzuimboeten die gelijktijdig met een op een positief bedrag vastgestelde aanslag zijn opgelegd op gelijke voet meegeteld. Er wordt hierbij evenmin onderscheid gemaakt tussen een verzuim wegens het niet doen van aangifte en een verzuim wegens het niet tijdig doen van aangifte. Indien sprake is van avas telt het verzuim niet mee voor de verzuimenreeks.

5. De voorgaande leden gelden niet ten aanzien van de rechten van successie, schenking en overgang. Indien voor het recht van successie niet of niet tijdig aangifte wordt gedaan, legt de inspecteur een verzuimboete op van 5 procent van het door degene die in verzuim is verschuldigde successierecht na verrekening van tot het moment van indiening van de aangifte opgelegde voorlopige aanslagen, met een minimum van € 11 per erfgenaam. Dit geldt ook indien de erfgenamen op de voet van artikel 39 van de Successiewet bij één aangiftebiljet aangifte hebben gedaan. De verzuimboete wegens het niet tijdig doen van aangifte bedraagt maximaal € 453 per aangiftebiljet. Het bedrag van de verzuimboete wordt naar evenredigheid van het door iedere erfgenaam over de totale verkrijging verschuldigde successierecht over de erfgenamen verdeeld. Indien de aangifte niet wordt gedaan, wordt een verzuimboete opgelegd van maximaal € 1134 per uitgereikt aangiftebiljet.

6. Voor het recht van schenking geldt hetgeen is bepaald ten aanzien van het recht van successie, met dien verstande dat indien het aangiftebiljet is uitgereikt aan de schenker het rechtens niet mogelijk is hem een verzuimboete op te leggen.

7. Voor wat betreft het recht van overgang geldt hetgeen is bepaald ten aanzien van het recht van successie respectievelijk het recht van schenking.

8. Een ingevolge artikel 67a van de AWR ten aanzien van de rechten van successie, schenking en overgang opgelegde verzuimboete wordt naar evenredigheid verlaagd bij vermindering of teruggaaf van belasting. De verzuimboete wordt niet lager gesteld dan op het in het vijfde lid genoemde minimum bedrag.

9. Indien bij vermindering of teruggaaf van belasting van een op een positief bedrag vastgestelde aanslag, anders dan door verliesverrekening, middeling, of toepassing van artikel 14, vijfde lid, van de Wet op de vermogensbelasting 1964, de aanslag op nihil of op een negatief bedrag wordt vastgesteld, wordt een ingevolge de eerste volzin van het derde lid van deze paragraaf opgelegde verzuimboete verminderd tot het in de tweede volzin van het derde lid voor het betreffende verzuim vermelde bedrag.

Artikel § 22

1. Bij het opleggen van een verzuimboete wegens het niet of niet tijdig doen van aangifte voor een belasting (premie werknemersverzekeringen en volksverzekeringen daaronder begrepen) die op aangifte moet worden voldaan of afgedragen (tijdvakbelastingen en tijdstipbelastingen), wordt een onderscheid gemaakt tussen een eerste, tweede en derde/volgend verzuim. Voor de aangifte loonbelasting wordt onderscheid gemaakt tussen een eerste en tweede/volgend verzuim.

2. De verzuimenreeks wordt toegepast per belastingmiddel. Indien sprake is van afwezigheid van alle schuld (avas) telt het verzuim niet mee voor de verzuimenreeks.

3.

Voor aangiftebelastingen die periodiek op aangifte moeten worden voldaan of afgedragen (tijdvakbelastingen) geldt dat van een eerste verzuim sprake is indien belanghebbende over geen van de laatste zeven tijdvakken, voorafgaande aan het tijdvak waarover niet of niet tijdig aangifte is gedaan, in verzuim is geweest. Van een tweede verzuim is sprake indien belanghebbende over één van de laatste zeven tijdvakken, voorafgaande aan het tijdvak waarover niet of niet tijdig aangifte is gedaan, in verzuim is geweest. Van een derde/volgend verzuim is sprake indien belanghebbende over twee of meer van de laatste zeven tijdvakken, voorafgaande aan het tijdvak waarover niet of niet tijdig aangifte is gedaan, in verzuim is geweest.

Voor de toepassing van het eerste, tweede en derde lid van deze paragraaf worden slechts die verzuimen in aanmerking genomen welke betrekking hebben op tijdvakken die vallen in een periode van vierentwintig maanden voorafgaande aan het tijdvak waarover niet of niet tijdig aangifte is gedaan.

4. Voor aangiftebelastingen die niet periodiek op aangifte moeten worden voldaan of afgedragen (tijdstipbelastingen) geldt dat van een tweede respectievelijk derde/volgend verzuim sprake is, indien belanghebbende over de voorafgaande vierentwintig maanden éénmaal respectievelijk tweemaal of meer in verzuim is geweest.

5. De inspecteur legt in geval van een eerste verzuim geen verzuimboete op. In geval van een tweede verzuim legt de inspecteur een boete op van € 56. De inspecteur legt een boete van € 113 op, indien sprake is van een derde/volgend verzuim.

6. In afwijking van lid 5 legt de inspecteur voor het niet of niet tijdig doen van de aangifte loonbelasting (premie werknemersverzekeringen en volksverzekeringen daaronder begrepen) in geval van een eerste verzuim geen verzuimboete op. De inspecteur legt een boete van € 113 op, indien sprake is van een tweede/volgend verzuim. In uitzonderlijke gevallen kan de inspecteur een boete opleggen van maximaal € 1.134.

Toelichting

Bij het niet of niet tijdig doen van aangifte voor de aangiftebelasting is sprake van een verzuim indien belanghebbende de aangifte niet heeft gedaan binnen de in de belastingwet gestelde termijn, in voorkomende gevallen verlengd met het verleende uitstel voor indiening van de aangifte. Bij verzending per post is een aangifte tijdig gedaan indien deze voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits deze niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.

In de aangiftebelastingen kan zowel het niet als het niet tijdig doen van aangifte uitsluitend beboet worden als een verzuim.

Zowel voor tijdvakbelastingen als voor tijdstipbelastingen geldt een verzuimenreeks per belastingmiddel.

Bij avas legt de inspecteur geen verzuimboete op, dan wel vernietigt hij de verzuimboete.

Indien bij toepassing van de verzuimenreeks tegen de verzuimboete terecht bezwaar wordt gemaakt met een beroep op avas ten aanzien van een eerder beboet verzuim in diezelfde reeks, wordt de verzuimboete verminderd tot de boete passend bij het resterende aantal verzuimen.

Over hetzelfde tijdvak kan zowel een verzuimboete voor het niet of niet tijdig doen van aangifte worden opgelegd als voor het niet, gedeeltelijk niet of het niet tijdig betalen van belasting. Verzuimen voor het niet of niet tijdig doen van aangifte behoren niet tot dezelfde verzuimenreeks als verzuimen voor het niet, gedeeltelijk niet of het niet tijdig betalen van belasting.

In uitzonderlijke gevallen kan wegens het niet dan wel niet tijdig doen van de aangifte loonbelasting de maximale boete, genoemd in artikel 67b, tweede lid AWR, worden opgelegd. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan situaties waarin sprake is het stelselmatig niet of niet tijdig indienen van de aangifte loonbelasting.

