rijk/beleidsregel/frictiekostenregeling-regionale-publieke-media-instellingen-20162019/BWBR0039292
..
README.md

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Frictiekostenregeling regionale publieke media-instellingen 20162019 BWBR0039292 beleidsregel geldend 2017-03-09 https://wetten.overheid.nl/BWBR0039292 Frictiekostenregeling regionale publieke media-instellingen 20162019

Frictiekostenregeling regionale publieke media-instellingen 20162019

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

Gelet op artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht en de artikelen 2.166, eerste lid, aanhef en onder b, en 2.167, eerste lid, aanhef en onder a, van de Mediawet 2008;

Besluit:

1. Inleiding

Het budget voor de regionale publieke omroep dient met ingang van 1 januari 2017 een taakstelling ad 17 miljoen euro te absorberen. Deze taakstelling vloeit voort uit het regeerakkoord-Rutte II.1Hieraan is uitvoering gegeven met de Wet van 18 december 2013 tot wijziging van onder meer de Mediawet 2008 in verband met onder meer aanpassing van de rijksmediabijdrage en overheveling van het budget voor de bekostiging van de regionale omroepen van het provinciefonds naar de mediabegroting (Stb. 2013, 570). Met het oog hierop is deze frictiekostenregeling opgesteld. Deze frictiekostenregeling bevat voorschriften op basis waarvan regionale publieke media-instellingen (hierna: rpmis) een aanvraag kunnen indienen bij de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de Minister) voor een financiële bijdrage voor de reorganisatiekosten die voortvloeien uit de realisatie van de taakstelling. Op grond van artikel 2.166, eerste lid, onderdeel b, Mediawet 2008 kan de Minister middelen uit de Algemene Mediareserve inzetten als bijdrage voor de reorganisatiekosten die het gevolg zijn van het overheidsbesluit om de bovengenoemde taakstelling uit te voeren. Deze frictiekostenregeling dient in dit verband te worden beschouwd als een beleidskader -een set van beleidsregels- waarmee artikel 2.166, eerste lid, onderdeel b, Mediawet 2008 nader wordt ingevuld.

Deze frictiekostenregeling kent twee onderdelen:

• Regeling A; • Regeling B.

Regeling A bevat voorschriften inzake de toekenning van een financiële bijdrage aan een rpmi voor haar kosten, die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van reorganisatieplannen als gevolg van opgelegde overheidsbezuinigingen. Het gaat hierbij om plannen die gericht zijn op de reorganisatie van de rpmi zelf. De kosten zien op een reorganisatie van activiteiten binnen de rpmi, waarbij de activiteiten door een andere organisatiewijze intern of via uitbesteding aan een commerciële organisatie structureel doelmatiger uitgevoerd kunnen worden en/of worden gestaakt.

Regeling B bevat voorschriften inzake de toekenning van een financiële bijdrage aan een rpmi voor haar kosten, die:

(1) noodzakelijk zijn voor de uitvoering van reorganisatieplannen als gevolg van opgelegde overheidsbezuinigingen; en (2) betrekking hebben op een reorganisatie van activiteiten van een rpmi waarbij de activiteiten worden ondergebracht in een samenwerkingsverband met andere rpmis, met landelijke of lokale publieke media-instellingen of met mediabedrijven, waardoor de activiteiten van de desbetreffende rpmi structureel doelmatiger kunnen worden uitgevoerd.

Beide regelingen worden hierna toegelicht.2Bij beide regelingen (A en B) wordt een bijdrage verleend voor zover de Minister voldoende middelen hiervoor ter beschikking heeft gesteld. Voor regeling B is het maximum 17 miljoen euro.

2. Regeling A

Er geldt een aantal voorwaarden om een bijdrage te krijgen voor de frictiekosten.3De Minister behoudt zich het recht voor om de voorwaarden aan te passen, mochten er omstandigheden zijn van dringende aard die hierom vragen. De wijzigingen hebben geen gevolg voor reeds ingediende aanvragen. Bij aanpassing van de voorwaarden worden het Commissariaat, de RPO en de regionale publieke media-instellingen hierover schriftelijk geïnformeerd.

