rijk/kb/rechtspositiebesluit-onderwijspersoneel/BWBR0003771
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00
..
README.md feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown 2026-03-30 06:27:40 +02:00

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel BWBR0003771 KB geldend 2001-06-01 https://wetten.overheid.nl/BWBR0003771 Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel

Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel

Titel I. Regelen voor het openbaar onderwijs, tevens voorwaarden voor bekostiging voor het bijzonder onderwijs

Hoofdstuk I-A. Algemene bepalingen

Artikel I-A1

In dit besluit wordt verstaan onder:

a. a. Onze Minister: Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen en, voor wat betreft het landbouwonderwijs, Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij; a1. a1. Informatie Beheer Groep: de Informatie Beheer Groep, genoemd in de Wet verzelfstandiging Informatiseringsbank; b. b. tijdelijke dienst: het dienstverband van bepaalde duur; c. c. vaste dienst: het dienstverband van onbepaalde duur; d. d. instelling:

      1.
      een openbare of uit de openbare kas bekostigde bijzondere basisschool of speciale school voor basisonderwijs in de zin van de Wet op het primair onderwijs; 
    
    
      2.
      een openbare of uit de openbare kas bekostigde bijzondere school voor speciaal onderwijs, voortgezet speciaal onderwijs dan wel speciaal en voortgezet speciaal onderwijs in de zin van de Wet op de expertisecentra dan wel een openbare of uit de openbare kas bekostigde bijzondere school voor voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in deel II van de Wet op het voortgezet onderwijs;
    
    
      3.
      
        vervallen;
      
    
    
      4.
      De privaatrechtelijke rechtspersoon die optreedt als landelijk orgaan als bedoeld in artikel 2.38 van de Wet op het cursorisch beroepsonderwijs; 
    
    
      5.
      
        
          a.
          een vormingsinstituut als bedoeld in het Besluit vormingswerk voor jeugdigen; 
        
        
          b.
          een horizontale scholengemeenschap als bedoeld in artikel I-Q101, eerste lid, onderdeel *c* onder 2, bestaande uit een vormingsinstituut, als bedoeld onder *a*, en één of meer scholen als bedoeld onder *d*6, *d*14, *d*17 of *d*18; 
        
      
    
    
      d6.
      een openbare of uit de openbare kas bekostigde bijzondere instelling voor basiseducatie als bedoeld in artikel 1 onder *h* van de Rijksregeling basiseducatie (*Stb.* 1986, 433); 
    
    
      7.
      een B3-lichaam als bedoeld in artikel 1, onder *g*, dan wel als bedoeld in artikel 2, derde 3, onderdeel *b*, juncto artikel 3 van de WPA, waarop dit besluit door Onze Minister van toepassing is verklaard; 
    
    
      8.
      
        vervallen;
      
    
    
      9.
      
        vervallen;
      
    
    
      10.
      een instituut voor landbouwpraktijkonderwijs met één of meerdere lokaties (Innovatie en Praktijkcentrum) (IPC), dat wordt gesubsidieerd met toepassing van artikel 61 van de Wet op het voortgezet onderwijs, vallende onder één bevoegd gezag en waarbij de leiding berust bij één centrale directie; 
    
    
      11.
      
        vervallen;
      
    
    
      d12.
      een verzorgingsinstelling als bedoeld in artikel 8 van de Wet op de onderwijsverzorging (*Stb.* 1986, 635); 
    
    
      13.
      Een ondersteuningsinstelling als bedoeld in de Kaderwet Volwasseneneducatie 1991 
      
        
          a.
          een publiekrechtelijke of uit de openbare kas bekostigde privaatrechtelijke regionale, plaatselijke of provinciale instelling ter ondersteuning van de volwasseneneducatie, die door Onze minister op grond van artikel 42, derde lid, van de Kaderwet Volwasseneneducatie 1991 als zodanig is aangewezen; 
        
        
          b.
          een publiekrechtelijke of uit de openbare kas bekostigde privaatrechtelijke regionale instelling ter ondersteuning van de volwasseneneducatie als bedoeld in artikel 41, derde lid, tweede volzin, van de Kaderwet Volwasseneneducatie 1991; 
        
        
          c.
          een landelijke ondersteuningsinstelling als bedoeld in artikel 46, eerste lid, van de Kaderwet Volwasseneneducatie 1991.
        
      
      
    
    
      14.
      
        
          a.
          een openbare of uit de openbare kas bekostigde bijzondere instelling voor middelbaar beroepsonderwijs in de zin van de Wet op het voortgezet onderwijs voor zover bekostigd door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen; 
        
        
          b.
          een horizontale scholengemeenschap als bedoeld in artikel I-Q101, eerste lid, onderdeel *c* onder 2, bestaande uit een instelling voor middelbaar beroepsonderwijs als bedoeld onder *a*, en één of meer scholen als bedoeld onder *d*5, *d*6, *d*17 of *d*18;
        
      
    
    
      15.
      een openbare of uit de openbare kas bekostigde bijzondere scholengemeenschap voor lager en middelbaar beroepsonderwijs in de zin van de Wet op het voortgezet onderwijs alsmede voor beroepsbegeleidend onderwijs in de zin van de Wet op het cursorisch beroepsonderwijs (Agrarisch Opleidingscentrum) voor zover bekostigd door de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij; 
    
    
      16.
      een centrale dienst als bedoeld in artikel 68 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 69 van de Wet op de expertisecentra of artikel 77 van de Wet op het voortgezet onderwijs;
    
    
      17.
      
        
          a.
          een openbare of uit de openbare kas bekostigde bijzondere instelling voor voortgezet algemeen volwassenenonderwijs in de zin van de Wet op het voortgezet onderwijs;
        
        
          b.
          een horizontale scholengemeenschap als bedoeld in artikel I-Q101, eerste lid, onderdeel *c* onder 2, bestaande uit een instelling voor voortgezet algemeen volwassenenonderwijs als bedoeld onder *a*, en één of meer scholen als bedoeld onder *d*5, *d*6, *d*14 of *d*18; 
        
      
    
    
      18.
      
        
          a.
          een openbare of uit de openbare kas bekostigde bijzondere instelling voor beroepsbegeleidend onderwijs in de zin van de Wet op het cursorisch beroepsonderwijs voor zover bekostigd door Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen; 
        
        
          b.
          een horizontale scholengemeenschap als bedoeld in artikel I-Q101, eerste lid, onderdeel *c* onder 2, bestaande uit een instelling voor beroepsbegeleidend onderwijs als bedoeld onder *a*, en een of meer scholen als bedoeld onder *d*5, *d*6, *d*14 of *d*17.
    1. een openbare of uit de openbare kas bekostigde bijzondere basisschool of speciale school voor basisonderwijs in de zin van de Wet op het primair onderwijs;
      
    1. een openbare of uit de openbare kas bekostigde bijzondere school voor speciaal onderwijs, voortgezet speciaal onderwijs dan wel speciaal en voortgezet speciaal onderwijs in de zin van de Wet op de expertisecentra dan wel een openbare of uit de openbare kas bekostigde bijzondere school voor voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in deel II van de Wet op het voortgezet onderwijs;
      
        vervallen;
    1. De privaatrechtelijke rechtspersoon die optreedt als landelijk orgaan als bedoeld in artikel 2.38 van de Wet op het cursorisch beroepsonderwijs;
      
          a.
          een vormingsinstituut als bedoeld in het Besluit vormingswerk voor jeugdigen; 
        
        
          b.
          een horizontale scholengemeenschap als bedoeld in artikel I-Q101, eerste lid, onderdeel *c* onder 2, bestaande uit een vormingsinstituut, als bedoeld onder *a*, en één of meer scholen als bedoeld onder *d*6, *d*14, *d*17 of *d*18;

a. a. een vormingsinstituut als bedoeld in het Besluit vormingswerk voor jeugdigen; b. b. een horizontale scholengemeenschap als bedoeld in artikel I-Q101, eerste lid, onderdeel c onder 2, bestaande uit een vormingsinstituut, als bedoeld onder a, en één of meer scholen als bedoeld onder d6, d14, d17 of d18; d6. d6. een openbare of uit de openbare kas bekostigde bijzondere instelling voor basiseducatie als bedoeld in artikel 1 onder h van de Rijksregeling basiseducatie (Stb. 1986, 433); 7. 7. een B3-lichaam als bedoeld in artikel 1, onder g, dan wel als bedoeld in artikel 2, derde 3, onderdeel b, juncto artikel 3 van de WPA, waarop dit besluit door Onze Minister van toepassing is verklaard; 8. 8.

        vervallen;
        vervallen;
    1. een instituut voor landbouwpraktijkonderwijs met één of meerdere lokaties (Innovatie en Praktijkcentrum) (IPC), dat wordt gesubsidieerd met toepassing van artikel 61 van de Wet op het voortgezet onderwijs, vallende onder één bevoegd gezag en waarbij de leiding berust bij één centrale directie;
        vervallen;

d12. d12. een verzorgingsinstelling als bedoeld in artikel 8 van de Wet op de onderwijsverzorging (Stb. 1986, 635); 13. 13. Een ondersteuningsinstelling als bedoeld in de Kaderwet Volwasseneneducatie 1991

          a.
          een publiekrechtelijke of uit de openbare kas bekostigde privaatrechtelijke regionale, plaatselijke of provinciale instelling ter ondersteuning van de volwasseneneducatie, die door Onze minister op grond van artikel 42, derde lid, van de Kaderwet Volwasseneneducatie 1991 als zodanig is aangewezen; 
        
        
          b.
          een publiekrechtelijke of uit de openbare kas bekostigde privaatrechtelijke regionale instelling ter ondersteuning van de volwasseneneducatie als bedoeld in artikel 41, derde lid, tweede volzin, van de Kaderwet Volwasseneneducatie 1991; 
        
        
          c.
          een landelijke ondersteuningsinstelling als bedoeld in artikel 46, eerste lid, van de Kaderwet Volwasseneneducatie 1991.

a. a. een publiekrechtelijke of uit de openbare kas bekostigde privaatrechtelijke regionale, plaatselijke of provinciale instelling ter ondersteuning van de volwasseneneducatie, die door Onze minister op grond van artikel 42, derde lid, van de Kaderwet Volwasseneneducatie 1991 als zodanig is aangewezen; b. b. een publiekrechtelijke of uit de openbare kas bekostigde privaatrechtelijke regionale instelling ter ondersteuning van de volwasseneneducatie als bedoeld in artikel 41, derde lid, tweede volzin, van de Kaderwet Volwasseneneducatie 1991; c. c. een landelijke ondersteuningsinstelling als bedoeld in artikel 46, eerste lid, van de Kaderwet Volwasseneneducatie 1991. 14. 14.

          a.
          een openbare of uit de openbare kas bekostigde bijzondere instelling voor middelbaar beroepsonderwijs in de zin van de Wet op het voortgezet onderwijs voor zover bekostigd door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen; 
        
        
          b.
          een horizontale scholengemeenschap als bedoeld in artikel I-Q101, eerste lid, onderdeel *c* onder 2, bestaande uit een instelling voor middelbaar beroepsonderwijs als bedoeld onder *a*, en één of meer scholen als bedoeld onder *d*5, *d*6, *d*17 of *d*18;

a. a. een openbare of uit de openbare kas bekostigde bijzondere instelling voor middelbaar beroepsonderwijs in de zin van de Wet op het voortgezet onderwijs voor zover bekostigd door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen; b. b. een horizontale scholengemeenschap als bedoeld in artikel I-Q101, eerste lid, onderdeel c onder 2, bestaande uit een instelling voor middelbaar beroepsonderwijs als bedoeld onder a, en één of meer scholen als bedoeld onder d5, d6, d17 of d18; 15. 15. een openbare of uit de openbare kas bekostigde bijzondere scholengemeenschap voor lager en middelbaar beroepsonderwijs in de zin van de Wet op het voortgezet onderwijs alsmede voor beroepsbegeleidend onderwijs in de zin van de Wet op het cursorisch beroepsonderwijs (Agrarisch Opleidingscentrum) voor zover bekostigd door de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij; 16. 16. een centrale dienst als bedoeld in artikel 68 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 69 van de Wet op de expertisecentra of artikel 77 van de Wet op het voortgezet onderwijs; 17. 17.

          a.
          een openbare of uit de openbare kas bekostigde bijzondere instelling voor voortgezet algemeen volwassenenonderwijs in de zin van de Wet op het voortgezet onderwijs;
        
        
          b.
          een horizontale scholengemeenschap als bedoeld in artikel I-Q101, eerste lid, onderdeel *c* onder 2, bestaande uit een instelling voor voortgezet algemeen volwassenenonderwijs als bedoeld onder *a*, en één of meer scholen als bedoeld onder *d*5, *d*6, *d*14 of *d*18;

a. a. een openbare of uit de openbare kas bekostigde bijzondere instelling voor voortgezet algemeen volwassenenonderwijs in de zin van de Wet op het voortgezet onderwijs; b. b. een horizontale scholengemeenschap als bedoeld in artikel I-Q101, eerste lid, onderdeel c onder 2, bestaande uit een instelling voor voortgezet algemeen volwassenenonderwijs als bedoeld onder a, en één of meer scholen als bedoeld onder d5, d6, d14 of d18; 18. 18.

          a.
          een openbare of uit de openbare kas bekostigde bijzondere instelling voor beroepsbegeleidend onderwijs in de zin van de Wet op het cursorisch beroepsonderwijs voor zover bekostigd door Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen; 
        
        
          b.
          een horizontale scholengemeenschap als bedoeld in artikel I-Q101, eerste lid, onderdeel *c* onder 2, bestaande uit een instelling voor beroepsbegeleidend onderwijs als bedoeld onder *a*, en een of meer scholen als bedoeld onder *d*5, *d*6, *d*14 of *d*17.

a. a. een openbare of uit de openbare kas bekostigde bijzondere instelling voor beroepsbegeleidend onderwijs in de zin van de Wet op het cursorisch beroepsonderwijs voor zover bekostigd door Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen; b. b. een horizontale scholengemeenschap als bedoeld in artikel I-Q101, eerste lid, onderdeel c onder 2, bestaande uit een instelling voor beroepsbegeleidend onderwijs als bedoeld onder a, en een of meer scholen als bedoeld onder d5, d6, d14 of d17. e. e. betrokkene:

      e1.
      de bij een bevoegd gezag aan een of meer instellingen, bedoeld onder *d*1, benoemde directeur, adjunct-directeur, lid van het onderwijsgevend personeel of lid van het onderwijsondersteunend personeel voor wie de salarissen en de toelagen worden vastgesteld in het Koninklijk Besluit ter uitvoering van artikel 33, tweede lid onder b van de Wet op het primair onderwijs. De leraar in opleiding wordt aangemerkt als een lid van het onderwijsgevend personeel;
    
    
      2.
      de bij een bevoegd gezag aan één of meer instellingen, genoemd onder *d*2, benoemde directeur, adjunct-directeur, lid van het onderwijsgevend personeel of lid van het onderwijsondersteunend personeel voor wie de salarissen en de toelagen worden vastgesteld in het koninklijk besluit ter uitvoering van artikel 33, tweede lid onder b, van de Wet op de expertisecentra of artikel 153, tweede lid onder b, van de Wet op het voortgezet onderwijs; 
    
    
      3.
      
        vervallen;
      
    
    
      4.
      het bij een bevoegd gezag aan één of meer instellingen, genoemd onder *d*4, benoemde personeel; 
    
    
      5.
      het bij een bevoegd gezag aan een of meer instellingen, genoemd onder *d*5, benoemde personeel; 
    
    
      e6.
      de bij een bevoegd gezag aan één of meer instellingen, genoemd onder *d*6, benoemde directeur/coördinator, adjunct-directeur/coördinator, lid van het educatief personeel of lid van het onderwijsondersteunend personeel; 
    
    
      7.
      het bij een bevoegd gezag aan één of meer instellingen, genoemd onder *d*7, benoemde personeel; 
    
    
      8.
      
        vervallen;
      
    
    
      9.
      
        vervallen;
      
    
    
      10.
      het bij een bevoegd gezag aan één of meer instellingen, genoemd onder *d*10, benoemde personeel;
    
    
      11.
      
        vervallen;
      
    
    
      e12.
      het lid van het personeel dat is benoemd aan een instelling genoemd onder *d*12; 
    
    
      e13.
      de bij een bevoegd gezag aan één of meer instellingen, genoemd onder *d*13, benoemde directeur, adjunct-directeur of lid van het inhoudelijk personeel dan wel van het ondersteunend personeel; 
    
    
      14.
      het bij een bevoegd gezag aan één of meer instellingen, genoemd onder *d*14, benoemde personeel;
    
    
      15.
      het bij een bevoegd gezag aan één of meer instellingen, genoemd onder *d*15, benoemde personeel;
    
    
      16.
      Het bij een bevoegd gezag aan één of meer instellingen, genoemd onder d16, benoemde onderwijsondersteunend en beheerspersoneel, respectievelijk het onderwijsgevend personeel dat is benoemd op basis van formatierekeneenheden als bedoeld in artikel 68, eerste lid onder d, van de Wet op het primair onderwijs; 
    
    
      17.
      het bij een bevoegd gezag aan één of meer instellingen, genoemd onder *d*17, benoemde personeel;
    
    
      18.
      het bij een bevoegd gezag aan één of meer instellingen, genoemd onder *d*18, benoemde personeel;

e1. e1. de bij een bevoegd gezag aan een of meer instellingen, bedoeld onder d1, benoemde directeur, adjunct-directeur, lid van het onderwijsgevend personeel of lid van het onderwijsondersteunend personeel voor wie de salarissen en de toelagen worden vastgesteld in het Koninklijk Besluit ter uitvoering van artikel 33, tweede lid onder b van de Wet op het primair onderwijs. De leraar in opleiding wordt aangemerkt als een lid van het onderwijsgevend personeel; 2. 2. de bij een bevoegd gezag aan één of meer instellingen, genoemd onder d2, benoemde directeur, adjunct-directeur, lid van het onderwijsgevend personeel of lid van het onderwijsondersteunend personeel voor wie de salarissen en de toelagen worden vastgesteld in het koninklijk besluit ter uitvoering van artikel 33, tweede lid onder b, van de Wet op de expertisecentra of artikel 153, tweede lid onder b, van de Wet op het voortgezet onderwijs; 3. 3.

        vervallen;
    1. het bij een bevoegd gezag aan één of meer instellingen, genoemd onder *d*4, benoemde personeel;
      
    1. het bij een bevoegd gezag aan een of meer instellingen, genoemd onder *d*5, benoemde personeel;
      

e6. e6. de bij een bevoegd gezag aan één of meer instellingen, genoemd onder d6, benoemde directeur/coördinator, adjunct-directeur/coördinator, lid van het educatief personeel of lid van het onderwijsondersteunend personeel; 7. 7. het bij een bevoegd gezag aan één of meer instellingen, genoemd onder d7, benoemde personeel; 8. 8.

        vervallen;
        vervallen;
    1. het bij een bevoegd gezag aan één of meer instellingen, genoemd onder d10, benoemde personeel;
        vervallen;

e12. e12. het lid van het personeel dat is benoemd aan een instelling genoemd onder d12; e13. e13. de bij een bevoegd gezag aan één of meer instellingen, genoemd onder d13, benoemde directeur, adjunct-directeur of lid van het inhoudelijk personeel dan wel van het ondersteunend personeel; 14. 14. het bij een bevoegd gezag aan één of meer instellingen, genoemd onder d14, benoemde personeel; 15. 15. het bij een bevoegd gezag aan één of meer instellingen, genoemd onder d15, benoemde personeel; 16. 16. Het bij een bevoegd gezag aan één of meer instellingen, genoemd onder d16, benoemde onderwijsondersteunend en beheerspersoneel, respectievelijk het onderwijsgevend personeel dat is benoemd op basis van formatierekeneenheden als bedoeld in artikel 68, eerste lid onder d, van de Wet op het primair onderwijs; 17. 17. het bij een bevoegd gezag aan één of meer instellingen, genoemd onder d17, benoemde personeel; 18. 18. het bij een bevoegd gezag aan één of meer instellingen, genoemd onder d18, benoemde personeel; f. f. bevoegd gezag:

      1.
      ten aanzien van de instellingen genoemd onder *d*1 of *d*2 voor wat betreft: 
      
        
          -
          een rijksschool: Onze minister; 
        
        
          -
          een gemeentelijke school: het college van burgemeester en wethouders, voor zover de raad niet anders bepaalt, en, indien de raad dit wenselijk oordeelt, met inachtneming van door hem te stellen regelen, dan wel, wanneer de school van meer dan één gemeente uitgaat, het krachtens de desbetreffende gemeenschappelijke regeling bevoegde orgaan; 
        
        
          -
          een bijzondere school: het schoolbestuur;
        
      
    
    
      2.
      ten aanzien van een instelling genoemd onder *d*4: het bestuur; 
    
    
      3.
      ten aanzien van een instelling genoemd onder *d*5: het bestuur; 
    
    
      f4.
      ten aanzien van de instellingen genoemd onder *d*6, *d*14, *d*15, *d*17 en *d*18 voor wat betreft: 
      
        
          -
          een gemeentelijke instelling: het college van burgemeester en wethouders, voor zover de raad niet anders bepaalt, en, indien de raad dit wenselijk oordeelt, met inachtneming van door hem te stellen regelen, dan wel, wanneer de instelling van meer dan één gemeente uitgaat, het krachtens de desbetreffende gemeenschappelijke regeling bevoegd orgaan; 
        
        
          -
          een bijzondere instelling: het instellingsbestuur; 
        
      
    
    
      5.
      ten aanzien van een instelling genoemd onder *d*7: het bestuur; 
    
    
      6.
      
        vervallen;
      
    
    
      7.
      ten aanzien van een instelling genoemd onder *d*10 en *d*12: het bestuur; 
    
    
      8.
      
        vervallen;
      
    
    
      f9.
      ten aanzien van de instellingen genoemd onder *d*13 voor wat betreft: 
      
        
          -
          een gemeentelijke instelling: het krachtens de desbetreffende gemeenschappelijke regeling bevoegde orgaan bij een publiekrechtelijke regionale instelling dan wel het college van burgemeester en wethouders bij een publiekrechtelijke plaatselijke instelling, voorzover de raad niet anders bepaalt en, indien de raad dit wenselijk oordeelt, met inachtneming van door hen te stellen regelen; 
        
        
          -
          een publiekrechtelijke provinciale instelling: het college van Gedeputeerde Staten, voor zover de Provinciale Staten niet anders bepalen en, indien de Provinciale Staten dit wenselijk oordelen, met inachtneming van door hen te stellen regelen; 
        
        
          -
          een privaatrechtelijke instelling: het instellingsbestuur; 
        
      
    
    
      10.
      ten aanzien van de instellingen genoemd onder *d*16: 
      het bestuur;
    1. ten aanzien van de instellingen genoemd onder *d*1 of *d*2 voor wat betreft: 
      
      
          -
          een rijksschool: Onze minister; 
      
      
          -
          een gemeentelijke school: het college van burgemeester en wethouders, voor zover de raad niet anders bepaalt, en, indien de raad dit wenselijk oordeelt, met inachtneming van door hem te stellen regelen, dan wel, wanneer de school van meer dan één gemeente uitgaat, het krachtens de desbetreffende gemeenschappelijke regeling bevoegde orgaan; 
      
      
          -
          een bijzondere school: het schoolbestuur;
      
    •       een rijksschool: Onze minister;
      
    •       een gemeentelijke school: het college van burgemeester en wethouders, voor zover de raad niet anders bepaalt, en, indien de raad dit wenselijk oordeelt, met inachtneming van door hem te stellen regelen, dan wel, wanneer de school van meer dan één gemeente uitgaat, het krachtens de desbetreffende gemeenschappelijke regeling bevoegde orgaan;
      
    •       een bijzondere school: het schoolbestuur;
      
    1. ten aanzien van een instelling genoemd onder *d*4: het bestuur;
      
    1. ten aanzien van een instelling genoemd onder *d*5: het bestuur;
      

f4. f4. ten aanzien van de instellingen genoemd onder d6, d14, d15, d17 en d18 voor wat betreft:

          -
          een gemeentelijke instelling: het college van burgemeester en wethouders, voor zover de raad niet anders bepaalt, en, indien de raad dit wenselijk oordeelt, met inachtneming van door hem te stellen regelen, dan wel, wanneer de instelling van meer dan één gemeente uitgaat, het krachtens de desbetreffende gemeenschappelijke regeling bevoegd orgaan; 
        
        
          -
          een bijzondere instelling: het instellingsbestuur;
    •       een gemeentelijke instelling: het college van burgemeester en wethouders, voor zover de raad niet anders bepaalt, en, indien de raad dit wenselijk oordeelt, met inachtneming van door hem te stellen regelen, dan wel, wanneer de instelling van meer dan één gemeente uitgaat, het krachtens de desbetreffende gemeenschappelijke regeling bevoegd orgaan;
      
    •       een bijzondere instelling: het instellingsbestuur;
      
    1. ten aanzien van een instelling genoemd onder *d*7: het bestuur;
      
        vervallen;
    1. ten aanzien van een instelling genoemd onder *d*10 en *d*12: het bestuur;
      
        vervallen;

f9. f9. ten aanzien van de instellingen genoemd onder d13 voor wat betreft:

          -
          een gemeentelijke instelling: het krachtens de desbetreffende gemeenschappelijke regeling bevoegde orgaan bij een publiekrechtelijke regionale instelling dan wel het college van burgemeester en wethouders bij een publiekrechtelijke plaatselijke instelling, voorzover de raad niet anders bepaalt en, indien de raad dit wenselijk oordeelt, met inachtneming van door hen te stellen regelen; 
        
        
          -
          een publiekrechtelijke provinciale instelling: het college van Gedeputeerde Staten, voor zover de Provinciale Staten niet anders bepalen en, indien de Provinciale Staten dit wenselijk oordelen, met inachtneming van door hen te stellen regelen; 
        
        
          -
          een privaatrechtelijke instelling: het instellingsbestuur;
    •       een gemeentelijke instelling: het krachtens de desbetreffende gemeenschappelijke regeling bevoegde orgaan bij een publiekrechtelijke regionale instelling dan wel het college van burgemeester en wethouders bij een publiekrechtelijke plaatselijke instelling, voorzover de raad niet anders bepaalt en, indien de raad dit wenselijk oordeelt, met inachtneming van door hen te stellen regelen;
      
    •       een publiekrechtelijke provinciale instelling: het college van Gedeputeerde Staten, voor zover de Provinciale Staten niet anders bepalen en, indien de Provinciale Staten dit wenselijk oordelen, met inachtneming van door hen te stellen regelen;
      
    •       een privaatrechtelijke instelling: het instellingsbestuur;
      
    1. ten aanzien van de instellingen genoemd onder d16: het bestuur; g. g. werktijdfactor: het gedeelte van de normbetrekking waarvoor een personeelslid is benoemd, waarbij de uitkomst rekenkundig wordt afgerond op vier cijfers achter de komma. h. h. inspectie: de inspectie belast met het toezicht op de desbetreffende instelling; i. i. normbetrekking: de betrekking of de betrekkingen waarvan de omvang op jaarbasis na aftrek van het verlof op grond van artikel I-C2 respectievelijk artikel I-C7, tweede lid, eerste volzin en na aftrek van het verlof op grond van artikel I-C41, gelijk is aan 1659 uren en waarbij de gemiddelde weektaak op jaarbasis gelijk is aan 36,86 uren. j. j. bezoldiging: de som van het salaris en de toelagen, genoemd in de artikelen I-P5, vierde lid, I-P16, I-P55, tweede lid, I-P58, I-P60, I-P83, I-Q209b, I-S107, I-S108, V-P4, V-P5, V-R102, tweede lid, derde lid en vierde lid, en V-R103, tweede lid, derde lid en vierde lid waarop de betrokkene ingevolge dit besluit aanspraak heeft; k. k. diensttijd: de tijd die in aanmerking komt voor pensioen dan wel daarvoor in aanmerking zou komen, indien van het recht van inkoop was gebruik gemaakt, alsmede ten aanzien van de betrokkene genoemd onder e5, e6, e8 of e9, vermeerderd met de diensttijd doorgebracht in dienst van een vormingsinstituut vóór het daarop van toepassing verklaren van de WPA en het daarop berustende pensioenreglement; l. l. WPA: de Wet privatisering ABP; ll. ll. het pensioenreglement: het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP; m. m. pensioen: een pensioen, als bedoeld in en vastgesteld bij of krachtens de WPA; n. n. schooljaar: het administratieve schooljaar, zijnde het tijdvak van 1 augustus tot en met 31 juli, dan wel, voor de instellingen bedoeld in artikel I-A1, onder d6, en d12, het kalenderjaar; o. o. benoeming of aanstelling: de benoeming in algemene dienst van het bevoegd gezag als bedoeld in artikel 34, eerste lid, van de Wet op het primair onderwijs, artikel 34, eerste lid, van de Wet op de expertisecentra, artikel 154, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs of artikel 2.47, eerste lid onder h, van de Wet op het cursorisch beroepsonderwijs, onderscheidenlijk de benoeming bij een privaatrechtelijke verzorgingsinstelling of bij een privaatrechtelijke instelling als bedoeld onder d13 en de aanstelling bij een publiekrechtelijke verzorgingsinstelling of bij een publiekrechtelijke instelling als bedoeld onder d13. p. p. bestuursbenoeming: de benoeming in algemene dienst bedoeld in artikel 34 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 34 van de Wet op de expertisecentra of artikel 154 van de Wet op het voortgezet onderwijs. q. q. "akte van benoeming": de akte van benoeming bij het bijzonder onderwijs dan wel de arbeidsovereenkomst met het bestuur van een privaatrechtelijke verzorgingsinstelling of van een privaatrechtelijke instelling als bedoeld onder d13 en de akte van aanstelling bij het openbaar onderwijs, bij een publiekrechtelijke verzorgingsinstelling of bij een publiekrechtelijke instelling als bedoeld onder d13, een en ander als bedoeld in hoofdstuk I-B, dan wel het Koninklijk besluit bedoeld in artikel 82, eerste lid, van de Wet op het hoger beroepsonderwijs; r. r. "dagschool": de instelling waaraan de te geven lessen geheel of in overwegende mate aanvangen vóór 18.00 uur; s. s. "avondschool": de instelling waaraan de te geven lessen geheel of in overwegende mate aanvangen na 18.00 uur; t. t. "contractactiviteiten": werkzaamheden die aan een instelling naast de door het Rijk bekostigde taken worden verricht ingevolge een daartoe met een derde door het bevoegd gezag gesloten overeenkomst en waarvoor de door het Rijk bekostigde formatie door het bevoegd gezag wordt uitgebreid, een en ander als bedoeld in artikel 3, derde lid, van het Besluit vormingswerk voor jeugdigen artikel 2.7 van de Wet op het cursorisch beroepsonderwijs; u. u. "contractperiode": de periode gedurende welke het bevoegd gezag de voor een instelling door het Rijk bekostigde formatie heeft uitgebreid in verband met een overeenkomst met een derde tot het verrichten van contractactiviteiten; v. v. echtgeno(o)t(e): voor de toepassing van dit besluit wordt onder echtgenote of echtgenoot mede begrepen de levensparter met wie de ambtenaar samenwoont en - met het oogmerk duurzaam samen te leven - een gemeenschappelijke huishouding voert op basis van een notarieel verleden samenlevingscontract bevattende de wederzijdse rechten en verplichtingen ter zake van die samenwoning en gemeenschappelijke huishouding, dan wel de persoon met wie een geregistreerd partnerschap is aangegaan. Onder weduwe of weduwnaar wordt mede begrepen de achtergebleven levenspartner, dan wel de achtergebleven geregistreerde partner. Tot gezinslid wordt in voorkomend geval mede gerekend de levenspartner of geregistreerde partner. Tegelijkertijd kan slechts één persoon als levenspartner of geregistreerde partner worden aangemerkt. Onze Minister kan verlangen dat een schriftelijke verklaring van een notaris wordt overgelegd waaruit blijkt dat een samenlevingscontract als bedoeld in de eerste volzin is gesloten.

Artikel I-A2

Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat een bijgewerkt exemplaar van dit besluit en de overige van toepassing zijnde rechtspositionele regelingen op een voor de betrokkene steeds toegankelijke plaats op de instelling ter inzage beschikbaar is.

Artikel I-A3

Indien de betrokkene ten genoege van de bevoegde instantie aannemelijk maakt dat de aanvang van een in dit besluit gestelde termijn gedurende welke een aanspraak kan worden geldend gemaakt, hem niet tijdig bekend kon zijn en hij hierdoor in zijn belangen is geschaad, wordt de termijn geacht te zijn aangevangen op het tijdstip waarop de betrokkene naar het oordeel van de bevoegde instantie redelijkerwijs heeft kunnen kennisdragen van het ontstaan van zijn aanspraken.

Artikel I-A4

De Algemene termijnenwet (Stb. 1964, 314) is niet van toepassing op de termijnen in dit besluit gesteld, met uitzondering van die, genoemd in de artikelen II-A8, eerste lid, II-C4, tweede en vierde lid, en II-D10, tweede en vierde lid.

Artikel I-A5

De salarisbedragen, tegemoetkomingen en toelagen, genoemd in de bijlagen van dit besluit, kunnen worden gewijzigd bij ministeriële regeling.

Artikel I-A6

Indien het ingevolge de desbetreffende bekostigingswet mogelijk is dan wel toegestaan wordt, personeel te benoemen voor wie de salaris- en andere kosten niet voor vergoeding van Rijkswege in aanmerking komen, is - tenzij uitdrukkelijk anders bepaald - ten aanzien van dit personeel het bepaalde in dit besluit van toepassing.

Artikel I-A7

Vervallen

Artikel I-A8

1. In gevallen waarin dit besluit niet of niet naar billijkheid voorziet, beslist Onze minister.

2. Onze minister geeft nadere voorschriften omtrent de toepassing van dit besluit in geval van samenvoeging of splitsing van instellingen.

3. Onze minister kan nadere regelen geven voor de uitvoering van dit besluit.

Hoofdstuk I-B. Akte van benoeming, verklaring omtrent het gedrag en sollicitatiecode

Artikel I-B1

Vervallen

Artikel I-B2

1.

Bij zijn indiensttreding ontvangt de betrokkene een akte van benoeming waarin tenminste is vermeld:

a. a. de datum van ingang van de benoeming; b. b. de functie waarin de betrokkene wordt benoemd en de daarbij behorende maximumschaal; c. c. de bepaling of de benoeming in vaste of in tijdelijke dienst geschiedt en in het laatste geval de gronden voor de tijdelijkheid en de duur van de benoeming; d. d. de omvang van de betrekking, uitgedrukt in een werktijdfactor. e. e. het op de dag van zijn benoeming van toepassing zijnde begintraject, aanlooptraject of de van toepassing zijnde schaal en het salarisnummer; f. f. de instelling of instellingen waaraan de betrokkene werkzaam zal zijn en de verdeling van de uren over die instellingen. g. g. de van toepassing zijnde afvloeiingsregeling. h. h. andere voor de rechtspositie van belang zijnde zaken.

2.

Wijziging van:

a. a. de aard van het dienstverband, b. b. de functie waarin hij is benoemd, of c. c. de omvang van de betrekking, uitgedrukt in een werktijdfactor, of d. d. de instelling of instellingen waaraan de betrokkene werkzaam zal zijn.

3.

Wanneer voor de betrokkene die nog niet volgens de bij zijn functie behorende maximumschaal bedoeld in artikel I-P1, onder d, wordt bezoldigd, een schaal met een hoger maximumsalaris bedoeld in artikel I-P1, onder g, gaat gelden, wordt hem schriftelijk medegedeeld:

a. a. de datum waarop voor hem een andere schaal gaat gelden; b. b. de schaal welke vanaf de onder a bedoelde datum van toepassing zal zijn; c. c. het op de onder a bedoelde datum binnen de onder b bedoelde schaal van toepassing zijnde salarisnummer en het daarbij behorende bruto maandsalaris bij een normbetrekking.

4.

Bij het einde van zijn dienstverband ontvangt de betrokkene van het bevoegd gezeg een schriftelijke verklaring waarin is vermeld:

a. a. het begintraject, aanlooptraject of de schaal welke op de dag direct voorafgaande aan het ontslag van toepassing was; b. b. het op de dag direct voorafgaande aan het ontslag van toepassing zijnde salarisnummer binnen het onder a bedoelde begintraject of aanlooptraject dan wel binnen de onder a bedoelde schaal; c. c. de datum vanaf welke voor de betrokkene het onder a bedoelde begintraject of aanlooptraject dan wel de onder a bedoelde aanloopschaal en het onder b bedoelde salarisnummer gold en de mate waarin de betrokkene aan de voor hem geldende promotiecriteria heeft voldaan.

Artikel I-B3

De verklaring omtrent het gedrag, welke vereist is voor benoeming bij een bevoegd gezag van aan een instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder d1, d2, en d4 tot en met d6, d10, d12 tot en met d15 alsmede d17 en d18, afgegeven volgens de Wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag (Stb. 1955, 395), is bij overlegging aan het bevoegd gezag niet ouder dan zes maanden, te rekenen vanaf de dag van afgifte.

Artikel I-B4

1. Ter zake van werving en selectie van personeel neemt het bevoegd gezag een sollicitatiecode in acht.

2. De sollicitatiecode wordt niet vastgesteld dan nadat met de personeelsorganisaties, bedoeld in artikel 64 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 66 van de Wet op de expertisecentra, artikel 184 van de Wet op het voortgezet onderwijs”“onderwijs”” moet zijn “onderwijs,”. artikel 2.51 en 2.59 van de Wet op het cursorisch beroepsonderwijs, artikel 20 van het Besluit vormingswerk voor jeugdigen, artikel 61 van de Wet op de onderwijsverzorging of artikel 9 van de Kaderwet volwasseneneducatie 1991 dan wel met verenigingen van het aan de instellingen, bedoeld in artikel I-A1, onder d6 en d7, verbonden personeel, voor zover deze hun werkzaamheden uitstrekken over het aan zodanige instellingen verbonden personeel, overleg is gepleegd.

3. Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat de sollicitatiecode op een voor de betrokkene toegankelijke plaats ter inzage in de instelling beschikbaar is en hem op diens verzoek een exemplaar van de sollicitatiecode ter beschikking wordt gesteld.

Artikel I-B5

Vervallen

Artikel I-B6

Vervallen

Artikel

Vervallen

Artikel

Vervallen

Artikel

Vervallen

Artikel I-B8

Onze minister kan nadere regels geven ter uitvoering van het bepaalde in dit hoofdstuk.

Hoofdstuk I-C. Vakantieverlof en buitengewoon verlof

Paragraaf 1. Vakantieverlof onderwijzend personeel basis-, speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, alsmede onderwijzend personeel centrale dienst

Artikel I-C1

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

a. a. betrokkene: de betrokkene, bedoeld in artikel I-A1, voor zover het betreft, onder:

      1.
      
        *e*1, de directeur, de adjunct-directeur of het lid van het onderwijsgevend personeel; 
    
    
      2.
      
        *e*2, de directeur, de adjunct-directeur of het lid van het onderwijsgevend personeel; 
    
    
      3.
      
        
          a.
          
            vervallen;
          
        
        
          b.
          
            *e*15, het lid van de centrale directie als bedoeld in artikel I-Q1302 en het lid van het onderwijzend personeel als bedoeld in artikel I-R1305; 
        
      
      
    
    
      3.
      
        Abusievelijk is bij Stb. 1998/413 een tweede onderdeel 3 toegevoegd. e16, een lid van het onderwijsgevend personeel dat is benoemd op basis van formatierekeneenheden als bedoeld in artikel 68, eerste lid, onder d, van de Wet op het primair onderwijs.
        *e*1, de directeur, de adjunct-directeur of het lid van het onderwijsgevend personeel;
        *e*2, de directeur, de adjunct-directeur of het lid van het onderwijsgevend personeel;
          a.
          
            vervallen;
          
        
        
          b.
          
            *e*15, het lid van de centrale directie als bedoeld in artikel I-Q1302 en het lid van het onderwijzend personeel als bedoeld in artikel I-R1305;

a. a.

            vervallen;

b. b.

            *e*15, het lid van de centrale directie als bedoeld in artikel I-Q1302 en het lid van het onderwijzend personeel als bedoeld in artikel I-R1305;
        Abusievelijk is bij Stb. 1998/413 een tweede onderdeel 3 toegevoegd. e16, een lid van het onderwijsgevend personeel dat is benoemd op basis van formatierekeneenheden als bedoeld in artikel 68, eerste lid, onder d, van de Wet op het primair onderwijs.

b. b. vakanties: de voor de instelling van de betrokkene geldende vakanties; c. c. dag: iedere dag die volgens het schema van werkzaamheden dan wel het normale lesrooster een werkdag is van de instelling; een dag kan worden verdeeld in 2 halve dagen.

Artikel I-C2

1. Tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald, geniet de betrokkene gedurende de schoolvakanties dan wel de periode waarin de instelling geen onderwijs verzorgt of examens afneemt, vakantieverlof met behoud van bezoldiging.

2.

Het bevoegd gezag kan op verzoek na omzetting van de dienst verlof verlenen op andere tijdstippen aan:

a. a. de directeur, de adjunct-directeur en de leraar die is benoemd als adjunct-directeur; b. b. het lid van de centrale directie.

3. Het bevoegd gezag kan, in bijzondere gevallen en nadat vóór de contractperiode met de betrokkene die werkzaamheden in het kader van contractactiviteiten gaat verrichten daarover overeenstemming is bereikt, in plaats van het verlof bedoeld in het eerste lid, verlof verlenen op andere tijdstippen. Het bevoegd gezag doet hiervan mededeling aan de inspectie.

4. De betrokkene houdt zich zo nodig gedurende enkele dagen van het verlof ter beschikking van het bevoegd gezag ten behoeve van werkzaamheden van onderwijskundige of schoolorganisatorische aard.

5. Het totale vakantieverlof van de betrokkene, bedoeld in artikel I-C1, onder a1, a2 en a3, kan bij toepassing van het vierde lid met niet meer dan twee dagen per schooljaar worden verminderd. Voor die vermindering komen slechts in aanmerking de eerste en de laatste twee dagen van de zomervakantie.

6. Vervallen.

7. Het bevoegd gezag bepaalt tijdig na overleg met de betrokkene of, en zo ja, welke dagen voor de toepassing van het vierde lid van dit artikel in aanmerking komen.

8. Van het eerste tot en met het zevende lid kan met het oog op de invulling van de algemene arbeidsduur per jaar bedoeld in artikel I-P3, tweede en derde lid, in het bijzonder onderwijs worden afgeweken op grond van een overeenkomst bedoeld in de Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst en in het openbaar onderwijs op een overeenkomst die voldoet aan de voorwaarden zoals die zijn gesteld in genoemde wet.

Artikel I-C3

1. De betrokkene, werkzaam in deelbetrekking aan meer dan één instelling, waarvan de zomervakanties ten gevolge van vakantiespreiding niet in dezelfde periode vallen, heeft aanspraak op een aaneengesloten lesvrije periode van ten minste drie weken. Het bevoegd gezag van de instelling of instellingen waar de zomervakantie het laatst aanvangt, verleent daartoe aan de betrokkene desgevraagd zoveel dagen bijzonder vakantieverlof dat genoemde termijn wordt bereikt. Dit bijzondere vakantieverlof wordt verleend in de periode die direct voorafgaat aan de aanvang van de zomervakantie van bedoelde instelling of instellingen.

2. Ten aanzien van de betrokkene, bedoeld in het eerste lid, is het bepaalde in artikel I-C2, vierde tot en met zevende lid, niet van toepassing.

Artikel I-C4

1. Voor de betrokkene, die een benoeming heeft voor korter dan één jaar aan een instelling of instellingen met een jaarcursus, geldt artikel I-C2, eerste lid, met dien verstande, dat alleen in aanmerking komen de vakanties, gelegen tussen de eerste en de laatste dag van zijn werkzaamheden, tenzij de betrokkene is benoemd vóór 1 maart en zijn werkzaamheden voortzet tot aan de zomervakantie, in welk geval in aanmerking komen de vakanties, gelegen tussen de eerste dag van zijn werkzaamheden en het einde van het schooljaar.

2. Het eerste lid laat onverlet de aanspraak op een evenredig gedeelte van vier weken vakantie per schooljaar.

Artikel I-C5

1. Bij rampen en in andere zeer buitengewone omstandigheden kan het bevoegd gezag het vakantieverlof van de betrokkene intrekken. Het bevoegd gezag doet hiervan zo spoedig mogelijk mededeling aan de inspectie.

2. Indien de betrokkene als gevolg van de intrekking van het verlof materiële schade lijdt, wordt deze schade hem door het bevoegd gezag vergoed.

Paragraaf 2. Vakantieverlof onderwijsondersteunend personeel basis-, speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, alsmede onderwijsondersteunend personeel centrale dienst

Artikel I-C6

1. Bij rampen en in andere zeer buitengewone omstandigheden kan het bevoegd gezag het vakantieverlof van de betrokkene intrekken. Het bevoegd gezag doet hiervan zo spoedig mogelijk mededeling aan de inspectie.

2. Indien de betrokkene als gevolg van de intrekking van het verlof materiële schade lijdt, wordt deze schade hem door het bevoegd gezag vergoed.

Artikel I-C7

1. Aan de betrokkene verleent het bevoegd gezag vakantieverlof met behoud van bezoldiging. Het verlof wordt bij voorkeur in de schoolvakanties verleend.

2. De duur van het vakantieverlof per kalenderjaar bedraagt 184 uren. De duur van het verlof wordt met 8 uren verlengd indien de bezoldiging of de som van de bezoldigingen in de desbetreffende betrekking bij de aanvang van het kalenderjaar, dan wel, in geval van indiensttreding in de loop van het kalenderjaar, op het tijdstip van indiensttreding, gelijk is aan of hoger is dan het maximum van schaal 8 vermeld in de bijlagen 1A en 1B.

3.

De ingevolge het tweede lid vastgestelde duur van het vakantieverlof wordt afhankelijk van de leeftijd, die de betrokkene in het desbetreffende kalenderjaar bereikt, verlengd overeenkomstig de hierna volgende tabel:

Leeftijd Verlenging
18 jaar (en jonger) 24 uren
19 jaar 16 uren
20 jaar 8 uren
van 30 tot en met 39 jaar 8 uren
van 40 tot en met 44 jaar 16 uren
van 45 tot en met 49 jaar 24 uren
van 50 tot en met 54 jaar 32 uren
van 55 tot en met 59 jaar 40 uren
60 jaar en ouder 48 uren

4. Met ingang van de dag waarop de betrokkene gebruik maakt van hoofdstuk I-V, wordt zijn aanspraak op vakantieverlof-uren verminderd in verhouding tot de vermindering van zijn werktijd.

5. Op verzoek van de betrokkene, en voor zover de werkzaamheden aan de instelling dit toelaten, wordt hem het vakantieverlof ononderbroken verleend. Bij splitsing wordt ten minste de helft van het vakantieverlof aaneengesloten verleend.

Artikel I-C8

1. Op verzoek van de betrokkene trekt het bevoegd gezag in geval van samenloop met andere vormen van verlof en in andere daarvoor redelijkerwijs in aanmerking komende gevallen het verleende vakantieverlof in. Het niet genoten vakantieverlof wordt in overleg met de betrokkene opnieuw verleend.

2. Bij rampen en in andere zeer buitengewone omstandigheden kan het bevoegd gezag het vakantieverlof van de betrokkene intrekken.

3. Indien de betrokkene als gevolg van de intrekking van het verlof materiële schade lijdt, wordt deze schade hem door het bevoegd gezag vergoed.

4. Het geheel of gedeeltelijk ingetrokken aantal uren vakantieverlof komt niet in aanmerking bij de berekening van het aantal genoten verlofuren.

Artikel I-C9

Vervallen

Paragraaf 3. Vakantieverlof landelijke organen

Artikel I-C10

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

a. a. betrokkene: de betrokkene, bedoeld in artikel I-A1, onder e4; b. b. uur: klokuur

Artikel I-C11

1. Aan de betrokkene verleent het bevoegd gezag in elk kalenderjaar vakantieverlof met behoud van bezoldiging.

2.

De duur van het vakantieverlof per kalenderjaar wordt afhankelijk van het salaris in de desbetreffende betrekking bij de aanvang van het kalenderjaar, dan wel, in geval van indiensttreding in de loop van het kalenderjaar, op het tijdstip van indiensttreding vastgesteld volgens onderstaande tabel, waarbij onder schaal wordt verstaan de desbetreffende schaal bedoeld in hoofdstuk I-P.

Bezoldiging Duur van het vakantieverlof
a. lager dan het maximum van schaal 8 184 uren
b. gelijk aan of hoger dan het maximum van schaal 8 192 uren

3.

De ingevolge het tweede lid vastgestelde duur van het vakantieverlof wordt afhankelijk van de leeftijd die de betrokkene in het desbetreffende kalenderjaar bereikt, verlengd overeenkomstig de hierna volgende tabel:

Leeftijd Verlenging
18 jaar (en jonger) 24 uren
19 jaar 16 uren
20 jaar 8 uren
van 30 tot en met 39 jaar 8 uren
van 40 tot en met 44 jaar 16 uren
van 45 tot en met 49 jaar 24 uren
van 50 tot en met 54 jaar 32 uren
van 55 tot en met 59 jaar 40 uren
60 jaar en ouder 48 uren

4. Het derde lid is niet van toepassing op de betrokkene die gebruik maakt van hoofdstuk I-V.

5. Met ingang van de dag waarop de betrokkene gebruik maakt van hoofdstuk I-V, wordt zijn aanspraak op vakantieverlof-uren verminderd in verhouding tot de vermindering van zijn werktijd.

6. Op verzoek van de betrokkene en voor zover de werkzaamheden aan de instelling dit toelaten, wordt hem het vakantieverlof ononderbroken verleend. Bij splitsing wordt ten minste de helft van het vakantieverlof aaneengesloten verleend.

Artikel I-C12

1. Onverminderd het bepaalde in artikel I-C11, vierde lid, heeft de betrokkene gedurende de eerste 6 maanden van zijn betrekking slechts aanspraak op vakantieverlof naar reden van 1/12 gedeelte van het naar artikel I-C11, tweede en derde lid, berekende aantal uren vakantieverlof voor iedere volle kalendermaand, dat hij in genoemd tijdvak werkelijke dienst heeft vervuld.

2. Het aantal uren waarop ingevolge het vorige lid aanspraak op vakantie bestaat wordt zonodig naar beneden afgerond op hele uren.

Artikel I-C13

1. Op verzoek van de betrokkene trekt het bevoegd gezag in geval van samenloop met andere vormen van verlof en in andere daarvoor redelijkerwijs in aanmerking komende gevallen het verleende vakantieverlof in. Het niet genoten vakantieverlof wordt in overleg met de betrokkene opnieuw verleend.

2. Bij rampen en in andere zeer buitengewone omstandigheden kan het bevoegd gezag het vakantieverlof van de betrokkene intrekken. Het bevoegd gezag doet hiervan zo spoedig mogelijk mededeling aan de inspectie.

3. Indien de betrokkene als gevolg van de intrekking van het verlof materiële schade lijdt, wordt deze schade hem door het bevoegd gezag vergoed.

4. Het geheel of gedeeltelijk ingetrokken aantal uren vakantieverlof komt niet in aanmerking bij de berekening van het aantal genoten verlofuren.

Artikel I-C14

Vervallen

Paragraaf 4. Vakantieverlof vormingswerk voor jeugdigen, basiseducatie, middelbaar beroepsonderwijs voor zover bekostigd door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, voortgezet algemeen volwassenenonderwijs en beroepsbegeleidend onderwijs met uitzondering van beroepsbegeleidend onderwijs verbonden aan een AOC

Artikel I-C15

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

a. a. betrokkene: de betrokkene bedoeld in artikel I-A1, onder e6; b. b. betrokkene behorend tot het educatief personeel: de betrokkene, bedoeld in artikel I-A1, onder e6, voor zover het betreft de directeur/coördinator, adjunct-directeur/coördinator en educatief werker; c. c. betrokkene behorend tot het overige personeel: de betrokkene, bedoeld in artikel I-A1, onder e6, voor zover het betreft een lid van het onderwijsondersteunend personeel; d. d. betrokkene bij het vormingswerk, mbo, vavo en bbo: de betrokkene, bedoeld in artikel I-A1, onder e5, e14, e17 en e18 voor zover het betreft:

      1.
      het lid van de centrale directie; 
    
    
      2.
      de leraar, met uitzondering van de leraar, bedoeld in de artikelen I-R1212, eerste of derde lid, I-R1412, eerste of derde lid en I-R1512, eerste of derde lid;
    1. het lid van de centrale directie;
      
    1. de leraar, met uitzondering van de leraar, bedoeld in de artikelen I-R1212, eerste of derde lid, I-R1412, eerste of derde lid en I-R1512, eerste of derde lid;
      

e. e. uur: klokuur.

Artikel I-C16

1. De betrokkene behorend tot het educatief personeel, bedoeld in artikel I-C15, onderdeel b, en onderdeel d heeft per kalenderjaar recht op 184 uren vakantieverlof met behoud van bezoldiging.

2.

Aan de betrokkene, behorend tot het overige personeel, verleent het bevoegd gezag vakantieverlof met behoud van bezoldiging. De duur van het vakantieverlof per kalenderjaar wordt afhankelijk van het salaris in de desbetreffende betrekking bij de aanvang van het kalenderjaar, dan wel, in geval van indiensttreding in de loop van het kalenderjaar, op het tijdstip van indiensttreding vastgesteld volgens onderstaande tabel, waarbij onder schaal wordt verstaan de desbetreffende schaal, bedoeld in hoofdstuk I-P.

Bezoldiging Duur van het vakantieverlof
a. lager dan het maximum van schaal 9 184 uren
b. gelijk aan of hoger dan het maximum van schaal 9 192 uren

3.

De ingevolge het vorige lid vastgestelde duur van het vakantieverlof wordt afhankelijk van de leeftijd, die de betrokkene in het desbetreffende kalenderjaar bereikt, verlengd overeenkomstig de hierna volgende tabel:

Leeftijd Verlenging
18 jaar (en jonger) 24 uren
19 jaar 16 uren
20 jaar 8 uren
van 30 tot en met 39 jaar 8 uren
van 40 tot en met 44 jaar 16 uren
van 45 tot en met 49 jaar 24 uren
van 50 tot en met 54 jaar 32 uren
van 55 tot en met 59 jaar 40 uren
60 jaar en ouder 48 uren

4. Voor zover de werkzaamheden aan de instelling dit toelaten, wordt het vakantieverlof ononderbroken verleend. Bij splitsing wordt ten minste de helft van het vakantieverlof aaneengesloten verleend.

5. Het tijdstip van het vakantieverlof wordt na overleg met de betrokkene door het bevoegd gezag vastgesteld. Ten aanzien van de betrokkene, bedoeld in artikel I-A1, onder e5, geschiedt dit in de periode, waarin geen vormingsactiviteiten met de deelnemers plaatsvinden.

6. In bijzondere gevallen kan het bevoegd gezag op verzoek van de betrokkene vakantieverlof verlenen buiten de periode, genoemd in het vijfde lid.

7. Het bevoegd gezag kan, in bijzondere gevallen en nadat vóór de contractperiode met de betrokkene die werkzaamheden in verband met contractactiviteiten gaat verrichten daarover overeenstemming is bereikt, in plaats van het verlof, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, verlof verlenen in de periode waarin vormingsactiviteiten met de deelnemers plaatsvinden. Het bevoegd gezag doet hiervan mededeling aan de inspectie.

8. Het vierde lid is niet van toepassing op de betrokkene die gebruik maakt van hoofdstuk I-V.

9. Met ingang van de dag waarop de betrokkene gebruik maakt van hoofdstuk I-V, wordt zijn aanspraak op vakantieverlof-uren verminderd in verhouding tot de vermindering van zijn werktijd.

Artikel I-C17

1. De betrokkene, die slechts een gedeelte van het kalenderjaar in dienst is, heeft in dat kalenderjaar recht op een evenredig deel van het in artikel I-C16, eerste en tweede lid, vastgestelde aantal uren vakantieverlof met behoud van bezoldiging.

2. Het derde en vierde lid van artikel I-C16 is van toepassing.

Artikel I-C18

1. Op verzoek van de betrokkene trekt het bevoegd gezag in geval van samenloop met andere vormen van verlof en in andere daarvoor redelijkerwijs in aanmerking komende gevallen het verleende vakantieverlof in. Het niet genoten vakantieverlof wordt in overleg met de betrokkene opnieuw verleend.

2. Bij rampen en in andere zeer buitengewone omstandigheden kan het bevoegd gezag met goedvinden van de betrokkene het vakantieverlof intrekken.

3. Indien de betrokkene als gevolg van de intrekking van het vakantieverlof materiële schade lijdt, wordt deze schade hem door het bevoegd gezag vergoed.

4. Voor de betrokkene komt het geheel of gedeeltelijk ingetrokken aantal uren vakantieverlof niet in aanmerking bij de berekening van het aantal genoten verlofuren.

Artikel I-C19

1. Aan de betrokkene, behorend tot het educatief dan wel onderwijzend personeel, wordt bovendien, boven het vakantieverlof bedoeld in de artikelen I-C16 en I-C17, verlof met behoud van bezoldiging verleend met Kerstmis en Pasen.

2. Het verlof met Kerstmis omvat de dagen in een aaneengesloten periode van 10 kalenderdagen. Eerste kerstdag, tweede kerstdag en nieuwjaarsdag moeten binnen de in de eerste volzin bedoelde periode vallen.

3. Het verlof met Pasen omvat de dagen in een aaneengesloten periode van 10 kalenderdagen. Goede Vrijdag, eerste paasdag en tweede paasdag moeten binnen de in de eerste volzin bedoelde periode vallen.

4. Het bevoegd gezag stelt de begindata vast van de in het tweede en derde lid van dit artikel bedoelde periode.

5. Het bepaalde in artikel I-C18, eerste tot en met derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel I-C20

In het georganiseerd overleg op instellingsniveau als bedoeld in hoofdstuk IV-E kan worden overeengekomen af te wijken van het bepaalde in artikel I-C19 mits daarbij de taakomvang op jaarbasis ongewijzigd blijft en voor zover het dienstbelang zich niet tegen die afwijking verzet.

Paragraaf 5. Vakantieverlof personeel B3-instellingen, verzorgingsinstellingen en instellingen ter ondersteuning van de volwasseneneducatie

Artikel I-C21

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

betrokkene: de betrokkene, bedoeld in artikel I-A1, onder e7, e12 en e13.

Artikel I-C22

Aan de betrokkene verleent het bevoegd gezag vakantieverlof met behoud van bezoldiging met inachtneming van de regelen, gesteld in deze paragraaf.

Artikel I-C23

1. Het bevoegd gezag verleent het vakantieverlof in beginsel gedurende de perioden waarom de betrokkene heeft verzocht. De perioden kunnen vallen buiten de vakanties van de instellingen, bedoeld in artikel I-A1, onder d1 of d2. Slechts in bijzondere omstandigheden kan het bevoegd gezag in verband met het dienstbelang beslissen dat het vakantieverlof niet of niet geheel in de gevraagde periode wordt verleend. Bij splitsing van het vakantieverlof wordt dit voor ten minste de helft van de ingevolge artikel I-C24 geldende duur aaneengesloten verleend.

2. Aan de betrokkene wordt in enig kalenderjaar niet genoten vakantieverlof zoveel mogelijk in een volgend kalenderjaar verleend, met dien verstande dat in geen kalenderjaar meer uren vakantieverlof kunnen worden opgenomen dan anderhalf maal het hem volgens artikel I-C24 toekomende aantal.

3. Indien de betrokkene in enig kalenderjaar meer vakantie heeft genoten, dan waarop hij ingevolge deze paragraaf recht heeft, wordt dit meerdere verrekend met het hem over één of meer volgende kalenderjaren toekomende vakantieverlof. Het bepaalde in de vorige volzin geldt met dien verstande, dat uit dien hoofde in enig kalenderjaar het vakantieverlof nimmer met meer dan een derde gedeelte van hetgeen de betrokkene ingevolge het bepaalde in de artikelen I-C24 en I-C25 toekomt, mag worden verminderd.

Artikel I-C24

1. De duur van het vakantieverlof per kalenderjaar bedraagt 184 uren. De duur van het verlof wordt met 8 uren verlengd indien de bezoldiging of de som van de bezoldigingen in de desbetreffende betrekking bij de aanvang van het kalenderjaar, dan wel, in geval van indiensttreding in de loop van het kalenderjaar, op het tijdstip van indiensttreding, gelijk is aan of hoger is dan het maximum van schaal 9 vermeld in de bijlagen 1A en 1B.

2.

De ingevolge het eerste lid vastgestelde duur van het vakantieverlof wordt afhankelijk van de leeftijd, die de betrokkene in het desbetreffende kalenderjaar bereikt, verlengd overeenkomstig de hierna volgende tabel:

Leeftijd Verlenging
18 jaar (en jonger) 24 uren
19 jaar 16 uren
20 jaar 8 uren
van 30 tot en met 39 jaar 8 uren
van 40 tot en met 44 jaar 16 uren
van 45 tot en met 49 jaar 24 uren
van 50 tot en met 54 jaar 32 uren
van 55 tot en met 59 jaar 40 uren
60 jaar en ouder 48 uren

3. Met ingang van de dag waarop de betrokkene gebruik maakt van hoofdstuk I-V, wordt zijn aanspraak op vakantieverlof-uren verminderd in verhouding tot de vermindering van zijn werktijd.

Artikel I-C25

1. Indien het dienstverband van de betrokkene zich niet over een geheel kalenderjaar uitstrekt, wordt de duur van het vakantieverlof, bedoeld in artikel I-C24, verminderd naar evenredigheid met de werkelijke duur van zijn dienstverband.

2. Indien de betrokkene niet met een volledige weektaak is belast, heeft hij aanspraak op vakantieverlof gedurende een tijd die evenredig is aan de duur van het vakantieverlof in een normbetrekking.

3. De uitkomst van de berekening, bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt zonodig naar boven afgerond op een geheel aantal uren.

Artikel I-C26

1. Op verzoek van de betrokkene trekt het bevoegd gezag in geval van samenloop met andere vormen van verlof en in andere daarvoor redelijkerwijs in aanmerking komende gevallen het verleende vakantieverlof in. Het niet genoten vakantieverlof wordt in overleg met de betrokkene op een ander tijdstip verleend.

2. Bij rampen en in andere zeer buitengewone omstandigheden kan het bevoegd gezag het vakantieverlof van de betrokkene intrekken. Het bepaalde in de laatste zin van het eerste lid is van toepassing.

3. Indien de betrokkene als gevolg van de intrekking van het vakantieverlof materiële schade lijdt, wordt deze schade hem door het bevoegd gezag vergoed.

Artikel I-C27

Vervallen

Paragraaf 6. Buitengewoon verlof

Artikel I-C28

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

a. a. jaar:

      1.
      ten aanzien van de betrokkene, bedoeld in artikel I-A1, onder e1, e2 of e16, voor zover het niet betreft een lid van het onderwijsondersteunend personeel: een schooljaar; 
    
    
      2.
      ten aanzien van de betrokkene, bedoeld in artikel I-A1, onder e1, e2 of e16, voor zover het betreft een lid van het onderwijsondersteunend personeel, alsmede de betrokkene, bedoeld in artikel I-A1, onder *e*4 tot en met *e*7 en *e*10, *e*12 tot en met 18: een kalenderjaar;
    1. ten aanzien van de betrokkene, bedoeld in artikel I-A1, onder e1, e2 of e16, voor zover het niet betreft een lid van het onderwijsondersteunend personeel: een schooljaar;
      
    1. ten aanzien van de betrokkene, bedoeld in artikel I-A1, onder e1, e2 of e16, voor zover het betreft een lid van het onderwijsondersteunend personeel, alsmede de betrokkene, bedoeld in artikel I-A1, onder *e*4 tot en met *e*7 en *e*10, *e*12 tot en met 18: een kalenderjaar;
      

b. b. dag: elke dag die volgens het schema van werkzaamheden dan wel het lesrooster een werkdag is van de instelling; een dag kan worden verdeeld in twee halve dagen, tenzij de verlofgrond zich daartegen verzet.

Artikel I-C29

1.

Het bevoegd gezag verleent de betrokkene kort buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging, behoudens het bepaalde in het derde lid, voor zover zijn werkzaamheden samenvallen met één of meer van de navolgende omstandigheden:

a. a. de uitoefening van het kiesrecht, indien en voor zover deze niet in vrije tijd kan geschieden en omzetting van dienst niet mogelijk is; b. b. het voldoen aan een wettelijke verplichting, indien en voor zover dit niet in vrije tijd kan geschieden en omzetting van dienst niet mogelijk is; c. c. het afleggen van een van rijkswege afgenomen of erkend examen of tentamen, voor zover die niet in vrije tijd kan geschieden en omzetting van dienst niet mogelijk is; d. d. het bijwonen van vergaderingen of zittingen van of het verrichten van werkzaamheden voor publiekrechtelijke colleges, waarin de betrokkene is benoemd of gekozen, voor zover dit niet in vrije tijd kan geschieden; e. e. , het uitoefenen van het lidmaatschap van een van rijkswege ingestelde of erkende examencommissie of het optreden als rijksgecommitteerde bij een examen, voor in totaal ten hoogste 14 dagen per jaar in overleg met het bevoegd gezag vast te stellen; f. f. verhuizing in geval van verandering van standplaats: indien de betrokkene een eigen huishouding heeft, voor twee, in bijzondere gevallen ten hoogste vier dagen en indien de betrokkene geen eigen huishouding heeft, voor ten hoogste twee dagen; g. g. verhuizing anders dan in geval van verandering van standplaats: indien de betrokkene een eigen huishouding heeft, voor ten hoogste twee dagen per jaar; h. h. het zoeken van een woning in geval van verandering van standplaats, voor ten hoogste twee dagen; i. i. ondertrouw of de aangifte van het voornemen om een geregistreerd partnerschap aan te gaan, van de betrokkene, voor één dag; j. j. burgerlijk of kerkelijk huwelijk of registratie van het partnerschap van de betrokkene, voor in totaal vier dagen, voor zover de huwelijksdag of -dagen of de dag van registratie van het partnerschap hier binnen vallen; k. k. huwelijk of registratie van het partnerschap van bloed- of aanverwanten van de eerste of tweede graad, voor één dag of ten hoogste twee dagen, al naar gelang dit huwelijk of deze registratie van het partnerschap wordt gesloten in of buiten de woonplaats van de betrokkene; l. l. ernstige ziekte van echtgenoot, ouders of kinderen, stief-, schoon- of pleegfamilieleden daaronder begrepen, voor ten hoogste twee weken, tenzij blijkens een over te leggen geneeskundige verklaring gedurende een langere termijn de voortdurende aanwezigheid van de betrokkene bij de zieke, anders dan ter verpleging, noodzakelijk is; m. m. overlijden van de onder l bedoelde personen, voor vier dagen; van bloed- of aanverwanten in de tweede graad, voor twee dagen; van bloed- of aanverwanten in de derde of vierde graad, voor ten hoogste één dag; is de betrokkene in de twee laatstgenoemde gevallen belast met de regeling van de begrafenis of van de nalatenschap, dan wordt verlof verleend voor ten hoogste vier dagen; n. n. bevalling van de echtgenote, voor ten hoogste twee dagen; o. o. het 25-, 40- en 50-jarig ambts- of huwelijksjubileum dan wel jubileum van de registratie van het partnerschap van de betrokkene en het 25-, 40-, 50- en 60-jarig huwelijksjubileum dan wel jubileum van de registratie van het partnerschap van zijn ouders, stief-, schoon- of pleegouders daaronder begrepen, voor één dag; p. p. kerkelijke bevestiging of eerste communie van de betrokkene, zijn echtgenote en kinderen, stief-, schoon- of pleegkinderen daaronder begrepen, voor één dag; q. q. adoptie van een kind, voor ten hoogste vijf dagen; in geval van adoptie van een buitenlands kind wordt, indien verlof noodzakelijk is om de betrokkene in staat te stellen in het desbetreffende land het nodige te verrichten, éénmaal per geval van adoptie, verlof verleend voor de duur van de noodzakelijke reis- en verblijftijd tot ten hoogste zes weken; r. r. het voldoen aan een verzoek van een commissie van beroep, als bedoeld in artikel 60, eerste lid, van de Wet op het primair onderwijs, artikel 63, eerste lid, van de Wet op de expertisecentra, artikel 181, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs”“onderwijs”” moet zijn “onderwijs,”. artikel 93 van de Wet op het hoger beroepsonderwijs, artikel 2.49 en 2.57 van de Wet op het cursorisch beroepsonderwijs, artikel 22 van het Besluit vormingswerk voor jeugdigen, artikel 64 van de Wet op de onderwijsverzorging en artikel 11 van de Kaderwet Volwasseneducatie 1991, van dit besluit, om als getuige of deskundige te worden gehoord, voor zover dit niet in vrije tijd kan geschieden en omzetting van dienst niet mogelijk is; s. s. jeugd- en jongerenwerk als bedoeld in de door Onze Minister getroffen regeling, voor telkens ten hoogste 5 dagen, met dien verstande dat per schooljaar in totaal niet meer dan 10 dagen verlof worden verleend; t. t. voor zover het betreft de betrokkene, bedoeld in artikel I-A1 onder e1: het vervullen van een stage in het kader van deelname aan een door Onze Minister aan te wijzen applicatiecursus basisonderwijs, voor twee dagen per schooljaar; u. u. voor zover het betreft de betrokkene, bedoeld in artikel I-A1, onder e6: het volgen van een cursus, die naar het oordeel van het bevoegd gezag in het belang van de basiseducatie wordt geacht, en voor zover Onze minister op een verzoek van het betrokken bevoegd gezag instemmend heeft beschikt; v. v. een calamiteit, waaronder wordt verstaan een plotseling optredende gebeurtenis, die uit zijn aard niet te voorzien is en waarvoor zonder uitstel maatregelen door betrokkene moeten worden genomen, voor ten hoogste een werkdag en maximaal 3 calamiteiten per jaar.

2. Indien de in het eerste lid, onder d, genoemde omstandigheid zich voordoet en de betrokkene een vaste vergoeding ontvangt in verband met de aktiviteiten waarvoor hem verlof wordt verleend, wordt op zijn bezoldiging een inhouding toegepast over de tijd, dat hij het verlof geniet. Deze inhouding gaat hetgeen de betrokkene kan worden geacht te ontvangen als vaste vergoeding voor de aktiviteiten verricht gedurende de met het verlof overeenkomende tijd niet te boven.

3. Indien de betrokkene er naar het oordeel van het bevoegd gezag niet in slaagt achteraf aannemelijk te maken dat er daadwerkelijk sprake is van een situatie als bedoeld in het eerste lid, onder v, kan het op het verlof betrekking hebbende salaris in mindering worden gebracht op het salaris, dan wel kan het verlof bij een betrokkene in de zin van hoofdstuk I-S, in mindering worden gebracht op het vakantieverlof.

Artikel I-C29a

Het bevoegd gezag verleent de betrokkene gedurende een door Onze minister te bepalen aantal dagen of uren kort buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging indien deze met toestemming van het bevoegd gezag deelneemt aan een door Onze Minister aan te wijzen nascholingscursus en voor zover zijn werkzaamheden daarmee samenvallen.

Artikel I-C30

In andere dan in artikel I-C29, eerste en tweede lid, bedoelde gevallen kan het bevoegd gezag de betrokkene bovendien kort buitengewoon verlof verlenen voor ten hoogste vier dagen per jaar, al dan niet met behoud van bezoldiging.

Artikel I-C31

1. Het bevoegd gezag kan aan een betrokkene op diens verzoek uit het geheel of een deel van zijn werkzaamheden lang buitengewoon verlof verlenen. Indien dit verlof wordt verleend is het bepaalde in één van de artikelen I-C32, I-C33 of I-C34 van toepassing, al naar gelang het betreft verlof uitsluitend in het persoonlijk belang, mede in het algemeen belang, dan wel overwegend in het algemeen belang.

2. Het verlof gaat niet eerder in dan nadat de betrokkene zich schriftelijk akkoord heeft verklaard met de voorwaarden waaronder het verlof wordt verleend.

3. De voorwaarden bevatten in ieder geval een regeling met betrekking tot de betaling van door de betrokkene aan het bevoegd gezag verschuldigde premiebijdragen ter zake van pensioenen, vervroegde uittreding en sociale verzekeringen, volgens bij of krachtens dit besluit nader te stellen regels.

4. Het verlof strekt zich naar evenredigheid geheel of gedeeltelijk uit over de schoolvakantie dan wel wordt het vakantieverlof naar evenredigheid verminderd.

5. Op verzoek van de betrokkene kan het bevoegd gezag in geval van samenloop met andere vormen van verlof, niet zijnde vakantieverlof en in andere daarvoor in aanmerking komende gevallen het verleende verlof opschorten dan wel intrekken en op een ander tijdstip opnieuw verlenen.

6. De voorschriften in dit artikel zijn niet van toepassing, indien met medewerking van alle betrokkenen het beoogde doel door een omzetting van dienst is te bereiken.

Artikel I-C32

Het verlof, bedoeld in artikel I-C31, dat uitsluitend strekt in het persoonlijk belang van de betrokkene, kan voor ten hoogste 6 maanden worden verleend en kan ten hoogste tweemaal voor ten hoogste 6 maanden worden verlengd. Dit verlof wordt verleend zonder behoud van bezoldiging.

Artikel I-C33

Het verlof, bedoeld in artikel I-C31, dat:

a. a. is aan te merken als studieverlof, dan wel, b. b. ten doel heeft de betrokkene in de gelegenheid te stellen een andere functie te vervullen,

en dat naar het oordeel van Onze minister mede het algemeen belang dient, kan, onverminderd het bepaalde in de artikelen I-C34 en I-C35, voor ten hoogste 1 jaar worden verleend en kan ten hoogste tweemaal voor ten hoogste 1 jaar worden verlengd. Dit verlof wordt in beginsel verleend zonder behoud van bezoldiging.

Artikel I-C34

1.

Het verlof, bedoeld in artikel I-C31, dat ten doel heeft de betrokkene in de gelegenheid te stellen anders dan in vaste dienst een functie te vervullen:

a. a. in dienst van een volkenrechtelijke organisatie, b. b. ten behoeve van de Nederlandse Antillen of Aruba, c. c. als deskundige ten behoeve van een vreemde mogendheid, d. d. in het kader van internationale hulpverlening aan ontwikkelingslanden, kan, indien Onze minister heeft verklaard, dat met de verlofverlening het algemeen belang in overwegende mate wordt gediend, voor ten hoogste drie jaren worden verleend en kan ten hoogste tweemaal voor ten hoogste 1 jaar worden verlengd. Dit verlof wordt in beginsel verleend zonder behoud van bezoldiging.

2. Verlof verleend voor de vervulling van functies aan een instelling van onderwijs, door de regering van het ontvangende land in stand gehouden dan wel erkend, wordt in ieder geval geacht in overwegende mate het algemeen belang te dienen.

Artikel I-C35

1.

De betrokkene die:

a. a. het lidmaatschap van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, b. b. de functie van lid van Gedeputeerde Staten van een provincie, c. c. de functie van substituut-ombudsman,

aanvaardt, geniet van rechtswege lang buitengewoon verlof, zonder behoud van bezoldiging.

2. Aan de betrokkene die de functie van wethouder van een gemeente aanvaardt, verleent het bevoegd gezag op zijn verzoek voor het geheel of een deel van zijn werkzaamheden lang buitengewoon verlof zonder behoud van bezoldiging. Voor zover de uitoefening van de taak bij de instelling wordt geschaad, kan dit verlof door het bevoegd gezag onder goedkeuring van Onze minister ook eigener beweging worden verleend, mits de betrokkene te voren is gehoord.

3. Tijdens dit verlof heeft de betrokkene zo nodig aanspraak op een nonactiviteitswedde op de voet van het daaromtrent in de Wet Incompatibiliteiten Staten-Generaal en Europees Parlement ten aanzien van de leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal bepaalde.

Artikel I-C36

1. Indien de betrokkene na afloop van een hem verleend lang buitengewoon verlof, als bedoeld in de artikelen I-C31 tot en met I-C35, als gevolg van beperking van de formatieomvang van de instelling zijn werkzaamheden, mede gezien de afvloeiingsregeling, geheel of gedeeltelijk niet kan hervatten, vormt zulks een grond voor ontslag, respectievelijk vermindering van de taakomvang.

2. De betrokkene die na afloop van een hem verleend lang buitengewoon verlof zijn werkzaamheden niet te bestemder tijd hervat, wordt voor de toepassing van dit besluit geacht te zijn ontslagen.

3. Het tweede lid is niet van toepassing indien de betrokkene binnen een redelijke termijn aannemelijk maakt dat hij geldige redenen had zijn dienst niet te hervatten, in welk geval het verlof geacht wordt te zijn verlengd tot het tijdstip, waarop bedoelde redenen hebben opgehouden te bestaan.

Artikel I-C37

Het bevoegd gezag verleent aan de vrouwelijke betrokkene die een borstkind heeft en die hiervan aan hem kennis heeft gegeven behoorlijke gelegenheid haar kind te zogen.

Artikel I-C38

1.

Het bevoegd gezag verleent de betrokkene, indien daartoe volgens door Onze minister te geven nadere regels aanleiding bestaat, desgevraagd kort of lang buitengewoon verlof uit het geheel of een deel van zijn werkzaamheden voor:

a. a. het verrichten van werkzaamheden van rechtspositionele aard in of ten behoeve van commissies voor georganiseerd overleg als bedoeld in onderscheidenlijk de hoofdstukken IV-C, IV-E en IV-F van dit besluit en het Overlegbesluit onderwijspersoneel; b. b. het verrichten van werkzaamheden ten behoeve van een in de Raad voor het Overheidspersoneelsbeleid vertegenwoordigde centrale van verenigingen van ambtenaren of een bij zon centrale aangesloten vereniging waarvan hij lid is; c. c. het op uitnodiging van een Centrale of vereniging als bedoeld onder b, als cursist deelnemen aan een cursus voor ten hoogste 6 dagen per twee schooljaren, voor zover omzetting van de dienst niet mogelijk is.

2.

Het bevoegd gezag verleent de betrokkene, indien daartoe volgens door Onze minister te geven nadere regels aanleiding bestaat, desgevraagd kort of lang buitengewoon verlof uit het geheel of een deel van zijn werkzaamheden voor:

a. a. het verrichten van werkzaamheden van onderwijskundige aard in of ten behoeve van de Centrale Commissie voor Onderwijsoverleg, dan wel één van de onder de Centrale Commissie voor Onderwijsoverleg ressorterende commissies voor onderwijsoverleg; b. b. het verrichten van werkzaamheden ten behoeve van door Onze minister aan te wijzen adviescommissies.

3. Het verlof, bedoeld in het eerste of het tweede lid, wordt verleend met behoud van bezoldiging. Omtrent de wijze waarop dit verlof wordt aangevraagd, de maximumduur en de omvang, alsmede de overige voorwaarden en gevolgen van dit verlof, geeft Onze minister nadere regels.