Artikel 22a

1. Ter zake van het onjuist of onvolledig doen van de aangifte loonbelasting (premie werknemersverzekeringen en volksverzekeringen daaronder begrepen) kan de inspecteur een verzuimboete van maximaal € 1.134 opleggen

2. Een verzuimenreeks is niet van toepassing.

Toelichting

Het onjuist of onvolledig doen van aangifte voor de loonbelasting wordt aangemerkt als een verzuim.

Vooralsnog zal met het opleggen van deze verzuimboete terughoudend worden omgegaan.

In uitzonderlijke gevallen kan de maximale boete, genoemd in artikel 67b, tweede lid AWR, worden opgelegd. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan situaties waarin sprake is van het stelselmatig onjuist of onvolledig doen van de aangifte loonbelasting.

Verzuimen voor het onjuist of onvolledig doen van aangifte tellen niet mee in de verzuimenreeks als verzuimen voor het niet en niet tijdig doen van de aangiften, noch die voor het niet, gedeeltelijk niet of het niet tijdig betalen van belasting.

Artikel § 23

De op grond van deze paragraaf op te leggen verzuimboeten hebben betrekking op betalingsverzuimen

  1. Bij het opleggen van een verzuimboete wegens het niet, gedeeltelijk niet of niet tijdig betalen van belasting (premie volksverzekeringen daaronder begrepen) die op aangifte moet worden voldaan of afgedragen, wordt een onderscheid gemaakt tussen een eerste, tweede en derde/volgend verzuim.
  2. Voor de tijdvakbelastingen is sprake van een eerste verzuim indien belanghebbende over geen van de laatste zeven tijdvakken, voorafgaande aan het tijdvak waarover niet, gedeeltelijk niet dan wel niet tijdig is betaald, in verzuim is geweest. Van een tweede verzuim is sprake indien belanghebbende over één van de laatste zeven tijdvakken, voorafgaande aan het tijdvak waarover niet, gedeeltelijk niet dan wel niet tijdig is betaald, in verzuim is geweest. Van een derde/volgend verzuim is sprake indien belanghebbende over twee of meer van de laatste zeven tijdvakken, voorafgaande aan het tijdvak waarover niet, gedeeltelijk niet dan wel niet tijdig is betaald, in verzuim is geweest.

Voor de toepassing van het eerste en tweede lid van deze paragraaf worden slechts die verzuimen in aanmerking genomen welke betrekking hebben op tijdvakken die vallen in een periode van vierentwintig maanden. 3. Voor de tijdstipbelastingen is sprake van een eerste verzuim, indien belanghebbende in de periode van vijf jaren voorafgaand aan het tijdstip waarop betaling uiterlijk had moeten plaatsvinden, niet in verzuim is geweest. Van een tweede respectievelijk derde/volgend verzuim is sprake, indien belanghebbende in de periode van vijf jaren voorafgaand aan het tijdstip waarop betaling uiterlijk had moeten plaatsvinden, éénmaal respectievelijk tweemaal of meer in verzuim is geweest. 4. In geval van een verzuim wegens het niet tijdig betalen van de verschuldigde belasting, legt de inspecteur bij een eerste verzuim geen boete op. Bij een tweede verzuim legt de inspecteur een boete op van 1 procent van de niet tijdig betaalde belasting, met een maximum van € 1134. Bij een derde/volgend verzuim legt de inspecteur een boete op van 5 procent van de niet tijdig betaalde belasting, met een maximum van € 2268. 5. In geval van een verzuim wegens het niet dan wel gedeeltelijk niet betalen van de verschuldigde belasting, legt de inspecteur bij een eerste verzuim een boete op van 1 procent van de niet betaalde belasting, met een maximum van € 1134. Bij een tweede verzuim legt de inspecteur een boete op van 5 procent van de niet betaalde belasting, met een maximum van € 2268. Bij een derde/volgend verzuim legt de inspecteur een boete op van 10 procent van de niet betaalde belasting, met een maximum van € 4537. 6. De in deze paragraaf bedoelde verzuimenreeks wordt toegepast per belastingmiddel.

Indien sprake is van avas telt het verzuim niet mee voor de verzuimenreeks. 7. Indien het bedrag van de belastingaanslag vermeerderd met het bedrag van de verzuimboete minder dan € 12 bedraagt, wordt geen verzuimboete opgelegd. Het verzuim telt echter wel mee in de verzuimenreeks. De inspecteur zendt belanghebbende daarvan een mededeling. 8. Voor de bepaling van de plaats van een verzuim in de verzuimenreeks wordt geen onderscheid gemaakt tussen het niet, gedeeltelijk niet dan wel niet tijdig betalen van de belasting. 9. Een ingevolge artikel 67c van de AWR opgelegde verzuimboete wordt naar evenredigheid verlaagd bij vermindering of teruggaaf van belasting.

Artikel § 24

In afwijking in zoverre van paragraaf 23 zien paragraaf 24 en paragraaf 24a op de situatie waarin niet, gedeeltelijk niet of niet tijdig is betaald omdat er te weinig belasting is aangegeven.

  1. Indien sprake is van het niet, gedeeltelijk niet dan wel niet tijdig betalen van belasting die op aangifte moet worden voldaan of afgedragen, legt de inspecteur een verzuimboete op van 10 procent van de verschuldigde belasting met een maximum van € 4.537.

  2. Indien het bedrag van de belastingaanslag vermeerderd met het bedrag van de verzuimboete minder dan € 12 bedraagt, wordt geen verzuimboete opgelegd.

  3. Een ingevolge artikel 67c van de AWR opgelegde verzuimboete wordt naar evenredigheid verlaagd bij vermindering of teruggaaf van belasting.

  4. Bij het vaststellen van de verzuimboete gaat de inspecteur uit van het kalenderjaar of (gebroken) boekjaar. Heeft de niet, gedeeltelijk niet dan wel niet tijdig betaalde belasting betrekking op tijdvakken die in meer kalenderjaren of (gebroken) boekjaren vallen, dan legt de inspecteur per kalenderjaar of (gebroken) boekjaar een verzuimboete op. Heeft de niet, gedeeltelijk niet dan wel niet tijdig betaalde belasting betrekking op een kortere periode dan een kalenderjaar of (gebroken) boekjaar, dan berekent de inspecteur de verzuimboete uitgaande van die kortere periode.

Toelichting

Paragraaf 24 van het besluit ziet op situaties waarin de inspecteur niet in het kader van het periodieke betalingspatroon maar pas naderhand heeft kunnen constateren dat belanghebbende de belasting niet, gedeeltelijk niet of niet tijdig heeft afgedragen of voldaan, omdat er te weinig belasting is aangegeven. Onder te weinig aangegeven belasting wordt voor de toepassing van deze paragraaf verstaan niet aangegeven of te laag aangegeven belasting, dan wel niet betaalde belasting als gevolg van het feit dat belanghebbende ten onrechte niet heeft verzocht om een uitnodiging tot het doen van aangifte.