De aanvraag dient te worden vergezeld van een reorganisatieplan dat door de raad van toezicht van de rpmi is goedgekeurd. Het reorganisatieplan voorziet in de realisatie van een structurele besparing. Onder structurele besparing wordt in het kader van deze frictiekostenregeling verstaan: een permanente (meerjarige) vermindering van de kosten. Het reorganisatieplan bevat een overzicht van concreet voorgenomen organisatorische en bedrijfseconomische maatregelen om de te realiseren besparing van de rpmi in te vullen. Het plan biedt zodanig inzicht in de voorgenomen organisatorische en bedrijfseconomische maatregelen en de te realiseren besparing dat de aannames die ten grondslag liggen aan de structurele besparing van de rpmi kunnen worden getoetst. In het reorganisatieplan wordt verder per jaar nader omschreven wat de gevolgen zijn voor de personele bezetting en de materiële middelen en de bijbehorende frictiekosten van de rpmi.

Bij regeling A gaat het om frictiekosten die worden gerealiseerd in de periode 2016 tot en met 2019. Deze kosten komen, met inachtneming van de andere voorwaarden van deze regeling, in aanmerking voor een bijdrage. De aanvraag dient hiertoe aan de hand van het reorganisatieplan inzichtelijk te maken in welk jaar welke frictiekosten worden verwacht. Ook meerjarige aanvragen zijn mogelijk. Gelet op voorgenoemde tijdperiode kan een aanvraag worden ingediend tot en met 2019.

Voor het toekennen van een bijdrage wordt rekening gehouden met de financiële draagkracht van de rpmi. De rpmi dient in haar aanvraag op grond van de jaarrekening aan te tonen dat zij niet beschikt over naar het oordeel van de Minister voldoende vermogen waarmee de frictiekosten, waarvoor een bijdrage wordt gevraagd, gedekt kunnen worden. Vermogen is hierbij gedefinieerd als het verschil tussen de balanswaarde van het volledige eigen vermogen en eventuele voorzieningen van de rpmi en de balanswaarde van de vaste activa van de rpmi per 31 december 2015 na resultaatbestemming, voor zover de balanswaarde van het volledige eigen vermogen en eventuele voorzieningen van de rpmi de balanswaarde van de vaste activa overstijgt. Bij voorzieningen gaat het uitsluitend om voorzieningen die zijn gevormd met het oog op de uitvoering van reorganisaties.

Indien de rpmi bij de aanvraag van een bijdrage ook rekening houdt met een reorganisatie in een of meerdere van haar deelnemingen, dan wordt de eigen bijdrage verhoogd met het verschil tussen de balanswaarde van het volledige eigen vermogen en eventuele voorzieningen van de desbetreffende deelneming en de balanswaarde van de vaste activa van de deelneming per 31 december 2015 na resultaatbestemming, voor zover de balanswaarde van het volledige eigen vermogen en eventuele voorzieningen van de deelneming de balanswaarde van de vaste activa overstijgt. Bij voorzieningen gaat het uitsluitend om voorzieningen die zijn gevormd met het oog op de uitvoering van reorganisaties.

De rpmi dient daartoe alle relevante informatie bij de aanvraag voor een bijdrage te overleggen.

De RPO adviseert de Minister over de aanvraag. De RPO is krachtens artikel 2.60a, derde lid, Mediawet 2008 onder andere belast met de volgende taken:

• bevordering van de samenwerking en coördinatie op regionaal niveau met het oog op de uitvoering van de publieke mediaopdracht; • behartiging van zaken die van gemeenschappelijk belang zijn voor de regionale publieke mediadienst en de rpmis; • bevordering van een doelmatige inzet van de gelden die bestemd zijn voor de verzorging en verspreiding van het media-aanbod; • de inrichting, instandhouding, beheer en exploitatie van het gebruik van organen, diensten en faciliteiten en distributie-infrastructuren die voor een goede uitvoering van de publieke mediaopdracht op regionaal niveau nodig zijn.

Vanuit het oogpunt van deze taken adviseert de RPO de Minister over de aanvraag.

De aanvraag dient te worden vergezeld van een advies van de ondernemingsraad van de rpmi dat op basis van de Wet op de ondernemingsraden is ingewonnen. De reorganisatieplannen dienen, als onderdeel van de aanvraag, aantoonbaar rekening te houden met het advies van de ondernemingsraad.

Het Commissariaat voor de Media (hierna: het Commissariaat) toetst de aanvraag aan deze regeling en adviseert de Minister.