4. In afwijking van het bepaalde in het derde lid wordt het verlof, bedoeld in het eerste lid, dat met name ten doel heeft de betrokkene in staat te stellen de functie van bezoldigd bestuurder van een onder b van dat lid bedoelde Centrale of vereniging te vervullen, voor ten hoogste twee jaren en zonder behoud van bezoldiging verleend.

5. Indien op grond van het eerste of het tweede lid lang buitengewoon verlof wordt verleend, is ten aanzien van de afloop daarvan het bepaalde in artikel I-C36 van overeenkomstige toepassing.

Artikel I-C39

1. Het bevoegd gezag verleent de betrokkene desgevraagd buitengewoon verlof in verband met ouderschap. Het ouderschapsverlof wordt zonder behoud van bezoldiging verleend en wordt uitsluitend verleend aan de betrokkene van wie het dienstverband in het onderwijs ten minste twaalf maanden heeft geduurd op de ingangsdatum van het verlof. De aanvraag gaat vergezeld van bewijsstukken waarmee het recht op verlof en de omvang van dat recht worden aangetoond en wordt afgehandeld uiterlijk 4 weken nadat deze door het bevoegd gezag is ontvangen.

2. Een betrokkene die als ouder in familierechtelijke betrekking staat totéé n kind heeft recht op 995 uur ouderschapsverlof. Indien een betrokkene als ouder tegelijkertijd tot meer dan één kind in een familierechtelijke betrekking staat, bestaat er ten aanzien van elk ander kind dan het eerste kind recht op 415 uur ouderschapsverlof.

3. Een betrokkene die blijkens een verklaring uit de gemeentelijke basisadministratie op hetzelfde adres woont als één kind en met het oog op adoptie de verzorging en opvoeding van dat kind op zich heeft genomen, heeft recht op 995 uur ouderschapsverlof. Indien een betrokkene tegelijkertijd de verzorging en opvoeding van meer dan één kind op zich heeft genomen, bestaat er ten aanzien van elk ander kind recht op 415 uur ouderschapsverlof.

4. Een betrokkene die blijkens een verklaring uit de gemeentelijke basisadministratie op hetzelfde adres woont als één of meer kinderen en duurzaam de verzorging en opvoeding van dat kind of die kinderen als eigen kind of kinderen op zich heeft genomen, heeft recht op 995 uur ouderschapsverlof.

5. Voor de betrokkene die is benoemd in een betrekking met een omvang die afwijkt van een normbetrekking wordt het ouderschapsverlof naar evenredigheid van de werktijdfactor berekend en rekenkundig afgerond op hele uren.

6. Geen recht op ouderschapsverlof bestaat na de datum waarop een kind de leeftijd van acht jaren heeft bereikt.

7. Het ouderschapsverlof wordt opgenomen gedurende een aaneengesloten periode van ten hoogste één jaar. In afwijking van de vorige volzin kan een betrokkene het bevoegd gezag vragen het ouderschapsverlof te kunnen opnemen over een langere periode dan één jaar. Het bevoegd gezag stemt in met het verzoek tenzij gewichtige redenen zich daartegen verzetten.

8. Voor een betrokkene, bedoeld in het tweede dan wel derde lid, geldt het zevende lid telkens per kind.

9. Een betrokkene vraagt het ouderschapsverlof schriftelijk aan, ten minste acht weken voor het gewenste tijdstip van ingang van het verlof en onder opgave van de periode, het aantal verlofuren per week en de spreiding daarvan over de week. Zodra dat mogelijk is, deelt de betrokkene ook de naam en geboortedatum mee van het kind of de kinderen waarvoor ouderschapsverlof wordt gevraagd. De betrokkene kan de tijdstippen van ingang en einde van het ouderschapsverlof afhankelijk stellen van de datum van bevalling, van het einde van het bevallingsverlof of van de aanvang van de verzorging.

10. Het bevoegd gezag kan, na overleg met de betrokkene, de spreiding van de verlofuren over de week op grond van gewichtige redenen wijzigen, tot vier weken voor het beoogde tijdstip van ingang van het ouderschapsverlof.

11. Het bevoegd gezag stemt in met een verzoek van de betrokkene om het ouderschapsverlof niet op te nemen of niet voort te zetten op grond van onvoorziene omstandigheden, tenzij gewichtige redenen zich hiertegen verzetten. Het bevoegd gezag beslist uiterlijk vier weken nadat het verzoek is gedaan, in voorkomend geval onder opgave van de gewichtige redenen. In het geval dat het ouderschapsverlof met toepassing van de eerste volzin na het tijdstip van ingang daarvan niet wordt voortgezet, vervalt het recht op het overige deel van dat verlof tenzij het verlof wegens ziekte van de betrokkene op zijn verzoek wordt opgeschort.

Artikel I-C40

Vervallen

Paragraaf 7. Verlof in verband met arbeidsduurverkorting

Artikel I-C41

1. Voor de betrokkene die is benoemd in een normbetrekking geldt op jaarbasis een arbeidsduur van 1710 uren respectievelijk 1790 uren, waarbij aanspraak bestaat op 51 uren respectievelijk 131 uren verlof.

2. Voor de betrokkene die is benoemd in een betrekking met een omvang van minder dan een normbetrekking wordt het verlof, bedoeld in het eerste lid, naar evenredigheid van de werktijdfactor berekend en rekenkundig afgerond op hele uren.

3. Het verlof, bedoeld in het eerste lid, wordt in gehele werkdagen opgenomen, met dien verstande dat een restant dat kleiner is dan een gehele werkdag voor een gedeelte van een werkdag wordt genoten. Tenzij het dienstbelang zich daartegen verzet, kan het verlof op verzoek van betrokkene anders dan in gehele werkdagen worden verleend.

4. Teneinde voor een betrokkene als bedoeld in hoofdstuk I-Q, hoofdstuk I-R, artikel I-S203 en artikel I-S303, het verbruik van het verlof, bedoeld in het eerste en tweede lid, te berekenen, wordt de in het eerste en het tweede lid bedoelde verlofaanspraak uitgedrukt in lesgevende taken, lesgebonden taken of behandeltaken en wel door de in het eerste lid bedoelde verlofaanspraak bij een arbeidsduur op jaarbasis van 1710 uren vast te stellen op 31 uren en bij een arbeidsduur op jaarbasis van 1790 uren op 80 uren. Vervolgens wordt voor elk dagdeel dat een betrokkene als bedoeld in hoofdstuk I-Q, hoofdstuk I-R, artikel I-S203 en artikel I-S303, verlof geniet op grond van dit artikel, de verlofaanspraak van betrokkene verminderd met het aantal uren dat op de betreffende dagdelen in de vier hoogste groepen wordt lesgegeven.

5. Na verkregen instemming van het decentraal georganiseerd overleg kunnen van het vierde lid afwijkende afspraken worden gemaakt.

6. Het bevoegd gezag en betrokkene maken afspraken over het tijdstip waarop het verlof, bedoeld in dit artikel, wordt opgenomen. Indien geen overeenstemming wordt bereikt over het tijdstip van opnemen van het verlof, beslist het bevoegd gezag. Voor de betrokkene die is benoemd in een functie als bedoeld in hoofdstuk I-S met uitzondering van een functie als bedoeld in artikel I-S203 of artikel I-S303 geldt dat 51 uur van het verlof op grond van dit artikel op verzoek van betrokkene buiten de schoolvakanties wordt verleend en wordt vermeld in de werktijdenregeling, bedoeld in artikel I-S105, tweede lid.

7. Onder door Onze minister te stellen voorwaarden kan het verlof, bedoeld in dit artikel, worden opgenomen in een later schooljaar.

Artikel I-C42

1. Tot een nader door Onze Minister te bepalen datum kan aan de betrokkene behorend tot het onderwijsgevend personeel die op zijn verzoek geen gebruik maakt van de voor hem geldende arbeidsduurverkorting door een verlaging van de normbetrekking met ingang van 1 augustus 1991, na een periode van minimaal 4 jaar en maximaal 8 jaar verlof worden verleend, waarvan de tijdsduur overeenkomt met de tijd van de niet genoten arbeidsduurverkorting.

2. Het in het eerste lid bedoelde verlof wordt vermeerderd met extra verlof waarvan de tijdsduur overeenkomt met een percentage van de niet genoten arbeidsduurverkorting.

3. Onze Minister geeft nadere voorschriften voor de toepassing van het in dit artikel bedoelde verlof.

Hoofdstuk I-D. Verlof wegens militaire dienst

Artikel I-D1

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

a. a. burgerlijke beloning: de bezoldiging, bedoeld in artikel I-A1, onder j; b. b. militaire beloning: hetgeen als zodanig door Onze Ministers van Defensie en Financiën is aangemerkt.

Artikel I-D2

1. De betrokkene die ingevolge wettelijke verplichting op grond van de Kaderwet dienstplicht als militair in werkelijke dienst is, geniet van rechtswege verlof.

2. Hij behoudt tijdens dit verlof zijn burgerlijke beloning, voor zover de bepalingen van dit hoofdstuk hem daarop aanspraak geven.

3. Op de betrokkene die is benoemd in tijdelijke dienst, zijn de bepalingen van dit hoofdstuk slechts van toepassing, zolang hij aan de instelling is verbonden.

4.

Op de betrokkene, die is benoemd in één of meer betrekkingen die elk voor zich kleiner zijn dan de omvang van een normbetrekking, zijn de voorschriften in de artikelen I-D3 en I-D7 van toepassing naar evenredigheid van:

a. a. de omvang van de betrekking die kleiner is dan de omvang van een normbetrekking ten opzichte van de totale omvang van de betrekkingen; b. b. - ingeval de totale omvang van de betrekkingen kleiner is dan een normbetrekking - die omvang van de betrekking die kleiner is dan de omvang van een normbetrekking ten opzichte van de normbetrekking.

Artikel I-D3

De betrokkene die ingevolge wettelijke verplichting voor opleiding en oefening als militair in werkelijke dienst is, geniet de aan zijn betrekking verbonden burgerlijke beloning tot een bedrag, gelijk aan het op hem te verhalen gedeelte van de pensioenbijdrage en de Vut-bijdrage ingevolge de regels van het bestuur VUT-fonds met betrekking tot financiering VUT-aanspraken.

Artikel I-D4

1. De belanghebbende die voor een herhalingsoefening als militair in werkelijke dienst is, geniet de aan zijn betrekking verbonden burgerlijke beloning, voor zover deze meer bedraagt dan zijn militaire beloning.

2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt de militaire beloning verminderd met een eventueel bedrag wegens genot van voeding en huisvesting.

3.

Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden met herhalingsoefening gelijkgesteld:

a. a. het in dienst komen dan wel het in aansluiting aan een herhalingsoefening langer in dienst blijven voor een onderzoek omtrent een strafbaar feit of een krijgstuchtelijk vergrijp, waarvan de militair wordt verdacht of beklaagd; b. b. het in dienst komen dan wel het in aansluiting aan een herhalingsoefening langer in dienst blijven teneinde rekening en verantwoording af te leggen van gevoerd beheer; c. c. het in dienst komen om gehoord te worden omtrent een bij de Kroon of bij Onze Minister van Defensie ingediend bezwaarschrift; d. d. het in aansluiting aan een herhalingsoefening langer in dienst blijven wegens:

        1.
        ziekte; 
      
      
        2.
        net niet tijdig bereiken van de vereiste graad van geoefendheid als gevolg van ziekte; 
      
      
        3.
        het heersen of geheerst hebben van een besmettelijke ziekte;
    1.   ziekte;
      
    1.   net niet tijdig bereiken van de vereiste graad van geoefendheid als gevolg van ziekte;
      
    1.   het heersen of geheerst hebben van een besmettelijke ziekte;
      

e. e. hetgeen voorts door Onze Minister van Defensie als zodanig is aangemerkt.

Artikel I-D5

1. Gedurende 2 weken na zijn opkomst in werkelijke dienst geniet de betrokkene de volle aan zijn betrekking verbonden burgerlijke beloning indien hij bij zijn opkomst in werkelijke dienst anders dan voor herhalingsoefening de eerste 12 maanden van de opleiding en oefening of zoveel korter als deze opleiding en oefening duurt reeds in werkelijke dienst heeft doorgebracht.

2. Na afloop van de in het eerste lid bedoelde termijn is het bepaalde in artikel I-D3, van toepassing.

Artikel I-D6

Voor zover de werkelijke dienst, niet zijnde de opleiding en oefening, wordt vervuld tijdens zijn vakantieverlof, geniet de betrokkene de volle aan zijn betrekking verbonden burgerlijke beloning.

Artikel I-D7

1.

Het bepaalde in dit hoofdstuk is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de betrokkene die:

a. a. is te werk gesteld in de zin van artikel 9 van de Wet gewetensbezwaren militaire dienst (Stb. 1962, 370); b. b. op grond van een verbintenis bij het Korps Nationale Reserve in werkelijke dienst is; c. c. op grond van een verbintenis bij het reservepersoneel der krijgsmacht als militair in werkelijke dienst is; d. d. op grond van een verbintenis als vrijwilliger in de zin van artikel 2, eerste lid onder a of b, van de Rechtstoestandregeling reserve-politie (Stb. 1964, 473) of van een overeenkomstige verbintenis als bedoeld in de artikelen 53 en 54 van die regeling in werkelijke dienst is; e. e. op grond van een tijdelijke verbintenis als legeraalmoezenier, legerpredikant of anderszins als geestelijk verzorger in werkelijke dienst is; f. f. op grond van een verbintenis als monumentenwachter in de zin van het Besluit Monumentenwacht (Stb. 1964, 477) in werkelijke dienst is; g. g. op grond van een andere bijzondere verbintenis in werkelijke of daarmee gelijk te stellen dienst is, indien dit bij koninklijk besluit is bepaald.

2. De betrokkenen, bedoeld in het eerste lid onder d en e, worden gelijkgesteld met de betrokkene, die voor een herhalingsoefening als militair in werkelijke dienst is.

Hoofdstuk I-E. Verlof en aanspraken wegens ziekte

Artikel I-E1

Vervallen

Artikel I-E1a

Vervallen

Artikel I-E2

Vervallen

Artikel I-E3

Vervallen

Artikel I-E4

Vervallen

Artikel I-E5

Vervallen

Artikel I-E6

Vervallen

Artikel I-E7

Vervallen

Artikel I-E8

Vervallen

Artikel I-E9

Vervallen

Artikel I-E10

Vervallen

Artikel I-E11

Vervallen

Artikel I-E12

Vervallen

Artikel I-E13

Vervallen

Artikel I-E14

Vervallen

Artikel I-E14a

Vervallen

Artikel I-E15

Vervallen

Artikel I-E16

Vervallen

Artikel I-E17

Vervallen

Artikel I-E18

Vervallen

Artikel I-E19

Vervallen

Artikel I-E20

Vervallen

Artikel I-E21

Vervallen

Artikel I-E22

Vervallen

Artikel I-E23

Vervallen

Artikel I-E24

Vervallen

Artikel I-E25

Vervallen

Artikel I-E26

Vervallen

Hoofdstuk I-F. Rechten van nabestaanden bij overlijden

Artikel I-F1

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

a. a. overledene: hij, die op de dag van zijn overlijden betrokkene was. b. b. uitkeringsbasis:

      1.
      in het geval, bedoeld onder *a*1:
      de tot een maandbedrag herleide bezoldiging welke voor de betrokkene gold op de dag van overlijden, vermeerderd met het bedrag van de vakantie-uitkering over de desbetreffende maand, met dien verstande dat de overledene die werkzaam was aan een instelling voor voortgezet onderwijs met een cursusduur van minder dan 12 maanden, voor de toepassing van dit hoofdstuk geacht wordt zijn totale jaarlijkse bezoldiging te hebben ontvangen in 12 gelijke maandelijkse termijnen;
    1. in het geval, bedoeld onder *a*1:
      de tot een maandbedrag herleide bezoldiging welke voor de betrokkene gold op de dag van overlijden, vermeerderd met het bedrag van de vakantie-uitkering over de desbetreffende maand, met dien verstande dat de overledene die werkzaam was aan een instelling voor voortgezet onderwijs met een cursusduur van minder dan 12 maanden, voor de toepassing van dit hoofdstuk geacht wordt zijn totale jaarlijkse bezoldiging te hebben ontvangen in 12 gelijke maandelijkse termijnen;
      

c. c. bevoegd gezag: voor wat betreft:

      1.
      een betrokkene als bedoeld onder *a*1: het bevoegd gezag, bedoeld in artikel I-A1, onder *f*; 
    
    
      2.
      een gewezen betrokkene als bedoeld onder *a*2 en *a*3: Onze minister.
    1. een betrokkene als bedoeld onder *a*1: het bevoegd gezag, bedoeld in artikel I-A1, onder *f*;
      
    1. een gewezen betrokkene als bedoeld onder *a*2 en *a*3: Onze minister.
      

Artikel I-F2

1.

In aanmerking voor een uitkering bij overlijden komen in navolgende rangorde:

a. a. de weduwe of weduwnaar, van wie de overledene niet duurzaam gescheiden leefde; b. b. de minderjarige kinderen van de overledene; c. c. de meerderjarige kinderen, ouders, broers of zusters voor wie de overledene kostwinner was.

2. Onder kinderen in de zin van het eerste lid worden mede begrepen natuurlijke kinderen en kinderen voor wie de overledene de pleegouderlijke zorg droeg. Onder pleegouderlijke zorg wordt verstaan de zorg voor het onderhoud en de opvoeding van het kind als was het een eigen kind, onafhankelijk van enige verplichting daartoe of van het genieten van een vergoeding daarvoor.

Artikel I-F3

1. De uitkering bij overlijden is gelijk aan het bedrag dat gevormd wordt door de uitkeringsbasis met 3 te vermenigvuldigen.

2. Het bedrag, bedoeld in het eerste lid, wordt zo spoedig mogelijk, in ieder geval binnen een maand na het overlijden, door het bevoegd gezag uitgekeerd.

Artikel I-F4

1. Gedurende de maand van het overlijden en de volgende drie maanden behouden de achterblijvende gezinsleden het recht op het gebruik van de dienstwoning waarin zij met de overledene woonden.

2. Indien door de overledene voor het gebruik van de dienstwoning of voor het verbruik van verwarming, gas, elektriciteit en water een vergoeding verschuldigd was, voldoen de achtergebleven gezinsleden deze over de tijd, gedurende welke zij het gebruik van de dienstwoning behouden.

Artikel I-F5

1. Indien de nabestaanden, bedoeld in artikel I-F2, aanspraak hebben op een overlijdensuitkering als bedoeld in artikel 1639l, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek, wordt de uitkering bij overlijden bedoeld in dit hoofdstuk slechts uitbetaald, voor zover deze de eerstgenoemde uitkering te boven gaat.

2. In geval van overlijden als militair in werkelijke dienst wordt de uitkering bij overlijden verminderd met het bedrag van de overeenkomstige uitkering, die uit hoofde van militaire dienst ter zake wordt gedaan.

3. In geval van overlijden als gewezen betrokkene, bedoeld in artikel I-F1, onder a3, wordt de uitkering bij overlijden verminderd met het bedrag van de uitkering waarop de nabestaanden van de gewezen betrokkene ter zake van diens overlijden aanspraak kunnen maken krachtens artikel Q6 van de pensioenwet dan wel krachtens enige wettelijk voorgeschreven verzekering wegens ziekte of arbeidsongeschiktheid.

Artikel I-F6

Op de ingevole de voorgaande artikelen berekende uitkering bij overlijden wordt de reeds vóór zijn overlijden aan de betrokkene uitbetaalde bezoldiging over een na zijn overlijden gelegen tijdvak, in mindering gebracht.

Artikel I-F7

Indien de overledene geen nabestaanden als bedoeld in artikel I-F2 nalaat, kan het bedrag, bedoeld in artikel I-F3, door het bevoegd gezag geheel of gedeeltelijk worden uitgekeerd voor de betaling van de kosten van de laatste ziekte en van de lijkbezorging, voor zover de nalatenschap voor de betaling van die kosten ontoereikend is.

Hoofdstuk I-G. Afvloeiingsregeling

Artikel I-G1

Ontslag op grond van opheffing van de instelling of de betrekking dan wel wegens zodanige verandering in de inrichting of de dienst van de instelling dat de werkzaamheden van een of meer betrokkenen overbodig worden, geschiedt aan de hand van een afvloeiingsregeling.

Artikel I-G2

1. Het bevoegd gezag stelt zo spoedig mogelijk, doch in ieder geval binnen drie maanden na de datum waarop dit besluit voor de instelling van toepassing is geworden, een afvloeiingsregeling vast voor het personeel in vaste dienst, waarin de belangen van de instelling en van de betrokkenen zoveel mogelijk gelijkelijk in acht worden genomen. Het bevoegd gezag kan deze taak overdragen aan de vereniging van instellingsbesturen waarbij de instelling is aangesloten.

2. De regeling wordt niet vastgesteld dan nadat met verenigingen als bedoeld in artikel 64 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 66 van de Wet op de expertisecentra, artikel 184 van de Wet op het voortgezet onderwijs”“onderwijs”” moet zijn “onderwijs,”. artikel 2.51 en 2.59 van de Wet op het cursorisch beroepsonderwijs, artikel 20 van het Besluit vormingswerk voor jeugdigen, artikel 61 van de Wet op de onderwijsverzorging of artikel 9 van de Kaderwet volwasseneneducatie dan wel verenigingen van het aan de instellingen, bedoeld in artikel I-A1, onder d6 en d7, verbonden personeel, voor zover deze hun werkzaamheden uitstrekken over het aan zodanige instellingen verbonden personeel, overleg is gepleegd.

3. Bij samenvoeging stelt het bevoegd gezag een afvloeiingsregeling vast met inachtneming van het bepaalde in het eerste en tweede lid. Van de in de eerste volzin bedoelde afvloeiingsregeling dient een overgangsregeling deel uit te maken. In de overgangsregeling is vastgelegd op welke wijze op het moment van samenvoeging de afvloeiingsvolgorden, zoals vastgesteld aan de bij de samenvoeging betrokken scholen tot één volgorde worden gemaakt.

4. Bij omzetting van een benoeming in een bestuursbenoeming stelt het bevoegd gezag een afvloeiingsregeling vast met inachtneming van het bepaalde in het eerste en tweede lid. Van de in de eerste volzin bedoelde afvloeiingsregeling dient een overgangsregeling deel uit te maken. In de overgangsregeling wordt een voorziening geboden voor het reeds aan de instelling benoemde personeel dat geen omzetting van de benoeming wenst.

5. Ter vermijding van kennelijke onbillijkheid en wanneer het belang van de instelling dit kennelijk vereist, kan bij de verlening van ontslag van de vastgestelde afvloeiingsregeling worden afgeweken, met dien verstande, dat indien de omvang van de voorgenomen afvloeiing daartoe aanleiding geeft, deze geschiedt naar een bepaald vooraf vastgesteld en aan de betrokkenen kenbaar gemaakt plan.

Artikel I-G3

Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat de regeling steeds op een voor de betrokkenen toegankelijke plaats ter inzage in de instelling beschikbaar is.

Hoofdstuk I-H. Uitkeringen bij ontslag

Artikel I-H1

Vervallen

Artikel I-H2

Vervallen

Artikel I-H2a

Vervallen

Artikel I-H3

Vervallen

Artikel I-H3a

Vervallen

Artikel I-H4

Vervallen

Artikel I-H4a

Vervallen

Artikel I-H5

Vervallen

Artikel I-H6

Vervallen

Artikel I-H7

Vervallen

Artikel I-H8

Vervallen

Artikel I-H9

Vervallen

Artikel I-H9a

Vervallen

Artikel I-H10

Vervallen

Artikel I-H11

Vervallen

Artikel I-H11a

Vervallen

Artikel I-H12

Vervallen

Artikel I-H13

Vervallen

Artikel I-H14

Vervallen

Artikel I-H15

Vervallen

Artikel I-H16

Vervallen

Artikel I-H17

Vervallen

Artikel I-H18

Vervallen

Artikel I-H19

Vervallen

Artikel I-H20

Vervallen

Artikel I-H21

Vervallen

Artikel I-H22

Vervallen

Artikel I-H23

Vervallen

Artikel I-H24

Vervallen

Artikel I-H25

Vervallen

Artikel I-H26

Vervallen

Artikel I-H27

Vervallen

Hoofdstuk I-J. Verplaatsingskosten

Artikel I-J1

1.

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

a. a. betrokkene: de betrokkene bedoeld in artikel I-A1 onder* e*1, e2, e4, e5, e6, e7, e10, e12 tot en met e18; b. b. instelling: de instelling, bedoeld in artikel I-A1, onder d1, d2, d4, d5, d6, d7, d10, d12 tot en met d18; c. c. hoofdinstelling: indien de betrokkene werkzaam is aan:

        -
        één instelling: de desbetreffende instelling; 
      
      
        -
        twee of meer instellingen: de instelling waaraan hij de meeste tijd werkzaam is; 
      
      
        -
        twee of meer instellingen waaraan hij dezelfde tijd werkzaam is: de instelling met de kleinste afstand tot de woning van betrokkene.
    •     één instelling: de desbetreffende instelling;
      
    •     twee of meer instellingen: de instelling waaraan hij de meeste tijd werkzaam is;
      
    •     twee of meer instellingen waaraan hij dezelfde tijd werkzaam is: de instelling met de kleinste afstand tot de woning van betrokkene.
      

d. d. standplaats: de gemeente of het met name bekende afzonderlijk liggend deel van die gemeente, waarin door belanghebbende voor de hoofdinstelling de meeste werkzaamheden worden verricht. Indien door belanghebbende voor de hoofdinstelling in verschillende gemeenten evenveel werkzaamheden worden verricht: de gemeente of het met name bekende afzonderlijk liggend deel van die gemeente, met de kleinste afstand tot de woning van belanghebbende; e. e. standplaatsbetrekking: een betrekking of een combinatie van betrekkingen met een omvang van tenminste het 6/10 deel van de normbetrekking; f. f. gebouw: de plaats waar de belanghebbende zijn werkzaamheden verricht; g. g. plaats van tewerkstelling: het gebouw van de hoofdinstelling in de standplaats waar belanghebbende werkzaam is. Wanneer in de standplaats binnen de hoofdinstelling sprake is van meerdere gebouwen is de plaats van tewerkstelling het gebouw waar belanghebbende de meeste werkzaamheden verricht. Wanneer in de standplaats binnen de hoofdinstelling sprake is van meerdere gebouwen, waar door belanghebbende evenveel werkzaamheden worden verricht, wordt het gebouw met de kleinste afstand tot de woning van belanghebbende als plaats van tewerkstelling aangemerkt. Indien de uitoefening van de functie van belanghebbende aan de hoofdinstelling zich uitstrekt over een meer of minder omvangrijk geografisch gebied (rayon of regio): de door het bevoegde gezag aangewezen plaats; h. h. woonplaats: de gemeente of het met name bekende afzonderlijk liggend deel van die gemeente, waar de belanghebbende metterwoon is gevestigd; i. i. zone: de eenheid waarin het bus- en tramlijnennet is verdeeld en die de basis vormt van de strippenkaart in het stad- en streekvervoer; j. j. jaarbezoldiging: de bezoldiging of de som van de bezoldigingen in de maand van verhuizen, tot ten hoogste de bezoldiging verbonden aan een normbetrekking vermeerderd met het percentage van de vakantieuitkering met inachtneming van het minimumbedrag, in voorkomende gevallen verhoogd met:

        1.
        een eventueel in die maand genoten uitkering als bedoeld in het Besluit werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel, alsmede de daarmede overeenkomende uitkeringsregelingen, als door Onze minister aan te geven; 
      
      
        2.
        een eventueel in die maand genoten uitkering krachtens dan wel overeenkomstig de Regeling uitkering wegens functioneel leeftijdsontslag of de Uitkeringswet gewezen militairen, zoals deze uitkering is of zou zijn vastgesteld indien de leeftijd van 50 jaar nog niet is of zou zijn bereikt; een en ander herleid tot een jaarbedrag;
    1.   een eventueel in die maand genoten uitkering als bedoeld in het Besluit werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel, alsmede de daarmede overeenkomende uitkeringsregelingen, als door Onze minister aan te geven;
      
    1.   een eventueel in die maand genoten uitkering krachtens dan wel overeenkomstig de Regeling uitkering wegens functioneel leeftijdsontslag of de Uitkeringswet gewezen militairen, zoals deze uitkering is of zou zijn vastgesteld indien de leeftijd van 50 jaar nog niet is of zou zijn bereikt; een en ander herleid tot een jaarbedrag;
      

k. k. gezamenlijke jaarbezoldiging: de jaarbezoldiging vermeerderd met de inkomsten onder welke benaming dan ook genoten, door de echtgenoot die geen belanghebbende is; l. l. berekeningstijdstip

        1e.
        de datum waarop de belanghebbende verhuist;
      
      
        2e.
        indien de belanghebbende verhuist voor de datum dat de functie feitelijk wordt vervuld, de datum van ingang van het werkzaam zijn in een standplaatsbetrekking;

1e. 1e. de datum waarop de belanghebbende verhuist; 2e. 2e. indien de belanghebbende verhuist voor de datum dat de functie feitelijk wordt vervuld, de datum van ingang van het werkzaam zijn in een standplaatsbetrekking; m. m. voor het eerst in diensttreden: in dienst treden bij een instelling anders dan in geval van een overgang binnen een maand:

        1e.
        van de ene naar een andere instelling, 
      
      
        2e.
        van de overheid naar een instelling, terwijl de tijd gedurende welke een ontslaguitkering wordt genoten niet als een onderbreking tussen beide benoemingen wordt beschouwd;

1e. 1e. van de ene naar een andere instelling, 2e. 2e. van de overheid naar een instelling, terwijl de tijd gedurende welke een ontslaguitkering wordt genoten niet als een onderbreking tussen beide benoemingen wordt beschouwd; n. n. verplaatsing: verandering van de standplaats van de belanghebbende in opdracht van het bevoegd gezag; o. o. gezinsleden: de echtgeno(o)t(e) van de belanghebbende en de eigen kinderen, stief- en pleegkinderen die deel uitmaken van het gezin; p. p. dienstwoning: de door het bevoegd gezag aan de belanghebbende in verband met de uitoefening van de functie ter bewoning aangewezen woning, waarvoor van rijkswege een tegemoetkoming in de stichtingskosten of onderhoudskosten aan het bevoegd gezag is verleend; q. q. dienstreis: de reis, welke, anders dan bedoeld in artikel I-J9, in het belang van het onderwijs dan wel van de instelling en in opdracht van het bevoegd gezag in of buiten de standplaats wordt gemaakt;

Artikel I-J1a

Vervallen

Artikel I-J1b

Vervallen

Artikel I-J2

Voor het ontstaan van een standplaatsbetrekking blijven vervangingswerkzaamheden en werkzaamheden die voor een periode van drie of minder aaneengesloten schooljaren aan een belanghebbende zijn toegekend in het kader van contractactiviteiten, buiten beschouwing.

Artikel I-J3

1.

De belanghebbende, die is verhuisd en een woning heeft betrokken die gelegen is op of binnen een afstand van 5 zones van de plaats van tewerkstelling, wordt een tegemoetkoming in de verhuiskosten verleend indien:

a. a. hij is benoemd in een standplaatsbetrekking; b. b. hij voor tenminste één jaar is benoemd; c. c. hij op een afstand van 6 of meer zones woonde van de plaats van tewerkstelling; d. d. de reisafstand tussen de woonplaats en de plaats van tewerkstelling als gevolg van de verhuizing met tenminste 5 zones is bekort.

2. Een tegemoetkoming in de verhuiskosten wordt slechts éénmaal in de vijf jaar verleend, tenzij de verhuizing verband houdt met een verandering van betrekking die het gevolg is van een ontslag of van het vooruitzicht op ontslag, dat niet op eigen verzoek is verleend en niet aan schuld of toedoen van de belanghebbende is te wijten.

3. De tegemoetkoming in verhuiskosten wordt verleend onder de voorwaarde dat de belanghebbende vooraf schriftelijk heeft verklaard dat hij bekend is met de terugbetalingsverplichting bedoeld in artikel I-J8.

Artikel I-J4

1. De belanghebbende, die in opdracht van het bevoegd gezag, een dienstwoning betrekt of verlaat, wordt een tegemoetkoming in verhuiskosten verleend, tenzij het verlaten van de dienstwoning het gevolg is van een ontslag, dat op zijn verzoek anders dan wegens het bereiken of bereikt hebben van de pensioengerechtigde leeftijd, of anders dan met recht op uitkering voor vervroegd uittreden is verleend, of aan schuld of toedoen van de belanghebbende is te wijten.

2. Indien het verlaten van een dienstwoning verband houdt met het overlijden van de belanghebbende, wordt een tegemoetkoming in de verhuiskosten verleend aan de nagelaten gezinsleden.

Artikel I-J5

1.

De tegemoetkoming in verhuiskosten kan slechts bestaan uit:

a. a. Een tegemoetkoming in de kosten van transport van de bagage en van de inboedel van de belanghebbende en zijn gezinsleden naar de nieuwe woning, waaronder begrepen de kosten van het in- en uitpakken van breekbare zaken, en in de te maken reiskosten ter bezichtiging van woonruimte en in de eventuele opknapkosten aan de nieuwe woning en dubbele woonkosten, van in totaal een bedrag als aangegeven in de bijlage J1 onder 1, van dit besluit. b. b. een tegemoetkoming voor alle andere direct uit de verhuizing voortvloeiende kosten.

2. Indien de verhuizing door belanghebbende in eigen beheer wordt uitgevoerd, ontvangt belanghebbende slechts de helft van het in het eerste lid, onder a, bedoelde bedrag.

3. Het in het eerste lid, onder b, bedoelde bedrag wordt, afhankelijk van het aantal woon/slaapvertrekken dat de achter te laten woning telde, gesteld op een percentage van de jaarbezoldiging die de belanghebbende genoot op de dag waarop de nieuwe woning kon worden betrokken zoals aangegeven in de bijlage J1, onder 2, van dit besluit.

4. Voor de belanghebbende, die inwonend was bij de ouders is het laagst genoemde percentage zoals aangegeven in de bijlage J1, onder 2, van dit besluit van toepassing.

5. De belanghebbende, die een woning heeft betrokken op een reisafstand van meer dan 2 zones van de plaats van tewerkstelling, ontvangt slechts 80% van het bedrag van de in het eerste lid onder a en b bedoelde tegemoetkomingen.

6. De tegemoetkoming in de verhuiskosten voor de belanghebbende, die voor het eerst bij een instelling in dienst treedt en op enig tijdstip wordt benoemd in een standplaatsbetrekking, bedraagt in afwijking van het bepaalde in het eerste tot en met vijfde lid, de helft van de vergoeding waarop hij ingevolge die leden aanspraak zou hebben.

Artikel I-J6

1.

Bij een verhuizing van een gezin, waarvan beide echtgenoten terzake van de verhuizing aanspraak kunnen maken op een tegemoetkoming in de verhuiskosten op grond van dit hoofdstuk, ontvangt, met overeenkomstige toepassing van artikel I-J5, tweede tot en met zesde lid:

ieder van beiden de helft van de in artikel I-J5, eerste lid, onder a en b bedoelde vergoedingen.

De volgens artikel I-J5, derde lid, vast te stellen vergoeding wordt berekend over de gezamenlijke jaarbezoldiging.

2. Indien het betreft een verhuizing van een gezin waarvan een van de echtgenoten aanspraak kan maken op een tegemoetkoming in de verhuiskosten op grond van dit hoofdstuk en de andere echtgenoot uit anderen hoofde terzake van deze verhuizing aanspraak maakt op een tegemoetkoming, wordt de tegemoetkoming in verhuiskosten aan de belanghebbende slechts verleend voorzover deze de tegemoetkoming welke uit anderen hoofde wordt ontvangen te boven gaat.

3. De berekening van de tegemoetkoming voor de in het tweede lid bedoelde belanghebbende geschiedt door, met overeenkomstige toepassing van artikel I-J5, tweede tot en met zesde lid, het totaal van de tegemoetkomingen bedoeld in artikel I-J5, eerste lid, te verminderen met de tegemoetkoming die de echtgenoot uit andere hoofde ontvangt. De volgens artikel I-J5, derde lid, vast te stellen vergoeding wordt berekend over de gezamenlijke jaarbezoldiging.

Artikel I-J7

1. Aan de betrokkene wordt geen tegemoetkoming in de verhuiskosten voor een verhuizing verleend, indien de verhuizing niet heeft plaatsgevonden binnen drie jaar na de datum waarop betrokkene is benoemd in een standplaatsbetrekking doch binnen twee jaar na benoeming in vaste dienst in een standplaatsbetrekking.

2. Aan de belanghebbende wordt geen tegemoetkoming in de verhuiskosten voor een verhuizing in verband met een verplaatsing verleend, indien de verhuizing niet heeft plaatsgevonden binnen twee jaar na de datum van de verplaatsing.

Artikel I-J8

1. De betrokkene, aan wie een tegemoetkoming in de verhuiskosten wordt verleend, is, behoudens het tweede lid, gehouden de ontvangen tegemoetkoming terug te betalen indien zijn dienstverband op zijn verzoek of ten gevolge van aan hemzelf te wijten feiten of omstandigheden wordt beëindigd, tenzij deze beëindiging ingaat twee jaren of langer na de datum waarop de betrokkene in een standplaatsbetrekking is benoemd of is verplaatst en deze beëindiging heeft plaatsgevonden een jaar of langer na de datum van de verhuizing.

2. Geen terugbetalingsverplichting bestaat, indien de belanghebbende bedoeld in het eerste lid, ontslag neemt uit een standplaatsbetrekking teneinde aansluitend een zodanige betrekking aan een andere instelling te aanvaarden, mits de plaats van tewerkstelling binnen of op een afstand van 5 zones van zijn woonplaats is gelegen.

3.

De belanghebbende, die binnen twee jaar na de verhuizing, anders dan in verband met het beëindigen van het dienstverband bij de instelling waarvoor hem deze tegemoetkoming werd toegekend of wegens een verplaatsing van deze instelling, verhuist naar een woonplaats die verder weg is gelegen van de plaats van tewerkstelling, is gehouden de ontvangen tegemoetkoming in de verhuiskosten terug te betalen:

a. a. gedeeltelijk, indien hij zich in een woonplaats binnen of op een afstand van 5 zones van zijn plaats van tewerkstelling gevestigd heeft en wel voor zover de tegemoetkoming meer bedraagt dan de tegemoetkoming die hem zou zijn toegekend indien hij zich direct in deze woonplaats zou hebben gevestigd; b. b. geheel, indien hij zich in een woonplaats op een afstand van meer dan 5 zones van zijn plaats van tewerkstelling gevestigd heeft.

Artikel I-J9

1. Aan de belanghebbende wordt door het bevoegd gezag maandelijks, onverminderd het bepaalde in artikel I-J11, een tegemoetkoming in de reiskosten tussen de woning en het gebouw of de gebouwen verleend, indien de te reizen afstand tussen de woning en het gebouw of de gebouwen meer dan twee zones bedraagt.

2. De tegemoetkoming wordt per betrekking, en voor elk gebouw binnen de betrekking afzonderlijk, afhankelijk van de reisafstand in zones tussen de woning en het gebouw of de gebouwen en van het aantal dagen dat per week naar dit gebouw of deze gebouwen wordt gereisd, vastgesteld aan de hand van de in de bijlage J2 bij dit besluit opgenomen tabel.

3. De in het tweede lid bedoelde tabel is slechts van toepassing indien in een maand gemiddeld ten minste één keer per week wordt gereisd tussen de woning en hetzelfde gebouw. Voor de toepassing van de tabel in hiervan afwijkende gevallen zijn in de bijlage J2 richtlijnen gegeven.

Artikel I-J10

1. Indien door een betrokkene over een aaneengesloten tijdvak van meer dan één week anders dan in verband met vakantieverlof niet is gereisd tussen de woning en het gebouw of de gebouwen, wordt de aan de betrokkene toe te kennen tegemoetkoming in de reiskosten vanaf de tweede week naar evenredigheid verlaagd.

2. Indien door een belanghebbende in verband met de datum van indiensttreding of ontslag slechts een deel van een maand tenminste één keer per week wordt gereisd tussen de woning en hetzelfde gebouw, dient de tegemoetkoming in de reiskosten naar evenredigheid te worden vastgesteld.

Artikel I-J11

1. De belanghebbende, bedoeld in paragraaf 1 van hoofdstuk I-C, die voor een heel schooljaar is benoemd, heeft per betrekking slechts aanspraak op een tegemoetkoming in de reiskosten over ten hoogste tien kalendermaanden per schooljaar. De tegemoetkoming wordt niet uitbetaald over de maanden juli en augustus.

2. De belanghebbende, bedoeld in de paragrafen 2 tot en met 5 van hoofdstuk I-C, die voor een geheel schooljaar is benoemd, heeft per betrekking slechts aanspraak op een tegemoetkoming in de reiskosten over ten hoogste elf kalendermaanden per schooljaar. De tegemoetkoming wordt niet uitbetaald over de maand juli.

3. Indien de belanghebbende in een betrekking is benoemd voor een kortere periode dan een geheel schooljaar, vindt er, voor zover de in het eerste respectievelijk tweede lid, genoemde termijnen niet worden overschreden, geen inhouding plaats van de tegemoetkoming in de gemaakte reiskosten.

Artikel I-J12

1. De aan belanghebbende toe te kennen tegemoetkoming in reiskosten bedraagt per schooljaar per betrekking of combinatie van betrekkingen niet meer dan het bedrag als aangegeven in bijlage J1 onder 3, van dit besluit.

2. De tegemoetkoming in de reiskosten bedraagt per betrekking vanaf het tweede jaar na indiensttreding voor het totaal van het gebouw of de gebouwen binnen deze betrekking niet meer dan het volgens de tabel in de bijlage J2 vanaf het tweede jaar na indiensttreding geldende bedrag bij vier of meer reisdagen per week over een reisafstand van vijf zones.

Artikel I-J13

1. Een belanghebbende, die bij een verhuizing in aanmerking zou komen voor een tegemoetkoming in verhuiskosten, en die naar het oordeel van het bevoegd gezag niet in de gelegenheid is dagelijks heen en weer te reizen tussen zijn woning en de plaats van tewerkstelling, heeft gedurende het eerste jaar, gerekend vanaf de datum waarop betrokkene in een standplaatsbetrekking is benoemd, aanspraak op een tegemoetkoming in pensionkosten, indien hij een pension betrekt dat gelegen is op of binnen een afstand van 5 zones van de plaats van tewerkstelling.

2. De in het eerste lid bedoelde tegemoetkoming bedraagt 90% van de werkelijk gemaakte pensionkosten, met een maximum als aangegeven in de bijlage J1 onder 4, bij dit besluit.

3. De belanghebbende heeft slechts aanspraak op een tegemoetkoming in de te maken reiskosten binnen Nederland, voor zover hij die éénmaal per week maakt voor het bezoeken van zijn woonplaats.

Artikel I-J14

1. Aan de belanghebbende die een dienstreis maakt, wordt door het bevoegd gezag een tegemoetkoming toegekend in de gemaakte reis- en verblijfkosten volgens nader door Onze minister vast te stellen regels.

2.

De belanghebbende ontvangt voor het gebruik van een eigen motorvoertuig, waarvoor door het bevoegd gezag een machtiging is verleend, een kilometervergoeding:

a. a. voor de eerste 10000 kilometer het bedrag dat per gereisde kilometer in het desbetreffende kalenderjaar belastingvrij mag worden toegekend; b. b. voor de overige kilometers wordt het bedrag vastgesteld volgens nader door Onze minister vast te stellen regels.

Artikel I-J15

1. Het verzoek om toekenning van een tegemoetkoming in de verhuiskosten dient zo spoedig mogelijk doch uiterlijk binnen 6 maanden na de verhuizing door de belanghebbende bij het bevoegd gezag te worden ingediend.

2. Het verzoek om toekenning van een tegemoetkoming in de reis- en pensionkosten dient voor 1 januari volgend op het betreffende schooljaar bij het bevoegd gezag te worden ingediend.

Artikel I-J16

Degene die een geneeskundig onderzoek ondergaat in verband met benoeming of wijziging van het dienstverband, ontvangt van het bevoegd gezag een vergoeding van reis- en verblijfkosten volgens daartoe door het bevoegd gezag vastgestelde regels. De kosten van een geneeskundig onderzoek komen voor rekening van het bevoegd gezag.

Artikel I-J17

Vervallen

Artikel I-J18

Vervallen

Artikel I-J19

Vervallen

Artikel I-J20

Vervallen

Artikel I-J21

Vervallen

Artikel I-J22

Vervallen

Artikel I-J23

Vervallen

Hoofdstuk I-K. Jubileumgratificatie

Artikel I-K1

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

a. a. diensttijd: de tijd, doorgebracht:

      1.
      in een betrekking bij een bevoegd gezag aan een instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder *d*, met dien verstande dat de tijd vóór 1 januari 1956 doorgebracht aan scholen voor kleuteronderwijs slechts medetelt indien daartoe naar het oordeel van Onze minister aanleiding bestaat; 
    
    
      2.
      in een burgerlijke dienstbetrekking bij de Nederlandse overheid; 
    
    
      3.
      in een betrekking waarbij betrokkene in dienst is van een lichaam als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder *b, c, d, e* en *f*, dan wel als bedoeld in artikel 2, derde lid, onderdeel *b*, jo. artikel 3 van de WPA; 
    
    
      4.
      in een betrekking bij een bevoegd gezag aan een instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder *d*7, voordat deze werd aangewezen als lichaam, bedoeld in artikel 1, eerste lid onder *g*, van de WPA, dan wel als bedoeld in artikel 2, derde lid onderdeel *b*, juncto artikel 3 van de WPA; 
    
    
      5.
      vóór 1 januari 1966 in een betrekking als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Pensioenwet 1922 (*Stb.* 240); 
    
    
      6.
      in een burgerlijke dienstbetrekking bij de overheid van de Nederlandse Antillen, Aruba en, vóór 25 november 1975, Suriname, bij de voormalige gouvernementen van Suriname, Curaçao en Nieuw-Guinea alsmede, vóór 27 december 1949, bij de voormalige Nederlands Indische overheid, waaronder mede worden begrepen de voormalige Indische Pensioenfondsen; 
    
    
      7.
      in een dienstbetrekking bij het niet-openbaar onderwijs in de onder 6 vermelde voormalige Rijksdelen, voor zover zulks de betrokkene onder de werkingssfeer van een overheidspensioenregeling heeft gebracht of zou hebben gebracht, indien hij in vaste dienst zou zijn aangesteld; 
    
    
      8.
      vóór 1 januari 1955 in dienst van de Republiek Indonesië, voor zover die tijd door de Garantiewet Burgerlijk Overheidspersoneel Indonesië (*Stb.* 1950, K 178) wordt bestreken; 
    
    
      9.
      in Nederlandse militaire dienst of daarmede voor de toepassing van de desbetreffende rechtspositieregelingen gelijkgestelde dienst, waaronder mede worden begrepen het voormalige KNIL en de troepen in de Nederlandse Antillen, Aruba en, vóór 25 november 1975, Suriname.
    
    
      10.
      als volontair met een volledige dagtaak in een betrekking bij de Nederlandse overheid; 
    
  
  een en ander met uitzondering van de tijd gedurende welke de betrokkene geen inkomsten uit de dienstbetrekking heeft genoten, tenzij zulks het gevolg was van lang buitengewoon verlof dat naar het oordeel van Onze minister overwegend dan wel mede in het algemeen belang was verleend;
    1. in een betrekking bij een bevoegd gezag aan een instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder *d*, met dien verstande dat de tijd vóór 1 januari 1956 doorgebracht aan scholen voor kleuteronderwijs slechts medetelt indien daartoe naar het oordeel van Onze minister aanleiding bestaat;
      
    1. in een burgerlijke dienstbetrekking bij de Nederlandse overheid;
      
    1. in een betrekking waarbij betrokkene in dienst is van een lichaam als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder *b, c, d, e* en *f*, dan wel als bedoeld in artikel 2, derde lid, onderdeel *b*, jo. artikel 3 van de WPA;
      
    1. in een betrekking bij een bevoegd gezag aan een instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder *d*7, voordat deze werd aangewezen als lichaam, bedoeld in artikel 1, eerste lid onder *g*, van de WPA, dan wel als bedoeld in artikel 2, derde lid onderdeel *b*, juncto artikel 3 van de WPA;
      
    1. vóór 1 januari 1966 in een betrekking als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Pensioenwet 1922 (*Stb.* 240);
      
    1. in een burgerlijke dienstbetrekking bij de overheid van de Nederlandse Antillen, Aruba en, vóór 25 november 1975, Suriname, bij de voormalige gouvernementen van Suriname, Curaçao en Nieuw-Guinea alsmede, vóór 27 december 1949, bij de voormalige Nederlands Indische overheid, waaronder mede worden begrepen de voormalige Indische Pensioenfondsen;
      
    1. in een dienstbetrekking bij het niet-openbaar onderwijs in de onder 6 vermelde voormalige Rijksdelen, voor zover zulks de betrokkene onder de werkingssfeer van een overheidspensioenregeling heeft gebracht of zou hebben gebracht, indien hij in vaste dienst zou zijn aangesteld;
      
    1. vóór 1 januari 1955 in dienst van de Republiek Indonesië, voor zover die tijd door de Garantiewet Burgerlijk Overheidspersoneel Indonesië (*Stb.* 1950, K 178) wordt bestreken;
      
    1. in Nederlandse militaire dienst of daarmede voor de toepassing van de desbetreffende rechtspositieregelingen gelijkgestelde dienst, waaronder mede worden begrepen het voormalige KNIL en de troepen in de Nederlandse Antillen, Aruba en, vóór 25 november 1975, Suriname.
      
    1. als volontair met een volledige dagtaak in een betrekking bij de Nederlandse overheid; b. b. jubileumdatum: de datum waarop de betrokkene een diensttijd van 25, 40 dan wel 50 jaren volbrengt; c. c. bezoldiging: voor zover het betreft: een betrekking bij een bevoegd gezag aan een instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder d1, d2, d4 tot en met d7 en d 10, d 12 tot en met d18: de tot een maandbedrag herleide bezoldiging of som der bezoldigingen welke voor de betrokkene op de jubileumdatum aan één of meer instellingen geldt, tot ten hoogste de bezoldiging behorende bij een normbetrekking; een en ander vermeerderd met: de vakantie-uitkering over de desbetreffende maand; en de toelage wegens onregelmatige dienst over één maand, berekend naar hetgeen de betrokkene in de 3 aan de jubileumdatum voorafgaande kalendermaanden gemiddeld aan zodanige toelage heeft ontvangen.

Artikel I-K2

De betrokkene heeft bij het bereiken van de jubileumdatum aanspraak op een door het bevoegd gezag uit te betalen jubileumgratificatie.

Artikel I-K3

De jubileumgratificatie bedraagt bij een 25-jarig jubileum 50% en bij een 40- of 50-jarig jubileum 100% van de bezoldiging. De bedragen worden op een veelvoud van 5 gulden naar boven afgerond.

Artikel I-K4

Indien betrokkene op de jubileumdatum een betrekking aan meer dan een instelling heeft, wordt de jubileumgratificatie uitbetaald door ieder van de betrokken bevoegde gezagsorganen voor een evenredig deel.

Artikel I-K5

De tijd gedurende welke de betrokkene twee of meer betrekkingen naast elkaar vervulde, komt slechts eenmaal in aanmerking voor de berekening van de diensttijd voor de jubileumgratificatie.

Artikel I-K6

De betrokkene die ter zake van zijn dienstvervulling voor een 25-, 40- of 50-jarig jubileum reeds krachtens een andere regeling een overeenkomstige gratificatie heeft ontvangen, heeft voor datzelfde jubileum geen aanspraak op een jubileumgratificatie als bedoeld in dit hoofdstuk.

Artikel I-K7

1. Indien de jubileumdatum valt in een periode waarin de betrokkene lang buitengewoon verlof geniet dat, naar het oordeel van Onze minister, overwegend of mede in het algemeen belang is verleend, heeft hij, onverminderd het bepaalde in artikel I-K6, eerst aanspraak op een jubileumgratificatie zodra hij na afloop van het verlof zijn werkzaamheden aan een instelling hervat.

2. Bij toepassing van het eerste lid wordt de jubileumgratificatie uitbetaald door het bevoegd gezag van de instelling waaraan de betrokkene na afloop van het verlof werkzaam is.

3. Daarbij geldt als bezoldiging de bezoldiging die de betrokkene gedurende de maand waarin de jubileumdatum valt zou hebben genoten indien hij in de functie en met het salarisnummer welke hij had op de dag voorafgaande aan het ingaan van het verlof, op de jubileumdatum in actieve dienst was geweest.

Hoofdstuk I-L. Vakantie-uitkering

Artikel I-L1

1. De betrokkene heeft aanspraak op een vakantie-uitkering voor de tijd gedurende welke hij als zodanig bezoldiging heeft genoten.

2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder tijd, gedurende welke bezoldiging is genoten niet begrepen tijd gedurende welke de betrokkene wegens verplichte militaire dienst, anders dan voor herhalingsoefeningen, niet verlof zijnde, slechts bezoldiging heeft genoten tot een bedrag van het op hem te verhalen gedeelte van de pensioenbijdrage.

Artikel I-L2

1. Tenzij in de volgende leden anders is bepaald, bedraagt de vakantie-uitkering per kalendermaand 8% van het bedrag dat de betrokkene in die maand aan bezoldiging met uitzondering van de vakantie-uitkering heeft genoten.

2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt in de gevallen bedoeld in artikel 4 en 5 van het Besluit ziekte en arbeidsongeschiktheid onderwijs- en onderzoekpersoneel steeds uitgegaan van de volledige aan zijn betrekking verbonden bezoldiging.

3. Voor de betrokkene die in de van toepassing zijnde maand op grond van het bepaalde in het eerste lid aanspraak heeft op een bedrag dat lager is dan het bedrag dat in bijlage 2, onder 2, bij zijn leeftijd is vermeld, wordt de vakantie-uitkering vastgesteld op laatstbedoeld bedrag, met dien verstande dat dit bedrag naar evenredigheid wordt verminderd voor de betrokkene die is aangesteld in een betrekking met een omvang van minder dan een normbetrekking.

4.

Het in het derde lid bedoelde bedrag wordt naar evenredigheid verminderd indien:

a. a. de betrokkene in de desbetreffende maand of gedurende een deel daarvan een deelbetrekking heeft vervuld; b. b. de bezoldiging van de betrokkene op een andere dag dan de eerste dag van die maand is aangevangen dan wel indien hij in een deel van die maand geen bezoldiging heeft genoten; c. c. de betrokkene in de loop van die maand slechts een gedeelte van zijn bezoldiging heeft genoten wegens verleend verlof, in verband met non-activiteit, bij wijze van disciplinaire straf of uit hoofde van schorsing.

Artikel I-L3

1. Het bepaalde in dit hoofdstuk is mede van toepassing op de gewezen betrokkene, die ingevolge artikel 39, eerste, tweede, vierde of zesde lid van het Besluit ziekte en arbeidsongeschiktheid onderwijs- en onderzoekpersoneel nog bezoldiging geniet.

2. Voor de betrokkene op wie het bepaalde in artikel I-D3, tweede lid, van toepassing is wordt de vakantie-uitkering berekend op basis van de volle aan zijn betrekking verbonden bezoldiging. Hij geniet deze uitkering slechts voor zoveel die uitgaat boven de vakantie-uitkering, waarop hij als militair aanspraak heeft.

Artikel I-L4

1. De vakantie-uitkering wordt per instelling eenmaal per jaar in de maand mei uitbetaald over de periode van twaalf maanden die eindigt met de maand mei.

2. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid vindt bij ontslag van de betrokkene de uitbetaling plaats over het tijdvak, gelegen tussen het einde van de laatst verstreken periode waarover de vakantie-uitkering werd uitbetaald en de datum van ontslag.

3. Voor de toepassing van dit artikel wordt met ontslag van de betrokkene gelijkgesteld de beëindiging van de doorbetaling van de bezoldiging van de gewezen betrokkene, bedoeld in artikel I-L3, eerste lid.

Hoofdstuk I-M. Studiefaciliteiten

Paragraaf 1. Studiefaciliteiten onderwijsondersteunend personeel

Artikel I-M1

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

a. a. betrokkene:

      1.
      de betrokkene, bedoeld in artikel I-A1 onder e1, e2 en e16, e4, e5 en e6, alsmede e10, e13 tot en met e15, e17 en e18, voor zover het betreft een lid van het onderwijsondersteunend of ondersteunend personeel en e12 voorzover het niet de directie bedoeld in artikel I-Q1001, onder f, betreft; 
    
    
      2.
      de betrokkene, bedoeld in artikel I-A1, onder *e*7;
    1. de betrokkene, bedoeld in artikel I-A1 onder e1, e2 en e16, e4, e5 en e6, alsmede e10, e13 tot en met e15, e17 en e18, voor zover het betreft een lid van het onderwijsondersteunend of ondersteunend personeel en e12 voorzover het niet de directie bedoeld in artikel I-Q1001, onder f, betreft;
      
    1. de betrokkene, bedoeld in artikel I-A1, onder *e*7;
      

b. b. studie: een opleiding die van belang is voor het persoonlijk welbevinden van de betrokkene in zijn arbeidssituatie en, naar het oordeel van het bevoegd gezag, tevens van belang is voor de uitoefening van zijn functie; c. c. studiefaciliteiten:

      1.
      verlof als bedoeld in artikel I-M3; 
    
    
      2.
      een tegemoetkoming in de studiekosten als bedoeld in artikel I-M4;
    1. verlof als bedoeld in artikel I-M3;
      
    1. een tegemoetkoming in de studiekosten als bedoeld in artikel I-M4;
      

d. d. ontslag: elke beëindiging van het dienstverband.

Artikel I-M2

1. De betrokkene die voor studiefaciliteiten in aanmerking wenst te komen, dient het verzoek daartoe in de regel in voor de aanvang van de studie. Hij laat dit verzoek vergezeld gaan van de voor de beoordeling door het bevoegd gezag noodzakelijke gegevens en van een schatting van de te maken studiekosten.

2. Het bevoegd gezag kan, alvorens studiefaciliteiten te verlenen, een studieadvies of in bijzondere gevallen na overleg met de betrokkene een psychologisch advies inwinnen. Tenzij deze adviezen worden ingewonnen op uitdrukkelijk verzoek van de betrokkene, komen de daaraan verbonden kosten voor rekening van het bevoegd gezag.

3. Studiefaciliteiten worden verleend voor een bepaalde termijn, die wordt afgeleid van de normaal te achten duur van de studie. Het bevoegd gezag kan deze termijn verlengen.

4. Verleende studiefaciliteiten kunnen, al dan niet tijdelijk, worden ingetrokken indien het bevoegd gezag op grond van verkregen inlichtingen van oordeel is, dat de betrokkene niet in die mate studeert of vorderingen maakt dat hij in staat kan worden geacht de studie binnen de in het derde lid bedoelde termijn te voltooien. De intrekking geschiedt niet indien de betrokkene aannemelijk maakt, dat deze omstandigheid niet aan hem te wijten is.

5. Aan de betrokkene, die krachtens een op hem van toepassing zijnde regeling aanspraak heeft op een verhoging van zijn bezoldiging uitsluitend op grond van het voltooien van een studie, worden ter zake van die studie geen studiefaciliteiten verleend.

Artikel I-M3

1. Tenzij het belang van de instelling zich daartegen verzet, kan aan de betrokkene studieverlof met behoud van bezoldiging worden verleend voor ten hoogste een halve dag per week, met dien verstande dat indien lessen in de normale werktijd moeten worden gevolgd, het verlof tot maximaal één dag per week kan worden verleend.

2. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid kan studieverlof worden verleend op de dag, waarop wordt deelgenomen aan een examen of een tentamen, dat aan het einde van de studie is gelegen dan wel volgt op een duidelijk afgerond onderdeel van de studie.

3. Ter voorbereiding op een examen en tentamen als bovenbedoeld kan bovendien studieverlof worden verleend voor ten hoogste vijf halve dagen per jaar.

Artikel I-M4

1.

Voor volledige tegemoetkoming komen in aanmerking:

a. a. indien de studie in een andere plaats dan de woon- of standplaats moet worden gevolgd; de noodzakelijk gemaakte reiskosten voor interlokaal vervoer en het daarmee in samenhang optredende vervoer in de plaats waar de cursus of het examen wordt gehouden, op basis van het laagste tarief van het gebezigde middel van openbaar vervoer, waarvan redelijkerwijs gebruik kan worden gemaakt, voor zover de betrokkene voor deze kosten niet uit anderen hoofde een vergoeding geniet; kan van openbaar vervoer redelijkerwijs geen gebruik worden gemaakt, dan worden de noodzakelijk gemaakte kosten vergoed tegen het tarief genoemd in artikel 6, tweede lid, van de Regeling vergoeding reis- en verblijfkosten bij dienstreizen voor onderwijspersoneel; b. b. de werkelijk gemaakte kosten, welke in verband met het afleggen van een examen noodzakelijkerwijze worden gemaakt voor nachtverblijf en het gebruik van maaltijden, met dien verstande dat de daarvoor in artikel 17 van de Regeling vergoeding van reis- en verblijfkosten bij dienstreizen voor onderwijspersoneel geldende bedragen niet worden overschreden.

2.

Voor een tegemoetkoming van maximaal 50% komen in aanmerking de noodzakelijk gemaakte:

a. a. aanschaffingskosten van het verplicht gestelde studiemateriaal; b. b. cursus- of lesgelden; c. c. examen- of diplomakosten.

3. In bijzondere gevallen kan met toestemming van Onze minister, het in het tweede lid genoemde percentage op 75 worden gesteld.

4. Een tegemoetkoming in studiekosten wordt eerst verleend nadat de betrokkene schriftelijk heeft verklaard dat hij bekend is met de verplichting tot gehele of gedeeltelijke terugbetaling, bedoeld in artikel I-M5.

Artikel I-M5

1.

De betrokkene is verplicht tot terugbetaling van de aan hem verleende tegemoetkoming in de studiekosten in geval:

a. a. hem ontslag wordt verleend vóórdat de studie met goed gevolg is afgesloten; b. b. de studie niet met goed gevolg is afgesloten op grond van omstandigheden die naar het oordeel van het bevoegd gezag aan de betrokkene te wijten zijn; c. c. hem ontslag wordt verleend binnen een termijn van drie jaren sedert de datum, waarop de studie met goed gevolg is afgesloten.

2.

De in het eerste lid bedoelde verplichting tot terugbetaling wordt beperkt:

a. a. in de gevallen, bedoeld in het eerste lid onder a en b, tot het bedrag dat de betrokkene is uitbetaald in het tijdvak van drie jaren, voorafgaande aan de datum, waarop de desbetreffende omstandigheid zich heeft voorgedaan; b. b. in het geval, bedoeld in het eerste lid onder c, voor elke maand welke ontbreekt aan de in die bepaling genoemde termijn, tot 1/36 gedeelte van het bedrag dat de betrokkene is uitbetaald in het tijdvak van drie jaren voorafgaande aan de datum waarop de studie is afgesloten.

3.

De in het eerste lid bedoelde verplichting geldt niet indien:

a. a. de betrokkene ter zake van het ontslag aanspraak heeft op een uitkering als bedoeld in het Besluit werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel of op een direct ingaand pensioen; b. b. de betrekking waaruit de betrokkene is ontslagen aansluitend wordt gevolgd door een nieuwe betrekking bij het onderwijs dan wel in overheidsdienst.

Artikel I-M6

Vervallen

Hoofdstuk I-N. Overgangsregeling 10-jarig onbevoegden voortgezet onderwijs

Artikel I-N1

Vervallen

Artikel I-N2

Vervallen

Artikel I-N3

Vervallen

Artikel I-N4

Vervallen

Hoofdstuk I-P. Algemene bepalingen ten aanzien van formatie en salaris

Paragraaf 1. Bepalingen geldend voor alle instellingen

Artikel I-P1

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

a. a. betrokkene: de betrokkene genoemd in artikel I-A1, onder e1, e2, e4 tot en met e6, alsmede e10, e12 tot en met e18; b. b. salaris: het bedrag dat met inachtneming van de bepalingen van dit besluit voor de betrokkene is vastgesteld aan de hand van de bijlagen 1A tot en met 1D en 1F van dit besluit; c. c. schaal: een als zodanig in een der bijlagen 1A en 1B van dit besluit vermelde reeks van genummerde salarissen, behorende bij een normbetrekking; d. d. maximumschaal: de hoogste schaal die behoort bij een functie; e. e. aanloopschaal: een bij een functie behorende lagere schaal dan de maximumschaal; f. f. salarisnummer: een aanduiding, bestaande uit een getal of uit een letter en een getal, dat in een salarisschaal bij een salaris is vermeld; g. g. maximumsalaris: het hoogste bedrag dat in een schaal voorkomt, waarvan het salarisnummer uitsluitend uit een getal bestaat; h. h. functie: het samenstel van werkzaamheden aan één of meer instellingen door de betrokkene in dienst van hetzelfde bevoegd gezag te verrichten krachtens en overeenkomstig hetgeen hem uit hoofde van een benoeming als bedoeld in artikel I-A1, onder o, door het bevoegd gezag is opgedragen; een en ander conform het bepaalde in de hoofdstukken I-Q, I-R of I-S; i. i. normfunctie: een functie waarvan de inhoud en het niveau zijn omschreven in de bijlage Q1, Q2 en Q5 tot en met Q14, R1 en R2, R5 tot en met R11a, S1 en S4 tot en met S12 bij dit besluit; j. j. carrièrepatroon: de wijze waarop de betrokkene op grond van het bepaalde in hoofdstuk I-Q, I-R of I-S het maximumsalaris van de bij zijn functie behorende maximumschaal bereikt; k. k. formatie: het samenstel van functies voor het gehele personeel in niveaus en aantallen, uitgedrukt in de omvang: van een normbetrekking of een gedeelte daarvan; l. l. tijdelijke uitbreiding betrekkingsomvang: de tijdelijke uitbreiding van de betrekkingsomvang op grond van dit besluit van een reeds bij het bevoegd gezag benoemd personeelslid; m. m. begintraject: de reeks salarisbedragen die voorafgaat aan de aanloopschaal bij een functie als bedoeld in hoofdstuk I-R, zoals aangegeven in bijlage 1D; n. n. eindejaarsuitkering: de uitkering als bedoeld in artikel I-P30; o. o. aanlooptraject: de reeks salarisbedragen die voorafgaat aan de maximumschaal bij een functie als bedoeld in artikel I-S102a, zoals aangegeven in bijlage 1F.

Artikel I-P2

1. De betrokkene wordt benoemd in één van de functies die door het bevoegd gezag beschikbaar is gesteld.

2. Het salaris van de betrokkene wordt vastgesteld aan de hand van de functie waarin hij is benoemd, een en ander met inachtneming van het bepaalde in dit hoofdstuk en in de hoofdstukken I-Q, I-R of I-S.

3.

De betrokkene kan bij een bevoegd gezag aan de instelling of instellingen waaraan hij uit hoofde van zijn benoeming verbonden kan worden, slechts in één functie zijn benoemd, met dien verstande dat in het kader van de bestuursbenoeming, bedoeld in artikel I-A1, onderdeel p, als één functie worden aangemerkt:

a. a. onderwijsgevende functies met dezelfde maximumschaal en hetzelfde carrièrepatroon; b. b. gelijksoortige onderwijsondersteunende functies met dezelfde maximumschaal en hetzelfde carrièrepatroon.

4. Het bevoegd gezag kan naast of in plaats van de normfuncties andere functies voor de instelling vaststellen waarbij taken behorend tot die normfunctie worden verzelfstandigd of andere taken dan wel taken behorende tot verschillende normfuncties worden samengevoegd tot één nieuwe functie. Voor het bevoegd gezag van een instelling bedoeld in artikel I-A1, onder d1 tot en met d6, d10 en d13 tot en met d15, d17 en d18 geldt dat de maximumschaal van de in de eerste volzin bedoelde nieuwe functie ten hoogste één schaal hoger kan zijn dan de maximumschaal die op grond van hoofdstuk I-Q behoort bij de normfunctie directeur aan de desbetreffende instelling doch niet hoger dan schaal 18. Zonodig in afwijking van het bepaalde in de tweede volzin geldt voor het bevoegd gezag van een instelling bedoeld in artikel I-A1, onder d1 en d2, dat de maximumschaal van de in de eerste volzin bedoelde nieuwe functie in het kader van artikel 29, tweede lid, van de Wet op het primair onderwijs, artikel 29, tweede lid, van de Wet op de expertisecentra, of artikel 149, tweede lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, ten hoogste schaal 13 kan zijn.

5. In de situaties bedoeld in het vierde lid stelt het bevoegd gezag een functiebeschrijving op en geeft daarbij de plaats in de organisatie aan voor de nieuwe functie. Tevens wordt de maximumschaal aangegeven op basis van de aard en het niveau van de werkzaamheden die in de functie zijn samengebracht rekening houdend met de voor het rijkspersoneel ter zake geldende normen en in samenhang met de formatie, en geeft het bevoegd gezag aan of hoofdstuk I-Q, I-R of I-S op die functie van toepassing is.

6. De betrokkene die zich niet kan verenigen met de uitkomst van de waardering van zijn functie als bedoeld in het vijfde lid, kan het bevoegd gezag verzoeken die waarderingsuitkomst opnieuw in overweging te nemen. Onze minister geeft nadere voorschriften voor de behandeling van verzoeken als bedoeld in de eerste volzin.

7.

In afwijking van het derde lid kan een betrokkene in het in dat lid bedoelde geval worden benoemd:

a. a. in twee functies als bedoeld in hoofdstuk I-S dan wel hoofdstuk I-R en I-S, indien er een verschil van meer dan drie schalen is tussen de bij die functies behorende maximumschalen, of b. b. in twee functies als bedoeld in hoofdstuk I-R indien die functies bestaan uit een normfunctie leraar voor basisscholen enerzijds en een normfunctie leraar voor speciale scholen voor basisonderwijs anderzijds.

8. Over belangrijke facetten van de concrete taakinhoud en over wijziging daarvan pleegt het bevoegd gezag overleg met de betrokken betrokkene. De werkzaamheden moeten redelijkerwijs aan de betrokkene kunnen worden opgedragen.

Artikel I-P2a

Vervallen

Artikel I-P3

1. De betrokkene wordt benoemd in een normbetrekking of een deel daarvan, onverminderd het vijfde lid.

2. De normbetrekking op jaarbasis wordt gerealiseerd door met inachtneming van het verlof op grond van artikel I-C2 respectievelijk artikel I-C7, tweede lid eerste volzin, op jaarbasis uit te gaan van een arbeidsduur van 1710 uren, waaruit verlof wordt verleend op grond van artikel I-C41.

3. In afwijking van het tweede lid wordt de normbetrekking door het bevoegd gezag op verzoek van betrokkene gerealiseerd door middel van een arbeidsduur op jaarbasis die met inachtneming van het verlof op grond van artikel I-C2 respectievelijk artikel I-C7, tweede lid eerste volzin, wordt gelijkgesteld met 1790 uren, tenzij het dienstbelang zich daartegen verzet.

4. Aan het derde lid kan geen toepassing worden gegeven indien dat op enigerlei wijze direct leidt tot een plaatsing in de formatie, bedoeld in artikel I-P76, tweede lid onder b, dan wel tot enige uitkering op grond van het Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel.

5. Voor de betrokkene geldt dat de omvang van zijn betrekking of betrekkingen, waaronder tevens zijn begrepen werkzaamheden al of niet in dienstverband buiten het onderwijs verricht en waarmee inkomen wordt verworven, de omvang van 120% van een normbetrekking niet te boven mag gaan.

Artikel I-P3a

Vervallen

Artikel I-P4

1. Het salaris van de betrokkene die is benoemd in een betrekking met een omvang anders dan die van een normbetrekking wordt naar evenredigheid van die betrekkingsomvang berekend. De aldus berekende uitkomst wordt op rekenkundige wijze afgerond op centen.

2. Waar dit in hoofdstuk of in de hoofdstukken I-Q, I-R of I-S sprake is van een vergelijking van salarisbedragen ten einde een inpassingsschaalbedrag te kunnen vaststellen moet worden uitgegaan van het salarisbedrag behorende bij een normbetrekking. Zonodig wordt het voor een betrokkene feitelijk geldende salaris omgerekend naar een salarisbedrag behorende bij een normbetrekking.

Artikel I-P5

1. Zonder voorafgaand ontslag kan voor een betrokkene geen andere functie gaan gelden dan de functie waarin hij reeds is benoemd, behoudens het bepaalde in de artikelen I-Q106, I-Q107, I-Q209 en I-S110. De eerste volzin is niet van toepassing indien het bevoegd gezag bij de bepaling van het functieniveau met de betrokkene is overeengekomen dat zijn functie een tijdelijk karakter heeft en de schaal in verband daarmee slechts tijdelijk zal gelden.

2. De omvang van de betrekking van een betrokkene die in vaste dienst is benoemd, wordt niet tegen zijn wil verkleind, behoudens de mogelijkheid van het verval van rechtswege op grond van artikel I-P80.

3. Het eerste lid is niet van toepassing op het personeel genoemd in artikel I-A1, onder e5, e6, e10, e13 tot en met e15, e17 en e18, e17 en e18.

4. Indien een betrokkene, als bedoeld in artikel I-A1, onder e5, e10, e14, e15, e17 en e18, in verband met de opheffing van zijn functie, aan dezelfde instelling direct aansluitend wordt benoemd in een functie met een lager functieniveau dan het functieniveau dat behoorde bij zijn oude functie en indien het salaris dat hij op de dag direct voorafgaande aan de benoeming in die oude functie genoot, hoger is dan het hoogste bedrag in de maximumschaal van de functie waarin benoeming plaatsvindt, wordt aan hem voor de duur van die benoeming een toelage toegekend ter grootte van het verschil tussen het bedrag behorende bij het salarisnummer dat op hem van toepassing was op de dag voorafgaande aan de benoeming in de bedoelde functie en het hoogste bedrag in de maximumschaal behorend bij de functie waarin de benoeming plaatsvindt. De toelage vervalt indien hij aan een andere instelling wordt benoemd danwel indien hij wordt benoemd in een functie met een hogere maximumschaal.

Artikel I-P6

1. Bij elke functie behoren één of meer schalen, een aantal schalen en een begintraject, of één schaal en een aanlooptraject. Het salaris van de in die functie benoemde betrokkene wordt vastgesteld aan de hand van één van de salarisbedragen die in het begintraject, het aanlooptraject of die schaal dan wel schalen voorkomen.

2. Indien het bepaalde in hoofdstuk I-Q, I-R of I-S dit voorschrijft, wordt het salaris van de betrokkene eerst vastgesteld op een der salarisbedragen in het begintraject, aanlooptraject, de aanloopschaal of -schalen en, nadat hij die volgens het bepaalde in het desbetreffende hoofdstuk heeft doorlopen, op een salarisbedrag in de maximumschaal.

3. De bij elke functie behorende maximumschaal, aanloopschaal of -schalen, begintraject en aanlooptraject zijn aangegeven in hoofdstuk I-Q, I-R of I-S.

Artikel I-P7

Behoudens het bepaalde in de artikelen I-P8 tot en met I-P11, I-Q104, I-R105 en I-S103 wordt het salaris van de betrokkene bij zijn benoeming vastgesteld op het laagste bedrag:

a. a. van het begintraject of aanlooptraject dan wel; b. b. indien bij de functie geen begintraject of aanlooptraject behoort, op het laagste bedrag in de laagste schaal behorend bij de functie waarin hij wordt benoemd dan wel; c. c. indien bij de functie bedoeld in hoofdstuk I-R schaal 12 als maximumschaal behoort, op het bedrag behorende bij salarisnummer 1 in schaal 10.

Artikel I-P8

1. Het salaris van de betrokkene die reeds eerder in een schooljaar gedurende ten minste 60 werkdagen in een onderwijsfunctie werkzaam en bezoldigd is geweest en die wordt benoemd in hetzij een functie met een lagere maximumschaal hetzij een functie met eenzelfde maximumschaal en hetzelfde of een ongunstiger carrièrepatroon dan die welke behoorde respectievelijk behoorden bij die vorige onderwijsfunctie, wordt vastgesteld in het begintraject dan wel, indien het bedrag hoger is of indien er bij de functie geen begintraject behoort in de laagst mogelijke schaal die bij zijn nieuwe functie behoort, op hetzelfde bedrag volgens welk hij in die vorige functie werd bezoldigd in dat schooljaar.

2. Indien de in het eerste lid bedoelde betrokkene in enig aan zijn benoeming voorafgaand schooljaar reeds gedurende ten minste 60 werkdagen in zijn vorige onderwijsfunctie werkzaam en bezoldigd is geweest, wordt, voor zover het bij die vorige functie behorende carrièrepatroon zulks mogelijk maakt, zijn salaris vastgesteld in het begintraject dan wel, indien het bedrag hoger is of indien er bij de functie geen begintraject behoort in de laagst mogelijke schaal die bij zijn nieuwe functie behoort, op een bedrag dat één periodieke verhoging hoger is dan het salaris dat hij in die vorige functie genoot in dat voorafgaande schooljaar.

3. Het salaris van de betrokkene die reeds eerder in een schooljaar gedurende ten minste 60 werkdagen in een onderwijsfunctie werkzaam en bezoldigd is geweest en die wordt benoemd in hetzij een functie met een hogere maximumschaal hetzij een functie met een gunstiger carrièrepatroon en ten minste eenzelfde maximumschaal dan die welke behoorde respectievelijk behoorden bij die vorige onderwijsfunctie, wordt vastgesteld in het begintraject dan wel, indien het bedrag hoger is of indien er bij de functie geen begintraject behoort in de laagst mogelijke schaal die bij zijn nieuwe functie behoort op het salarisbedrag dat onmiddellijk gelegen is boven het bedrag volgens welk hij in die vorige functie werd bezoldigd in dat schooljaar.

4. Indien de in het derde lid bedoelde betrokkene in enig aan zijn benoeming voorafgaand schooljaar reeds gedurende ten minste 60 werkdagen in zijn vorige onderwijsfunctie werkzaam en bezoldigd is geweest, wordt, voor zover het bij die vorige functie behorende carrièrepatroon zulks mogelijk maakt, zijn salaris vastgesteld in het begintraject dan wel, indien het bedrag hoger is of indien er bij de functie geen begintraject behoort in de laagst mogelijke schaal die bij zijn nieuwe functie behoort, op het salarisbedrag dat onmiddellijk gelegen is boven het bedrag dat volgens het bij die vorige functie behorende carrièrepatroon één periodieke verhoging hoger is dan het salaris dat hij in die vorige functie genoot in dat voorafgaande schooljaar.

5. Voor de toepassing van het bepaalde in het eerste tot en met het vierde lid wordt met een schooljaar waarin de betrokkene gedurende ten minste 60 werkdagen werkzaam en bezoldigd is geweest in zijn vorige onderwijsfunctie, gelijkgesteld een schooljaar waarin de betrokkene gedurende alle schoolweken in die onderwijsfunctie benoemd is geweest.

6.