Gelet op de aard van de in paragraaf 24 van het besluit bedoelde verzuimen waarvan de inspecteur in het kader van het normale betalingspatroon niet zonder meer op de hoogte kan raken, wordt in tegenstelling tot de in paragraaf 23 van het besluit bedoelde verzuimen, geen verzuimenreeks gehanteerd.

Voor het opleggen van de in paragraaf 24 van het besluit omschreven verzuimboeten is gekozen voor een systematiek waarbij de verzuimboete wordt berekend uitgaande van de in een kalenderjaar of (gebroken) boekjaar niet, gedeeltelijk niet of niet tijdig betaalde belasting.

Artikel § 24a

  1. Indien sprake is van een vrijwillige verbetering in de zin van paragraaf 28, derde lid, van dit besluit kan de inspecteur een verzuimboete opleggen van 5 procent met een maximum van € 4.537.

  2. De inspecteur legt geen verzuimboete op indien het belastingbedrag dat ingevolge de vrijwillige verbetering alsnog wordt betaald minder bedraagt dan € 5.000. Ook legt de inspecteur geen verzuimboete op indien het belastingbedrag dat ingevolge de vrijwillige verbetering wordt betaald € 5.000 of meer maar minder dan € 12.500 bedraagt en het belastingbedrag dat ingevolge de vrijwillige verbetering wordt betaald minder dan 20 procent bedraagt van het bedrag van de belasting die over het tijdvak/de tijdvakken waarop de vrijwillige verbetering betrekking heeft, is betaald.

  3. Paragraaf 24, vierde lid van dit besluit is van overeenkomstige toepassing.

Toelichting

Paragraaf 24a van het besluit geeft inhoud aan de wijze waarop de verzuimboete wordt berekend ingeval van een zogenaamde suppletie-aangifte voor belastingen die op aangifte dienen te worden betaald. De werkingssfeer van deze paragraaf is beperkt tot die situaties waarin belanghebbende abusievelijk in eerste instantie de op aangifte te betalen belasting te laag heeft berekend, aangegeven en betaald en conform een vrijwillige verbetering van de aangifte het te weinig betaalde alsnog betaalt.

Op grond van paragraaf 28, derde lid, van het BBBB 1998 wordt ter zake van een betalingsverzuim geen vergrijpboete opgelegd als belanghebbende een vrijwillige verbetering indient. Van een vrijwillige verbetering is sprake als belanghebbende vóórdat hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de inspecteur bekend is of zal worden met dat feit, schriftelijk uitdrukkelijk kenbaar maakt aan de inspecteur dat en tot welk bedrag niet of gedeeltelijk niet is betaald. Op grond van het eerste lid van deze paragraaf kan de inspecteur een verzuimboete opleggen van 5 procent met een maximum van € 4.537. In het tweede lid van deze paragraaf wordt beschreven in welke situaties de inspecteur geen verzuimboete oplegt. Het betreft allereerst situaties waarin de vrijwillige verbetering minder dan € 5.000 bedraagt. Daarnaast wordt ook geen boete opgelegd in gevallen waarin de vrijwillige verbetering weliswaar € 5.000 of meer bedraagt, maar minder dan 20 procent van het bedrag van de belasting die over het tijdvak of de tijdvakken waarop de vrijwillige verbetering betrekking heeft, is afgedragen of voldaan. Deze procentuele regeling is van toepassing tot een vrijwillige verbetering van maximaal € 12.500, zodat voor een suppletie-aangifte van meer dan € 12.500 wel tot het opleggen van een verzuimboete zal worden overgegaan. Voor de toepassing van deze paragraaf is het uitgangspunt steeds dat de suppletie-aangifte alsnog leidt tot een juiste afdracht of voldoening van verschuldigde belasting.

De grensbedragen van het tweede lid van deze paragraaf worden toegepast op de tijdvakken die in een kalenderjaar of (gebroken) boekjaar vallen. Heeft de vrijwillige verbetering betrekking op tijdvakken die in meer kalenderjaren of (gebroken) boekjaren vallen, dan legt de inspecteur per kalenderjaar of (gebroken) boekjaar een verzuimboete op. Dit betekent dat als belanghebbende een vrijwillige verbetering indient over twee opeenvolgende kalenderjaren van € 20.000 de inspecteur nagaat welk deel van deze vrijwillige verbetering betrekking heeft op de tijdvakken die in het eerste kalenderjaar vallen en welk deel op tijdvakken die in het tweede kalenderjaar vallen. Ervan uitgaande dat de vrijwillige verbetering voor € 14.000 betrekking heeft op het eerste kalenderjaar en voor € 6.000 op het tweede kalenderjaar legt de inspecteur twee boetebeschikkingen op. Over het eerste kalenderjaar bedraagt de boete € 700 (paragraaf 24a, eerste lid, van het BBBB 1998). Over het tweede kalenderjaar bedraagt de boete € 300 als het bedrag van de vrijwillige verbetering 20 procent of meer bedraagt van het bedrag van de belasting die over de tijdvakken die in het tweede kalenderjaar vallen is betaald (paragraaf 24a, tweede lid, van het BBBB 1998). Heeft de vrijwillige verbetering betrekking heeft op een kortere periode dan een kalender jaar of (gebroken) boekjaar, dan berekent de inspecteur de verzuimboete uitgaande van die kortere periode.

Onder te weinig betaalde belasting wordt voor de toepassing van deze paragraaf verstaan niet betaalde belasting als gevolg van niet aangegeven of te laag aangegeven belasting, dan wel niet betaalde belasting als gevolg van het feit dat belanghebbende ten onrechte niet heeft verzocht om een uitnodiging tot het doen van aangifte.

De inspecteur kan in het kader van het normale betalingspatroon niet zonder meer op de hoogte komen van een vrijwillige verbetering. Daarom wordt, in tegenstelling tot de in paragraaf 23 van het besluit bedoelde verzuimen, geen verzuimenreeks gehanteerd.

Voor het opleggen van de in paragraaf 24a van het besluit omschreven verzuimboeten is gekozen voor een systematiek waarbij de verzuimboete wordt berekend uitgaande van de in een kalenderjaar of (gebroken) boekjaar niet, gedeeltelijk niet of niet tijdig betaalde belasting.

Hoofdstuk IV. Vergrijpboeten

Artikel 25

1.

Vergrijpboeten kunnen alleen worden opgelegd indien sprake is van grove schuld of opzet.

Onder opzet wordt mede verstaan voorwaardelijk opzet. Grove schuld is een in laakbaarheid aan opzet grenzende mate van verwijtbaarheid en omvat mede grove onachtzaamheid.

2. In geval van grove schuld legt de inspecteur een vergrijpboete op van 25 procent.

3. In geval van opzet legt de inspecteur een vergrijpboete op van 50 procent.

4. Indien bij het opleggen van een vergrijpboete slechts een gedeelte van de verschuldigde belasting door opzet of grove schuld van belanghebbende te weinig is of zou zijn geheven dan wel betaald, berekent de inspecteur de boete over dat -naar evenredigheid bepaalde- gedeelte.

5. Het in het vierde lid neergelegde beginsel vindt overeenkomstige toepassing indien meer dan één boetepercentage moet worden toegepast.