Niet alle kosten van de rpmi komen in aanmerking voor een bijdrage. Uitsluitend frictiekosten komen in aanmerking voor een bijdrage. Frictiekosten worden gedefinieerd als kosten die:

• noodzakelijk zijn voor de uitvoering van reorganisatieplannen van de rpmi als gevolg van de opgelegde overheidsbezuinigingen; • aangeduid kunnen worden als reorganisatiekosten van de rpmi zoals gedefinieerd in Richtlijn 252.412 tot en met 252.417 van de Richtlijnen voor de Jaarverslaggeving (hierna: RJ).4Zie www.rjnet.nl voor meer informatie over de Richtlijnen. In de RJ wordt een reorganisatie omschreven als een programma dat gepland en beheerst wordt door de leiding van de rechtspersoon en de aard van de bedrijfsactiviteiten van de rechtspersoon of de wijze waarop deze wordt geleid wezenlijk verandert. (RJ 121.314);

waarbij ook reorganisatiekosten die worden gerealiseerd bij een deelneming van de rpmi reorganisatiekosten kunnen zijn als hierboven bedoeld, mits

de rpmi honderd procent aandeelhouder is van de deelneming in geval de deelneming een kapitaalvennootschap is of het bestuur ervan volledig wordt benoemd door de rpmi in geval de deelneming een stichting is; de deelneming bestaat op de datum van inwerkingtreding van deze regeling; de activiteiten van de deelneming uitsluitend bijdragen aan de uitoefening van de publieke media-opdracht door de rpmi; de reorganisatiekosten van de deelneming aantoonbaar voor rekening en risico van de rpmi komen; de bezuinigingen bij de deelneming aantoonbaar bijdragen aan de realisatie van de besparing bij de rpmi; • niet in verband staan met de doorlopende activiteiten van de rpmi en haar deelneming, tenzij de kosten:

○ eenmalig van aard zijn (zullen zich uitsluitend voordoen binnen de periode 2016 tot en met 2019); ○ leiden tot een structurele besparing van minstens 10% op de uitgaven die gemoeid gaan met de uitvoering van de desbetreffende activiteiten;5De omvang van de besparing dient te worden berekend door de uitgaven aan de desbetreffende activiteit in het jaar van de aanvraag te vergelijken met de verwachte uitgaven na de implementatie van de maatregelen die zich richten op het verbeteren van de doelmatigheid van de desbetreffende activiteit. • noodzakelijk zijn bij het waarborgen van een noodzakelijke back-upfunctie, indien de besparing wordt gerealiseerd door de desbetreffende activiteiten uit te besteden aan een commerciële partij, mits de uitgaven aan deze back-up-functie zijn begrensd in een tijdsperiode van maximaal zes maanden. Deze periode kan worden verlengd, indien er sprake is van een uitzonderlijke noodzaak daartoe. Deze noodzaak dient te worden aangetoond door de rpmi; • verband houden met het personeel van de rpmi, noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een sociaal plan en die vallen in de volgende kostencategorieën als bedoeld in de Sociale Regeling (hierna: SR), bijlage XV van de cao voor omroeppersoneel:6cao voor het Omroeppersoneel, 1 januari 2015 tot en met 31 december 2016.