Bij een benoeming in een onderwijsfunctie wordt het salaris van de betrokkene die reeds meer dan één onderwijsfunctie vervulde, vastgesteld op de in het eerste tot en met vierde lid aangegeven wijze, met dien verstande dat hierbij wordt uitgegaan van

a. a. het schooljaar waarin de betrokkene voor het laatst in alle door hem vervulde onderwijsfuncties gezamenlijk gedurende alle schoolweken benoemd dan wel gedurende ten minste 60 werkdagen werkzaam en bezoldigd is geweest; b. b. de vorige onderwijsfunctie met de hoogst mogelijke maximumschaal waarin de betrokkene tezamen met andere vorige onderwijsfuncties met eenzelfde of een hogere maximumschaal in het onder a bedoelde schooljaar gedurende alle schoolweken benoemd dan wel gedurende ten minste 60 werkdagen werkzaam en bezoldigd is geweest.

Indien de betrokkene in het onder a bedoelde schooljaar naast de onder b bepaalde onderwijsfunctie één of meer onderwijsfuncties heeft vervuld met dezelfde maximumschaal als die welke behoorde bij de onder b bepaalde onderwijsfunctie en hij in alle onderwijsfuncties met die gelijke maximumschaal niet volgens hetzelfde salarisbedrag werd bezoldigd, wordt uitgegaan van de onderwijsfunctie met die gelijke maximumschaal waarin de betrokkene in het onder a bedoelde schooljaar volgens het laagste salarisbedrag bezoldigd is geweest, tenzij hij in dat schooljaar in een andere onderwijsfunctie met die gelijke maximumschaal volgens een hoger salarisbedrag bezoldigd is geweest en hij in deze onderwijsfunctie tezamen met andere onderwijsfuncties met die gelijke maximumschaal en eenzelfde salarisbedrag in het onder a bedoelde schooljaar gedurende alle schoolweken benoemd dan wel gedurende ten minste 60 werkdagen werkzaam en bezoldigd is geweest; in dat geval wordt uitgegaan van die laatstbedoelde onderwijsfunctie.

7.

Voor de toepassing van het zesde lid:

a. a. worden dagen waarop de betrokkene gelijktijdig in meer dan één onderwijsfunctie werkzaam en bezoldigd was als één werkdag geteld; indien hierbij sprake was van twee of meer onderwijsfuncties met dezelfde maximumschaal waarin de betrokkene volgens verschillende salarisbedragen werd bezoldigd, worden de dagen waarop deze functies gelijktijdig zijn vervuld toegerekend aan de onderwijsfunctie waarin hij op die dagen volgens het hoogste salarisbedrag werd bezoldigd; dagen waarop de betrokkene gelijktijdig twee of meer onderwijsfuncties heeft vervuld met verschillende maximumschalen, worden toegerekend aan de onderwijsfunctie die hij op die dagen heeft vervuld met de hoogste maximumschaal; b. b. wordt bij de telling van het aantal werkdagen, bedoeld in het eerste tot en met het vierde lid, uitgegaan van het aantal werkdagen waarop de betrokkene in het schooljaar, bedoeld in het zesde lid onder a, werkzaam en bezoldigd is geweest in alle door hem vervulde onderwijsfuncties gezamenlijk; c. c. wordt bij een benoeming in het, in het zesde lid, onder a, bedoelde schooljaar of in het onmiddellijk daarop volgende schooljaar, voor de betrokkene die op 1 augustus van het in het zesde lid, onder a, bedoelde schooljaar dezelfde onderwijsfuncties vervulde als op 31 juli van het onmiddellijk daaraan voorafgaande schooljaar, uitgegaan van het laatstbedoelde schooljaar indien dit leidt tot vaststelling van een hoger salaris en mits hij in dat schooljaar in alle door hem vervulde onderwijsfuncties gezamenlijk gedurende alle schoolweken benoemd dan wel gedurende ten minste 60 werkdagen werkzaam en bezoldigd is geweest. d. d. wordt bij een benoeming aan dezelfde instelling of ingeval van een bestuursbenoeming bij hetzelfde bevoegd gezag, de vorige onderwijsfunctie met een hogere maximumschaal dan die welke behoort bij de functie waarin de benoeming plaatsvindt, buiten beschouwing gelaten indien de belanghebbende niet tenminste drie schooljaren in die vorige functie werkzaam is geweest en hij bij dezelfde instelling of ingeval van een bestuursbenoeming bij hetzelfde bevoegd gezag eveneens werkzaam is geweest in een functie met een lagere maximumschaal dan die behoorde bij die vorige functie. Voor de vaststelling van het salaris wordt uitgegaan van het salaris dat zou zijn genoten in de functie met de lagere maximumschaal. Het bepaalde in het vijfde lid is van overeenkomstige toepassing.

8.

Vaststelling van het salaris bij benoeming als bedoeld in het eerste tot en met het zevende lid mag er niet toe leiden dat het vastgestelde bedrag hoger is dan het hoogste bedrag in de bij de desbetreffende functie behorende maximumschaal noch lager dan het laagste bedrag van het bij de functie behorende begintraject dan wel van de laagste aanloopschaal indien bij de functie geen begintraject behoort.

Indien het salarisbedrag dat de betrokkene in zijn vorige functie genoot niet voorkomt in het begintraject of de laagst mogelijke schaal behorende bij de functie waarin hij wordt benoemd, wordt het salaris vastgesteld op het naasthogere bedrag in dat begintraject of deze schaal. Indien het salaris dat de betrokkene in zijn vorige functie genoot hoger is dan het hoogste bedrag in de bij zijn functie behorende maximumschaal wordt zijn salaris vastgesteld op dat hoogste bedrag.

Artikel I-P9

1. Ten aanzien van de vaststelling van het salaris van de betrokkene die reeds één of meer functies bij het onderwijs vervult en die daarnaast wordt benoemd in een andere onderwijsfunctie is het bepaalde in artikel I-P8 van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat hierbij een aangehouden functie wordt gelijkgesteld met een vorige functie.

2. Het salaris van de in het eerste lid bedoelde betrokkene die wordt benoemd in een functie met een maximumschaal en een carrièrepatroon die gelijk zijn aan de maximumschaal en het carrièrepatroon die bij de aangehouden functie respectievelijk bij één van de aangehouden functies behoren, wordt, in afwijking van het bepaalde in het eerste lid, vastgesteld op hetzelfde bedrag en in hetzelfde begintraject of in dezelfde schaal volgens welke hij wordt bezoldigd in de aangehouden functie met die gelijke maximumschaal en carrièrepatroon.

Artikel I-P10

1. Het salaris van de betrokkene die een inkomen geniet of heeft genoten voor werkzaamheden die buiten het onderwijs al dan niet in dienstbetrekking zijn verricht en waarin hij relevante ervaring heeft opgedaan, wordt vastgesteld op een bedrag dat ten hoogste één periodieke verhoging hoger is dan evenbedoeld inkomen per maand, in het begintraject of in een salarisschaal die voorkomt in het bij zijn functie behorende carrièrepatroon.

2. Onze minister geeft nadere voorschriften voor de uitvoering van het eerste lid.

Artikel I-P11

1. Het salaris van de betrokkene die op het moment dat hij in een onderwijsfunctie wordt benoemd gedurende vier of meer achtereenvolgende schooljaren geen functie in het onderwijs heeft vervuld, wordt, onverminderd het bepaalde in artikel I-P10 vastgesteld op een bedrag dat hoger is dan het bedrag dat voor hem bij toepassing van artikel I-P8 zou gelden en wel voor elke periode van vier schooljaren na het schooljaar waarin de betrokkene voor het laatst in alle door hem vervulde onderwijsfuncties gezamenlijk gedurende alle schoolweken benoemd dan wel gedurende ten minste 60 werkdagen werkzaam en bezoldigd is geweest, één periodieke verhoging in het begintraject of de laagst mogelijke schaal die behoort bij de functie waarin hij wordt benoemd een en ander voor zover dit binnen het bij zijn vorige functie behorende carrièrepatroon mogelijk is.

2. Het salaris van de belanghebbende, niet zijnde de belanghebbende als bedoeld in artikel I-P9, tweede lid, wordt bij zijn benoeming in een onderwijsfunctie in afwijking van het bepaalde in het eerste lid en de artikelen I-P7, I-P8, I-P9, eerste lid en I-P10, ten minste vastgesteld op een bedrag dat hoger is dan het in artikel I-P7 bedoelde bedrag indien hij de voor zijn onderwijsfunctie vereiste kwalificaties of bevoegdheden reeds vier jaar of langer geleden heeft verworven. De verhoging bedraagt één periodieke verhoging in het begintraject dan wel de laagst mogelijk bij zijn functie behorende schaal voor elke periode van vier volledige jaren die sedert de verwerving van de voor zijn functie vereiste kwalificaties of bevoegdheden is verstreken.

3. Voor de betrokkene bedoeld in artikel I-A1, onder e1, e2 en e16, e4 tot en met e6, e10 en e13 tot en met e15, e17 en e18, wordt voor de toepassing van het eerste lid, de in dat lid bedoelde periode van vier schooljaren verkort tot drie schooljaren voor de eerste periode van zes schooljaren na het schooljaar waarin de betrokkene voor het laatst in alle door hem vervulde onderwijsfuncties gezamenlijk gedurende alle schoolweken benoemd dan wel gedurende ten minste 60 werkdagen werkzaam en bezoldigd is geweest;

4. Voor de toepassing van het eerste tot en met het derde lid wordt een schooljaar waarin de betrokkene niet gedurende alle schoolweken benoemd en evenmin gedurende ten minste 60 werkdagen werkzaam en bezoldigd is geweest in één of meer onderwijsfuncties, gelijkgesteld aan een schooljaar waarin de betrokkene geen functie in het onderwijs heeft vervuld.

Artikel I-P12

1. In afwijking van het bepaalde in de artikelen I-P7 tot en met I-P11 en in de artikelen I-P13 en I-P14 wordt het salaris van een betrokkene die de leeftijd van 22 jaar nog niet heeft bereikt, vastgesteld op het bedrag dat in de voor hem geldende schaal is opgenomen bij het salarisnummer bestaande uit de letter J en het getal dat overeenkomt met zijn leeftijd in jaren voor zover de schaal in bijlage 1B dit aangeeft.

2.

Het salaris van de betrokkene die de leeftijd van 22 jaar bereikt wordt met ingang van de eerste dag van de maand waarin hij die leeftijd bereikt, vastgesteld:

a. a. op het laagste bedrag van het aanlooptraject; b. b. Indien bij de functie geen aanlooptraject behoort, op het bedrag dat in de voor hem van toepassing zijnde schaal is vermeld bij salarisnummer 0.

Artikel I-P13

1. Het salaris van de betrokkene van wie het dienstverband niet wordt onderbroken wordt binnen het begintraject, aanlooptraject of de schaal jaarlijks op 1 augustus verhoogd tot het naasthogere bedrag onverminderd het bepaalde in artikel I-P14.

2. In afwijking van het eerste lid wordt het salaris van de betrokkene wanneer het voorlaatste salarisnummer beginnend met de letter U van schaal 1, 2, 3 of 4 is bereikt, na twee jaar verhoogd tot het naasthogere bedrag.

Artikel I-P14

1. Behoudens het bepaalde in het tweede lid wordt het salaris van de betrokkene die reeds bij het bevoegd gezag benoemd is en die wordt benoemd in hetzij een functie met een hogere maximumschaal hetzij een functie met een gunstiger carrièrepatroon en tenminste dezelfde maximumschaal dan die welke behoorde bij zijn vorige functie, vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in de artikelen I-P8 en I-P9, tweede lid dan wel artikel I-P51, met ingang van de datum waarop hij zijn werkzaamheden in die functie aanvangt.

2. Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op de betrokkene voor wie een hogere maximumschaal of gunstiger carrièrepatroon ter beschikking komt uitsluitend ten gevolge van de grootte van de instelling.

3. Indien op grond van het eerste lid een periodieke verhoging wordt toegekend aan een betrokkene wiens salaris werd vastgesteld volgens één der schalen 1 tot en met 6, wordt het salarisnummer in de nieuwe schaal zodanig vastgesteld dat het salaris in die schaal blijft uitgaan boven het salaris dat voor de betrokkene in de oude schaal zou hebben gegolden tot het hoogste bedrag in de bij de nieuwe functie behorende maximumschaal is bereikt.

Artikel I-P15

1. Indien het salaris van een betrokkene als gevolg van enige bepaling in dit hoofdstuk dan wel in de hoofdstukken I-Q, I-R of I-S moet worden vastgesteld over een periode die korter is dan een kalendermaand, wordt uitgegaan van de bezoldiging per dag berekend door het bedrag van de bezoldiging per maand te delen door het aantal dagen dat de desbetreffende maand telt.

2.

Indien voor een betrokkene die wordt benoemd voor een periode van 6 maanden of korter het salaris als gevolg van enige bepaling in dit hoofdstuk dan wel in de hoofdstukken I-Q, I-R of I-S moet worden vastgesteld over een periode die korter is dan een kalendermaand geschiedt dit in afwijking van het bepaalde in het eerste lid aan de hand van de formule:

(w x q + r) x (3:13) x s

waarin:

w = de werktijdfactor die voor betrokkene geldt;

q = het aantal volledige kalenderweken gedurende welke betrokkene in de desbetreffende maand werkzaam is;

r = het aantal uren dat betrokkene feitelijk heeft gewerkt in de niet volledige kalenderweek of kalenderweken gedurende welke hij in de desbetreffende maand is benoemd, gedeeld door 36,86;

s = het salaris bij een normbetrekking.

De uitkomst wordt rekenkundig afgerond op centen.

3. het salaris van de betrokkene die bij een bevoegd gezag reeds benoemd is en van wie de betrekkingsomvang waarin hij is benoemd tijdelijk wordt uitgebreid, wordt voor zover het de kalendermaanden betreft waarover die tijdelijke uitbreiding zich niet volledig uitstrekt, voor de tijdelijke werkzaamheden vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in het tweede lid.

Artikel I-P16

1. Indien het salaris bij een normbetrekking minder is dan het maandbedrag van het minimumloon als vermeld in bijlage 2, onder 1 bij de leeftijd die de betrokkene heeft wordt aan hem een toelage toegekend ten bedrage van het verschil.

2. Voor de betrokkene bedoeld in het eerste lid met een betrekkingsomvang anders dan een normbetrekking, wordt het voor werknemers van dezelfde leeftijd geldende minimumloon geacht te zijn vastgesteld op een evenredig deel van het in het eerste lid bedoelde maandbedrag.

Artikel I-P17

1. De betrokkene is voor door het bevoegd gezag verstrekte genot van woning, verstrekkingen in de woning, kost en inwoning een bedrag verschuldigd overeenkomende met een percentage van de voor hem geldende berekeningsbasis tot ten hoogste de door Onze minister vastgestelde maximumbedragen als aangegeven in bijlage 3 bij dit besluit.

2. De berekeningsbasis bedoeld in het eerste lid, komt overeen met de som van salaris bij normbetrekking en toelagen op grond van dit besluit. Van de berekeningsbasis maakt geen deel uit de toelage onregelmatige dienst, als bedoeld in artikel I-S107 of de garantietoelage onregelmatige dienst als bedoeld in artikel I-S108.

3. Indien de betrokkene aantoont dat de huurwaarde van de woning voor de heffing van de inkomsten- en loonbelasting minder bedraagt dan het op grond van het bepaalde in het eerste lid geldende bedrag wegens genot van de woning, wordt het verschuldigde bedrag op dat van die huurwaarde gesteld.

4. Bij geoorloofde afwezigheid wordt het bedrag dat voor het genot van kost verschuldigd zou zijn voor elke dag dat dit emolument niet wordt genoten, verminderd met een bedrag als is aangegeven in bijlage 3.

5. De op grond van de bepalingen van dit artikel door betrokkene verschuldigde bedragen worden verrekend bij de uitbetalingen van het salaris dan wel, indien dat niet mogelijk is, afzonderlijk in rekening gebracht.

6. In bijzondere gevallen kan een regeling worden getroffen die afwijkt van het bepaalde in het eerste en het vierde lid.

7. In geval andere dan de in dit artikel en bijlage 3 genoemde voordelen worden genoten kan een regeling worden getroffen, waarbij de hiervoor door betrokkene verschuldigde bedragen worden vastgesteld.

8. Een regeling als bedoeld in het zesde en zevende lid wordt getroffen bij gemeenschappelijke beschikking van Onze minister en Onze minister van Binnenlandse Zaken.

9. Voor zover een verstrekking niet gedurende een hele maand wordt genoten wordt het bedrag van de inhouding over het gedeelte van de maand berekend door het maandbedrag van de inhouding te vermenigvuldigen met q * 3/13, waarbij "q" gelijk is aan het aantal volledige kalenderweken waarin de desbetreffende verstrekking wordt genoten.

10. De maximumbedragen als bedoeld in het eerste en het vierde lid worden door Onze minister vastgesteld overeenkomstig de bedragen die gelden voor het rijkspersoneel.

Artikel I-P18

Vervallen

Artikel I-P19

1. Het salaris, de toelagen en de vergoedingen voor extra diensten vastgesteld volgens de bepalingen van dit besluit worden per maand uitbetaald.

2. Het bevoegd gezag verstrekt de betrokkene bij zijn indiensttreding en indien er een wijziging optreedt in het salaris, de toelagen of de vergoedingen voor extra diensten, een specificatie van de door hem genoten bezoldiging.

Artikel I-P20

1. De betrokkene is verplicht de werkzaamheden behorende bij de functie waarin hij is benoemd op zich te nemen.

2. De betrokkene ontvangt geen bezoldiging over de tijd, gedurende welke hij in strijd met zijn verplichtingen opzettelijk nalaat zijn werkzaamheden te verrichten en over de tijd, gedurende welke hij bij het einde van zijn dienstverband meer verlof op grond van artikel I-C41 of hoofdstuk I-V heeft genoten dan waarop hij aanspraak had.

3. Onze minister geeft voor de toepassing van het bepaalde in het tweede lid nadere voorschriften.

Artikel I-P21

1.

Het bevoegd gezag kan voor ten hoogste 1/3 gedeelte de bezoldiging inhouden van de betrokkene die bij wijze van straf is geschorst wegens het feit dat:

a. a. een strafrechtelijke vervolging wegens misdrijf tegen hem is ingesteld; b. b. hij krachtens een wettelijke maatregel van zijn vrijheid is beroofd; c. c. hij de bevoegdheid tot het geven van onderwijs door een nog niet onherroepelijk geworden vonnis heeft verloren.

2. De ingehouden bezoldiging wordt alsnog uitbetaald indien door de strafrechter geen straf wordt opgelegd of de beslissing van het bevoegd gezag tot inhouding van bezoldiging wordt vernietigd alsmede voor zover op andere gronden alsnog tot uitbetaling wordt besloten. Op de aldus uit te keren bezoldiging worden in mindering gebracht de inkomsten welke de betrokkene sedert de schorsing heeft genoten uit arbeid die hij als gevolg van de schorsing heeft kunnen verrichten, tenzij zulks naar het oordeel van het bevoegd gezag onredelijk of onbillijk is.

3. Van de inhouding en de uitbetaling van de bezoldiging als bedoeld in dit artikel doet het bevoegd gezag terstond mededeling aan Onze minister.

Artikel I-P22

1. De benoeming gaat in op de dag waarop de betrokkene zijn werkzaamheden aanvangt, onverminderd het bepaalde in artikel I-R108.

2. De betrokkene heeft in geval van ontslag aanspraak op bezoldiging tot de dag waarop het ontslag ingaat, onverminderd het bepaalde in artikel I-R108.

3. De betrokkene die blijkens een beslissing als bedoeld in artikel P5 van de pensioenwet blijvend ongeschikt is verklaard voor de vervulling van zijn betrekking, blijft benoemd voor ten hoogste de duur van de voor hem geldende opzegtermijn, te rekenen vanaf de dag waarop de beslissing onherroepelijk is geworden.

4. Het dienstverband van de betrokkene die overlijdt, is beëindigd met ingang van de dag volgende op die van het overlijden.

5. Het dienstverband van de betrokkene die krachtens rechterlijke uitspraak tot het geven van onderwijs is uitgesloten kan zich uitstrekken tot uiterlijk de dag waarop de rechterlijke uitspraak onherroepelijk is geworden.

Artikel I-P23

Vervallen

Artikel I-P24

Vervallen

Artikel I-P25

Vervallen

Artikel I-P26

Vervallen

Artikel I-P27

De betrokkene kan op zijn verzoek of met zijn instemming voor bepaalde tijd worden belast met werkzaamheden bij het bevoegd gezag van een andere instelling of instellingen dan wel buiten het onderwijs.

Artikel I-P28

1. Indien aan een bevoegd gezag door Onze minister een vergoeding is verstrekt ten behoeve van het bestrijden van al dan niet schoolspecifieke knelpunten in de personeelsvoorziening kan dat bevoegd gezag, uitsluitend ten laste van de eigen middelen aan een betrokkene met het oog op deze knelpunten een nader door het bevoegd gezag vast te stellen tegemoetkoming verstrekken.

2. De tegemoetkoming, bedoeld in het eerste lid, maakt geen deel uit van het inkomen, bedoeld in het pensioenreglement.

Artikel I-P29

Het bevoegd gezag kan uitsluitend ten laste van eigen middelen een premie toekennen in het kader van een premiespaarregeling in de zin van de Wet op de loonbelasting 1964.

Artikel I-P30

1. Onze minister kan bij ministeriële regeling bepalen dat recht bestaat op een algemene eindejaarsuitkering en daarbij de wijze waarop deze uitkering wordt berekend, vaststellen.

2. In de ministeriële regeling, bedoeld in het eerste lid, kan worden bepaald dat de ministeriële regeling terugwerkt tot en met 1 januari 1996.

Paragraaf 2. Nadere bepalingen geldend voor instellingen bekostigd volgens het lump sum-systeem

Artikel I-P50

In afwijking van het bepaalde in artikel I-P1, wordt in deze paragraaf verstaan onder

a. a. instelling: de instelling bedoeld in artikel I-A1, onder d4 tot en met d6, d10, d13 tot en met d15 alsmede d17 en d18; b. b. betrokkene: de betrokkene bedoeld in artikel I-A1, onder e4 tot en met e6, e10, e13 tot en met e15 alsmede e17 en e18.

Artikel I-P51

Bij de vaststelling van het salaris bij indiensttreding van een betrokkene kan het bevoegd gezag in voor de betrokkene gunstige zin afwijken van de artikelen I-P7 tot en met I-P11.

Artikel I-P52

Het bevoegd gezag kan regels opstellen ten aanzien van het carrièrepatroon en het doorlopen daarvan die afwijken van de artikelen I-Q105, I-R106, I-R107 I-S104 en I-S104a.

Artikel I-P53

1. In afwijking van het bepaalde in de artikelen I-P12 en I-P13 geschiedt de verhoging van het salaris bedoeld in die artikelen indien de betrokkene naar het oordeel van het bevoegd gezag zijn functie naar behoren vervult.

2. Bij de toepassing van het bepaalde in de artikelen I-P12 en I-P13 kan het salaris worden vastgesteld op een hoger bedrag in het carrièrepatroon dan dat bedoeld in de artikelen I-P12 en I-P13, indien hij naar het oordeel van het bevoegd gezag zijn werkzaamheden zeer goed of uitstekend vervult.

3. Vervult de betrokkene zijn functie naar het oordeel van het bevoegd gezag niet naar behoren, dan blijft salarisverhoging als bedoeld in het eerste lid achterwege.

4. Het tijdstip waarop ingevolge artikel I-P13 een salarisverhoging wordt toegekend, kan worden vervroegd indien daartoe naar het oordeel van het bevoegd gezag aanleiding bestaat.

5. Voor de toepassing van het bepaalde in het eerste en tweede lid kan het bevoegd gezag nadere regels vaststellen.

Artikel I-P54

De betrokkene is verplicht eventuele geldelijke vergoedingen voor nevenwerkzaamheden af te dragen aan de instelling of instellingen waar hij werkzaam is, voor zover hij deze verricht gedurende werktijd en voor zover het bevoegd gezag hem niet van deze verplichting ontheffing heeft verleend.

Artikel I-P55

1. Slechts indien naar het oordeel van het bevoegd gezag sprake is van zeer goede of uitstekende vervulling van de functie kan voor de duur van een jaar aan de betrokkene die het hoogste bedrag van de voor hem geldende maximumschaal heeft bereikt, een toelage worden toegekend.

2. Slechts indien naar het oordeel van het bevoegd gezag sprake is van zeer goede of uitstekende vervulling van de functie en daartoe op grond van bijzondere omstandigheden aanleiding bestaat, kan een toelage voor een langere duur dan één jaar worden toegekend.

3.

De in het eerste en het tweede lid bedoelde toelage bedraagt voor de betrokkene voor wie een maximumschaal geldt als vermeld in kolom I van onderstaand schema ten hoogste het daarnaast in kolom II genoemde percentage van het voor hem geldende salaris.

Kolom I (maximumschaal) Kolom II (percentage)
tot en met schaal 5 3
schaal 6 tot en met schaal 9 6
schaal 10 tot en met schaal 13 9
schaal 14 en 15 12
schaal 16 en hoger 15

4. De toelage, bedoeld in het eerste lid, maakt geen deel uit van het ambtelijk inkomen als bedoeld in de pensioenwet.

5. Voor de toepassing van het eerste en tweede lid kan het bevoegd gezag nadere regels vaststellen.

Artikel I-P56

1. Bij bijzondere prestaties kan door het bevoegd gezag aan een betrokkene een gratificatie worden toegekend.

2. Een gratificatie als bedoeld in het eerste lid wordt niet aangemerkt als bezoldiging en maakt geen deel uit van het ambtelijk inkomen als bedoeld in de pensioenwet.

3. Voor de toepassing van het eerste lid kan het bevoegd gezag nadere regels vaststellen.

Artikel I-P57

1. Het bevoegd gezag kan aan de betrokkene die een functie vervult als bedoeld in hoofdstuk I-R of hoofdstuk I-S om redenen van werving of behoud een uitkering toekennen. De uitkering maakt geen deel uit van het ambtelijk inkomen bedoeld in de pensioenwet.

2. De in het eerste lid bedoelde uitkering wordt toegekend aan het einde van het tijdvak dat tevoren door het bevoegd gezag is vastgesteld. Het bevoegd gezag kan aan de toekenning nadere voorwaarden verbinden.

3. Aan de betrokkene die niet heeft kunnen voldoen aan de in het tweede lid bedoelde voorwaarden door een naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aan hem zelf te wijten oorzaak, kan de uitkering niettemin geheel of gedeeltelijk worden toegekend.

4. Aan de betrokkene worden de nadere voorwaarden als bedoeld in het tweede lid, evenals de grootte van de uitkering en de maand en het jaar van toekenning, voor zover deze niet reeds in de akte van benoeming zijn vermeld, zo spoedig mogelijk schriftelijk medegedeeld.

Artikel I-P58

1. Het bevoegd gezag kan aan de betrokkene die een functie vervult als bedoeld in hoofdstuk I-R of hoofdstuk I-S om redenen van werving of behoud een maandelijkse toelage toekennen.

2. Een toegekende toelage als bedoeld in het eerste lid wordt door het bevoegd gezag ingetrokken indien de gronden waarop de toelage werd toegekend niet meer aanwezig zijn, tenzij het bevoegd gezag van oordeel is dat er omstandigheden zijn om de toelage geheel of gedeeltelijk te handhaven.

Artikel I-P59

1. Indien het niet mogelijk is de betrokkene in relatie tot zijn betrekkingsomvang voldoende bij zijn functie behorende werkzaamheden op te dragen, kunnen hem andere werkzaamheden worden opgedragen, mits deze in verband met zijn persoonlijkheid en omstandigheden en gelet op zijn functieniveau passend zijn. De betrokkene is verplicht deze werkzaamheden te aanvaarden.

2. Indien het na een zorgvuldig onderzoek in redelijkheid niet mogelijk is gebleken de betrokkene een mede in verband met zijn persoonlijkheid en omstandigheden voor hem passende functie bij het bevoegd gezag aan te bieden dan wel indien deze een passende functie weigert te aanvaarden, kan ontslag wegens opheffing van de betrekking plaatsvinden.

Artikel I-P60

Het bevoegd gezag kan één of meer personeelsleden die in het bezit zijn van een geldig EHBO-diploma maandelijks een toelage als vermeld in bijlage 2, onder 3, toekennen.

Paragraaf 3. Nadere bepalingen geldend voor instellingen bekostigd volgens het het declaratiesysteem

Artikel I-P75

In deze paragraaf wordt, in afwijking van artikel I-P1, verstaan onder:

a. a. instelling: een instelling, bedoeld in artikel I-A1, onder d1 of d2, d12 en d16; b. b. betrokkene: de betrokkene, bedoeld in artikel I-A1, onder e1 en e2, e12 en e16; c. c. rekeneenheid: de eenheid die voor de instelling beschikbaar is op grond van het het Formatiebesluit WPO, het Formatiebesluit WEC, deel II van het Formatiebesluit W.V.O. of het Besluit trekkende bevolking WPO; d. d. formatiebudget: het totaal aan rekeneenheden dat voor een instelling beschikbaar is.

Artikel I-P76

1. Het bevoegd gezag van een instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder d1 en d2, d16, stelt vóór 1 mei van ieder jaar de formatie van de instelling voor het daaropvolgend schooljaar vast. Het bevoegd gezag, doet vóór het begin van het schooljaar mededeling aan Onze minister van de aldus bestede formatierekeneenheden.

2.

De formatie bedoeld in het eerste lid wordt onderscheiden in de volgende categorieën:

a. a. de door het bevoegd gezag structureel gewenste functies naar aard, niveau en omvang; b. b. functies die naar het oordeel van het bevoegd gezag nog slechts één schooljaar kunnen worden gehandhaafd; c. c. functies in verband met een project waarvoor door het bevoegd gezag dan wel door Onze minister gedurende 3 of minder schooljaren uit additionele middelen formatie beschikbaar is gesteld en die door het bevoegd gezag niet in de onder a bedoelde formatie zijn opgenomen.

3. Het bevoegd gezag van een instelling als bedoeld in het eerste lid, neemt in de vast te stellen formatie bedoeld in het tweede lid, onder a in elk geval de functies van de reeds in deze formatie opgenomen en in vaste dienst verbonden betrokkenen op voor de omvang van de betrekking waarin zij zijn benoemd, tenzij dit in het licht van een goede en doelmatige uitvoering van de aan de instelling te verrichten werkzaamheden in redelijkheid niet van het bevoegd gezag kan worden gevergd.

4. Indien in de vast te stellen formatie bedoeld in het tweede lid, onder a, daarvoor ruimte is ontstaan, neemt het bevoegd gezag onder gelijke voorwaarden als genoemd in het derde lid, hierin tevens op functies van in vaste dienst verbonden betrokkenen die deel uitmaken van de formatie bedoeld in het tweede lid, onder b.

5. Indien Onze Minister voor korter dan een schooljaar formatierekeneenheden beschikbaar heeft gesteld, wordt in afwijking van het bepaalde in het eerste lid, de formatie bedoeld in het tweede lid, onder c, tijdens het schooljaar opnieuw vastgesteld voor zover de toekenning dan wel het vervallen van deze formatierekeneenheden geschiedt tijdens het schooljaar.

6. Vervallen.

7. Het bevoegd gezag van een instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder d12, stelt de formatie van de instelling vast met inachtneming van het bepaalde in het Uitvoeringsbesluit W.O.V. (Stb. 1988, 128). Het bevoegd gezag bedoeld in de eerste volzin, neemt in de formatie in elk geval de functies van de aan de instelling verbonden betrokkenen op voor de betrekkingsomvang waarvoor zij zijn benoemd, tenzij dit gezien de in artikel D6, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit W.O.V. neergelegde uitgangspunten in redelijkheid niet van het bevoegd gezag kan worden gevergd.

Artikel I-P77

1. Indien in de formatie bedoeld in artikel I-P76, tweede lid, onder a, een functie beschikbaar komt, wordt die functie door het bevoegd gezag van een instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder d1 en d2 en d16, toegedeeld aan de betrokkene wiens functie is opgenomen in de formatie bedoeld in artikel I-P76, tweede lid onder b, tenzij dit in het licht van een goede en doelmatige uitvoering van de aan de instelling te verrichten werkzaamheden in redelijkheid niet van het bevoegd gezag kan worden gevergd.

2. Indien een bevoegd gezag van een instelling als bedoeld in het eerste lid, voornemens is over te gaan tot herbenoeming van een betrokkene wiens dienstverband is beëindigd in verband met ziekte en arbeidsongeschiktheid wordt de betrokkene benoemd voor ten hoogste de betrekkingsomvang die overeenkomt met zijn restvaliditeit en voor ten hoogste de betrekkingsomvang die vóór de beëindiging van het dienstverband voor hem in de formatie bedoeld in artikel I-P76, tweede lid, was opgenomen.

Artikel I-P78

1. Voor iedere functie aan een instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder d1, d2 en d16, die voor rijksbekostiging in aanmerking wordt gebracht, wordt bij een normbetrekking een aantal rekeneenheden verbruikt als is aangegeven in onderstaand schema.

1a. Voor de functie van leraar in opleiding, bedoeld in hoofdstuk I-T, die voor rijksbekostiging in aanmerking wordt gebracht, worden bij een normbetrekking aan een instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder d1, voor zover het betreft een basisschool 76 rekeneenheden verbruikt en voor zover het een speciale school voor basisonderwijs betreft 81 eenheden verbruikt, en worden bij een normbetrekking aan een instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder d2, 81 rekeneenheden verbruikt.

2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt voor de functie van de betrokkene bedoeld in artikel I-Q101, onder b, uitgegaan van de maximumschaal die op grond van het bepaalde in één van de paragrafen 2 en 3 van hoofdstuk I-Q bij de desbetreffende functie behoort.

3. Indien voor een betrokkene bedoeld in artikel I-S601, V-S201 en V-S301 een hogere salarisschaal geldt of zal gelden dan de maximumschaal die behoort bij de functie waarin hij is benoemd, wordt in afwijking van het bepaalde in het eerste lid voor zijn functie een aantal rekeneenheden verbruikt dat overeenkomt met de hogere salarisschaal. Het bepaalde in de vorige volzin is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van een betrokkene bedoeld in artikel I-R401, onder b, die is benoemd in een functie waarvoor schaal 10 de maximumschaal is en voor wie een salaris geldt of zal gelden in maximumschaal 12.

4. Bij benoeming van een betrokkene als bedoeld in artikel I-A1, onder e1, e2 en e16, dan wel bij benoeming van een betrokkene als bedoeld in artikel I-T3, onder a, in een betrekking waarvan de omvang niet gelijk is aan die van een normbetrekking wordt het aantal rekeneenheden, bedoeld in het eerste tot en met derde lid, naar evenredigheid vastgesteld. De aldus berekende uitkomst wordt op rekenkundige wijze afgerond op 2 decimalen.

5.

Voor de toepassing van het bepaalde in het eerste tot en met derde lid en in afwijking van het bepaalde in het vierde lid, geldt dat voor de betrokkene wiens salaris wordt berekend op grond van artikel I-P15, een aantal eenheden wordt verbruikt dat wordt berekend aan de hand van de formule

w x (d : e) x f, waarin

w = de omvang van de werktijdfactor waarvoor betrokkene is benoemd voor zover die voor rijksbekostiging in aanmerking wordt gebracht;

d = het aantal kalenderdagen gedurende welke de betrokkene in die functie in de desbetreffende kalendermaand is benoemd;

e = het aantal kalenderdagen dat in de desbetreffende maand geldt;

f = het aantal rekeneenheden dat op grond van het eerste tot en met derde lid bij de desbetreffende functie behoort.

De aldus berekende uitkomst wordt op rekenkundige wijze afgerond op 2 decimalen.

6. Indien een betrokkene als bedoeld in artikel I-A1, onder e1, e2 en e16, verlof als bedoeld in artikel I-C32, I-C33, I-C34 of I-C35 geniet, is het bepaalde in het eerste tot en met vijfde lid van toepassing, indien de functie van de betrokkene gedurende ten minste een gedeelte van het voorafgaande schooljaar voor rijksbekostiging in aanmerking werd gebracht.

Artikel I-P79

Vervallen

Artikel I-P80

1.

Indien en voorzover die werkzaamheden niet langer aan de betrokkene worden opgedragen vervalt van rechtswege het gedeelte van de betrekkingsomvang van een betrokkene dat bestaat uit:

a. a. uren boven de normbetrekking; of b. b. tijdelijke uitbreiding van de betrekkingsomvang of benoeming

        1.
        in verband met vervanging of 
      
      
        2.
        in verband met een tijdelijke voorziening in een vacature voor ten hoogste één jaar;
    1.   in verband met vervanging of
      
    1.   in verband met een tijdelijke voorziening in een vacature voor ten hoogste één jaar;
      

c. c. tijdelijke uitbreiding van de betrekkingsomvang of benoeming in verband met een project waarvoor door het bevoegd gezag dan wel Onze minister gedurende 3 of minder schooljaren uit additionele middelen formatie beschikbaar is gesteld en die door het bevoegd gezag niet in de in artikel I-P76, tweede lid, onder a, bedoelde formatie is opgenomen. d. d. uitbreiding of tijdelijke uitbreiding van de betrekkingsomvang of benoeming in verband met contractactiviteiten die gedurende een periode van 3 jaar of minder is toegekend; alsmede e. e. uitbreiding of tijdelijke uitbreiding van de betrekkingsomvang of benoeming gedurende een periode van 3 jaar of minder ten gevolge van het toekennen van werkzaamheden in verband met contractactiviteiten aan een andere betrokkene.

2. Het gedeelte van de betrekkingsomvang bedoeld in het eerste lid, wordt voor de duur waarvoor het wordt toegekend afzonderlijk in de akte van benoeming vermeld.

Artikel I-P81

1. Het bevoegd gezag kan, uitsluitend ten laste van eigen middelen en volgens door het bevoegd gezag vast te stellen beleidsregels, aan een betrokkene een gratificatie toekennen of een maandelijkse toelage.

2. Het bevoegd gezag kan aan de toekenning van een maandelijkse toelage voorwaarden verbinden.

3. Het bevoegd gezag trekt een maandelijkse toelage in, indien de gronden voor toekenning van de toelage niet meer aanwezig zijn.

4. De in het eerste lid bedoelde toelage behoort tot de bezoldiging, bedoeld in het Besluit ziekte- en arbeidsongeschiktheid onderwijs- en onderzoekpersoneel.

Artikel I-P82

Vervallen

Artikel I-P83

1. Onze minister kent aan een instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder d2 een toelage als vermeld in bijlage 2, onder 3, toe indien het bevoegd gezag deze toekent aan één of meer personeelsleden die in het bezit zijn van een geldig EHBO-diploma.

2. Indien de in het eerste lid bedoelde instelling is gehuisvest in verschillende gebouwen wordt per gebouw dat niet in de onmiddellijke nabijheid van de hoofdvestiging staat, door Onze Minister een toelage overeenkomstig het eerste lid toegekend.

3. Onverminderd het bepaalde in het eerste en tweede lid kan het bevoegd gezag uitsluitend ten laste van eigen middelen één of meer personeelsleden die in het bezit zijn van een geldig EHBO-diploma maandelijks een toelage als vermeld in bijlage 2, onder 3, toekennen.

Artikel I-P84

1. De betrokkene niet zijnde de betrokkene bedoeld in artikel I-A1, onder e12, voor wie de functie is opgenomen in de formatie bedoeld in artikel I-P76, tweede lid , onder b, is verplicht andere hem door het bevoegd gezag opgedragen werkzaamheden die in het kader van de door hem vervulde functie passend zijn te achten, te verrichten, dan wel bij een ander bevoegd gezag dan wel buiten het onderwijs een passende betrekking te aanvaarden.

2. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, kan het bevoegd gezag een betrokkene bedoeld in het eerste lid, een sollicitatieplicht of, met inachtneming van artikel I-P86, een scholingsplicht opleggen.

3. De betrokkene voor wie op grond van het tweede lid een sollicitatieverplichting geldt, is verplicht zich als werkzoekende te laten registreren bij de Centrale organisatie werk en inkomen en een andere passende betrekking binnen dan wel buiten het onderwijs te aanvaarden.

Artikel I-P85

1. Ontslag in verband met opheffing van de betrekking kan niet eerder worden verleend dan nadat de functie bedoeld in artikel I-P76, tweede lid, onder a, gedurende een geheel schooljaar is geplaatst in de formatie bedoeld in artikel I-P76, tweede lid, onder b. Ontslag wegens opheffing van de betrekking kan niet plaatsvinden om herbenoeming in een functie voor een kleinere betrekkingsomvang mogelijk te maken.

2. Indien het bevoegd gezag van een instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder d1, d2, en d16, besluit over te gaan tot opheffing van een betrekking dient het eerst zorgvuldig te onderzoeken of het in redelijkheid mogelijk is de betrokkene een mede in verband met zijn persoonlijkheid en omstandigheden voor hem passende functie bij het bevoegd gezag aan te bieden. Indien een in de eerste volzin bedoelde functie beschikbaar is, vindt ontslag wegens opheffing van de betrekking plaats onder gelijktijdige benoeming in de nieuwe functie.

3. Indien geen passende functie als bedoeld in het eerste lid beschikbaar is, dan wel de betrokkene een passende functie weigert te aanvaarden, wordt de betrekking opgeheven indien de functie van de betrokkene niet langer in de formatie als bedoeld in artikel I-P76, tweede lid, onder a of b, is opgenomen.

4. Het bepaalde in artikel I-P59 is van overeenkomstige toepassing voor de betrokkene aan een instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder d12.

Artikel I-P86

Indien het bevoegd gezag van een instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder d1, d2, en d16, met toepassing van het bepaalde in artikel I-P84, tweede lid, aan de betrokkene een scholingsplicht oplegt, gelden hierbij de volgende voorwaarden.

a. a. Het bevoegd gezag stelt de betrokkene vrij van het verrichten van passende werkzaamheden bedoeld in artikel I-P84, eerste lid, voor zover dit noodzakelijk is voor het volgen van de scholing. b. b. Het bevoegd gezag belast de betrokkene niet met het geven van onderwijs bedoeld in de taakkarakteristiek, voor zover deze lesgebonden taken zouden samenvallen met het volgen van de scholing. c. c. Tussen het bevoegd gezag en de betrokkene wordt een redelijke termijn afgesproken waarbinnen de betrokkene de scholing met succes kan afronden. d. d. Het bevoegd gezag is verplicht de betrokkene te benoemen in een, gelet op de scholing die is of wordt gevolgd, passende vacante functie bij het bevoegd gezag. Indien voor de in de eerste volzin bedoelde benoeming ontheffing van de bevoegdheidseisen noodzakelijk is omdat de betrokkene de scholing nog niet heeft afgerond, is het bevoegd gezag verplicht die ontheffing aan te vragen. Indien de ontheffing wordt verleend, geldt de in de eerste volzin bedoelde verplichting.

Artikel I-P87

1.

De bezoldiging van de betrokkene voor wie de betrekkingsomvang is opgenomen in de formatie bedoeld in artikel I-P76, tweede lid onder b, wordt verminderd met:

a. a. neveninkomsten uit de betrekkingen bij het onderwijs die hij reeds genoot op de dag waarop van zijn betrekkingsomvang niet langer in de formatie bedoeld in artikel I-P76, tweede lid, onder a is opgenomen, voor zover de totale omvang van de betrekking de omvang van de normbetrekking overschrijdt; b. b. neveninkomsten die hij gaat genieten uit of in verband met arbeid of bedrijf ter hand genomen in verband met de verplichting bedoeld in artikel I-P84, eerste lid.

2. Over het bedrag dat op grond van het eerste lid in mindering wordt gebracht kan door het bevoegd gezag worden beschikt.

Artikel I-P88

1. Onze minister kan bepalen dat aan een betrokkene bedoeld in artikel I-A1, onder e1 en e2 en e16 die wordt belast met externe taken ten behoeve van het onderwijs, voor zover hij daarvoor geen vergoeding of verlof op de voet van artikel I-C38 verkrijgt, tijdelijk een gedeelte van een normbetrekking wordt toegekend.

2. Het in het eerste lid bedoelde gedeelte van een normbetrekking wordt voor de duur waarvoor het wordt toegekend afzonderlijk in de akte van benoeming vermeld. De bezoldiging voor dit gedeelte bedraagt een evenredig gedeelte van het voor de betrokkene geldende salarisbedrag behorende bij een normbetrekking.

3. Zodra voor de betrokkene het gedeelte van de normbetrekking bedoeld in het eerste lid wordt verminderd, wordt de omvang van de betrekking dienovereenkomstig verkleind.

Artikel I-P89

1.

Onze minister:

    • wijst jaarlijks van de instellingen als bedoeld in artikel I-A1, onder d1, d2 en d16 die categorieën van instellingen aan, die bindingspremies om redenen van werving of behoud kunnen toekennen;
      
    • bepaalt daarbij tevens tot welk totaalbedrag deze instellingen bindingspremies kunnen toekennen;
      
    • wijst jaarlijks de categorie betrokkenen aan, aan wie de premie kan worden toegekend;
      
    • stelt jaarlijks de hoogte van het bedrag vast dat maximaal aan de door het bevoegd gezag aangewezen betrokkene wordt uitgekeerd en bepaalt daarbij tevens de periode die maximaal met de betrokkene kan worden overeengekomen.
      

2. Het bevoegd gezag van een instelling als bedoeld in het eerste lid kan aan een betrokkene die in dienst is of treedt en die behoort tot de categorie betrokkenen als bedoeld in het eerste lid, om redenen van werving of behoud een bindingspremie toekennen. De bindingspremie maakt geen deel uit van het inkomen, bedoeld in het pensioenreglement.

3. Het bevoegd gezag verbindt aan de toekenning als bedoeld in het tweede lid de voorwaarde dat de betrokkene, als bedoeld in het tweede lid, gedurende een bepaalde, tevoren overeengekomen periode, aan de instelling verbonden zal blijven. Bij voortijdig vertrek dient de toegekende uitkering geheel of gedeeltelijk te worden terugbetaald. Het bevoegd gezag kan aan de toekenning nadere voorwaarden verbinden.

4. Indien de betrokkene bedoeld in het tweede lid voor het einde van de in het tweede lid bedoelde periode de dienst verlaat of indien hij niet voldoet aan de in het derde lid bedoelde nadere voorwaarden door een naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aan hemzelf te wijten oorzaak, ontheft het bevoegd gezag hem van de verplichtingen tot terugbetaling.

5. De voorwaarden bedoeld in het derde lid worden aan de betrokkene, bedoeld in het tweede lid evenals de grootte van de uitkering alsmede de maand en jaar van toekenning, voor zover deze niet reeds in de akte van benoeming zijn vermeld, zo spoedig mogelijk schriftelijk medegedeeld.

Artikel I-P90

Vervallen

Artikel I-P91

Vervallen

Hoofdstuk I-Q. Salariëring en samenstelling directie,

Paragraaf 1. Algemeen

Artikel I-Q101

1.

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

a. a. instelling: de instelling, genoemd in artikel I-A1, onder d1, d2, d4 tot en met d6, d10, d12 tot en met d15, d 17 en d18; b. b. betrokkene: de directeur, directeur/coördinator, plaatsvervangend directeur, plaatsvervangend directeur/coördinator, adjunct-directeur en adjunct-directeur/-coördinator bedoeld in de paragrafen 2 en 3, 6 en 9 tot en met 11 alsmede het lid van de centrale directie bedoeld in de paragrafen 7, 8 en 12 tot en met 15 alsmede de betrokkene is benoemd in een functie die door het bevoegd gezag is aangemerkt als een functie in hoofdstuk I-Q; c. c. "scholengemeenschap":

        1.
        een instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder *d*5 onder *b*, *d*14 onder *b*, dan wel onder *d*15, dan wel onder *d*17, onder *b*, dan wel onder *d*18, onder *b*, (horizontale scholengemeenschap); 
      
      
        2.
        een instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder *d*14, *d*17 of *d*18;
    1.   een instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder *d*5 onder *b*, *d*14 onder *b*, dan wel onder *d*15, dan wel onder *d*17, onder *b*, dan wel onder *d*18, onder *b*, (horizontale scholengemeenschap);
      
    1.   een instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder *d*14, *d*17 of *d*18;
      

d. d. "onderwijsgemeenschap": een samenstel van instellingen voor hoger beroepsonderwijs als bedoeld in artikel 1.8 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, met een of meer instellingen als bedoeld onder d14 en d15, vallende onder hetzelfde bevoegd gezag.

2. Voor zover uit het eerste lid niet anders blijkt, zijn in dit hoofdstuk de begripsbepalingen van artikel I-P1, I-P50 en I-P75 van toepassing.

Artikel I-Q102

1. Aan het hoofd van een instelling staat een directeur of directeuren, een directeur/coördinator, een centrale directie of een college van bestuur.

2. De directie als bedoeld in de paragrafen 2 en 3 en 6 tot en met 15 wordt gevormd door de directeur of directeuren of de centrale directie of het college van bestuur en voor zover de door het bevoegd gezag vastgestelde formatie dit mogelijk maakt een of meer adjunct-directeuren en een of meer andere betrokkenen die zijn benoemd in een functie die door het bevoegd gezag is aangemerkt als een functie in hoofdstuk I-Q.

3. Aan het hoofd van een instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder d14 en d15, staat, indien deze instellingen een onderwijsgemeenschap vormen met een een instelling als bedoeld in artikel 1.8 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, een college van bestuur.

Artikel I-Q103

1. In de paragrafen 2 en 3 en 6 tot en met 15 wordt voor elke normfunctie de bijbehorende maximumschaal aangegeven.

2.

Bij elke maximumschaal behoort een aanloopschaal als aangegeven in onderstaand schema.

aanloopschaalmaximumschaal
89
810
10 11
11 12
12 13
13 14
14 15
15 16
16 17
17 18

Artikel I-Q104

1.

Bij benoeming van een betrokkene niet zijnde een betrokkene als bedoeld in artikel I-A1 onder e5, e6, e10, e13 tot en met e15, e17 en e18 tot in een functie als bedoeld in dit hoofdstuk wordt in afwijking van het bepaalde in de artikelen I-P7 tot en met I-P11 het voor hem geldende salarisbedrag vastgesteld als volgt:

a. a. eerst wordt bepaald welk salarisbedrag voor hem in de functie bedoeld in dit hoofdstuk zou gelden op de voet van het bepaalde in de artikelen I-P7 tot en met I-P11, waarbij voor de toepassing van die artikelen elke schaal voorkomende in de bijlage 1A bij dit besluit geacht wordt te behoren bij die functies. b. b. vervolgens wordt bezien van welke salarisschalen die behoren bij de desbetreffende functie het minimumsalaris lager is dan het onder a bepaalde bedrag, de betrokkene wordt vervolgens ingeschaald in de hoogste van deze salarisschalen en wel op het onder a bepaalde salarisbedrag of indien dat bedrag in die salarisschaal niet voorkomt op het naasthogere bedrag. c. c. indien het onder a bepaalde salarisbedrag lager is dan het laagste salarisbedrag in de aanloopschaal behorende bij de desbetreffende functie wordt het salaris vastgesteld op het onder a gevonden bedrag in de hoogst mogelijke in de bijlage bij dit besluit voorkomende salarisschaal welke gelegen is onder evenbedoelde aanloopschaal; indien het onder a bedoelde bedrag in die schaal niet voorkomt vindt de inschaling plaats op het naasthogere in die schaal voorkomende bedrag.

2. Indien het bepaalde in het eerste lid leidt tot een salarisbedrag dat lager is dan het laagste bedrag van het begintraject dan wel de laagste aanloopschaal behorende bij de hoogste maximumschaal die ingevolge het bepaalde in hoofdstuk I-R aan de instelling geldt voor de betrokkene bedoeld in artikel I-R101, eerste lid, onder b, wordt het salaris van de betrokkene die in een functie als bedoeld in dit hoofdstuk wordt benoemd, vastgesteld op dat laagste bedrag.

Artikel I-Q105

1. Zodra aan de betrokkene op grond van het bepaalde in artikel I-P13 een periodieke verhoging wordt toegekend en zijn salaris dan ten minste gelijk is aan het aanvangsbedrag van een naasthogere schaal, wordt zijn salaris bepaald volgens die hogere schaal, evenwel niet volgens een hogere schaal dan de maximumschaal die bij zijn functie behoort.

2. Zolang voor de betrokkene het salaris wordt bepaald volgens een lagere schaal dan de bij zijn functie behorende aanloopschaal en toekenning van een periodieke verhoging als bedoeld in artikel I-P13 en toepassing van het bepaalde in het eerste lid nog niet leiden tot een salarisbedrag dat ten minste gelijk is aan het laagste bedrag in de aanloopschaal, wordt hem telkens bij de toepassing van artikel I-P13 op de in dat artikel vermelde datum één extra periodieke verhoging toegekend. Het bepaalde in het eerste lid ten aanzien van de salarisvaststelling volgens de naasthogere schaal is van overeenkomstige toepassing.

Artikel I-Q106

1. Indien het bepaalde in één der paragrafen 2 en 3 en 6 tot en met 10 gedurende drie achtereenvolgende schooljaren tot een hogere maximumschaal voor de desbetreffende functie bij de instelling leidt, geldt met ingang van het derde schooljaar het carrièrepatroon dat behoort bij de functie met die hogere maximumschaal voor de betrokkene.

2. De betrokkene die gedurende een periode van drie aaneengesloten schooljaren benoemd is in dezelfde functie waarbij op grond van het bepaalde in één der paragrafen 2 tot en met 15 dezelfde maximumschaal behoort, behoudt aanspraak op bezoldiging volgens het carrièrepatroon dat behoort bij de functie met die maximumschaal zolang hij in de desbetreffende functie aan dezelfde instelling of instellingen benoemd blijft.

3. De betrokkene wiens bezoldiging wordt vastgesteld volgens de voor hem geldende maximumschaal, behoudt aanspraak op bezoldiging volgens die schaal zolang hij in de desbetreffende functie benoemd blijft.

4. Ten aanzien van de betrokkene bedoeld in artikel I-A1, onder e6 en e13 wordt in het eerste en tweede lid voor "schooljaar" dan wel "schooljaren" gelezen: "kalenderjaar" dan wel "kalenderjaren".

Artikel I-Q107

1. Indien de directeur van een instelling waarbij geen andere functie als bedoeld in hoofdstuk I-Q in de formatie is opgenomen gedurende meer dan 30 aaneengesloten kalenderdagen anders dan wegens vakantieverlof verhinderd is zijn werkzaamheden te verrichten, wordt voor de aan de instelling werkzame betrokkene bedoeld in hoofdstuk I-R die de directeurstaken volledig waarneemt met ingang van de 31e dag van de vervanging en zolang hij met de volledige vervanging is belast, een salaris en een toelage als bedoeld in artikel I-Q209b vastgesteld alsof hij in die functie was benoemd.

2. Indien de directeur van een instelling gedurende meer dan één jaar verhinderd is zijn werkzaamheden te verrichten, wordt indien vervanging is toegestaan voor de aan de instelling benoemde adjunct-directeur die de directeurstaken volledig waarneemt na één jaar volledige vervanging en zolang hij met de volledige vervanging is belast, een salaris en een toelage als bedoeld in artikel I-Q209b vastgesteld alsof hij in die functie was benoemd.

3. Het tweede lid is, indien vervanging is toegestaan, voor zover het de vaststelling van het salaris betreft, van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de betrokkene bedoeld in hoofdstuk I-R, voor zover hij de adjunct-directeurstaken langer dan één jaar volledig waarneemt.

4. Na de beëindiging van de volledige vervanging bedoeld in het eerste tot en met derde lid, wordt het salaris van de betrokkene die de functie van directeur dan wel adjunct-directeur heeft waargenomen vastgesteld op het bedrag dat behoort bij het salarisnummer en de schaal die voor hem zouden hebben gegolden indien de waarneming niet zou hebben plaatsgevonden.

Artikel I-Q108

Nadat toepassing is gegeven aan het bepaalde in artikel I-R102, tweede lid, verdeelt het bevoegd gezag de werkzaamheden onder de leden van de directie na overleg met de betrokkenen zodanig dat een zo veel mogelijk evenwichtige taakbelasting plaatsvindt in verhouding tot de functie en de omvang van ieders betrekking.

Artikel I-Q109

Vervallen

Paragraaf 2. Instellingen voor basisonderwijs

Artikel I-Q201

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

a. a. directeur: de directeur van een basisschool of een speciale school voor basisonderwijs als bedoeld in artikel A1, onder d1; b. b. adjunct-directeur: degene die is benoemd in een functie bedoeld in paragraaf 2 van hoofdstuk I-R die tevens is benoemd tot adjunct-directeur; c. c. directie: de directeur of directeuren, de eventuele adjunct-directeuren en de eventuele andere betrokkenen die zijn benoemd in een functie die is ingedeeld in hoofdstuk I-Q gezamenlijk. d. d. betrokkene: degene die deel uitmaakt van de directie; e. e. y: het aantal leerlingen op 1 oktober van het voorafgaande schooljaar, welk aantal voor basisscholen wordt verhoogd met 3% van dat aantal leerlingen en naar beneden afgerond op een geheel getal; f. f. instelling: een basisschool of een speciale school voor basisonderwijs als bedoeld in artikel I-A1, onder d1.

Artikel I-Q202

De normfuncties voor de directie die in de formatie van een instelling kunnen voorkomen zijn de normfunctie van directeur en van adjunct-directeur. In de bijlage Q1 bij dit besluit is voor deze functies een taakkarakteristiek gegeven voor onderscheidenlijk basisscholen en speciale scholen voor basisonderwijs.

Artikel I-Q203

1. De betrokkene die is benoemd in een normbetrekking en die het verlof, bedoeld in artikel I-C41, per jaar geniet, wordt gemiddeld voor ten hoogste 930 uren per jaar belast met het geven van onderwijs als bedoeld in de taakkarakteristiek van de normfunctie leraar als opgenomen in bijlage R1 van dit besluit. Voor de betrokkene die gebruik maakt van het verlof, bedoeld in artikel I-C41, zevende lid, en voor wie een arbeidsduur op jaarbasis geldt van 1710 uren respectievelijk 1790 uren wordt in de eerste volzin voor «930 uren» gelezen «961 uren» respectievelijk «1010 uren».

2. Binnen een normbetrekking is 10% van de normbetrekking en indien gebruik wordt gemaakt van artikel I-C41, zevende lid, 10% van de arbeidsduur op jaarbasis, bedoeld in artikel I-P3, tweede of derde lid, bestemd voor activiteiten in het kader van de deskundigheidsbevordering. De besteding van het in de eerste volzin bedoelde deel van de normbetrekking respectievelijk de arbeidsduur op jaarbasis wordt door betrokkene bepaald, met dien verstande dat het bevoegd gezag in individuele gevallen en schriftelijk gemotiveerd daarvan kan afwijken.

3. Na verkregen instemming van het decentraal georganiseerd overleg kan aan instellingen waarvoor op jaarbasis een onderwijstijd geldt van meer dan 1010 doch ten hoogste 1040 uur betrokkene voor maximaal die aan de instelling geldende onderwijstijd worden belast met het geven van onderwijs.

4. Voor de betrokkene die is benoemd in een betrekking met een omvang van minder dan een normbetrekking wordt het maximum aantal uren, bedoeld in het eerste lid, en de deskundigheidsbevordering, bedoeld in het tweede lid, naar evenredigheid van de werktijdfactor berekend en rekenkundig afgerond op gehele uren.

5. In individuele gevallen kunnen door het bevoegd gezag en betrokkene van het percentage genoemd in het tweede lid afwijkende afspraken worden gemaakt.

Artikel I-Q204

1.

De maximumschaal die voor de normfunctie van directeur geldt, wordt afhankelijk van y vastgesteld volgens onderstaand schema:

a. a. voor wat betreft basisscholen

              y
            
            
              maximumschaal
            
          
          
            
              tot en met 199
            
            
              10 
            
          
        
        
          
            
              200 tot en met 899
            
            
              11 
            
          
          
            
              900 en hoger
            
            
              12

b. b. voor wat betreft speciale scholen voor basisonderwijs

              y
            
            
              maximumschaal
            
          
          
            
              tot en met 199
            
            
              11 
            
          
        
        
          
            
              200 en hoger
            
            
              12

2.

Met inachtneming van het vierde lid en de voorschriften bedoeld in het vijfde lid kan het bevoegd gezag besluiten aan een instelling twee normfuncties directeur te vervullen. In dat geval wordt de maximumschaal voor ieder van deze functies, in afwijking van het eerste lid en met inachtneming van het derde lid, vastgesteld volgens het onderstaande schema:

a. a. voor wat betreft basisscholen

              y
            
            
              maximumschaal
            
          
          
            
              tot en met 899
            
            
              10 
            
          
        
        
          
            
              900 en hoger
            
            
              11

b. b. voor wat betreft speciale scholen voor basisonderwijs

              y
            
            
              maximumschaal
            
          
          
            
              tot en met 199
            
            
              11 
            
          
        
        
          
            
              200 en hoger
            
            
              12

3.

Bij de toepassing van het tweede lid wordt, in afwijking van artikel I-P1, onder g,

a. a. voor de normfunctie van directeur van een basisschool waarvan y kleiner is dan 200, het maximumsalaris van schaal 10 vastgesteld op het bedrag dat is vermeld bij salarisnummer 10 in die schaal; b. b. voor de normfunctie van directeur van een speciale school voor basisonderwijs waarvan y

        1°.
        kleiner is dan 100, het maximumsalaris vastgesteld op het bedrag dat is vermeld bij salarisnummer 6 in schaal 11;
      
      
        2°.
        gelijk is aan of groter dan 100 en kleiner dan 200, het maximumsalaris vastgesteld op het bedrag dat is vermeld bij salarisnummer 7 in schaal 11; 
      
      
        3°.
        gelijk is aan of groter dan 200, het maximumsalaris vastgesteld op het bedrag dat is vermeld bij salarisnummer 7 in schaal 12.

1°. 1°. kleiner is dan 100, het maximumsalaris vastgesteld op het bedrag dat is vermeld bij salarisnummer 6 in schaal 11; 2°. 2°. gelijk is aan of groter dan 100 en kleiner dan 200, het maximumsalaris vastgesteld op het bedrag dat is vermeld bij salarisnummer 7 in schaal 11; 3°. 3°. gelijk is aan of groter dan 200, het maximumsalaris vastgesteld op het bedrag dat is vermeld bij salarisnummer 7 in schaal 12.

4. Het bevoegd gezag kan een besluit tot het doen vervullen van twee normfuncties directeur niet nemen zolang aan de instelling een directeur is benoemd voor wie het salaris vastgesteld wordt op een bedrag dat hoger is dan het voor hem in het tweede en derde lid bij de aldaar vermelde leerlingenaantallen aangegeven maximumsalaris.

5. Indien aan een instelling met toepassing van het bepaalde in het tweede lid twee normfuncties directeur worden vervuld, is het bepaalde in artikel I-Q107 niet van toepassing.

6. Onze minister geeft voorschriften ter uitvoering van het bepaalde in het tweede, derde en vierde lid.

Artikel I-Q205

1.

In afwijking van het bepaalde in artikel I-P78, eerste lid, wordt aan een instelling waarvan y kleiner is dan 200 en waaraan met toepassing van het bepaalde in artikel I-Q204, tweede lid, twee normfuncties directeur worden vervuld, voor elk van deze functies bij een normbetrekking, afhankelijk van y, een aantal rekeneenheden verbruikt als is aangegeven in onderstaand schema:

a. a. voor wat betreft basisscholen;

              y
            
            
              verbruik 
            
          
          
            
              tot en met 99
            
            
              206 
            
          
        
        
          
            
              100 tot en met 199
            
            
              222

b. b. voor wat betreft speciale scholen voor basisonderwijs.

              y
            
            
              verbruik 
            
          
          
            
              tot en met 99
            
            
              232 
            
          
        
        
          
            
              100 tot en met 199
            
            
              249 
            
          
          
            
              200 en hoger
            
            
              285

2. Het bepaalde in artikel I-P78, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel I-Q206

De maximumschaal die voor de normfunctie adjunct-directeur geldt, wordt afhankelijk van y vastgesteld volgens het onderstaande schema.

a. a. voor wat betreft basisscholen;

            y
          
          
            maximumschaal
          
        
        
          
            tot en met 399
          
          
            9 
          
        
      
      
        
          
            400 tot en met 899
          
          
            10 
          
        
        
          
            900 en hoger
          
          
            11

b. b. voor wat betreft speciale scholen voor basisonderwijs.

            y
          
          
            maximumschaal
          
        
        
          
            tot en met 199
          
          
            10 
          
        
      
      
        
          
            200 en hoger
          
          
            11

Artikel I-Q207

Indien ingevolge de door het bevoegd gezag vastgestelde formatie bedoeld in artikel I-P76, tweede lid, onder a niet langer een adjunct-directeur als bedoeld in artikel I-Q206 kan zijn benoemd, blijft de betrokkene bedoeld in artikel I-R201 die als adjunct-directeur was benoemd aanspraak houden op het carrièrepatroon dat voor hem op de laatste dag van het voorafgaande schooljaar gold, indien dit carrièrepatroon gedurende ten minste drie onmiddellijk voorafgaande schooljaren aan die instelling of, in voorkomende gevallen, instellingen voor hem als leraar tevens adjunct-directeur heeft gegolden. De betrokkene behoudt deze aanspraak zolang hij aan dezelfde instelling of instellingen verbonden blijft.

Artikel I-Q208

1. Zonder voorafgaand ontslag kan een benoeming als leraar tevens adjunct-directeur niet worden beëindigd.

2. Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing ten aanzien van de leraar die als adjunct-directeur is benoemd en op wie artikel I-Q207 van toepassing is.

3. Zolang aan de instelling of, in voorkomende gevallen, instellingen een leraar is verbonden voor wie het bepaalde in artikel I-Q207 geldt, kan geen andere leraar tevens tot adjunct-directeur worden benoemd.

Artikel I-Q208a

Vervallen

Artikel I-Q208b

Vervallen

Artikel I-Q209

1. Indien het bepaalde in artikel I-Q204, tweede lid, onder a”“a”” moet zijn “a,”. aan een basisschool met twee normfuncties directeur gedurende drie achtereenvolgende schooljaren tot een hoger maximumsalaris voor de directeursfunctie leidt als gevolg van het feit dat y groter dan of gelijk aan 200 wordt, geldt met ingang van het derde schooljaar het carrièrepatroon dat behoort bij de functie met dat hogere maximumsalaris voor de directeur.

2. De directeur van een basisschool met twee normfuncties directeur die gedurende een periode van drie aaneengesloten schooljaren in de normfunctie van directeur benoemd is waarbij op grond van het bepaalde in artikel I-Q204, tweede lid, onder a”“a”” moet zijn “a,”. hetzelfde maximumsalaris behoort, behoudt in geval y kleiner wordt dan 200 aanspraak op bezoldiging volgens het carrièrepatroon dat behoort bij die functie met dat maximumsalaris zolang hij in de normfunctie van directeur aan dezelfde basisschool benoemd blijft.

3. Indien y kleiner wordt dan 200 blijft voor de directeur van een basisschool met twee normfuncties directeur wiens bezoldiging wordt vastgesteld volgens schaal 10, het maximumsalaris bepaald op het hoogste bedrag in die schaal zolang hij in de desbetreffende functie aan dezelfde basisschool verbonden blijft.

4. Indien op een andere grond dan een wijziging van y het bepaalde in artikel I-Q204 tot een hogere dan wel een lagere maximumschaal voor de normfunctie van directeur van de basisschool leidt, is het bepaalde in artikel I-Q106 niet van toepassing ten aanzien van deze wijzigingen van de maximumschaal.

Artikel I-Q209a

1. Indien het bepaalde in artikel I-Q204, derde lid, onder b, aan een speciale school voor basisonderwijs met twee normfuncties directeur gedurende drie achtereenvolgende schooljaren tot een hoger maximumsalaris voor de directeursfunctie leidt als gevolg van het feit dat y groter dan of gelijk aan 100, onderscheidenlijk 200 wordt, geldt met ingang van het derde schooljaar het carrièrepatroon dat behoort bij de functie met dat hogere maximumsalaris voor de directeur.

2. De directeur van een speciale school voor basisonderwijs met twee normfuncties directeur die gedurende een periode van drie aaneengesloten schooljaren in de normfunctie van directeur benoemd is waarbij op grond van het bepaalde in artikel I-Q204, derde lid, onder b, hetzelfde maximumsalaris behoort, behoudt in geval y kleiner wordt dan 100, onderscheidenlijk 200, aanspraak op bezoldiging volgens het carrièrepatroon dat behoort bij die functie met dat maximumsalaris zolang hij in de normfunctie van directeur aan dezelfde school benoemd blijft.

3. Indien y kleiner wordt dan 100, onderscheidenlijk 200, blijft voor de directeur van een speciale school voor basisonderwijs met twee normfuncties directeur wiens bezoldiging wordt vastgesteld volgens schaal 11, onderscheidenlijk schaal 12, het maximumsalaris bepaald op het bedrag genoemd in artikel I-Q204, derde lid, onder b, sub 2°, onderscheidenlijk sub 3° zolang hij in de desbetreffende functie aan dezelfde school verbonden blijft.

4. Indien op een andere grond dan een wijziging van y het bepaalde in artikel I-Q204 tot een hogere dan wel een lagere maximumschaal voor de normfunctie van directeur van de school leidt, is het bepaalde in artikel I-Q106 niet van toepassing ten aanzien van deze wijzigingen van de maximumschaal.

Artikel I-Q209b

1. Een betrokkene die is benoemd in de normfunctie van directeur of adjunct-directeur van een basisschool ontvangt een toelage als vermeld in bijlage 2, onder 4, bij de voor die betrokkene geldende maximumschaal.

2.

In afwijking van het eerste lid ontvangt een betrokkene met ingang van het derde schooljaar de toelage, vermeld in bijlage 2, onder 5, indien deze is benoemd:

a. a. in een normfunctie directeur aan een basisschool waarvan de factor y gedurende drie achtereenvolgende schooljaren gelijk is aan of groter is dan 400 en het carrièrepatroon geldt dat behoort bij maximumschaal 11; b. b. in een normfunctie adjunct-directeur aan een basisschool waarvan de factor y gedurende drie achtereenvolgende schooljaren gelijk is aan of groter is dan 200 en het carrièrepatroon geldt dat behoort bij maximumschaal 9.

3.

Indien de factor y kleiner is dan 900 en geen personeelslid is benoemd in de normfunctie directeur en maximaal één personeelslid in de normfunctie adjunct-directeur, geldt de toelage die in bijlage 2, onder 5, is vermeld:

a. a. voor het personeelslid dat is benoemd in een door het bevoegd gezag op grond van artikel I-P2, vierde lid, vastgestelde functie waarin hij onder leiding van een aan die school verbonden directeur is belast met directiewerkzaamheden; b. b. voor het personeelslid dat is benoemd als directeur van die school indien geen personeelslid een toelage op grond van a, ontvangt.

4. Een betrokkene die is benoemd in een normfunctie directeur van een basisschool voor wie het carrièrepatroon geldt dat behoort bij maximumschaal 11 en een betrokkene die is benoemd in een normfunctie adjunct-directeur van een basisschool voor wie het carrièrepatroon geldt dat behoort bij maximumschaal 9, voor wie de toelage, bedoeld in het tweede lid, geldt, behoudt aanspraak op die toelage zolang hij benoemd blijft in de desbetreffende functie aan dezelfde instelling of instellingen en voor hem dezelfde maximumschaal blijft gelden.

5. De toelage, bedoeld in het eerste tot en met vierde lid, van de betrokkene die is benoemd in een betrekking met een omvang anders dan die van een normbetrekking wordt berekend naar evenredigheid van die betrekkingsomvang. De aldus berekende uitkomst wordt op rekenkundige wijze afgerond op centen. Een toelage die op grond van dit artikel wordt berekend, kan nooit hoger zijn dan de toelage die volgens bijlage 2, onder 4 en 5, voor betrokkene zou gelden indien die betrokkene in een normbetrekking zou zijn benoemd.

6. Een toelage als bedoeld in dit artikel, telt niet mee voor de toepassing of overeenkomstige toepassing van artikel I-P8.

Artikel I-Q210

1. Indien op grond van artikel 29, eerste lid, derde volzin, van de Wet op het primair onderwijs een directeur van een basisschool tevens is belast met de leiding van een andere instelling waar de functie van directeur vacant is, kan het bevoegd gezag, zolang deze situatie zich voordoet en uitsluitend ten laste van eigen middelen aan die directeur boven zijn salaris een maandelijkse toelage toekennen ten bedrage van het verschil tussen het bedrag bij salarisnummer 12 in schaal 10 en het bedrag bij salarisnummer 11 in die schaal. Indien het een directeur van een speciale school voor basisonderwijs betreft, bedraagt de in de vorige volzin bedoelde toelage het verschil tussen het bedrag bij salarisnummer 9 in schaal 11 en het bedrag bij salarisnummer 8 in die schaal.

2. De in het eerste lid bedoelde toelage behoort niet tot het inkomen, als bedoeld in het pensioenreglement, en telt niet mee voor de berekening en vaststelling van uitkeringen ingevolge het Besluit werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel, het Besluit ziekte en arbeidsongeschiktheid onderwijs- en onderzoekpersoneel, alsmede de regeling voor vervroegde uittreding.

3. Indien de betrokkene niet in een normbetrekking is benoemd, wordt de toelage berekend naar evenredigheid van zijn betrekkingsomvang.

Artikel I-Q210a

Vervallen

Artikel I-Q211

Vervallen

Paragraaf 3. Instellingen voor speciaal onderwijs, instellingen voor voortgezet speciaal onderwijs en instellingen voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs

Artikel I-Q301

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

a. a. directeur: de directeur van een instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder d2; b. b. adjunct-directeur: degene die is benoemd in een functie bedoeld in paragraaf 3 van hoofdstuk I-R die tevens is benoemd tot adjunct-directeur; c. c. directie: de directeur of directeuren, de eventuele adjunct-directeuren en de eventuele andere betrokkenen die zijn benoemd in een functie die is ingedeeld in hoofdstuk I-Q gezamenlijk; d. d. betrokkene: degene die deel uitmaakt van de directie; e. e. instelling: een instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder d2; f. f. Q: de totale normatieve formatie naar boven afgerond op hele formatieplaatsen, berekend volgens artikel 16, vijfde lid, van het Formatiebesluit WEC of artikel 25, vijfde lid, van het Formatiebesluit W.V.O., dan wel, indien het een instelling voor onderwijs aan visueel gehandicapte kinderen betreft, berekend volgens artikel 26a van het Formatiebesluit WEC vermeerderd met de formatie toegekend op grond van artikel 117, vijfde lid, van de Wet op de expertisecentra.

Artikel I-Q302

De normfuncties voor de directie die in de formatie van een instelling kunnen voorkomen zijn de normfunctie van directeur en van adjunct-directeur. In de bijlage Q2 bij dit besluit is voor deze functies een taakkarakteristiek gegeven.

Artikel I-Q303

1. De betrokkene die is benoemd in een normbetrekking en die het verlof, bedoeld in artikel I-C41, per jaar geniet, wordt gemiddeld voor ten hoogste 930 uren per jaar belast met het geven van onderwijs als bedoeld in de taakkarakteristiek van de normfunctie leraar als opgenomen in de bijlage R2 van dit besluit. Voor de betrokkene die gebruik maakt van het verlof, bedoeld in artikel I-C41, zevende lid, en voor wie een arbeidsduur op jaarbasis geldt van 1710 uren respectievelijk 1790 uren wordt in de eerste volzin voor «930 uren» gelezen «961 uren» respectievelijk «1010 uren».

2. Binnen een normbetrekking is 10% van de normbetrekking en indien gebruik wordt gemaakt van artikel I-C41, zevende lid, 10% van de arbeidsduur op jaarbasis, bedoeld in artikel I-P3, tweede of derde lid, bestemd voor activiteiten in het kader van de deskundigheidsbevordering. De besteding van het in de eerste volzin bedoelde deel van de normbetrekking respectievelijk de arbeidsduur op jaarbasis wordt door betrokkene bepaald, met dien verstande dat het bevoegd gezag in individuele gevallen en schriftelijk gemotiveerd daarvan kan afwijken.

3. Na verkregen instemming van het decentraal georganiseerd overleg kan aan instellingen waarvoor op jaarbasis een onderwijstijd geldt van meer dan 1010 doch ten hoogste 1040 uur betrokkene voor maximaal die aan de instelling geldende onderwijstijd worden belast met het geven van onderwijs.

4. Voor de betrokkene die is benoemd in een betrekking met een omvang van minder dan een normbetrekking wordt het maximum aantal uren, bedoeld in het eerste lid, en de deskundigheidsbevordering, bedoeld in het tweede lid, naar evenredigheid van de werktijdfactor berekend en rekenkundig afgerond op gehele uren.

5. In individuele gevallen kunnen door het bevoegd gezag en betrokkene van het percentage genoemd in het tweede lid afwijkende afspraken worden gemaakt.

Artikel I-Q304

De maximumschaal die voor de normfunctie van directeur geldt, wordt afhankelijk van Q vastgesteld volgens het onderstaande schema.

Artikel I-Q305

De maximumschaal die voor de normfunctie adjunct-directeur geldt, wordt afhankelijk van Q vastgesteld volgens het onderstaande schema.

Artikel I-Q306

Indien ingevolge de door het bevoegd gezag vastgestelde formatie bedoeld in artikel I-P76, tweede lid, onder a niet langer een adjunct-directeur als bedoeld in artikel I-Q305 kan zijn benoemd, blijft de betrokkene bedoeld in artikel I-R301 die als adjunct-directeur was benoemd aanspraak houden op het carrièrepatroon dat voor hem op de laatste dag van het voorafgaande schooljaar gold, indien dit carrièrepatroon gedurende ten minste drie onmiddellijk voorafgaande schooljaren aan die instelling of, in voorkomende gevallen, instellingen voor hem als leraar tevens adjunct-directeur heeft gegolden. De betrokkene behoudt deze aanspraak zolang hij aan dezelfde instelling of instellingen verbonden blijft.

Artikel I-Q307

1. Zonder voorafgaand ontslag kan een benoeming als leraar tevens adjunct-directeur niet worden beëindigd.

2. Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op de leraar die als adjunct-directeur is benoemd en op wie artikel I-Q306 van toepassing is.

3. Zolang aan de instelling of, in voorkomende gevallen, instellingen een leraar is verbonden voor wie het bepaalde in artikel I-Q306 geldt, kan geen andere leraar tevens tot adjunct-directeur worden benoemd.

Artikel I-Q308

1. Indien op grond van artikel 29, eerste lid, derde volzin, van de Wet op de expertisecentra of artikel 149, eerste lid, derde volzin, van de Wet op het voortgezet onderwijs een directeur van een instelling tevens is belast met de leiding van een andere instelling waar de functie van directeur vacant is, kan het bevoegd gezag, zolang deze situatie zich voordoet en uitsluitend ten laste van eigen middelen aan die directeur boven zijn salaris een maandelijkse toelage toekennen te bedrage van het verschil tussen het bedrag bij salarisnummer 9 in schaal 11 en het bedrag bij salarisnummer 8 in die schaal.

2. De in het eerste lid bedoelde toelage behoort niet tot het inkomen, bedoeld in het pensioenreglement, en telt niet mee voor de berekening en vaststelling van uitkeringen ingevolge het Besluit werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel, het Besluit ziekte en arbeidsongeschiktheid onderwijs- en onderzoekpersoneel, alsmede de regeling voor vervroegde uittreding.

