rijk/beleidsregel/herziening-aftrek-omzetbelasting-bij-de-vóór-1-januari-2003-onder-paragraaf-8-on/BWBR0016215
..
README.md

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Herziening aftrek omzetbelasting bij de vóór 1 januari 2003 onder paragraaf 8, onderdeel 4, respectievelijk paragraaf 10 Toelichting Gemeenten vallende lichamen c.q. samenwerkingsverbanden BWBR0016215 beleidsregel geldend 2003-12-19 https://wetten.overheid.nl/BWBR0016215 Herziening aftrek omzetbelasting bij de vóór 1 januari 2003 onder paragraaf 8, onderdeel 4, respectievelijk paragraaf 10 Toelichting Gemeenten vallende lichamen c.q. samenwerkingsverbanden

Herziening aftrek omzetbelasting bij de vóór 1 januari 2003 onder paragraaf 8, onderdeel 4, respectievelijk paragraaf 10 Toelichting Gemeenten vallende lichamen c.q. samenwerkingsverbanden

. Inleiding

Per 1 januari 2003 is het Besluit van 25 april 1969, nr. D69/4141, OB/BTW-104 (Bijlage M, Toelichting Gemeenten) vervallen). Als gevolg daarvan kunnen onder meer de goedkeuringen die waren opgenomen in paragraaf 8, onderdeel 4, en paragraaf 10 van genoemd besluit (hierna: Toelichting Gemeenten) niet meer worden toegepast. Op grond van vorenbedoelde goedkeuringen) bleven bepaalde lichamen c.q. samenwerkingsverbanden die op grond van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet) voor bepaalde prestaties jegens publiekrechtelijke lichamen als ondernemer zouden zijn aangemerkt, voor die prestaties buiten de heffing. Het vervallen van vorenbedoelde goedkeuringen heeft voor een aantal van die lichamen c.q. samenwerkingsverbanden) tot gevolg, dat zij vanaf 1 januari 2003 voor de desbetreffende prestaties in de heffing van omzetbelasting dienen te worden betrokken.

. Vraag

De vraag is gesteld in hoeverre de hiervoor bedoelde lichamen c.q. samenwerkingsverbanden voor (on)roerende zaken die zij (mede) gebruikten/gebruiken voor prestaties die bij hen vóór 1 januari 2003 op grond van paragraaf 8, onderdeel 4, respectievelijk paragraaf 10 van de Toelichting Gemeenten buiten de heffing van omzetbelasting bleven, vanaf 1 januari 2003 aanspraak kunnen maken op herziening van omzetbelasting op de voet van artikel 15 van de Wet juncto de artikelen 11 tot en met 14 van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 (hierna: de Beschikking).

. Antwoord

Ik kan mij ermee verenigen dat de onderhavige lichamen c.q. samenwerkingsverbanden voor de hiervoor bedoelde (on)roerende zaken herziening van omzetbelasting wordt verleend op de voet van artikel 15 van de Wet juncto de artikelen 11 tot en met 14 van de Beschikking, indien deze lichamen c.q. samenwerkingsverbanden tot 1 januari 2003 met een rechtsgeldig beroep op paragraaf 8, onderdeel 4, respectievelijk paragraaf 10 van de Toelichting Gemeenten, buiten de heffing van omzetbelasting zijn gebleven en vanwege de intrekking van deze faciliteiten vanaf 1 januari 2003 in de heffing van omzetbelasting dienen te worden betrokken.

Bijlage 1. Tekst paragraaf 8 en paragraaf 10 van de per 1 januari 2003 ingetrokken Toelichting Gemeenten