Artikel § 26

1. Gelijktijdig met de aanslag legt de inspecteur een vergrijpboete op indien een aangifte voor een belasting die bij wege van aanslag wordt geheven, met opzet niet, dan wel onjuist of onvolledig is gedaan.

2. Indien een onjuiste of onvolledige aangifte is gedaan, wordt de vergrijpboete gebaseerd op het belastingbedrag dat is toe te rekenen aan de correcties terzake van een of meer tekortkomingen in de aangifte waaraan de kwalificatie opzet kan worden verbonden.

3. Indien verliezen in aanmerking zijn of worden genomen, bedraagt de grondslag voor de vergrijpboete het bedrag waarop de aanslag zou zijn berekend zonder rekening te houden met die verliezen. Indien verliezen in aanmerking zijn of worden genomen en als gevolg daarvan geen aanslag kan worden vastgesteld, kan de inspecteur de vergrijpboete opleggen bij afzonderlijke beschikking.

4. De vergrijpboete wordt berekend over het bedrag van de aanslag. Onder het bedrag van de aanslag wordt voor de toepassing van deze paragraaf verstaan het bedrag van de aanslag na verrekening van voorheffingen en opgelegde voorlopige aanslagen. De vergrijpboete wijzigt niet na middeling of toepassing van artikel 14, vijfde lid, van de Wet op de vermogensbelasting 1964.

Artikel § 27

1. Met betrekking tot belastingen die bij wege van aanslag worden geheven, legt de inspecteur gelijktijdig met het vaststellen van de navorderingsaanslag, een vergrijpboete op, indien het aan opzet of grove schuld van belanghebbende is te wijten dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld of anderszins te weinig belasting is geheven.

2. Worden de feiten en omstandigheden op grond waarvan wordt nagevorderd eerst bekend op of na het tijdstip dat is gelegen zes maanden voor het verstrijken van de navorderingstermijn, dan kan de inspecteur binnen zes maanden na de vaststelling van de navorderingsaanslag nog een vergrijpboete opleggen. In dat geval deelt de inspecteur de belanghebbende gelijktijdig met de vaststelling van de navorderingsaanslag mee dat nog onderzoek plaatsvindt of het opleggen van een vergrijpboete gerechtvaardigd is.

3. Indien geen navorderingsaanslag kan worden opgelegd in verband met de verrekening van verliezen, kan niettemin bij afzonderlijke beschikking een vergrijpboete worden opgelegd. De grondslag voor de vergrijpboete is in dat geval het bedrag waarop de navorderingsaanslag zou zijn berekend zonder rekening te houden met die verliezen. In het geval wel een navorderingsaanslag kan worden opgelegd waarbij verliezen in aanmerking zijn of worden genomen, is de grondslag van de vergrijpboete het bedrag waarop de navorderingsaanslag zou zijn berekend zonder rekening te houden met die verliezen.

4. De vergrijpboete wijzigt niet na middeling of toepassing van artikel 14, vijfde lid, van de Wet op de vermogensbelasting 1964.

Artikel § 28

  1. Met betrekking tot belastingen die op aangifte moeten worden voldaan of afgedragen, legt de inspecteur een vergrijpboete op indien het aan opzet of grove schuld van de belanghebbende is te wijten dat de belasting niet, gedeeltelijk niet, dan wel niet tijdig is betaald.

  2. Bij niet of gedeeltelijk niet betalen van belasting legt de inspecteur de vergrijpboete op, gelijktijdig met de vaststelling van de naheffingsaanslag. Indien wegens niet tijdige betaling van belasting geen naheffingsaanslag wordt opgelegd of in het geval bedoeld in artikel 67f, vijfde lid, van de AWR wordt de vergrijpboete opgelegd bij een afzonderlijke beschikking. De bevoegdheid om deze vergrijpboete op te leggen vervalt door verloop van vijf jaren na het einde van het kalenderjaar waarin de belastingschuld is ontstaan.

Ook voor deze vergrijpboeten geldt in voorkomende gevallen een verlenging van de termijn voor het opleggen van de boete met ten hoogste zes maanden na de vaststelling van de naheffingsaanslag. Hetgeen hierover in paragraaf 27 van dit besluit is opgemerkt, is van overeenkomstige toepassing.

  1. Indien de belasting die op aangifte moet worden voldaan of afgedragen, niet of gedeeltelijk niet is betaald maar belanghebbende, vóórdat hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de inspecteur bekend is of zal worden met dat feit, schriftelijk uitdrukkelijk kenbaar maakt aan de inspecteur dat en tot welk bedrag niet of gedeeltelijk niet is betaald, legt de inspecteur geen vergrijpboete op (vrijwillige verbetering) als bedoeld in artikel 67f van de AWR.

  2. Paragraaf 24, vierde lid, eerste volzin, van dit besluit is van overeenkomstige toepassing.

Toelichting

Bij de aangiftebelastingen staat de betaling voorop. De verschuldigde belasting bij aangiftebelastingen wordt voldaan of afgedragen op aangifte. De aangifte is het geleideformulier dat aangeeft waarop de betaling betrekking heeft. Het niet doen van aangifte bij aangiftebelastingen is dan ook alleen beboetbaar als verzuim. Het niet, gedeeltelijk niet dan wel niet tijdig betalen is beboetbaar met een verzuim- of een vergrijpboete.

Het als gevolg van het opzettelijk dan wel grofschuldig niet, gedeeltelijk niet dan wel niet tijdig betalen van belasting die op aangifte moet worden voldaan of afgedragen, kan door de inspecteur worden beboet met een vergrijpboete.

Van uitdrukkelijk kenbaar maken in de zin van paragraaf 28, derde lid, van het besluit is sprake indien belanghebbende een afzonderlijke schriftelijke opgave verstrekt die de inspecteur in staat stelt om zonder nader onderzoek een juiste naheffingsaanslag op te leggen. Het enkel vermelden van een balansschuld (al dan niet met toelichting) in de jaarstukken kan derhalve niet worden aangemerkt als uitdrukkelijk kenbaar maken in de zin van paragraaf 28 van het besluit.

Het bewijs dat er geen sprake is van een vrijwillige verbetering dient te worden geleverd door de inspecteur aan de hand van de concrete feiten en omstandigheden. De termijn waarbinnen de verbetering plaatsvindt, speelt daarbij op zichzelf geen rol. Er is geen sprake van een vrijwillige verbetering als de inspecteur geconstateerd heeft dat te weinig belasting is afgedragen of ingehouden en belanghebbende over deze bevinding is geïnformeerd. Belanghebbende kan ook niet meer vrijwillig verbeteren nadat hem is medegedeeld dat een boekenonderzoek zal worden ingesteld.

Hoofdstuk V. Bijzondere boeten

Afdeling A. Verzuimboete in verband met vervoeren personen in laadruimte (

Artikel § 29

1. Het vervoeren van personen in de laadruimte van een bestelauto zonder dat de inrichting van de auto hiertoe is gewijzigd, heeft geen gevolgen voor de heffing op grond van de Wet op de belasting van personenautos en motorrijwielen 1992 (hierna: Wet BPM). Wel kan de inspecteur naar aanleiding van de objectieve vaststelling van dit feit een verzuimboete opleggen.