3. Indien de betrokkene niet in een normbetrekking is benoemd, wordt de toelage berekend naar evenredigheid van zijn betrekkingsomvang.

Artikel I-Q308a

Vervallen

Artikel I-Q309

Vervallen

Artikel I-Q310

Vervallen

Artikel I-Q310a

Vervallen

Artikel I-Q311

Vervallen

Paragraaf 4. Instellingen voor voortgezet onderwijs

Artikel I-Q401

Vervallen

Artikel I-Q402

Vervallen

Artikel I-Q403

Vervallen

Artikel I-Q403a

Vervallen

Artikel I-Q404

Vervallen

Artikel I-Q405

Vervallen

Artikel I-Q406

Vervallen

Artikel I-Q407

Vervallen

Artikel I-Q408

Vervallen

Artikel I-Q409

Vervallen

Artikel I-Q410

Vervallen

Artikel I-Q411

Vervallen

Artikel I-Q412

Vervallen

Artikel I-Q413

Vervallen

Artikel I-Q414

Vervallen

Artikel I-Q415

Vervallen

Artikel I-Q416

Vervallen

Artikel I-Q416a

Vervallen

Artikel I-Q417

Vervallen

Artikel I-Q418

Vervallen

Artikel I-Q419

Vervallen

Artikel I-Q420

Vervallen

Paragraaf 5A. Instellingen voor hoger beroepsonderwijs

Artikel I-Q501

Vervallen

Artikel I-Q502

Vervallen

Artikel I-Q503

Vervallen

Artikel I-Q504

Vervallen

Artikel I-Q505

Vervallen

Artikel I-Q506

Vervallen

Artikel I-Q507

Vervallen

Artikel I-Q507a

Vervallen

Artikel I-Q508

Vervallen

Artikel I-Q509

Vervallen

Artikel I-Q510

Vervallen

Artikel I-Q511

Vervallen

Artikel I-Q512

Vervallen

Paragraaf 5B. College van bestuur sui generis

Artikel I-Q551

Vervallen

Artikel I-Q552

Vervallen

Artikel I-Q553

Vervallen

Paragraaf 6. Landelijke organen

Artikel I-Q601

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

a. a. "instelling": een instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder d4; b. b. directie: de directeur, de eventuele adjunct-directeuren en de eventuele andere betrokkenen die zijn benoemd in een functie die is ingedeeld in hoofdstuk I-Q gezamenlijk; c. c. "directeur": het lid van de directie dat door het bevoegd gezag is benoemd tot directeur; d. d. "adjunct-directeur": het lid van de directie dat door het bevoegd gezag is benoemd tot adjunct-directeur; e. e. "betrokkene": degene die deel uitmaakt van de directie; f. f. "leerovereenkomst": de leerovereenkomst bedoeld in artikel 2.22 van de Wet op het cursorisch beroepsonderwijs.

Artikel I-Q602

1. Het bevoegd gezag benoemt in de directie ten hoogste vijf leden op maximaal drie formatieplaatsen.

2. In de bijlage Q5 bij dit besluit is voor de normfuncties directeur en adjunct-directeur een taakkarakteristiek gegeven.

3. In het georganiseerd overleg op instellingsniveau als bedoeld in hoofdstuk IV-E kan worden overeengekomen af te wijken van het bepaalde in artikel I-P3, tweede lid, mits daarbij de taakomvang op jaarbasis ongewijzigd blijft.

Artikel I-Q603

Het bevoegd gezag stelt een regeling op met betrekking tot de werktijd alsmede met betrekking tot de autorisatie en registratie van afwezigheid.

Artikel I-Q604

1. Voor de normfuncties van de directie gelden de maximumschalen als aangegeven in onderstaand schema.

2. Het aantal leerovereenkomsten wordt bepaald op dezelfde wijze als deze in aanmerking worden genomen voor de bekostiging in artikel I-H4.2 onder a van het Uitvoeringsbesluit WCBO.

Artikel I-Q605

Het bevoegd gezag kan regels opstellen ten aanzien van criteria waaraan de betrokkene moet hebben voldaan alvorens te kunnen worden bezoldigd volgens de bij zijn functie behorende maximumschaal.

Artikel I-Q606

Het bepaalde in artikel I-P53, eerste en derde lid, is niet van toepassing.

Artikel I-Q607

Vervallen

Artikel I-Q608

Vervallen

Artikel I-Q609

Vervallen

Artikel I-Q610

Vervallen

Artikel I-Q611

Vervallen

Artikel I-Q612

Vervallen

Artikel I-Q613

Vervallen

Artikel I-Q614

Vervallen

Artikel I-Q615

Vervallen

Paragraaf 7. Instituten voor vormingswerk voor jeugdigen

Artikel I-Q701

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

a. a. "instelling": de instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder d5; b. b. "centrale directie": de centrale directie van een instelling als bedoeld in artikel I-Q702; c. c. "voorzitter van de centrale directie": het lid van de centrale directie dat door het bevoegd gezag is benoemd tot voorzitter van de centrale directie; d. d. "betrokkene": degene die deel uitmaakt van de centrale directie, bedoeld onder b.

Artikel I-Q702

1. Het bevoegd gezag benoemt in de centrale directie ten hoogste vijf leden op maximaal drie formatieplaatsen.

2.

De centrale directie van een horizontale scholengemeenschap kan worden uitgebreid tot ten hoogste het aantal formatieplaatsen als is aangegeven in onderstaand schema.

indien de scholengemeenschap bestaat uit: is het aantal formatieplaatsen:
vormingswerk, mbo of bbo of vavo en basiseducatie 4
vormingswerk, mbo en bbo en/of vavo en/of basiseducatie 4
vormingswerk, mbo, bbo, vavo, en basiseducatie 5

3. In een centrale directie van vier formatieplaatsen kunnen maximaal zes leden en in een centrale directie van vijf formatieplaatsen kunnen maximaal zeven leden worden benoemd.

4. In de bijlage Q6 bij dit besluit is voor de functies voorzitter van de centrale directie en lid van de centrale directie een taakkarakteristiek gegeven.

5. In het georganiseerd overleg op instellingsniveau als bedoeld in hoofdstuk IV-E kan worden overeengekomen af te wijken van het bepaalde in artikel I-P3, tweede lid, onder a, mits daarbij de taakomvang op jaarbasis ongewijzigd blijft.

Artikel I-Q703

Het bevoegd gezag stelt een regeling op met betrekking tot de werktijd alsmede met betrekking tot de autorisatie en registratie van afwezigheid.

Artikel I-Q704

1.

Voor de leden van de centrale directie gelden de maximumschalen als aangegeven in onderstaand schema.

functie indien de vergoeding uit s Rijks Kas voor personele en exploitatiekosten gezamenlijk het volgende bedrag is maximumschaal
voorzitter f 1 000 000 of meer doch minder dan f 1 500 000 11
f 1 500 000 of meer 12
lid f 1 000 000 of meer doch minder dan f 1 500 000 10
f 1 500 000 of meer 11

2. Indien het bevoegd gezag hem bij wettelijk voorschrift opgedragen taken en bevoegdheden heeft overgedragen aan de centrale directie, worden de in het eerste lid genoemde schalen met één verhoogd.

Artikel I-Q705

1. Indien de horizontale scholengemeenschap bestaat uit 5 componenten als aangegeven in artikel I-Q702, eerste lid, worden de maximumschalen genoemd in artikel I-Q704, eerste lid, met één verhoogd.

2. Indien de vaststelling van de maximumschalen op basis van het bepaalde in de artikelen I-Q1205 en I-Q1206a dan wel de artikelen I-Q1405 en I-Q1406 dan wel de artikelen I-Q1505 en I-Q1506, hoger is dan de uitkomst van de vaststelling van de maximumschalen overeenkomstig het eerste lid, worden de maximumschalen overeenkomstig de artikelen I-Q1205 en I-Q1206a dan wel de artikelen I-Q1405 en I-Q1406, dan wel de artikelen I-Q1505 en I-Q1506 vastgesteld, met dien verstande dat de maximumschaal niet hoger dan schaal 18 kan zijn.

3. Artikel I-Q704, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel I-Q706

Het bevoegd gezag kan regels opstellen ten aanzien van criteria waaraan de betrokkene moet hebben voldaan alvorens te kunnen worden bezoldigd volgens de bij zijn functie behorende maximumschaal.

Artikel I-Q707

Het bepaalde in artikel I-P53, eerste en derde lid, is niet van toepassing.

Artikel I-Q708

Vervallen

Artikel I-Q709

Vervallen

Paragraaf 8. Instituten voor landbouwpraktijkonderwijs (IPC)

Artikel I-Q801

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

a. a. "instelling": de instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder d10; b. b. "centrale directie": de centrale directie van een instelling; c. c. "voorzitter van de centrale directie": het lid van de centrale directie dat door het bevoegd gezag is benoemd tot voorzitter van de centrale directie; d. d. "betrokkene": degene die deel uitmaakt van de centrale directie, bedoeld onder b; e. e. "cursistweek": een periode van een week gedurende welke een ingeschreven cursist instructie volgt met uitzondering van de in het kader van contractactiviteiten ingeschreven cursisten. f. f. "P": het aantal cursistweken per jaar.

Artikel I-Q802

1. Het bevoegd gezag benoemt in de centrale directie ten hoogste vijf leden op maximaal drie formatieplaatsen.

2. In de bijlage Q7 bij dit besluit is voor de functies voorzitter van de centrale directie en lid van de centrale directie een taakkarakteristiek gegeven.

3. In het georganiseerd overleg op instellingsniveau als bedoeld in hoofdstuk IV-E kan worden overeengekomen af te wijken van het bepaalde in artikel I-P3, tweede lid, onder a, mits daarbij de taakomvang op jaarbasis ongewijzigd blijft.

Artikel I-Q803

Het bevoegd gezag stelt een regeling op met betrekking tot de werktijd alsmede met betrekking tot de autorisatie en registratie van afwezigheid.

Artikel I-Q804

1.

Voor de leden van de centrale directie gelden de maximumschalen als aangegeven in onderstaand schema.

Functie indien p is maximumschaal
voorzitter minder dan 10 000 schaal 13
10 000 of meer doch minder dan 15 000 schaal 14
15 000 of meer schaal 15
lid minder dan 10 000 schaal 12
10 000 of meer doch minder dan 15 000 schaal 13
15 000 of meer schaal 14

2. Indien het bevoegd gezag hem bij wettelijk voorschrift opgedragen taken en bevoegdheden heeft overgedragen aan de centrale directie, worden de in het eerste lid genoemde schalen met één verhoogd.

Artikel I-Q805

Het bevoegd gezag kan regels opstellen ten aanzien van criteria waaraan de betrokkene moet hebben voldaan alvorens te kunnen worden bezoldigd volgens de bij zijn functie behorende maximumschaal.

Artikel I-Q806

Het bepaalde in artikel I-P53, eerste en derde lid, is niet van toepassing.

Artikel I-Q807

Het is het bevoegd gezag niet toegestaan de betrokkene extra beloning toe te kennen in de vorm van een periodieke verhoging, bedoeld in artikel I-P53, in de vorm van buitengewone toelage, bedoeld in artikel I-P55, dan wel in de vorm van een gratificatie, bedoeld in artikel I-P56, in situaties waarin tevens sprake is van gedwongen ontslag van een of meer personeelsleden.

Artikel I-Q808

Vervallen

Artikel I-Q809

Vervallen

Artikel I-Q810

Vervallen

Paragraaf 9. Instellingen voor basiseducatie

Artikel I-Q901

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

a. a. directeur/coördinator: de directeur/coördinator van een instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder d6; b. b. adjunct-directeur/coördinator: de adjunct-directeur/coördinator van een instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder d6; c. c. plaatsvervangend directeur/coördinator: de adjunct-directeur/coördinator die tevens is benoemd tot plaatsvervangend directeur/coördinator van een instelling als bedoeld in artikel I-A1 , onder d6; d. d. directie: de directeur/coördinator of directeuren/coördinator, de eventuele adjunct-directeur of adjunct-directeuren/coördinator en de eventuele andere betrokkenen die zijn benoemd in een functie die is ingedeeld in hoofdstuk I-Q gezamenlijk; e. e. betrokkene: degene die deel uitmaakt van de directie; f. f. deelnemersuur: een eenheid van 60 minuten gedurende welke een deelnemer daadwerkelijk aan een programma deelneemt.

Artikel I-Q902

Naast de normfunctie van directeur/coördinator, kunnen de normfuncties van adjunct-directeur/coördinator en adjunct-directeur/coördinator tevens plaatsvervangend directeur/coördinator voorkomen met een maximumschaal als aangegeven in artikel I-Q905.

In de bijlage Q8 bij dit besluit is voor deze normfuncties een taakkarakteristiek gegeven.

Artikel I-Q903

Het totaal aantal deelnemersuren in een kalenderjaar, bedoeld in artikel I-Q905 is voor de toepassing van deze paragraaf gelijk aan het aantal deelnemersuren, dat voor de instelling is opgenomen in het voor dat kalenderjaar door de desbetreffende gemeenteraad vastgestelde programma basiseducatie en de daarbij behorende opgave van geraamde kosten.

Artikel I-Q904

De maximumschaal die voor de in artikel I-Q902 genoemde normfuncties gelden, worden afhankelijk van het aantal deelnemersuren vastgesteld volgens onderstaand schema:

Artikel I-Q905

Indien een instelling als bedoeld in artikel I-A1 onder d6 deel uit maakt van een horizontale scholengemeenschap als bedoeld in artikel I-Q101, eerste lid, onderdeel c, sub 2, zijn voor de betrokkenen de bepalingen van paragraaf 15 van overeenkomstige toepassing.

Artikel I-Q906

Vervallen

Artikel I-Q907

Vervallen

Artikel I-Q908

Vervallen

Artikel I-Q909

Vervallen

Artikel I-Q910

Vervallen

Artikel I-Q911

Vervallen

Artikel I-Q912

Vervallen

Paragraaf 10. Verzorgingsinstellingen

Artikel I-Q1001

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

a. a. instelling: de instelling bedoeld in artikel I-A1 onder d12; b. b. directeur: de directeur van een instelling; c. c. adjunct-directeur: de adjunct-directeur van een instelling; d. d. plaatsvervangend directeur: de adjunct-directeur die tevens is benoemd tot plaatsvervangend directeur van een instelling; e. e. directie: de directeur, de adjunct-directeuren en de eventuele andere betrokkenen die zijn benoemd in een functie die is ingedeeld in hoofdstuk I-Q gezamenlijk; f. f. betrokkene: degene die deel uitmaakt van de directie; g. g. algemene instellingen: landelijke en pedagogische centra en schoolbegeleidingsdiensten; h. h. specifieke instellingen: het Instituut voor Onderzoek van het Onderwijs, het Instituut voor Toetsontwikkeling en het Instituut voor Leerplanontwikkeling.

Artikel I-Q1002

De normfuncties die met inachtneming van het in het Uitvoeringsbesluit WOV gestelde in de directie kunnen voorkomen zijn die van directeur, adjunct-directeur en adjunct-directeur tevens plaatsvervangend directeur. In de bijlage Q9 is voor deze normfuncties een taakkarakteristiek gegeven.

Artikel I-Q1003

De maximumschalen voor de normfuncties voor de directie van de landelijke pedagogische centra zijn:

a. a. voor de directeur schaal 16; b. b. voor de plaatsvervangend directeur schaal 15; c. c. voor de adjunct-directeur schaal 14.

Artikel I-Q1004

De maximumschaal voor de normfunctie van directeur, plaatsvervangend directeur en adjunct-directeur bij schoolbegeleidingsdiensten wordt vastgesteld volgens het onderstaande schema:

Artikel I-Q1005

De maximumschaal voor de normfunctie van directeur van het Instituut voor Onderzoek van het Onderwijs is schaal 16.

Artikel I-Q1006

De maximumschalen voor de normfuncties voor de directie van het Instituut voor Toetsontwikkeling zijn:

a. a. voor de directeur schaal 16; b. b. voor de plaatsvervangend directeur schaal 15; c. c. voor de adjunct-directeur schaal 14.

Artikel I-Q1007

De maximumschalen voor de normfuncties voor de directie van het Instituut voor Leerplanontwikkeling zijn:

a. a. voor directeur schaal 16; b. b. voor de plaatsvervangend directeur schaal 15; c. c. voor de adjunct-directeur schaal 14.

Artikel I-Q1008

Vervallen

Artikel I-Q1009

Vervallen

Artikel I-Q1010

Vervallen

Artikel I-Q1011

Vervallen

Artikel I-Q1012

Vervallen

Paragraaf 11. Instellingen ondersteuning volwasseneneducatie

Artikel I-Q1101

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

a. a. directeur: de directeur van een instelling, als bedoeld in artikel I-A1, onder d13; b. b. adjunct-directeur: de adjunct-directeur van een instelling, als bedoeld in artikel I-A1, onder d13; c. c. plaatsvervangend directeur: de adjunct-directeur van de landelijke instelling "Centrum voor de Innovatie van Beroepsonderwijs Bedrijfsleven", bedoeld in de artikelen I-Q1102 en I-Q1108 tot en met I-Q1110, die tevens is benoemd tot plaatsvervangend directeur van die instelling; d. d. directie: de directeur, de eventuele adjunct-directeuren en de eventuele andere betrokkenen die zijn benoemd in een functie die is ingedeeld in hoofdstuk I-Q gezamenlijk; e. e. betrokkene: degene die deel uitmaakt van de directie.

Artikel I-Q1102

1.

De normfuncties die in de directie kunnen voorkomen zijn die van:

a. a. directeur voor zover het betreft de landelijke instelling het "Landelijk studie- en ontwikkelingscentrum voor de volwasseneneducatie"; b. b. directeur en adjunct-directeur voor zover het betreft de landelijke instelling het "Centrum voor de Innovatie van Beroepsonderwijs Bedrijfsleven"; c. c. directeur en adjunct-directeur voor zover het betreft de regionale, plaatselijke en provinciale instellingen.

Voor deze normfuncties is in de bijlage Q10 een taakkarakteristiek gegeven.

2. Aan de regionale instellingen, genoemd in het eerste lid, onder c, kan slechts een adjunct-directeur worden benoemd, indien de maximumschaal voor de normfunctie directeur gelijk is aan of hoger is dan schaal 12.

Artikel I-Q1103

Vervallen

Artikel I-Q1104

1. De maximumschaal voor de normfunctie van directeur van een regionale instelling is schaal 11.

2.

In afwijking van het eerste lid is de maximumschaal voor de normfunctie van directeur van een regionale instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder d13 sub a, schaal 12 indien:

a. a. de instelling uit de door de desbetreffende provincie van het Rijk ontvangen bijdrage een subsidie krijgt die gelijk is aan of groter is dan een bepaald door Onze minister vast te stellen bedrag; b. b. de subsidie die de instelling krijgt uit de door de desbetreffende provincie van het Rijk ontvangen bijdrage samen met eigen bijdragen van gemeente of provincie en eventueel op andere wijze verworven middelen het door Onze minister vast te stellen bedrag, bedoeld onder a, te boven gaat en Onze minister op een daartoe strekkend verzoek van het bevoegd gezag heeft goedgekeurd dat schaal 12 wordt toegepast.

3. In afwijking van het eerste lid is de maximumschaal voor de normfunctie van directeur van een regionale instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder d13 sub b, schaal 12 indien de van het rijk ontvangen bijdrage samen met op andere wijze verworven middelen gelijk is aan of groter is dan een door Onze minister vast te stellen bedrag en Onze minister op een daartoe strekkend verzoek van het bevoegd gezag heeft goedgekeurd dat schaal 12 wordt toegepast.

Artikel I-Q1105

De maximumschaal voor de normfunctie van directeur van een plaatselijke of provinciale instelling is schaal 12.

Artikel I-Q1106

De maximumschaal voor de normfunctie van adjunct-directeur van een regionale, plaatselijke of provinciale instelling is schaal 11.

Artikel I-Q1107

De maximumschaal voor de normfunctie van directeur van de landelijke instelling het "Landelijk studie- en ontwikkelingscentrum voor de volwasseneneducatie" is schaal 14.

Artikel I-Q1108

De maximumschaal voor de normfunctie van directeur van de landelijke instelling het "Centrum voor de Innovatie Beroepsonderwijs Bedrijfsleven" is schaal 16.

Artikel I-Q1109

De maximumschaal voor de normfunctie van plaatsvervangend directeur van de landelijke instelling het "Centrum voor de Innovatie Beroepsonderwijs Bedrijfsleven" is schaal 15.

Artikel I-Q1110

De maximumschaal voor de normfunctie van adjunct-directeur van de landelijke instelling het "Centrum voor de Innovatie van Beroepsonderwijs Bedrijfsleven" is schaal 14.

Artikel I-Q1111

Vervallen

Artikel I-Q1112

Vervallen

Artikel I-Q1113

Vervallen

Artikel I-Q1114

Vervallen

Artikel I-Q1115

Vervallen

Artikel I-Q1116

Vervallen

Artikel I-Q1117

Vervallen

Artikel I-Q1118

Vervallen

Artikel I-Q1119

Vervallen

Artikel I-Q1120

Vervallen

Paragraaf 12. Instellingen voor middelbaar beroepsonderwijs, voor zover bekostigd door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen

Artikel I-Q1201

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

a. a. "instelling": de instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder d14; b. b. "centrale directie": de centrale directie van een instelling als bedoeld in artikel I-Q1202; c. c. "voorzitter van de centrale directie": het lid van de centrale directie dat door het bevoegd gezag is benoemd tot voorzitter van de centrale directie; d. d. "directie": de leden van de centrale directie, de adjunct-directeur en de eventuele andere betrokkenen die zijn benoemd in een functie die is ingedeeld in hoofdstuk I-Q gezamenlijk; e. e. "y": het aantal leerlingen van de instelling dat middelbaar beroepsonderwijs volgt; f. f.

    vervallen;

g. g. "verticale scholengemeenschap: een scholengemeenschap, bedoeld in artikel I-Q101, eerste lid, onderdeel c, onder 3; h. h. "adjunct-directeur": de adjunct-directeur, bedoeld in artikel I-Q1203 en artikel I-Q1209. i. i. "betrokkene": degene die deel uitmaakt van de directie.

Artikel I-Q1202

1. Behoudens het bepaalde in artikel I-Q1203 benoemt het bevoegd gezag in de centrale directie ten hoogste vijf leden op maximaal drie formatieplaatsen.

2.

De centrale directie van een horizontale scholengemeenschap kan worden uitgebreid tot ten hoogste het aantal formatieplaatsen als is aangegeven in onderstaand schema:

3. In een centrale directie van vier formatieplaatsen kunnen maximaal zes leden, in een centrale directie van vijf formatieplaatsen kunnen maximaal zeven leden worden benoemd.

4. In de bijlage Q11 bij dit besluit is voor de functies voorzitter van de centrale directie en lid van de centrale directie een taakkarakteristiek gegeven.

5. In het georganiseerd overleg op instellingsniveau als bedoeld in hoofdstuk IV-E kan worden overeengekomen af te wijken van het bepaalde in artikel I-P3, tweede lid, mits daarbij de taakomvang op jaarbasis ongewijzigd blijft.

Artikel I-Q1203

Aan instellingen die deel uitmaken van een onderwijsgemeenschap als bedoeld in artikel I-Q101, onder d, kan de normfunctie van adjunct-directeur voorkomen, onverminderd het bepaalde in artikel I-Q1209. De maximumschaal voor de functie wordt vastgesteld overeenkomstig artikel I-Q404 voor de normfunctie plaatsvervangend directeur.

Artikel I-Q1204

Het bevoegd gezag stelt een regeling op met betrekking tot de werktijd alsmede met betrekking tot de autorisatie en registratie van afwezigheid.

Artikel I-Q1205

1.

Voor de leden van de centrale directie gelden de maximumschalen als aangegeven in onderstaand schema.

functie indien y is maximumschaal
voorzitter 600 of meer doch minder dan 1000 schaal 13
1000 of meer doch minder dan 4000 schaal 14
4000 of meer doch minder dan 8000 schaal 15
8000 of meer schaal 16
lid 600 of meer doch minder dan 1000 schaal 12
1000 of meer doch minder dan 4000 schaal 13
4000 of meer doch minder dan 8000 schaal 14
8000 of meer schaal 15

2. Indien het bevoegd gezag hem bij wettelijk voorschrift opgedragen taken en bevoegdheden heeft overgedragen aan de centrale directie, worden de in het eerste lid genoemde schalen met één verhoogd.

Artikel I-Q1206

Indien y van de instelling minder dan 600 bedraagt, worden de maximumschalen van de centrale directie vastgesteld overeenkomstig artikel I-Q404, met dien verstande dat in dat artikel voor directeur wordt gelezen: voorzitter en voor plaatsvervangend directeur: lid.

Artikel I-Q1206a

1. Indien de horizontale scholengemeenschap bestaat uit 5 componenten als aangegeven in artikel I-Q1202, tweede lid, worden de maximumschalen genoemd in artikel I-Q1205, eerste lid, met een verhoogd.

2. Indien de vaststelling van de maximumschalen op basis van het bepaalde in de artikelen I-Q1405 en I-Q1406 dan wel de artikelen I-Q1505 en I-Q1506, hoger is dan de uitkomst van de vaststelling van de maximumschalen overeenkomstig het eerste lid, worden de maximumschalen overeenkomstig de artikelen I-Q1405 en I-Q1406 dan wel de artikelen I-Q1505 en I-Q1506 vastgesteld, met dien verstande dat de maximumschaal niet hoger dan schaal 18 kan zijn.

3. Artikel I-Q1205, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel I-Q1207

Het bevoegd gezag kan regels opstellen ten aanzien van criteria waaraan de betrokkene moet hebben voldaan alvorens te kunnen worden bezoldigd volgens de bij zijn functie behorende maximumschaal.

Artikel I-Q1208

Het bepaalde in artikel I-P53, eerste en derde lid, is niet van toepassing.

Artikel I-Q1209

Vervallen

Artikel I-Q1210

Vervallen

Artikel I-Q1211

Vervallen

Artikel I-Q1212

Vervallen

Artikel I-Q1213

Vervallen

Artikel I-Q1214

Vervallen

Artikel I-Q1215

Vervallen

Artikel I-Q1216

Vervallen

Artikel I-Q1217

Vervallen

Artikel I-Q1218

Vervallen

Artikel I-Q1219

Vervallen

Artikel I-Q1220

Vervallen

Paragraaf 13. Instellingen voor lager en middelbaar beroepsonderwijs alsmede voor beroepsbegeleidend onderwijs in de sector landbouw en natuurlijke omgeving (AOC), voor zover bekostigd door de minister van landbouw, natuurbeheer en visserij

Artikel I-Q1301

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

a. a. "instelling": de instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder d15; b. b. "centrale directie": de centrale directie van een instelling; c. c. "voorzitter van de centrale directie": het lid van de centrale directie dat door het bevoegd gezag is benoemd tot voorzitter van de centrale directie; d. d. "directie": de leden van de centrale directie, de adjunct-directeur en de eventuele andere betrokkenen die zijn benoemd in een functie die is ingedeeld in hoofdstuk I-Q gezamenlijk; e. e. "y": het aantal leerlingen dat onderwijs volgt aan de instelling; f. f. "adjunct-directeur": de adjunct-directeur bedoeld in artikel I-Q1303. g. g. "betrokkene": degene die deel uitmaakt van de directie.

Artikel I-Q1302

1. Behoudens het bepaalde in artikel I-Q1303 benoemt het bevoegd gezag in de centrale directie ten hoogste vijf leden op maximaal drie formatieplaatsen.

2. In de bijlage Q12 bij dit besluit is voor de functies voorzitter van de centrale directie en lid van de centrale directie een taakkarakteristiek gegeven.

3. In het georganiseerd overleg op instellingsniveau als bedoeld in hoofdstuk IV-E kan worden overeengekomen af te wijken van het bepaalde in artikel I-P3, tweede lid, mits daarbij de taakomvang op jaarbasis ongewijzigd blijft.

Artikel I-Q1303

Aan instellingen die deel uitmaken van een onderwijsgemeenschap als bedoeld in artikel I-Q101, onder d, kan de normfunctie van adjunct-directeur voorkomen. De maximumschaal voor de functie wordt vastgesteld overeenkomstig artikel I-Q404 voor de normfunctie van plaatsvervangend directeur.

Artikel I-Q1304

Het bevoegd gezag stelt een regeling op met betrekking tot de werktijd alsmede met betrekking tot de autorisatie en registratie van afwezigheid.

Artikel I-Q1305

1.

Voor de leden van de centrale directie gelden de maximumschalen als aangegeven in onderstaand schema.

functie indien y is maximumschaal
voorzitter 600 of meer doch minder dan 1000 schaal 13
1000 of meer doch minder dan 4000 schaal 14
4000 of meer doch minder dan 8000 schaal 15
8000 of meer schaal 16
lid 600 of meer doch minder dan 1000 schaal 12
1000 of meer doch minder dan 4000 schaal 13
4000 of meer doch minder dan 8000 schaal 14
8000 of meer schaal 15

2. Indien het bevoegd gezag hem bij wettelijk voorschrift opgedragen taken en bevoegdheden heeft overgedragen aan de centrale directie, worden de in het eerste lid genoemde schalen met één verhoogd.

Artikel I-Q1306

Indien y van de instelling minder dan 600 bedraagt, worden de maximumschalen van de centrale directie vastgesteld overeenkomstig artikel I-Q404, met dien verstande dat in dat artikel voor directeur wordt gelezen: voorzitter en voor plaatsvervangend directeur: lid.

Artikel I-Q1307

Het bevoegd gezag kan regels opstellen ten aanzien van criteria waaraan de betrokkene moet hebben voldaan alvorens te kunnen worden bezoldigd volgens de bij zijn functie behorende maximumschaal.

Artikel I-Q1308

Het bepaalde in artikel I-P53, eerste en derde lid, is niet van toepassing.

Artikel I-Q1309

Het is het bevoegd gezag niet toegestaan de betrokkene extra beloning toe te kennen in de vorm van periodieke verhoging, bedoeld in artikel I-P53, in de vorm van buitengewone toelage, bedoeld in artikel I-P55, dan wel in de vorm van gratificatie, bedoeld in artikel I-P56, in situaties waarin tevens sprake is van gedwongen ontslag van een of meer personeelsleden.

Artikel I-Q1310

Vervallen

Artikel I-Q1311

Vervallen

Artikel I-Q1312

Vervallen

Artikel I-Q1313

Vervallen

Artikel I-Q1314

Vervallen

Artikel I-Q1315

Vervallen

Artikel I-Q1316

Vervallen

Artikel I-Q1317

Vervallen

Paragraaf 14. Instellingen voor voortgezet algemeen volwassenenonderwijs

Artikel I-Q1401

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

a. a. "instelling": de instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder d17; b. b. "centrale directie": de centrale directie van een instelling als bedoeld in artikel I-Q1402; c. c. "voorzitter van de centrale directie": het lid van de centrale directie dat door het bevoegd gezag is benoemd tot voorzitter van de centrale directie; d. d. "directie": de leden van de centrale directie, de adjunct-directeur en de eventuele andere betrokkenen die zijn benoemd in een functie die is ingedeeld in hoofdstuk I-Q gezamenlijk; e. e. "deeltijdequivalent": 10 leseenheden; f. f. "verticale scholengemeenschap": een scholengemeenschap, bedoeld in artikel I-Q101, eerste lid, onderdeel c, onder 3; g. g. "adjunct-directeur": de adjunct-directeur, bedoeld in artikel I-Q1409. h. h. "betrokkene": degene die deel uitmaakt van de directie.

Artikel I-Q1402

1. Het bevoegd gezag benoemt in de centrale directie ten hoogste vijf leden op maximaal drie formatieplaatsen.

2.

De centrale directie van een horizontale scholengemeenschap kan worden uitgebreid tot ten hoogste het aantal formatieplaatsen als is aangegeven in onderstaand schema:

3. In een centrale directie van vier formatieplaatsen kunnen maximaal zes leden en in een centrale directie van vijf formatieplaatsen kunnen maximaal zeven leden worden benoemd.

4. In de bijlage Q13 bij dit besluit is voor de normfuncties voorzitter van de centrale directie en lid van de centrale directie een taakkarakteristiek gegeven.

5. In het georganiseerd overleg op instellingsniveau als bedoeld in hoofdstuk IV-E kan worden overeengekomen af te wijken van het bepaalde in artikel I-P3, tweede lid, mits daarbij de taakomvang op jaarbasis ongewijzigd blijft.

Artikel I-Q1403

Gereserveerd.

Artikel I-Q1404

Het bevoegd gezag stelt een regeling op met betrekking tot de werktijd alsmede met betrekking tot de autorisatie en registratie van afwezigheid.

Artikel I-Q1405

1.

Voor de normfuncties van de centrale directie gelden de maximumschalen als aangegeven in onderstaand schema.

normfunctie indien dte is maximumschaal
voorzitter minder dan 1500 schaal 13
1500 of meer doch minder dan 4000 schaal 14
4000 of meer doch minder dan 6600 schaal 15
6600 of meer schaal 16
lid minder dan 1500 schaal 12
1500 of meer doch minder dan 4000 schaal 13
4000 of meer doch minder dan 6600 schaal 14
6600 of meer schaal 15

2. Indien het bevoegd gezag hem bij wettelijk voorschrift opgedragen taken en bevoegdheden heeft overgedragen aan de centrale directie, worden de in het eerste lid genoemde schalen met één verhoogd.

3. Het aantal deeltijdequivalenten wordt bepaald op dezelfde wijze als deze in aanmerking worden genomen voor de bekostiging in artikel 4 van het Formatiebesluit vavo.

Artikel I-Q1406

1. Indien de horizontale scholengemeenschap bestaat uit 5 componenten als aangegeven in artikel I-Q1402, eerste lid, worden de maximumschalen genoemd in artikel I-Q1405, eerste lid, met één verhoogd.

2. Indien de vaststelling van de maximumschalen op basis van het bepaalde in de artikelen I-Q1205 en I-Q1206a dan wel de artikelen I-Q1505 en I-Q1506, hoger is dan de uitkomst van de vaststelling van de maximumschalen overeenkomstig het eerste lid, worden de maximumschalen overeenkomstig de artikelen I-Q1205 en I-Q1206a dan wel de artikelen I-Q1505 en I-Q1506 vastgesteld, met dien verstande dat de maximumschaal niet hoger dan schaal 18 kan zijn.

3. Artikel I-Q1405, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel I-Q1407

Het bevoegd gezag kan regels opstellen ten aanzien van criteria waaraan de betrokkene moet hebben voldaan alvorens te kunnen worden bezoldigd volgens de bij zijn functie behorende maximumschaal.

Artikel I-Q1408

Het bepaalde in artikel I-P53, eerste en derde lid, is niet van toepassing.

Artikel I-Q1409

Vervallen

Artikel I-Q1410

Vervallen

Artikel I-Q1411

Vervallen

Paragraaf 15. Instellingen voor beroepsbegeleidend onderwijs

Artikel I-Q1501

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

a. a. "instelling": de instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder d18; b. b. "centrale directie": de centrale directie van een instelling als bedoeld in artikel I-Q1502; c. c. "voorzitter van de centrale directie": het lid van de centrale directie dat door het bevoegd gezag is benoemd tot voorzitter van de centrale directie; d. d. "directie": de leden van de centrale directie, de adjunct-directeur en de eventuele andere betrokkenen die zijn benoemd in een functie die is ingedeeld in hoofdstuk I-Q gezamenlijk. e. e. "y": het aantal leerlingen beroepsbegeleidend onderwijs met dien verstande dat leerlingen met een lesrooster van tenminste 6 lessen per week voor de helft en leerlingen met een lesrooster van minder dan 6 lessen per week voor een vierde meetellen en dat leerlingen die deelnemen aan cursussen in het kader van contractactiviteiten of specifieke scholing niet meetellen; f. f. "verticale scholengemeenschap": een scholengemeenschap, bedoeld in artikel I-Q101, eerste lid, onderdeel c, onder 3; g. g. "adjunct-directeur": de adjunct-directeur, bedoeld in artikel I-Q1509. h. h. "betrokkene": degene die deel uitmaakt van de directie.

Artikel I-Q1502

1. Het bevoegd gezag benoemt in de centrale directie ten hoogste vijf leden op maximaal drie formatieplaatsen.

2. De centrale directie van een horizontale scholengemeenschap kan worden uitgebreid tot ten hoogste het aantal formatieplaatsen als is aangegeven in onderstaand schema:

3. In een centrale directie van vier formatieplaatsen kunnen maximaal zes leden en in een centrale directie van vijf formatieplaatsen kunnen maximaal zeven leden worden benoemd.

4. In de bijlage Q14 bij dit besluit is voor de normfuncties voorzitter van de centrale directie en lid van de centrale directie een taakkarakteristiek gegeven.

5. In het georganiseerd overleg op instellingsniveau als bedoeld in hoofdstuk IV-E kan worden overeengekomen af te wijken van het bepaalde in artikel I-P3, tweede lid, mits daarbij de taakomvang op jaarbasis ongewijzigd blijft.

Artikel I-Q1503

Gereserveerd.

Artikel I-Q1504

Het bevoegd gezag stelt een regeling op met betrekking tot de werktijd alsmede met betrekking tot de autorisatie en registratie van afwezigheid.

Artikel I-Q1505

1.

Voor de normfuncties van de centrale directie gelden de maximumschalen als aangegeven in onderstaand schema.

normfunctie indien y is maximumschaal
voorzitter minder dan 1000 schaal 12
1000 of meer doch minder dan 3000 schaal 13
3000 of meer doch minder dan 6000 schaal 14
6000 of meer schaal 15
lid minder dan 1000 schaal 11
1000 of meer doch minder dan 3000 schaal 12
3000 of meer doch minder dan 6000 schaal 13
6000 of meer schaal 14

2. Indien het bevoegd gezag hem bij wettelijk voorschrift opgedragen taken en bevoegdheden heeft overgedragen aan de centrale directie, worden de in het eerste lid genoemde schalen met één verhoogd.

Artikel I-Q1506

1. Indien de horizontale scholengemeenschap bestaat uit 5 componenten als aangegeven in artikel I-Q1502, tweede lid, worden de maximumschalen genoemd in artikel I-Q1505, eerste lid, met een verhoogd.

2. Indien de vaststelling van de maximumschalen op basis van het bepaalde in de artikelen I-Q1205 en I-Q1206a dan wel de artikelen I-Q1405 en I-Q1406, hoger is dan de uitkomst van de vaststelling van de maximumschalen overeenkomstig het eerste lid, worden de maximumschalen overeenkomstig de artikelen I-Q1405 en I-Q1406 dan wel de artikelen I-Q1205 en I-Q1206a vastgesteld, met dien verstande dat de maximumschaal niet hoger dan schaal 18 kan zijn.

3. Artikel I-Q1505, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel I-Q1507

Het bevoegd gezag kan regels opstellen ten aanzien van criteria waaraan de betrokkene moet hebben voldaan alvorens te kunnen worden bezoldigd volgens de bij zijn functie behorende maximumschaal.

Artikel I-Q1508

Het bepaalde in artikel I-P53, eerst en derde lid, is niet van toepassing.

Artikel I-Q1509

Vervallen

Artikel I-Q1510

Vervallen

Artikel I-Q1511

Vervallen

Hoofdstuk I-R. Salariëring onderwijsgevend, pedagogisch, educatief en onderzoekspersoneel

Paragraaf 1

Artikel I-R101

1.

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

a. a. instelling: de instelling genoemd in artikel I-A1, onder d1, d2 en d16 voor zover die instelling over formatierekeneenheden beschikt als bedoeld in artikel 68, eerste lid onder d, van de Wet op het primair onderwijs; b. b. betrokkene: de betrokkene genoemd in artikel I-A1, onder e1, e2 en e16 e4, e5, e6, e10, e14, e15, e17 en e18, voor zover het betreft het onderwijsgevend, het pedagogische, het educatief, het docerend en het onderzoekspersoneel; c. c. Formatiebesluit: het Formatiebesluit WPO, het Formatiebesluit WEC, deel II van het Formatiebesluit WVO en het Besluit trekkende bevolking WPO

2. Voor zover uit het eerste lid niet anders blijkt, zijn in dit hoofdstuk de begripsbepalingen van artikel I-P1, I-P50 en I-P75 van toepassing.

Artikel I-R102

1.

Aan iedere instelling kan onderwijsgevend, docerend, onderzoeks-, pedagogische en educatief personeel verbonden zijn voor zover dit binnen de door het bevoegd gezag vastgestelde formatie mogelijk is.

Deze functies worden onderscheiden in onderwijsgevenden functies voor het basisonderwijs en centrale diensten (§ 2 van dit hoofdstuk), het speciaal onderwijs, voortgezet speciaal onderwijs (§ 3), alsmede in pedagogische functies voor het leerlingwezen (§ 6), in een leraarsfunctie voor het vormingswerk (§ 7), in instructeursfuncties voor het landbouwpraktijkonderwijs (§ 8), in de functie van educatief werker in de basiseducatie (§ 9), in een leraarsfunctie voor het middelbaar beroepsonderwijs als bedoeld in artikel I-A1, onder e14 (§ 12), in een leraarsfunctie aan een scholengemeenschap als bedoeld in artikel I-A1, onder d15 (§ 13), in een leraarsfunctie voor het voortgezet algemeen volwassenenonderwijs (§ 14) en in een leraarsfunctie voor beroepsbegeleidend onderwijs (§ 15).

2.

De werkzaamheden die aan de instelling moeten worden verricht, worden in onderling overleg verdeeld tussen de directie en de betrokkenen zodanig dat een zoveel mogelijk evenwichtige taakbelasting plaatsvindt in verhouding tot de aard en de omvang van de functies.

Indien dit overleg niet tot overeenstemming leidt, beslist het bevoegd gezag, de betrokkenen gehoord.

Artikel I-R103

1. Indien een betrokkene met inachtneming van het voor hem geldende carrièrepatroon, het begintraject en de aanloopschaal of -schalen behorend bij de functie waarin hij is benoemd, heeft doorlopen en hij heeft voldaan aan de in voorkomend geval door Onze minister dan wel het bevoegd gezag vastgestelde promotiecriteria wordt hij met inachtneming van het bepaalde in artikel I-R107 en in de paragrafen 2 en 3 en 6 tot en met 9, 12 en 13 tot en met 15 van dit hoofdstuk bezoldigd volgens de bij zijn functie behorende maximumschaal. Het bevoegd gezag kan promotiecriteria vaststellen uitsluitend indien over die criteria overeenstemming is bereikt in het overleg bedoeld in hoofdstuk IV-E en IV-F.

2. Het bevoegd gezag is onverminderd het bepaalde in artikel I-R107, vijfde lid, gehouden de betrokkene in staat te stellen aan de voor hem geldende promotiecriteria te voldoen.

Artikel I-R104

1. Voor elke functie met maximumschaal 9, 10 of 11 geldt dat bij elke maximumschaal een aanloopschaal behoort die één nummer lager is dan de maximumschaal. Bij de de functies met maximumschaal 9, 10 of 11 behoort een begintraject dat voorafgaat aan de aanloopschaal. Voor elke functie met maximumschaal 12 of hoger geldt dat bij elke maximumschaal twee aanloopschalen behoren die één respectievelijk twee nummers lager zijn dan de maximumschaal.

2. De betrokkene doorloopt het begintraject en de aanloopschalen bij zijn functie volgens het voor hem geldende carrièrepatroon.

Artikel I-R105

Bij benoeming van een betrokkene in een functie als bedoeld in paragrafen 2 en 3 en 6 tot en met 9, 12 en 13 tot en met 15 met maximumschaal 12 of hoger wordt, in afwijking van het bepaalde in de artikelen I-P7, I-P8, I-P9 en I-P11, het voor hem geldende salarisbedrag vastgesteld als volgt:

a. a. eerst wordt bepaald welk salarisbedrag in een salarisschaal voor hem in de functie bedoeld in de paragraaf 2 tot en met 9, 12 en 13 tot en met 15 zou gelden op de voet van het bepaalde in de artikelen I-P7, I-P8, I-P9 en I-P11; b. b. indien de onder a bepaalde salarisschaal de laagste bij zijn functie behorende aanloopschaal is en aan hem in die schaal in één of meer vorige onderwijsfuncties met een laagste aanloopschaal met hetzelfde nummer dan wel bij de toepassing van onderdeel a reeds vier maal een periodieke verhoging als bedoeld in de artikelen I-P8, tweede en vierde lid, I-P11, eerste en tweede lid, en I-P13, is toegekend, vindt de inschaling plaats in de naasthogere aanloopschaal op het bedrag dat gelijk is aan het onder a bepaalde bedrag, of indien dat bedrag in die schaal niet voorkomt op het naasthogere bedrag.

Artikel I-R105a

Vervallen

Artikel I-R106

1. De bezoldiging van de betrokkene die op 31 juli van enig schooljaar werd bezoldigd volgens het hoogste bedrag van het voor hem op die datum van toepassing zijnde begintraject, wordt per 1 augustus vastgesteld volgens het laagste bedrag dat hoger is in de bij zijn functie behorende aanloopschaal.

2. De bezoldiging van de betrokkene die is benoemd in een functie met maximumschaal 12 of hoger en die op 31 juli van enig schooljaar werd bezoldigd volgens schaal 11, salarisnummer 10 of schaal 12, salarisnummer 9, welke niet de hoogste aanloopschaal is die bij zijn functie behoort, wordt per 1 augustus vastgesteld volgens de naasthogere aanloopschaal, waarbij het salaris wordt vastgesteld op het bedrag, dat is gelegen onmiddellijk boven het salaris dat voor hem op 31 juli daaraan voorafgaand gold.

3. De bezoldiging van de betrokkene voor wie schaal 12 of hoger de bij zijn functie behorende maximumschaal is en die op 31 juli van enig schooljaar volgens de laagste bij zijn functie behorende aanloopschaal werd bezoldigd en aan wie in die aanloopschaal vier maal een periodieke verhoging als bedoeld in de artikelen I-P8, tweede en vierde lid, I-P11, eerste en tweede lid, of I-P13, is toegekend, waarbij het aantal malen dat hem een dergelijke periodieke verhoging in die aanloopschaal in een andere functie met een laagste aanloopschaal met hetzelfde nummer reeds is toegekend mede in aanmerking wordt genomen, wordt per 1 augustus vastgesteld volgens de naasthogere aanloopschaal, waarbij het salaris wordt vastgesteld op een bedrag dat onmiddellijk is gelegen boven het salaris dat voor hem op 31 juli daaraan voorafgaand gold.

4.

De bezoldiging van de betrokkene, voor wie schaal 13 de bij zijn functie behorende maximumschaal is, die op 31 juli van enig schooljaar wordt vastgesteld volgens de schaal en het salarisnummer vermeld in kolom A van onderstaand schema wordt, in afwijking van het bepaalde in het derde lid en in artikel I-P13, op 1 augustus daarop volgend vastgesteld volgens de daarnaast vermelde schaal en het salarisnummer in kolom B.

Kolom A Kolom B
Schaal 11, sal.nr. 2 Schaal 11, sal.nr. 4
Schaal 11, sal.nr. 4 Schaal 11, sal.nr. 6

Artikel I-R107

1. Behoudens het vijfde lid heeft de betrokkene die is benoemd in een functie met maximumschaal 11 of lager en wiens salaris op 31 juli van enig schooljaar is vastgesteld op het hoogste bedrag in de bij zijn functie behorende aanloopschaal met ingang van 1 augustus van het daarop volgende schooljaar recht op vaststelling van zijn salaris volgens de bij zijn functie behorende maximumschaal op het bedrag dat is gelegen onmiddellijk boven het salaris dat op 31 juli daaraan voorafgaand voor hem gold. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing op de betrokkene die is benoemd in een functie met maximumschaal 12 en wiens salaris op 31 juli van enig schooljaar is vastgesteld op het hoogste bedrag in de hoogste bij zijn functie behorende aanloopschaal.

2. Behoudens het bepaalde in het vijfde lid heeft de betrokkene die is benoemd in een functie met maximumschaal 13 en wiens salaris gedurende twee achtereenvolgende schooljaren is vastgesteld op het hoogste bedrag in de hoogste bij zijn functie behorende aanloopschaal met ingang van 1 augustus van het daarop volgende schooljaar recht op vaststelling van zijn salaris volgens de bij zijn functie behorende maximumschaal. Zijn salaris wordt in dat geval vastgesteld volgens de maximumschaal op het bedrag dat is gelegen onmiddellijk boven het salaris dat op 31 juli daaraan voorafgaand voor hem gold.

3. In afwijking van het tweede lid en behoudens het vijfde lid wordt het salaris van de betrokkene zoveel eerder vastgesteld volgens de bij zijn functie behorende maximumschaal als zijn salaris in een vorige functie reeds langer dan één schooljaar is vastgesteld geweest volgens het maximum van de bij die vorige functie behorende hoogste aanloopschaal.

4. Voor de toepassing van het bepaalde in het derde lid wordt mede in aanmerking genomen het schooljaar waarin de betrokkene gedurende ten minste 60 werkdagen in een vorige functie werkzaam is geweest en is bezoldigd volgens het hoogste bedrag in de hoogste bij die functie behorende aanloopschaal.

5. De betrokkene bedoeld in het eerste, tweede en derde lid heeft geen recht op vaststelling van zijn salaris volgens de bij zijn functie behorende maximumschaal, indien de betrokkene niet aan de in artikel I-R103, eerste lid, bedoelde promotiecriteria heeft voldaan als gevolg van feitelijkheden die voor zijn rekening komen. In dat geval rust op het bevoegd gezag niet de verplichting bedoeld in artikel I-R103, tweede lid.

Artikel I-R108

1. De benoeming van een lid van het onderwijsgevend personeel bedoeld in artikel 1-A1, onder e1, e2 en e16 in een functie welke vanaf de aanvang van het schooljaar beschikbaar is, gaat in op de eerste dag na de zomervakantie.

2. Indien het lid van het onderwijsgevend personeel bedoeld in artikel I-A, onder e1, e2 en e16 in het voorafgaande schooljaar als lid van het onderwijzend personeel bij een instelling in de zin van dit besluit dan wel bij een andere door Onze minister bekostigde onderwijsinstelling benoemd en bezoldigd is geweest gedurende een aaneengesloten periode van langer dan 2 maanden, welke periode is geëindigd op of na 1 juni van het voorafgaande schooljaar, gaat de benoeming in op 1 augustus mits het lid van het onderwijsgevend personeel voor langer dan 2 maanden wordt benoemd.

3. Het lid van het onderwijsgevend personeel bedoeld in artikel I-A, onder e1, e2 en e16 dat in tijdelijke dienst is benoemd, heeft aanspraak op bezoldiging tot en met de dag waarop zijn benoeming in tijdelijke dienst afloopt, met dien verstande dat hij, ingeval de benoeming is ingegaan op of na 1 maart van een schooljaar, in elk geval geen aanspraak op bezoldiging heeft over de dagen na de laatste dag voor de zomervakantie, ook al strekt de duur van zijn dienstverband zich wel over die dagen uit. Indien de duur van zijn dienstverband zich tot in het volgende schooljaar uitstrekt, ontstaat weer aanspraak op bezoldiging met ingang van de eerste dag na de zomervakantie, behoudens indien zich de in het tweede lid bedoelde omstandigheid voordoet, in welk geval weer aanspraak op bezoldiging ontstaat met in gang van 1 augustus van het nieuwe schooljaar. Voor de toepassing van dit lid worden aansluitende benoemingen dan wel bestuursbenoemingen binnen eenzelfde schooljaar als één benoeming beschouwd.

4. De duur van het dienstverband van het in het eerste lid bedoelde lid van het onderwijsgevend personeel dat in vaste dienst is benoemd en dat in verband met ontslag zijn werkzaamheden na de zomervakantie niet voortzet, kan zich uitstrekken uiterlijk tot en met de laatste dag van het schooljaar.

5. Het lid van het onderwijsgevend personeel bedoeld in artikel I-A, onder e1, e2 en e16 aan wie ontslag is verleend en die in een nieuwe betrekking is benoemd met ingang van een dag waarop het ontslag uit de oude betrekking nog niet is ingegaan, heeft in de oude betrekking aanspraak op bezoldiging tot de dag waarop de nieuwe betrekking aanvangt indien de nieuwe betrekking een voortzetting van de oude betrekking geacht kan worden te zijn. Indien de nieuwe betrekking niet bij het onderwijs wordt bekleed, behoudt hij, voor zover hem nog vakantieverlof toekomt, aanspraak op bezoldiging tot en met de dag waarop dat vakantieverlof afloopt.

6. Indien het lid van het onderwijsgevend personeel, bedoeld in artikel I-A1, onder e1, e2 en e16, als gevolg van het bepaalde in het derde lid of van artikel I-P22, tweede lid, gedurende een gedeelte van de zomervakantie benoemd is geweest en aanspraak had op bezoldiging heeft hij niettemin aanspraak op bezoldiging gedurende de zomervakantie, indien hij een periode van 12 achtereenvolgende maanden gedurende alle schoolweken aan een of meer scholen was verbonden en indien de zomervakantie in die periode valt.

Artikel I-R109

Degene die werkzaam wordt in meerdere componenten van een horizontale scholengemeenschap als bedoeld in artikel I-Q101, eerste lid, onderdeel c, sub 2, wordt benoemd in de formatie van de component waaraan hij het grootste deel van zijn werkzaamheden verricht.

Artikel I-R110

Vervallen

Paragraaf 2. Instellingen voor basisonderwijs en centrale diensten

Artikel I-R201

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

a. a. instelling: een instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder d1 en d16; b. b. betrokkene: een lid van het onderwijsgevend personeel benoemd bij een bevoegd gezag aan een instelling bedoeld in artikel I-A1, onder d1 en d16.

Artikel I-R202

De normfuncties voor het onderwijsgevend personeel die in de formatie van een instelling kunnen voorkomen zijn:

a. a. voor wat betreft basisscholen: de functie van leraar waarvoor als maximumschaal geldt schaal 9; b. b. voor wat betreft speciale scholen voor basisonderwijs: de functie van leraar waarvoor als maximumschaal geldt schaal 10; c. c. voor wat betreft centrale diensten: de functie van leraar waarvoor als maximumschaal geldt schaal 9, onderscheidenlijk de functie van leraar waarvoor als maximumschaal geldt schaal 10.

In de bijlage R1 bij dit besluit is voor de in de eerste volzin genoemde normfuncties een taakkarakteristiek gegeven.

Artikel I-R202a

Vervallen

Artikel I-R203

1. De betrokkene die is benoemd in een normbetrekking en die het verlof, bedoeld in artikel I-C41, per jaar geniet, wordt gemiddeld voor ten hoogste 930 uren per jaar belast met het geven van onderwijs bedoeld in de taakkarakteristiek. Voor de betrokkene, die gebruik maakt van het verlof, bedoeld in artikel I-C41, zevende lid, en voor wie een arbeidsduur op jaarbasis geldt van 1710 uren respectievelijk 1790 uren wordt in de eerste volzin voor «930 uren» gelezen «961 uren» respectievelijk «1010 uren».

2. Van het eerste lid kan met het oog op de invulling van de algemene arbeidsduur per jaar bedoeld in artikel I-P3, tweede en derde lid, in het bijzonder onderwijs worden afgeweken op grond van een overeenkomst bedoeld in de Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst en in het openbaar onderwijs op grond van een overeenkomst die voldoet aan de voorwaarden zoals die zijn gesteld in genoemde wet.

3. Binnen een normbetrekking is 10% van de normbetrekking en indien gebruik wordt gemaakt van artikel I-C41, zevende lid, 10% van de arbeidsduur op jaarbasis, bedoeld in artikel I-P3, tweede en derde lid, bestemd voor activiteiten in het kader van de deskundigheidsbevordering. De besteding van het in de eerste volzin bedoelde deel van de normbetrekking respectievelijk de arbeidsduur op jaarbasis wordt door betrokkene bepaald, met dien verstande dat het bevoegd gezag in individuele gevallen en schriftelijk gemotiveerd daarvan kan afwijken.

4. Na verkregen instemming van het decentraal georganiseerd overleg kan aan instellingen waarvoor op jaarbasis een onderwijstijd geldt van meer dan 1010 doch ten hoogste 1040 uur een betrokkene voor maximaal die aan de instelling geldende onderwijstijd worden belast met het geven van onderwijs.

5. Voor de betrokkene die is benoemd in een betrekking met een omvang van minder dan een normbetrekking wordt het maximum aantal uren, bedoeld in het eerste lid, en de deskundigheidsbevordering, bedoeld in het tweede lid, naar evenredigheid van de werktijdfactor berekend en rekenkundig afgerond op gehele uren.

6. In individuele gevallen kunnen door het bevoegd gezag en betrokkene van het percentage genoemd in het derde lid afwijkende afspraken worden gemaakt.

Artikel I-R204

1. De omvang van de betrekking van de betrokkene die aan de instelling is of wordt verbonden en die daarnaast vervangingswerkzaamheden verricht of gaat verrichten aan die instelling of aan een andere instelling waaraan hij uit hoofde van zijn benoeming verbonden kan worden, dan wel die daarnaast werkzaamheden verricht dan wel gaat verrichten waarvoor hem een gedeelte van een normbetrekking is of wordt toebedeeld die op grond van artikel I-P80 van rechtswege vervalt, wordt voor de duur en de omvang van die werkzaamheden tijdelijk uitgebreid met overeenkomstige toepassing van het bepaalde in de artikelen I-P22 en I-R108, waarbij voor benoeming wordt gelezen tijdelijke uitbreiding van de betrekkingsomvang en voor benoemd wordt gelezen een tijdelijke uitbreiding van de betrekkingsomvang had.

2. De omvang van de tijdelijke uitbreiding van de betrekking bedoeld in het eerste lid, wordt voor de duur waarvoor dit geschiedt afzonderlijk in de akte van benoeming vermeld.

3. Indien de betrekkingsomvang van een betrokkene die uitsluitend is benoemd voor het verrichten van vervangingswerkzaamheden, tijdelijk is uitgebreid op grond van het eerste lid, wordt die tijdelijke uitbreiding bij beëindiging van eerstbedoelde vervangingswerkzaamheden omgezet in een benoeming.

Artikel I-R205

1. Voor de betrokkene die is benoemd in verband met de vervanging van een leraar wordt voor de vaststelling van de factor r in artikel I-P15, tweede lid, de werktijdfactor per dag gelijkgesteld met 0,2306, per ochtend met 0,1356 en per middag met 0,095. De werktijdfactor voor een dag waarop aan de school structureel uitsluitend gedurende de ochtend onderwijs wordt gegeven, is bepaald op 0,1628.

2. Indien de in het eerste lid bedoelde vervanging geschiedt voor korter dan een ochtend dan wel een middag, wordt voor de vaststelling van de factor r in artikel I-P15, tweede lid, het feitelijk aantal uren bepaald op de uitkomst van de formule l x 1,5385, waarbij l gelijk is aan het aantal uren gedurende welke de betrokkene op die dag wordt belast met het geven van onderwijs, bedoeld in de taakkarakteristiek.

Artikel I-R205a

1. Voor de betrokkene, bedoeld in artikel I-Q201, onder a, wiens benoeming als directeur anders dan wegens ziekte en arbeidsongeschiktheid wordt beëindigd en die werd bezoldigd volgens de bij deze functie behorende maximumschaal op een bedrag dat hoger is dan het hoogste bedrag in de aanloopschaal van een leraar wordt, in afwijking van artikel I-P78, eerste lid, voor zijn functie waarop hoofdstuk I-R van toepassing is, bij hetzelfde bevoegd gezag aan dezelfde instelling of instellingen een aantal rekeneenheden verbruikt dat overeenkomt met het aantal rekeneenheden dat behoorde bij zijn functie als directeur. De eerste volzin is niet van toepassing indien op grond van artikel I-R107, eerste lid, het salaris van de betrokkene reeds kon worden vastgesteld volgens de bij zijn functie behorende maximumschaal.

2. Het eerste lid is niet van toepassing op directeuren van wie de betrekking is opgeheven wegens samenvoeging van de desbetreffende instelling of instellingen waaraan de directeur is verbonden, met een of meer andere instellingen.

3. Het verbruik van rekeneenheden wordt in gevallen, bedoeld in het tweede lid, berekend met inachtneming van de in artikel I-A8, tweede lid, bedoelde voorschriften.

Artikel I-R206

1.

Voor de betrokkene bedoeld in artikel I-Q201, onder b, wiens benoeming als leraar tevens adjunct-directeur anders dan wegens ziekte en arbeidsongeschiktheid wordt beëindigd, wordt in afwijking van het bepaalde in artikel I-P78, eerste lid, voor zijn functie als leraar bij hetzelfde bevoegd gezag aan dezelfde instelling of instellingen een aantal rekeneenheden verbruikt dat overeenkomt met het aantal rekeneenheden dat behoorde bij zijn functie als leraar tevens adjunct-directeur, indien:

a. a. de betrokkene als leraar tevens adjunct-directeur werd bezoldigd volgens de bij die functie behorende maximumschaal op een bedrag dat hoger is dan het hoogste bedrag in de aanloopschaal behorende bij de functie van leraar; of b. b. op de betrokkene artikel I-Q207 van toepassing is.

2.

Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing indien

a. a. voor de betrokkene, bedoeld in artikel I-R201, onder b, de beëindiging van de benoeming als leraar tevens adjunct-directeur het gevolg is van een gelijktijdige daling van:

        1°.
        voor wat betreft een leraar tevens adjunct-directeur aan een basisschool: het aantal formatierekeneenheden, bedoeld in artikel 13a, derde lid, van het Formatiebesluit WPO tot 54 formatierekeneenheden, 
      
      
        2°.
        voor wat betreft een leraar tevens adjunct-directeur aan een speciale school voor basisonderwijs: het aantal formatierekeneenheden, bedoeld in artikel 16b, vierde lid, van het Formatiebesluit WPO tot 65 formatierekeneenheden, en

1°. 1°. voor wat betreft een leraar tevens adjunct-directeur aan een basisschool: het aantal formatierekeneenheden, bedoeld in artikel 13a, derde lid, van het Formatiebesluit WPO tot 54 formatierekeneenheden, 2°. 2°. voor wat betreft een leraar tevens adjunct-directeur aan een speciale school voor basisonderwijs: het aantal formatierekeneenheden, bedoeld in artikel 16b, vierde lid, van het Formatiebesluit WPO tot 65 formatierekeneenheden, en b. b. in redelijkheid niet van het bevoegd gezag kon worden gevergd dat deze functie van leraar tevens adjunct-directeur in de formatie zou worden gehandhaafd.

Artikel I-R207

Vervallen

Artikel I-R208

Vervallen

Artikel I-R209

Vervallen

Artikel I-R210

Vervallen

Paragraaf 3. Instellingen voor speciaal onderwijs, instellingen voor voortgezet speciaal onderwijs en instellingen voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs

Artikel I-R301

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

a. a. instelling: een instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder d2; b. b. betrokkene: een lid van het onderwijsgevend personeel, benoemd bij een bevoegd gezag aan een instelling bedoeld in artikel I-A1, onder d2.

Artikel I-R302

De normfunctie van het onderwijsgevend personeel aan een instelling kan zijn opgenomen is de functie van leraar waarvoor als maximumschaal geldt schaal 10. In de bijlage R2 bij dit besluit is voor de in de eerste volzin genoemde normfunctie een taakkarakteristiek gegeven.

Artikel I-R302a

Vervallen

Artikel I-R303

1. De betrokkene die is benoemd in een normbetrekking en die het verlof, bedoeld in artikel I-C41, per jaar geniet, wordt gemiddeld voor ten hoogste 930 uren per jaar belast met het geven van onderwijs bedoeld in de taakkarakteristiek. Voor de betrokkene, die gebruik maakt van het verlof, bedoeld in artikel I-C41, zevende lid, en voor wie een arbeidsduur op jaarbasis geldt van 1710 uren respectievelijk 1790 uren wordt in de eerste volzin voor «930 uren» gelezen «961 uren» respectievelijk «1010 uren».

2. Van het eerste lid kan met het oog op de invulling van de algemene arbeidsduur per jaar bedoeld in artikel I-P3, tweede en derde lid, in het bijzonder onderwijs worden afgeweken op grond van een overeenkomst bedoeld in de Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst en in het openbaar onderwijs op grond van een overeenkomst die voldoet aan de voorwaarden zoals die zijn gesteld in genoemde wet.

3. Binnen een normbetrekking is 10% van de normbetrekking en indien gebruik wordt gemaakt van artikel I-C41, zevende lid, 10% van de arbeidsduur op jaarbasis, bedoeld in artikel I-P3, tweede of derde lid, bestemd voor activiteiten in het kader van de deskundigheidsbevordering. De besteding van het in de eerste volzin bedoelde deel van de normbetrekking respectievelijk de arbeidsduur op jaarbasis wordt door betrokkene bepaald, met dien verstande dat het bevoegd gezag in individuele gevallen en schriftelijk gemotiveerd daarvan kan afwijken.

4. Na verkregen instemming van het decentraal georganiseerd overleg kan aan instellingen waarvoor op jaarbasis een onderwijstijd geldt van meer dan 1010 doch ten hoogste 1040 uur betrokkene voor maximaal die aan de instelling geldende onderwijstijd worden belast met het geven van onderwijs.

5. Voor de betrokkene die is benoemd in een betrekking met een omvang van minder dan een normbetrekking wordt het maximum aantal uren, bedoeld in het eerste lid, en de deskundigheidsbevordering, bedoeld in het tweede lid, naar evenredigheid van de werktijdfactor berekend en rekenkundig afgerond op gehele uren.

6. In individuele gevallen kunnen door het bevoegd gezag en betrokkene van het percentage genoemd in het derde lid afwijkende afspraken worden gemaakt.

Artikel I-R304

1. De omvang van de betrekking van de betrokkene die aan de instelling is of wordt verbonden en die daarnaast vervangingswerkzaamheden verricht of gaat verrichten aan die instelling of aan een andere instelling waaraan hij uit hoofde van zijn benoeming verbonden kan worden waarvoor hem een gedeelte van een normbetrekking is of wordt toebedeeld die op grond van artikel I-P80 van rechtswege vervalt, wordt voor de duur en de omvang van die werkzaamheden tijdelijk uitgebreid met overeenkomstige toepassing van het bepaalde in de artikelen I-P22 en I-R108, waarbij voor benoeming wordt gelezen tijdelijke uitbreiding van de betrekkingsomvang en voor benoemd wordt gelezen een tijdelijke uitbreiding van de betrekkingsomvang had.

2. De omvang van de tijdelijke uitbreiding van de betrekking bedoeld in het eerste lid wordt voor de duur waarvoor dit geschiedt afzonderlijk in de akte van benoeming vermeld.

3. Indien de betrekkingsomvang van een betrokkene die uitsluitend is benoemd voor het verrichten van vervangingswerkzaamheden, tijdelijk is uitgebreid op grond van het eerste lid, wordt die tijdelijke uitbreiding bij beëindiging van eerstbedoelde vervangingswerkzaamheden omgezet in een benoeming.

Artikel I-R305

1. Voor de betrokkene die is benoemd in verband met de vervanging van een leraar wordt voor de vaststelling van de factor r in artikel I-P15, tweede lid, de werktijdfactor per dag gelijkgesteld met 0,2306, per ochtend met 0,1356 en per middag met 0,095. De werktijdfactor voor een dag waarop aan de school structureel uitsluitend gedurende de ochtend onderwijs wordt gegeven, is bepaald op 0,1628.

2. Indien de in het eerste lid bedoelde vervanging geschiedt voor korter dan een ochtend dan wel een middag, wordt voor de vaststelling van de factor r in artikel I-P15, tweede lid, het feitelijk aantal uren bepaald op de uitkomst van de formule l x 1,5385, waarbij l gelijk is aan het aantal uren gedurende welke de betrokkene op die dag wordt belast met het geven van onderwijs, bedoeld in de taakkarakteristiek.

Artikel I-R305a

1. Voor de betrokkene, bedoeld in artikel I-Q301, onder a, wiens benoeming als directeur anders dan wegens ziekte en arbeidsongeschiktheid wordt beëindigd en die werd bezoldigd volgens de bij deze functie behorende maximumschaal op een bedrag dat hoger is dan het hoogste bedrag in de aanloopschaal van een leraar wordt, in afwijking van artikel I-P78, eerste lid, voor zijn functie waarop hoofdstuk I-R van toepassing is, bij hetzelfde bevoegd gezag aan dezelfde instelling of instellingen een aantal rekeneenheden verbruikt dat overeenkomt met het aantal rekeneenheden dat behoorde bij zijn functie als directeur. De eerste volzin is niet van toepassing indien op grond van artikel I-R107, eerste lid, het salaris van de betrokkene reeds kon worden vastgesteld volgens de bij zijn functie behorende maximumschaal.

2. Het eerste lid is niet van toepassing op directeuren van wie de betrekking is opgeheven wegens samenvoeging van de desbetreffende instelling of instellingen waaraan de directeur is verbonden, met een of meer andere instellingen.

3. Het verbruik van rekeneenheden wordt in gevallen, bedoeld in het tweede lid, berekend met inachtneming van de in artikel I-A8, tweede lid, bedoelde voorschriften.

Artikel I-R306

1.

Voor de betrokkene bedoeld in artikel I-Q301, onder b, wiens benoeming als leraar tevens adjunct-directeur anders dan wegens ziekte en arbeidsongeschiktheid wordt beëindigd, wordt in afwijking van het bepaalde in artikel I-P78, eerste lid, voor zijn functie als leraar bij hetzelfde bevoegd gezag aan dezelfde instelling of instellingen een aantal rekeneenheden verbruikt dat overeenkomt met het aantal rekeneenheden dat behoorde bij zijn functie als leraar tevens adjunct-directeur, indien:

a. a. de betrokkene als leraar tevens adjunct-directeur werd bezoldigd volgens de bij die functie behorende maximumschaal op een bedrag dat hoger is dan het hoogste bedrag in de aanloopschaal behorende bij de functie van leraar, of b. b. op de betrokkene artikel I-Q307 van toepassing is.

2. Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing voor de betrokkene, bedoeld in artikel I-R301, onder b, voor wie de beëindiging van de benoeming als leraar tevens adjunct-directeur het gevolg is van een gelijktijdige daling van het aantal formatierekeneenheden, bedoeld in artikel 16, derde en vierde lid, van het Formatiebesluit WEC of artikel 25, derde en vierde lid, van het Formatiebesluit W.V.O. van 236 naar 171, 98 of 65, van 171 naar 65, van 131 naar 98 of 65, van 98 naar 65 formatierekeneenheden en in redelijkheid niet van het bevoegd gezag kon worden gevergd dat deze functie van leraar tevens adjunct-directeur in de formatie zou worden gehandhaafd.

Artikel I-R307

Vervallen

Artikel I-R308

Vervallen

Artikel I-R309

Vervallen

Artikel I-R310

Vervallen

Paragraaf 4. Instellingen voor voortgezet onderwijs

Artikel I-R401

Vervallen

Artikel I-R402

Vervallen

Artikel I-R403

Vervallen

Artikel I-R404

Vervallen

Artikel I-R405

Vervallen

Artikel I-R406

Vervallen

Artikel I-R407

Vervallen

Artikel I-R408

Vervallen

Artikel I-R409

Vervallen

Artikel I-R410

Vervallen

Artikel I-R411

Vervallen

Artikel I-R411a

Vervallen

Artikel I-R411b

Vervallen

Artikel I-R412

Vervallen

Artikel I-R413

Vervallen

Artikel I-R414

Vervallen

Artikel I-R415

Vervallen

Artikel I-R416

Vervallen

Paragraaf 5. Instellingen voor hoger beroepsonderwijs

Artikel I-R501

Vervallen

Artikel I-R502

Vervallen

Artikel I-R503

Vervallen

Artikel I-R504

Vervallen

Artikel I-R505

Vervallen

Artikel I-R506

Vervallen

Artikel I-R507

Vervallen

Artikel I-R507a

Vervallen

Artikel I-R508

Vervallen

Artikel I-R509

Vervallen

Artikel I-R510

Vervallen

Artikel I-R511

Vervallen

Artikel I-R512

Vervallen

Artikel I-R513

Vervallen

Artikel I-R514

Vervallen

Artikel I-R515

Vervallen

Artikel I-R516

Vervallen

Artikel I-R517

Vervallen

Artikel I-R518

Vervallen

Artikel I-R519

Vervallen

Artikel I-R520

Vervallen

Paragraaf 6. Landelijke organen

Artikel I-R601

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

a. a. instelling: een instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder d4; b. b. betrokkene, bedoeld in artikel I-A1, onder e4, voorzover het betreft de consulent dan wel een ander lid van het pedagogisch personeel.

Artikel I-R602

Het bevoegd gezag stelt, met inachtneming van het bepaalde in artikel I-R604, het beleid met betrekking tot de formatie van de consulentenfuncties vast.

Artikel I-R603

In het georganiseerd overleg op instellingsniveau als bedoeld in hoofdstuk IV-E kan worden overeengekomen af te wijken van het bepaalde in artikel I-P3, tweede lid, mits daarbij de taakomvang op jaarbasis ongewijzigd blijft.

Artikel I-R604

1. Onverminderd het bepaalde in het tweede lid, stelt Onze minister voor de normfunctie een taakkarakteristiek en functiebeschrijving en de maximumschaal vast.

2.

In het navolgende schema is een normfunctie vermeld die in de formatie van de consulenten kan zijn opgenomen, met de daarbij behorende maximumschaal.

functie maximumschaal
consulent 10

In de bijlage R5 bij dit besluit zijn voor deze normfunctie een functiebeschrijving en taakkarakteristiek opgenomen.

Artikel I-R605

1. De betrokkene vervult zijn functie binnen de gebouwen of ruimten waarin de instelling is gehuisvest en op de daarbij behorende terreinen. Het bevoegd gezag dient een voorstel in bij het overlegorgaan op instellingsniveau als bedoeld in hoofdstuk IV-E waarin nadere regels zijn getroffen met betrekking tot de mate waarin de weektaak plaatsgebonden is, met dien verstande dat de plaatsgebondenheid ten minste 65% van de betrekkingomvang bedraagt.

2. Het bevoegd gezag stelt voor de betrokkene werktijdregelingen vast. Onder werktijdregeling wordt verstaan een voor een periode van langer dan een week opgesteld en van te voren bekendgemaakt schema van aanvang en einde van de dagelijkse werkzaamheden.

3. Het bevoegd gezag stelt een regeling op met betrekking tot de autorisatie en registratie van afwezigheid.

Artikel I-R606

Het bepaalde in artikel I-P53, eerste en derde lid, is niet van toepassing.

Artikel I-R607

1. De omvang van de betrekking van de betrokkene die aan de instelling is of wordt verbonden en die daarnaast vervangingswerkzaamheden verricht of gaat verrichten aan die instelling of aan een andere instelling waaraan hij uit hoofde van zijn benoeming verbonden kan worden, wordt voor de duur van die vervangingswerkzaamheden tijdelijk uitgebreid met ingang van de dag waarop hij feitelijk met de vervanging wordt belast.

2. Indien een betrokkene wordt belast met werkzaamheden van kennelijk tijdelijke aard ten behoeve van derden en voor zover hij daarvoor niet een vergoeding ontvangt of verlof krijgt, kan het bevoegd gezag bepalen dat de omvang van de betrekking van de betrokkene tijdelijk wordt uitgebreid.

3. De in het eerste en tweede lid bedoelde uitbreiding wordt voor de duur waarvoor zij geldt afzonderlijk in de akte van benoeming vermeld. De bezoldiging behorende bij deze uitbreiding wordt berekend op grond van het salaris dat voor hem geldt bij de functie waarin hij reeds aan de instelling is benoemd.

Artikel I-R608

Waar in hoofdstuk I-P en in de artikelen I-R101 tot en met I-R107 sprake is van "31 juli" en "1 augustus" wordt daarvoor bij de toepassing van deze paragraaf gelezen: 31 december respectievelijk 1 januari.

Artikel I-R609

Vervallen

Artikel I-R610

Vervallen

Artikel I-R611

Vervallen

Paragraaf 7. Instituten voor vormingswerk voor jeugdigen

Artikel I-R701

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

a. a. "instelling": een instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder d5; b. b. "betrokkene": degene die bij een instelling is benoemd in een leraarsfunctie voor het vormingswerk.

Artikel I-R702

Het bevoegd gezag stelt, met inachtneming van het bepaalde in artikel I-R704, het beleid met betrekking tot de formatie van de leraarsfuncties vast.

Artikel I-R703

In het georganiseerd overleg op instellingsniveau als bedoeld in hoofdstuk IV-E kan worden overeengekomen af te wijken van het bepaalde in artikel I-P3, tweede lid, onder a, mits daarbij de taakomvang op jaarbasis ongewijzigd blijft.

Artikel I-R704

1. De normfunctie die in de formatie van de leraren kan zijn opgenomen is de functie van leraar vormingswerk waarvoor als maximumschaal geldt schaal 9. In de bijlage R6 bij dit besluit is voor deze normfunctie een taakkarakteristiek gegeven.

2. Indien de instelling deel uitmaakt van een horizontale scholengemeenschap als bedoeld in artikel I-Q101, eerste lid, onderdeel c, sub 2, die programmas aanbiedt overeenkomstig het bepaalde in artikel 2.12 van de Wet op het cursorisch beroepsonderwijs, is voor de betrokkene die in overwegende mate de werkzaamheden behorende bij deze programmas verzorgt, in afwijking van het eerste lid, de in de bijlage R11 opgenomen taakkarakteristiek voor de normfunctie van leraar C van overeenkomstige toepassing. Voor deze betrokkene is schaal 10 de maximumschaal.

Artikel I-R705

1. De betrokkene vervult zijn functie binnen de gebouwen of ruimten waarin de instelling is gehuisvest en op de daarbij behorende terreinen. Het bevoegd gezag dient een voorstel in bij het overlegorgaan op instellingsniveau als bedoeld in hoofdstuk IV-E waarin nadere regels zijn getroffen met betrekking tot de mate waarin de weektaak plaatsgebonden is, met dien verstande dat de plaatsgebondenheid ten minste 65% van de betrekkingsomvang bedraagt.

2. Het bevoegd gezag stelt voor de betrokkene werktijdregelingen vast. Onder werktijdregeling wordt verstaan een voor een periode van langer dan een week opgesteld en van te voren bekendgemaakt schema van aanvang en einde van de dagelijkse werkzaamheden.

3. Het bevoegd gezag stelt een regeling op met betrekking tot de werktijd alsmede met betrekking tot de autorisatie en registratie van afwezigheid.

Artikel I-R706

Het bepaalde in artikel I-P53, eerste en derde lid, is niet van toepassing.

Artikel I-R707

1. Voor de betrokkene die bij wijze van waarneming tijdelijk wordt belast met de volledige vervanging van een functionaris bij wiens functie een hogere maximumschaal behoort, die gedurende meer dan 30 aaneengesloten kalenderdagen anders dan wegens vakantieverlof verhinderd is de werkzaamheden voortvloeiende uit zijn functie te verrichten, wordt met ingang van de 31e dag van de vervanging en zolang hij met de volledige vervanging is belast, een salaris vastgesteld alsof hij in die functie was benoemd.

2. Na de beëindiging van de volledige vervanging, bedoeld in het eerste lid, wordt het salaris van de betrokkene die met de vervanging was belast, vastgesteld op het bedrag dat behoort bij de schaal en het salarisnummer die voor hem zouden hebben gegolden indien de vervanging niet zou hebben plaatsgevonden.