• kosten van de financiële regeling, bedoeld in artikel 8, onderdeel b en c, SR. Voor topfunctionarissen geldt dat de financiële regeling indien aangegaan na 1 januari 2013 dient te voldoen aan het bepaalde in de Wet Normering Bezoldiging Topfunctionarissen Publieke en Semipublieke Sector; • kosten van juridische bijstand als bedoeld in artikel 8, onderdeel f, SR;7Kosten zoals opgenomen in onderdeel g van de SR zijn hiervan uitgesloten. • reiskosten voor sollicitaties als bedoeld in artikel 8, onderdeel l, SR; • kosten van de additionele vergoeding freelancejaren als bedoeld in artikel 9, SR; • kosten van actieve bemiddeling als bedoeld in artikel 10, SR; • kosten van remplaçantenvergoedingen als bedoeld in artikel 11, SR; • kosten van pensioenverzekering als bedoeld in artikel 12, onderdeel a, SR; • kosten van gratificaties dienstjubileum als bedoeld in artikel 12, onderdeel b, SR; • kosten van kwijtschelding terugbetalingsverplichtingen als bedoeld in artikel 12, onderdeel c, SR; • kosten van de Begeleidingscommissie als bedoeld in artikel 13, onderdeel e, SR. • verband houden met het personeel van de rpmi en noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de Vrijwillige vertrekregeling, bedoeld in artikel 3 van het Addendum bij de SR.8Addendum behorende bij Sociale Regeling (Bijlage XV) uit de CAO voor het omroeppersoneel d.d. 1 januari 2015 t/m 31 december 2016 (hierna ook: CAO), namens de werkgevers getekend op 18 juli 2016 en namens drie werknemersorganisaties getekend op respectievelijk 19 en 25 juli en 3 augustus 2016. Als maximum voor deze kosten gelden de kosten als gevolg van de boventalligheid zoals beschreven in het reorganisatieplan dat voor een reorganisatie-adviesaanvraag als bedoeld in artikel 3, onderdeel a, van het Addendum is voorgelegd aan de OR, met een specificatie van het aantal fte per functiegroep met bijbehorende schaal, voor zover deze kosten zouden ontstaan doordat voor al deze ftes een beroep op de Vrijwillige vertrekregeling zou worden gedaan. • Voor een bijdrage komen slechts in aanmerking kosten waarvoor op respectievelijk 31 december 2016, 31 december 2017, 31 december 2018 of 31 december 2019 een reorganisatievoorziening is opgenomen. Voorbeelden van kosten die niet onder reorganisatiekosten vallen zijn (niet limitatief):

○ kosten van externe inhuur om activiteiten op te vangen als gevolg van openstaande vacatures, piekbelasting of vervanging langdurig ziekte; ○ kosten van opleidingen / training om het kennisniveau van medewerkers op peil te houden (zonder dat functiewijziging als gevolg van de reorganisatie heeft plaatsgevonden); ○ wervingskosten die gemaakt worden voor het vervullen van vacatures ontstaan door natuurlijk verloop (bij vrijwillig vertrek); ○ reguliere vervangings- of uitbreidingsinvesteringen; ○ afschrijvingskosten of andersoortige kosten die niet leiden tot uitgaven van de rpmi; ○ kosten in verband met de afkoop van contracten; ○ kosten die organisaties maken waaraan de rpmi activiteiten wil uitbesteden of waarmee de rpmi wil samenwerken.

• Voor een bijdrage komen slechts in aanmerking kosten die in totale omvang maximaal de helft bedragen van de omvang van de beoogde structurele besparing.

3. Regeling B

Voor regeling B is een bedrag ad 17 miljoen euro beschikbaar. Er geldt een aantal voorwaarden om een bijdrage te krijgen voor de frictiekosten.9De Minister behoudt zich het recht voor om de voorwaarden aan te passen, mochten er omstandigheden zijn van dringende aard die hierom vragen. De wijzigingen hebben geen gevolg voor reeds ingediende aanvragen. Bij aanpassing van de voorwaarden worden het Commissariaat, de RPO en de regionale publieke media-instellingen hierover schriftelijk geïnformeerd. Deze voorwaarden zijn dezelfde als die van toepassing zijn bij regeling A, met inachtneming van de volgende uitzonderingen en aanvullingen:

Bij regeling B gaat het om frictiekosten die worden gerealiseerd in de periode 2017 tot en met 2019.

Voor het jaar 2016 geldt dat uitsluitend de kosten die de rpmi in dat jaar realiseert als noodzakelijk gevolg van de inhuur van externen voor het opstellen van plannen die voorzien in samenwerking tussen de rpmis kwalificeren als frictiekosten en in aanmerking kunnen komen voor een financiële bijdrage op grond van regeling B.

Het moet daarbij bovendien gaan om plannen:

• die onderdeel zijn van het reorganisatieplan van de rpmi; en • waarvan de uitvoering leidt tot invulling van de taakstelling en daarmee tot realisatie van een besparing.

Indien voornoemde kosten in ROOS-verband zijn gemaakt en als zodanig zijn doorbelast naar de rpmi, komen de kosten per rpmi uitsluitend in aanmerking voor een bijdrage voor zover:

• de kosten zijn verdeeld op basis van de verdeelsleutel zoals die ook wordt toegepast bij de verdeling van de jaarlijkse apparaatskosten van ROOS; • de hoogte van de gerealiseerde kosten de hoogte van de subsidie overstijgt die OCW in het verleden heeft verleend aan ROOS voor het bekostigen van de voorgenoemde plannen.