2. Indien één of meer personen worden vervoerd in de laadruimte van een bestelauto, vormt dit een verzuim ter zake waarvan de inspecteur op grond van de artikelen 13a, zesde lid, Wet BPM (vrijstelling van belasting voor ondernemers) en 15a, elfde lid, Wet BPM (teruggaaf van belasting in verband met gehandicaptenvervoer) een verzuimboete kan opleggen aan degene die het motorrijtuig feitelijk ter beschikking heeft.

3. In geval van een verzuim legt de inspecteur een verzuimboete op van 50 procent van het wettelijk maximum van artikel 13a, zesde lid, Wet BPM of artikel 15a, elfde lid, Wet BPM. In uitzonderlijke gevallen kan hij een boete opleggen ten bedrage van het wettelijk maximum van artikel 13a, zesde lid, Wet BPM of artikel 15a, elfde lid, Wet BPM. Van een uitzonderlijk geval kan bijvoorbeeld sprake zijn indien belanghebbende stelselmatig in verzuim is.

Afdeling B. Boeten op grond van de

Artikel § 30

1. Ter zake van het niet, niet tijdig, onjuist of onvolledig indienen van een correctiebericht (artikel 28b Wet LB) kan de inspecteur een verzuimboete van maximaal € 1.134 opleggen.

2. Een verzuimenreeks is niet van toepassing.

3. Indien bij een aangifte meerdere correctieberichten worden gevoegd, dan wel meerdere correctieberichten gelijktijdig worden ingediend ingevolge artikel 80a Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001, worden deze voor de toepassing van het eerste lid als één correctiebericht aangemerkt.

4. Paragraaf 24a het BBBB 1998 is van overeenkomstige toepassing op betaalverzuimen naar aanleiding van ingediende correctieberichten.

Toelichting

Op grond van artikel 28b Wet LB is het niet, niet tijdig, onjuist of onvolledig indienen van een correctiebericht een beboetbaar feit, waarvoor een verzuimboeten van maximaal € 1.134 kan worden opgelegd. Vooralsnog zal met de bevoegdheid tot het opleggen van deze boete terughoudend worden omgegaan. Daarom zal over het algemeen geen verzuimboete worden opgelegd, maar zal de Belastingdienst inhoudingsplichtingen stimuleren tot het naleven van de correctieverplichting. Indien echter blijkt dat een bepaalde inhoudingsplichtige bijvoorbeeld stelselmatig de opgelegde correctieverplichting niet of niet tijdig dan wel onjuist of onvolledig naleeft, zal de boete, genoemd in artikel 28b Wet LB, worden opgelegd.

Met het vierde lid van paragraaf 30 wordt aangegeven dat op betaalverzuimen naar aanleiding van ingediende correctieberichten het beleid met betrekking tot de vrijwillige verbetering van toepassing is. De grensbedragen van het tweede lid van paragraaf 24a BBBB 1998 gelden per correctiebericht dan wel op de correctieberichten die op grond van het derde lid van deze paragraaf als één correctiebericht worden aangemerkt.

Artikel 30a

1. De verzuimboete ter zake van het niet, niet tijdig, onjuist of onvolledig indienen van de eerstedagmelding (artikel 28c, Wet LB) bedraagt € 113.

2. Een verzuimenreeks is niet van toepassing.

3. In uitzonderlijke gevallen kan een verzuimboete van maximaal € 1.134 worden opgelegd.

4. Het opleggen van een verzuimboete op grond van deze paragraaf blijft achterwege, indien reeds met toepassing van paragraaf 22a van dit besluit ter zake van dezelfde onjuistheden of onvolledigheden een boete is opgelegd in verband met een onjuiste of onvolledige loonbelastingaangifte.

Toelichting

Op basis van artikel 28, onderdeel f, Wet LB wordt de werkgever/inhoudingsplichtige verplicht vóór aanvang van de werkzaamheden van een werknemer opgave te verstrekken van gegevens die voor de heffing van belasting van belang kunnen zijn. Door de eerstedagsmelding (EDM) komen deze gegevens eerder ter beschikking van de Belastingdienst en UWV. De gegevens van de EDM zullen in ieder geval de identiteit van de werknemer en de aanvang van de werkzaamheden betreffen. Op grond van artikel 28c, Wet LB is het niet, niet tijdig, onjuist of onvolledig doen van een eerstedagmelding een beboetbaar feit waarvoor een verzuimboete van maximaal € 1.134 kan worden opgelegd. In deze paragraaf wordt het boetebeleid voor verzuimen met betrekking tot de EDM nader uitgewerkt.

Als een inhoudingsplichtige niet voldoet aan zijn verplichting om een EDM tijdig, juist en volledig in dienen, bedraagt de verzuimboete € 113.

In uitzonderlijke gevallen kan de maximale boete van € 1.134 worden opgelegd. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan situaties waarin sprake is van het stelselmatig niet, niet tijdig, onjuist of onvolledig indienen van de EDM.

Afdeling C. Verzuimboeten omzetbelasting op grond van

Artikel § 31

  1. Indien belanghebbende de opgaaf ICL niet indient binnen de wettelijk gestelde termijn, ontvangt hij een mededeling waarin hij wordt verzocht om dit alsnog te doen binnen de in die mededeling gestelde termijn. Bij deze mededeling wordt hij tevens gewaarschuwd dat aan hem een verzuimboete wordt opgelegd, indien hij niet binnen deze termijn een volledige en juiste opgaaf ICL indient.

Indien belanghebbende een onvolledige of onjuiste opgaaf ICL indient, ontvangt hij een mededeling waarin hij wordt verzocht de ontbrekende of onjuiste gegevens aan te vullen respectievelijk te herstellen binnen de in die mededeling gestelde termijn. Bij deze mededeling wordt hij tevens gewaarschuwd dat aan hem een verzuimboete wordt opgelegd, indien hij niet alsnog binnen deze termijn een volledige en juiste opgaaf ICL indient.

  1. Van een onvolledige opgaaf ICL is sprake, indien één of meerdere BTW-identificatienummer(s) ontbreken. Van een onjuiste opgaaf ICL in de zin van deze paragraaf is sprake, indien één of meerdere onjuiste BTW-identificatienummer(s) zijn vermeld.

  2. Bij het opleggen van de verzuimboete wordt een onderscheid gemaakt tussen een eerste, tweede/derde en vierde/volgend verzuim. Van een tweede/derde, respectievelijk vierde en volgend verzuim is sprake, indien belanghebbende over de voorafgaande vierentwintig maanden reeds één respectievelijk twee, drie of meer keer de opgaaf ICL niet of niet binnen de in de mededeling gestelde termijn heeft ingediend of een onvolledige c.q. onjuiste opgaaf ICL heeft ingediend als bedoeld in deze paragraaf en die onvolledigheid c.q. onjuistheid niet of niet binnen de in de mededeling gestelde termijn heeft hersteld.

Bij vernietiging van de boetebeschikking wegens avas telt het verzuim niet mee voor de verzuimenreeks.