Artikel I-R708

1. De omvang van de betrekking van de betrokkene die reeds aan de instelling is verbonden en die vervangingswerkzaamheden verricht aan die instelling of aan een andere instelling waaraan hij uit hoofde van zijn benoeming verbonden kan worden, wordt voor de duur van die vervangingswerkzaamheden tijdelijk uitgebreid met ingang van de dag waarop hij feitelijk met de vervanging wordt belast.

2. Indien een betrokkene wordt belast met werkzaamheden van kennelijk tijdelijke aard ten behoeve van derden en voor zover hij daarvoor niet een vergoeding ontvangt of verlof krijgt, kan het bevoegd gezag bepalen dat de omvang van de betrekking van de betrokkene tijdelijk wordt uitgebreid.

3. De in het eerste en tweede lid bedoelde uitbreiding wordt voor de duur waarvoor zij geldt afzonderlijk in de akte van benoeming vermeldt. De bezoldiging behorende bij deze uitbreiding wordt berekend op grond van het salaris dat voor hem geldt bij de functie waarin hij reeds aan de instelling is benoemd.

Artikel I-R709

Vervallen

Paragraaf 8. Instituten voor landbouwpraktijkonderwijs (IPC)

Artikel I-R801

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

a. a. "instelling": een instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder d10; b. b. "betrokkene": degene die bij een instelling is benoemd in een functie als bedoeld in artikel I-R804.

Artikel I-R802

Het bevoegd gezag stelt, in afwijking van artikel I-P3, derde lid, tweede tot en met vierde volzin, en met inachtneming van het bepaalde in artikel I-R804, het beleid met betrekking tot de formatie van het instructiepersoneel vast.

Artikel I-R803

In het georganiseerd overleg op instellingsniveau als bedoeld in hoofdstuk IV-E kan worden overeengekomen af te wijken van het bepaalde in artikel I-P3, tweede lid, onder a, mits daarbij de taakomvang op jaarbasis ongewijzigd blijft.

Artikel I-R804

1. Onverminderd het bepaalde in het tweede lid, stelt Onze Minister voor de normfuncties taakkarakteristieken of functiebeschrijvingen en maximumschalen vast.

2.

In onderstaand schema zijn normfuncties vermeld die in de formatie van het instructiepersoneel kunnen zijn opgenomen, met de daarbij behorende maximumschalen.

Functie Maximumschaal
1. Instructeur 9
2. Hoofdinstructeur 10
3. Stafinstructeur A 11
4. Stafinstructeur B 12

In de bijlage R7 zijn voor de normfuncties, vermeld in bovenstaand schema, functiebeschrijvingen en taakkarakteristieken opgenomen.

Artikel I-R805

1. De betrokkene vervult zijn functie binnen de gebouwen of ruimten waarin de instelling is gehuisvest en op de daarbij behorende terreinen. Het bevoegd gezag dient een voorstel in bij het overlegorgaan op instellingsniveau als bedoeld in hoofdstuk IV-E waarin nadere regels zijn getroffen met betrekking tot de mate waarin de weektaak plaatsgebonden is, met dien verstande dat de plaatsgebondenheid ten minste 65% van de betrekkingsomvang bedraagt.

2. Het bevoegd gezag stelt voor de betrokkene werktijdregelingen vast. Onder werktijdregeling wordt verstaan een voor een periode van langer dan een week opgesteld en van te voren bekendgemaakt schema van aanvang en einde van de dagelijkse werkzaamheden.

3. Het bevoegd gezag stelt een regeling op met betrekking tot de werktijd alsmede met betrekking tot de autorisatie en registratie van afwezigheid.

Artikel I-R806

Het bepaalde in artikel I-P53, eerste en derde lid, is niet van toepassing.

Artikel I-R807

Het is het bevoegd gezag niet toegestaan de betrokkene extra beloning toe te kennen in de vorm van een periodieke verhoging, bedoeld in artikel I-P53, in de vorm van een buitengewone toelage, bedoeld in artikel I-P55, in de vorm van een gratificatie, bedoeld in artikel I-P56, dan wel in de vorm van uitkering of toelage om redenen van werving en behoud als bedoeld in de artikelen I-P57 en I-P58, in situaties waarin tevens sprake is van gedwongen ontslag van een of meer personeelsleden.

Artikel I-R808

1. Voor de betrokkene, die bij wijze van waarneming tijdelijk wordt belast met de volledige vervanging van een functionaris bij wiens functie een hogere maximumschaal behoort, die gedurende meer dan 30 aaneengesloten kalenderdagen anders dan wegens vakantieverlof verhinderd is de werkzaamheden uit zijn functie te verrichten, wordt met ingang van de 31e dag van de vervanging en zolang hij met de volledige vervanging is belast, een salaris vastgesteld alsof hij in die functie was benoemd.

2. Na de beëindiging van de volledige vervanging, bedoeld in het eerste lid, wordt het salaris van de betrokkene, die met de vervanging was belast, vastgesteld op het bedrag dat behoort bij de schaal en het salarisnummer die voor hem zouden hebben gegolden indien de vervanging niet zou hebben plaatsgevonden.

Artikel I-R809

1. De omvang van de betrekking van de betrokkene die reeds aan de instelling is verbonden en die vervangingswerkzaamheden verricht aan die instelling of aan een andere instelling waaraan hij uit hoofde van zijn benoeming verbonden kan worden, wordt voor de duur van die vervangingswerkzaamheden tijdelijk uitgebreid met ingang van de dag waarop hij feitelijk met de vervanging wordt belast.

2. Indien een betrokkene wordt belast met werkzaamheden van kennelijk tijdelijke aard ten behoeve van derden en voor zover hij daarvoor niet een vergoeding ontvangt of verlof krijgt, kan het bevoegd gezag bepalen dat de omvang van de betrekking van de betrokkene tijdelijk wordt uitgebreid.

3. De in het eerste en tweede lid bedoelde uitbreiding wordt voor de duur waarvoor zij geldt afzonderlijk in de akte van benoeming vermeld. De bezoldiging behorende bij deze uitbreiding wordt berekend op grond van het salaris dat voor hem geldt bij de functie waarin hij reeds aan de instelling is benoemd.

Paragraaf 9. Instellingen voor basiseducatie

Artikel I-R901

In deze paragraaf wordt verstaat onder:

a. a. instelling: een instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder d6; b. b. betrokkene: een lid van het educatief personeel dat bij een bevoegd gezag is benoemd aan een instelling bedoeld in artikel I-A1, onder d6.

Artikel I-R902

De normfunctie die aan een instelling kan voorkomen, is die van educatief werker en de daarbij behorende maximumschaal is schaal 9. In de bijlage R8 bij dit besluit is voor de normfunctie een taakkarakteristiek gegeven.

Artikel I-R903

Het salaris van de educatief werker, die voorafgaand aan zijn benoeming bij een bevoegd gezag aan een instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder d6, gedurende ten minste 4 jaar jaarlijks 60 of meer werkdagen aan zon instelling werkzaamheden heeft verricht waaraan geen inkomsten uit of in verband met arbeid waren verbonden, en die daarbij relevante ervaring heeft opgedaan, wordt onverminderd het bepaalde in de artikelen I-P7 tot en met I-P10 vastgesteld op het salaris dat één periodieke verhoging hoger is dan de aanvang van het carrièrepatroon dat bij zijn functie hoort.

Artikel I-R904

De betrokkene wordt voor ten hoogste 3/5 deel van zijn weektaakomvang belast met begeleiding van groepen deelnemers en individuele deelnemers.

Artikel I-R905

1. De functie van de betrokkene wordt vervuld binnen de gebouwen of ruimten waarin de instelling of instellingen zijn gehuisvest en op de daarbij behorende terreinen, tenzij de aard van de te verrichten werkzaamheden zich daartegen verzet.

2. Het bevoegd gezag stelt voor de betrokkene werktijdregelingen vast. Onder werktijdregeling wordt verstaan een voor een periode van langer dan een week opgesteld en van te voren bekendgemaakt schema van aanvang en einde van de dagelijkse werkzaamheden.

Artikel I-R906

1. De omvang van de betrekking van de betrokkene die aan de instelling is of wordt verbonden en die daarnaast vervangingswerkzaamheden verricht of gaat verrichten aan die instelling of aan een andere instelling waaraan hij uit hoofde van zijn benoeming verbonden kan worden, wordt voor de duur van die vervangingswerkzaamheden tijdelijk uitgebreid met ingang van de dag waarop hij feitelijk met de vervanging wordt belast.

2. Indien een betrokkene wordt belast met werkzaamheden van kennelijk tijdelijke aard ten behoeve van derden en voor zover hij daarvoor niet een vergoeding ontvangt of verlof krijgt, kan het bevoegd gezag bepalen dat de omvang van de betrekking van de betrokkene tijdelijk wordt uitgebreid.

3. De in het eerste en tweede lid bedoelde uitbreiding wordt voor de duur waarvoor zij geldt afzonderlijk in de akte van benoeming vermeld. De bezoldiging behorende bij deze uitbreiding wordt berekend op grond van het salaris dat voor hem geldt bij de functie waarin hij reeds aan de instelling is benoemd.

Artikel I-R907

Voor de betrokkene die in overwegende mate werkzaam is in de component basiseducatie van een horizontale scholengemeenschap als bedoeld in artikel I-Q101, eerste lid, onderdeel c, sub 2, zijn de artikelen I-R1502, I-R1503 en I-R1505 tot en met I-R1508 van overeenkomstige toepassing. De artikelen I-R902 tot en met I-R905 zijn eveneens van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat deze artikelen slechts toepassing vinden voor het gedeelte dat de betrokkene werkzaam is in de component basiseducatie.

Artikel I-R908

Vervallen

Artikel I-R909

Vervallen

Artikel I-R910

Vervallen

Artikel I-R911

Vervallen

Artikel I-R912

Vervallen

Artikel I-R913

Vervallen

Artikel I-R914

Vervallen

Artikel I-R915

Vervallen

Artikel I-R916

Vervallen

Paragraaf 12. Instellingen voor middelbaar beroepsonderwijs, voor zover bekostigd door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen

Artikel I-R1201

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

a. a. "instelling": een instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder d14; b. b. "betrokkene": degene die bij een bevoegd gezag aan een instelling is benoemd in een functie als bedoeld in de artikelen I-R1204, I-R1211 en I-R1212; c. c. "verticale scholengemeenschap": een scholengemeenschap, bedoeld in artikel I-Q101, eerste lid, onderdeel c onder 3.

Artikel I-R1202

Het bevoegd gezag stelt, met inachtneming van het bepaalde in artikel I-R1203, het beleid van met betrekking tot de formatie van de leraarsfuncties vast.

Artikel I-R1203

In het georganiseerd overleg op instellingsniveau als bedoeld in hoofdstuk IV-E kan worden overeengekomen af te wijken van het bepaalde in artikel I-P3, tweede lid, mits daarbij de taakomvang op jaarbasis ongewijzigd blijft.

Artikel I-R1204

1. Onverminderd het bepaalde in het tweede lid, stelt Onze minister voor de normfuncties taakkarakteristieken of functiebeschrijvingen en maximumschalen vast.

2.

In het navolgende schema is een aantal normfuncties vermeld die in de formatie van de leraren kunnen zijn opgenomen, met de daarbij behorende maximumschaal.

Functie Maximumschaal
leraar A 12
leraar B 11
leraar C 10

In de bijlage R9 bij dit besluit zijn voor de normfuncties, vermeld in bovenstaand schema, functiebeschrijvingen en taakkarakteristieken opgenomen.

Artikel I-R1205

1. De betrokkene vervult zijn functie binnen de gebouwen of ruimten waarin de instelling of instellingen zijn gehuisvest en op de daarbij behorende terreinen. Het bevoegd gezag dient een voorstel in bij het overlegorgaan op instellingsniveau als bedoeld in hoofdstuk IV-E waarin nadere regels zijn getroffen met betrekking tot de mate waarin de weektaak plaatsgebonden is, met dien verstande dat de plaatsgebondenheid ten minste 65% van de betrekkingomvang bedraagt.

2. Het bevoegd gezag stelt voor de betrokkene werktijdregelingen vast. Onder werktijdregeling wordt verstaan een voor een periode van langer dan een week opgesteld en van te voeren bekendgemaakt schema van aanvang en einde van de dagelijkse werkzaamheden.

3. Het bevoegd gezag stelt een regeling op met betrekking tot de werktijd alsmede met betrekking tot de autorisatie en registratie van afwezigheid.

Artikel I-R1206

Het bepaalde in artikel I-P53, eerste en derde lid, is niet van toepassing.

Artikel I-R1207

1. Voor de betrokkene die bij wijze van waarneming tijdelijk wordt belast met de volledige vervanging van een functionaris bij wiens functie een hogere maximumschaal behoort, die gedurende meer dan 30 aaneengesloten kalenderdagen anders dan wegens vakantieverlof verhinderd is de werkzaamheden voortvloeiende uit zijn functie te verrichten, wordt met ingang van de 31e dag van de vervanging en zo lang hij met de volledige vervanging is belast, een salaris vastgesteld alsof hij in die functie was benoemd.

2. Na de beëindiging van de volledige vervanging, bedoeld in het eerste lid, wordt het salaris van de betrokkene die met de vervanging was belast, vastgesteld op het bedrag dat behoort bij de schaal en het salarisnummer die voor hem zouden hebben gegolden indien de vervanging niet zou hebben plaatsgevonden.

Artikel I-R1208

1. De omvang van de betrekking van de betrokkene die aan de instelling is of wordt verbonden en die daarnaast vervangingswerkzaamheden verricht of gaat verrichten aan die instelling of aan een andere instelling waaraan hij uit hoofde van zijn benoeming verbonden kan worden, wordt voor de duur van die vervangingswerkzaamheden tijdelijk uitgebreid met ingang van de dag waarop hij feitelijk met de vervanging wordt belast.

2. Indien een betrokkene wordt belast met werkzaamheden van kennelijk tijdelijke aard ten behoeve van derden en voor zover hij daarvoor niet een vergoeding ontvangt of verlof krijgt, kan het bevoegd gezag bepalen dat de omvang van de betrekking van de betrokkene tijdelijk wordt uitgebreid.

3. De in het eerste en tweede lid bedoelde uitbreiding wordt voor de duur waarvoor zij geldt afzonderlijk in de akte van benoeming vermeld. De bezoldiging behorende bij deze uitbreiding wordt berekend op grond van het salaris dat voor hem geldt bij de functie waarin hij reeds aan de instelling is benoemd.

Artikel I-R1209

Vervallen

Artikel I-R1210

Vervallen

Artikel I-R1211

Vervallen

Artikel I-R1212

Vervallen

Artikel I-R1213

Vervallen

Artikel I-R1214

Vervallen

Artikel I-R1215

Vervallen

Artikel I-R1216

Vervallen

Artikel I-R1217

Vervallen

Artikel I-R1218

Vervallen

Artikel I-R1219

Vervallen

Artikel I-R1220

Vervallen

Artikel I-R1221

Vervallen

Artikel I-R1222

Vervallen

Artikel I-R1223

Vervallen

Artikel I-R1224

Vervallen

Paragraaf 13. Instellingen voor lager en middelbaar beroepsonderwijs alsmede voor beroepsbegeleidend onderwijs in de sector landbouw en natuurlijke omgeving (AOC), voor zover bekostigd door de minister van landbouw, natuurbeheer en visserij

Artikel I-R1301

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

a. a. "instelling": een instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder d15; b. b. "betrokkene": degene die bij een bevoegd gezag aan een instelling is benoemd in een functie als bedoeld in artikel I-R1305.

Artikel I-R1302

1. Het bevoegd gezag stelt met inachtneming van het bepaalde in artikel I-R1304, het beleid met betrekking tot de formatie van de leraarsfuncties vast.

2.

De formatie voor de instelling wordt onderscheidenlijk vastgesteld voor:

a. a. de component lager landbouwonderwijs; en b. b. de component, niet zijnde lager landbouwonderwijs.

Artikel I-R1303

De in gevolge artikel I-R1302, tweede lid, vastgestelde formatie ten behoeve van de component lager landbouwonderwijs wordt uitsluitend ingezet ten behoeve van die component.

Artikel I-R1304

In het georganiseerd overleg op instellingsniveau als bedoeld in hoofdstuk IV-E kan worden overeengekomen af te wijken van het bepaalde in artikel I-P3, tweede lid, mits daarbij de taakomvang op jaarbasis ongewijzigd blijft.

Artikel I-R1305

1. Onverminderd het bepaalde in de volgende leden, stelt Onze minister voor de normfuncties taakkarakteristieken of functiebeschrijvingen en maximumschalen vast.

2.

In het navolgende schema is een aantal normfuncties vermeld die in de formatie van de leraren, werkzaam in de component niet zijnde lager landbouwonderwijs dan wel beroepsbegeleidend onderwijs, kunnen zijn opgenomen, met de daarbij behorende maximumschaal.

Functie Maximumschaal
leraar A 12
leraar B 11
leraar C 10

In de bijlage R9 bij dit besluit, zijn voor de normfuncties, vermeld in bovenstaand schema, functiebeschrijvingen en taakkarakteristieken opgenomen.

3. Voor de leraar, in overwegende mate werkzaam in de component lager landbouwonderwijs is in afwijking van het eerste lid, de in de bijlage R3 bij dit besluit opgenomen taakkarakteristiek voor de normfunctie leraar voortgezet onderwijs van overeenkomstige toepassing. Voor deze leraar is schaal 10 de maximumschaal.

4.

Voor de leraar in overwegende mate werkzaam in de component beroepsbegeleidend onderwijs is in afwijking van het eerste lid artikel I-R1504 van overeenkomstige toepassing met inbegrip van de daarbij behorende bijlage R11, dan wel geldt de normfunctie leraar/consulent beroepsbegeleidend onderwijs.

In bijlage R11a bij dit besluit zijn voor de normfunctie leraar/consulent beroepsbegeleidend onderwijs functiebeschrijvingen en taakkarakteristieken opgenomen.

Artikel I-R1306

1. De betrokkene vervult zijn functie binnen de gebouwen of ruimten waarin de instelling of instellingen zijn gehuisvest en op de daarbij behorende terreinen. Het bevoegd gezag dient een voorstel in bij het overlegorgaan op instellingsniveau als bedoeld in hoofdstuk IV-E waarin nadere regels zijn getroffen met betrekking tot de mate waarin de weektaak plaatsgebonden is, met dien verstande dat de plaatsgebondenheid ten minste 65% van de betrekkingsomvang bedraagt.

2. Het bevoegd gezag stelt voor de betrokkene werktijdregelingen vast. Onder werktijdregeling wordt verstaan een voor een periode van langer dan een week opgesteld en van te voren bekendgemaakt schema van aanvang en einde van de dagelijkse werkzaamheden.

3. Het bevoegd gezag stelt een regeling op met betrekking tot de werktijd alsmede met betrekking tot de autorisatie en registratie van afwezigheid.

Artikel I-R1307

Het bepaalde in artikel I-P53, eerste en derde lid, is niet van toepassing.

Artikel I-R1308

Het is het bevoegd gezag niet toegestaan de betrokkene extra beloning toe te kennen in de vorm van periodieke verhoging, bedoeld in artikel I-P53, in de vorm van buitengewone toelage, bedoeld in artikel I-P55, in de vorm van gratificatie, bedoeld in artikel I-P56, dan wel in de vorm van uitkering of toelage om redenen van werving en behoud als bedoeld in de artikelen I-P57 en I-P58, in situaties waarin tevens sprake is van gedwongen ontslag van een of meer personeelsleden.

Artikel I-R1309

1. Voor de betrokkene, die bij wijze van waarneming tijdelijk wordt belast met de volledige vervanging van een functionaris bij wiens functie een hogere maximumschaal behoort, die gedurende meer dan 30 aaneengesloten kalenderdagen anders dan wegens vakantieverlof verhinderd is de werkzaamheden voortvloeiende uit zijn functie te verrichten, wordt met ingang van de 31e dag van de vervanging en zolang hij met de volledige vervanging is belast, een salaris vastgesteld alsof hij in die functie was benoemd.

2. Na de beëindiging van de volledige vervanging, bedoeld in het eerste lid, wordt het salaris van de betrokkene die met de vervanging was belast, vastgesteld op het bedrag dat behoort bij de schaal en het salarisnummer die voor hem zouden hebben gegolden indien de vervanging niet zou hebben plaatsgevonden.

Artikel I-R1310

1. De omvang van de betrekking van de betrokkene die aan de instelling is of wordt verbonden en die daarnaast vervangingswerkzaamheden verricht of gaat verrichten aan die instelling of aan een andere instelling waaraan hij uit hoofde van zijn benoeming verbonden kan worden, wordt voor de duur van die vervangingswerkzaamheden tijdelijk uitgebreid met ingang van de dag waarop hij feitelijk met de vervanging wordt belast.

2. Indien een betrokkene wordt belast met werkzaamheden van kennelijk tijdelijke aard ten behoeve van derden en voor zover hij daarvoor niet een vergoeding ontvangt of verlof krijgt, kan het bevoegd gezag bepalen dat de omvang van de betrekking van de betrokkene tijdelijk wordt uitgebreid.

3. De in het eerste en tweede lid bedoelde uitbreiding wordt voor de duur waarvoor zij geldt afzonderlijk in de akte van benoeming vermeld. De bezoldiging behorende bij deze uitbreiding wordt berekend op grond van het salaris dat voor hem geldt bij de functie waarin hij reeds aan de instelling is benoemd.

Artikel I-R1311

Vervallen

Artikel I-R1312

Vervallen

Artikel I-R1313

Vervallen

Artikel I-R1314

Vervallen

Artikel I-R1315

Vervallen

Artikel I-R1316

Vervallen

Artikel I-R1317

Vervallen

Artikel I-R1318

Vervallen

Artikel I-R1319

Vervallen

Artikel I-R1320

Vervallen

Paragraaf 14. Instellingen voor voortgezet algemeen volwassenenonderwijs

Artikel I-R1401

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

a. a. "instelling": een instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder d17; b. b. "betrokkene": degene die bij een bevoegd gezag aan een instelling is benoemd in een functie als bedoeld in de artikelen I-R1404, I-R1411 en I-R1412; c. c. "verticale scholengemeenschap": een scholengemeenschap, bedoeld in artikel I-Q101, eerste lid, onderdeel c onder 3.

Artikel I-R1402

Het bevoegd gezag stelt, met inachtneming van het bepaalde in artikel I-R1404, het beleid met betrekking tot de formatie van de leraarsfuncties vast.

Artikel I-R1403

In het georganiseerd overleg op instellingsniveau als bedoeld in hoofdstuk IV-E kan worden overeengekomen af te wijken van het bepaalde in artikel I-P3, tweede lid, mits daarbij de taakomvang op jaarbasis ongewijzigd blijft.

Artikel I-R1404

1. Onverminderd het bepaalde in het tweede lid, stelt Onze minister voor de normfuncties taakkarakteristieken en functiebeschrijvingen en maximumschalen vast.

2.

In onderstaand schema zijn normfuncties vermeld die in de formatie van de leraren kunnen zijn opgenomen, met de daarbij behorende maximumschalen.

functie maximumschaal
leraar A 12
leraar C 10

In bijlage R10 bij dit besluit zijn voor de normfuncties, vermeld in bovenstaand schema, functiebeschrijvingen en taakkarakteristieken opgenomen.

3. Voor de leraar, in overwegende mate werkzaam in het deeltijd m.e.a.o. is in afwijking van het eerste lid, de in de bijlage R11 bij dit besluit opgenomen taakkarakteristiek voor de normfunctie leraar B en C van overeenkomstige toepassing.

Artikel I-R1405

1. De betrokkene vervult zijn werkzaamheden binnen de gebouwen of ruimten waarin de instelling of instellingen zijn gehuisvest en op de daarbij behorende terreinen. Het bevoegd gezag dient een voorstel in bij het overlegorgaan op instellingsniveau als bedoeld in hoofdstuk IV-E waarin nadere regels zijn getroffen met betrekking tot de mate waarin de weektaak plaatsgebonden is, met dien verstande dat de plaatsgebondenheid ten minste 65% van de betrekkingsomvang bedraagt.

2. Het bevoegd gezag stelt voor de betrokkene werktijdregelingen vast. Onder werktijdregeling wordt verstaan een voor een periode van langer dan een week opgesteld en van te voren bekendgemaakt schema van aanvang en einde van de dagelijkse werkzaamheden.

3. Het bevoegd gezag stelt een regeling op met betrekking tot de autorisatie en registratie van afwezigheid.

Artikel I-R1406

Het bepaalde in artikel I-P53, eerste en derde lid, is niet van toepassing.

Artikel I-R1407

1. Voor de betrokkene die bij wijze van waarneming tijdelijk wordt belast met de volledige vervanging van een functionaris bij wiens functie een hogere maximumschaal behoort, die gedurende meer dan 30 aaneengesloten kalenderdagen anders dan wegens vakantieverlof verhinderd is de werkzaamheden voortvloeiende uit zijn functie te verrichten, wordt met ingang van de 31e dag van de vervanging en zolang hij met de volledige vervanging is belast, een salaris vastgesteld alsof hij in die functie was benoemd.

2. Na de beëindiging van de volledige vervanging, bedoeld in het eerste lid, wordt het salaris van de betrokkene die met de vervanging was belast, vastgesteld op het bedrag dat behoort bij de schaal en het salarisnummer die voor hem zouden hebben gegolden indien de vervanging niet zou hebben plaatsgevonden.

Artikel I-R1408

1. De omvang van de betrekking van de betrokkene die aan de instelling is of wordt verbonden en die daarnaast vervangingswerkzaamheden verricht of gaat verrichten aan die instelling of aan een andere instelling waaraan hij uit hoofde van zijn benoeming verbonden kan worden, wordt voor de duur van die vervangingswerkzaamheden tijdelijk uitgebreid met ingang van de dag waarop hij feitelijk met de vervanging wordt belast.

2. Indien een betrokkene wordt belast met werkzaamheden van kennelijk tijdelijke aard ten behoeve van derden en voor zover hij daarvoor niet een vergoeding ontvangt of verlof krijgt, kan het bevoegd gezag bepalen dat de omvang van de betrekking van de betrokkene tijdelijk wordt uitgebreid.

3. De in het eerste en tweede lid bedoelde uitbreiding wordt voor de duur waarvoor zij geldt afzonderlijk in de akte van benoeming vermeld. De bezoldiging behorende bij deze uitbreiding wordt berekend op grond van het salaris dat voor hem geldt bij de functie waarin hij reeds aan de instelling is benoemd.

Artikel I-R1409

Vervallen

Artikel I-R1410

Vervallen

Artikel I-R1411

Vervallen

Artikel I-R1412

Vervallen

Artikel I-R1413

Vervallen

Artikel I-R1414

Vervallen

Paragraaf 15. Instellingen voor beroepsbegeleidend onderwijs

Artikel I-R1501

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

a. a. "instelling": een instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder d18; b. b. "betrokkene": degene die bij een bevoegd gezag aan een instelling is benoemd in een functie als bedoeld in de artikelen I-R1504, I-R1511 en I-R1512; c. c. "verticale scholengemeenschap": een scholengemeenschap, bedoeld in artikel I-Q101, eerste lid, onderdeel c onder 3.

Artikel I-R1502

Het bevoegd gezag stelt, met inachtneming van het bepaalde in artikel I-R1504, het beleid met betrekking tot de formatie van de leraarsfuncties vast.

Artikel I-R1503

1. In het georganiseerd overleg op instellingsniveau als bedoeld in hoofdstuk IV-E kan worden overeengekomen af te wijken van het bepaalde in artikel I-P3, tweede lid, mits daarbij de taakomvang op jaarbasis ongewijzigd blijft.

Artikel I-R1504

1. Onverminderd het bepaalde in het tweede lid, stelt Onze minister voor de normfuncties taakkarakteristieken en functiebeschrijvingen en maximumschalen vast.

2.

In onderstaand schema zijn normfuncties vermeld die in de formatie van de leraren kunnen zijn opgenomen, met de daarbij behorende maximumschalen.

functie maximumschaal
leraar A 12
leraar B 11
leraar C 10

In bijlage R11 bij dit besluit zijn voor de normfuncties, vermeld in bovenstaand schema, functiebeschrijvingen en taakkarakteristieken opgenomen.

Artikel I-R1505

1. De betrokkene vervult zijn werkzaamheden binnen de gebouwen of ruimten waarin de instelling of instellingen zijn gehuisvest en op de daarbij behorende terreinen. Het bevoegd gezag dient een voorstel in bij het overlegorgaan op instellingsniveau als bedoeld in hoofdstuk IV-E waarin nadere regels zijn getroffen met betrekking tot de mate waarin de weektaak plaatsgebonden is, met dien verstande dat de plaatsgebondenheid ten minste 65% van de betrekkingsomvang bedraagt.

2. Het bevoegd gezag stelt voor de betrokkene werktijdregelingen vast. Onder werktijdregeling wordt verstaan een voor een periode van langer dan een week opgesteld en van te voren bekendgemaakt schema van aanvang en einde van de dagelijkse werkzaamheden.

3. Het bevoegd gezag stelt een regeling op met betrekking tot de werktijd alsmede met betrekking tot de autorisatie en registratie van afwezigheid.

Artikel I-R1506

Het bepaalde in artikel I-P53, eerste en derde lid, is niet van toepassing.

Artikel I-R1507

1. Voor de betrokkene die bij wijze van waarneming tijdelijk wordt belast met de volledige vervanging van een functionaris bij wiens functie een hogere maximumschaal behoort, die gedurende meer dan 30 aaneengesloten kalenderdagen anders dan wegens vakantieverlof verhinderd is de werkzaamheden voortvloeiende uit zijn functie te verrichten, wordt met ingang van de 31e dag van de vervanging en zolang hij met de volledige vervanging is belast, een salaris vastgesteld alsof hij in die functie was benoemd.

2. Na de beëindiging van de volledige vervanging, bedoeld in het eerste lid, wordt het salaris van de betrokkene die met de vervanging was belast, vastgesteld op het bedrag dat behoort bij de schaal en het salarisnummer die voor hem zouden hebben gegolden indien de vervanging niet zou hebben plaatsgevonden.

Artikel I-R1508

1. De omvang van de betrekking van de betrokkene die aan de instelling is of wordt verbonden en die daarnaast vervangingswerkzaamheden verricht of gaat verrichten aan die instelling of aan een andere instelling waaraan hij uit hoofde van zijn benoeming verbonden kan worden, wordt voor de duur van die vervangingswerkzaamheden tijdelijk uitgebreid met ingang van de dag waarop hij feitelijk met de vervanging wordt belast.

2. Indien een betrokkene wordt belast met werkzaamheden van kennelijk tijdelijke aard ten behoeve van derden en voor zover hij daarvoor niet een vergoeding ontvangt of verlof krijgt, kan het bevoegd gezag bepalen dat de omvang van de betrekking van de betrokkene tijdelijk wordt uitgebreid.

3. De in het eerste en tweede lid bedoelde uitbreiding wordt voor de duur waarvoor zij geldt afzonderlijk in de akte van benoeming vermeld. De bezoldiging behorende bij deze uitbreiding wordt berekend op grond van het salaris dat voor hem geldt bij de functie waarin hij reeds aan de instelling is benoemd.

Artikel I-R1509

Vervallen

Artikel I-R1510

Vervallen

Artikel I-R1511

Vervallen

Artikel I-R1512

Vervallen

Artikel I-R1513

Vervallen

Artikel I-R1514

Vervallen

Hoofdstuk I-S. Salariëring onderwijsondersteunend

Paragraaf 1. Algemeen

Artikel I-S101

1.

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

a. a. betrokkene: de betrokkene, bedoeld in artikel I-A1, onder e1, e2 en e16, voor zover het betreft het onderwijsondersteunend personeel; b. b. instelling: de instelling, genoemd in artikel I-A1, onder d1, d2 en d16; c. c. salaris per uur: 1/166 deel van het salaris bij een normbetrekking; voor de betrokkene genoemd in artikel I-A1, e4 tot en met e6, e10, e 13 tot en met e15, e17 en e18 is dit 1/165 deel.

2. Voor zover uit het eerste lid niet anders blijkt, zijn in dit hoofdstuk de begripsbepalingen van artikel I-P1, I-P50 en I-P75 van toepassing.

Artikel I-S102

1. Aan iedere instelling kan onderwijsondersteunend personeel verbonden zijn voor zover dit binnen de door het bevoegd gezag vastgestelde formatie mogelijk is.

2. In de paragrafen 2 en 3 en 6 tot en met 16 wordt voor elke normfunctie de bijbehorende maximumschaal aangegeven.

3.

Bij elke maximumschaal behoort een aanloopschaal als aangegeven in onderstaand schema.

Aanloopschaal Maximumschaal Aanloopschaal Maximumschaal
- 1 8 9
- 2 8 10
2 3 10 11
3 4 11 12
4 5 12 13
5 6 13 14
6 7 14 15
7 8 15 16

Artikel I-S102a

1. Bij de functie van de betrokkene die is benoemd in het kader van de Regeling extra werkgelegenheid voor langdurig werklozen 1995 (Stcrt. 1995, 13), behoort maximumschaal 1.

2. In afwijking van artikel I-S102 behoort bij de maximumschaal die geldt voor de betrokkene bedoeld in het eerste lid, een aanlooptraject.

3. De functie van de betrokkene bedoeld in het eerste lid, komt bij een benoeming aan een instelling als bedoeld in artikel I-P75, onder a, uitsluitend ten laste van eigen middelen.

Artikel I-S103

1. Bij de benoeming van de betrokkene wordt het salaris na toepassing van de artikelen I-P7 tot en met I-P11 vastgesteld in de hoogst mogelijke schaal van het carrièrepatroon dat behoort bij zijn functie.

2. Indien de betrokkene direct voorafgaand aan zijn benoeming een onderwijsfunctie heeft vervuld waarin hij laatstelijk reeds voor de duur van een jaar werd bezoldigd naar een bedrag vermeld achter het voorlaatste salarisnummer beginnend met de letter U van een van dezelfde schalen 1 tot en met 4 als die waarin het salaris, bedoeld in het eerste lid, wordt vastgesteld, wordt die periode van tenminste een jaar in mindering gebracht op de periode van twee jaar, bedoeld in artikel I-P13, tweede lid, in die nieuwe functie.

3. Indien aan de functie waarin betrokkene werkzaam is als gevolg van herwaardering een hogere maximumschaal wordt verbonden, wordt het salaris vastgesteld op de in het eerste lid aangegeven wijze.

Artikel I-S103a

1. Bij de benoeming van de betrokkene bedoeld in artikel I-S102a, eerste lid, zijn de artikelen I-P8 tot en met I-P11 en artikel I-S103 niet van toepassing.

2. Behoudens het derde lid wordt het salaris van de in het eerste lid bedoelde betrokkene bij zijn benoeming vastgesteld op het laagste bedrag van het aanlooptraject.

3. In afwijking van het tweede lid wordt het salaris van de in het eerste lid bedoelde betrokkene die de leeftijd van 23 jaar nog niet heeft bereikt, bij zijn benoeming vastgesteld overeenkomstig het wettelijk minimumjeugdloon dat bij zijn leeftijd behoort.

Artikel I-S104

Zodra aan de betrokkene, wiens salaris wordt vastgesteld volgens de aanloopschaal, op grond van artikel I-P13 een periodieke verhoging wordt toegekend en deze daarmee een salaris krijgt dat gelijk is aan of hoger is dan het laagste bedrag in de maximumschaal, wordt zijn salaris bepaald op het naasthogere bedrag in de bij zijn functie behorende maximumschaal.

Artikel I-S104a

Indien aan de betrokkene bedoeld in artikel I-S102a, eerste lid, wiens salaris wordt vastgesteld volgens nummer 2 van het aanlooptraject, op grond van artikel I-P13 een periodieke verhoging wordt toegekend, wordt zijn salaris bepaald op het bedrag dat in schaal 1 is vermeld bij salarisnummer 0.

Artikel I-S105

1. De functie van de betrokkene wordt vervuld binnen de gebouwen of ruimten waarin de instelling of instellingen zijn gehuisvest en op de daarbij behorende terreinen, tenzij de aard van de te verrichten werkzaamheden zich daartegen verzet.

2. Het bevoegd gezag stelt na overleg met de betrokkene zo mogelijk aan het begin van het school-, cursus- dan wel kalenderjaar een werktijdenregeling vast. De werktijdenregeling wordt met instemming van de betrokkene vastgesteld indien in deze regeling is bepaald dat arbeidsduurverkorting niet in regelmatige terugkerende perioden van een week wordt genoten.

3. Het bevoegd gezag stelt na overleg met de betrokkene de dagelijkse werktijden vast, waarbij doorgaans per dag niet meer dan 8 uur wordt gewerkt.

4. Van de op grond van het tweede en derde lid vastgestelde tijden wordt in opdracht van het bevoegd gezag na overleg met de betrokkene incidenteel afgeweken, indien om school-organisatorische redenen de werkzaamheden noodzakelijk op andere tijden dan bedoeld in het tweede lid moeten worden verricht.

Artikel I-S106

1. Aan de betrokkene voor wie het salaris wordt vastgesteld volgens één der schalen 1 tot en met 10 en die in opdracht van het bevoegd gezag overwerk verricht, wordt, behoudens het derde lid, een vergoeding toegekend.

2. Onder overwerk wordt verstaan arbeid verricht buiten de voor de betrokkene vastgestelde dagelijkse werktijd, voor zover daardoor deze werktijd wordt overschreden.

3. Voor overwerk dat gedurende korter dan een half uur aansluitend aan de vastgestelde dagelijkse werktijd wordt verricht, wordt geen vergoeding toegekend.

4.

De vergoeding voor overwerk bestaat uit:

a. a. voor betrokkene verbonden aan een instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder d2 end6, d12, d13 en d16 uit:

        1.
        verlof, gelijk aan het aantal uren overschrijding van de voor de betrokkene vastgestelde dagelijkse werktijd, en
      
      
        2.
        extra verlof, dat voor elk uur een percentage van die overschrijding is.
    1.   verlof, gelijk aan het aantal uren overschrijding van de voor de betrokkene vastgestelde dagelijkse werktijd, en
      
    1.   extra verlof, dat voor elk uur een percentage van die overschrijding is.
      

b. b. voor betrokkenen verbonden aan een instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder d1, d4, d5, d10, d14, d 15, d17 uit:

        1.
        verlof, gelijk aan het aantal uren overschrijding van de voor de betrokkene vastgestelde dagelijkse werktijd, en
      
      
        2.
        een bedrag in geld, dat voor elk uur van die overschrijding een percentage van het voor betrokkene geldende salaris per uur bedraagt.
    1.   verlof, gelijk aan het aantal uren overschrijding van de voor de betrokkene vastgestelde dagelijkse werktijd, en
      
    1.   een bedrag in geld, dat voor elk uur van die overschrijding een percentage van het voor betrokkene geldende salaris per uur bedraagt.
      

5. De vergoeding in verlof wordt zo spoedig mogelijk toegekend, doch in de regel niet later dan in de kalendermaand volgende op die waarin de overschrijding plaats had, waarbij zoveel mogelijk rekening wordt gehouden met de wensen van de betrokkene.

6. Indien naar het oordeel van het bevoegd gezag het dienstbelang zich verzet tegen het toekennen van verlof, bedoeld in het vierde lid, onder b1 wordt in plaats van dit verlof voor ieder uur een bedrag in geld toegekend gelijk aan het voor de betrokkene geldende salaris per uur.

7.

Het in het vierde lid bedoelde percentage bedraagt:

a. a. behoudens het gestelde onder b en c, het getal, vermeld in de onderstaande tabel:

              Overwerk verricht Op zondag Op maandag Op dinsdag, woensdag, Op zaterdag
            
          
          
            
               donderdag of vrijdag
            
          
        
        
          
            
              tussen 0 en 6 uur 100 100 50 50
            
          
          
            
              tussen 6 en 18 uur 100 25 25 50
            
          
          
            
              tussen 18 en 20 uur 100 25 25 75
            
          
          
            
              tussen 20 en 24 uur 100 50 50 75

b. b. 50, indien gedurende langer dan twee uur overwerk is verricht, voor zover het overwerk betreft, dat na de eerste twee uur is verricht op maandag, dinsdag, woensdag, donderdag of vrijdag tussen 6 en 20 uur, behoudens het gestelde onder c; c. c. 100, indien het overwerk is verricht op een met de zondag gelijkgestelde dag, dan wel op de daarop volgende dag tussen 0 en 6 uur.

8. Voor het vaststellen van de duur van de overschrijding gelden de uren waarop krachtens het vierde lid of krachtens hoofdstuk I-C vakantie of verlof is genoten, als uren waarop is gewerkt.

Artikel I-S107

1. Aan de betrokkene voor wie het salaris wordt vastgesteld volgens een der schalen 1 tot en met 10 en die anders dan bedoeld in artikel I-S106 regelmatig of vrij regelmatig arbeid verricht op andere tijden dan op de dagen maandag tot en met vrijdag tussen 8 en 18 uur, wordt een toelage toegekend.

2.

De toelage bedraagt per gewerkt uur een percentage van het voor betrokkene geldende salaris per uur en wel:

a. a. 20% voor de uren op maandag tot en met vrijdag tussen 6 en 8 uur en tussen 18 en 22 uur; b. b. 40% voor de uren op maandag tot en met vrijdag tussen 0 en 6 uur en tussen 22 en 24 uur; c. c. 45% voor de uren op zaterdag; d. d. 70% voor de uren op zondag; e. e. 100% voor de uren op feestdagen, met dien verstande dat genoemde percentages worden berekend over ten hoogste het salaris behorende bij salarisnummer 10 van schaal 7.

3. Voor de in het tweede lid onder a genoemde uren wordt de toelage slechts toegekend, indien de arbeid is aangevangen vóór 7 uur, respectievelijk is beëindigd na 19 uur.

4. In afwijking van het eerste en tweede lid ontvangt de betrokkene met ingang van de maand waarin hij de leeftijd van 55 jaar bereikt een vaste toelage, mits hij op dat moment gedurende tenminste 5 jaar zonder wezenlijke onderbreking een toelage als bedoeld in het eerste lid heeft genoten.

5. De toelage bedoeld in het vierde lid wordt vastgesteld op het bedrag dat de betrokkene over de twaalf kalendermaanden direct voorafgaande aan de maand waarin hij de leeftijd van 55 jaar bereikt gemiddeld per maand aan toelage als bedoeld in het eerste lid heeft genoten en wordt aangepast aan algemene salariswijzigingen.

6. Voor de toepassing van het vierde lid wordt onder wezenlijke onderbreking verstaan een onderbreking van langer dan twee maanden.

Artikel I-S108

1. Aan de betrokkene wiens bezoldiging, als gevolg van het buiten zijn toedoen, beëindigen of verminderen van een toelage als bedoeld in artikel I-S107, een blijvende verlaging ondergaat welke ten minste 3% bedraagt van de bezoldiging, wordt een aflopende toelage toegekend, mits hij eerstgenoemde toelage, direct voorafgaande aan het tijdstip van vorenbedoelde beëindiging of vermindering ervan, gedurende ten minste twee jaren zonder wezenlijke onderbreking heeft genoten.

2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder wezenlijke onderbreking verstaan een onderbreking van langer dan twee maanden.

3. Onze minister geeft nadere voorschriften voor de toepassing van dit artikel.

Artikel I-S109

1. Aan de betrokkene, die in een kalenderjaar is benoemd of benoemd is geweest in één of meer functies met één der maximumschalen 1 tot en met 8 wordt, met inachtneming van het bepaalde in het derde lid, een eindejaarsuitkering toegekend.

2. Het bedrag per maand van de in het eerste lid bedoelde eindejaarsuitkering bij een normbetrekking wordt, onderscheiden naar de maximumschalen 1 tot en met 5 respectievelijk 6 tot en met 8, door Onze minister vastgesteld.

3. Voor elke kalendermaand van het desbetreffende kalenderjaar waarin de betrokkene in de desbetreffende functies werkzaam is geweest en salaris heeft genoten, wordt per functie het bedrag berekend door de toe te passen bedragen bij normbetrekking te vermenigvuldigen met het bedrag van het door de betrokkene in die maand genoten salaris en te delen door het salaris bij normbetrekking behorende bij de desbetreffende functie.

4. De uitkering wordt vastgesteld op de som van de volgens het derde lid berekende bedragen en wordt rekenkundig afgerond op centen.

5. De uitkering wordt eenmaal per jaar uitbetaald in de maand december over de periode van twaalf maanden die eindigt met de maand december.

6. In afwijking van het bepaalde in het vijfde lid vindt bij ontslag van de betrokkene de uitbetaling plaats over het tijdvak januari tot en met de datum van ontslag van het desbetreffende kalenderjaar.

7. De in het eerste lid bedoelde uitkering wordt niet aangemerkt als bezoldiging en maakt geen deel uit van het inkomen, bedoeld in het pensioenreglement.

Artikel I-S110

1. Voor de betrokkene die aan de instelling waaraan hij is verbonden of aan een andere instelling waaraan hij uit hoofde van zijn benoeming verbonden kan worden, die bij wijze van waarneming wordt belast met de volledige vervanging van een tijdelijk afwezige functionaris voor wie een hogere maximumschaal geldt en die gedurende meer dan 30 aaneengesloten kalenderdagen ander dan wegens vakantieverlof verhinderd is de werkzaamheden voortvloeiende uit zijn functie te verrichten, wordt met ingang van de 31e dag van de vervanging en zolang hij met de volledige vervanging is belast, een salaris vastgesteld alsof hij in die functie was benoemd.

2. Na de beëindiging van de volledige vervanging bedoeld in het eerste lid, wordt het salaris van de betrokkene die met de vervanging was belast, vastgesteld op het bedrag dat behoort bij het salarisnummer en de schaal die voor hem zouden hebben gegolden indien de vervanging niet zou hebben plaatsgevonden.

3. Het eerste en de tweede lid zijn niet van toepassing ten aanzien van de betrokkene voor wie de vervanging van de afwezige functionaris tot de functie behoort.

Artikel I-S111

1. Voor de betrokkene, benoemd in een volledige weektaak, die de leeftijd van 60 jaar heeft bereikt, wordt op zijn schriftelijk verzoek de dagelijkse werktijd met een half uur verkort, mits hij geen bezoldigde nevenwerkzaamheden verricht of gaat verrichten. In dat geval vervalt tevens het recht op een eventuele ontslaguitkering als bedoeld in hoofdstuk I-H ter zake van beëindigde nevenwerkzaamheden.

2. De betrokkene op wie het eerste lid van toepassing is verklaard, alsmede de betrokkene die gebruik maakt van hoofdstuk I-V kunnen niet met overwerk als bedoeld in artikel I-S106 worden belast.

3. Indien de betrokkene, bedoeld in het eerste lid, tevens gebruik maakt van het verlof, bedoeld in hoofdstuk I-V, wordt het verlof, bedoeld in het eerste lid, samengevoegd en in gehele of halve werkdagen verleend.

Artikel I-S112

Degene die werkzaam wordt in meerdere componenten van een horizontale scholengemeenschap als bedoeld in artikel I-Q101, eerste lid, onderdeel c, sub 2, wordt bij het bevoegd gezag benoemd in de formatie van de component waaraan hij het grootste deel van zijn werkzaamheden verricht.

Artikel I-S113

Vervallen

Artikel I-S114

Vervallen

Artikel I-S115

Vervallen

Artikel I-S116

Vervallen

Artikel I-S117

Vervallen

Artikel I-S118

Vervallen

Artikel I-S119

Vervallen

Paragraaf 2

Artikel I-S201

Vervallen

Artikel I-S202

Vervallen

Artikel I-S203

Vervallen

Artikel I-S204

Vervallen

Paragraaf 3. Normfuncties instellingen voor basisonderwijs, speciaal onderwijs en voortgezet speciaal onderwijs en centrale diensten

Artikel I-S301

Vervallen

Artikel I-S302

In het navolgende schema is een aantal normfuncties vermeld die aan de instelling, bedoeld in artikel I-A1, onder d1 of d2, kunnen voorkomen met de daarbij behorende maximumschaal.

In de bijlage S1 bij dit besluit zijn voor de normfuncties taakkarakteristieken en zonodig benoemingsvereisten gegeven.

Artikel I-S303

1. De betrokkene die in een normbetrekking is benoemd in de functie van klassenassistent, onderwijsassistent of technisch assistent is en die het verlof, bedoeld in artikel I-C41, per jaar geniet, wordt gemiddeld voor ten hoogste 930 uren per jaar belast met lesgebonden taken. Voor de betrokkene, bedoeld in de eerste volzin, die gebruik maakt van het verlof, bedoeld in artikel I-C41, zevende lid, en voor wie een arbeidsduur op jaarbasis geldt van 1710 uren respectievelijk 1790 uren wordt in de eerste volzin voor «930 uren» gelezen «961 uren» respectievelijk «1010 uren».

2. De betrokkene die in een normbetrekking is benoemd in de functie van logopedist en die het verlof, bedoeld in artikel I-C41, per jaar geniet, wordt voor gemiddeld ten hoogste 930 uren per jaar belast met behandeltaken. Voor de betrokkene, bedoeld in de eerste volzin, die gebruik maakt van het verlof, bedoeld in artikel I-C41, zevende lid, en voor wie een arbeidsduur op jaarbasis geldt van 1710 uren respectievelijk 1790 uren wordt in de eerste volzin voor «930 uren» gelezen «961 uren» respectievelijk «1010 uren».

3. De betrokkene die in een normbetrekking is benoemd in een andere functie dan die genoemd in het eerste en tweede lid en voor wie ook sprake is van lesgebonden taken of behandeltaken en die het verlof, bedoeld in artikel I-C41, per jaar geniet, wordt gemiddeld voor ten hoogste 930 uren per jaar belast met lesgebonden of behandel taken. Voor de betrokkene, bedoeld in de eerste volzin, die gebruik maakt van het verlof, bedoeld in artikel I-C41, zevende lid, en voor wie een arbeidsduur op jaarbasis geldt van 1710 uren respectievelijk 1790 uren wordt in de eerste volzin voor «930 uren» gelezen «961 uren» respectievelijk «1010 uren».

4. Van het eerste lid kan met het oog op de invulling van de algemene arbeidsduur per jaar bedoeld in artikel I-P3, tweede en derde lid, in het bijzonder onderwijs worden afgeweken op grond van een overeenkomst bedoeld in de Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst en in het openbaar onderwijs op grond van een overeenkomst die voldoet aan de voorwaarden zoals die zijn gesteld in genoemde wet.

5. Binnen een normbetrekking is 10% van de normbetrekking en indien gebruik wordt gemaakt van artikel I-C41, zevende lid, 10% van de arbeidsduur op jaarbasis, bedoeld in artikel I-P3, tweede of derde lid, bestemd voor activiteiten in het kader van de deskundigheidsbevordering. De besteding van het in de eerste volzin bedoelde deel van de normbetrekking respectievelijk de arbeidsduur op jaarbasis wordt door betrokkene bepaald, met dien verstande dat het bevoegd gezag in individuele gevallen en schriftelijk gemotiveerd daarvan kan afwijken.

6. Na verkregen instemming van het decentraal georganiseerd overleg kan aan instellingen waarvoor op jaarbasis een onderwijstijd geldt van meer dan 1010 doch ten hoogste 1040 uur betrokkene voor maximaal die aan de instelling geldende onderwijstijd worden belast met het geven van onderwijs.

7. Voor de betrokkene die is benoemd in een betrekking met een omvang van minder dan een normbetrekking wordt het maximum aantal uren, bedoeld in het eerste lid, en de deskundigheidsbevordering, bedoeld in het tweede lid, naar evenredigheid van de werktijdfactor berekend en rekenkundig afgerond op gehele uren.

8. In individuele gevallen kunnen door het bevoegd gezag en betrokkene van het percentage genoemd in het vijfde lid afwijkende afspraken worden gemaakt.

Artikel I-S304

1. De omvang van de betrekking van de betrokkene die aan de instelling is of wordt verbonden en die daarnaast vervangingswerkzaamheden verricht of gaat verrichten aan die instelling of aan een andere instelling waaraan hij uit hoofde van zijn benoeming verbonden kan worden, dan wel die daarnaast werkzaamheden verricht dan wel gaat verrichten waarvoor hem een gedeelte van een normbetrekking is of wordt toebedeeld die op grond van artikel I-P80 van rechtswege vervalt, wordt voor de duur en de omvang van die werkzaamheden tijdelijk uitgebreid met overeenkomstige toepassing van het bepaalde in artikel I-P22.

2. De omvang van de tijdelijke uitbreiding van de betrekking bedoeld in het eerste lid, wordt voor de duur waarvoor dit geschiedt afzonderlijk in de akte van benoeming vermeld.

3. Indien de betrekkingsomvang van een betrokkene die uitsluitend is benoemd voor het verrichten van vervangingswerkzaamheden, tijdelijk is uitgebreid op grond van het eerste lid, wordt die tijdelijke uitbreiding bij beëindiging van eerstbedoelde vervangingswerkzaamheden omgezet in een benoeming.

Artikel I-S305

Vervallen

Artikel I-S306

Vervallen

Paragraaf 4. Instellingen voor voortgezet onderwijs

Artikel I-S401

Vervallen

Artikel I-S402

Vervallen

Artikel I-S403

Vervallen

Artikel I-S404

Vervallen

Artikel I-S405

Vervallen

Artikel I-S406

Vervallen

Artikel I-S407

Vervallen

Artikel I-S408

Vervallen

Artikel I-S409

Vervallen

Artikel I-S410

Vervallen

Artikel I-S411

Vervallen

Artikel I-S412

Vervallen

Artikel I-S413

Vervallen

Artikel I-S414

Vervallen

Artikel I-S415

Vervallen

Artikel I-S416

Vervallen

Artikel I-S417

Vervallen

Artikel I-S418

Vervallen

Artikel I-S419

Vervallen

Artikel I-S420

Vervallen

Artikel I-S421

Vervallen

Artikel I-S422

Vervallen

Artikel I-S423

Vervallen

Paragraaf 5. Instellingen voor hoger beroepsonderwijs

Artikel I-S501

Vervallen

Artikel I-S502

Vervallen

Artikel I-S503

Vervallen

Artikel I-S504

Vervallen

Artikel I-S505

Vervallen

Artikel I-S506

Vervallen

Artikel I-S507

Vervallen

Artikel I-S507a

Vervallen

Artikel I-S508

Vervallen

Artikel I-S509

Vervallen

Artikel I-S510

Vervallen

Artikel I-S511

Vervallen

Artikel I-S512

Vervallen

Artikel I-S513

Vervallen

Artikel I-S514

Vervallen

Artikel I-S515

Vervallen

Artikel I-S516

Vervallen

Artikel I-S517

Vervallen

Artikel I-S518

Vervallen

Paragraaf 6. Landelijke organen

Artikel I-S601

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

a. a. instelling: een instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder d4; b. b. betrokkene: de betrokkene, bedoeld in artikel I-A1, onder e4, voor zover het betreft het ondersteunend en beheerspersoneel.

Artikel I-S602

Het bevoegd gezag stelt met inachtneming van het bepaalde in artikel I-S605, het beleid met betrekking tot de formatie van het ondersteunend en beheerspersoneel vast.

Artikel I-S603

In het georganiseerd overleg op instellingsniveau als bedoeld in hoofdstuk IV-E kan worden overeengekomen af te wijken van het bepaalde in artikel I-P3, tweede lid, onder a, mits daarbij de taakomvang op jaarbasis ongewijzigd blijft.

Artikel I-S604

Het bevoegd gezag stelt een regeling op met betrekking tot de werktijd alsmede met betrekking tot de autorisatie en registratie van afwezigheid.

Artikel I-S605

1. Onverminderd het bepaalde in het tweede lid stelt Onze minister voor de normfuncties taakkarakteristieken of functiebeschrijvingen en maximumschalen vast.

2.

Binnen de formatie die is vastgesteld met inachtneming van artikel I-S602 kunnen betrokkenen worden benoemd in normfuncties als is aangegeven in onderstaand schema. De daarbij vermelde maximumschalen zijn van toepassing indien het aantal leerovereenkomsten 12 000 of meer bedraagt. Bij een kleinere instelling stelt het bevoegd gezag de maximumschaal vast, rekening houdend met de voor het Rijkspersoneel ter zake geldende normen en in samenhang met de formatie.

Functie Maximumschaal
hoofd administratie 12
hoofd afdeling financiële zaken 12
hoofd afdeling personeelszaken 11

In de bijlage S4 bij dit besluit, zijn voor de normfuncties, vermeld in bovenstaand schema, functiebeschrijvingen gegeven.

3. Voor de vaststelling van het aantal leerovereenkomsten is artikel I-Q604, tweede lid van overeenkomstige toepassing.

Artikel I-S606

1. Artikel I-S104 is niet van toepassing.

2. Zodra aan de betrokkene op grond van artikel I-P13 een periodieke verhoging wordt toegekend en zijn salaris ten minste gelijk is aan het laagste bedrag in de bij zijn functie behorende maximumschaal, wordt, tenzij naar het oordeel van het bevoegd gezag zijn wijze van functioneren zich daar nog tegen verzet, zijn salaris bepaald op het naasthogere bedrag in de bij zijn functie behorende maximumschaal.

3. Zo nodig wordt het bedrag in de maximumschaal dat is vastgesteld op grond van het tweede lid, verhoogd tot een bedrag in de maximumschaal om te bereiken dat het salaris in de maximumschaal te allen tijde uitgaat boven het salaris dat voor de betrokkene in de aanloopschaal zou hebben gegolden.

4. Het bevoegd gezag kan regels opstellen ten aanzien van het carrièrepatroon en het doorlopen daarvan die in voor de betrokkene gunstige zin afwijken van het tweede en derde lid.

Artikel I-S607

Het bevoegd gezag kan regels opstellen ten aanzien van de criteria waaraan de betrokkene moet hebben voldaan alvorens te kunnen worden bezoldigd volgens de bij zijn functie behorende maximumschaal.

Artikel I-S608

Het bepaalde in artikel I-P53, eerste en derde lid, is niet van toepassing.

Artikel I-S609

Het bepaalde in artikel I-S110, derde lid, is niet van toepassing.

Artikel I-S610

1. De omvang van de betrekking van de betrokkene die aan de instelling is of wordt verbonden en die daarnaast vervangingswerkzaamheden verricht of gaat verrichten aan die instelling of aan een andere instelling waaraan hij uit hoofde van zijn benoeming verbonden kan worden, wordt voor de duur van die vervangingswerkzaamheden tijdelijk uitgebreid met ingang van de dag waarop hij feitelijk met de vervanging wordt belast.

2. Indien een betrokkene wordt belast met werkzaamheden van kennelijk tijdelijke aard ten behoeve van derden en voor zover hij daarvoor niet een vergoeding ontvangt of verlof krijgt, kan het bevoegd gezag bepalen dat de omvang van de betrekking van de betrokkene tijdelijk wordt uitgebreid.

3. De in het eerste en tweede lid bedoelde uitbreiding wordt voor de duur waarvoor zij geldt afzonderlijk in de akte van benoeming vermeld. De bezoldiging behorende bij deze uitbreiding wordt berekend op grond van het salaris dat voor hem geldt bij de functie waarin hij reeds aan de instelling is benoemd.

Artikel I-S611

In afwijking van artikel I-P13, eerste lid, wordt ten aanzien van de betrokkenen in deze paragraaf voor "1 augustus" gelezen: 1 januari.

Paragraaf 7. Instituten voor vormingswerk voor jeugdigen

Artikel I-S701

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

a. a. "instelling": een instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder d5; b. b. "betrokkene": degene die bij een instelling is benoemd in een functie als bedoeld in artikel I-S705.

Artikel I-S702

Het bevoegd gezag stelt met inachtneming van het bepaalde in artikel I-S703, het beleid met betrekking tot de formatie van het ondersteunend en beheerspersoneel vast.

Artikel I-S703

In het georganiseerd overleg op instellingsniveau als bedoeld in hoofdstuk IV-E kan worden overeengekomen af te wijken van het bepaalde in artikel I-P3, derde lid, mits daarbij de taakomvang op jaarbasis ongewijzigd blijft.

Artikel I-S704

Het bevoegd gezag stelt een regeling op met betrekking tot de werktijd alsmede met betrekking tot de autorisatie en registratie van afwezigheid.

Artikel I-S705

Binnen de formatie die is vastgesteld met inachtneming van artikel I-S702 kunnen betrokkenen worden benoemd in een normfunctie als is aangegeven in onderstaand schema. De daarbij vermelde maximumschaal is van toepassing indien de aanspraak op vergoeding uit s Rijks kas van personele en exploitatiekosten gezamenlijk gelijk is aan of meer is dan f 1 500 000. Bij een kleinere instelling stelt het bevoegd gezag de maximumschaal vast, rekening houdend met de voor het Rijkspersoneel terzake geldende normen en in samenhang met de formatie.

In de bijlage S5 is voor de normfunctie, vermeld in bovenstaand schema, een taakkarakteristiek gegeven.

Artikel I-S706

1. Artikel I-S104 is niet van toepassing.

2. Zodra aan de betrokkene op grond van artikel I-P13 een periodieke verhoging wordt toegekend en zijn salaris ten minste gelijk is aan het laagste bedrag in de bij zijn functie behorende maximumschaal, wordt, tenzij naar het oordeel van het bevoegd gezag zijn wijze van functioneren zich daar nog tegen verzet, zijn salaris bepaald op het naasthogere bedrag in de bij zijn functie behorende maximumschaal.

3. Zo nodig wordt het bedrag in de maximumschaal dat is vastgesteld op grond van het tweede lid, verhoogd tot een bedrag in de maximumschaal om te bereiken dat het salaris in de maximumschaal te allen tijde uitgaat boven het salaris dat voor de betrokkene in de aanloopschaal zou hebben gegolden.

4. Het bevoegd gezag kan regels opstellen ten aanzien van het carrièrepatroon en het doorlopen daarvan die in voor de betrokkene gunstige zin afwijken van het tweede en derde lid.

Artikel I-S707

Het bevoegd gezag kan regels opstellen ten aanzien van de criteria waaraan de betrokkene moet hebben voldaan alvorens te kunnen worden bezoldigd volgens de bij zijn functie behorende maximumschaal.

Artikel I-S708

Het bepaalde in artikel I-P53, eerste en derde lid, is niet van toepassing.

Artikel I-S709

Het bepaalde in artikel I-S110, derde lid, is niet van toepassing.

Artikel I-S710

1. De omvang van de betrekking van de betrokkene die reeds aan de instelling is verbonden en die vervangingswerkzaamheden verricht aan die instelling of aan een andere instelling waaraan hij uit hoofde van zijn benoeming verbonden kan worden, wordt voor de duur van die vervangingswerkzaamheden tijdelijk uitgebreid met ingang van de dag waarop hij feitelijk met de vervanging wordt belast.

2. Indien een betrokkene wordt belast met werkzaamheden van kennelijk tijdelijke aard ten behoeve van derden en voor zover hij daarvoor niet een vergoeding ontvangt of verlof krijgt, kan het bevoegd gezag bepalen dat de omvang van de betrekking van de betrokkene tijdelijk wordt uitgebreid.

3. De in het eerste en tweede lid bedoelde uitbreiding wordt voor de duur waarvoor zij geldt afzonderlijk in de akte van benoeming vermeld. De bezoldiging behorende bij deze uitbreiding wordt berekend op grond van het salaris dat voor hem geldt bij de functie waarin hij reeds aan de instelling is benoemd.

Paragraaf 8. Instituten voor landbouwpraktijkonderwijs (IPC)

Artikel I-S801

a. a. "instelling": de instelling, bedoeld in artikel I-A1, onder d10; b. b. "betrokkene": de betrokkene, bedoeld in artikel I-A1, onder e10,

voorzover het betreft onderwijsondersteunend personeel.

Artikel I-S802

Het bevoegd gezag stelt met inachtneming van het bepaalde in artikel I-S805, het beleid met betrekking tot de formatie van het ondersteunend en beheerspersoneel vast.

Artikel I-S803

In het georganiseerd overleg op instellingsniveau als bedoeld in hoofdstuk IV-E kan worden overeengekomen af te wijken van het bepaalde in artikel I-P3, tweede lid, onder a, mits daarbij de taakomvang op jaarbasis ongewijzigd blijft.

Artikel I-S804

Het bevoegd gezag stelt een regeling op met betrekking tot de werktijd alsmede met betrekking tot de autorisatie en registratie van afwezigheid.

Artikel I-S805

1. Onverminderd het bepaalde in het tweede lid stelt Onze minister voor de normfuncties taakkarakteristieken of functiebeschrijvingen en maximumschalen vast.

2.

Binnen de formatie die is vastgesteld met inachtneming van artikel I-S802 kunnen betrokkenen worden benoemd in functies met een maximumschaal als is aangegeven in onderstaand schema.

Functie Maximumschaal
1. Hoofd algemene zaken 9, 10 of 11
2. Hoofd bedrijven 10 of 11
3. Hoofd interne dienst 7
4. Beheerder logeergebouw 8 of 9

3. In de bijlage S6 bij dit besluit zijn voor de normfuncties, vermeld in bovenstaand schema, functiebeschrijvingen gegeven. Indien bij een functie meer dan een schaal is vermeld, is de maximumschaal afhankelijk van de functieinhoud of de omvang van de instelling, als is aangegeven in de bijlage S6 bij dit besluit.

Artikel I-S806

1. Artikel I-S104 is niet van toepassing.

2. Zodra aan de betrokkene op grond van artikel I-P13 een periodieke verhoging wordt toegekend en zijn salaris ten minste gelijk is aan het laagste bedrag in de bij zijn functie behorende maximumschaal, wordt, tenzij naar het oordeel van het bevoegd gezag zijn wijze van functioneren zich daar nog tegen verzet, zijn salaris bepaald op het naasthogere bedrag in de bij zijn functie behorende maximumschaal.

3. Zo nodig wordt het bedrag in de maximumschaal dat is vastgesteld op grond van het tweede lid, verhoogd tot een bedrag in de maximumschaal om te bereiken dat het salaris in de maximumschaal te allen tijde uitgaat boven het salaris dat voor de betrokkene in de aanloopschaal zou hebben gegolden.

4. Het bevoegd gezag kan regels opstellen ten aanzien van het carrièrepatroon en het doorlopen daarvan die in voor de betrokkene gunstige zin afwijken van het tweede en derde lid.

Artikel I-S807

Het bevoegd gezag kan regels opstellen ten aanzien van criteria waaraan de betrokkene moet hebben voldaan alvorens te kunnen worden bezoldigd volgens de bij zijn functie behorende maximumschaal.

Artikel I-S808

Het bepaalde in artikel I-P53, eerste en derde lid, is niet van toepassing.

Artikel I-S809

Het is het bevoegd gezag niet toegestaan de betrokkene extra beloning toe te kennen in de vorm van periodieke verhoging, bedoeld in artikel I-P53, in de vorm van buitengewone toelage, bedoeld in artikel I-P55, in de vorm van gratificatie, bedoeld in artikel I-P56, dan wel in de vorm van uitkering of toelage om redenen van werving en behoud als bedoeld in de artikelen I-P57 en I-P58, in situaties waarin tevens sprake is van gedwongen ontslag van een of meer personeelsleden.

Artikel I-S810

Het bepaalde in artikel I-S110, derde lid, is niet van toepassing.

Artikel I-S811

1. De omvang van de betrekking van de betrokkene die reeds aan de instelling is verbonden en die vervangingswerkzaamheden verricht aan die instelling of aan een andere instelling waaraan hij uit hoofde van zijn benoeming verbonden kan worden, wordt voor de duur van die vervangingswerkzaamheden tijdelijk uitgebreid met ingang van de dag waarop hij feitelijk met de vervanging wordt belast.

2. Indien een betrokkene wordt belast met werkzaamheden van kennelijk tijdelijke aard ten behoeve van derden en voor zover hij daarvoor niet een vergoeding ontvangt of verlof krijgt, kan het bevoegd gezag bepalen dat de omvang van de betrekking van de betrokkene tijdelijk wordt uitgebreid.

3. De in het eerste en tweede lid bedoelde uitbreiding wordt voor de duur waarvoor zij geldt afzonderlijk in de akte van benoeming vermeld. De bezoldiging behorende bij deze uitbreiding wordt berekend op grond van het salaris dat voor hem geldt bij de functie waarin hij reeds aan de instelling is benoemd.

Paragraaf 9. Instelling voor basiseducatie

Artikel I-S901

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

a. a. instelling: de instelling benoemd in artikel I-A1, onder d6; b. b. betrokkene: de betrokkene bedoeld in artikel I-A1, onder e6, voor zover het betreft het onderwijsondersteunend personeel.

Artikel I-S902

1. In het navolgende schema is een aantal normfuncties vermeld dat een de instelling kan voorkomen met de daarbij behorende maximumschaal.

2. In de bijlage S7 van dit besluit zijn de taakkarakteristieken en benoemingsvereisten weergegeven van de functies bedoeld in het eerste lid onder 1 tot en met 14. Indien in het eerste lid bij een functie meer dan één maximumschaal is vermeld, is de maximumschaal afhankelijk van de functie-inhoud als is aangegeven in de bijlage S7.

Artikel I-S903

1. De omvang van de betrekking van de betrokkene die reeds aan de instelling is verbonden en die vervangingswerkzaamheden verricht, wordt voor de duur van die vervangingswerkzaamheden tijdelijk uitgebreid met ingang van de dag waarop hij feitelijk met de vervanging wordt belast.

2. Indien een betrokkene wordt belast met werkzaamheden van kennelijk tijdelijke aard ten behoeve van derden en voor zover hij daarvoor niet een vergoeding of verlof krijgt, kan het bevoegd gezag bepalen dat de omvang van de betrekking tijdelijk wordt uitgebreid.

3. De in het eerste en tweede lid bedoelde uitbreiding wordt voor de duur waarvoor zij geldt afzonderlijk in de akte van benoeming vermeld. De bezoldiging behorende bij deze uitbreiding wordt berekend op grond van het salaris dat voor hem geldt bij de functie waarin hij reeds aan de instelling is benoemd.

Artikel I-S904

Indien een instelling als bedoeld in artikel I-A1 onder d6 deel uit maakt van een horizontale scholengemeenschap als bedoeld in artikel I-Q101, eerste lid, onderdeel c, sub 2, zijn voor de betrokkenen de bepalingen van paragraaf 15 van overeenkomstige toepassing.

Artikel I-S905

Vervallen

Artikel I-S906

Vervallen

Artikel I-S907

Vervallen

Artikel I-S908

Vervallen

Artikel I-S909

Vervallen

Artikel I-S910

Vervallen

Artikel I-S911

Vervallen

Artikel I-S912

Vervallen

Paragraaf 10. Verzorgingsinstellingen

Artikel I-S1001

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

a. a. wet: de Wet op de onderwijsverzorging; b. b. instelling: de instelling bedoeld in artikel I-A1, onder d12; c. c. betrokkene: de betrokkene bedoeld in artikel I-A1, onder e12, voorzover het betreft het inhoudelijk en ondersteunend personeel; d. d. inhoudelijk personeel: het personeel dat is belast met activiteiten op het terrein van de onderwijsverzorging bedoeld in de wet; e. e. ondersteunend personeel: het personeel dat is belast met werkzaamheden ter ondersteuning van de directie en het inhoudelijk personeel; f. f. algemene instellingen: landelijke pedagogische centra en schoolbegeleidingsdiensten; g. g. specifieke instellingen: het Instituut voor Onderzoek van het Onderwijs, het Instituut voor Toetsontwikkeling en het Instituut voor Leerplanontwikkeling.

Artikel I-S1002

In het navolgende schema is een aantal normfuncties vermeld van het inhoudelijk personeel die aan de landelijke pedagogische centra kunnen voorkomen met de daarbij behorende maximumschalen.

Artikel I-S1003

In het navolgende schema is een aantal normfuncties vermeld van het inhoudelijk personeel die aan de schoolbegeleidingsdiensten kunnen voorkomen met de daarbij behorende maximumschalen.

Artikel I-S1004

In het navolgende schema is een aantal normfuncties vermeld van het inhoudelijk personeel die aan het Instituut voor Onderzoek van het Onderwijs kunnen voorkomen met de daarbij behorende maximumschalen.

Artikel I-S1005

In het navolgende schema is een aantal normfuncties van het inhoudelijk personeel die aan het Instituut voor Toetsontwikkeling kunnen voorkomen met de daarbij behorende maximumschalen.

Artikel I-S1006

In het navolgende schema is een aantal normfuncties vermeld van het inhoudelijk personeel die aan het Instituut voor Leerplanontwikkeling kunnen voorkomen met de daarbij behorende maximumschalen.

Artikel I-S1007

In het navolgende schema is een aantal normfuncties vermeld van het ondersteunend personeel die kunnen voorkomen, met de daarbij behorende maximumschalen.

Artikel I-S1008

1. Indien een betrokkene wordt belast met werkzaamheden van kennelijk tijdelijke aard, voortvloeiend uit middelen die beschikbaar worden gesteld op grond van artikel 52, 54, 55 of 118 van de wet, en voor zover hij daarvoor niet een vergoeding of verlof krijgt, kan het bevoegd gezag bepalen dat de omvang van de betrekking tijdelijk wordt uitgebreid.

2. De omvang van de tijdelijke uitbreiding van de betrekking bedoeld in het eerste lid, wordt voor de duur waarvoor dit geschiedt afzonderlijk in de akte van benoeming vermeld.

Artikel I-S1009

In de bijlage S8 bij dit besluit zijn voor de normfuncties, vermeld in de artikelen I-S1002 tot en met I-S1007 taakkarakteristieken gegeven. Indien in genoemde artikelen bij een functie meer dan een maximumschaal is vermeld, is de maximumschaal afhankelijk van de functie-inhoud als is aangegeven in de bijlage S8.

Artikel I-S1010

Vervallen

Artikel I-S1011

Vervallen

Artikel I-S1012

Vervallen

Paragraaf 11. Instellingen ondersteuning volwasseneneducatie

Artikel I-S1101

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

a. a. instelling: de instelling genoemd in artikel I-A1, onder d13; b. b. betrokkene: de betrokkene bedoeld in artikel I-A1, onder e13, voor zover het betreft het inhoudelijk en ondersteunend personeel; c. c. inhoudelijk personeel: het personeel, bedoeld onder b, dat is belast met activiteiten op het terrein van de ondersteuning van de volwasseneneducatie, bedoeld in de Kaderwet volwasseneneducatie; d. d. ondersteunend personeel: het personeel, bedoeld onder b, dat is belast met werkzaamheden ter ondersteuning van de directie en het inhoudelijk personeel;

Artikel I-S1102

Het bevoegd gezag van een plaatselijke, regionale danwel een provinciale instelling kan de betrokkenen behorend tot het inhoudelijk personeel benoemen in functies met een maximumschaal als aangegeven in onderstaand schema:

Artikel I-S1103

Het bevoegd gezag van een plaatselijke, een regionale danwel een provinciale instelling kan betrokkenen behorend tot het ondersteunend personeel benoemen in functies met een maximumschaal als aangegeven in onderstaand schema:

Artikel I-S1104

Het bevoegd gezag van de landelijke instelling het "Landelijk studie- en ontwikkelingscentrum volwasseneneducatie" kan betrokkenen behorend tot het inhoudelijk personeel benoemen in functies met een maximumschaal als aangegeven in onderstaand schema:

Artikel I-S1105

1. Ten behoeve van de functie van afdelingscoördinator van de landelijke instelling het "Landelijk studie- en ontwikkelingscentrum volwasseneneducatie" staan drie formatieplaatsen ter beschikking.

2. Eén van de afdelingscoördinatoren kan worden belast met de waarneming van de directeur van de landelijke instelling bij diens afwezigheid.

Artikel I-S1106

Het bevoegd gezag van een landelijke instelling het "Landelijk studie- en ontwikkelingscentrum volwasseneneducatie" kan betrokkenen behorend tot het ondersteunend personeel benoemen in functies met een maximumschaal als aangegeven in onderstaand schema:

Artikel I-S1107

Het bevoegd gezag van de landelijke instelling het "Centrum voor de Innovatie van Beroepsonderwijs Bedrijfsleven" kan betrokkenen behorend tot het inhoudelijk personeel benoemen in functies met een maximumschaal als aangegeven in onderstaand schema:

Artikel I-S1108

Het bevoegd gezag van de landelijke instelling het "Centrum voor de Innovatie van Beroepsonderwijs Bedrijfsleven" kan betrokkenen behorend tot het ondersteunend personeel benoemen in functies met een maximumschaal als aangegeven in onderstaand schema:

Artikel I-S1109

In de bijlage S9 bij dit besluit zijn voor de normfuncties, vermeld in de artikelen I-S1102 tot en met I-S1108 taakkarakteristieken gegeven.

Indien in genoemde artikelen bij een functie meer dan één maximumschaal is vermeld, is de maximumschaal afhankelijk van de functie-inhoud als is aangegeven in de bijlage S9.

Artikel I-S1110

1. De omvang van de betrekking van de betrokkene die reeds aan de instelling is verbonden en die vervangingswerkzaamheden verricht, wordt voor de duur van die vervangingswerkzaamheden tijdelijk uitgebreid met ingang van de dag waarop hij feitelijk met de vervanging wordt belast.

2. Indien een betrokkene wordt belast met werkzaamheden van kennelijk tijdelijke aard ten behoeve van derden en voor zover hij daarvoor niet een vergoeding of verlof krijgt, kan het bevoegd gezag bepalen dat de omvang van de betrekking tijdelijk wordt uitgebreid.

3. De in het eerste en tweede lid bedoelde uitbreiding wordt voor de duur waarvoor zij geldt afzonderlijk in de akte van benoeming vermeld. De bezoldiging behorende bij deze uitbreiding wordt berekend op grond van het salaris dat voor hem geldt bij de functie waarin hij reeds aan de instelling is benoemd.

Artikel I-S1111

Vervallen

Artikel I-S1112

Vervallen

Artikel I-S1113

Vervallen

Artikel I-S1114

Vervallen

Artikel I-S1115

Vervallen

Artikel I-S1116

Vervallen

Artikel I-S1117

Vervallen

Artikel I-S1118

Vervallen

Artikel I-S1119

Vervallen

Artikel I-S1120

Vervallen

Paragraaf 12. Instellingen voor middelbaar beroepsonderwijs, voor zover bekostigd door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen

Artikel I-S1201

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

a. a. "instelling": een instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder d14; b. b. "betrokkene": degene die bij een bevoegd gezag aan een instelling is benoemd in een functie als bedoeld in de artikelen I-S1205, I-S1213 en I-S1214; c. c. "y1": het aantal leerlingen van de instelling dat middelbaar beroepsonderwijs volgt; d. d. "verticale scholengemeenschap": een scholengemeenschap, bedoeld in artikel I-Q101, onderdeel c onder 3, bestaande uit een instelling en een of meer scholen als bedoeld in artikel I-A1, onder d3 en d9.

Artikel I-S1202

Het bevoegd gezag stelt met inachtneming van het bepaalde in artikel I-S1203, het beleid met betrekking tot de formatie van het ondersteunend en beheerspersoneel vast.