Voor de voorgenoemde kosten geldt in uitzondering op de overige voorwaarden niet het voorschrift dat hiervoor een reorganisatievoorziening moet zijn opgenomen.

Bij het toekennen van een bijdrage wordt geen rekening gehouden met de financiële draagkracht van de rpmi. Voorwaarde 3 van regeling A is bij regeling B dus niet van toepassing.

Ook voor regeling B gelden de voorwaarden van regeling A voor een bijdrage in kosten van een back-upfunctie, met dien verstande dat in plaats van uitbesteding aan een commerciële partij sprake moet zijn van het onderbrengen van activiteiten in een samenwerkingsverband met andere rpmis, met lokale of landelijke publieke media-instellingen of met mediabedrijven.

Bij het toekennen van een bijdrage komen kosten in verband met de afkoop van contracten met leveranciers in aanmerking voor een bijdrage, mits als gevolg van de beoogde samenwerking er sprake is van samenvallende contracten waarvan het aantoonbaar doelmatiger is om deze te vervangen door een nieuw contract. Hiervan is sprake indien de frictiekosten (waaronder de kosten in verband met afkoop van contracten) in totale omvang maximaal de helft bedragen van de omvang van de beoogde structurele besparing van de samenwerking.

Verder kent regeling B een aanvullende voorwaarde in vergelijking met regeling A. Bij regeling B geldt bij het toekennen van een bijdrage namelijk de voorwaarde dat de aanvraag gericht moet zijn op de samenwerking van de rpmis: met elkaar, met landelijke of lokale publieke media-instellingen of met mediabedrijven. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan samenwerking op het gebied van sales en marketing, financiën en personeel. Wat betreft samenwerking met mediabedrijven is uiteraard de wet- en regelgeving ter zake van toepassing, waaronder de regels over nevenactiviteiten en het dienstbaarheidsverbod (zie artikelen 2.132 en verder en 2.141, eerste lid, Mediawet 2008).10Zie ook de leidraad van het Commissariaat: https://www.cvdm.nl/wp-content/uploads/2016/07/Leidraad-samenwerking-met-publieke-media-instelling-consultatie-def-beveiligd.pdf.

Bij regeling A staan frictiekosten niet in verband met de doorlopende activiteiten van de rpmi, tenzij die kosten eenmalig van aard zijn en leiden tot een significante uitgavenbesparing. Bij regeling B geldt hierop de aanvullende voorwaarde dat deze kosten noodzakelijk zijn om de desbetreffende activiteiten onder te brengen in een samenwerkingsverband met andere rpmis, met lokale of landelijke publieke media-instellingen of met mediabedrijven.

4. Procedure 20172019

• Rpmis die in aanmerking willen komen voor een bijdrage in de frictiekosten kunnen daarvoor in de volgende aanvraagperiodes een aanvraag indienen, als volgt:

van 1 januari tot en met 31 maart 2017 en van 1 juli tot en met 30 september 2017 voor de jaren 2017 tot en met 2019; van 1 januari tot en met 31 maart 2018 en van 1 juli tot en met 30 september 2018 voor de jaren 2018 en 2019; van 1 januari tot en met 31 maart 2019 en van 1 juli tot en met 30 september 2019 voor het jaar 2019 voor Regeling A, hetzij van 1 januari tot en met 31 maart 2019 voor het jaar 2019 voor Regeling B.11Voor in 2016 gerealiseerde frictiekosten geldt een afzonderlijke regeling, zie onder paragraaf 5. Procedure 2016. • Een aanvraag is conform het format frictiekostenregeling en bevat een overzicht van de verwachte reorganisatiekosten.12Zie bijlage 2 Format Frictiekostenregeling regionale publieke media-instellingen 2016-2019, 1. Aanvraag frictiekosten. Tevens wordt inzicht geboden in het vermogen conform het format frictiekostenregeling.13Zie bijlage 2 Format Frictiekostenregeling regionale publieke media-instellingen 2016-2019, 1. Aanvraag frictiekosten. Een aanvraag wordt vergezeld van:

een reorganisatieplan dat is goedgekeurd door de raad van toezicht van de rpmi, met toetsbare aannames over de structurele besparing; de desbetreffende jaarrekening; een advies van de ondernemingsraad; een assurance rapport, zoals opgenomen in het controleprotocol van deze regeling.14Zie bijlage 1 Controleprotocol Frictiekostenregeling regionale publieke media-instellingen 2016-2019. • Indien een aanvraag niet volledig is, wordt een termijn gesteld waarbinnen de aanvullende gegevens door de rpmi wordt verstrekt. • Aanvragen die niet tijdig zijn ingediend of die niet, nadat daartoe een termijn is gesteld, tijdig zijn aangevuld, worden afgewezen. • Het Commissariaat stuurt de volledige aanvragen dadelijk aan de RPO. • De RPO adviseert de Minister over de aanvragen per aanvraagperiode in onderlinge samenhang vanuit het oogpunt van het gemeenschappelijke belang van de regionale publieke mediadienst en de rpmis en de mate waarin de aanvraag de doelmatige inzet van gelden bevordert. Onderdeel van het advies kan zijn om bepaalde kostenposten niet voor een bijdrage in aanmerking te laten komen. • De RPO adviseert de Minister binnen twaalf weken na ontvangst van de volledige aanvragen per rpmi over de kosten die voor een bijdrage in aanmerking komen en de te verlenen bijdrage. • Het Commissariaat toetst de aanvragen per aanvraagperiode in onderlinge samenhang aan de voorwaarden van deze regeling, waaronder de aannames die ten grondslag liggen aan de structurele besparing, met in achtneming van wat in het maatschappelijk verkeer gebruikelijk en aanvaardbaar is en adviseert de Minister hierover. Onderdeel van het advies kan zijn om bepaalde kostenposten niet voor een bijdrage in aanmerking te laten komen. • Het Commissariaat adviseert de Minister binnen twaalf weken na indiening van de volledige aanvragen per rpmi over de kosten die voor een bijdrage in aanmerking komen en de te verlenen bijdrage.

• De Minister besluit over verlening van de bijdrage binnen acht weken na ontvangst van de adviezen van het Commissariaat en de RPO, maar uiterlijk binnen tweeëntwintig weken na indiening van de volledige aanvragen. De Minister kan daarbij omvang en ritme van te betalen voorschotten bepalen. Indien bij regeling B het maximumbedrag zou worden bereikt, geeft de Minister die aanvragen voorrang die naar verwachting meer geschikt zijn om bij te dragen aan de doelstellingen van deze frictiekostenregeling. • De Minister zendt een afschrift van zijn besluiten aan het Commissariaat en de RPO. • De Minister doet betalingen aan de rpmis door tussenkomst van het Commissariaat.

• De rpmi draagt er zorg voor dat uit de administratie te allen tijde de voor de vaststelling van de bijdrage van belang zijnde reorganisatiekosten en de reorganisatievoorziening, inclusief verloopstaat (dotaties, onttrekkingen) herkenbaar blijken. Ook dienen betalingen, ontvangsten (waaronder ontvangsten uit hoofde van vergoeding frictiekosten) en eventueel overige rechten en verplichtingen samenhangend met de reorganisatievoorziening herkenbaar uit de administratie te blijken. Verder dient de rpmi jaarlijks in haar jaarrekening verantwoording af te leggen over de gerealiseerde frictiekosten in het voorgaande boekjaar. Te allen tijde dient de (te) ontvangen bijdrage zichtbaar in de exploitatierekening te worden weergegeven. • De rpmi legt na afronding van de reorganisatie verantwoording af over de gerealiseerde frictiekosten als gevolg van de uitvoering van het reorganisatieplan. De verantwoording wordt uiterlijk tweeëntwintig weken na afloop van het desbetreffende boekjaar ingediend en geldt als aanvraag tot vaststelling. De verantwoording is conform het format voor de opgave van gerealiseerde frictiekosten.15Zie bijlage 2 Format Frictiekostenregeling regionale publieke media-instellingen 2016-2019, 2. Verantwoording gerealiseerde frictiekosten. De verantwoording wordt vergezeld van een controleverklaring zoals opgenomen in het controleprotocol van deze regeling.16Zie bijlage 1 Controleprotocol Frictiekostenregeling regionale publieke media-instellingen 2016-2019. • Het Commissariaat adviseert de Minister binnen twaalf weken na de ontvangst van de verantwoording over de vaststelling van de bijdrage. • De Minister stelt binnen acht weken na ontvangst van het advies van het Commissariaat, maar uiterlijk binnen tweeëntwintig weken na indiening van de verantwoording de bijdrage vast. Gelden die niet zijn gebruikt of in strijd met het bepaalde bij of krachtens de Mediawet 2008, waaronder de voorschriften verbonden aan het ter beschikking stellen ervan, zijn gebruikt of gereserveerd, worden teruggevorderd.17Op grond van artikel 4:87 Algemene wet bestuursrecht geldt voor terugbetaling een termijn van zes weken.