  1. In geval van een eerste verzuim legt de inspecteur een boete op van € 113. In geval van een tweede of derde verzuim legt hij een boete op van € 226. In geval van een vierde/volgend verzuim legt hij een boete op van € 1.134.

  2. In uitzonderlijke gevallen kan een verzuimboete van maximaal € 4.537 worden opgelegd.

Toelichting

In paragraaf 31 van het besluit wordt het niet of niet tijdig indienen van de opgaaf ICL of het indienen van een onjuiste of onvolledige opgaaf ICL als beboetbare gedraging vermeld. Alvorens een verzuimboete op te leggen, wordt belanghebbende in de gelegenheid gesteld het verzuim binnen een hem daartoe gestelde termijn te herstellen. Indien deze termijn is verstreken, wordt de verzuimboete opgelegd. De hoogte van de verzuimboete is afhankelijk van het aantal malen dat het verzuim zich voordoet binnen een periode van 24 maanden. In uitzonderlijke gevallen kan de maximale boete, genoemd in artikel 40 van de Wet OB, worden opgelegd. Van een uitzonderlijk geval is bijvoorbeeld sprake indien de opgaaf ICL stelselmatig niet, niet tijdig, onjuist of onvolledig wordt ingediend.

Artikel § 32

1.

Van een onjuiste opgaaf ICL in de zin van deze paragraaf is sprake, indien de totaalbedragen van de leveringen per afnemer in het betreffende tijdvak niet dan wel onjuist zijn vermeld in de opgaaf ICL.

Indien de Centrale eenheid ICT constateert dat de gegevens op de opgaaf ICL en de OB-aangifte niet overeenstemmen, wordt belanghebbende een mededeling gezonden, waarin hij wordt verzocht om de onjuistheden binnen een hem daartoe gestelde termijn te herstellen.

2.

Bij het opleggen van de verzuimboete wordt een onderscheid gemaakt tussen een eerste, tweede/derde en vierde/volgend verzuim. Van een tweede respectievelijk derde, vierde en volgend verzuim is sprake, indien belanghebbende over de voorafgaande vierentwintig maanden reeds één respectievelijk twee, drie of meer keer een onjuiste opgaaf ICL heeft ingediend als bedoeld in deze paragraaf en die onjuistheid niet binnen de hem gestelde termijn heeft hersteld.

Bij vernietiging van de boete wegens avas telt het verzuim niet mee in de verzuimenreeks.

3. In geval van een eerste verzuim legt de inspecteur een boete op van € 113. In geval van een tweede of derde verzuim legt hij een boete op van € 226. In geval van een vierde/volgend verzuim legt de inspecteur een boete op van € 1134.

4. In uitzonderlijke gevallen kan een verzuimboete van maximaal € 4537 worden opgelegd.

5. Het opleggen van een verzuimboete wegens het indienen van een onjuiste opgaaf ICL blijft achterwege, indien voor deze opgaaf ICL reeds een verzuimboete is opgelegd op de voet van paragraaf 31 van dit besluit.

6. Het opleggen van een verzuimboete wegens het indienen van een onjuiste opgaaf ICL blijft achterwege, indien reeds met toepassing van hoofdstuk IV van dit besluit ter zake van dezelfde onjuistheden een boete is opgelegd in verband met een onjuiste OB-aangifte.

Afdeling D. Verzuimboeten motorrijtuigenbelasting

Artikel § 33

1. De inspecteur zendt aan de houder van een motorrijtuig met betrekking tot een bepaald tijdvak een rekening met daarop de voor dat tijdvak verschuldigde belasting, alsmede een datum waarop het bedrag uiterlijk moet zijn voldaan. Indien het bedrag niet uiterlijk op die datum is voldaan, is sprake van een verzuim als bedoeld in artikel 67c van de AWR.

2. Voor de hoogte van de verzuimboete wordt een onderscheid gemaakt tussen een eerste, tweede, derde, respectievelijk vierde/volgend verzuim. Van een tweede, derde respectievelijk vierde/volgend verzuim is sprake indien belanghebbende in de periode van twee jaren voorafgaand aan het tijdstip waarop belanghebbende in verzuim is, reeds eerder in verzuim is geweest.

3. In geval van een eerste verzuim legt de inspecteur geen boete op. De inspecteur zendt belanghebbende daarvan een mededeling. Bij een tweede verzuim legt de inspecteur een boete op van € 22. Bij een derde verzuim legt hij een boete van € 45 op. Bij een vierde/volgend verzuim legt de inspecteur een boete op van € 113. Indien het aldus berekende bedrag hoger is dan het bedrag van de niet, gedeeltelijk niet of niet tijdig betaalde belasting, wordt de verzuimboete vastgesteld op het laatstbedoelde bedrag.

4. Het aantal verzuimen wordt gerekend per houder als bedoeld in de artikelen 7, 8 of 9 van de Wet MB 1994.

5. Indien voor hetzelfde tijdvak meer dan één rekening is verzonden, wordt het verzuim per rekening bepaald.

6. Verzuimen als bedoeld in de paragrafen 34 en 35 van dit besluit worden niet meegerekend.

7. Indien het bedrag van de verschuldigde belasting € 5 of minder bedraagt, legt de inspecteur geen verzuimboete op. Het verzuim telt niet mee in de verzuimenreeks.

8.

Ingeval op grond van artikel 4a, zesde lid, van de Uitvoeringsregeling MB 1994 de vergunning voor het betalen per maand van de belasting is geëindigd of door de inspecteur is ingetrokken, wordt op grond van artikel 20 van de AWR een naheffingsaanslag voor de resterende belastingschuld over het lopende tijdvak opgelegd. Indien het intrekken van de vergunning zijn oorzaak vindt in het niet aan de voorwaarden van de vergunning hebben voldaan door de belastingplichtige, legt de inspecteur een verzuimboete op als bedoeld in de voorgaande leden van deze paragraaf.

Indien de vergunning op verzoek van belanghebbende vervalt en op grond van artikel 20 van de AWR een naheffingsaanslag voor de resterende belastingschuld over het lopende tijdvak wordt opgelegd, legt de inspecteur geen verzuimboete op.

Artikel § 34

1.

Deze paragraaf heeft betrekking op de naheffingen genoemd in de artikelen 24a, 24b, 33, 34, 35, 35a, 36, 52, 69 en 76 van de Wet MB 1994. De artikelen hebben betrekking op andere naheffingsaanslagen dan die voortvloeien uit de in § 33 genoemde belastingaanslagen naar aanleiding van een zogenoemde betalingscontrole. Het betreft in deze paragraaf in het algemeen naheffingen vanwege het niet doen van een juiste aangifte, het niet voldoen aan de gestelde voorwaarden, het gebruik maken van de weg gedurende een schorsing, of het niet hebben betaald van de verschuldigde belasting ingeval van een in het buitenland of een ten onrechte niet in Nederland gekentekend motorrijtuig.

Indien een of meer in deze artikelen omschreven feiten worden geconstateerd, is sprake van een verzuim. Ter zake van dat verzuim legt de inspecteur op grond van de artikelen 37, respectievelijk 52, 70 of 77 van de Wet MB 1994 een verzuimboete op.