Artikel I-S1203

In het georganiseerd overleg op instellingsniveau als bedoeld in hoofdstuk IV-E kan worden overeengekomen af te wijken van het bepaalde in artikel I-P3, tweede lid, mits daarbij de taakomvang op jaarbasis ongewijzigd blijft.

Artikel I-S1204

Het bevoegd gezag stelt een regeling op met betrekking tot de werktijd alsmede met betrekking tot de autorisatie en registratie van afwezigheid.

Artikel I-S1205

1. Onverminderd het bepaalde in het tweede lid stelt Onze minister voor de normfuncties taakkarakteristieken of functiebeschrijvingen en maximumschalen vast.

2.

Binnen de formatie die is vastgesteld met inachtneming van artikel I-S1202 kunnen betrokkenen worden benoemd in normfuncties als is aangegeven in onderstaand schema. De daarbij vermelde maximumschalen zijn van toepassing indien y1 van de instelling 4000 of meer bedraagt. Bij een kleinere instelling stelt het bevoegd gezag de maximumschaal vast, rekening houdend met de voor het Rijkspersoneel ter zake geldende normen en in samenhang met de formatie.

Functie Maximumschaal
hoofd afdeling financiën zaken schaal 12
hoofd afdeling personeelszaken schaal 11
hoofd afdeling automatisering schaal 11
hoofd afdeling documentaire informatievoorziening schaal 10
hoofd technische dienst schaal 10

In de bijlage S10 bij dit besluit, zijn voor de normfuncties, vermeld in bovenstaand schema, functiebeschrijvingen gegeven.

Artikel I-S1206

1. Artikel I-S104 is niet van toepassing.

2. Zodra aan de betrokkene op grond van artikel I-P13 een periodieke verhoging wordt toegekend en zijn salaris ten minste gelijk is aan het laagste bedrag in de bij zijn functie behorende maximumschaal, wordt, tenzij naar het oordeel van het bevoegd gezag zijn wijze van functioneren zich daar nog tegen verzet, zijn salaris bepaald op het naasthogere bedrag in de bij zijn functie behorende maximumschaal.

3. Zo nodig wordt het bedrag in de maximumschaal dat is vastgesteld op grond van het tweede lid, verhoogd tot een bedrag in de maximumschaal om te bereiken dat het salaris in de maximumschaal te allen tijde uitgaat boven het salaris dat voor de betrokkene in de aanloopschaal zou hebben gegolden.

4. Het bevoegd gezag kan regels opstellen ten aanzien van het carrièrepatroon en het doorlopen daarvan die in voor de betrokkene gunstige zin afwijken van het tweede en derde lid.

Artikel I-S1207

Het bevoegd gezag kan regels opstellen ten aanzien van de criteria waaraan de betrokkene moet hebben voldaan alvorens te kunnen worden bezoldigd volgens de bij zijn functie behorende maximumschaal.

Artikel I-S1208

Het bepaalde in artikel I-P53, eerste en derde lid, is niet van toepassing.

Artikel I-S1209

Het bepaalde in artikel I-S110, derde lid, is niet van toepassing.

Artikel I-S1210

1. De omvang van de betrekking van de betrokkene die aan de instelling is of wordt verbonden en die daarnaast vervangingswerkzaamheden verricht of gaat verrichten aan die instelling of aan een andere instelling waaraan hij uit hoofde van zijn benoeming verbonden kan worden, wordt voor de duur van die vervangingswerkzaamheden tijdelijk uitgebreid met ingang van de dag waarop hij feitelijk met de vervanging wordt belast.

2. Indien een betrokkene wordt belast met werkzaamheden van kennelijk tijdelijke aard ten behoeve van derden en voor zover hij daarvoor niet een vergoeding ontvangt of verlof krijgt, kan het bevoegd gezag bepalen dat de omvang van de betrekking van de betrokkene tijdelijk wordt uitgebreid.

3. De in het eerste en tweede lid bedoelde uitbreiding wordt voor de duur waarvoor zij geldt afzonderlijk in de akte van benoeming vermeld, De bezoldiging behorende bij deze uitbreiding wordt berekend op grond van het salaris dat voor hem geldt bij de functie waarin hij reeds aan de instelling is benoemd.

Artikel I-S1211

Vervallen

Artikel I-S1212

Vervallen

Artikel I-S1213

Vervallen

Artikel I-S1214

Vervallen

Artikel I-S1215

Vervallen

Artikel I-S1216

Vervallen

Artikel I-S1217

Vervallen

Artikel I-S1218

Vervallen

Artikel I-S1219

Vervallen

Artikel I-S1220

Vervallen

Artikel I-S1221

Vervallen

Artikel I-S1222

Vervallen

Artikel I-S1223

Vervallen

Artikel I-S1224

Vervallen

Artikel I-S1225

Vervallen

Paragraaf 13. Instellingen voor lager en middelbaar beroepsonderwijs, alsmede voor beroepsbegeleidend onderwijs in de sector landbouw en natuurlijke omgeving (AOC), voor zover bekostigd door de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij

Artikel I-S1301

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

a. a. "instelling": een instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder d15; b. b. "betrokkene": degene die bij een bevoegd gezag aan een instelling is benoemd in een functie als bedoeld in artikel I-S1305; c. c. "y": het aantal leerlingen dat onderwijs volgt aan de instelling.

Artikel I-S1302

Het bevoegd gezag stelt met inachtneming van het bepaalde in artikel I-S1303, het beleid met betrekking tot de formatie van het ondersteunend en beheerspersoneel vast.

Artikel I-S1303

In het georganiseerd overleg op instellingsniveau als bedoeld in hoofdstuk IV-E kan worden overeengekomen af te wijken van het bepaalde in artikel I-P3, tweede lid, mits daarbij de taakomvang op jaarbasis ongewijzigd blijft.

Artikel I-S1304

Het bevoegd stelt een regeling op met betrekking tot de werktijd alsmede met betrekking tot de autorisatie en registratie van afwezigheid.

Artikel I-S1305

1. Onverminderd het bepaalde in het tweede lid stelt Onze minister voor de normfuncties taakkarakteristieken of functiebeschrijvingen en maximumschalen vast.

2.

Binnen de formatie die is vastgesteld met inachtneming van artikel I-S1302 kunnen betrokkenen worden benoemd in normfuncties als is aangegeven in onderstaand schema. De daarbij vermelde maximumschalen zijn van toepassing indien y van de instelling 4000 of meer bedraagt. Bij een kleinere instelling stelt het bevoegd gezag de maximumschaal vast, rekening houdend met de voor het Rijkspersoneel ter zake geldende normen en in samenhang met de formatie.

In de bijlage S10 bij dit besluit, zijn voor de normfuncties, vermeld in bovenstaand schema, functiebeschrijvingen gegeven.

Artikel I-S1306

1. Artikel I-S104 is niet van toepassing.

2. Zodra aan de betrokkene op grond van artikel I-P13 een periodieke verhoging wordt toegekend en zijn salaris ten minste gelijk is aan het laagste bedrag in de bij zijn functie behorende maximumschaal, wordt, tenzij naar het oordeel van het bevoegd gezag zijn wijze van functioneren zich daar nog tegen verzet, zijn salaris bepaald op het naasthogere bedrag in de bij zijn functie behorende maximumschaal.

3. Zo nodig wordt het bedrag in de maximumschaal dat is vastgesteld op grond van het tweede lid, verhoogd tot een bedrag in de maximumschaal om te bereiken dat het salaris in de maximumschaal te allen tijde uitgaat boven het salaris dat voor de betrokkene in de aanloopschaal zou hebben gegolden.

4. Het bevoegd gezag kan regels opstellen ten aanzien van het carrièrepatroon en het doorlopen daarvan die in voor de betrokkene gunstige zin afwijken van het tweede en derde lid.

Artikel I-S1307

Het bevoegd gezag kan regels opstellen ten aanzien van de criteria waaraan de betrokkene moet hebben voldaan alvorens te kunnen worden bezoldigd volgens de bij zijn functie behorende maximumschaal.

Artikel I-S1308

Het bepaalde in artikel I-P53, eerste en derde lid, is niet van toepassing.

Artikel I-S1309

Het is het bevoegd gezag niet toegestaan de betrokkene extra beloning toe te kennen in de vorm van periodieke verhoging, bedoeld in artikel I-P53, in de vorm van buitengewone toelage, bedoeld in artikel I-P55, in de vorm van gratificatie, bedoeld in artikel I-P56, dan wel in de vorm van uitkering of toelage om redenen van werving en behoud als bedoeld in de artikelen I-P57 en I-P58, in situaties waarin tevens sprake is van gedwongen ontslag van een of meer personeelsleden.

Artikel I-S1310

Het bepaalde in artikel I-S110, derde lid, is niet van toepassing.

Artikel I-S1311

1. De omvang van de betrekking van de betrokkene die aan de instelling is of wordt verbonden en die daarnaast vervangingswerkzaamheden verricht of gaat verrichten aan die instelling of aan een andere instelling waaraan hij uit hoofde van zijn benoeming verbonden kan worden, wordt voor de duur van die vervangingswerkzaamheden tijdelijk uitgebreid met ingang van de dag waarop hij feitelijk met de vervanging wordt belast.

2. Indien een betrokkene wordt belast met werkzaamheden van kennelijk tijdelijke aard ten behoeve van derden en voor zover hij daarvoor niet een vergoeding ontvangt of verlof krijgt, kan het bevoegd gezag bepalen dat de omvang van de betrekking van de betrokkene tijdelijk wordt uitgebreid.

3. De in het eerste en tweede lid bedoelde uitbreiding wordt voor de duur waarvoor zij geldt afzonderlijk in de akte van benoeming vermeld. De bezoldiging behorende bij deze uitbreiding wordt berekend op grond van het salaris dat voor hem geldt bij de functie waarin hij reeds aan de instelling is benoemd.

Artikel I-S1312

Vervallen

Artikel I-S1313

Vervallen

Artikel I-S1314

Vervallen

Artikel I-S1315

Vervallen

Artikel I-S1316

Vervallen

Artikel I-S1317

Vervallen

Artikel I-S1318

Vervallen

Artikel I-S1319

Vervallen

Artikel I-S1320

Vervallen

Paragraaf 14. Instellingen voor voortgezet algemeen volwassenenonderwijs

Artikel I-S1401

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

a. a. "instelling": een instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder d17; b. b. "betrokkene": degene die bij een bevoegd gezag aan een instelling is benoemd in een functie als bedoeld in de artikelen I-S1405, I-S1413 en I-S1414; c. c. "dte": 10 leseenheden per week; d. d. "verticale scholengemeenschap": een scholengemeenschap, bedoeld in artikel I-Q101, onderdeel c onder 3, bestaande uit een instelling en een of meer scholen als bedoeld in artikel I-A1, onder d3.

Artikel I-S1402

Het bevoegd gezag stelt met inachtneming van het bepaalde in artikel I-S1403, het beleid met betrekking tot de formatie van het ondersteunend en beheerspersoneel vast.

Artikel I-S1403

In het georganiseerd overleg op instellingsniveau als bedoeld in hoofdstuk IV-E kan worden overeengekomen af te wijken van het bepaalde in artikelI-P3, derde lid, mits daarbij de taakomvang op jaarbasis ongewijzigd blijft.

Artikel I-S1404

Het bevoegd stelt een regeling op met betrekking tot de werktijd alsmede met betrekking tot de autorisatie en registratie van afwezigheid.

Artikel I-S1405

1. Onverminderd het bepaalde in het tweede lid stelt Onze minister voor de normfuncties taakkarakteristieken of functiebeschrijvingen en maximumschalen vast.

2.

Binnen de formatie die is vastgesteld met inachtneming van artikel I-S1402 kunnen betrokkenen worden benoemd in functies als is aangegeven in onderstaand schema. De daarbij vermelde maximumschalen zijn van toepassing indien het aantal dte van de instelling 4000 of meer bedraagt. Bij een kleinere instelling stelt het bevoegd gezag de maximumschaal vast, rekening houdend met de voor het Rijkspersoneel terzake geldende normen en in samenhang met de formatie.

In de bijlage S11 zijn voor de normfuncties, vermeld in bovenstaand schema, functiebeschrijvingen gegeven.

3. Voor de vaststelling van het aantal dtes is artikel I-Q1405, lid 3 van overeenkomstige toepassing.

Artikel I-S1406

1. Artikel I-S104 is niet van toepassing.

2. Zodra aan de betrokkene op grond van artikel I-P13 een periodieke verhoging wordt toegekend en zijn salaris ten minste gelijk is aan het laagste bedrag in de bij zijn functie behorende maximumschaal, wordt, tenzij naar het oordeel van het bevoegd gezag zijn wijze van functioneren zich daar nog tegen verzet, zijn salaris bepaald op het naasthogere bedrag in de bij zijn functie behorende maximumschaal.

3. Zo nodig wordt het bedrag in de maximumschaal dat is vastgesteld op grond van het tweede lid, verhoogd tot een bedrag in de maximumschaal om te bereiken dat het salaris in de maximumschaal te allen tijde uitgaat boven het salaris dat voor de betrokkene in de aanloopschaal zou hebben gegolden.

4. Het bevoegd gezag kan regels opstellen ten aanzien van het carrièrepatroon en het doorlopen daarvan die in voor de betrokkene gunstige zin afwijken van het tweede en derde lid.

Artikel I-S1407

Het bevoegd gezag kan regels opstellen ten aanzien van de criteria waaraan de betrokkene moet hebben voldaan alvorens te kunnen worden bezoldigd volgens de bij zijn functie behorende maximumschaal.

Artikel I-S1408

Het bepaalde in artikel I-P53, eerste en derde lid, is niet van toepassing.

Artikel I-S1409

Het bepaalde in artikel I-S110, derde lid, is niet van toepassing.

Artikel I-S1410

1. De omvang van de betrekking van de betrokkene die aan de instelling is of wordt verbonden en die daarnaast vervangingswerkzaamheden verricht of gaat verrichten aan die instelling of aan een andere instelling waaraan hij uit hoofde van zijn benoeming verbonden kan worden, wordt voor de duur van die vervangingswerkzaamheden tijdelijk uitgebreid met ingang van de dag waarop hij feitelijk met de vervanging wordt belast.

2. Indien een betrokkene wordt belast met werkzaamheden van kennelijk tijdelijke aard ten behoeve van derden en voor zover hij daarvoor niet een vergoeding ontvangt of verlof krijgt, kan het bevoegd gezag bepalen dat de omvang van de betrekking van de betrokkene tijdelijk wordt uitgebreid.

3. De in het eerste en tweede lid bedoelde uitbreiding wordt voor de duur waarvoor zij geldt afzonderlijk in de akte van benoeming vermeld. De bezoldiging behorende bij deze uitbreiding wordt berekend op grond van het salaris dat voor hem geldt bij de functie waarin hij reeds aan de instelling is benoemd.

Artikel I-S1411

Vervallen

Artikel I-S1412

Vervallen

Artikel I-S1413

Vervallen

Artikel I-S1414

Vervallen

Artikel I-S1415

Vervallen

Artikel I-S1416

Vervallen

Paragraaf 15. Instellingen voor beroepsbegeleidend onderwijs

Artikel I-S1501

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

a. a. "instelling": een instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder d18; b. b. "betrokkene": degene die bij een bevoegd gezag aan een instelling is benoemd in een functie als bedoeld in de artikelen I-S1505, I-S1513 en I-S1514; c. c. "y": het aantal deeltijdequivalenten, zoals dat op basis van leerovereenkomsten overeenkomstig artikel E-3 van het Uitvoeringsbesluit WCBO voor de bekostiging van een instelling voor beroepsbegeleidend onderwijs in aanmerking wordt genomen; d. d. "verticale scholengemeenschap": een scholengemeenschap, bedoeld in artikel I-Q101, onderdeel c onder 3, bestaande uit een instelling en een of meer scholen als bedoeld in artikel I-A1,onder d3.

Artikel I-S1502

Het bevoegd gezag stelt met inachtneming van het bepaalde in artikel I-S1503, het beleid met betrekking tot de formatie van het ondersteunend en beheerspersoneel vast.

Artikel I-S1503

In het georganiseerd overleg op instellingsniveau als bedoeld in hoofdstuk IV-E kan worden overeengekomen af te wijken van het bepaalde in artikel I-P3, derde lid, mits daarbij de taakomvang op jaarbasis ongewijzigd blijft.

Artikel I-S1504

Het bevoegd stelt een regeling op met betrekking tot de werktijd alsmede met betrekking tot de autorisatie en registratie van afwezigheid.

Artikel I-S1505

1. Onverminderd het bepaalde in het tweede lid stelt Onze minister voor de normfuncties taakkarakteristieken of functiebeschrijvingen en maximumschalen vast.

2.

Binnen de formatie die is vastgesteld met inachtneming van artikel I-S1502 kunnen betrokkenen worden benoemd in functies als is aangegeven in onderstaand schema. De daarbij vermelde maximumschalen zijn van toepassing indien y van de instelling 4000 of meer bedraagt. Bij een kleinere instelling stelt het bevoegd gezag de maximumschaal vast, rekening houdend met de voor het Rijkspersoneel terzake geldende normen en in samenhang met de formatie.

In de bijlage S12 zijn voor de normfuncties, vermeld in bovenstaand schema, functiebeschrijvingen gegeven.

Artikel I-S1506

1. Artikel I-S104 is niet van toepassing.

2. Zodra aan de betrokkene op grond van artikel I-P13 een periodieke verhoging wordt toegekend en zijn salaris ten minste gelijk is aan het laagste bedrag in de bij zijn functie behorende maximumschaal, wordt, tenzij naar het oordeel van het bevoegd gezag zijn wijze van functioneren zich daar nog tegen verzet, zijn salaris bepaald op het naasthogere bedrag in de bij zijn functie behorende maximumschaal.

3. Zo nodig wordt het bedrag in de maximumschaal dat is vastgesteld op grond van het tweede lid, verhoogd tot een bedrag in de maximumschaal om te bereiken dat het salaris in de maximumschaal te allen tijde uitgaat boven het salaris dat voor de betrokkene in de aanloopschaal zou hebben gegolden.

4. Het bevoegd gezag kan regels opstellen ten aanzien van het carrièrepatroon en het doorlopen daarvan die in voor de betrokkene gunstige zin afwijken van het tweede en derde lid.

Artikel I-S1507

Het bevoegd gezag kan regels opstellen ten aanzien van de criteria waaraan de betrokkene moet hebben voldaan alvorens te kunnen worden bezoldigd volgens de bij zijn functie behorende maximumschaal.

Artikel I-S1508

Het bepaalde in artikel I-P53, eerste en derde lid, is niet van toepassing.

Artikel I-S1509

Het bepaalde in artikel I-S110, derde lid, is niet van toepassing.

Artikel I-S1510

1. De omvang van de betrekking van de betrokkene die aan de instelling is of wordt verbonden en die daarnaast vervangingswerkzaamheden verricht of gaat verrichten aan die instelling of aan een andere instelling waaraan hij uit hoofde van zijn benoeming verbonden kan worden, wordt voor de duur van die vervangingswerkzaamheden tijdelijk uitgebreid met ingang van de dag waarop hij feitelijk met de vervanging wordt belast.

2. Indien een betrokkene wordt belast met werkzaamheden van kennelijk tijdelijke aard ten behoeve van derden en voor zover hij daarvoor niet een vergoeding ontvangt of verlof krijgt, kan het bevoegd gezag bepalen dat de omvang van de betrekking van de betrokkene tijdelijk wordt uitgebreid.

3. De in het eerste en tweede lid bedoelde uitbreiding wordt voor de duur waarvoor zij geldt afzonderlijk in de akte van benoeming vermeld. De bezoldiging behorende bij deze uitbreiding wordt berekend op grond van het salaris dat voor hem geldt bij de functie waarin hij reeds aan de instelling is benoemd.

Artikel I-S1511

Vervallen

Artikel I-S1512

Vervallen

Artikel I-S1513

Vervallen

Artikel I-S1514

Vervallen

Artikel I-S1515

Vervallen

Artikel I-S1516

Vervallen

Paragraaf 16. Centrale dienst

Artikel I-S1601

1. Artikel I-S302 is van overeenkomstige toepassing op een instelling, bedoeld in artikel I-A1, onder e16, voor zover die instelling over formatierekeneenheden beschikt als bedoeld in artikel 68, eerste lid onder d, van de Wet op het primair onderwijs.

2. Het bevoegd gezag stelt voor de betrokkene bedoeld in artikel I-A1, onder e16, de functie en de daarbij behorende maximumschaal vast.

3. Onverminderd het eerste lid, stelt het bevoegd gezag daartoe een functiebeschrijving op en stelt voor deze functie een maximumschaal vast op basis van de aard en de inhoud van de werkzaamheden die in de functie zijn samengebracht, met inachtneming van de voor de Rijksoverheid geldende normen ten aanzien van functiewaardering.

Hoofdstuk I-T. BIJZONDERE BEPALINGEN VOOR DE LERAAR IN OPLEIDING

Artikel I-T1

1. Dit hoofdstuk heeft uitsluitend betrekking op de leraar in opleiding.

2. Tenzij uitdrukkelijk anders bepaald zijn de hoofdstukken I-A, I-B, I-C, I-D, I-F, I-G, I-J, I-K, I-L, I-P, I-R, II-A, II-B, II-C. II-D, III-A, IV-B, IV-F van toepassing op de leraar in opleiding.

Artikel I-T2

Niet van toepassing op de leraar in opleiding zijn de artikelen I-L2, derde lid, I-P6, I-P7, I-P8, I-P9, I-P10, I-P11, I-P12, I-P16, I-R 204.

Artikel I-T3

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

a. a. leraar in opleiding: de laatstejaars student van een lerarenopleiding basisonderwijs of speciaal onderwijs, die wordt benoemd op een leerarbeidsplaats bij een instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder d1 of d2; b. b. leerarbeidsplaats: een functie waarin uitsluitend een leraar in opleiding kan worden benoemd; c. c. leer-arbeidsovereenkomst: een overeenkomst die bestaat uit de benoeming bedoeld in artikel I-A1, onder o, alsmede een leerovereenkomst die wordt gesloten tussen de leraar in opleiding, de instelling waar de leraar in opleiding is benoemd en de lerarenopleiding waar de leraar in opleiding is ingeschreven; d. d. lioschap: de periode gedurende welke de leraar in opleiding bij een instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder d1 of d2, is benoemd; e. e. leer-werkplan: een door de leraar in opleiding opgesteld plan, waarin, in overleg met de lerarenopleiding waar de leraar in opleiding is ingeschreven en het bevoegd gezag van de instelling waar de leraar in opleiding is benoemd, de leer- en werkactiviteiten zijn vastgelegd die de leraar in opleiding tijdens zijn lioschap zal verrichten.

Artikel I-T4

1. De leraar in opleiding wordt benoemd in tijdelijke dienst voor een termijn van vijf maanden bij een normbetrekking of een termijn van tien maanden bij een werktijdfactor van 0,5.

2. De in het eerste lid bedoelde perioden eindigen voor de datum waarop de zomervakantie van de instelling waaraan de leraar in opleiding is benoemd, aanvangt.

3. Het eerste lid geldt voor de leraar in opleiding in het openbaar onderwijs in afwijking van hoofdstuk II-A.

Artikel I-T5

1. De functie leraar in opleiding is een normfunctie die is afgeleid van de normfuncties leraar zoals deze zijn vastgelegd in de taakkarakteristieken opgenomen in de bijlagen R1 en R2.

2. De functie leraar in opleiding omvat de in het derde lid aangegeven taakkarakteronderdelen waarbij de zelfstandige uitoefening van die taken geleidelijk toeneemt tijdens het lioschap.

3.

De taakkarakteristiek van de functie leraar in opleiding is het leren van het beroep leraar door middel van:

a. a. het geven van onderwijs, alsmede de daaruit rechtstreeks voortvloeiende werkzaamheden; b. b. algemene werkzaamheden, die redelijkerwijs voortvloeien uit het onderwijs aan de instelling, zoals:

        1.
        het deelnemen aan teamvergaderingen;
      
      
        2.
        het onderhouden van contacten met collegas van de instelling, ouders, begeleidingsdiensten e.d.;
      
      
        3.
        het verrichten van overige werkzaamheden ten behoeve van de goede gang van zaken aan de instelling.
    1.   het deelnemen aan teamvergaderingen;
      
    1.   het onderhouden van contacten met collegas van de instelling, ouders, begeleidingsdiensten e.d.;
      
    1.   het verrichten van overige werkzaamheden ten behoeve van de goede gang van zaken aan de instelling.
      

Artikel I-T6

1. Tussen de leraar in opleiding, de instelling waar de leraar in opleiding is benoemd en de lerarenopleiding waar de leraar in opleiding is ingeschreven wordt een leer-arbeidsovereenkomst gesloten.

2. De omvang van het leeraandeel en het arbeidsaandeel worden aan elkaar gelijk gesteld.

3.

De leer-arbeidsovereenkomst bevat tenminste bepalingen over:

a. de begeleiding van de leraar in opleiding;

b. dat deel van de eindtermen dat de leraar in opleiding tijdens het lioschap dient te realiseren en de beoordeling daarvan, alsmede de onderdelen genoemd in artikel I-B2, eerste en tweede lid.

Artikel I-T7

1.

De leraar in opleiding stelt voor aanvang van de leer-arbeidsovereenkomst een leer-werkplan op. Het leer-werkplan wordt getoetst door:

a. a. de lerarenopleiding waar de leraar in opleiding is ingeschreven en b. b. het bevoegd gezag van de instelling waar de leraar in opleiding is benoemd.

2. De lerarenopleiding waar de leraar in opleiding is ingeschreven toetst het leer-werkplan aan de eindtermen van de opleiding.

3. Het bevoegd gezag van de instelling waar de leraar in opleiding is benoemd toetst het leer-werkplan voor zover het gaat om de werkzaamheden die verricht moeten worden.

Artikel I-T8

Artikel I-J9 is niet van toepassing indien de leraar in opleiding gebruik kan maken van een reisvoorziening als bedoeld in artikel 3.7 van de Wet studiefinanciering 2000.

Artikel I-T9

Het salaris van de leraar in opleiding wordt met met inachtneming van de bepalingen van dit besluit vastgesteld aan de hand van bijlage IG van dit besluit.

Hoofdstuk I-U. Gewerkte tijd B3-instellingen

Artikel I-U1

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

a. a. betrokkene: de betrokkene, bedoeld in artikel I-A1, onder e7. b. b. formatieruimte; dat deel van de door Onze minister ter beschikking gestelde financiële middelen dat wordt aangewend voor functies van personeel bedoeld in artikel I-A1, onder e7.

Artikel I-U2

1. De functie van de betrokkene wordt vervuld binnen de gebouwen of ruimten waarin de instelling is gehuisvest en op de daarbij behorende terreinen, tenzij de aard van de te verrichten werkzaamheden zich daartegen verzet.

2. De arbeidsduur bedraagt gemiddeld ten hoogste 38 uur per week.

3. Het bevoegd gezag stelt na overleg met de betrokkene zo mogelijk aan het begin van het kalenderjaar een werktijdenregeling vast. De werktijdenregeling wordt met instemming van de betrokkene vastgesteld, indien in deze regeling is bepaald dat arbeidsduurverkorting niet in regelmatige terugkerende perioden van een week wordt genoten.

4. Het bevoegd gezag stelt na overleg met de betrokkene de dagelijkse werktijden vast, waarbij doorgaans per dag niet meer dan 8 uur wordt gewerkt.

5. Van de op grond van het derde en vierde lid vastgestelde tijden wordt in opdracht van het bevoegd gezag na overleg met de betrokkene incidenteel afgeweken indien om schoolorganisatorische redenen de werkzaamheden noodzakelijk op andere tijden dan bedoeld in het derde en vierde lid moeten worden verricht.

Artikel I-U3

Vervallen

Artikel I-U4

Aan de betrokkene voor wie het salaris wordt vastgesteld volgens een schaal met een lager maximum dan dat van schaal 11 van bijlage IA van het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel, aan wie met goedkeuring van Onze minister buiten de voor hem vastgestelde werktijden arbeid wordt opgedragen, waardoor het voor hem vastgestelde aantal dagelijkse arbeidsuren wordt overschreden, wordt voor de gedurende deze overschrijding verrichte arbeid (aan te duiden als overwerk), met uitzondering van de arbeid verricht gedurende minder dan een half uur aansluitend aan de voor hem geldende werktijden, een vergoeding toegekend overeenkomstig het bepaalde in artikel I-S106, vierde lid, onder b en vijfde tot en met achtste lid.

Artikel I-U5

1. Aan de betrokkene, wiens salaris wordt vastgesteld volgens een schaal met een lager maximum dan dat van schaal 11 van bijlage 1A van het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel en die, anders dan bij wijze van overwerk, bedoeld in artikel I-U2, geregeld of vrij geregeld arbeid verricht op andere tijden dan op de werkdagen maandag tot en met vrijdag tussen 8.00 en 18.00 uur, wordt deswege een toelage toegekend overeenkomstig het bepaalde in artikel I-S107.

2. Aan de betrokkene, wiens salaris, als gevolg van het buiten zijn toedoen beëindigen of verminderen van de toelage, bedoeld in het eerste lid, een blijvende verlaging ondergaat van ten minste 3%, wordt een overgangstoelage toegekend overeenkomstig het bepaalde in artikel I-S108, eerste lid.

Artikel I-U6

De betrokkene ontvangt geen bezoldiging over de tijd, gedurende welke hij in strijd met zijn verplichtingen opzettelijk nalaat zijn werkzaamheden te verrichten.

Artikel I-U7

1. Voor de betrokkene, benoemd in een volledige weektaak, die de leeftijd van 60 jaar heeft bereikt, wordt op zijn schriftelijk verzoek, de dagelijkse werktijd met een half uur verkort, mits hij geen bezoldigde nevenwerkzaamheden verricht of gaat verrichten. In dat geval vervalt tevens het recht op een eventuele ontslaguitkering ter zake van beëindiging van nevenwerkzaamheden.

2. Het eerste lid vindt geen toepassing zolang voor de betrokkene de duur van het vakantieverlof, bedoeld in artikel I-C24, met meer dan een door Onze minister te bepalen aantal dagen per kalenderjaar wordt verlengd.

3. Het eerste lid is niet van toepassing op de betrokkene die gebruik maakt van hoofdstuk I-V.

4. De betrokkene, op wie het bepaalde in het eerste lid van toepassing is verklaard, alsmede de betrokkene die gebruik maakt van hoofdstuk I-V kunnen niet met overwerk als bedoeld in artikel I-U2 worden belast.

Hoofdstuk I-V. Regeling bevordering arbeidsparticipatie ouderen

Artikel I-VI

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

a. a. «betrokkene»: de betrokkene, bedoeld in artikel I-A1, onder e1, e2 en e16 b. b. "verlof": verlof bedoeld in artikel I-V2.

Artikel I-V2

1.

De betrokkene heeft op grond van dit hoofdstuk op zijn verzoek aanspraak op verlof als bedoeld in artikel I-V3 met gedeeltelijk behoud van bezoldiging als aangegeven in artikel I-V4 indien hij:

a. a. direct voorafgaande aan de ingangsdatum van het verlof gedurende ten minste vijf jaren aaneengesloten in dienst is geweest van een door Onze minister bekostigde onderwijs- of onderzoekinstelling, dan wel een door de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij bekostigde onderwijsinstelling, waarbij de periode gedurende welke de betrokkene een werkloosheidsuitkering genoot in verband met het beëindigd zijn van een bij bedoelde onderwijs- of onderzoek instelling betrekking als diensttijd wordt aangemerkt en b. b. de leeftijd van 52 jaar heeft bereikt.

2. Het verlof gaat niet eerder in dan op de eerste dag van de maand volgend op die waarin de leeftijd genoemd in artikel I-V3, tweede en derde lid, is bereikt.

3. Om redenen van dienstbelang kan de ingangsdatum van het verlof worden opgeschort tot uiterlijk de eerste dag van het daaropvolgend schooljaar.

Artikel I-V3

1. De omvang van het verlof bedraagt voor alle betrokkenen zowel bij een normbetrekking als bij een deel van de normbetrekking op jaarbasis ten minste 45 uren.

2. De omvang van het verlof bedraagt voor de betrokkene die is benoemd in een functie als bedoeld in hoofdstuk I-Q of I-R en die de leeftijd van 52 jaar heeft bereikt maar jonger is dan 56 jaar bij een normbetrekking op jaarbasis ten hoogste 170 uren.

3. De omvang van het verlof bedraagt voor de betrokkene die is benoemd in een functie als bedoeld in hoofdstuk I-Q of hoofdstuk I-R en die de leeftijd van 56 jaar heeft bereikt bij een normbetrekking op jaarbasis ten hoogste 340 uren.

4.

De omvang van het verlof bedraagt voor de betrokkene die is benoemd in een functie als bedoeld in hoofdstuk I-S, op jaarbasis het aantal uren dat de uitkomst is van de formule

(1659 (a + b)) x L

---------------------------,

1659

waarbij

a = het bij de leeftijd van betrokkene behorende aantal verlofuren op grond van artikel I-C7, derde lid, of artikel I-C24, tweede lid,

b = 112,5 uren voor de betrokkene, bedoeld in artikel I-S111, eerste lid, en

L = voor de betrokkene die de leeftijd van 52 jaar heeft bereikt maar jonger is dan 56 jaar 170 uren en voor de betrokkene van 56 jaar of ouder 340 uren.

5. Voor de betrokkene met een betrekkingsomvang van minder dan een normbetrekking, wordt het aantal uren verlof, bedoeld in het tweede, derde en vierde lid, vastgesteld naar evenredigheid van die betrekkingsomvang en rekenkundig afgerond op gehele of halve uren.

Artikel I-V3a

1. Het verlof, bedoeld in artikel I-V3, kan voor zover het dienstbelang zich daartegen niet verzet op verzoek van betrokkene geheel of gedeeltelijk in een later schooljaar worden opgenomen bij hetzelfde of een ander bevoegd gezag dan het bevoegd gezag waarbij het verlof is gespaard.

2. Het aantal uren op te nemen verlof op grond van dit hoofdstuk tezamen met het verlof op grond van artikel I-C41 mag jaarlijks ten hoogste 50% van de betrekkingsomvang bedragen.

3. De betrokkene die is benoemd in een normbetrekking en die op grond van artikel 5, eerste of vierde lid, van het FPU-reglement basis- en aanvullende uitkering, op de leeftijd van 61 jaar doch uiterlijk op de laatste dag van het schooljaar waarin hij die leeftijd heeft bereikt, zal uittreden voor het gedeelte van de werktijdfactor dat overeenkomt met het aantal uren waarop in de maand voorafgaand aan de datum van uittreden artikel I-V4 van toepassing is, wordt de omvang van het verlof, bedoeld in artikel I-V3, verhoogd met 170 uren extra verlof.

4. De omvang van het verlof, bedoeld in artikel I-V3, wordt eveneens verhoogd met 170 uren extra verlof indien de in het derde lid bedoelde betrokkene uittreedt voor een kleiner gedeelte van de werktijdfactor dan het gedeelte dat overeenkomt met het aantal uren waarop in de maand voorafgaand aan de datum van uittreden artikel I-V4 van toepassing is, doch voor ten minste het gedeelte van de werktijdfactor dat overeenkomt met het aantal uren verlof dat voor hem geldt op grond van artikel I-V3.

5. Het derde en het vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing op de betrokkene die is benoemd in een normbetrekking en die een aanvullende uitkering ontvangt op grond van artikel 4.3. onder a, van het FPU-reglement basis- en aanvullende uitkering, en die zal uittreden op de leeftijd van 62 jaar en op de betrokkene die zal uittreden op grond van artikel 5.7.1. van dat reglement.

6. Voor de betrokkene op wie de in het derde, vierde of vijfde lid genoemde bepalingen van het FPU-reglement basis- en aanvullende uitkering van toepassing zijn en die is benoemd in een betrekking met een omvang van minder dan een normbetrekking, wordt het extra verlof, genoemd in het derde lid, naar evenredigheid van de betrekkingsomvang berekend en afgerond op gehele uren.

Artikel I-V4

1. De bezoldiging voor het gedeelte van de betrekkingsomvang waarvoor betrokkene verlof op grond van dit hoofdstuk geniet, bedraagt voor personeel dat is benoemd in een functie met maximumschaal 8 of lager 75% en voor het overige personeel 65% van de bezoldiging die voor hem bij die betrekkingsomvang op grond van de hoofdstukken I-Q, I-R, I-S, V-Q, V-R of V-S zou gelden.

2. Voor de betrokkene op wie artikel 5, eerste of vierde lid, van het FPU-reglement basis- en aanvullende uitkering van toepassing is, maar die geen gebruik maakt van de in die regeling geboden mogelijkheid om uit te treden, geldt, dat hij voor het aantal uren verlof dat ligt boven het aantal uren dat voor hem geldt op grond van artikel I-V3, geen bezoldiging ontvangt vanaf de datum waarop hij gebruik zou kunnen maken van die uittredingsmogelijkheid.

Artikel I-V5

1. Voor de toepassing van de artikelen 4, eerste lid, en 5 van het Tijdelijk Besluit ziekte en arbeidsongeschiktheid onderwijs-en onderzoekpersoneel wordt, gedurende een termijn van de eerste 18 maanden van verhindering volgend op de kalendermaand waarin de verhindering is ontstaan, ten aanzien van de betrokkene die verlof op grond van dit hoofdstuk geniet, onder "betrekking" verstaan: het deel van zijn betrekkingsomvang waaruit geen verlof is verleend en wordt voor wat betreft het deel van zijn betrekkingsomvang waarvoor dat verlof is verleend onder "volle bezoldiging" en "bezoldiging" verstaan: de bezoldiging vastgesteld met toepassing van artikel I-V4.

2. Voor de toepassing van artikel 4, eerste lid, van het Tijdelijk Besluit ziekte en arbeidsongeschiktheid onderwijs- en onderzoekpersoneel wordt na een termijn van 18 maanden van verhindering volgend op de kalendermaand waarin de verhindering is ontstaan, uitgegaan van de bezoldiging die voor de betrokkene zou gelden indien hem geen verlof op grond van dit hoofdstuk zou zijn verleend.

3. Voor de toepassing van de hoofdstukken I-F, I-K en I-L wordt uitgegaan van de bezoldiging die voor de betrokkene op grond van de hoofdstukken I-Q, I-R, I-S, V-Q, V-R en V-S zou gelden indien hem dat verlof niet zou zijn verleend.

4. Het derde lid is niet van toepassing op het aantal uren verlof waarover betrokkene op grond van artikel I-V4, tweede lid, geen bezoldiging ontvangt.

Artikel I-V6

1. Het verlof op grond van dit hoofdstuk wordt in gehele of in halve werkdagen opgenomen, tenzij bevoegd gezag en betrokkene hierover afwijkende afspraken maken. Het tijdstip waarop het verlof op grond van dit hoofdstuk wordt genoten, wordt in overleg met betrokkene vastgesteld en vastgelegd in het voor de school geldende overzicht van onderwijstijd.

2. Teneinde voor een betrokkene als bedoeld in hoofdstuk I-Q of hoofdstuk I-R het verbruik van het verlof, bedoeld in dit hoofdstuk, te berekenen, wordt de verlofaanspraak uitgedrukt in lesgevende taken en wel door de in artikel I-V3, tweede lid, bedoelde verlofaanspraak vast te stellen op ten hoogste 104 uren en de verlofaanspraak, bedoeld in artikel I-V3, derde lid, op ten hoogste 208 uren. Vervolgens wordt voor elk dagdeel dat een in de eerste volzin bedoelde betrokkene verlof geniet op grond van dit hoofdstuk, de verlofaanspraak van betrokkene verminderd met het aantal uren dat op de betreffende dagdelen in de vier hoogste groepen wordt lesgegeven.

3. Teneinde voor een betrokkene als bedoeld in artikel I-S203 of artikel I-S303 het verbruik van het verlof, bedoeld in dit hoofdstuk, te berekenen, wordt de verlofaanspraak uitgedrukt in lesgebonden of behandeltaken en wel door de uitkomst van de formule van artikel I-V3, vierde lid, te vermenigvuldigen met 104 indien de betrokkene 52 jaar of ouder doch jonger is dan 56 jaar en met 208 indien de betrokkene 56 jaar of ouder is en vervolgens de uitkomst van deze vermenigvuldiging te delen door het bij de leeftijd van betrokkene behorende aantal uren op grond van de factor L in artikel I-V3, vierde lid. Vervolgens wordt voor elk dagdeel dat een in de eerste volzin bedoelde betrokkene verlof geniet op grond van dit hoofdstuk, de verlofaanspraak van betrokkene verminderd met het aantal uren dat op de betreffende dagdelen in de vier hoogste groepen wordt lesgegeven.

4. Voor een betrokkene als bedoeld in het tweede of derde lid die is benoemd in een betrekking met een omvang van minder dan een normbetrekking wordt het aantal lesgebonden of behandeltaken vastgesteld naar evenredigheid van de betrekkingsomvang en rekenkundig afgerond op gehele of halve uren.

Artikel I-V7

Over de verrekening van extra inkomsten uit arbeid of bedrijf met de bezoldiging van de betrokkene zijn de artikelen 7 en 8 van de Wet uitkering wegens vrijwillig vervroegd uittreden van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de verrekening van de extra inkomsten niet kan leiden tot een lager bedrag dan de bezoldiging van de betrokkene met een gelijke onvolledige werktijd.

Artikel I-V8

1. De betrokkene kan het bevoegd gezag jaarlijks verzoeken met ingang van de eerste dag van het schooljaar de omvang van het verlof te wijzigen.

2. Het bevoegd gezag verleent geen toestemming voor wijziging van de omvang van het verlof, indien dit op enigerlei wijze direct of op termijn leidt tot uitkeringen krachtens het Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel.

Artikel I-V9

De betrokkene die krachtens artikel 3 van de Wetten doorstroming onderwijspersoneel (Stb. 1988, 253 en Stb. 1989, 283) gedeeltelijk is uitgetreden, kan geen aanspraak op verlof op grond van dit hoofdstuk maken.

Artikel I-V10

1. Betrokkene die van hoofdstuk I-V gebruik wenst te maken, dient hiertoe ten minste tien weken voor de gewenste ingangsdatum een schriftelijk verzoek in bij het bevoegd gezag van de instelling.

2. Indien de betrokkene kiest voor een ingangsdatum in de periode 1 mei tot en met 1 augustus, dient hij zijn verzoek uiterlijk op 1 maart daaraanvoorafgaand in.

3. Betrokkene die gebruik wenst te maken van de mogelijkheid, genoemd in artikel I-V3a, eerste lid, geeft bij zijn verzoek tevens aan in welke schooljaren hij het verlof wil opnemen alsmede het aantal uren verlof in het eerste schooljaar waarin het verlof zal worden genoten.

Artikel I-V11

Vervallen

Artikel I-V12

Vervallen

Artikel I-V13

Vervallen

Artikel I-V14

Vervallen

Artikel I-V15

Vervallen

Artikel I-V16

Vervallen

Artikel I-V17

Vervallen

Hoofdstuk I-Z. Toepassing titel I voor instellingen voor basis- en (voortgezet) speciaal onderwijs voor zover het betreft het onderwijsondersteunend personeel en voor instellingen die worden bekostigd volgens het lump sum-systeem

Artikel I-Z1

1.

Voorzover voor de toepassing van de artikelen I-B2, tweede lid, I-C31, tweede lid, I-C35, tweede lid, I-F4, eerste en tweede lid, I-M4, derde lid en I-P17 alsmede artikel 16, tweede lid van het Besluit ziekte en arbeidsongeschiktheid onderwijs- en onderzoekpersoneel een voorwaarde wordt gesteld die inhoudt:

    • toestemming, oordeel of goedkeuring van, dan wel
      
    • mededeling aan Onze minister,
      

is deze voorwaarde niet van toepassing ten aanzien van de scholen, genoemd in artikel I-A1, onder d1 voorzover het betreft onderwijsondersteunend personeel en onder d2 voorzover het betreft onderwijsondersteunend personeel als bedoeld in artikel I-S301 onder c, sub 2, en evenmin van toepassing ten aanzien van de instellingen, genoemd in artikel I-A1 , onder d4, d5, d6, d10, d13 tot en met d15, d17 en d18.

2. De voorwaarde in artikel I-C29, eerste lid, onder u, inhoudend dat de instemming van Onze minister is vereist, is niet van toepassing ten aanzien van de instellingen genoemd in artikel I-A1, onder d6.

3. Waar in de artikelen 15, eerste en tweede lid, 17, eerste lid, 18, eerste lid en 20, eerste lid van het Besluit ziekte en arbeidsongeschiktheid onderwijs en onderzoekpersoneel, aan Onze minister een bevoegdheid is toegekend, bestaat die bevoegdheid niet ten aanzien van de instellingen, genoemd in artikel I-A1, onder d1 voorzover het betreft onderwijsondersteunend personeel en onder d2 voorzover het betreft onderwijsondersteunend personeel als bedoeld in artikel I-S301 onder c, sub 2, en evenmin ten aanzien van de instellingen, genoemd in artikel I-A1, onder d4, d5, d6, d 10, d13 tot en met d15, d17 en d18.

4. Waar in de artikelen I-C29, eerste lid onder e, I-D3, derde lid, alsmede de artikelen 6, eerste lid, 39, eerste lid, en 43 van het Besluit ziekte en arbeidsongeschiktheid onderwijs- en onderzoekpersoneel aan Onze minister een bevoegdheid is toegekend, wordt deze bevoegdheid, voor wat betreft de instellingen genoemd in artikel I-A1, onder d1 voorzover het betreft onderwijsondersteunend personeel en onder d2 voorzover het betreft onderwijsondersteunend personeel als bedoeld in artikel I-S301 onder c, sub 2, alsmede voor wat betreft de instellingen, genoemd in artikel I-A1, onder d4, d5, d6, d10, d13 tot en met d15, d 17 en d18 toegekend aan het bevoegd gezag.

5. Ten aanzien van de instellingen, genoemd in artikel I-A1, onder d1 voorzover het betreft onderwijsondersteunend personeel en onder d2 voorzover het betreft onderwijsondersteunend personeel als bedoeld in artikel I-S301 onder c, sub 2, alsmede ten aanzien van de instellingen, genoemd in artikel I-A1, onder d4, d 5, d6, d10, d13 tot en met d15, d17 en d18, is de bevoegdheid tot het verlenen van verlof, bedoeld in artikel I-C30, niet beperkt tot vier dagen per jaar.

6. In artikel I-C29, eerste lid onder 1, wordt voor de woorden "Onze minister" ten aanzien van de instellingen genoemd in artikel I-A1, onder d1 voorzover het betreft onderwijsondersteunend personeel en onder d2 voorzover het betreft onderwijsondersteunend personeel als bedoeld in artikel I-S301 onder c, sub 2, alsmede ten aanzien van de instellingen, genoemd in artikel I-A1, onder d4, d5, d6, d10, d13 tot en met d15, d17 en d18 gelezen: het bevoegd gezag.

Artikel I-Z2

Het bepaalde in artikel I-Z1 is niet van toepassing ten aanzien van de betrokkene, bedoeld in artikel I-Q1209, I-Q1409, I-Q1509, I-R1212, eerste lid, artikel I-R1212, derde lid, voor zover het betreft zijn benoeming in de formatie als bedoeld in artikel I-R1209, onder b, I-R1412, eerste lid, artikel I-R1412, derde lid, voor zover het betreft zijn benoeming in de formatie als bedoeld in artikel I-R1409 onder b, artikel I-R1512, eerste lid, artikel I-R1512, derde lid, voor zover het betreft zijn benoeming in de formatie als bedoeld in artikel I-R1509, onder b, I-S1214, eerste lid, artikel I-S1214, derde lid, voor zover het betreft zijn benoeming in de formatie als bedoeld in artikel I-S1211, onder b, I-S1414, eerste lid, I-S1414, derde lid, voor zover het betreft zijn benoeming in de formatie als bedoeld in artikel I-S1411, onder b, I-S1514, eerste lid, en I-S1514, derde lid, voor zover het betreft zijn benoeming in de formatie als bedoeld in artikel I-S1511, onder b.

Titel II. Overige regelen voor het openbaar onderwijs

Hoofdstuk II-A. Aanstelling

Artikel II-A1

a. a. betrokkene: de betrokkene, bedoeld in artikel I-A1, onder e1, e2, e4 tot en met e6, e12 tot en met e14, e17 en e 18 voor zover deze werkzaam is aan een instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder d1, d2, d4, d5, d6 , d12 tot en met d14, d17 en d18 voor zover het een publiekrechtelijke instelling betreft; b. b. "overurenbetrekking" een betrekking bij een bevoegd gezag aan een instelling voor openbaar onderwijs als bedoeld in artikel I-A1, onder d, die op grond van artikel I-P3, vijfde lid, geheel uit uren boven de normbetrekking bestaat.

Artikel II-A2

Aanstelling geschiedt in vaste of in tijdelijke dienst.

Artikel II-A3

Behoudens het bepaalde in artikel II-A4 geschiedt aanstelling in vaste dienst.

Artikel II-A4

1.

Aanstelling in tijdelijke dienst vindt plaats:

a. a. van degene die tijdelijk afwezig personeel vervangt anders dan bedoeld onder b of e, behoudens het bepaalde in artikel II-A6; b. b.

      vervallen;

c. c. van degene die met toepassing van artikel I-B2, eerste lid, dan wel artikel I-B3 wordt aangesteld; d. d.

      vervallen;

e. e.

      vervallen;

f. f. van degene, die wordt aangesteld in verband met een tijdelijke voorziening in een vacature voor een termijn van maximaal 6 maanden, met dien verstande dat deze termijn in bijzondere gevallen eenmaal kan worden verlengd met ten hoogste 6 maanden. g. g. ten aanzien van de betrokkene bedoeld in artikel I-A1 onder e1 en e2 die is aangesteld op grond van faciliteiten die door Onze minister ter beschikking zijn gesteld in het kader van het project "Werkgelegenheid Impuls Onderwijs" en waaraan door hem de uitdrukkelijke voorwaarde is verbonden dat de aanstelling in tijdelijke dienst dient plaats te vinden.

2.

Aanstelling in tijdelijke dienst kan plaatsvinden

a. a. indien een betrokkene uitsluitend is belast met het verrichten van werkzaamheden in het kader van contractactiviteiten, dan wel uitsluitend is belast met formatieruimte die is toegekend ten gevolge van het toekennen van formatieruimte in het kader van contractactiviteiten aan een andere leraar, behoudens het bepaalde in artikel II-A6, tweede lid, dan wel b. b. indien het bevoegd gezag een proeftijd als bedoeld in artikel II-A5 wenselijk acht.

3.

Aanstelling in tijdelijke dienst op grond van het eerste lid onderdeel b tot en met c of het tweede lid geschiedt ten aanzien van de betrokkene, bedoeld in artikel I-A1, onder e1 en e2, voor ten hoogste één jaar. In bijzondere gevallen kan met toestemming van Onze minister van het bepaalde in de vorige volzin worden afgeweken.

Aanstelling in tijdelijke dienst op grond van het eerste lid onderdeel a respectievelijk onderdeel g geschiedt ten aanzien van de betrokkene bedoeld in artikel I-A1 onder e1 en e2 telkens voor ten hoogste één jaar met dien verstande dat een aanstelling in tijdelijke dienst op grond van het eerste lid, onderdeel g, voor een periode van ten hoogste 4 jaar kan geschieden.

4. Aanstelling in tijdelijke dienst op grond van het eerste of tweede lid geschiedt ten aanzien van de betrokkene, bedoeld in artikel I-A1, onder e5, e6, e12 tot en met e14, e17 en e18, telkens voor ten hoogste één jaar.

5. Aan de betrokkene wordt ten minste drie maanden vóór het verstrijken van de termijn waarvoor het tijdelijk dienstverband werd aangegaan, schriftelijk meegedeeld of het bevoegd gezag het dienstverband al dan niet wenst voort te zetten, voor zover dit redelijkerwijs mogelijk is.

Artikel II-A5

1. De duur van de proeftijd bedraagt ten aanzien van de betrokkene, bedoeld in artikel I-A1, onder e1 en e2, ten hoogste één jaar.

2. De duur van de proeftijd bedraagt ten aanzien van de betrokkene, bedoeld in artikel I-A1, onder e5, e6, e12 tot en met e14, e17 en e18, in de regel ten hoogste één jaar, zonodig in bijzondere gevallen tot niet meer dan twee jaar te verlengen.

3. Ten aanzien van de betrokkene, bedoeld in artikel I-A1, onder e5, e6, e12 tot en met e14, e17 en e18, kan de proeftijd zonodig door het bevoegd gezag worden verlengd met de tijd die de betrokkene niet in werkelijke dienst aan de instelling heeft doorgebracht.

4. Het bevoegd gezag deelt de betrokkene tijdig voor het einde van de proeftijd het oordeel hierover mee.

5.

Een proeftijd kan achterwege blijven:

a. a. indien de betrokkene reeds in vaste dienst bij het onderwijs werkzaam is in een overeenkomstige functie; b. b. indien het dienstverband van de betrokkene wordt voortgezet, nadat zijn tijdelijk dienstverband op grond van het bepaalde in artikel II-A4, eerste lid, is geëindigd; c. c. in andere daarvoor naar het oordeel van het bevoegd gezag in aanmerking komende gevallen.

Artikel II-A6

1. Ten aanzien van de betrokkene, bedoeld in artikel I-A1, onder e5, e6, e12 tot en met e14, e17 en e18, kan in het geval, bedoeld in artikel II-A4, eerste lid onder a, voor zover het betreft de vervanging van eenzelfde personeelslid, aanstelling in tijdelijke dienst na 5 jaar ononderbroken dienst aan dezelfde instelling of instellingen gevolgd worden door een aanstelling in vaste dienst.

2. Indien de aanstelling van een betrokkene, bedoeld in artikel II-A4, tweede lid onder a, na een ononderbroken tijdelijke aanstelling van 3 jaar aan de instelling of instellingen wordt voortgezet, dient aanstelling in vaste dienst plaats te vinden.

3. Indien de betrekkingsomvang van een betrokkene gedurende een aaneengesloten periode van 3 jaar tijdelijk is uitgebreid in verband met het verrichten van werkzaamheden in het kader van contractactiviteiten wordt, indien hem die werkzaamheden ook in het vierde jaar worden opgedragen, met ingang van het vierde jaar een nieuwe betrekkingsomvang vastgesteld die gelijk is aan de oorspronkelijke betrekkingsomvang vermeerderd met het kleinste deel van de formatieruimte waarmee de oorspronkelijke betrekkingsomvang gedurende 3 aaneengesloten jaren tijdelijk is uitgebreid en voorzover die formatieruimte in het vierde jaar beschikbaar is.

4. Het bepaalde in het tweede en derde lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de leraar die tijdelijk is benoemd of wiens betrekkingsomvang tijdelijk is uitgebreid op grond van formatie-eenheden die zijn toegekend ten gevolge van het toekennen van formatie-eenheden in het kader van contractactiviteiten aan een andere leraar.

Artikel II-A7

Vervallen

Artikel II-A8

1. Het bevoegd gezag verstrekt aan de betrokkene zo mogelijk voor de indiensttreding, doch in elk geval uiterlijk vier weken na indiensttreding, kosteloos een gedagtekende akte van aanstelling, hieronder begrepen het besluit tot verlenging van een aanstelling dan wel heraanstelling in tijdelijke dienst. In het geval uitreiking van de akte van aanstelling voor de indiensttreding niet heeft plaatsgevonden, ontvangt de betrokkene voor de indiensttreding kosteloos een schriftelijke mededeling van het voornemen om tot aanstelling over te gaan.

2.

De akte van aanstelling van de betrokkene die bij een bevoegd gezag is aangesteld aan een instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder d5, d6, d12 tot en met d14, d17 en d18, vermeldt ten minste:

a. a. de naam en het adres van het bevoegd gezag; b. b. de naam, de voornamen en de geboortedatum van de betrokkene; c. c. de datum van ingang van de aanstelling; d. d. de functie waarin de betrokkene wordt aangesteld; e. e. de bepaling of de aanstelling in vaste of in tijdelijke dienst geschiedt en in het laatste geval tevens de gronden voor en de duur van de aanstelling; f. f. de aard en zo mogelijk het niveau en de omvang van de betrekking bij de aanvang daarvan; g. g. het feit dat dit besluit van toepassing is; h. h. de op de dag van zijn aanstelling van toepassing zijnde schaal en het salarisnummer; i. i. de instelling of instellingen waaraan de betrokkene werkzaam zal zijn; j. j. in voorkomende gevallen, overeenkomstig de ter zake van verplaatsingskosten geldende bepalingen de verplichting te wonen in een bepaalde gemeente, in een bepaald deel daarvan, in een bepaalde bij de instelling behorende woning of in het internaat van de instelling; k. k. de van toepassing zijnde afvloeiingsregeling; l. l. in voorkomende gevallen bijzondere bepalingen die van toepassing zijn.

3. Het bepaalde in het tweede lid, onder g, j, en l, geldt eveneens in geval van aanstelling van de betrokkene bij een bevoegd gezag aan een instelling als bedoeld in artikel I-A1 , onder d1 en d2.

4. Het bevoegd gezag deelt wijzigingen van de inhoud van de akte van aanstelling schriftelijk aan de betrokkene mee.

5. Onze minister kan omtrent de inhoud van de akte van aanstelling nadere voorschriften vaststellen.

6. De betrokkene voor wie een instructie is vastgesteld, ontvangt tevens een afschrift daarvan.

7. Aan de betrokkene wordt bij het overleg inzake zijn eventuele aanstelling tijdig een model van de akte van aanstelling waarin de eventuele bijzondere bepalingen, bedoeld in het tweede lid onder l, zijn opgenomen, ter beschikking gesteld alsmede een model van de instructie voor zover deze voor hem zal gaan gelden.

8. Indien het bevoegd gezag zulks wenst, geeft de betrokkene een ondertekende verklaring af, dat hij de in het eerste, zesde en zevende lid bedoelde bescheiden heeft ontvangen.

9. Wanneer de werkzaamheden feitelijk zijn aangevangen, worden de volledige en juiste gegevens met betrekking tot het niveau en omvang van de betrekking in de akte van aanstelling aangetekend, indien deze ingevolge het eerste lid is uitgereikt.

Hoofdstuk II-B. Schorsing als ordemaatregel

Artikel II-B1

1. Schorsing is iedere tijdelijke ontheffing van de gehele of gedeeltelijke uitoefening van de functie van een betrokkene onder welke benaming dan ook op andere gronden dan wegens verlof bedoeld in de hoofdstukken I-C, I-D of op grond van het bepaalde in het Besluit ziekte en arbeidsongeschiktheid onderwijs- en onderzoekpersoneel van dit besluit.

2. Schorsing geschiedt van rechtswege dan wel door het bevoegd gezag.

3. Tijdens de schorsing heeft de betrokkene slechts toegang tot de instelling na verkregen toestemming van het bevoegd gezag. Deze toestemming is niet vereist in het geval dat de betrokkene dit besluit wenst in te zien, tenzij dit besluit door het bevoegd gezag elders op een voor de betrokkene redelijkerwijs bereikbare plaats ter inzage is gelegd.

Artikel II-B2

Van rechtswege is geschorst de betrokkene:

a. a. die krachtens een wettelijke maatregel van zijn vrijheid is beroofd, tenzij de vrijheidsbeneming het gevolg is van een maatregel, anders dan op grond van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen, genomen in het belang van de volksgezondheid; b. b. die krachtens een rechterlijke uitspraak die nog niet onherroepelijk is geworden van het geven van onderwijs is uitgesloten.

Artikel II-B3

1.

Het bevoegd gezag kan de betrokkene schorsen:

a. a. in gevallen waarin het belang van de instelling dit vereist, voor ten hoogste drie maanden met dien verstande dat deze termijn in bijzondere gevallen eenmaal kan worden verlengd met ten hoogste drie maanden; b. b. in dringende bijzondere gevallen indien dit in het belang van de instelling noodzakelijk voorkomt, als voorlopige maatregel voor ten hoogste één week, met dien verstande dat deze termijn uitsluitend in het geval dat het bevoegd gezag tegelijk met de ingang van deze schorsing de betrokkene in kennis heeft gesteld van het voornemen hem te schorsen op grond van het bepaalde onder a, kan worden verlengd met ten hoogste drie weken.

2. In het geval dat de in het eerste lid onder b, bedoelde schorsing wordt verlengd, wordt de duur van deze verlengde schorsing in mindering gebracht op de termijn van de daarop op grond van het eerste lid onder a, volgende schorsing.

Artikel II-B4

1. Betrokkene brengt, indien gewenst, binnen drie weken, nadat hij door het bevoegd gezag schriftelijk van het voornemen tot schorsing, bedoeld in artikel II-B3, onder a in kennis is gesteld, zijn zienswijze schriftelijk of mondeling naar voren.

2. Betrokkene brengt, indien, gewenst, onmiddellijk nadat hij door het bevoegd gezag schriftelijk van de maatregel tot schorsing, bedoeld in artikel II B-3, onder b, in kennis is gesteld, zijn zienswijze schriftelijk of mondeling naar voren.

3. Indien betrokkene mondeling zijn zienswijze kenbaar maakt wordt hiervan door het bevoegd gezag een verslag gemaakt. Dit verslag wordt getekend door het bevoegd gezag en door betrokkene. Weigert de betrokkene de ondertekening, dan wordt daarvan, zo mogelijk met vermelding van de redenen, melding gemaakt. Een afschrift van het verslag wordt aan betrokkene uitgereikt.

4. Het besluit tot schorsing, bedoeld in artikel II-B3, onder a, wordt uiterlijk binnen een week nadat betrokkene zijn zienswijze heeft kenbaar gemaakt, genomen.

5. Het besluit tot schorsing, bedoeld in artikel II-B3, onder b, wordt onverwijld doch uiterlijk de tweede dag nadat betrokkene zijn zienswijze heeft kenbaar gemaakt, genomen. Het bevoegd gezag kan betrokkene de toegang tot de school ontzeggen voor zolang het besluit nog niet te zijner kennis is gebracht.

6. Van het intreden van een schorsing van rechtswege stelt het bevoegd gezag de betrokkene onverwijld doch uiterlijk binnen twee dagen in kennis.

Artikel II-B5

De schorsing, bedoeld in artikel II-B3, kan door het bevoegd gezag te allen tijde worden ingetrokken.

Hoofdstuk II-C. Disciplinaire straffen of maatregelen

Artikel II-C1

De betrokkene die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of enig voorschrift overtreedt, dan wel datgene doet of nalaat dat hij bij een goede uitoefening van zijn functie in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen, maakt zich schuldig aan plichtsverzuim en kan om die reden door het bevoegd gezag met inachtneming van de artikelen II-C2 tot en met II-C6 disciplinair worden gestraft.

Artikel II-C2

1.

De disciplinaire straffen of maatregelen zijn:

a. a. schriftelijke berisping; b. b. verplaatsing naar een andere instelling onder hetzelfde bevoegd gezag met al dan niet gevolgen voor de bezoldiging; c. c. inhouding van bezoldiging volgens het bepaalde in artikel II-C3, eerste lid; d. d. schorsing voor maximaal 6 maanden; e. e. ontslag.

2. Met uitzondering van de in het eerste lid onder c en d, bedoelde straffen, welke naast elkaar kunnen worden opgelegd, kan het bevoegd gezag ter zake van één en hetzelfde feit slechts één disciplinaire straf of maatregel opleggen.

3. Bij het opleggen van een straf of maatregel kan worden bepaald dat zij eerst ten uitvoer zal worden gelegd indien de betrokkene zich gedurende een vast te stellen termijn schuldig maakt aan soortgelijk plichtsverzuim als waarvoor de bestraffing plaatsvindt, dan wel zich niet houdt aan bij het opleggen van de straf eventueel gestelde bijzondere voorschriften.

Artikel II-C3

1. Inhouding van bezoldiging als zelfstandige disciplinaire straf of maatregel op grond van artikel II-C2, eerste lid onder c, kan geschieden tot een bedrag van ten hoogste de bezoldiging over een halve maand.

2. Inhouding van bezoldiging als disciplinaire straf of maatregel opgelegd naast de in artikel II-C2, eerste lid onder d, genoemde schorsing, kan geheel of gedeeltelijk geschieden voor ten hoogste de duur van de schorsing.

3. De ingehouden bezoldiging wordt alsnog uitbetaald, indien door de rechter geen straf wordt opgelegd of het besluit wordt vernietigd, alsmede voor zover op andere andere gronden alsnog tot uitbetaling wordt besloten. Op de aldus uit te keren bezoldiging worden in mindering gebracht de inkomsten, welke de betrokkene sedert de schorsing bedoeld in het tweede lid heeft genoten uit arbeid die hij als gevolg van de schorsing heeft kunnen verrichten, tenzij zulks naar het oordeel van het bevoegd gezag onredelijk of onbillijk is.

4. Van de inhouding en de uitbetaling van de bezoldiging als bedoeld in dit artikel doet het bevoegd gezag terstond mededeling aan Onze minister.

Artikel II-C4

1. Betrokkene brengt, indien gewenst, binnen drie weken, nadat hij door het bevoegd gezag schriftelijk van het voornemen tot het opleggen van een disciplinaire straf of maatregel in kennis is gesteld, zijn zienswijze schriftelijk of mondeling naar voren.

2. Indien betrokkene mondeling zijn zienswijze kenbaar maakt wordt hiervan door het bevoegd gezag een verslag gemaakt. Dit verslag wordt getekend door het bevoegd gezag en door betrokkene. Weigert de betrokkene de ondertekening, dan wordt daarvan, zo mogelijk met vermelding van de redenen, melding gemaakt. Een afschrift van het verslag wordt aan betrokkene uitgereikt.

3. Het besluit tot het opleggen van een disciplinaire straf of maatregel wordt uiterlijk een week, nadat betrokkene zijn zienswijze kenbaar heeft gemaakt, genomen.

Artikel II-C5

Het recht tot het opleggen van een disciplinaire straf of maatregel vervalt, indien meer dan 9 maanden zijn verlopen na het tijdstip waarop het plichtsverzuim aan het bevoegd gezag bekend is geworden.

Artikel II-C6

De straf of maatregel, behalve die van schriftelijke berisping, wordt niet ten uitvoer gelegd zolang zij niet onherroepelijk is geworden, tenzij bij de strafoplegging onmiddellijke tenuitvoerlegging is bevolen.

Hoofdstuk II-D. Beëindiging dienstverband

Artikel II-D1

Beëindiging van het dienstverband geschiedt door het bevoegd gezag al dan niet op verzoek van de betrokkene dan wel van rechtswege.

Artikel II-D2

1. Het bevoegd gezag beëindigt het dienstverband van de betrokkene op diens schriftelijk verzoek.

2. Het bevoegd gezag behoeft dit verzoek niet in te willigen, indien een strafrechtelijke vervolging ter zake van misdrijf tegen de betrokkene is ingesteld of indien het overweegt de disciplinaire straf van ontslag op te leggen.

3. Het bevoegd gezag beëindigt het dienstverband van de betrokkene die zulks heeft verzocht met het oog op een uitkering op grond van de Regeling flexibel pensioen en uittreden, bedoeld in artikel 3 van de Centrale vut-overeenkomst overheids- en onderwijspersoneel en artikel 1.5 van het pensioenreglement, indien het bestuur van de Stichting fonds vrijwillig vervroegd uittreden overheidspersoneel alsmede het bestuur van de Stichting Pensioenfonds ABP op grond van een desbetreffende aanvraag hebben vastgesteld dat na beëindiging van het dienstverband recht bestaat op een uitkering. Het dienstverband wordt niet eerder beëindigd dan met ingang van de dag waarop het recht op genoemde uitkering ontstaat.

4. Op verzoek van de betrokkene kan de in het derde lid genoemde beëindiging van het dienstverband ook voor een gedeelte van de voor hem geldende betrekkingsomvang worden verleend, tenzij de belangen van de dienst zich hiertegen verzetten. Het gedeelte van de betrekkingsomvang waarvoor beëindiging van het dienstverband wordt gevraagd, bedraagt ten minste 10% van de betrekkingsomvang. Beëindiging van het dienstverband voor een gedeelte van een betrekkingsomvang uit een betrekking waaruit reeds eerder gedeeltelijke beëindiging met het oog op de in het derde lid bedoelde uitkering heeft plaatsgevonden, bedraagt ten minste 10% van de oorspronkelijke betrekkingsomvang.

Artikel II-D3

1.

Het bevoegd gezag beëindigt het dienstverband van de betrokkene op grond van:

a. a. opheffing van de instelling of de betrekking of zodanige verandering in de inrichting van het onderwijs of de dienst van de instelling dat zijn werkzaamheden overbodig zullen worden; b. b. het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, onverminderd het bepaalde in artikel II-D5, vijfde lid, en artikel II-D6, derde lid; c. c. het geraken in een toestand van ongeschiktheid ten gevolge van lichamelijke of psychische oorzaken, zulks met inachtneming van de bepalingen in artikel 20 van het Besluit ziekte en arbeidsongeschiktheid onderwijs- en onderzoekpersoneel, onverminderd het bepaalde in het vierde lid.

2.

Het bevoegd gezag kan het dienstverband van de betrokkene beëindigen:

a. a. wanneer hij in ernstige mate onbekwaam of ongeschikt blijkt te zijn voor de beklede betrekking anders dan in de gevallen bedoeld in het eerste lid onder c; b. b. bij wijze van disciplinaire straf of maatregel in de gevallen en op de wijze als omschreven in hoofdstuk II-C; c. c. indien de betrokkene bij onherroepelijk geworden vonnis is veroordeeld tot vrijheidsstraf wegens misdrijf; d. d. indien hij in verband met aanstelling of keuring opzettelijk onjuiste of onvolledige inlichtingen heeft verstrekt, zonder welke handelwijze niet tot benoeming of geschiktverklaring zou zijn overgegaan, tenzij meer dan 6 maanden zijn verstreken sinds de vaststelling van dit feit; e. e. indien ten aanzien van de overurenbetrekking van de betrokkene als bedoeld in artikel I-A1, onder e10 is komen vast te staan dat in redelijkheid de overuren aan een andere betrokkene binnen een normbetrekking kunnen worden opgedragen; f. f. op grond van andere met name genoemde en aan de betrokkene schriftelijk meegedeelde redenen van gewichtige aard.

3. Indien het dienstverband van de betrokkene, bedoeld in artikel I-A1, onder e1, e2, e5 e10, e12, e14, e17 en e18, wordt beëindigd op grond van de gevallen genoemd in het tweede lid onder a en f, wordt de inspectie gehoord.

Artikel II-D4

Het dienstverband van de betrokkene eindigt van rechtswege:

a. a. door het verstrijken van de tijd waarvoor het blijkens de akte van aanstelling is aangegaan; b. b. indien de betrokkene krachtens onherroepelijke rechterlijke uitspraak van het geven van onderwijs is uitgesloten;

Artikel II-D5

1.

Bij tussentijdse beëindiging van een tijdelijk dienstverband bedraagt de termijn van opzegging:

a. a. één maand indien het dienstverband ten tijde van de opzegging korter dan 6 maanden onafgebroken heeft bestaan; b. b. twee maanden indien het dienstverband ten tijde van de opzegging ten minste 6 maanden doch korter dan 12 maanden onafgebroken heeft bestaan; c. c. drie maanden indien het dienstverband ten tijde van de opzegging ten minste twaalf maanden onafgebroken heeft bestaan.

2. In het geval, bedoeld in artikel II-D2, eerste lid, zijn de opzeggingstermijnen, bedoeld in het eerste lid, van overeenkomstige toepassing, onverminderd het bepaalde in artikel II-D7.

3. Opzegging als bedoeld in het eerste lid kan niet geschieden gedurende de zwangerschap van de vrouwelijke betrokkene, noch gedurende het zwangerschaps- en bevallingsverlof bedoeld in artikel 9, eerste lid van het Besluit ziekte en arbeidsongeschiktheid onderwijs- en onderzoekpersoneel, noch, indien zij haar dienst heeft hervat, gedurende een periode van zes weken volgend op dat verlof. Het bevoegd gezag kan ter staving van de zwangerschap een verklaring van een arts of van een verloskundige verlangen.

4. Opzegging als bedoeld in het eerste lid kan niet plaats vinden wegens het feit dat de betrokkene door een centrale als bedoeld in artikel 1, onder i, van het Overlegbesluit onderwijs- en onderzoekpersoneel of door een daarbij aangesloten vereniging is aangewezen om bestuurlijke of vertegenwoordigende activiteiten te ontplooien binnen zijn centrale of een daarbij aangesloten vereniging c.q. binnen de organisatie van de werkgever, die er toe strekken de doelstellingen van zijn centrale van overheidspersoneel en de daarbij aangesloten verenigingen te ondersteunen.

5. In het geval, bedoeld in artikel II-D3, eerste lid onder b, eindigt het dienstverband op de laatste dag van de maand waarin de pensioengerechtigde leeftijd werd bereikt, tenzij in overeenstemming met de betrokkene de ontslagdatum naar een later tijdstip wordt verschoven.

6. In de gevallen bedoeld in artikel II-D3, tweede lid, kan het dienstverband eerst worden beëindigd met ingang van de dag, volgende op die, waarop de reden van het ontslag voor het eerst aanwezig was.

7. In het geval de betrokkene blijkens het doorlopen van de procedure, bedoeld in artikel 20 van het Besluit ziekte en arbeidsongeschiktheid onderwijs- en onderzoekpersoneel, blijvend ongeschikt is verklaard voor de vervulling van zijn functie, eindigt het dienstverband niet eerder dan op de dag waarop het ontslagbesluit hem ter kennis is gesteld.

Artikel II-D6

1. In het geval, bedoeld in artikel II-D2, eerste en derde lid, bedraagt de opzeggingstermijn drie maanden, onverminderd het bepaalde in artikel II-D7.

2. Bij beëindiging van het dienstverband op grond van artikel II-D3, eerste lid onder a, en artikel II-D3, tweede lid onder e, bedraagt de opzeggingstermijn 3 maanden.

3. In het geval, bedoeld in artikel II-D3, eerste lid onder b, eindigt het dienstverband op de laatste dag van de maand waarin de pensioengerechtigde leeftijd werd bereikt, tenzij in overeenstemming met de betrokkene de ontslagdatum naar een later tijdstip wordt verschoven.

4. In de gevallen, bedoeld in artikel II-D3, tweede lid, kan het dienstverband eerst worden beëindigd met ingang van de dag, volgende op die, waarop de reden van het ontslag voor het eerst aanwezig was.

5. In het geval de betrokkene blijkens het doorlopen van de procedure, bedoeld in artikel 20 van het Besluit ziekte en arbeidsongeschiktheid onderwijs- en onderzoekpersoneel, blijvend ongeschikt is verklaard voor de vervulling van zijn functie, eindigt het dienstverband niet eerder dan op de dag waarop het ontslagbesluit hem ter kennis is gesteld.

Artikel II-D7

In het geval, bedoeld in artikel II-D2, eerste lid, kan van de voor de beëindiging van het dienstverband in de artikelen II-D5, eerste lid, en II-D6, eerste lid, geldende opzeggingstermijnen worden afgeweken:

a. a. indien wordt overwogen de betrokkene een disciplinaire straf op te leggen; b. b. indien het belang van het onderwijs zulks vordert, met dien verstande, dat de termijn van drie maanden tot ten hoogste zes maanden kan worden verlengd en met niet meer dan twee maanden kan worden bekort en dat bij een afwijking in redelijkheid met het belang van de betrokkene rekening wordt gehouden; c. c. op verzoek van de betrokkene.

Artikel II-D8

1. Over de tijd die aan de in artikel II-D5 en artikel II-D6 bedoelde opzeggingstermijnen bij beëindiging van het dienstverband niet op verzoek mocht ontbreken, heeft de betrokkene recht op doorbetaling van de bezoldiging.

2.

De aanspraak op bezoldiging vervalt geheel of gedeeltelijk met ingang van de dag waarop de betrokkene:

a. a. gedurende de opzeggingstermijn uit eigen beweging de dienst verlaat; b. b. gedurende de opzeggingstermijn een andere betrekking gaat bekleden, tenzij en voor zover deze betrekking samenvalt met een hem nog toekomend vakantieverlof.

Artikel II-D9

1. Het dienstverband kan worden beëindigd onder de kwalificatie eervol dan wel zonder nadere kwalificatie.

2. In de gevallen, bedoeld in de de artikelen II-D2, eerste lid, II-D3, eerste lid en tweede lid onder a, en II-D4 onder a, wordt het dienstverband steeds onder de kwalificatie eervol beëindigd, tenzij de beëindiging van het dienstverband aan eigen schuld of toedoen is te wijten.

Artikel II-D10

1. Betrokkene brengt, indien gewenst, binnen drie weken, nadat hij door het bevoegd gezag schriftelijk van het voornemen tot beëindiging van het dienstverband, anders dan op grond van de omstandigheid, bedoeld in artikel II-D3, eerste lid, onder b, in kennis is gesteld, zijn zienswijze schriftelijk of mondeling naar voren.

2. Indien betrokkene mondeling zijn zienswijze kenbaar maakt wordt hiervan door het bevoegd gezag een verslag gemaakt. Dit verslag wordt getekend door het bevoegd gezag en door betrokkene. Weigert de betrokkene de ondertekening, dan wordt daarvan, zo mogelijk met vermelding van de redenen, melding gemaakt. Een afschrift van het verslag wordt aan betrokkene uitgereikt.

3. Het besluit tot beëindiging van het dienstverband wordt uiterlijk een week, nadat betrokkene zijn zienswijze kenbaar heeft gemaakt, genomen.

4. Van een beëindiging van het dienstverband van rechtswege stelt het bevoegd gezag de betrokkene zo spoedig mogelijk in kennis.

Titel III. Overige voorwaarden voor bekostiging van het bijzonder onderwijs

Hoofdstuk III-A. Commissies van beroep

Artikel III-A1

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

a. a. commissie b.o.: commissie van beroep, bedoeld in artikel 62, vijfde lid, van de Wet op het primair onderwijs; b. b. commissie s.o. en v.s.o.: commissie van beroep, bedoeld in artikel 65, vijfde lid, van de Wet op de expertisecentra of artikel 183, vijfde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs; c. c. commissie vo/bbo: commissie van beroep, bedoeld in artikel 53 van de Wet op het voortgezet onderwijs en artikel 2.50 van de Wet op het Cursorisch beroepsonderwijs, alsmede ten behoeve van de betrokkene, bedoeld in artikel I-A1, onder e10, e14, e15 en e17; d. d. commissie landelijke organen: commissie van beroep bedoeld in artikel 2.57 van de Wet op het cursorisch beroepsonderwijs e. e. commissie v.j.: commissie van beroep, bedoeld in artikel 7 van het Besluit vormingswerk voor jeugdigen; f. f. commissie basiseducatie en ondersteuning VE: commissie van beroep, bedoeld in artikel 11 van de Kaderwet volwasseneneducatie 1991; g. g. commissie w.o.v.: commissie van beroep, bedoeld in artikel 64 van de Wet op de onderwijsverzorging; h. h. commissie: de commissie van beroep, bedoeld onder a tot en met h.

Artikel III-A2

1. Een commissie b.o., s.o. en v.s.o., vo/bbo, v.j., landelijke organen, basiseducatie en ondersteuning VE en w.o.v. wordt ingesteld door de besturen van de bijzondere instellingen waarover zij haar werkkring zal uitstrekken. De commissie v.j. strekt haar werkkring uit over alle bij deze organisatie aangesloten instellingen, met uitzondering van de vormingsinstituten waarvan het bevoegd gezag zich heeft aangesloten bij een commissie vo/bbo.