5. Procedure 2016

• Rpmis die in aanmerking willen komen voor een bijdrage in de frictiekosten waarvoor ultimo 2016 een reorganisatievoorziening op de balans is gevormd, kunnen van 1 maart tot en met 30 april 2017 een aanvraag daarvoor indienen bij het Commissariaat. • Een aanvraag is conform het format frictiekostenregeling.18Zie bijlage 2 Format Frictiekostenregeling regionale publieke media-instellingen 2016-2019, 1. Aanvraag frictiekosten. Een aanvraag wordt vergezeld van een assurance-rapport zoals opgenomen in het controleprotocol van deze regeling.19Zie bijlage 1 Controleprotocol Frictiekostenregeling regionale publieke media-instellingen 2016-2019. • Een aanvraag wordt verder vergezeld van:

een reorganisatieplan dat is goedgekeurd door de raad van toezicht van de rpmi, met toetsbare aannames over de structurele besparing; de desbetreffende jaarrekening; een advies van de ondernemingsraad; • Indien een aanvraag niet volledig is, wordt een termijn gesteld waarbinnen de aanvullende gegevens door de rpmi wordt verstrekt. • Aanvragen die niet tijdig zijn ingediend of die niet, nadat daartoe een termijn is gesteld, tijdig zijn aangevuld, worden afgewezen. • Het Commissariaat stuurt de volledige aanvragen dadelijk aan de RPO. • De RPO adviseert de Minister over de aanvragen in onderlinge samenhang vanuit het oogpunt van het gemeenschappelijke belang van de regionale publieke mediadienst en de rpmis en de mate waarin de aanvraag de doelmatige inzet van gelden bevordert. Onderdeel van het advies kan zijn om bepaalde kostenposten niet voor een bijdrage in aanmerking te laten komen. • De RPO adviseert de Minister binnen twaalf weken na ontvangst van de volledige aanvragen per rpmi over de kosten die voor een bijdrage in aanmerking komen en de te verlenen bijdrage. • Het Commissariaat toetst de aanvragen in onderlinge samenhang aan de voorwaarden van deze regeling, waaronder de aannames die ten grondslag liggen aan de structurele besparing, met in achtneming van wat in het maatschappelijk verkeer gebruikelijk en aanvaardbaar is en adviseert de Minister hierover. Onderdeel van het advies kan zijn om bepaalde kostenposten niet voor een bijdrage in aanmerking te laten komen. • Het Commissariaat adviseert de Minister binnen twaalf weken na indiening van de volledige aanvragen per rpmi over de kosten die voor een bijdrage in aanmerking komen en de te verlenen bijdrage.

• De Minister besluit over verstrekking van de bijdrage binnen acht weken na ontvangst van de adviezen van het Commissariaat en de RPO, maar uiterlijk binnen tweeëntwintig weken na indiening van de volledige aanvragen. • De Minister zendt een afschrift van zijn besluiten aan het Commissariaat en de RPO. • De Minister doet betalingen aan de rpmis door tussenkomst van het Commissariaat.

6. Inwerkingtreding en citeertitel

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2017.

Deze regeling wordt aangehaald als: Frictiekostenregeling regionale publieke media-instellingen 20162019.

Bijlage 1. bij Frictiekostenregeling regionale publieke media-instellingen 20162019: controleprotocol frictiekostenregeling regionale publieke media-instellingen 20162019

Bijlage 2. bij Frictiekostenregeling regionale publieke media-instellingen 20162019: format frictiekostenregeling regionale publieke media-instellingen 20162019