2. De verzuimboete bedraagt maximaal 100 procent van het bedrag aan belasting dat niet of gedeeltelijk niet is betaald en is in zoverre begrensd dat een minimum van € 50 en maximaal het wettelijk maximum van artikel 67c AWR wordt opgelegd. De verzuimboete wordt opgelegd aan degene op wiens naam de naheffingsaanslag is gesteld.

3. In afwijking in zoverre van het bepaalde in artikel 67c AWR, wordt de verzuimboete in verband met een naheffing als bedoeld in artikel 35a van de Wet MB 1994 indien onderdeel a daarvan van toepassing is, gesteld op nihil.

Artikel § 35

1. Indien het in artikel 37d Wet MB 1994 genoemde feit wordt geconstateerd, is sprake van een verzuim. Ter zake van dat verzuim legt de inspecteur op grond van onderdeel b van dat artikel, een verzuimboete op van 50 procent van het wettelijk maximum van artikel 37d Wet MB 1994.

2. In uitzonderlijke gevallen kan een boete tot het maximum van artikel 37d Wet MB 1994 worden opgelegd. Het aantal verzuimen dat wordt gerekend per houder van de motorrijtuigen die behoren tot het bedrijfsvoertuigenpark waarvoor een vergunning op grond van artikel 37b van de Wet MB 1994 is verstrekt, kan bepalend zijn voor beantwoording van de vraag of sprake is van een uitzonderlijk geval.

3. Voor het bepalen van het aantal verzuimen van de houder worden slechts die verzuimen in aanmerking genomen, die betrekking hebben op de in deze paragraaf bedoelde verzuimen in de laatste twaalf maanden voorafgaande aan het verzuim waarop de boete betrekking heeft. Verzuimen als bedoeld in de paragrafen 33 en 34 van dit besluit worden hierin niet meegerekend.

4. De verzuimboete wordt opgelegd bij afzonderlijke boetebeschikking, dat wil zeggen zonder naheffing van de enkelvoudige belasting. De enkelvoudige belasting wordt betrokken in het al dan niet verlenen van een teruggaaf op grond van artikel 37a van de Wet MB 1994. De verzuimboete wordt opgelegd aan de houder van de motorrijtuigen die behoren tot het bedrijfsvoertuigenpark waarvoor een vergunning op grond van artikel 37b van de Wet MB 1994 is verstrekt.

Afdeling E. Verzuimboete op grond van

Artikel § 36

1. De belasting inzake de Wet belasting zware motorrijtuigen (hierna: Wet BZM) dient per voertuig vóór de aanvang van het gebruik van de autosnelweg op aangifte te zijn voldaan. Het doen van aangifte kan geschieden bij de aangewezen aangiftepunten onder het gelijktijdig voldoen van de belasting.

2. De aangifte kan ook via internet worden gedaan, na het sluiten van een daartoe strekkende overeenkomst met de inspecteur. De internetaangiften worden op de website bijgehouden en per kalendermaand getotaliseerd. Het totaalbedrag wordt na afloop van deze maand via automatische incasso geïnd. Indien de automatische incasso niet leidt tot een (tijdige) betaling van de verschuldigde belasting, wordt dit aangemerkt als een verzuim. Betalingsverzuimen met betrekking tot deze per kalendermaand getotaliseerde internetaangiften worden voor de toepassing van deze paragraaf aangemerkt als één verzuim. De naheffingsaanslag en de boetebeschikking worden opgelegd aan de aangever met wie een overeenkomst tot het kunnen doen van een aangifte via internet is gesloten.

3. Indien wordt geconstateerd dat de verschuldigde belasting inzake de Wet BZM niet, gedeeltelijk niet of niet binnen de termijn is betaald, vormt dit een verzuim ter zake waarvan de inspecteur een verzuimboete kan opleggen van 3 procent van het wettelijk maximum van artikel 13 Wet BZM.

4. In uitzonderlijke gevallen kan in afwijking van het voorgaande lid een verzuimboete tot het wettelijk maximum van artikel 13 Wet BZM worden opgelegd. Van een uitzonderlijk geval kan sprake zijn indien bijvoorbeeld stelselmatig (gedeeltelijk) niet binnen de termijn of (gedeeltelijk) niet wordt betaald.

5. De verzuimboete wordt opgelegd aan de houder.

Afdeling F

Artikel § 37

Vervallen

Artikel § 38

Vervallen

Artikel § 39

Vervallen

Afdeling G. Verzuimboeten bij toepassing van

Artikel § 40

1. De inspecteur legt een verzuimboete op, indien belanghebbende op een later tijdstip aangifte doet dan drie dagen na het in artikel 52a van de Wet op de accijns, respectievelijk artikel 19 van de Wet op de verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken en van enkele andere producten, bedoelde tijdstip.

2. De verzuimenreeks van paragraaf 22, vierde en vijfde lid, van dit besluit is van overeenkomstige toepassing.

Artikel § 41

1. Het niet, gedeeltelijk niet of niet tijdig betalen van de belasting, die op de in artikel 53a van de Wet op de accijns bepaalde dag op aangifte moet worden voldaan, vormt een verzuim als bedoeld in artikel 67c van de AWR.

2. Het niet, gedeeltelijk niet of niet tijdig betalen van de belasting, die op de in artikel 21 van de Wet op de verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken en van enkele andere producten bepaalde dag op aangifte moet worden voldaan, vormt een verzuim als bedoeld in artikel 67c van de AWR.

3. Voor de hoogte van de verzuimboete wegens het niet tijdig betalen van de verschuldigde belasting, wordt een onderscheid gemaakt tussen een eerste, tweede, derde, respectievelijk vierde/volgend verzuim. In afwijking in zoverre van paragraaf 23 van dit besluit, is van een eerste verzuim sprake indien belanghebbende in de periode van twaalf maanden voorafgaand aan het tijdstip waarop de betaling had moeten plaatsvinden, niet eerder in verzuim is geweest. Van een tweede, derde, respectievelijk vierde/volgend verzuim is sprake indien belanghebbende in die periode van twaalf maanden éénmaal respectievelijk tweemaal of meer in verzuim is geweest.

4. In geval van een verzuim wegens het niet tijdig betalen van de verschuldigde belasting, legt de inspecteur bij een eerste verzuim geen boete op. Belanghebbende wordt daarvan een mededeling gezonden. Bij een tweede verzuim legt de inspecteur een boete op van 1 procent van de niet tijdig betaalde belasting, met een maximum van € 907. Bij een derde verzuim legt de inspecteur een boete op van 3 procent van de niet tijdig betaalde belasting, met een maximum van € 1361. Bij een vierde/volgend verzuim legt de inspecteur een boete op van 5 procent van de niet tijdig betaalde belasting, met een maximum van € 2268.

5. Voor de hoogte van de verzuimboete wegens het niet of gedeeltelijk niet betalen van de verschuldigde belasting wordt een onderscheid gemaakt tussen een eerste, tweede, derde, vierde, respectievelijk vijfde/volgend verzuim. In afwijking in zoverre van paragraaf 23 van dit besluit, is van een eerste verzuim sprake indien belanghebbende in de periode van twaalf maanden voorafgaand aan het tijdstip waarop de betaling had moeten plaatsvinden, niet eerder in verzuim is geweest. Van een tweede, derde, vierde, respectievelijk vijfde/volgend verzuim is sprake indien belanghebbende in die periode van twaalf maanden éénmaal respectievelijk tweemaal of meer in verzuim is geweest.