2. De commissie deelt Onze minister mee, welke instellingen bij haar zijn aangesloten.

Artikel III-A3

1. Met inachtneming van de in het tweede tot en met het zesde lid van dit artikel neergelegde voorschriften geschiedt de verkiezing van de commissie aan de hand van een door de besturen van de instellingen dan wel, indien het betreft een commissie v.j., het bestuur van een landelijke organisatie op te stellen verkiezingsregeling.

2. De commissie bestaat uit 5 leden en 5 plaatsvervangende leden, waarvan 2 leden en 2 plaatsvervangende leden, en ingeval het betreft een commissie v.j. op voordracht van een landelijke organisatie, worden gekozen door de instellingsbesturen, en 2 leden en 2 plaatsvervangende leden door het personeel van de bij de commissie aangesloten instellingen. De 2 leden gekozen door de instellingsbesturen en de 2 leden gekozen door het personeel van de instelling kiezen gezamenlijk het vijfde lid, tevens voorzitter, en zijn plaatsvervanger. Bij staking van stemmen beslist het lot, desgewenst na herstemming, tenzij partijen een arbitraire oplossing aanvaarden.

3. Om de 3 jaar treedt één van de door de instellingsbesturen en één van de door het personeel gekozen leden en plaatsvervangende leden af volgens een door de commissie op te stellen rooster.

4. De voorzitter en de plaatsvervangend voorzitter worden gekozen voor de tijd van 3 jaar.

5. De voorzitter en de plaatsvervangend voorzitter en de overige leden en plaatsvervangende leden zijn bij aftreden onmiddellijk herkiesbaar.

6. In een opengevallen plaats wordt binnen 6 weken voorzien.

Artikel III-A4

1.

Voorzitter, plaatsvervangend voorzitter, lid en plaatsvervangend lid van een commissie kan niet zijn hij die:

a. a. zitting heeft in of in dienst is van het instellingsbestuur of het bestuur van een vereniging van instellingsbesturen of organen dan wel van de landelijke organisatie, of deel uitmaakt van het personeel van een instelling waarover die commissie waarvan hij deel uitmaakt, haar werkkring uitstrekt; b. b. in dienst is van een vereniging als bedoeld in artikel 64 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 66 van de Wet op de expertisecentra, artikel 40 en artikel 184 van de Wet op het voortgezet onderwijs, artikel 2.51 en 2.59 van de Wet op het cursorisch beroepsonderwijs, artikel 61 van de Wet op de onderwijsverzorging of artikel 9 van de Kaderwet volwasseneneducatie, waarvan het lidmaatschap openstaat voor personeel van instellingen waarvoor de desbetreffende commissie waarvan hij deel uitmaakt is ingesteld; c. c. deel uitmaakt van de rijksinspectie;

2. Voorzitter en plaatsvervangend voorzitter kan slechts zijn hij die de hoedanigheid van meester in de rechten heeft verkregen op grond van een met goed gevolg afgelegd doctoraal examen in het Nederlands recht aan een Nederlandse universiteit of hogeschool.

Artikel III-A5

1. Zodra hij verkozen is, geeft de voorzitter aan Onze minister en de bij de commissie aangesloten instellingsbesturen onverwijld kennis van de samenstelling van de commissie, onder vermelding van zijn adres en eventuele andere gegevens die hij van belang acht.

2. Wijziging van deze gegevens deelt de voorzitter onverwijld eveneens mee.

Artikel III-A6

1. De commissie legt de regeling van haar werkzaamheden binnen 6 maanden na haar verkiezing vast in een huishoudelijk reglement en voorziet daarin in haar secretariaat.

2. De voorzitter brengt dit reglement, alsmede wijzigingen daarvan ter kennis van Onze minister en de bij de commissie aangesloten instellingsbesturen.

Artikel III-A7

1. Het instellingsbestuur draagt er zorg voor, dat een kennisgeving van de samenstelling van de commissie waarbij de instelling is aangesloten en van het adres van de voorzitter, alsmede een exemplaar van het huishoudelijk reglement van de commissie steeds op een voor de betrokkene toegankelijke plaats ter inzage in de instelling beschikbaar zijn.

2. Deze kennisgeving en dit huishoudelijk reglement worden steeds onverwijld aangepast aan de wijzigingen, bedoeld in artikel III-A5, tweede lid, en artikel III-A6, tweede lid.

3. Stukken, die moeten worden ingediend bij de voorzitter of de commissie, kunnen worden toegezonden aan het bekend gemaakte kantooradres van de secretaris.

Artikel III-A8

1.

De betrokkene kan in beroep komen tegen een door het instellingsbestuur genomen besluit inhoudende:

a. a. ontzegging van de toegang tot de instelling; b. b. oplegging van een straf; c. c. ontslag anders dan op eigen verzoek, voordat hij de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, of het tijdvak waarvoor hij is benoemd, is verstreken; d. d. schorsing; e. e. het direct of indirect onthouden van promotie; f. f. de beslissing van het instellingsbestuur ten aanzien van een personeelslid op basis waarvan op termijn opheffing van zijn betrekking kan plaatsvinden; g. g. de beëindiging van een verlengd tijdelijk dienstverband; h. h. de aanwijzing als personeelslid boven de reguliere formatie voortvloeiend uit een algemeen verbindend voorschrift welke aanwijzing op termijn kan leiden tot ontslag of beëindiging van een verlengd tijdelijk dienstverband; i. i. de aanwijzing van een andere school of andere scholen waaraan een betrokkene werkzaamheden zal verrichten.

2. Indien in de gevallen, bedoeld in het eerste lid, de betrokkene voor het verstrijken van de beroepstermijn is overleden, kunnen in beroep komen zijn nagelaten betrekkingen die recht hebben op een uitkering bij overlijden.

3.

De appellant dient bij de voorzitter van de commissie een door hem of door zijn raadsman ondertekend beroepschrift in, waarbij wordt gevoegd:

a. a. een afschrift van het bestuursbesluit waartegen het beroep wordt ingesteld; b. b. een afschrift van de akte van benoeming; c. c. afschriften van de voornaamste op de zaak betrekking hebbende stukken.

4.

Het beroepschrift bevat:

a. a. een opgave van de naam, de voornamen en het adres van de appellant en zo nodig de gekozen woonplaats ten aanzien van de procedure; b. b. een zo volledig mogelijke aanduiding van de naam en het adres van de tegenpartij; c. c. een mededeling van de vordering en de gronden waarop deze berust.

5. Het beroepschrift moet worden ingediend bij de voorzitter van de commissie binnen 6 weken, gerekend vanaf de dag na die waarop het bestuursbesluit waartegen het beroep wordt ingesteld, aan appellant is verzonden.

6. Indien het beroepschrift niet voldoet aan de eisen gesteld in het tweede en derde lid van dit artikel, wijst de voorzitter de appellant op het gepleegde verzuim en nodigt hem uit binnen 2 weken een hersteld beroepschrift in te zenden.

Artikel III-A9

1. Indien het geschil kennelijk bij een andere commissie moet worden aangebracht, deelt de voorzitter dit onverwijld bij aangetekende brief aan de appellant mee. Over andere gevallen van onbevoegdheid beslist de commissie.

2. Indien het beroepschrift na de daarvoor gestelde termijn is ingediend, laat de commissie niet-ontvankelijkverklaring op die grond achterwege, indien de appellant aantoont dat hij de voorziening in beroep heeft gevraagd zo spoedig als dit redelijkerwijs verlangd kon worden.

3. Tenzij de behandeling in het eerste en tweede lid er toe leidt het beroepschrift niet in behandeling te nemen, zendt de voorzitter onmiddellijk na ontvangst van het beroepschrift of hersteld beroepschrift een exemplaar daarvan, vergezeld van de in artikel III-A8, tweede lid, genoemde afschriften, aan het betrokken instellingsbestuur.

Artikel III-A10

1. Binnen twee weken na ontvangst van het door de voorzitter van de commissie toegezonden beroepschrift en de daarbij behorende afschriften doet het instellingsbestuur de voorzitter een verweerschrift in drievoud toekomen. Bij elk exemplaar voegt het instellingsbestuur afschriften van de voornaamste op de zaak betrekking hebbende stukken. De voorzitter kan op tijdig verzoek van het instellingsbestuur de termijn voor verweer in uitzonderlijke gevallen verlengen tot een door hem te bepalen datum.

2. Na ontvangst van het verweerschrift zendt de voorzitter onverwijld een exemplaar daarvan, vergezeld van de daarbij behorende afschriften, aan de appellant.

Artikel III-A11

1. De voorzitter bepaalt de dag en het uur waarop de zaak zal worden behandeld.

2. Die dag zal niet later mogen worden gesteld dan zes weken na ontvangst van het beroepschrift of het hersteld beroepschrift, tenzij de betrokkene zulks verzoekt wegens niet tijdige ontvangst. Overschrijding van deze termijn wordt alleen in uitzonderlijke gevallen toegestaan en dient te worden gemotiveerd.

3. De voorzitter geeft binnen twee weken na ontvangst van het beroepschrift of van het hersteld beroepschrift aan beide partijen per aangetekende brief kennis van de plaats, de dag en het uur, waarop de zaak zal worden behandeld. Overschrijding van deze termijn is slechts in uitzonderlijke gevallen toegestaan en dient te worden gemotiveerd.

Artikel III-A12

Met eenstemmig goedvinden van de commissie en partijen kan de behandeling van het geschil ook schriftelijk geschieden.

Artikel III-A13

1.

Voor de aanvang van de behandeling van de zaak op de zitting kan op verzoek van een partij een lid van de commissie worden gewraakt:

a. a. indien hij persoonlijk belang bij het geschil heeft; b. b. indien hij aan de appellant, dan wel aan een van de leden van het bij de zaak betrokken instellingsbestuur in bloed- of aanverwantschap bestaat tot in de vierde graad ingesloten; c. c. indien hij een advies in de zaak heeft gegeven of met een van de partijen een bespreking erover heeft gevoerd; d. d. indien er een hoge graad van vijandschap of vriendschap bestaat tussen hem en een van de partijen; e. e. indien hij binnen een tijdvak van vijf jaren, voorafgaande aan de datum van ontvangst van het beroepschrift door de voorzitter, lid is geweest van het instellingsbestuur of in dienst van het bestuur is geweest; f. f. in andere gevallen waarin daartoe een ernstige reden aanwezig is.

2. In dezelfde gevallen kan een lid van de commissie zich verschonen.

3. Over de wraking of de verschoning wordt zo spoedig mogelijk beslist door de overige leden der commissie.

4. Bij staking van stemmen wordt de wraking geacht te zijn toegewezen.

Artikel III-A14

Indien de commissie zulks ter beslissing van de zaak nodig acht, kan zij al dan niet op grond van een daartoe strekkend verzoek van een partij getuigen en deskundigen ter zitting horen. Indien zij van deze bevoegdheid gebruik maakt, doet de voorzitter hiervan vooraf mededeling aan partijen.

Artikel III-A15

1. De zittingen van de commissie zijn openbaar.

2. Indien een partij daarom verzoekt, vindt de zitting geheel of gedeeltelijk achter gesloten deuren plaats.

3. In het belang van de openbare orde of zedelijkheid of om gewichtige in het proces-verbaal van de zitting te vermelden redenen, kan de commissie bepalen, dat de zitting geheel of gedeeltelijk achter gesloten deuren zal plaatshebben.

4.

Tijdens de zitting wordt aan partijen de gelegenheid gegeven:

a. a. haar belangen voor te dragen of te doen voordragen; b. b. getuigen en deskundigen te doen horen; c. c. kennis te nemen van alle op het geschil betrekking hebbende stukken, waarvan, voor zover mogelijk, ten minste 1 week voor de zitting aan partijen inzage wordt gegeven.

Artikel III-A16

1. Binnen 2 weken na de laatste zitting waarop de zaak is behandeld, beslist de commissie op het beroepschrift.

2. Deze dag zal niet later mogen worden gesteld dan 16 weken na de indiening van het beroepschrift of het hersteld beroepschrift. Overschrijding van deze termijn is slechts in uitzonderlijke gevallen toegestaan en wordt in de beslissing gemotiveerd.

3. De beslissing, bedoeld in het eerste lid, wordt zoveel mogelijk genomen in een voltallige vergadering. Het is de leden van de commissie niet toegestaan de gevoelens die tijdens deze vergadering over het geschil zijn geuit te openbaren.

4. Een beslissing is slechts van kracht, indien genomen door ten minste 3 leden die de zaak hebben behandeld, waaronder de voorzitter of plaatsvervangend voorzitter, met dien verstande dat van de leden of plaatsvervangende leden, gekozen door de besturen en door het personeel, een gelijk getal van beide zijden aan de beslissing zal deelnemen en dat bij ongelijk getal het jongste lid in leeftijd van de zijde die het sterkst is vertegenwoordigd, zich van de stemming zal onthouden. De overige leden onthouden zich niet van stemmen, noch stemmen zij blanco.

5. De beslissing wordt met redenen omkleed en door de voorzitter binnen 2 weken, nadat zij is genomen, bij aangetekend schrijven aan de partij toegezonden.

6. De voorzitter zendt een afschrift van de beslissing naar Onze minister.

7. Het instellingsbestuur onderwerpt zich aan de uitspraak van de commissie.

Artikel III-A17

De kosten van de commissie komen ten laste van de bij haar aangesloten instellingsbesturen, dan wel, indien het betreft de commissie v.j., van de landelijke organisatie.

Titel IV. Georganiseerd overleg

Hoofdstuk IV-A. Georganiseerd overleg met organisaties van onderwijspersoneel

Paragraaf 1. Algemene bepalingen

Artikel IV-A1

Vervallen

Paragraaf 2. De Bijzondere commissie en haar afdelingen

Artikel IV-A2

Vervallen

Artikel IV-A3

Vervallen

Paragraaf 3. De samenstelling van de Bijzondere commissie, haar afdelingen en het secretariaat

Artikel IV-A4

Vervallen

Artikel IV-A5

Vervallen

Artikel IV-A6

Vervallen

Artikel IV-A7

Vervallen

Artikel IV-A8

Vervallen

Artikel IV-A9

Vervallen

Paragraaf 4. Taak en bevoegdheden van de Bijzondere commissie, de afdelingen en het secretariaat

Artikel IV-A10

Vervallen

Artikel IV-A11

Vervallen

Artikel IV-A12

Vervallen

Paragraaf 5. Procedures

Artikel IV-A13

Vervallen

Paragraaf 6. Geschillenregeling

Artikel IV-A14

Vervallen

Artikel IV-A15

Vervallen

Artikel IV-A16

Vervallen

Artikel IV-A17

Vervallen

Artikel IV-A18

Vervallen

Artikel IV-A19

Vervallen

Artikel IV-A20

Vervallen

Artikel IV-A21

Vervallen

Artikel IV-A22

Vervallen

Paragraaf 7. Nadere bepalingen

Artikel IV-A23

Vervallen

Artikel IV-A24

Vervallen

Hoofdstuk IV-B. Vervallen

Artikel IV-B1

Vervallen

Artikel IV-B2

Vervallen

Artikel IV-B3

Vervallen

Artikel IV-B4

Vervallen

Artikel IV-B5

Vervallen

Artikel IV-B6

Vervallen

Artikel IV-B7

Vervallen

Artikel IV-B8

Vervallen

Artikel IV-B9

Vervallen

Artikel IV-B10

Vervallen

Artikel IV-B11

Vervallen

Artikel IV-B12

Vervallen

Artikel IV-B13

Vervallen

Artikel IV-B14

Vervallen

Artikel IV-B15

Vervallen

Hoofdstuk IV-C. Georganiseerd overleg op instellingsniveau bij instellingen voor hoger beroepsonderwijs

Artikel IV-C1

Vervallen

Artikel IV-C2

Vervallen

Artikel IV-C3

Vervallen

Artikel IV-C4

Vervallen

Artikel IV-C5

Vervallen

Artikel IV-C6

Vervallen

Artikel IV-C7

Vervallen

Artikel IV-C8

Vervallen

Artikel IV-C9

Vervallen

Hoofdstuk IV-D. Georganiseerd overleg basiseducatie en ondersteuning volwasseneneducatie

Artikel IV-D1

Vervallen

Artikel IV-D2

Vervallen

Artikel IV-D3

Vervallen

Artikel IV-D4

Vervallen

Artikel IV-D5

Vervallen

Artikel IV-D6

Vervallen

Artikel IV-D7

Vervallen

Artikel IV-D8

Vervallen

Hoofdstuk IV-E. Georganiseerd overleg op instellingsniveau bij instellingen voor landbouwpraktijkonderwijs (IPC), instellingen voor middelbaar beroepsonderwijs, voor zover bekostigd door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, instellingen voor lager en middelbaar beroepsonderwijs alsmede voor beroepsbegeleidend onderwijs in de sector landbouw en natuurlijke omgeving (AOC), voor zover bekostigd door de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, instellingen voor beroepsbegeleidend onder

Artikel IV-E1

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

a. a. instelling: een instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder d4, d5, d6, d10, d13, d14, d15, d17 en d18; b. b. overlegorgaan: een overlegorgaan als bedoeld in artikel IV-E2; c. c. Sectorcommissie Onderwijs en Wetenschappen: de commissie, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van het Overlegbesluit onderwijs- en onderzoekpersoneel. d. d. Centrale Commissie: de Centrale Commissie voor Georganiseerd Overleg in Ambtenarenzaken, bedoeld in artikel 105 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (Stb. 1931, 248); e. e. Commissie besturenorganisatie: de commissie, bedoeld in artikel IV-B2.

Artikel IV-E2

1. Bij de instelling is een orgaan van georganiseerd overleg.

2. Een bevoegd gezag kan of bevoegde gezagsorganen kunnen besluiten dat over bepaalde zaken die meer dan één instelling aangaan overleg wordt gevoerd in een overkoepelend overlegorgaan.

3. Een bevoegd gezag of bevoegde gezagsorganen kunnen in afwijking van het bepaalde in het eerste lid, besluiten dat in plaats van een overlegorgaan bij elke instelling, een gezamenlijk orgaan wordt ingesteld, waarin overleg wordt gevoerd over alle zaken die de desbetreffende instellingen aangaan.

Artikel IV-E3

1. In een overlegorgaan als bedoeld in artikel IV-E2, eerste lid, wordt het personeel vertegenwoordigd door vertegenwoordigers van de tot de Centrale Commissie toegelaten centrales.

2. Overlegorganen als bedoeld in artikel IV-E2, tweede en derde lid, bestaan uit vertegenwoordigers van de tot de Centrale Commissie toegelaten centrales en uit vertegenwoordigers, aangewezen door de desbetreffende bevoegde gezagsorganen.

3. De bevoegde gezagsoganen, als bedoeld in artikel IV-E2, tweede lid, kunnen bepalen dat zij zich in het overleg, als bedoeld in artikel IV-E2, tweede lid, doen vertegenwoordigen door vertegenwoordigers van een of meer tot de Commissie besturenorganisaties toegelaten centrales.

Artikel IV-E4

1. In een overlegorgaan wordt overleg gevoerd over aangelegenheden van algemeen belang voor de bijzondere rechtstoestand van het personeel, met inbegrip van de belanghebbenden bedoeld in de artikelen I-Q1209, I-Q1409, I-Q1509, I-R1212, eerste en derde lid, I-R1412, eerste en derde lid, I-R1512, eerste en derde lid, I-S1214, eerste en derde lid, I-S1414, eerste en derde lid en I-S1514, eerste en derde lid van de instelling of de instellingen met inbegrip van de bijzondere regels volgens welke het personeelsbeleid bij de instelling of de instellingen zal worden gevoerd alsmede over een reglement voor het overleg.

2. Indien over een bepaalde zaak overleg is gevoerd in een overlegorgaan, als bedoeld in artikel IV-E2, tweede lid, kan hierover geen overleg meer worden gevoerd in de overlegorganen van de desbetreffende afzonderlijke instellingen.

3. Het eerste lid blijft buiten toepassing ten aanzien van aangelegenheden waarover overleg is gevoerd met de Sectorcommissie Onderwijs en Wetenschappen of de Centrale Commissie.

Artikel IV-E5

Over zaken die behoren tot de competentie van het overlegorgaan, wordt overleg gevoerd dat is gericht op het bereiken van overeenstemming. Het bevoegd gezag dan wel de door de bevoegde gezagsorganen aangewezen vertegenwoordigers overeenkomstig het bepaalde in artikel IV-E3, tweede en derde lid, enerzijds en de vertegenwoordigers van de tot de Centrale Commissie toegelaten centrales als bedoeld in artikel IV-E3 anderzijds bepalen voor elk overlegorgaan in onderling overleg wat wordt verstaan onder overeenstemming. Zolang zulks niet is bepaald, wordt in het desbetreffende overlegorgaan onder overeenstemming verstaan het geval waarin het geval waarin het bevoegd gezag dan wel de door de bevoegde gezagsorganen aangewezen vertegenwoordigers overeenkomstig het bepaalde in artikel IV-E3, tweede en derde lid, enerzijds en de vertegenwoordigers in dat overlegorgaan van alle tot de Centrale Commisie toegelaten centrales anderzijds instemmen met de uitkomst van het overleg, over een bepaald onderwerp.

Artikel IV-E6

1. Elke instelling is aangesloten bij een geschillencommissie. Deze commissie strekt haar werkkring uit over ten minste 5 instellingen. In bijzondere gevallen kan Onze minister dit aantal op een met redenen omkleed verzoek van één of meer bevoegde gezagsorganen lager stellen.

2. De geschillencommissie wordt samengesteld door de desbetreffende bevoegde gezagsorganen en de vertegenwoordigers van de tot de Centrale Commissie toegelaten centrales.

Artikel IV-E7

1. Indien één of meer personeelsvertegenwoordigers over een zaak, die behoort tot de competentie van het overlegorgaan, tot het oordeel komen dat het overleg daarover niet tot een uitkomst zal leiden die de instemming van alle deelnemers aan dat overleg zal hebben, kunnen zij dat oordeel binnen drie dagen nadat zij daarvan in het overleg blijk hebben gegeven schriftelijk ter kennis brengen van de overige deelnemers aan het overleg.

2. Binnen vijf dagen na de kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, schrijft de voorzitter van het orgaan een overlegvergadering uit. De vergadering wordt gehouden binnen zeven dagen nadat deze is uitgeschreven.

3. In het overlegorgaan wordt dan alsnog bezien of een uitkomst van het overleg mogelijk is, die de instemming van alle deelnemers aan het overleg heeft.

Artikel IV-E8

1. Elk der personeelsvertegenwoordigers is bevoegd binnen vijf dagen nadat in de overlegvergadering, bedoeld in artikel IV-E7, tweede lid, is geconstateerd dat geen overeenstemming als bedoeld in artikel IV-E5 kan worden bereikt over een door of namens het bevoegd gezag aan het overleg voorgelegd beleidsvoornemen, het geschil voor te leggen aan de geschillencommissie waarbij de instelling is aangesloten. Indien alle personeelsvertegenwoordigers tijdens het overleg bedoeld in artikel IV-E5 hebben verklaard af te zien van hernieuwd overleg als aangegeven in artikel IV-E7, kan de in de eerste volzin aangegeven bevoegdheid door elk der personeelsvertegenwoordigers worden uitgeoefend binnen vijf dagen nadat in het in artikel IV-E5 bedoelde overleg is geconstateerd dat geen overeenstemming kan worden bereikt.

2. De commissie beoordeelt of het bevoegd gezag bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid het aan het overlegorgaan voorgelegde beleidsvoornemen, als bedoeld in het eerste lid, tot uitvoering kan brengen.

3. De commissie doet uitspraak binnen 30 dagen nadat het geschil aan haar is voorgelegd.

Artikel IV-E9

1. Op gronden die verband houden met de godsdienstige of levensbeschouwelijke overtuiging die aan de bijzondere instelling als bedoeld in artikel IV-E1 onder a ten grondslag ligt, kan Onze minister op verzoek van het bevoegd gezag toestaan dat een overlegorgaan bestaat uit vertegenwoordigers van het bevoegd gezag of de bevoegde gezagsorganen en de vertegenwoordigers van de naar het oordeel van het bevoegd gezag in aanmerking komende personeelsorganisaties. Onze minister kan bij het verlenen van de toestemming nadere voorzieningen treffen voor de toepassing van dit hoofdstuk.

2. Het bevoegd gezag toont bij het verzoek aan dat dit verzoek wordt ondersteund door een meerderheid van twee derde van het personeel van de instelling.

3. Onze minister trekt de toestemming in indien het verzoek bedoeld in het eerste lid niet langer wordt ondersteund door twee derde van het personeel van de instelling.

Hoofdstuk IV-F. Georganiseerd overleg bij instellingen

Artikel IV-F1

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

a. a. "instelling": een instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder d1 en d2, d12 en d16; b. b. "overlegorgaan": een overlegorgaan als bedoeld in artikel IV-F2; c. c. Sectorcommissie Onderwijspersoneel: de commissie, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van het Overlegbesluit onderwijspersoneel.

Artikel IV-F2

1. Ten behoeve van de van één bevoegd gezag uitgaande gezamenlijke instellingen die behoren tot eenzelfde categorie als bedoeld in artikel I-A1, onder d, is er een orgaan van georganiseerd overleg.

2. Bevoegde gezagsorganen kunnen besluiten dat over bepaalde zaken die meer dan één orgaan van georganiseerd overleg aan eenzelfde categorie van instellingen aangaan, overleg wordt gevoerd in een overkoepelend overlegorgaan.

3. Indien over een bepaalde zaak overleg is gevoerd in een overkoepelend overlegorgaan kan hierover geen overleg meer worden gevoerd in de desbetreffende afzonderlijke organen.

4. Een bevoegd gezag kan in overleg met het orgaan als bedoeld in het eerste lid, in afwijking van het bepaalde in het eerste lid besluiten dat het overleg over alle zaken die een of een aantal instellingen als bedoeld in het eerste lid aangaan wordt gevoerd in deelorganen.

5. Bevoegde gezagsorganen kunnen in afwijking van het bepaalde in het eerste lid besluiten dat in plaats van een overlegorgaan bij elk bevoegd gezag het overleg over alle zaken wordt gevoerd in een overkoepelend overlegorgaan. Dit overkoepelend overleg kan meerdere categorieën van instellingen als bedoeld in artikel I-A1, onder d, betreffen.

6. Bevoegde gezagsorganen kunnen in afwijking van het tweede lid besluiten dat over de zaken, genoemd in artikel IV-F4a, eerste lid, in een overkoepelend overlegorgaan overleg wordt gevoerd dat meerdere categorieën van instellingen als bedoeld in artikel I-A1, onder d, kan betreffen.

Artikel IV-F3

1. In een overlegorgaan als bedoeld in artikel IV-F2, eerste lid, wordt het personeel vertegenwoordigd door vertegenwoordigers van de tot de Raad voor het Overheidspersoneelsbeleid toegelaten centrales.

2. Overlegorganen als bedoeld in artikel IV-F2, tweede, vierde, vijfde en zesde lid, bestaan uit vertegenwoordigers van de tot de Raad voor het Overheidspersoneelsbeleid toegelaten centrales en uit vertegenwoordigers aangewezen door de desbetreffende bevoegde gezagsorganen.

Artikel IV-F4

1. In een overlegorgaan wordt overleg gevoerd over aangelegenheden van algemeen belang voor de bijzondere rechtstoestand van het personeel van de instelling of de instellingen met inbegrip van de bijzondere regels volgens welke het personeelsbeleid bij de instelling of de instellingen zal worden gevoerd alsmede over een reglement voor het overleg.

2. Het eerste lid blijft buiten toepassing ten aanzien van aangelegenheden waarover overleg is gevoerd met de Sectorcommissie Onderwijspersoneel of de Raad voor het Overheidspersoneelsbeleid alsmede ten aanzien van aangelegenheden waarin het bevoegd gezag toepassing geeft aan een ter zake van die aangelegenheid overeengekomen regeling tussen de tot de Raad voor het Overheidspersoneelsbeleid toegelaten centrales en de vereniging van instellingsbesturen waarbij het bevoegd gezag is aangesloten.

3. Het bevoegd gezag danwel de bevoegde gezagsorganen en de vertegenwoordigers van het personeel in het overlegorgaan kunnen gezamenlijk besluiten dat het overleg over de in het eerste lid bedoelde aangelegenheden, voor zover dit betrekking heeft op een of meer door het bevoegd gezag in stand gehouden scholen, wordt gevoerd met de personeelsgeleding van de medezeggenschapsraad, bedoeld in de Wet medezeggenschap onderwijs 1992, van de desbetreffende instelling of instellingen. Het bepaalde in artikel IV-F5, derde en vierde volzin, is van overeenkomstige toepassing. Het bevoegd gezag en de vertegenwoordigers van het personeel bepalen daarbij onder welke voorwaarden dat overleg wordt gevoerd.

4. Vervallen.

5. Indien het overleg, bedoeld in het derde lid, niet leidt tot een afronding overeenkomstig de op grond van dat lid vastgestelde voorwaarden, wordt alsnog over de desbetreffende aangelegenheden het overleg, bedoeld in het eerste lid, gevoerd.

Artikel IV-F4a

1.

Onverminderd artikel IV-F4, eerste lid, wordt in een overlegorgaan overleg gevoerd over de arbeidsvoorwaardelijke gevolgen van:

a. a. een door de gemeenteraad voorgenomen vaststelling of wijziging van een onderwijsachterstandenplan of een door de gemeenteraad voorgenomen besluit omtrent de verdeling van de middelen als bedoeld in artikel 166, eerste lid, van de Wet op het primair onderwijs,artikel 153, eerste lid, van de Wet op de expertisecentra of artikel 268, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs en b. b. een door de gemeenteraad voorgenomen vaststelling of wijziging van een plan inzake onderwijs in allochtone levende talen of een door de gemeenteraad voorgenomen besluit omtrent de verdeling van de middelen als bedoeld in artikel 171, eerste lid, van de Wet op het primair onderwijs, artikel 157, eerste lid, van de Wet op de expertisecentra of artikel 272, eerste lid, van de Wet op voortgezet onderwijs.

2. Het overleg, bedoeld in het eerste lid, vindt plaats op een zodanig tijdstip dat een in een overlegorgaan vertegenwoordigd bevoegd gezag in staat is de uitkomsten daarvan onderdeel te maken van het op overeenstemming gericht overleg dat het voert met de betrokken gemeenteraad voorafgaand aan de vaststelling of wijziging van een plan of het nemen van een besluit als bedoeld in het eerste lid, onder a of b.

Artikel IV-F5

Over zaken die behoren tot de competentie van het overlegorgaan, wordt overleg gevoerd dat is gericht op het bereiken van overeenstemming. Indien zulks bij wet of bij algemene maatregel van bestuur ten aanzien van een onderwerp is bepaald, neemt het bevoegd gezag uitsluitend een besluit indien daarover overeenstemming is bereikt. Het bevoegd gezag dan wel de door de bevoegde gezagsorganen aangewezen vertegenwoordigers enerzijds en de vertegenwoordigers van de tot de Raad voor het Overheidspersoneelsbeleid toegelaten centrales als bedoeld in artikel IV-F3 anderzijds bepalen voor alle overlegorgaan in onderling overleg wat wordt verstaan onder overeenstemming. Zolang zulks niet is bepaald, wordt in het desbetreffende overlegorgaan onder overeenstemming verstaan het geval waarin het bevoegd gezag dan wel de door de bevoegde gezagsorganen aangewezen vertegenwoordigers enerzijds en de vertegenwoordigers in dat overlegorgaan van alle tot de Raad voor het Overheidspersoneelsbeleid toegelaten centrales anderzijds instemmen met de uitkomst van het overleg, over een bepaald onderwerp.

Artikel IV-F6

1. Indien één of meer personeelsvertegenwoordigers over een zaak, die behoort tot de competentie van het overlegorgaan, tot het oordeel komen dat het overleg daarover niet tot een uitkomst zal leiden die de instemming van alle deelnemers aan dat overleg zal hebben, kunnen zij dat oordeel binnen drie dagen nadat zij daarvan in het overleg blijk hebben gegeven schriftelijk ter kennis brengen van de overige deelnemers aan het overleg.

2. Binnen vijf dagen na de kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, schrijft de voorzitter van het orgaan een overlegvergadering uit. De vergadering wordt gehouden binnen zeven dagen nadat deze is uitgeschreven.

3. In het overlegorgaan wordt dan alsnog bezien of een uitkomst van het overleg mogelijk is, die de instemming van alle deelnemers aan het overleg heeft.

Artikel IV-F7

1. Elk der personeelsvertegenwoordigers is bevoegd binnen vijf dagen nadat in de overlegvergadering, bedoeld in artikel IV-F6, tweede lid is geconstateerd dat geen overeenstemming als bedoeld in artikel IV-F5 kan worden bereikt over een door of namens het bevoegd gezag aan het overleg voorgelegd beleidsvoornemen, het geschil voor te leggen aan de geschillencommissie als bedoeld in artikel 38 van de Wet op het primair onderwijs, respectievelijk artikel 38 van de Wet op de expertisecentra of 158 van de Wet op het voortgezet onderwijs, respectievelijk artikel 26a van de Wet op het leerlingwezen, respectievelijk artikel 61a van de Wet op de onderwijsverzorging, waarbij de instelling is aangesloten. De desbetreffende personeelsvertegenwoordiger stelt het bevoegd gezag onverwijld in kennis van het voorleggen van een geschil als bedoeld in de vorige volzin. Indien alle personeelsvertegenwoordigers tijdens het overleg bedoeld in artikel IV-F5 hebben verklaard af te zien van hernieuwd overleg als aangegeven in artikel IV-F6, kan de in de eerste volzin aangegeven bevoegdheid door elk der personeelsvertegenwoordigers worden uitgeoefend binnen vijf dagen nadat in het in artikel IV-F5 bedoelde overleg is geconstateerd dat een overeenstemming kan worden bereikt.

2. De commissie doet uitspraak binnen 30 dagen nadat het geschil aan haar is voorgelegd.

Artikel IV-F8

1.

Op gronden die verband houden met de godsdienstige of levensbeschouwelijke overtuiging, die aan de bijzondere instelling ten grondslag ligt, kan Onze Minister op verzoek van het bevoegd gezag toestaan dat een overlegorgaan bestaat uit vertegenwoordigers van het bevoegd gezag of de bevoegde gezagsorgaan en de vertegenwoordigers van de naar het oordeel van het bevoegd gezag in aanmerking komende personeelsorganisaties.

Onze Minister kan bij het verlenen van de toestemming nadere voorzieningen betreffen voor de toepassing van dit hoofdstuk.

2. Het bevoegd gezag toont bij zijn verzoek aan dat dit verzoek wordt ondersteund door een meerderheid van twee derden van het personeel van de instelling.

3. Onze Minister trekt de toestemming in indien het verzoek bedoeld in het verzoek bedoeld in het eerste lid niet langer wordt ondersteund door twee derden van het personeel van de instelling.

Titel V. Overgangsbepalingen

Hoofdstuk V-A. Overgangsbepalingen algemeen

Artikel V-A1

Ten aanzien van de betrokkene, bedoeld in artikel I-A1, onder e4, geldt dat bij twijfel of aangelegenheden die betrekking hebben op een tijdvak of tijdstip, gelegen vóór 31 juli 1968, moeten worden behandeld volgens de oude of de nieuwe bepalingen, Onze minister beslist volgens welke bepalingen de behandeling geschiedt.

Artikel V-A2

Voor zover een betrokkene, bedoeld in artikel I-A1, onder e7, kan aantonen dat hem bij zijn indiensttreding bij een instelling vóór de inwerkingtreding van dit besluit dan wel het "B3-reglement onderwijs", uitdrukkelijk door of namens Onze minister is toegezegd dat hem bij inwerkingtreding van dit besluit dan wel het "B3-reglement onderwijs", aanspraken die hij ontleende aan de op hem bij indiensttreding van toepassing zijnde regelingen, zouden worden gegarandeerd, behoudt hij die aanspraken zolang zijn dienstverband bij diezelfde instelling voortduurt.

Artikel V-A3

Vervallen

Artikel V-A4

1. Ten aanzien van de betrokkene die was benoemd bij een instelling als bedoeld in artikel 32 van de Rijksregeling basiseducatie welke vóór 2 augustus 1987 geheel of ten dele opgaat in een reeds bestaande instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder d6, en die op de dag van samenvoeging wordt benoemd bij laatstgenoemde instelling, zijn de bepalingen in deze titel inzake de overgang van personeel naar instellingen als bedoeld in artikel I-A1, onder d6, van overeenkomstige toepassing, een en ander met inachtneming van de functie die hij op de dag van samenvoeging gaat bekleden.

2. Onder de aanduiding " artikel I-A1, onder d6," in het eerste lid en in de artikelen V-Q403, V-Q703, V-Q901, V-Q902. V-Q903, V-R403, V-R702, V-R901, V-R902 en V-S902 wordt verstaan artikel I-A1, onder d6, zoals dat met ingang van 1 augustus 1987 is gaan luiden.

Hoofdstuk V-B

Artikel V-B1

Vervallen

Artikel V-B2

Vervallen

Artikel V-B3

Vervallen

Hoofdstuk V-C. Overgangsrecht vakantieverlof en buitengewoon verlof

Artikel V-C

De betrokkene, bedoeld in artikel I-A1, onder e10, die op de dag voorafgaande aan de inwerkingtreding van dit artikel, extra verlofdagen in de vorm van zogenoemde bestuursdagen genoot, heeft gedurende de in de kolom I van onderstaand schema genoemde periodes naast het in artikel I-C7 genoemde aantal vakantieverlofdagen, recht op toekenning van het in kolom II genoemde aantal vakantieverlofdagen met behoud van bezoldiging.

Artikel V-C1

1. De betrokkene, bedoeld in artikel I-A1, onder e14, e17 en e18, behorende tot het personeel waarvoor in hoofdstuk I-Q dan wel hoofdstuk I-R voorschriften zijn gegeven, heeft, in afwijking van het bepaalde in hoofdstuk I-C, paragraaf 4, aanspraak op vaststelling van het vakantieverlof volgens paragraaf 1 van dat hoofdstuk.

2. Het bepaalde in het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de betrokkene bedoeld in artikel I-A1, onder e14 en de betrokkene bedoeld in artikel I-A1, onder e17 en e 18, die vóór 1 augustus 1991 respectievelijk voor 1 augustus 1993 bij de instelling was benoemd in een functie als bedoeld in hoofdstuk I-Q dan wel in hoofdstuk I-R en die op 1 augustus 1991 respectievelijk op 1 augustus 1993 werkzaam is in een functie als bedoeld in de paragrafen 12, 14 of 15 van hoofdstuk I-S.

Artikel V-C2

1.

Het bevoegd gezag verleent de betrokkene, bedoeld in artikel I-A1, onder e, met uitzondering van de betrokkene bedoeld in artikel I-A1 onder e11:

a. a. aan wie in de maand augustus 1992 voor een periode van 6 maanden ouderschapsverlof volgens de Wet op het ouderschapsverlof is verleend en die na afloop van dit verlof, indien de regeling als bedoeld in artikel I-C39 reeds van kracht zou zijn geweest, gebruik zou hebben gemaakt van laatstbedoelde regeling, op diens verzoek en met inachtneming van de bepalingen in de volgende leden in de maand februari 1993 doch uiterlijk met ingang van 1 maart 1993 ouderschapsverlof in de zin van artikel I-C39; b. b. die op 28 februari 1993 ouderschapsverlof geniet volgens de Wet op het ouderschapsverlof en die op 1 maart 1993 gebruik wenst te maken van de regeling ouderschapsverlof als bedoeld in artikel I-C39 op diens verzoek en met inachtneming van het derde lid, ouderschapsverlof volgens deze regeling.

2. Voor de betrokkene, bedoeld in het eerste lid, onder a, blijft, vanaf het tijdstip, dat hij gebruik maakt van de regeling als bedoeld in artikel I-C39, indien het dienstbelang dit vereist, tot uiterlijk 1 maart 1993 het aantal uren, dat hij op 31 januari 1993 ingevolge de Wet op het ouderschapsverlof werkzaam was, ongewijzigd.

3. In afwijking van het bepaalde in artikel I-C39 wordt de op grond van de Wet op het ouderschapsverlof overeengekomen tijd met ten hoogste 6 maanden verlengd.

Artikel V-E1

Artikel I-E19 is van toepassing op de gewezen betrokkene op wie dat artikel op 31 juli 1995 van toepassing was wegens ziekte ontstaan voor het tijdstip waarop zijn taak is verminderd op grond van artikel I-P79 danwel artikel I-Q408, zoals die artikelen luidden op 31 juli 1995.

Hoofdstuk V-H. Overgangsrecht uitkeringen bij ontslag

Artikel V-H1

Ten aanzien van de betrokkene die ter zake van ontslag voor de datum waarop dit besluit in werking treedt recht had op een ontslaguitkering op grond van het bepaalde in hoofdstuk I-H van de Regeling ontslaguitkeringen K.O./L.O. (Stb. 1971, 479), het Rechtspositiebesluit W.V.O. (Stb. 1968, 322), de Rechtspositieregeling vormingswerk voor jeugdigen, het B3-reglement onderwijs, hoofdstuk H van het Rechtspositiebesluit W.L.W. (Stb. 1968, 622) danwel ten aanzien van de betrokkene die ter zake van ontslag voor 1 augustus 1985 recht had op een ontslaguitkering op grond van het bepaalde in hoofdstuk I-H van het Rechtspositiebesluit K.O./L.O. (Stb. 1978, 228), blijven de rechten en verplichtingen, die hij op grond van de bovengenoemde uitkeringsregeling heeft, behouden gedurende de loop van die uitkering.

Artikel V-H2

Artikel I-H15 blijft buiten toepassing ten aanzien van de betrokkene, bedoeld in artikel I-A1, onder e14, e15, e17 en e18, die op 31 juli 1968 in vaste dienst was van een instelling waarop het Wachtgeldbesluit N.O. (Stb. 1960, 378) van toepassing was en die aanspraak maakt op wachtgeld wegens ontslag uit die betrekking.

Artikel V-H3

Vervallen

Artikel V-H4

Vervallen

Artikel V-H5

In afwijking van het bepaalde in artikel I-H26, derde lid, worden bij instelling van de Wachtgeldcommissie bijzonder onderwijs de personen benoemd die zitting hadden in de Commissie, bedoeld in artikel 21 van het Rijkswachtgeldbesluit 1959 (Stb. 1979, 621).

Artikel V-H6

Onze minister verleent desgevraagd aan de betrokkene wiens betrekking per 1 augustus 1991 gedeeltelijk is opgeheven in verband met de beëindiging van samenvoegingsboventalligheid als bedoeld in de circulaire BO/BO-87017 334 van 27 november 1987, met ingang van eerstgenoemde datum een wachtgeld over het opgeheven deel van de betrekking.

Artikel V-H7

1. Op de ontslaguitkeringen toegekend krachtens de bepalingen van hoofdstuk I-H, zoals deze luidden op 31 maart 1991, worden voor de resterende duur na 30 maart 1991 de bepalingen van hoofdstuk I-H van toepassing, zoals deze luiden met ingang van 1 april 1991.

2. Ten aanzien van de ontslaguitkeringen als bedoeld in het eerste lid, die voortduren na 30 maart 1991, wordt op basis van de desbetreffende bepalingen in hoofdstuk I-H, zoals deze luiden met ingang van 1 april 1991, de duur opnieuw berekend. Indien de aldus berekende duur langer is dan de oorspronkelijk vastgestelde duur, wordt deze laatstgenoemde duur verlengd met het verschil tussen beide.

3. Voor de toepassing van artikel I-H3, derde lid, wordt onder eerder toegekende ontslaguitkering tevens begrepen de ontslaguitkering, waarvan de duur is vastgesteld krachtens de artikelen I-H3 en I-H6, zoals die luidden op 31 maart 1991.

Artikel V-H8

1. De betrokkene die vóór 1 januari 1987 in het genot was van wachtgeld als bedoeld in artikel I-H2, zoals dit luidde op 28 februari 1994, waarvan de duur, nadat toepassing is gegeven aan artikel V-H7, tweede lid, verstrijkt in de periode van 1 april 1991 tot en met 31 december 1997, heeft recht op een overgangsuitkering.

2. De duur van de overgangsuitkering is een jaar, met dien verstande dat de uitkering uiterlijk 1 januari 1998 eindigt. De overgangsuitkering gaat in direct na het verstrijken van het wachtgeld als bedoeld in het eerste lid en wordt in maandelijkse termijnen betaald.

3. Het bedrag van de overgangsuitkering is gelijk aan het maandbedrag van het minimumloon als vermeld in bijlage 2, onder 1, bij de leeftijd die de betrokkene heeft, vermeerderd met de daarvoor berekende vakantiebijslag bedoeld in artikel 15 van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, met dien verstande dat dit bedrag nooit meer kan bedragen dan 70% van de laatstelijk genoten bezoldiging.

4. Hoofdstuk I-H, zoals dat luidde op 28 februari 1994 is voor zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing.

Hoofdstuk V-J. Overgangsrecht verplaatsingskosten

Artikel V-J1

Voor de betrokkene die op grond van artikel 12 van het Besluit sociaal beleidskader inzake sectorvorming en vernieuwing van het middelbaar beroepsonderwijs dan wel artikel 9 van het Besluit sociaal beleidskader AOC ontheffing van de verhuisplicht heeft gekregen en die op het moment van het ontstaan van de verhuisplicht 52 jaar of ouder was of boventallig is, blijft de aanspraak op een reiskostenvergoeding overeenkomstig artikel I-J9 van het hoofdstuk I-J zoals dat op 31 december 1993 luidde gelden, zolang hij aan dezelfde instelling verbonden blijft in een betrekking met een omvang van tenminste 7/10 weektaak en zolang hij buiten het standplaatsgebied van de instelling woont.

Artikel V-J2

1. Voor de betrokkene bedoeld in artikel I-A1, onder e14 en e15, die werkzaam is aan een instelling, die in meer dan één gebouw is gehuisvest, geldt als standplaats het gebouw waar hij de grootste taakomvang heeft.

2. De betrokkene, bedoeld in het eerste lid, ontvangt gedurende de periode tot 1 januari 1994 voor het reizen tussen de gebouwen waar de instelling is gehuisvest een vergoeding van de reiskosten bij dienstreizen - met uitzondering van verblijfkosten - overeenkomstig artikel I-J13 van het hoofdstuk I-J zoals dat op 31 december 1993 luidde.

Artikel V-J3

Vervallen

Hoofdstuk V-K. Overgangsrecht jubileumgratificatie

Artikel V-K1

De diensttijd doorgebracht in een burgerlijke dienstbetrekking bij de N.V. Nederlandse Spoorwegen en de voormalige N.V. Artillerie-Inrichtingen telt in afwijking van artikel I-K1, eerste lid, onder a, mee voor de bepaling van de jubileumgratificatie, indien de betrokkene op het moment van inwerkingtreding van dit besluit in dienst is van een instelling als bedoeld in artikel I-K1, onderdeel a, onder 1, 3 en 4, en binnen drie jaar na invoering van dit besluit zijn 25-jarige dan wel 40-jarige jubileum bereikt.

Hoofdstuk V-L. Overgangsrecht vakantie-uitkering

Artikel V-L1

Voor de op 31 december 1985 in dienst zijnde betrokkene die op deze datum aanspraak had op een bedrag aan vakantie-uitkering dat hoger was dan voor hem met toepassing van het bepaalde in artikel I-L2 vanaf 1 januari 1986 wordt vastgesteld, blijft de aanspraak op vakantie-uitkering gehandhaafd op tenminste het bedrag waarop hij op 31 december 1985 aanspraak had.

Hoofdstuk V-M. Overgangsrecht studiefaciliteiten

Artikel V-M1

De betrokkene bedoeld in artikel I-A1, onder e1, voorzover het betreft een lid van het overig personeel en de betrokkene, bedoeld in artikel I-A1, onder e2, voorzover het betreft een lid van het overig personeel bedoeld in artikel I-S301, onderdeel c sub 2, die op grond van een op 31 december 1985 geldende studiefaciliteitenregeling in verband met een op die datum gevolgde studie dan wel een na die datum nog te volgen studie ten aanzien waarvan deze regeling overeengekomen was, aanspraken had die uitgaan boven de aanspraken op grond van hoofdstuk I-M van dit besluit, behoudt deze hogere aanspraken terzake van deze studie.

Hoofdstuk V-P. Algemeen overgangsrecht salarissen

Artikel V-P1

1. De betrokkene voor wie op grond van het Besluit overgangsmaatregelen b.o. 1985 (Stb. 316), het Besluit overgangsmaatregelen s.o. 1985 (Stb. 317), het Besluit overgangsmaatregelen l.w. 1985 (Stb. 165), of het Besluit overgangsmaatregelen v.j. en v. j. v. 1985 (Stb. 163), dan wel de Beschikking overgangsmaatregelen a.l.o. 1985 of de Beschikking overgangsmaatregelen NLO 1985 een uitzicht is vastgesteld op een salaris dat hoger is dan het maximumsalaris behorende bij de functie waarin hij is benoemd, heeft tot ten hoogste het voor hem vastgestelde uitzicht aanspraak op bezoldiging volgens een hogere schaal dan de maximumschaal die behoort bij de functie waarin hij is benoemd, voor zover het bepaalde in dit hoofdstuk en in de hoofdstukken V-Q of V-R zulks bepalen.

2. Zolang het salaris van de in het eerste lid bedoelde betrokkene nog niet wordt vastgesteld op het hoogste bedrag in de bij zijn functie behorende maximumschaal, wordt hem jaarlijks met toepassing van artikel I-P13 een periodieke verhoging toegekend indien en voor zover het bij zijn functie behorende carrièrepatroon dat mogelijk maakt. Hem wordt vervolgens jaarlijks op de voet van het bepaalde in artikel I-P13 een periodieke verhoging toegekend, voor het eerst op 1 augustus van het schooljaar volgende op het schooljaar waarin hij, behoudens het bepaalde in het vijfde lid, volgens het maximumsalaris dat bij zijn functie behoort, wordt bezoldigd. Deze jaarlijkse periodieke verhoging wordt toegekend volgens de reeks bedragen, genoemd in bijlage 1C onder A, kolom 2, tot het voor hem vastgestelde uitzicht genoemd in kolom 1 is bereikt.

3. Het bepaalde in het tweede lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de betrokkene, bedoeld in het Besluit overgangsmaatregelen l.w. 1985, met dien verstande dat voor "1 augustus" wordt gelezen: 1 januari en voor "schooljaar" kalenderjaar.

4. Het bepaalde in het tweede lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de betrokkene, bedoeld in het Besluit overgangsmaatregelen v.j. en v.j.v. 1985, met dien verstande dat voor "schooljaar" wordt gelezen: cursusjaar.

5.

Bij de toepassing van het bepaalde in het eerste tot en met vierde lid wordt voor de betrokkene

a. a. voor wie een uitzicht is vastgesteld dat hoger is dan het bedrag dat in bijlage 1C, onder B, bij de voor hem geldende maximumschaal is vermeld en b. b. wiens salaris op 31 juli van enig schooljaar werd vastgesteld op het een na hoogste bedrag van zijn maximumschaal indien dat schaal 12, schaal 13 of schaal 14 is, bij de toekenning van een periodieke verhoging het salaris vastgesteld op het naasthogere bedrag dat is vermeld in bijlage 1C, onder A, kolom 2.

Artikel V-P2

1. De bezoldiging van de betrokkene, bedoeld in artikel I-A1, met uitzondering van de betrokkene bedoeld in artikel I-A1, onder e1, e2, e4, e5 en e6, wordt met ingang van de datum die volgt op de datum waarop de waarneming, als bedoeld in hoofdstuk I-Q zoals dat op 31 maart 1985 luidde, waarmee de betrokkene op 31 maart 1985 en vanaf 1 april 1985 was belast, is beëindigd, vastgesteld alsof de waarneming niet heeft plaatsgevonden.

2.

Ten aanzien van de betrokkene bedoeld in:

a. a.

      artikel B5 van het Besluit overgangsmaatregelen b.o. 1985;

b. b.

      artikel B6 van het Besluit overgangsmaatregelen s.o. 1985;

c. c. artikel B4 van het Besluit overgangsmaatregelen l.w. 1985; d. d.

      artikel B5 van het Besluit overgangsmaatregelen v.j. en v.j.v. 1985, is het bepaalde in het eerste lid van overeenkomstige toepassing.

3. Indien de betrokkene, bedoeld in het eerste en tweede lid, die met de waarneming was belast, met ingang van de dag volgend op de beëindiging van de waarneming wordt benoemd in de functie die hij heeft waargenomen, wordt zijn salaris bij een normbetrekking, in afwijking van het bepaalde in artikel I-P14, bij zijn benoeming vastgesteld op het bedrag dat op die datum bij voortzetting van de waarneming voor hem gegolden zou hebben.

Artikel V-P3

Indien voor de betrokkene die op 31 december 1988 en 1 januari 1989 aan een instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder d12, is verbonden een andere periodiekdatum geldt dan 1 augustus blijft deze periodiekdatum voor de betrokkene gelden zolang hij aan dezelfde instelling benoemd blijft.

Artikel V-P4

1. Voor de vaststelling van de toelage minimumloon als bedoeld in artikel I-P16, ten aanzien van de betrokkene die op 31 mei 1985 reeds een dergelijke toelage genoot, wordt het in dat artikel bedoelde bedrag van het minimumloon fictief verhoogd met 10%.

2. Bij de toepassing van het bepaalde in het eerste lid wordt voor de betrokkene het voor hem geldende salaris fictief verhoogd met 7,1%.

3. Het bepaalde in het tweede lid is niet van toepassing voor de betrokkene, bedoeld in artikel I-A1, onder e4 tot en met e9, die op 31 augustus 1985, ambtenaar in de zin van de pensioenwet zijnde, reeds in het genot was van de toelage overeenkomstig het bepaalde in artikel I-P16, zoals dat artikel op die datum luidde.

4. Het bepaalde in het tweede lid is niet van toepassing ten aanzien van de betrokkene, bedoeld in artikel I-A1, onder e1 en e2, die op 15 februari 1985, ambtenaar in de zin van de pensioenwet zijnde, reeds in het genot was van de toelage overeenkomstig het bepaalde in artikel I-P16, zoals dat artikel op die datum luidde.

Artikel V-P5

Het salaris van de betrokkene die op of na 1 augustus 2000 wordt benoemd en voor wie vóór die datum een salaris is vastgesteld op grond van artikel I-P18, zoals dat luidde op 31 juli 2000, wordt laatstbedoeld salaris voor de toepassing van de artikelen I-P7 tot en met I-P11 buiten beschouwing gelaten.

Artikel V-P6

Vervallen

Artikel V-P7

Vervallen

Artikel V-P8

Vervallen

Artikel V-P9

Vervallen

Artikel V-P10

Vervallen

Artikel V-P11

Vervallen

Artikel V-P12

1.

Voor de toepassing van artikel I-P8 wordt ten aanzien van de betrokkene:

a. a. die op of na 1 augustus 1997 wordt benoemd aan een instelling als bedoeld in artikel I-A1 onder d1 of d2, in een functie als bedoeld in hoofdstuk I-Q of I-R, b. b. wiens vorige onderwijsfunctie, bedoeld in artikel I-P8, een functie is als bedoeld in hoofdstuk I-Q, en c. c. die in de vorige onderwijsfunctie, bedoeld in artikel I-P8 een toeslag begininkomens genoot ingevolge de artikelen I-P23 tot en met I-P26 zoals die artikelen op 31 juli 1997 luidden, het in de vorige onderwijsfunctie genoten salaris verhoogd met de onder c bedoelde toeslag.

2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt uitgegaan van het salaris en de toeslag begin-inkomens behorende bij een normbetrekking.

3. Indien het in het eerste lid bepaalde bedrag niet voorkomt in het vanaf 1 augustus 1997 geldende carrièrepatroon behorende bij de op 31 juli 1997 vervulde onderwijsfunctie respectievelijk de vorige onderwijsfunctie bedoeld in artikel I-P8, wordt de uitkomst van het eerste of tweede lid bepaald op het naasthogere bedrag in dat carrièrepatroon.

4. Van 1 augustus 1997 tot 1 augustus 1998 is dit artikel, zoals dat op 1 augustus 1997 luidde, niet van toepassing op de betrokkene voor wie ingevolge artikel V-P17 het salaris in de vorige onderwijsfunctie wordt vastgesteld overeenkomstig een van de tabellen, opgenomen in de bijlage 1H.

Artikel V-P13

Vervallen

Artikel V-P14

Vervallen

Artikel V-P15

In afwijking van artikel I-P76 kan het bevoegd gezag gedurende het schooljaar 19971998 besluiten tot een verhoging van de omvang van de voor dat schooljaar vastgestelde formatie als bedoeld in artikel I-P76, tweede lid, onder a.

Artikel V-P16

Het bestuur van een school die wordt omgezet in een speciale school voor basisonderwijs met één of meer afdelingen, stelt vóór 1 mei 1998 doch uiterlijk 1 augustus 1998 een plan vast op basis waarvan het dienstverband van het personeel van de school per 1 augustus 1998 wordt voortgezet ten behoeve van werkzaamheden aan de speciale school voor basisonderwijs of een afdeling van die school.

Artikel V-P17

1. Voor de toepassing van artikel I-P8 wordt het salaris dat de betrokkene, bedoeld in het tweede lid onder a dan wel b, genoot in de vorige onderwijsfunctie vastgesteld overeenkomstig een van de tabellen, opgenomen in bijlage 1H.

2.

Het eerste lid is van toepassing op een betrokkene die:

a. a. de vorige onderwijsfunctie vervulde aan een instelling als bedoeld in artikel I-A1 onder d1 of d2, in een functie als bedoeld in hoofdstuk I-R, die functie eindigde voor 1 augustus 1997, en van wie benoeming plaatsvindt op of na 1 augustus 1997 aan een instelling als bedoeld in artikel I-A1 onder d1 of d2 in een functie als bedoeld in hoofdstuk I-Q of I-R, dan wel, b. b. de vorige onderwijsfunctie vervulde aan een school als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het voortgezet onderwijs, aan een instelling als bedoeld in artikel I-A1 onder d4, d5 onder a, d6, d10, d13, d14, d15, d17 of d18, aan een instelling als bedoeld in artikel 1.3.1, 1.3.3, 1.3.4, 1.5.1 dan wel aan een instelling als bedoeld in artikel 12.3.2 van de Wet educatie en beroepsonderwijs, in een functie als bedoeld in hoofdstuk I-R, die functie eindigde voor 1 augustus 1996, en van wie benoeming plaatsvindt op of na 1 augustus 1997 aan een instelling als bedoeld in artikel I-A1 onder d1 of d2 in een functie als bedoeld in hoofdstuk I-Q of I-R.

3. Voor de toepassing van het eerste lid wordt uitgegaan van het salaris behorende bij een normbetrekking.

4. Dit artikel is niet van toepassing op de salarisvaststelling in het schooljaar 19971998 van een betrokkene die in het schooljaar 19961997 als leraar gedurende alle schoolweken benoemd dan wel gedurende ten minste 60 werkdagen werkzaam en bezoldigd is geweest in het primair onderwijs.

Hoofdstuk V-Q. Overgangsrecht directies

Paragraaf 1. Algemene bepalingen overgangsrecht directies

Artikel V-Q101

1. De betrokkene aan wie op grond van het bepaalde in artikel B3 van het Besluit overgangsmaatregelen b.o. 1985, in artikel B4 van het Besluit overgangsmaatregelen s.o. 1985, in artikel B6 van het Besluit overgangsmaatregelen l.w. 1985 of in artikel B9 van de Beschikking overgangsmaatregelen a.l.o. 1985 extra taakomvang is toegekend, behoudt aanspraak op toekenning daarvan zolang hij in dezelfde functie bij dezelfde instelling verbonden blijft.

2.

Indien de betrekkingsomvang van een betrokkene bij het bevoegd gezag waar hem extra taakomvang is toegekend, toeneemt dan wel indien de totale betrekkingsomvang in al zijn betrekkingen tezamen toeneemt, wordt de hem ingevolge het eerste lid toegekende extra taakomvang verminderd met eenzelfde hoeveelheid als waarmee zijn betrekkingsomvang is toegenomen, echter tot ten hoogste de omvang van die extra taakomvang.

Het bepaalde in de eerste volzin geldt niet ten aanzien van een toename in verband met vervangingswerkzaamheden.

3. Indien formatieruimte in de functie adjunct-directeur ontstaat, wordt die ruimte toegedeeld aan de adjunct-directeur aan wie extra taakomvang is toegekend in deze functie voor de omvang van die taakomvang, met dien verstande dat de totale omvang van de betrekking niet mag uitgaan boven de omvang van een normbetrekking.

4. De bezoldiging voor de extra taakomvang, bedoeld in het eerste lid van de betrokkene wiens betrekkingsomvang wegens vervangingswerkzaamheden is toegenomen, wordt verminderd met de bezoldiging die voortvloeit uit de vervangingswerkzaamheden voor zolang hij die bezoldiging geniet en voor zover die werkzaamheden de betrekkingsomvang zoals daags voor de aanvang van de vervangingswerkzaamheden vermeld in zijn akte van benoeming - indien hij aan instellingen van verschillende bevoegde gezagsorganen is benoemd: akten van benoeming - bedoeld in artikel I-B7, te boven gaan, onverminderd het bepaalde in artikel I-P87.

5. De aan een betrokkene toegekende fictieve extra taakomvang blijft buiten beschouwing bij de toepassing van artikel I-P78.

Artikel V-Q102

Vervallen

Paragraaf 2. Overgangsrecht directies basisonderwijs

Artikel V-Q201

1. De directeur voor wie met toepassing van artikel C1 van het Besluit overgangsmaatregelen b.o. 1985 een uitzicht is vastgesteld, behoudt aanspraak op vaststelling van zijn salaris overeenkomstig dat uitzicht zolang hij in de desbetreffende directeursfunctie benoemd blijft dan wel zonder wezenlijke onderbreking in het basisonderwijs werkzaam blijft in een functie als directeur met een maximumschaal die ten minste gelijk is aan die welke voor hem geldt in de functie waarin hij op 1 augustus 1985 is benoemd.

2. Met een wezenlijke onderbreking als aangegeven in het eerste lid, wordt een periode van langer dan twee maanden bedoeld. De tijd gedurende welke een ontslaguitkering als bedoeld in hoofdstuk I-H dan wel een uitkering als bedoeld in het Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel wordt genoten, wordt niet als onderbreking aangemerkt.

Artikel V-Q202

1. De adjunct-directeur voor wie met toepassing van artikel C1 van het Besluit overgangsmaatregelen b.o. 1985 een uitzicht is vastgesteld, behoudt aanspraak op vaststelling van zijn salaris overeenkomstig dat uitzicht, zolang hij in de desbetreffende adjunct-directeursfunctie benoemd blijft dan wel zonder wezenlijke onderbreking in het basisonderwijs werkzaam blijft in een functie als adjunct-directeur met een maximumschaal die ten minste gelijk is aan die welke voor hem geldt in de functie waarin hij op 1 augustus 1985 is benoemd.

2. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid blijft de adjunct-directeur die op 31 juli 1985 in dienst was als hoofd van een lagere school, als bedoeld in artikel A1, tweede lid, onder d, van het Besluit overgangsmaatregelen b.o. 1985, aanspraak behouden op vaststelling van zijn salaris overeenkomstig het uitzicht bedoeld in artikel C1 van laatstgenoemd Besluit, zolang hij zonder wezenlijke onderbreking werkzaam blijft bij het basisonderwijs in een functie met een maximumschaal die ten minste gelijk is aan die welke voor hem geldt in de functie waarin hij op 1 augustus 1985 is benoemd.

3. Het bepaalde in het eerste en tweede lid laat onverlet de aanspraak op bezoldiging volgens het uitzicht dat voor de betrokkene kan zijn vastgesteld in zijn kwaliteit als onderwijzer op 31 juli 1985, als aangegeven in artikel C1 dan wel als uitkeringsgenietende bedoeld in artikel C5 van het in het eerste lid genoemde Besluit. Ten aanzien van dit uitzicht is het bepaalde in artikel V-R201 van toepassing.

4. Met een wezenlijke onderbreking als aangegeven in het eerste en tweede lid, wordt een periode van langer dan twee maanden bedoeld. De tijd gedurende welke een ontslaguitkering als bedoeld in hoofdstuk I-H dan wel een uitkering als bedoeld in het Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel wordt genoten, wordt niet als onderbreking aangemerkt.

Artikel V-Q203

Vervallen

Paragraaf 3. Overgangsrecht directies speciaal onderwijs en voortgezet speciaal onderwijs

Artikel V-Q301

1. De directeur voor wie met toepassing van artikel C1 van het Besluit overgangsmaatregelen s.o. 1985 een uitzicht is vastgesteld, behoudt aanspraak op vaststelling van zijn salaris overeenkomstig dat uitzicht, zolang hij in de desbetreffende directeursfunctie benoemd blijft dan wel zonder wezenlijke onderbreking in het onderwijs, genoemd in de tweede volzin, werkzaam blijft in een functie als directeur met een maximumschaal die ten minste gelijk is aan die welke voor hem geldt in de functie waarin hij op 1 augustus 1985 is benoemd. Onder onderwijs als bedoeld in de eerste volzin wordt verstaan: het speciaal onderwijs of het voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra, het voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in deel II van de Wet op het voortgezet onderwijs, het onderwijs aan speciale scholen voor basisonderwijs, al dan niet met een afdeling, als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs en het onderwijs aan scholen voor praktijkonderwijs als bedoeld in deel I van de Wet op het voortgezet onderwijs. Ten aanzien van de directeur van een speciale school voor basisonderwijs, al dan niet met een afdeling, wordt onder onderwijs als bedoeld in de eerste volzin mede verstaan het onderwijs aan basisscholen als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs.

2. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid vervalt voor de directeur de aanspraak op vaststelling van zijn salaris overeenkomstig het uitzicht bedoeld in artikel C1, vijfde lid, van het in het eerste lid genoemde Besluit, met ingang van de datum waarop de directeur niet langer werkzaam is aan een school voor voortgezet speciaal onderwijs of een school of instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra, een school voor voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in deel II van de Wet op het voortgezet onderwijs, een speciale school voor basisonderwijs met een afdeling voor voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs of een school voor praktijkonderwijs als bedoeld in deel I van de Wet op het voortgezet onderwijs.

3. De directeur voor wie een uitzicht is vastgesteld als bedoeld in artikel C1, vijfde lid, van het in het eerste lid genoemde Besluit en die op grond van het bepaalde in het tweede lid zijn aanspraak op vaststelling van zijn salaris overeenkomstig dit uitzicht verliest, verkrijgt daarna slechts aanspraak op vaststelling van zijn salaris overeenkomstig het uitzicht bedoeld in artikel C1, vijfde lid, van het in het eerste lid genoemde Besluit, indien hij vóór 1 augustus 2000 een functie als directeur aanvaardt aan een school voor voortgezet speciaal onderwijs of een school of instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra, een school voor voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in deel II van de Wet op het voortgezet onderwijs, een speciale school voor basisonderwijs met een afdeling voor voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs of een school voor praktijkonderwijs als bedoeld in deel I van de Wet op het voortgezet onderwijs met een maximumschaal die ten minste gelijk is aan die welke voor hem geldt in de functie waarin hij op 1 augustus 1985 is benoemd, mits hij vanaf 1 augustus 1985 zonder wezenlijke onderbreking werkzaam is geweest in een functie als directeur in het speciaal onderwijs of het voortgezet speciaal onderwijs, als bedoeld in de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs, onderscheidenlijk het onderwijs als bedoeld in de eerste volzin van het eerste lid, dan wel werkzaam is geweest in een functie in het voortgezet onderwijs als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs.

4. Met een wezenlijke onderbreking als aangegeven in het eerste en derde lid, wordt een periode van langer dan twee maanden bedoeld. De tijd gedurende welke een ontslaguitkering als bedoeld in hoofdstuk I-H dan wel een uitkering als bedoeld in het Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel wordt genoten, wordt niet als onderbreking aangemerkt.

Artikel V-Q302

1. De adjunct-directeur voor wie met toepassing van artikel C1 van het Besluit overgangsmaatregelen s.o. 1985 een uitzicht is vastgesteld, behoudt aanspraak op vaststelling van zijn salaris overeenkomstig dat uitzicht, zolang hij in de desbetreffende adjunct-directeursfunctie benoemd blijft dan wel zonder wezenlijke onderbreking in het onderwijs, genoemd in de tweede volzin, werkzaam blijft in een functie als adjunct-directeur met een maximumschaal die ten minste gelijk is aan die welke voor hem geldt in de functie waarin hij op 1 augustus 1985 is benoemd. Onder onderwijs als bedoeld in de eerste volzin wordt verstaan: het speciaal onderwijs of het voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra, het voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in deel II van de Wet op het voortgezet onderwijs, het onderwijs aan speciale scholen voor basisonderwijs, al dan niet met een afdeling, als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs en het onderwijs aan scholen voor praktijkonderwijs als bedoeld in deel I van de Wet op het voortgezet onderwijs. Ten aanzien van de adjunct-directeur van een speciale school voor basisonderwijs wordt onder onderwijs als bedoeld in de eerste volzin mede verstaan het onderwijs aan basisscholen als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs.

2. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid vervalt voor de adjunct-directeur de aanspraak op vaststelling van zijn salaris overeenkomstig het uitzicht bedoeld in artikel C1, vijfde lid, van het in het eerste lid genoemde Besluit, met ingang van de datum waarop de adjunct-directeur niet langer werkzaam is aan een school voor voortgezet speciaal onderwijs of een school of instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra, een school voor voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in deel II van de Wet op het voortgezet onderwijs, een speciale school voor basisonderwijs met een afdeling voor voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs of een school voor praktijkonderwijs als bedoeld in deel I van de Wet op het voortgezet onderwijs.

3. De adjunct-directeur voor wie een uitzicht is vastgesteld als bedoeld in artikel C1, vijfde lid, van het in het eerste lid genoemde Besluit en die op grond van het bepaalde in het tweede lid zijn aanspraak op vaststelling van zijn salaris overeenkomstig dit uitzicht verliest, verkrijgt daarna slechts aanspraak op vaststelling van zijn salaris overeenkomstig het uitzicht bedoeld in artikel C1, vijfde lid , van het in het eerste lid genoemde Besluit indien hij vóór 1 augustus 2000 een functie als adjunct-directeur aanvaardt aan een school voor voortgezet speciaal onderwijs of een school of instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra, een school voor voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in deel II van de Wet op het voortgezet onderwijs, een afdeling voor voortgezet speciaal onderwijs van een speciale school voor basisonderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs of een school voor praktijkonderwijs als bedoeld in deel I van de Wet op het voortgezet onderwijs met een maximumschaal die ten minste gelijk is aan die welke voor hem geldt in de functie waarin hij op 1 augustus 1985 is benoemd mits hij vanaf 1 augustus 1985 zonder wezenlijke onderbreking werkzaam is geweest in een functie als adjunct-directeur of directeur in het speciaal onderwijs of het voortgezet speciaal onderwijs, als bedoeld in de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs, onderscheidenlijk het onderwijs als bedoeld in de eerste volzin van het eerste lid, dan wel werkzaam is geweest in een functie in het voortgezet onderwijs als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs.

4. Het bepaalde in de voorgaande leden laat onverlet de aanspraak op bezoldiging volgens het uitzicht dat voor de betrokkene kan zijn vastgesteld in zijn kwaliteit als onderwijzer op 31 juli 1985, als aangegeven in artikel C1 dan wel als uitkeringsgenietende bedoeld in artikel C5 van het in het eerste lid genoemde Besluit. Ten aanzien van dit uitzicht is het bepaalde in artikel V-R301 van toepassing.

5. Met een wezenlijke onderbreking als aangegeven in het eerste en derde lid, wordt een periode van langer dan twee maanden bedoeld. De tijd gedurende welke een ontslaguitkering als bedoeld in hoofdstuk I-H dan wel een uitkering als bedoeld in het Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel wordt genoten, wordt niet als onderbreking aangemerkt.

Artikel V-Q303

Vervallen

Paragraaf 4. Overgangsrecht directies speciale scholen voor basisonderwijs en afdelingen speciale scholen voor basisonderwijs

Artikel V-Q401

1. In het schooljaar 19981999 wordt de maximumschaal die geldt voor de normfuncties directeur en adjunct-directeur aan een speciale school voor basisonderwijs, onderscheidenlijk de normfunctie adjunct-directeur aan een afdeling van een speciale school voor basisonderwijs, vastgesteld met toepassing van hoofdstuk I-Q, paragraaf 3, van dit besluit, zoals luidend op 31 juli 1998.

2. Indien de speciale school voor basisonderwijs is ontstaan uit een scholengemeenschap voor speciaal of voortgezet speciaal onderwijs aan kinderen met leer- en opvoedingsmoeilijkheden en moeilijk lerende kinderen, wordt het eerste lid ten aanzien van de adjunct-directeur of adjunct-directeuren van de school afzonderlijk toegepast voor de beide delen van de voormalige scholengemeenschap, met inachtneming van de gescheiden formatieberekening zoals geldend op 31 juli 1998.

3. Met ingang van het schooljaar 19992000 is de maximumschaal die geldt voor de normfunctie adjunct-directeur aan een afdeling van een speciale school voor basisonderwijs gelijk aan schaal 10. Indien genoemde afdeling op grond van artikel XLIV van dit besluit aanspraak heeft op 65 formatierekeneenheden voor de schoolleiding, is de maximumschaal die geldt voor de normfunctie adjunct-directeur gelijk aan schaal 11.

4. Bij de vaststelling van de factor y, bedoeld in artikel I-Q201, onderdeel e, voor een speciale school voor basisonderwijs, blijven de leerlingen van een afdeling van die school buiten beschouwing.

Artikel V-Q402

1. De betrokkene die bij het bevoegd gezag van een speciale school voor basisonderwijs gedurende de schooljaren 19971998 en 19981999 was benoemd in dezelfde functie als bedoeld in hoofdstuk I-Q waarbij dezelfde maximumschaal hoorde, behoudt met ingang van het schooljaar 19992000 aanspraak op bezoldiging volgens het carrièrepatroon dat hoort bij de functie met die maximumschaal zolang hij in de desbetreffende functie aan dezelfde instelling of instellingen benoemd blijft. Onder maximumschaal in dit lid wordt de maximumschaal verstaan die volgens het Formatiebesluit ISOVSO 1992 beschikbaar was voor de desbetreffende functie.

2. De betrokkene die werkzaam is aan een speciale school voor basisonderwijs met een afdeling voor voortgezet speciaal onderwijs en voor wie een salarisuitzicht geldt als bedoeld in artikel C1, vijfde lid, van het Besluit overgangsmaatregelen s.o. 1985, behoudt aanspraak op vaststelling van zijn salaris overeenkomstig dat uitzicht indien hij werkzaam blijft aan genoemde school nadat de afdeling ervan is omgevormd tot of samengevoegd met een school voor voortgezet onderwijs. De aanspraak blijft voorts behouden indien de betrokkene uit hoofde van zijn bestuursaanstelling werkzaamheden gaat verrichten ten behoeve van andere scholen van hetzelfde bevoegd gezag.

3. De betrokkene die bij het bevoegd gezag van een speciale school voor basisonderwijs is benoemd in een functie als bedoeld in hoofdstuk I-Q en voor wie een salarisuitzicht geldt als bedoeld in het eerste lid, artikel I-Q106, tweede of derde lid of artikel C1 van het Besluit overgangsmaatregelen s.o. 1985, behoudt aanspraak op vaststelling van zijn salaris overeenkomstig dat uitzicht bij een herplaatsing overeenkomstig artikel XLII van de Wet van 2 april 1998 tot wijziging van enkele onderwijswetten en technische wijziging van enkele andere wetten in verband met het totstandbrengen van onder meer een Wet op het primair onderwijs en een Wet op de expertisecentra (Stb. 1998, 228). Deze aanspraak geldt zolang de betrokkene bij het bevoegd gezag waarbij hij is herplaatst in dezelfde functie benoemd blijft. Indien de betrokkene uit deze functie ontslag wordt verleend, wordt hij voor de toepassing van artikel V-Q301 of V-Q302 in deze functie geacht benoemd te zijn gebleven in de functie die hij vervulde voordat hij in eerstgenoemde functie werd benoemd.

4. De betrokkene die bij het bevoegd gezag van een speciale school voor basisonderwijs is benoemd in een functie als bedoeld in hoofdstuk I-Q en voor wie een salarisgarantie geldt uit hoofde van een samenvoeging van scholen, behoudt die garantie bij een herplaatsing als bedoeld in het derde lid. Deze garantie geldt zolang de betrokkene bij het bevoegd gezag waarbij hij is herplaatst in dezelfde functie benoemd blijft. De garantie blijft behouden indien de betrokkene in aansluiting op deze functie een andere functie in het onderwijs aanvaardt, waarvan het salarisniveau hoger is dan dat behorende bij de functie die hij vervulde voorafgaand aan zijn herplaatsing als bedoeld in het derde lid, en wel voor de duur van de benoeming in die andere functie. Indien de benoeming in deze andere functie in tijdelijke dienst geschiedt, blijft de garantie behouden als in aansluiting op deze benoeming een benoeming plaatsvindt in een functie in het onderwijs, waarvan het salarisniveau tenminste gelijk is aan dat behorende bij de functie die hij vervulde voorafgaand aan zijn herplaatsing als bedoeld in het derde lid. Onder onderwijs als bedoeld in dit lid wordt verstaan: het onderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra of deel II van de Wet op het voortgezet onderwijs, onderscheidenlijk het onderwijs aan scholen voor praktijkonderwijs als bedoeld in deel I van de Wet op het voortgezet onderwijs.

5. De betrokkene die is benoemd in een functie als bedoeld in hoofdstuk I-Q bij het bevoegd gezag van een school voor voortgezet speciaal onderwijs aan moeilijk lerende kinderen of een speciale school voor basisonderwijs met een afdeling voor voortgezet speciaal onderwijs aan moeilijk lerende kinderen en voor wie een aanspraak of garantie geldt als bedoeld in het derde of vierde lid, behoudt die aanspraak, onderscheidenlijk die garantie indien genoemde school of afdeling wordt omgevormd tot een school voor praktijkonderwijs als bedoeld in deel I van de Wet op het voortgezet onderwijs en zijn benoeming wordt voortgezet ten behoeve van het verrichten van werkzaamheden aan die school. Het derde lid, tweede en derde volzin, en het vierde lid, tweede tot en met vijfde volzin, zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel V-Q403

Vervallen

Artikel V-Q403a

Vervallen

Artikel V-Q404

Vervallen

Artikel V-Q405

Vervallen

Artikel V-Q406

Vervallen

Artikel V-Q407

Vervallen

Artikel V-Q408

Vervallen

Artikel V-Q409

Vervallen

Artikel V-Q410

Vervallen

Artikel V-Q411

Vervallen

Paragraaf 5

Artikel V-Q501

Vervallen

Artikel V-Q502

Vervallen

Artikel V-Q503

Vervallen

Artikel V-Q504

Vervallen

Artikel V-Q505

Vervallen

Paragraaf 6. Overgangsrecht directies leerlingwezen

Artikel V-Q601

1. De directeur voor wie met toepassing van hoofdstuk C van het Besluit overgangsmaatregelen lw. 1985 een uitzicht is vastgesteld, behoudt aanspraak op vaststelling van zijn salaris overeenkomstig dat uitzicht, zolang hij in de desbetreffende directeursfunctie benoemd blijft dan wel zonder wezenlijke onderbreking in het leerlingwezen werkzaam blijft in een functie als directeur met een maximumschaal die ten minste gelijk is aan die welke voor hem geldt in de functie waarin hij op 1 april 1985 is benoemd.