6. In geval van een verzuim wegens het niet dan wel gedeeltelijk niet betalen van de verschuldigde belasting, legt de inspecteur bij een eerste verzuim een boete op van 1 procent van de niet betaalde belasting, met een maximum van € 1134. Bij een tweede verzuim legt de inspecteur een boete op van 3 procent van de niet betaalde belasting, met een maximum van € 2268. Bij een derde verzuim legt hij een boete op van 5 procent van de niet betaalde belasting, met een maximum van € 4537. Bij een vierde verzuim legt de inspecteur een boete op van 7 procent van de niet betaalde belasting, met een maximum van € 4537. In geval van een vijfde/volgend verzuim legt de inspecteur een boete op van 10% van de niet betaalde belasting, met een maximum van € 4537.

Hoofdstuk VI. Bijzondere omstandigheden

Artikel § 42

Er kunnen omstandigheden zijn die aanleiding geven de met toepassing van de hoofdstukken III, IV en V bepaalde hoogte van de boete te verhogen of te matigen, dan wel de reeds opgelegde boete te verminderen.

Artikel § 43

1. In daarvoor in aanmerking komende gevallen moet rekening worden gehouden met het aantal malen dat vergrijpen in een bepaalde periode hebben plaatsgevonden (recidive). Van recidive is sprake indien aan belanghebbende voor hetzelfde belastingmiddel reeds eerder een vergrijpboete of een straf is opgelegd. In geval van recidive wordt de vergrijpboete bij grove schuld verhoogd tot maximaal 50 procent en de vergrijpboete bij opzet tot maximaal 100 procent. Met een straf wordt gelijkgesteld het vervallen van het recht tot strafvordering volgens artikel 76, tweede lid van de AWR of op grond van artikel 74 van het Wetboek van Strafrecht. Verhoging van de boete wegens recidive vindt uitsluitend plaats indien in de periode van vijf jaren voorafgaand aan de door de inspecteur opgelegde vergrijpboete reeds eerder een vergrijpboete is opgelegd, een transactie is voldaan, dan wel strafoplegging heeft plaatsgevonden.

2. Vervalt de eerdere vergrijpboete naderhand wegens het ontbreken van opzet dan wel grove schuld, dan wordt de toegepaste verhoging van de vergrijpboete op de voet van het eerste lid ambtshalve gecorrigeerd.

3. De ernst van de te beboeten gedraging kan aanleiding geven de op de voet van paragraaf 25, tweede en derde lid, van dit besluit, op te leggen boete te verhogen tot maximaal 100 procent. Hiertoe is in elk geval aanleiding indien sprake is van listigheid, valsheid of samenspanning. Indien het gevolg van het te beboeten gedrag is dat de belasting die te weinig is of zou zijn geheven dan wel betaald omvangrijk of verhoudingsgewijs omvangrijk is, verhoogt de inspecteur de vergrijpboete eveneens tot maximaal 100 procent.

4. Buiten de voorgaande leden kan er aanleiding zijn een vergrijpboete te verhogen, dan wel een vermindering van een vergrijpboete te beperken of na te laten op grond van de persoonlijke omstandigheden van belanghebbende of de wijze waarop, dan wel de omstandigheden waaronder, het feit heeft plaatsgevonden.

Artikel § 44

Tot de omstandigheden welke aanleiding kunnen geven de op te leggen of opgelegde boete te matigen behoren een wanverhouding tussen de ernst van het feit en de op grond van de hoofdstukken III, IV en V op te leggen of opgelegde boete en omstandigheden die hebben geleid tot het beboetbare feit, maar buiten de directe invloedssfeer van de belanghebbende liggen.

Toelichting

Bij wanverhouding gaat het om het antwoord op de vraag hoe ernstig de normschending in het concrete geval moet worden opgevat. De afweging moet leiden tot een sanctie die in evenredigheid staat tot de ernst van het feit (proportionaliteit). Indien de inspecteur zelf tot de gevolgtrekking komt dat van een wanverhouding sprake is, vermindert hij de boete op eigen initiatief. Zo kan een inspecteur een boete gedeeltelijk matigen indien en voor zover de aan het eind van een kalenderjaar of (gebroken) boekjaar verschuldigde loon- of omzetbelasting openlijk en als zodanig ter kennis is gebracht middels een vereiste winstaangifte zonder dat sprake is van een volledige vrijwillige verbetering zoals bedoeld in paragraaf 28, derde lid, van dit besluit.

Bij verzachtende omstandigheden ligt de nadruk op buiten de (directe) invloedssfeer van belanghebbende liggende gebeurtenissen. Voor de beoordeling of die omstandigheden tot matiging van de boete aanleiding kunnen geven, kan het van belang zijn of, dan wel in hoeverre, belanghebbende maatregelen heeft getroffen of had kunnen treffen om het verzuim of vergrijp te voorkomen.

Artikel § 45

Zowel bij de beoordeling van de mate van verwijtbaarheid als voor de mate waarin de boete de belanghebbende treft, kunnen de financiële omstandigheden van belanghebbende een rol spelen. Een beroep op financiële omstandigheden kan slechts in bijzondere gevallen tot matiging dan wel vermindering van de boete leiden.

Hoofdstuk VII. Overgangs- en slotbepaling

Artikel § 46

1. Het bepaalde in dit besluit is van toepassing met betrekking tot aangiften en betalingen die betrekking hebben op tijdvakken en tijdstippen die aanvangen onderscheidenlijk liggen op of na 1 januari 1998. Voor aangiften vermogensbelasting vindt dit besluit toepassing met betrekking tot aangiften die betrekking hebben op het tijdvak dat volgt op het in de vorige volzin bedoelde tijdvak.

2.

In afwijking van het eerste lid hebben met ingang van 1 januari 1998 onmiddellijke werking:

  • de paragrafen 11 tot en met 19 van dit besluit;
  • de in paragraaf 24, tweede lid, van dit besluit genoemde strafmaat van 5 procent met een maximum van € 4537 indien wegens grove schuld of opzet niet of niet tijdig betalingen van aangiftebelastingen zijn gedaan over tijdvakken en tijdstippen die eindigen voor 1 januari 1998, terwijl na 1 januari 1998 vrijwillige verbetering heeft plaatsgevonden.

3. Voor het bepalen van het aantal verzuimen als bedoeld in de paragrafen 21 en 23 van dit besluit, worden mede in aanmerking genomen, de verzuimen die zijn begaan onder het oude recht.

4. In de gevallen waarin op grond van de voorgaande leden van deze paragraaf dit besluit nog niet van toepassing is, behoudt het Voorschrift administratieve boeten 1993 (regeling van 28 september 1992, Stcrt. 193, laatstelijk gewijzigd bij regeling van 28 maart 1995, Stcrt. 107) zijn werking.

Artikel § 47

  1. Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998.

  2. De citeertitel kan worden afgekort tot: BBBB 1998.