2.

Met een wezenlijke onderbreking als aangegeven in het eerste lid wordt een periode langer dan twee maanden bedoeld.

De tijd gedurende welke een ontslaguitkering als bedoeld in hoofdstuk I-H dan wel een uitkering als bedoeld in het Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel wordt genoten, wordt niet als onderbreking aangemerkt.

Artikel V-Q602

1. De adjunct-directeur voor wie met toepassing van hoofdstuk C van het besluit overgangsmaatregelen lw. 1985 een uitzicht is vastgesteld, behoudt aanspraak op vaststelling van zijn salaris overeenkomstig dat uitzicht, zolang hij in de desbetreffende adjunct-directeursfunctie benoemd blijft dan wel zonder wezenlijke onderbreking in het leerlingwezen werkzaam blijft in een functie als adjunct-directeur met een maximumschaal die tenminste gelijk is aan die welke voor hem geldt in de functie waarin hij op 1 april 1985 is benoemd.

2. Met een wezenlijke onderbreking als aangegeven in het eerste lid wordt een periode langer dan twee maanden bedoeld. De tijd gedurende welke een ontslaguitkering als bedoeld in hoofdstuk I-H dan wel een uitkering als bedoeld in het Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel wordt genoten, wordt niet als onderbreking aangemerkt.

Artikel V-Q603

De betrokkene, bedoeld in artikel I-A1, onder e4, die is benoemd als lid van de directie, bij wiens functie op 1 augustus 1993 een lagere maximumschaal behoort dan bij de functie die hij op 31 juli 1993 vervulde, behoudt aanspraak op bezoldiging volgens het carrièrepatroon dat behoorde bij de functie die hij op 31 juli 1993 bekleedde, zolang hij als zodanig aan de instelling verbonden blijft, onverminderd het bepaalde in de artikelen V-Q601 en V-Q602.

Paragraaf 7. Overgangsrecht centrale directie vormingswerk

Artikel V-Q701

1. De directeur of de directeur/coördinator voor wie met toepassing van artikel C4 van het Besluit overgangsmaatregelen v.j. en v.j.v. 1985 een uitzicht is vastgesteld, behoudt aanspraak op vaststelling van zijn salaris overeenkomstig dat uitzicht, zolang hij in de desbetreffende functie benoemd blijft dan wel zonder wezenlijke onderbreking in het vormingswerk werkzaam blijft in een functie als directeur met een maximumschaal die tenminste gelijk is aan die welke voor hem geldt in de functie waarin hij op 1 april 1985 is benoemd.

2. Het bepaalde in het eerste lid laat onverlet de aanspraak op bezoldiging volgens het uitzicht dat voor de betrokkene bedoeld in artikel C4, tweede lid, van het Besluit overgangsmaatregelen v.j. en v.j.v. 1985 kan zijn vastgesteld in zijn kwaliteit als vormingsleider op 31 maart 1985, als aangegeven in artikel C2 dan wel als uitkeringsgenietende bedoeld in artikel C7 van vorengenoemd besluit. Ten aanzien van dit uitzicht is het bepaalde in artikel V-R701 van toepassing.

3.

Met een wezenlijke onderbreking als aangegeven in het eerste lid wordt een periode langer dan twee maanden bedoeld.

De tijd gedurende welke een ontslaguitkering als bedoeld in hoofdstuk I-H dan wel een uitkering als bedoeld in het Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel wordt genoten, wordt niet als onderbreking aangemerkt.

Artikel V-Q702

1. De adjunct-directeur voor wie met toepassing van artikel C3 van het Besluit overgangsmaatregelen v.j. en v.j.v. 1985 een uitzicht is vastgesteld, behoudt aanspraak op vaststelling van zijn salaris overeenkomstig dat uitzicht, zolang hij in de desbetreffende adjunct-directeursfunctie benoemd blijft dan wel zonder wezenlijke onderbreking in het vormingswerk werkzaam blijft in een functie als adjunct-directeur met een maximumschaal die ten minste gelijk is aan die welke voor hem geldt in de functie waarin hij op 1 april 1985 is benoemd.

2. Het bepaalde in het eerste lid laat onverlet de aanspraak op bezoldiging volgens het uitzicht dat voor de betrokkene kan zijn vastgesteld in zijn kwaliteit als vormingsleider op 31 maart 1985, als aangegeven in artikel C2 dan wel als uitkeringsgenietende bedoeld in artikel C7 van het in het eerste lid genoemde Besluit. Ten aanzien van dit uitzicht is het bepaalde in artikel V-R701 van toepassing.

3. Met een wezenlijke onderbreking als aangegeven in het eerste lid wordt een periode langer dan twee maanden bedoeld. De tijd gedurende welke een ontslaguitkering als bedoeld in hoofdstuk I-H dan wel een uitkering als bedoeld in het Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel wordt genoten, wordt niet als onderbreking aangemerkt.

Artikel V-Q703

1. Bij de toepassing van het bepaalde in artikel V-Q701 en artikel V-Q702 wordt niet als onderbreking aangemerkt de periode gedurende welke de betrokkene zonder onderbreking van meer dan twee maanden bleef benoemd bij een instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder d6 die is ontstaan of mede is ontstaan uit een instelling voor vormingswerk voor jonge volwassenen waaraan hij op de dag voorafgaande aan de overgang vanuit die instelling voor vormingswerk voor jonge volwassenen naar eerstgenoemde instelling als directeur/coördinator of als adjunct-directeur was verbonden, mits het bepaalde in artikel V-Q902 dan wel artikel V-R902 op hem van toepassing is gebleven.

2. Het bepaalde in het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de betrokkene die zonder onderbreking van meer dan twee maanden bleef benoemd bij een instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder d13, waarnaar zijn overgang als bedoeld in artikel A1, tweede lid, van de Overgangsregeling ondersteuning VE heeft plaatsgevonden vanuit een instelling voor vormingswerk voor jonge volwassenen waaraan hij op de dag voorafgaande aan die overgang als directeur/coördinator of als adjunct-directeur was verbonden, mits het bepaalde in artikel V-Q1102 dan wel artikel V-S1102 op hem van toepassing is gebleven.

Paragraaf 7. Overgangsrecht centrale directie vormingswerk

Artikel V-Q704

De betrokkene, bedoeld in artikel I-A1, onder e5, die is benoemd als lid van de centrale directie, bij wiens functie op 1 augustus 1994 een lagere maximumschaal behoort dan bij de functie die hij op 31 juli 1994 vervulde, behoudt aanspraak op bezoldiging volgens het carrièrepatroon dat behoorde bij de functie die hij op 31 juli 1994 bekleedde, zolang hij als zodanig aan de instelling verbonden blijft, onverminderd het bepaalde in artikel V-Q705.

Artikel V-Q705

Op de betrokkene bedoeld in artikel I-A1, onder e5, voor wie tot en met 31 juli 1994 op grond van artikel IV, onderdeel 3, onder a, sub 1, van het besluit van 3 juli 1992 (Stb 1992, 389) (Formatiebudgetsysteem) een of meer van de artikelen V-Q701, V-Q702, V-Q703, V-R702, eerste en tweede lid, en V-R703, van toepassing zijn gebleven, zijn de artikelen V-Q701, V-Q702, V-Q703, V-R701, V-R702, en V-R703 van overeenkomstige toepassing.

Paragraaf 8. Overgangsrecht directies landbouwpraktijkonderwijs

Artikel V-Q801

1. De directeur of adjunct-directeur, in dienst van een instelling voor landbouwpraktijkonderwijs, die tot 1 april 1985 werd bezoldigd op de voet van de in hoofdstuk I-Q genoemde schalen voor directies of leraren, zoals die op 31 maart 1985 luidden, heeft aanspraak op het in hoofdstuk C van het Besluit overgangsmaatregelen v.o. 1985 gegeven overgangsrecht ter zake van salarisuitzichten.

2. Het bepaalde in de artikelen V-Q401 en V-Q402 is ten aanzien van de betrokkene, bedoeld in het eerste lid, van overeenkomstige toepassing.

Paragraaf 9. Overgangsrecht directies basiseducatie

Artikel V-Q901

De directeur/coördinator of adjunct-directeur/coördinator op wie het bepaalde in de Overgangsregeling basiseducatie (Stb. 1988, 42), met uitzondering van artikel A2 van dat besluit, van toepassing is, behoudt bij een instelling, als bedoeld in artikel I-A1, onder d6, waaraan hij op de dag van overgang daar naar toe wordt verbonden als directeur/coördinator of adjunct-directeur/coördinator, uitzicht op vaststelling van zijn salaris volgens het bedrag bij het hoogste salarisnummer van de schaal waarin hij is ingepast op de dag waarop de overgang naar die instelling plaatsvindt.

Indien de schaal, bedoeld in de vorige volzin, een lager nummer heeft dan de hoogste aanloopschaal, die behoorde bij de functie die de directeur/coördinator of adjunct-directeur/coördinator vervulde op de dag voorafgaande aan de overgang naar de instelling, bedoeld in artikel I-A1, onder d6, behoudt hij, in afwijking van het bepaalde in de vorige volzin, uitzicht op vaststelling van zijn salaris volgens het bedrag bij het hoogste salarisnummer van die hoogste aanloopschaal.

Artikel V-Q902

1. De betrokkene voor wie een uitzicht is vastgesteld met toepassing of overeenkomstige toepassing van een der artikelen V-Q401, V-Q402, V-Q701 of V-Q702 en die met ingang van de dag waarop in verband met de invoering van de Rijksregeling basiseducatie de overgang naar een instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder d6, heeft plaatsgevonden, vanuit de door hem beklede functie van directeur, directeur/coördinator of van adjunct-directeur is benoemd aan die instelling in een functie als bedoeld in paragraaf 9 van hoofdstuk I-Q behoudt, in afwijking van het bepaalde in artikel V-Q901, aanspraak op vaststelling van zijn salaris overeenkomstig dat uitzicht zolang hij zonder wezenlijke onderbreking aan een instelling als bedoeld in artikel 1-A1, onder d6, verbonden blijft, in een functie waarbij een maximumschaal hoort die tenminste gelijk is aan de maximumschaal die behoort bij de functie die hem is toebedeeld bij de overgang naar meergenoemde instelling.

2. Met een wezenlijke onderbreking als aangegeven in het eerste lid wordt een periode van langer dan twee maanden bedoeld. De tijd gedurende welke een ontslaguitkering als bedoeld in hoofdstuk I-H dan wel een uitkering als bedoeld in het Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel wordt genoten, wordt niet als onderbreking aangemerkt.

Artikel V-Q903

Vervallen

Artikel V-Q904

Ten aanzien van de betrokkene voor wie de Overgangsregeling gewijzigde ondersteuningsstructuur VE van toepassing is, is het bepaalde in artikel V-Q1104 van overeenkomstige toepassing, zolang hij zonder onderbreking van meer dan twee maanden verbonden blijft aan een instelling als bedoeld in artikel A1, tweede lid, onder b, van de Overgangsregeling gewijzigde ondersteuningsstructuur VE, voor zover het betreft een instelling, bedoeld in artikel I-A1, onder d6.

Paragraaf 10. Overgangsrecht directies verzorgingsinstellingen

Artikel V-Q1001

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

betrokkene: degene, die op 31 december 1988 in dienst is van een instelling bedoeld in artikel 8 van de Wet op de onderwijsverzorging als lid van de directie.

Artikel V-Q1002

1. De betrokkene die per 1 januari 1989 door het bevoegd gezag een functie toegedeeld heeft gekregen waarbij een maximumschaal behoort met een maximumsalaris dat lager is dan het maximumsalaris van de schaal die voor de betrokkene gold op 31 december 1988, behoudt vanaf 1 januari 1989 aanspraak op bezoldiging volgens de schaal, die voor hem ingevolge artikel C1 of C2 van de Invoeringsregeling WOV-personeel is vastgesteld, onverminderd het bepaalde in het tweede en derde lid.

2. De betrokkene, die per 1 januari 1989 door het bevoegd gezag een functie toegedeeld heeft gekregen en voor wie vanaf 1 januari 1989 ingevolge artikel C2, derde lid, van de Invoeringsregeling WOV-personeel een salarisschaal is gaan gelden met een hoger maximumsalaris, behoudt aanspraak op een salarisbedrag dat gelijk is aan het maximumsalaris van de door hem op 31 december 1988 geldende schaal, onverminderd het bepaalde in het derde lid.

3. Het salarisuitzicht bedoeld in het eerste en tweede lid blijft tot 1 januari 2004 behouden zolang de betrokkene zonder wezenlijke onderbreking aan een instelling werkzaam blijft in een zelfde functie als die waarin hij per 1 januari 1989 werd benoemd en met een maximumschaal die tenminste gelijk is aan die welke geldt voor de functie waarin hij op 1 januari 1989 werd benoemd.

4. Wat betreft het carrièrepatroon van de betrokkene, bedoeld in het eerste lid, is het bepaalde in artikel V-P1, tweede lid, van overeenkomstige toepassing.

5. Met een wezenlijke onderbreking als aangegeven in het derde lid wordt een periode van langer dan twee maanden bedoeld. De tijd gedurende welke een uitkering als bedoeld in hoofdstuk I-H dan wel een uitkering als bedoeld in het Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel wordt genoten, wordt niet als onderbreking aangemerkt.

Artikel V-Q1003

1. De betrokkene voor wie vóór 1 januari 1989 met goedkeuring van Onze minister het behoud van een bepaalde salarisschaal dan wel een bepaald salarisuitzicht gold, behoudt die salarisschaal dan wel dat salarisuitzicht zolang hij aan dezelfde instelling verbonden blijft in dezelfde functie dan wel in de functie die hem per 1 januari 1989 door het bevoegd gezag is toegedeeld.

2. De betrokkene aan wie vóór 1 januari 1989 in overeenstemming met de door Onze minister tot stand gebrachte regelingen aantoonbaar het behoud van een bepaalde salarisschaal dan wel van een bepaald salarisuitzicht is toegezegd in een bepaalde functie behoudt die salarisschaal dan wel dat salarisuitzicht zolang hij aan dezelfde instelling verbonden blijft in dezelfde functie dan wel in de andere functie, die hem per 1 januari 1989 door het bevoegd gezag is toegedeeld.

Paragraaf 11. Overgangsrecht directies ondersteuning volwasseneneducatie

Artikel V-Q1101

1. De directeur of de adjunct-directeur op wie het bepaalde in de Overgangsregeling ondersteuning VE, met uitzondering van artikel A2 van dat besluit van toepassing is, behoudt bij een instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder d13, waaraan hij op de dag van overgang als bedoeld in artikel A1, tweede lid, van de Overgangsregeling ondersteuning VE wordt verbonden als directeur respectievelijk als adjunct-directeur, uitzicht op de vaststelling van zijn salaris volgens het bedrag bij het hoogste salarisnummer van de schaal waarop hij is ingepast op de dag waarop de overgang naar de instelling plaatsvindt. Indien de schaal, bedoeld in de vorige volzin, een lager nummer heeft dan de hoogste aanloopschaal die behoorde bij de functie die de betrokkene vervulde op de dag voorafgaande aan de overgang naar de instelling, bedoeld in artikel I-A1, onder d13, behoudt hij, in afwijking van het bepaalde in de vorige volzin, uitzicht op vaststelling van zijn salaris volgens het bedrag bij het hoogste salarisnummer van die hoogste aanloopschaal.

2. Het bepaalde in het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de directeur of de adjunct-directeur die op 1 april 1989 als directeur respectievelijk als adjunct-directeur wordt verbonden aan de landelijke instelling het "Centrum voor de Innovatie van Beroepsonderwijs" en op wie de Overgangsregeling CIBB (Stb. 1990, 41), met uitzondering van artikel 2 van de regeling, van toepassing is.

Artikel V-Q1102

1. De betrokkene voor wie een uitzicht is vastgesteld met toepassing of overeenkomstige toepassing van een der artikelen V-Q401, V-Q402, V-Q701 of V-Q702 en die met ingang van de dag van overgang als bedoeld in artikel A1, tweede lid, van de Overgangsregeling ondersteuning VE naar een instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder d13, vanuit de door hem beklede functie van directeur, directeur/coördinator of van adjunct-directeur is benoemd aan die instelling in een functie als bedoeld in paragraaf 11 van hoofdstuk I-Q behoudt, in afwijking van het bepaalde in artikel V-Q1101, aanspraak op vaststelling van zijn salaris overeenkomstig dat uitzicht zolang hij zonder wezenlijke onderbreking aan een instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder d13, verbonden blijft, in een functie waarbij een maximumschaal hoort die tenminste gelijk is aan de maximumschaal die behoort bij de functie die hem is toebedeeld bij de oprichting van meergenoemde instelling.

2. Met een wezenlijke onderbreking als aangegeven in het eerste lid wordt een periode van langer dan twee maanden bedoeld. De tijd gedurende welke een ontslaguitkering als bedoeld in hoofdstuk I-H dan wel een uitkering als bedoeld in het Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel wordt genoten, wordt niet als onderbreking aangemerkt.

Artikel V-Q1103

Vervallen

Artikel V-Q1104

1. De directeur of adjunct-directeur op wie het bepaalde in de Overgangsregeling gewijzigde ondersteuningsstructuur VE, met uitzondering van artikel A2 van dat besluit van toepassing is, behoudt bij een instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder d13, sub b, waaraan hij op de dag van overgang, bedoeld in artikel A1, tweede lid, van de Overgangsregeling gewijzigde ondersteuningsstructuur VE, wordt verbonden als directeur respectievelijk als adjunct-directeur, het uitzicht op de vaststelling van zijn salaris overeenkomstig het bepaalde in de artikelen V-Q1101 en V-Q1102.

2. De betrokkene, bedoeld in het eerste lid, aan wie met toepassing van artikel V-Q1103 een toelage is toegekend, behoudt overeenkomstig het bepaalde in dat artikel die toelage bij een instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder d13, sub b, waaraan hij op de dag van overgang, bedoeld in artikel I-A1, tweede lid, van de Overgangsregeling gewijzigde ondersteuningsstructuur VE, wordt verbonden als directeur respectievelijk als adjunct-directeur.

Paragraaf 12. Overgangsrecht centrale directie M.B.O.

Artikel V-Q1201

De betrokkene, bedoeld in artikel I-A1, onder e14, die is benoemd als lid van de centrale directie, bij wiens functie op 1 augustus 1990 een lagere maximumschaal behoort dan bij de functie die hij op 31 juli 1990 vervulde, behoudt aanspraak op bezoldiging volgens het carrièrepatroon dat behoorde bij de functie die hij op 31 juli 1990 bekleedde, zolang hij als zodanig aan de instelling verbonden blijft, onverminderd het bepaalde in artikel V-Q1203.

Artikel V-Q1202

Voor de betrokkene bedoeld in artikel I-A1, onder e14, voor wie op 31 juli 1990 artikel V-Q404, zoals dat artikel op die datum luidde, van toepassing was en die op 1 augustus 1990 in dienst is bij een instelling, bedoeld in artikel I-A1, onder d14, en voor wie een betrekkingsomvang van meer dan 38 uur is berekend, komt niet voor bezoldiging in aanmerking het verschil tussen 38 uur en de voor hem op 1 augustus 1990 geldende betrekkingsomvang.

Artikel V-Q1203

1. Op de betrokkene bedoeld in artikel I-A1, onder e14, voor wie op 31 juli 1990 een of meer der artikelen V-Q402, V-Q403, V-Q405, V-Q406, V-R402, eerste en tweede lid, V-R403, V-R404, V-R404a, V-R407 en V-R408, zoals die artikelen op die datum luidden, van toepassing waren, zijn de artikelen V-P6, V-Q401, V-Q402, V-Q405, V-Q406, V-R401, V-R402, V-R403, V-R405 en V-R406 van overeenkomstig toepassing.

2.

De betrokkene bedoeld in artikel I-A1, onder e14, die op 31 juli 1990 en 1 augustus 1990 bij de instelling dan wel een instelling als bedoeld in artikel I-Q101, onderdeel c onder 3, in dienst is en voor wie op 31 juli 1990 een of meer der artikelen V-Q402, V-Q403, V-Q406, V-R404 en V-R408, zoals die artikelen op die datum luidden, van toepassing waren, behoudt de in die artikelen bedoelde aanspraak indien hij op of na 1 augustus 1990 vrijwillig een functie aanvaardt met een maximumschaal die ten hoogste één lager is dan de maximumschaal bij de functie die hij op 31 juli 1990 bekleedde, mits:

a. a. in de door hem niet aanvaarde dan wel nadien opgegeven functie een andere betrokkene wordt benoemd die boventallig is en b. b. die andere betrokkene een aanspraak heeft als bedoeld in de in de aanhef genoemde artikelen die tenminste gelijk is aan het maximumsalaris van de maximumschaal van de functie die behoort bij de functie waarin hij wordt benoemd en c. c. de boventalligheid aan een instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder d14, wordt verminderd en d. d. in een verticale scholengemeenschap: het verschil in salaris van de in het gestelde onder a bedoelde beide betrokkenen niet meer bedraagt dan twee periodieke verhogingen.

Artikel V-Q1204

1. De artikelen V-Q1201 tot en met V-Q1203 zijn niet van toepassing op de adjunct-directeur, bedoeld in artikel I-Q1209.

2. Op de in het eerste lid bedoelde adjunct-directeur zijn de artikelen V-Q401 tot en met V-Q409 van overeenkomstige toepassing.

Artikel V-Q1205

De betrokkene die op 31 juli 1993 benoemd is als lid van de centrale directie in een scholengemeenschap op grond van artikel I-Q1202 zoals dat artikel op 31 juli 1993 luidde, behoudt op 1 augustus 1993 in afwijking van het bepaalde in de artikelen I-Q1202, I-Q1402 en I-Q1502 aanspraak op een plaats in de centrale directie, indien voor hem geen formatieplaats beschikbaar blijkt te zijn als gevolg van op grond van deze artikelen minder beschikbaar komende formatie dan voorheen op grond van artikel I-Q1202.

Paragraaf 13. Overgangsrecht centrale directie AOC

Artikel V-Q1301

De betrokkene, bedoeld in artikel I-A1, onder e15, die is benoemd als lid van de centrale directie, bij wiens functie op 1 augustus 1990 een lagere maximumschaal behoort dan bij de functie die hij op 31 juli 1990 vervulde, behoudt aanspraak op bezoldiging volgens het carrièrepatroon dat behoorde bij de functie die hij op 31 juli 1990 bekleedde, zolang hij als zodanig aan de instelling verbonden blijft, onverminderd het bepaalde in artikel V-Q1303.

Artikel V-Q1302

Voor de betrokkene bedoeld in artikel I-A1, onder e15, voor wie op 31 juli 1990 artikel V-Q404, zoals dat artikel op die datum luidde, van toepassing was en die op 1 augustus 1990 in dienst is bij een instelling, bedoeld in artikel I-A1, onder d15, en voor wie een betrekkingsomvang van meer dan 38 uur is berekend, komt niet voor bezoldiging in aanmerking het verschil tussen 38 uur en de voor hem op 1 augustus 1990 geldende betrekkingsomvang.

Artikel V-Q1303

1. Op de betrokkene bedoeld in artikel I-A1, onder e15, voor wie op 31 juli 1990 een of meer der artikelen V-Q402, V-Q403, V-Q405, V-Q406, V-R402, eerste en tweede lid, V-R403, V-R404, V-R404a, V-R407 en V-R408 zoals die artikelen op die datum luidden, van toepassing waren, zijn de artikelen V-P6, V-Q401, V-Q402, V-Q405, V-Q406, V-R401, V-R402, V-R403, V-R405 en V-R406 van overeenkomstig toepassing.

2.

De betrokkene bedoeld in artikel I-A1, onder e15 die op 31 juli 1990 en 1 augustus 1990 bij de instelling in dienst is en voor wie op 31 juli 1990 een of meer der artikelen V-Q402, V-Q403, V-Q406, V-R404 en V-R408, zoals die artikelen op die datum luidden, van toepassing waren, behoudt de in die artikelen bedoelde aanspraak indien hij op of na 1 augustus 1990 vrijwillig een functie aanvaardt met een maximumschaal die ten hoogste één lager is dan de maximumschaal bij de functie die hij op 31 juli 1990 bekleedde, mits:

a. a. in de door hem niet aanvaarde dan wel nadien opgegeven functie een andere betrokkene wordt benoemd die boventallig is en b. b. die andere betrokkene een aanspraak heeft als bedoeld in de in de aanhef genoemde artikelen die tenminste gelijk is aan het maximumsalaris van de maximumschaal van de functie die behoort bij de functie waarin hij wordt benoemd en c. c. de boventalligheid aan een instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder d15, wordt verminderd en d. d. het verschil in salaris van de in het gestelde onder a bedoelde beide betrokkenen niet meer bedraagt dan twee periodieke verhogingen.

Paragraaf 14. Overgangsrecht centrale directie vavo

Artikel V-Q1401

De betrokkene, bedoeld in artikel I-A1, onder e17, die is benoemd als lid van de centrale directie, bij wiens functie op 1 augustus 1993 een lagere maximumschaal behoort dan bij de functie die hij op 31 juli 1993 vervulde, behoudt aanspraak op bezoldiging volgens het carrièrepatroon dat behoorde bij de functie die hij op 31 juli 1993 bekleedde, zolang hij als zodanig aan de instelling verbonden blijft, onverminderd het bepaalde in artikel V-Q1403.

Artikel V-Q1402

De betrokkene bedoeld in artikel I-A1, onder e17, voor wie op 31 juli 1993 artikel V-Q404, zoals dat artikel op die datum luidde, van toepassing was en die op 1 augustus 1993 in dienst is bij een instelling, bedoeld in artikel I-A1, onder d17, en voor wie een betrekkingsomvang van meer dan 38 uur is berekend, komt niet voor bezoldiging in aanmerking voor het verschil tussen 38 uur en de voor hem op 1 augustus 1993 geldende betrekkingsomvang.

Artikel V-Q1403

Op de betrokkene bedoeld in artikel I-A1, onder e17, voor wie tot en met 31 juli 1993 op grond van artikel IV,onderdeel 3, onder a, sub 1, van het besluit van 3 juli 1992 (Stb 1992, 389) (Formatiebudgetsysteem) een of meer van de artikelen V-Q402, V-Q403, V-Q405, V-Q406, V-R402, eerste en tweede lid, V-R403, V-R404, V-R404a, V-R407 en V-R408, van toepassing zijn gebleven, zijn de artikelen V-P6, V-Q401, V-Q402, V-Q405, V-Q406, V-R401, V-R402, V-R403, V-R405 en V-R406 van overeenkomstige toepassing.

Artikel V-Q1404

1. De artikelen V-Q1401 tot en met V-Q1403 zijn niet van toepassing op de adjunct-directeur, bedoeld in artikel I-Q1409.

2. Op de in het eerste lid bedoelde adjunct-directeur zijn de artikelen V-Q401 tot en met V-Q409 van overeenkomstige toepassing.

Paragraaf 15. Overgangsrecht centrale directie bbo

Artikel V-Q1501

De betrokkene, bedoeld in artikel I-A1, onder e18, die is benoemd als lid van de centrale directie, bij wiens functie op 1 augustus 1993 een lagere maximumschaal behoort dan bij de functie die hij op 31 juli 1993 vervulde, behoudt aanspraak op bezoldiging volgens het carrièrepatroon dat behoorde bij de functie die hij op 31 juli 1993 bekleedde, zolang hij als zodanig aan de instelling verbonden blijft, onverminderd het bepaalde in artikel V-Q1503.

Artikel V-Q1502

De betrokkene bedoeld in artikel I-A1, onder e18, voor wie op 31 juli 1993 artikel V-Q404, zoals dat artikel op die datum luidde, van toepassing was en die op 1 augustus 1993 in dienst is bij een instelling, bedoeld in artikel I-A1, onder d18, en voor wie een betrekkingsomvang van meer dan 38 uur is berekend, komt niet voor bezoldiging in aanmerking het verschil tussen 38 uur en de voor hem op 1 augustus 1993 geldende betrekkingsomvang.

Artikel V-Q1503

Op de betrokkene bedoeld in artikel I-A1, onder d17, voor wie tot en met 31 juli 1993 op grond van artikel IV, onderdeel 3, onder a, sub 1, van het besluit van 3 juli 1992 (Stb 1992, 389) (Formatiebudgetsysteem) een of meer van de artikelen V-Q402, V-Q403, V-Q405, V-Q406, V-R402, eerste en tweede lid, V-R403, V-R404, V-R404a, V-R407 en V-R408, van toepassing zijn gebleven, zijn de artikelen V-P6, V-Q401, V-Q402, V-Q405, V-Q406, V-R401, V-R402, V-R403, V-R405 en V-R406 van overeenkomstige toepassing.

Artikel V-Q1504

1. De artikelen V-Q1501 tot en met V-Q1503 zijn niet van toepassing op de adjunct-directeur, bedoeld in artikel I-Q1509.

2. Op de in het eerste lid bedoelde adjunct-directeur zijn de artikelen V-Q401 tot en met V-Q409 van overeenkomstige toepassing.

Hoofdstuk V-R. Overgangsrecht onderwijsgevend/pedagogisch, educatief en onderzoekspersoneel

Paragraaf 1. Algemene bepalingen overgangsrecht

Artikel V-R101

1. De betrokkene aan wie op grond van het bepaalde in artikel B3 van het Besluit overgangsmaatregelen b.o. 1985, in artikel B4 van het Besluit overgangsmaatregelen s.o. 1985, in artikel B6 van het Besluit overgangsmaatregelen lw. 1985 of in artikel B9 van de Beschikking overgangsmaatregelen a.l.o. 1985 extra taakomvang is toegekend, behoudt aanspraak op toekenning daarvan zolang hij in een functie bedoeld in hoofdstuk I-R en waarvoor eenzelfde maximumschaal geldt als voor de functie waarin hem op 31 december 1991 extra taakomvang was toegekend bij dezelfde instelling verbonden blijft.

2. Indien de betrekkingsomvang van een betrokkene bij het bevoegd gezag waarbij hem extra taakomvang is toegekend, toeneemt dan wel indien de totale betrekkingsomvang in al zijn betrekkingen tezamen toeneemt, wordt de hem ingevolge het eerste lid toegekende extra taakomvang verminderd met eenzelfde hoeveelheid als waarmee zijn betrekkingsomvang is toegenomen, echter tot ten hoogste de omvang van die extra taakomvang. Het bepaalde in de eerste volzin geldt niet ten aanzien van een toename in verband met vervangingswerkzaamheden.

3. Indien formatieruimte in de functie van leraar ontstaat, wordt die ruimte toegedeeld aan de leraar aan wie extra taakomvang is toegekend in deze functie voor de omvang van die taakomvang, met dien verstande dat de totale omvang van de betrekking niet mag uitgaan boven de omvang van een normbetrekking.

4. De bezoldiging voor de extra taakomvang, bedoeld in het eerste lid, van de betrokkene wiens betrekkingsomvang wegens vervangingswerkzaamheden is toegenomen, wordt verminderd met de bezoldiging die voortvloeit uit de vervangingswerkzaamheden voor zolang hij die bezoldiging geniet en voor zover die werkzaamheden de betrekkingsomvang zoals daags voor de aanvang van de vervangingswerkzaamheden vermeld in zijn akte van benoeming - indien hij aan instellingen van verschillende bevoegde gezagsorganen is benoemd: akten van benoeming - bedoeld in artikel I-B7, te boven gaan, onverminderd het bepaalde in artikel I-P87.

5. De aan een betrokkene toegekende fictieve extra taakomvang blijft buiten beschouwing bij de toepassing van artikel I-P78.

Artikel V-R102

1.

De betrokkene, bedoeld in artikel I-A1, onder e1, e2 en e16, die op 31 december 1999 was benoemd in een functie als bedoeld in hoofdstuk I-R en die op 1 januari 2000 in diezelfde functie blijft benoemd, heeft onverminderd artikel I-R103, eerste lid, en met inachtneming van het voor hem geldende carrièrepatroon met ingang van 1 januari 2000 aanspraak op een salarisbedrag dat is gelegen onmiddellijk boven het bedrag dat hij op 31 december 1999 genoot indien:

a. a. hij op 31 december 1999 op grond van artikel I-R107, eerste lid, voor het tweede of derde achtereenvolgende schooljaar werd bezoldigd naar het hoogste bedrag in de bij zijn functie behorende aanloopschaal; b. b. hij op 31 december 1999 op grond van artikel I-R107, tweede lid, voor het tweede achtereenvolgende schooljaar werd bezoldigd naar het hoogste bedrag in de hoogste bij zijn functie behorende aanloopschaal of c. c. hij op 31 december 1999 werd bezoldigd naar een bedrag van de bij zijn functie behorende maximumschaal anders dan het maximumsalaris.

2.

De betrokkene, bedoeld in het eerste lid, aanhef, heeft met ingang van 1 januari 2000 aanspraak op een toelage als bedoeld in bijlage 2, onderdeel 6, overeenkomstig de bij de functie behorende maximumschaal, indien:

a. a. hij op 31 december 1999 werd bezoldigd naar het maximumsalaris van de bij zijn functie behorende maximumschaal als bedoeld in hoofdstuk I-R of b. b. hij op 31 december 1999 werd bezoldigd naar een salaris overeenkomstig het voor hem op grond van artikel V-R201, V-R301 of V-R401 vastgestelde uitzicht dan wel op die datum werd bezoldigd op grond van artikel V-P1, tweede lid, tweede volzin en derde volzin.

3. De betrokkene die op grond van het eerste lid aanspraak maakte op een salarisverhoging, en die in de functie, bedoeld in het eerste lid, blijft benoemd, heeft met ingang van 1 augustus van het jaar, bedoeld in bijlage 2, onderdeel 7, aanspraak op een toelage als bedoeld in bijlage 2, onderdeel 6, overeenkomstig de bij de functie behorende maximumschaal.

4. De betrokkene die geen aanspraak maakte op een salarisverhoging op grond van het eerste lid, uitsluitend om de reden dat hij op 1 januari 2000 niet voldeed aan de promotiecriteria, bedoeld in artikel I-R103, eerste lid, en in de functie, bedoeld in het eerste lid, blijft benoemd, heeft met ingang van 1 augustus volgend op het jaar waarin hij is bezoldigd naar het maximumsalaris van de bij zijn functie behorende maximumschaal aanspraak op de op hem van toepassing zijnde toelage, bedoeld in bijlage 2, onderdeel 6, indien hij vóór 1 augustus 2001 alsnog aan die promotiecriteria voldoet.

5. De betrokkene die op grond van het tweede, het derde of het vierde lid aanspraak heeft op een maandelijkse toelage en die op enig moment na 1 januari 2000 wordt benoemd in een functie als bedoeld in hoofdstuk I-R met dezelfde maximumschaal als welke direct voorafgaand aan die benoeming voor hem gold, behoudt die aanspraak. De tijd gedurende welke een uitkering ingevolge het Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel werd genoten, wordt niet als onderbreking van het dienstverband aangemerkt.

6. De toelage, bedoeld in het tweede, het derde, het vierde en het vijfde lid, bedraagt een evenredig deel van het in bijlage 2, onderdeel 6, bedoelde maandbedrag rekenkundig afgerond op centen, indien de betrokkene een betrekkingsomvang anders dan een normbetrekking heeft.

Artikel V-R103

1. Van de betrokkene, bedoeld in artikel I-A1, onder e1, e2 en e16, die op 31 december 1999 was benoemd in een functie als bedoeld in hoofdstuk I-R en die op 1 januari 2000 wordt benoemd in een functie als bedoeld in hoofdstuk I-R of een functie als bedoeld in hoofdstuk I-Q of I-S, wordt ten behoeve van de vaststelling van het salaris in de nieuwe functie, het in die vorige onderwijsfunctie genoten salaris onverminderd artikel I-R103, eerste lid, en met inachtneming van het toen voor hem geldende carrièrepatroon, vastgesteld op een salarisbedrag dat is gelegen onmiddellijk boven het bedrag dat hij op 31 december 1999 genoot indien is voldaan aan een van de voorwaarden, bedoeld in artikel V-R102, eerste lid, onder a, b en c. De eerste volzin is niet van toepassing op de betrokkene die wordt benoemd in een functie als bedoeld in artikel I-P9, tweede lid.

2. Op de betrokkene, bedoeld in het eerste lid, aanhef, die op 1 januari 2000 wordt benoemd in een functie als bedoeld in hoofdstuk I-R met dezelfde maximumschaal als welke direct voorafgaand aan die benoeming voor hem gold, is artikel V-R102, tweede lid, van overeenkomstige toepassing.

3. Op de betrokkene die op 1 januari 2000 wordt benoemd in een functie als bedoeld in hoofdstuk I-R met dezelfde maximumschaal als welke direct voorafgaand aan die benoeming voor hem gold, en wiens salaris op grond van het eerste lid hoger werd vastgesteld en die voorts in diezelfde functie blijft benoemd, is artikel V-R102, derde lid, van overeenkomstige toepassing.

4. Op de betrokkene die op 1 januari 2000 wordt benoemd in een functie als bedoeld in hoofdstuk I-R met dezelfde maximumschaal als welke direct voorafgaand aan die benoeming voor hem gold, en wiens salaris niet hoger werd vastgesteld op grond van het eerste lid, uitsluitend om de reden dat hij op 1 januari 2000 niet voldeed aan de promotiecriteria, bedoeld in artikel I-R103, eerste lid, en die voorts in diezelfde functie blijft benoemd, is artikel V-R102, vierde lid, van overeenkomstige toepassing.

5. De betrokkene die op grond van het tweede, het derde of het vierde lid aanspraak heeft op een maandelijkse toelage en die op enig moment na 1 januari 2000 wordt benoemd in een functie als bedoeld in hoofdstuk I-R met dezelfde maximumschaal als welke direct voorafgaand aan die benoeming voor hem gold, behoudt die aanspraak. De tijd gedurende welke een uitkering ingevolge het Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel werd genoten, wordt niet als onderbreking van het dienstverband aangemerkt.

6. De toelage, bedoeld in het tweede, het derde, het vierde en het vijfde lid, bedraagt een evenredig deel van het in bijlage 2, onderdeel 6, bedoelde maandbedrag rekenkundig afgerond op centen, indien de betrokkene een betrekkingsomvang anders dan een normbetrekking heeft.

Paragraaf 2. Overgangsrecht leraren basisonderwijs

Artikel V-R201

1. De betrokkene voor wie als leraar met toepassing van artikel C1 van het Besluit overgangsmaatregelen b.o. 1985 een uitzicht is vastgesteld, behoudt aanspraak op vaststelling van zijn salaris overeenkomstig dat uitzicht, zolang hij zonder wezenlijke onderbreking werkzaam blijft in een functie als bedoeld in hoofdstuk I-Q of I-R in het basisonderwijs.

2. Met een wezenlijke onderbreking als aangegeven in het eerste lid, wordt een periode van langer dan twee maanden bedoeld. De tijd gedurende welke een ontslaguitkering als bedoeld in hoofdstuk I-H dan wel een uitkering als bedoeld in het Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel wordt genoten, wordt niet als onderbreking aangemerkt.

3. Ten aanzien van de leraar die op 1 augustus 1985 in het genot is van een ontslaguitkering en voor wie met toepassing van artikel C5 van het Besluit overgangsmaatregelen b.o. 1985 een uitzicht is vastgesteld, is het bepaalde in het eerste en tweede lid van overeenkomstige toepassing.

4. Zolang de betrokkene bedoeld in het eerste tot en met het derde lid is benoemd in een functie waarvan het maximumsalaris lager is dan het voor hem ingevolge artikel C1 van het Besluit overgangsmaatregelen b.o. 1985 vastgestelde uitzicht, is hij ontheven van de verplichting te voldoen aan de promotiecriteria, bedoeld in artikel I-R103.

Artikel V-R202

Vervallen

Artikel V-R203

Vervallen

Artikel V-R204

Vervallen

Paragraaf 3. Overgangsrecht leraren aan scholen als bedoeld in de

Artikel V-R301

1. De betrokkene voor wie als leraar met toepassing van artikel C1 van het Besluit overgangsmaatregelen s.o. 1985 een uitzicht is vastgesteld, behoudt aanspraak op vaststelling van zijn salaris overeenkomstig dat uitzicht, zolang hij zonder wezenlijke onderbreking werkzaam blijft in een functie als bedoeld in hoofdstuk I-Q of I-R in het onderwijs, genoemd in de tweede volzin,“volzin,” moet zijn “volzin”.. Onder onderwijs als bedoeld in de eerste volzin wordt verstaan: het speciaal onderwijs of het voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra, het voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in deel II van de Wet op het voortgezet onderwijs, het onderwijs aan speciale scholen voor basisonderwijs, al dan niet met een afdeling, als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs en het onderwijs aan scholen voor praktijkonderwijs als bedoeld in deel I van de Wet op het voortgezet onderwijs. Ten aanzien van de leraar aan een speciale school voor basisonderwijs wordt onder onderwijs als bedoeld in de eerste volzin mede verstaan het onderwijs aan basisscholen als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs in een functie met een maximumschaal die ten minste gelijk is aan schaal 10.

2. Zonodig in afwijking van het bepaalde in het eerste lid vervalt voor de betrokkene de aanspraak op vaststelling van zijn salaris overeenkomstig het uitzicht bedoeld in artikel C1, vijfde lid, van het in het eerste lid genoemde Besluit, met ingang van de datum waarop hij niet langer werkzaam is aan een school voor voortgezet speciaal onderwijs of een school of instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra, een school voor voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in deel II van de Wet op het voortgezet onderwijs, een speciale school voor basisonderwijs met een afdeling voor voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs of een school voor praktijkonderwijs als bedoeld in deel I van de Wet op het voortgezet onderwijs.

3. De betrokkene voor wie als leraar een uitzicht is vastgesteld als bedoeld in artikel C1, vijfde lid, van het in het eerste lid genoemde Besluit en die op grond van het bepaalde in het tweede lid zijn aanspraak op vaststelling van zijn salaris overeenkomstig dit uitzicht verliest, verkrijgt daarna slechts aanspraak op vaststelling van zijn salaris overeenkomstig het uitzicht bedoeld in artikel C1, vijfde lid , van het in het eerste lid genoemde Besluit, indien hij vóór 1 augustus 2000 een functie bedoeld in hoofdstuk I-R met maximumschaal 10 aanvaardt aan een school voor voortgezet speciaal onderwijs of een school of instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra, een school voor voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in deel II van de Wet op het voortgezet onderwijs, een afdeling voor voortgezet speciaal onderwijs van een speciale school voor basisonderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs of een school voor praktijkonderwijs als bedoeld in deel I van de Wet op het voortgezet onderwijs, mits hij vanaf 1 augustus 1985 zonder wezenlijke onderbreking werkzaam is geweest in een functie in het speciaal onderwijs het voortgezet speciaal onderwijs of het voortgezet onderwijs, als bedoeld in de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs, onderscheidenlijk het onderwijs als bedoeld in de eerste volzin van het eerste lid”“lid”” moet zijn “lid,”. als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs.

4. Met een wezenlijke onderbreking als aangegeven in het eerste en derde lid, wordt een periode van langer dan twee maanden bedoeld. De tijd gedurende welke een ontslaguitkering als bedoeld in hoofdstuk I-H dan wel een uitkering als bedoeld in het Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel wordt genoten, wordt niet als onderbreking aangemerkt.

5. Ten aanzien van de betrokkene die op 1 augustus 1985 in het genot is van een ontslaguitkering en voor wie als leraar met toepassing van artikel C5 van het Besluit overgangsmaatregelen s.o. 1985 een uitzicht is vastgesteld, is het bepaalde in de voorgaande leden van overeenkomstige toepassing.

6. Zolang de betrokkene bedoeld in het eerste tot en met het vijfde lid is benoemd in een functie waarvan het maximumsalaris lager is dan het voor hem ingevolge artikel C1 van het Besluit overgangsmaatregelen s.o. 1985 vastgestelde uitzicht, is hij ontheven van de verplichting te voldoen aan de promotiecriteria, bedoeld in artikel I-R103.

Artikel V-R302

Vervallen

Artikel V-R303

Vervallen

Paragraaf 4. Overgangsrecht leraren speciale scholen voor basisonderwijs

Artikel V-R401

1. De betrokkene die werkzaam is in een functie als bedoeld in hoofdstuk I-R aan een speciale school voor basisonderwijs met een afdeling voor voortgezet speciaal onderwijs en voor wie een salarisuitzicht geldt als bedoeld in artikel C1, vijfde lid, van het Besluit overgangsmaatregelen s.o. 1985, behoudt aanspraak op vaststelling van zijn salaris overeenkomstig dat uitzicht indien hij werkzaam blijft aan genoemde school nadat de afdeling ervan is omgevormd tot of samengevoegd met een school voor voortgezet onderwijs. De aanspraak blijft voorts behouden indien de betrokkene uit hoofde van zijn bestuursbenoeming werkzaamheden gaat verrichten ten behoeve van andere scholen van hetzelfde bevoegd gezag.

2. De betrokkene die is benoemd in een functie als bedoeld in hoofdstuk I-R ten behoeve van het verrichten van werkzaamheden aan een speciale school voor basisonderwijs en voor wie een aanspraak op bezoldiging geldt als bedoeld in artikel I-Q306 of een salarisuitzicht als bedoeld in artikel C1 van het Besluit overgangsmaatregelen s.o. 1985, behoudt die aanspraak, onderscheidenlijk dat uitzicht bij een herplaatsing overeenkomstig artikel XLII van de Wet van 2 april 1998 tot wijziging van enkele onderwijswetten en technische wijziging van enkele andere wetten in verband met het totstandbrengen van onder meer een Wet op het primair onderwijs en een Wet op de expertisecentra (Stb. 1998, 228). De aanspraak geldt zolang de betrokkene bij het bevoegd gezag waarbij hij is herplaatst in dezelfde functie benoemd blijft. Indien de betrokkene uit deze functie ontslag wordt verleend, wordt hij voor de toepassing van artikel V-R301 in deze functie geacht benoemd te zijn gebleven in de functie die hij vervulde voordat hij in eerstgenoemde functie werd benoemd.

3. De betrokkene die is benoemd in een functie als bedoeld in hoofdstuk I-R ten behoeve van het verrichten van werkzaamheden aan een speciale school voor basisonderwijs en voor wie een salarisgarantie geldt uit hoofde van een samenvoeging van scholen, behoudt die garantie bij een herplaatsing als bedoeld in het tweede lid. Deze garantie geldt zolang de betrokkene bij het bevoegd gezag waarbij hij is herplaatst in dezelfde functie benoemd blijft. De garantie blijft behouden indien de betrokkene in aansluiting op deze functie een andere functie in het onderwijs aanvaardt, waarvan het salarisniveau hoger is dan dat behorende bij de functie die hij vervulde voorafgaand aan zijn herplaatsing als bedoeld in het tweede lid, en wel voor de duur van de benoeming in die andere functie. Indien de benoeming in deze andere functie in tijdelijke dienst geschiedt, blijft de garantie behouden als in aansluiting op deze benoeming een benoeming plaatsvindt in een functie in het onderwijs, waarvan het salarisniveau tenminste gelijk is aan dat behorende bij de functie die hij vervulde voorafgaand aan zijn herplaatsing als bedoeld in het tweede lid. Onder onderwijs als bedoeld in dit lid wordt verstaan: het onderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra of deel II van de Wet op het voortgezet onderwijs, onderscheidenlijk het onderwijs aan scholen voor praktijkonderwijs als bedoeld in deel I van de Wet op het voortgezet onderwijs.

4. De betrokkene die is benoemd in een functie als bedoeld in hoofdstuk I-R ten behoeve van het verrichten van werkzaamheden aan een school voor voortgezet speciaal onderwijs aan moeilijk lerende kinderen of een afdeling voor voortgezet speciaal onderwijs aan moeilijk lerende kinderen van een speciale school voor basisonderwijs en voor wie een aanspraak of garantie geldt als bedoeld in het tweede of derde lid, behoudt die aanspraak of garantie indien genoemde afdeling wordt omgevormd tot een school voor praktijkonderwijs als bedoeld in deel I van de Wet op het voortgezet onderwijs en zijn benoeming wordt voortgezet ten behoeve van het verrichten van werkzaamheden aan die school. Het tweede lid, tweede en derde volzin, en het derde lid, tweede tot en met vijfde volzin, zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel V-R402

Vervallen

Artikel V-R403

Vervallen

Artikel V-R404

Vervallen

Artikel V-R404a

Vervallen

Artikel V-R405

Vervallen

Artikel V-R406

Vervallen

Artikel V-R407

Vervallen

Artikel V-R408

Vervallen

Artikel V-R409

Vervallen

Artikel V-R410

Vervallen

Artikel V-R411

Vervallen

Paragraaf 5. Overgangsrecht leraar H.B.O. inclusief NLO

Artikel V-R501

Vervallen

Artikel V-R502

Vervallen

Artikel V-R503

Vervallen

Artikel V-R504

Vervallen

Artikel V-R505

Vervallen

Artikel V-R506

Vervallen

Paragraaf 6. Overgangsrecht consulenten leerlingwezen

Artikel V-R601

1. De consulent voor wie met toepassing van hoofdstuk C van het Besluit overgangsmaatregelen lw. 1985 een uitzicht is vastgesteld en die met ingang van 1 april 1985 wordt benoemd in een functie waarin het hoogste bedrag in de daarbij behorende maximumschaal lager is dan dat uitzicht, behoudt, behoudens het bepaalde in het tweede lid, aanspraak op vaststelling van zijn salaris overeenkomstig dat uitzicht, zolang hij zonder wezenlijke onderbreking werkzaam blijft bij het leerlingwezen in een functie waarvan het maximumsalaris niet lager is dan het bij zijn huidige functie behorende maximumsalaris en waarvan het maximumsalaris lager is dan het bedrag van het voor hem vastgestelde uitzicht.

2. De consulent, bedoeld in het eerste lid die na 1 april 1985 een functie aanvaardt met een hoger maximumsalaris dan het bedrag van het voor hem vastgestelde uitzicht, behoudt nadien de aanspraak op vaststelling van zijn salaris overeenkomstig het voor hem vastgestelde uitzicht slechts indien hij uit die functie met een hoger maximumsalaris wordt ontslagen met recht op een ontslaguitkering als bedoeld in hoofdstuk I-H dan wel een uitkering als bedoeld in het Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel en hij daarna zonder wezenlijke onderbreking, doch vóór 1 april 2000 een functie aanvaardt met een maximumsalaris dat lager is dan het voor hem vastgestelde uitzicht.

3. Met een wezenlijke onderbreking als aangegeven in het eerste en het tweede lid wordt een periode van langer dan twee maanden bedoeld. De tijd gedurende welke een ontslaguitkering als bedoeld in hoofdstuk I-H dan wel als bedoeld in het Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel wordt genoten, wordt niet als onderbreking aangemerkt.

4. Ten aanzien van de consulent die op 1 april 1985 in het genot is van een ontslaguitkering en voor wie met toepassing van artikel C5 van het Besluit overgangsmaatregelen lw. 1985 een uitzicht is vastgesteld, is het bepaalde in de voorgaande leden van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat voor de datum "1 april 1985" wordt gelezen: de dag waarop hij na 1 april 1985 zijn functie als consulent aanvaardt.

5. Zolang de consulent, bedoeld in het eerste tot en met vierde lid, is benoemd in een functie waarvan het maximumsalaris lager is dan het voor hem ingevolge artikel C1 en C2 van het Besluit overgangsmaatregelen lw. 1985 vastgestelde uitzicht, is hij ontheven van de verplichting te voldoen aan de promotiecriteria bedoeld in artikel I-R103.

Artikel V-R602

1. De consulent bedoeld in artikel I-A1, onder e4, bij wiens functie op 1 augustus 1993 een lagere maximumschaal behoort dan bij de functie die hij op 31 juli 1993 vervulde, behoudt aanspraak op bezoldiging volgens de hoogste aanloopschaal die behoorde bij de functie die hij op 31 juli 1993 bekleedde, zolang hij als zodanig aan de instelling verbonden blijft, onverminderd het bepaalde in artikel V-R601.

2. In afwijking van het eerste lid behoudt de betrokkene, bedoeld in artikel I-A1, onder e4, die bij voortzetting van de functie die hij op 31 juli 1993 bekleedde, op 1 augustus 1994 wordt bezoldigd volgens de maximumschaal bij die functie, aanspraak op bezoldiging volgens die maximumschaal zolang hij als zodanig aan de instelling verbonden blijft, onverminderd het bepaalde in artikel V-R601.

3. De betrokkene bedoeld in artikel I-A1, onder e4, bij wiens functie op 1 augustus 1993 een lagere schaal behoort dan bij de functie volgens hoofdstuk I-Q zoals dat op 31 juli 1993 luidde, die hij op die datum vervulde, behoudt aanspraak op bezoldiging volgens het carrièrepatroon dat behoorde bij de functie die hij op 31 juli 1993 bekleedde, zolang hij aan de instelling verbonden blijft, onverminderd het bepaalde in artikel V-R601.

Artikel V-R603

Voor zover de specifieke gebouwensituatie van de instelling dit noodzakelijk maakt, is in het georganiseerd overleg als bedoeld in artikel IV-E2, eerste lid, onderwerp van overleg de wijze waarop en de periode waarin de minimaal gebonden weektaak wordt bereikt.

Paragraaf 7. Overgangsrecht leraar vormingswerk

Artikel V-R701

1. De vormingsleider voor wie met toepassing van artikel C2, eerste lid, van het Besluit overgangsmaatregelen v.j. en v.j.v. 1985 een uitzicht is vastgesteld en die met ingang van 1 april 1985 wordt benoemd in een functie waarin het hoogste bedrag in de daarbij behorende maximumschaal lager is dan dat uitzicht, behoudt, behoudens het bepaalde in het vierde en vijfde lid, aanspraak op vaststelling van zijn salaris overeenkomstig dat uitzicht, zolang hij zonder wezenlijke onderbreking werkzaam blijft in een functie als bedoeld in hoofdstuk I-Q en I-R in het vormingswerk.

2. De vormingsleider, bedoeld in het eerste lid, die na 1 april 1985 een functie aanvaardt met een hoger maximumsalaris dan het bedrag van het voor hem vastgestelde uitzicht, behoudt nadien de aanspraak op vaststelling van zijn salaris overeenkomstig het voor hem vastgestelde uitzicht slechts indien hij uit die functie met een hoger maximumsalaris wordt ontslagen met recht op een ontslaguitkering als bedoeld in hoofdstuk I-H dan wel een uitkering als bedoeld in het Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel of, voor wat betreft de vormingsleider van een instituut voor vormingswerk voor jonge volwassenen, een uitkering ingevolge het Besluit van 4 december 1979, houdende vaststelling van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 6, derde lid, van de Werkloosheidswet (Stb. 1979, 769) en hij daarna zonder wezenlijke onderbreking, doch vóór 1 april 2000 een functie aanvaardt met een maximumsalaris dat lager is dan het voor hem vastgestelde uitzicht.

3. Met een wezenlijke onderbreking als aangegeven in het eerste en tweede lid wordt een periode van langer dan twee maanden bedoeld. De tijd gedurende welke een ontslaguitkering als bedoeld in hoofdstuk I-H dan wel een uitkering als bedoeld in het Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel of, voor wat betreft de vormingsleider van een instituut voor vormingswerk voor jonge volwassenen, een uitkering ingevolge het Besluit van 4 december 1979, houdende vaststelling van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 6, derde lid, van de Werkloosheidswet (Stb. 1979, 769) wordt genoten, wordt niet als onderbreking aangemerkt.

4. Ten aanzien van de vormingsleider die op 1 april 1985 in het genot is van een ontslaguitkering en voor wie met toepassing van artikel C7 van het Besluit overgangsmaatregelen v.j. en v.j.v. 1985 een uitzicht is vastgesteld, is het bepaalde in de voorgaande leden van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat voor de datum "1 april 1985" wordt gelezen: de dag waarop hij na 1 april 1985 zijn functie als vormingsleider aanvaardt.

5. Zolang de vormingsleider, bedoeld in het eerste tot en met vierde lid, is benoemd in een functie waarvan het maximumsalaris lager is dan het voor hem ingevolge artikel C2, eerste lid, van het Besluit overgangsmaatregelen v.j. en v.j.v. 1985 vastgesteld uitzicht, is hij ontheven van de verplichting te voldoen aan de promotiecriteria bedoeld in artikel I-R103.

Artikel V-R702

1. Bij de toepassing van het bepaalde in artikel V-R701 wordt niet als onderbreking aangemerkt de periode gedurende welke de betrokkene zonder onderbreking van meer dan twee maanden bleef verbonden aan een instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder d6, die is ontstaan of mede is ontstaan uit een instelling voor vormingswerk voor jonge volwassenen waaraan hij op de dag voorafgaande aan de overgang vanuit die instelling voor vormingswerk voor jonge volwassenen naar eerstgenoemde instelling als vormingswerker was verbonden, mits het bepaalde in artikel V-R902 op hem van toepassing is gebleven.

2. Het bepaalde in het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de betrokkene die zonder onderbreking van meer dan twee maanden bleef verbonden aan een instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder d13, waarnaar zijn overgang als bedoeld in artikel A1, tweede lid, van de Overgangsregeling ondersteuning VE heeft plaatsgevonden vanuit een instelling voor vormingswerk voor jonge volwassenen waaraan hij op de dag voorafgaande aan die overgang als vormingswerker was verbonden, mits het bepaalde in artikel V-Q1102 dan wel artikel V-S1102 op hem van toepassing is gebleven.

Paragraaf 7. Overgangsrecht leraar vormingswerk

Artikel V-R703

1. De leraar bedoeld in artikel I-A1, onder e5, bij wiens functie op 1 augustus 1994 een lagere maximumschaal behoort dan bij de functie die hij op 31 juli 1994 vervulde, behoudt aanspraak op bezoldiging volgens de hoogste aanloopschaal die behoorde bij de functie die hij op 31 juli 1994 bekleedde, zolang hij als zodanig aan de instelling verbonden blijft, onverminderd het bepaalde in artikel V-R704.

2. In afwijking van het eerste lid behoudt de betrokkene, bedoeld in artikel I-A1, onder e5, die bij voortzetting van de functie die hij op 31 juli 1994 bekleedde, op 1 augustus 1995 zou worden bezoldigd volgens de maximumschaal bij die functie, aanspraak op bezoldiging volgens die maximumschaal zolang hij als zodanig aan de instelling verbonden blijft, onverminderd het bepaalde in artikel V-R704.

3. De betrokkene bedoeld in artikel I-A1, onder e5, bij wiens functie op 1 augustus 1994 een lagere schaal behoort dan bij de functie volgens hoofdstuk I-Q zoals dat op 31 juli 1994 luidde, die hij op die datum vervulde, behoudt aanspraak op bezoldiging volgens het carrièrepatroon dat behoorde bij de functie die hij op 31 juli 1994 bekleedde, zolang hij aan de instelling verbonden blijft, onverminderd het bepaalde in artikel V-R704.

Artikel V-R704

Op de betrokkene bedoeld in artikel I-A1, onder e5, voor wie tot en met 31 juli 1994 op grond van artikel IV, onderdeel 3, onder a, sub 1, van het besluit van 3 juli 1992 (Stb 1992, 389) (Formatiebudgetsysteem) een of meer van de artikelen V-Q701, V-Q702, V-Q703, V-R702, eerste en tweede lid, en V-R703, van toepassing zijn gebleven, zijn de artikelen V-Q701, V-Q702, V-Q703, V-R701, V-R702, en V-R703 van overeenkomstige toepassing.

Artikel V-R705

Voor zover de specifieke gebouwensituatie van de instelling dit noodzakelijk maakt, is in het georganiseerd overleg als bedoeld in artikel IV-E2, eerste lid, onderwerp van overleg de wijze waarop en de periode waarin de minimaal gebonden weektaak wordt bereikt.

Paragraaf 8. Overgangsrecht landbouwpraktijkonderwijs

Artikel V-R801

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

"betrokkene": de betrokkene, bedoeld in artikel I-A1 onder e10, voor zover betreft een lid van het onderwijsgevend personeel wiens functie tot 1 augustus 1992 werd aangeduid als instructeur als bedoeld in artikel I-R801, onder a, zoals dat artikel tot die datum luidde.

Artikel V-R802

1. De betrokkene die tot 1 april 1985 werd bezoldigd op de voet van de in hoofdstuk I-Q genoemde schalen voor leraren, zoals die op 31 maart 1985 luidden, heeft aanspraak op het in hoofdstuk C van het Besluit overgangsmaatregelen v.o. 1985 gegeven overgangsrecht ter zake van salarisuitzichten.

2. Artikel V-R402 is ten aanzien van de betrokkene, bedoeld in het eerste lid, van overeenkomstige toepassing.

Artikel V-R803

De betrekking van de betrokkene die op 28 februari 1987 aan een landbouwpraktijkschool was verbonden en sindsdien als instructeur aan deze instelling verbonden is gebleven, wordt eerst opgeheven nadat zijn functie voor de totale omvang gedurende een schooljaar niet meer is opgenomen geweest in de formatie bedoeld in artikel I-P76, tweede lid, onder a.

Artikel V-R804

De betrokkene die op 28 februari 1987 60 jaar of ouder was en op deze datum aan een landbouwpraktijkschool was verbonden en sindsdien als betrokkene aan deze instelling verbonden is gebleven, behoudt aanspraak op werktijdverkorting op de voet van artikel I-T12, zoals die luidde op 28 februari 1987.

Artikel V-R805

De betrokkene die op 28 februari 1987 jonger is dan 28 jaar en op deze datum aan een landbouwpraktijkschool was verbonden en sindsdien als betrokkene aan deze instelling verbonden is gebleven, behoudt, zolang hij de 28-jarige leeftijd nog niet heeft bereikt, aanspraak op arbeidsduurverkorting op de voet van de voor het onderwijsondersteunend personeel van landbouwpraktijkscholen geldende regeling zoals die luidde op 28 februari 1987.

Artikel V-R806

Het salaris van de betrokkene die op 28 februari 1987 aan een landbouwpraktijkschool was verbonden en sindsdien als betrokkene aan deze instelling verbonden is gebleven en aan wie, wegens werkzaamheden buiten de normale werktijden, met instemming van Onze Minister een toelage was toegekend en voor wie deze toelage als gevolg van de inwerkingtreding van paragraaf 8 van hoofdstuk I-R komt te vervallen wordt voor zover daarmee het hoogste bedrag in de bij deze functie behorende maximumschaal niet wordt overschreden, met ingang van 1 maart 1987 verhoogd volgens nader door Onze Minister vast te stellen regels.

Artikel V-R807

Voor zover de specifieke gebouwensituatie van de instelling dit noodzakelijk maakt, is in het georganiseerd overleg als bedoeld in artikel IV-E2, eerste lid, onderwerp van overleg de wijze waarop en de periode waarin de minimaal gebonden weektaak wordt bereikt.

Paragraaf 9. Overgangsrecht educatief werkers basiseducatie

Artikel V-R901

1. De betrokkene op wie het bepaalde in de Overgangsregeling basiseducatie, met uitzondering van artikel A2 van dat besluit, van toepassing is, behoudt bij een instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder d6, waaraan hij op de dag van overgang daar naar toe wordt verbonden als educatief werker, uitzicht op vaststelling van zijn salaris volgens het bedrag bij het hoogste salarisnummer van de schaal waarin hij is ingepast op de dag waarop de overgang naar die instelling plaatsvindt.

2. Indien de schaal, bedoeld in het eerste lid, een lager nummer heeft dan de hoogste aanloopschaal, die behoorde bij de functie die de educatief werker vervulde op de dag voorafgaande aan de overgang naar de instelling, bedoeld in artikel I-A1, onder d6, behoudt hij, in afwijking van het bepaalde in het eerste lid, uitzicht op vaststelling van zijn salaris volgens het bedrag bij het hoogste salarisnummer van die hoogste aanloopschaal.

Artikel V-R902

1. De betrokkene voor wie een uitzicht is vastgesteld met toepassing of overeenkomstige toepassing van een der artikelen V-R402 dan wel V-R701 en die met ingang van de dag waarop in verband met de uitvoering van de Rijksregeling basiseducatie overgang naar een instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder d6 heeft plaatsgevonden, vanuit de door hem beklede functie van leraar of vormingswerker is benoemd aan die instelling in een functie als bedoeld in paragraaf 9 van hoofdstuk I-R behoudt, in afwijking van het bepaalde in artikel V-R901, aanspraak op vaststelling van zijn salaris overeenkomstig dat uitzicht zolang hij zonder wezenlijke onderbreking aan een instelling als bedoeld in artikel I-A1 onder d6, verbonden blijft in een functie waarbij een maximumschaal hoort die ten minste gelijk is aan de maximumschaal die behoort bij de functie die hem is toebedeeld bij de overgang naar meergenoemde instelling.

2. De betrokkene voor wie een uitzicht is vastgesteld met toepassing van of overeenkomstige toepassing van een der artikelen V-Q401, V-Q402, V-Q701 of V-Q702 en die met ingang van de dag waarop in verband met de invoering van de Rijksregeling basiseducatie overgang naar een instelling als bedoeld in artikel I-A1 onder d6, heeft plaatsgevonden, vanuit de door hem beklede functie van directeur, directeur/coördinator of adjunct-directeur anders dan op eigen verzoek is benoemd aan die instelling in een functie als bedoeld in paragraaf 9 van hoofdstuk I-R, behoudt in afwijking van het bepaalde in artikel V-R901 aanspraak op vaststelling van zijn salaris overeenkomstig dat uitzicht zolang hij zonder wezenlijke onderbreking aan een instelling als bedoeld in artikel I-A1 onder d6, verbonden blijft in een functie, waarbij een maximumschaal hoort die ten minste gelijk is aan de maximumschaal, die behoort bij de functie die hem is toebedeeld bij de overgang naar meergenoemde instelling.

3. Met een wezenlijke onderbreking als aangegeven in het eerste en tweede lid, wordt een periode van langer dan twee maanden bedoeld. De tijd gedurende welke een ontslaguitkering als bedoeld in hoofdstuk I-H dan wel een uitkering als bedoeld in het Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel wordt genoten, wordt niet als onderbreking aangemerkt.

Artikel V-R903

Vervallen

Paragraaf 12. Overgangsrecht leraren M.B.O.

Artikel V-R1201

1. De leraar bedoeld in artikel I-A1, onder e14, bij wiens functie op 1 augustus 1990 een lagere maximumschaal behoort dan bij de functie die hij op 31 juli 1990 vervulde, behoudt aanspraak op bezoldiging volgens de hoogste aanloopschaal die behoorde bij de functie die hij op 31 juli 1990 bekleedde, zoals hij als zodanig aan de instelling verbonden blijft, onverminderd het bepaalde in artikel V-R1203.

2. In afwijking van het eerste lid behoudt de betrokkene, bedoeld in artikel I-A1, onder e14, die bij voortzetting van de functie die hij op 31 juli 1990 bekleedde, op 31 juli 1992 zou worden bezoldigd volgens de maximumschaal bij die functie, aanspraak op bezoldiging volgens die maximumschaal zolang hij als zodanig aan de instelling verbonden blijft, onverminderd het bepaalde in artikel V-R1203.

3. De betrokkene bedoeld in artikel I-A1, onder e14, bij wiens functie op 1 augustus 1990 een lagere schaal behoort dan bij de functie volgens hoofdstuk I-Q zoals dat op 31 juli 1990 luidde, die hij op die datum vervulde, behoudt aanspraak op bezoldiging volgens het carrièrepatroon dat behoorde bij de functie die hij op 31 juli 1990 bekleedde, zoals hij aan de instelling verbonden blijft, onverminderd het bepaalde in artikel V-R1203.

Artikel V-R1202

Op de leraar bedoeld in artikel I-A1, onder e14, voor wie op 31 juli 1990 artikel V-Q404 dan wel artikel V-R406, zoals die artikelen op die datum luidden, van toepassing was en die op 1 augustus 1990 in dienst is bij een instelling, bedoeld in artikel I-A1, onder d14, en voor wie een betrekkingsomvang van meer dan 38 uur is berekend, komt niet voor bezoldiging in aanmerking het verschil tussen 38 uur en de voor hem 1 augustus 1990 geldende betrekkingsomvang.

Artikel V-R1203

1. Op de betrokkene bedoeld in artikel I-A1, onder e14, voor wie op 31 juli 1990 een of meer der artikelen V-Q402, V-Q403, V-Q405, V-Q406, V-R402, eerste en tweede lid, V-R403, V-R404, V-R404a, V-R407 en V-R408, zoals die artikelen op die datum luidden, van toepassing waren, zijn in afwijking van artikel V-R1201 de artikelen V-P6, V-Q401, V-Q402, V-Q405, V-Q406, V-R401, V-R402, V-R403, V-R405 en V-R406 van overeenkomstig toepassing.

2.

De betrokkene bedoeld in artikel I-A1, onder e14, die op 31 juli 1990 en 1 augustus 1990 bij de instelling dan wel een instelling als bedoeld in artikel I-Q101, onderdeel c onder 3, in dienst is en voor wie op 31 juli 1990 een of meer der artikelen V-Q402, V-Q403, V-Q406, V-R404 en V-R408, zoals die artikelen op die datum luidden, van toepassing waren, behoudt de in die artikelen bedoelde aanspraak indien hij op of na 1 augustus 1990 vrijwillig een functie aanvaardt met een maximumschaal die ten hoogste één lager is dan de maximumschaal bij de functie die hij op 31 juli 1990 bekleedde, mits:

a. a. in de door hem niet aanvaarde dan wel nadien opgegeven functie een andere betrokkene wordt benoemd die boventallig is en b. b. die andere betrokkene een aanspraak heeft als bedoeld in de in de aanhef genoemde artikelen die tenminste gelijk is aan het maximumsalaris van de maximumschaal van de functie die behoort bij de functie waarin hij wordt benoemd en c. c. de boventalligheid aan een instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder d14, wordt verminderd en d. d. in een verticale scholengemeenschap: het verschil in salaris van de in het gestelde onder a. bedoelde beide betrokkenen niet meer bedraagt dan twee periodieke verhogingen.

Artikel V-R1204

Voor zover de specifieke gebouwensituatie van de instelling dit noodzakelijk maakt, is in het georganiseerd overleg als bedoeld in artikel IV-E2, eerste lid, onderwerp van overleg de wijze waarop en de periode waarin de minimaal gebonden weektaak wordt bereikt.

Artikel V-R1205

1. De artikelen V-R1201 tot en met V-R1204 zijn niet van toepassing op de leraar die benoemd is in de formatie, bedoeld in artikel I-R1209, onder b, dan wel het deel van zijn benoeming dat daarop betrekking heeft indien hij tevens is benoemd in de formatie als bedoeld in artikel I-R1209, onder a.

2. Op de in het eerste lid bedoelde leraar zijn de artikelen V-P6, V-R401 tot en met V-R409 van overeenkomstige toepassing.

Artikel V-R1206

De leraar die is of wordt aangesteld om voor meer dan de helft van zijn betrekkingsomvang werkzaamheden te verrichten aan de h.a.v.o./m.b.o.-afdeling van de school of de horizontale scholengemeenschap, bekleedt een functie als eerstegraads leraar. De maximumschaal bij deze functie is schaal 12.

Artikel V-R1207

1. Ten behoeve van de v.w.o./a.v.o.-sector in de horizontale scholengemeenschap, bedoeld in artikel I-Q101, onderdeel c onder 2, zijn in plaats van de in artikel I-R1204, tweede lid, genoemde functies, voor leraren de normfuncties van eerstegraads en tweedegraads leraar beschikbaar, overeenkomstig het bepaalde in artikel I-R402.

2. Indien van de scholengemeenschap, bedoeld in artikel I-Q101, onderdeel c, onder 2, een instelling of cursus voor algemeen en op het beroep gericht onderwijs of een instituut voor deeltijd vervolg/beroepsonderwijs deel uitmaakt, zijn in plaats van de in artikel I-R1204, tweede lid, genoemde functies voor leraren de normfuncties van leraar primaire opleidingen beschikbaar, overeenkomstig het bepaalde in artikel I-R402.

Paragraaf 13. Overgangsrecht leraren AOC

Artikel V-R1301

1. De leraar bedoeld in artikel I-A1, onder e15, bij wiens functie op 1 augustus 1990 een lagere maximumschaal behoort dan bij de functie die hij op 31 juli 1990 vervulde, behoudt aanspraak op bezoldiging volgens de hoogste aanloopschaal die behoorde bij de functie die hij op 31 juli 1990 bekleedde, zolang hij als zodanig aan de instelling verbonden blijft, onverminderd het bepaalde in artikel V-R1303.

2. In afwijking van het eerste lid behoudt de betrokkene, bedoeld in artikel I-A1, onder e15, die bij voortzetting van de functie die hij op 31 juli 1990 bekleedde, op 31 juli 1993 zou worden bezoldigd volgens de maximumschaal bij die functie, aanspraak op bezoldiging volgens die maximumschaal zolang hij als zodanig aan de instelling verbonden blijft, onverminderd het bepaalde in artikel V-R1303.

3. De betrokkene, bedoeld in artikel I-A1, onder e15, bij wiens functie op 1 augustus 1990 een lagere schaal behoort dan bij de functie volgens hoofdstuk I-Q zoals dat op 31 juli 1990 luidde, die hij op die datum vervulde, behoudt aanspraak op bezoldiging volgens het carrièrepatroon dat behoorde bij de functie die hij op 31 juli 1990 bekleedde, zolang hij aan de instelling verbonden blijft, onverminderd het bepaalde in artikel V-R1303.

4. De leraar bedoeld in artikel I-A1, onder e15, die op 1 augustus 1993 wordt geplaatst in een functie aan de bbo-component waarbij een lagere maximumschaal behoort dan bij de functie die hij op 31 juli 1993 vervulde, behoudt aanspraak op bezoldiging volgens de hoogste aanloopschaal die behoorde bij de functie die hij op 31 juli 1993 bekleedde, zolang hij als zodanig aan de instelling verbonden blijft, onverminderd het bepaalde in artikel V-R1303.

5. In afwijking van het vierde lid behoudt de betrokkene, bedoeld in artikel I-A1, onder e15, die bij voortzetting van de functie die hij op 31 juli 1993 bekleedde, op 1 augustus 1994 zou worden bezoldigd volgens de maximumschaal bij die functie, aanspraak op bezoldiging volgens die maximumschaal zolang hij als zodanig aan de instelling verbonden blijft, onverminderd het bepaalde in artikel V-R1303.

Artikel V-R1302

Op de leraar bedoeld in artikel I-A1, onder e15, voor wie op 31 juli 1990 artikel V-Q404 dan wel artikel V-R406, zoals die artikelen op die datum luidden, van toepassing was en die op 1 augustus 1990 in dienst is bij een instelling, bedoeld in artikel I-A1, onder d15, en voor wie een betrekkingsomvang van meer dan 38 uur is berekend, komt niet voor bezoldiging in aanmerking het verschil tussen 38 uur en de voor hem op 1 augustus 1990 geldende betrekkingsomvang.

Artikel V-R1303

1. Op de betrokkene bedoeld in artikel I-A1, onder e15, voor wie op 31 juli 1990 een of meer der artikelen V-Q402, V-Q403, V-Q405, V-Q406, V-R402, eerste en tweede lid, V-R403, V-R404, V-R404a, V-R407 en V-R408, zoals die artikelen op die datum luidden, van toepassing waren, zijn in afwijking van artikel V-R1301 de artikelen V-P6, V-Q401, V-Q402, V-Q405, V-Q406, V-R401, V-R402, V-R403, V-R405 en V-R406 van overeenkomstige toepassing.

2.

De betrokkene bedoeld in artikel I-A1, onder e15, die op 31 juli 1990 en 1 augustus 1990 bij de instelling in dienst is en voor wie op 31 juli 1990 een of meer der artikelen V-Q402, V-Q403, V-Q406, V-R404 en V-R408, zoals die artikelen op die datum luidden, van toepassing waren, behoudt de in die artikelen bedoelde aanspraak indien hij op of na 1 augustus 1990 vrijwillig een functie aanvaardt met een maximumschaal die ten hoogste één lager is dan de maximumschaal bij de functie die hij op 31 juli 1990, bekleedde, mits:

a. a. in de door hem niet aanvaarde dan wel nadien opgegeven functie een andere betrokkene wordt benoemd die boventallig is en b. b. die andere betrokkene een aanspraak heeft als bedoeld in de in de aanhef genoemde artikelen die tenminste gelijk is aan het maximumsalaris van de maximumschaal van de functie die behoort bij de functie waarin hij wordt benoemd en c. c. de boventalligheid aan een instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder d15, wordt verminderd en d. d. het verschil in salaris van de in het gestelde onder a. bedoelde beide betrokkenen niet meer bedraagt dan twee periodieke verhogingen.

Artikel V-R1304

Voor zover de specifieke gebouwensituatie van de instelling dit noodzakelijk maakt, is in het georganiseerd overleg als bedoeld in artikel IV-E2, eerste lid, onderwerp van overleg de wijze waarop en de periode waarin de minimaal gebonden weektaak wordt bereikt.

Paragraaf 14. Overgangsrecht leraren vavo

Artikel V-R1401

1. De leraar bedoeld in artikel I-A1, onder e17, bij wiens functie op 1 augustus 1993 een lagere maximumschaal behoort dan bij de functie die hij op 31 juli 1993 vervulde, behoudt aanspraak op bezoldiging volgens de hoogste aanloopschaal die behoorde bij de functie die hij op 31 juli 1993 bekleedde, zolang hij als zodanig aan de instelling verbonden blijft, onverminderd het bepaalde in artikel V-R1403.

2. In afwijking van het eerste lid behoudt de betrokkene, bedoeld in artikel I-A1, onder e17, die bij voortzetting van de functie die hij op 31 juli 1993 bekleedde, op 1 augustus 1994 zou worden bezoldigd volgens de maximumschaal bij die functie, aanspraak op bezoldiging volgens die maximumschaal zolang hij als zodanig aan de instelling verbonden blijft, onverminderd het bepaalde in artikel V-R1403.

3. De betrokkene bedoeld in artikel I-A1, onder e17, bij wiens functie op 1 augustus 1993 een lagere schaal behoort dan bij de functie volgens hoofdstuk I-Q zoals dat op 31 juli 1993 luidde, die hij op die datum vervulde, behoudt aanspraak op bezoldiging volgens het carrièrepatroon dat behoorde bij de functie die hij op 31 juli 1993 bekleedde, zolang hij aan de instelling verbonden blijft, onverminderd het bepaalde in artikel V-R1403.

Artikel V-R1402

De leraar bedoeld in artikel I-A1, onder e17, voor wie op 31 juli 1993 artikel V-Q404 dan wel artikel V-R404, zoals die artikelen op die datum luidden, van toepassing was en die op 1 augustus 1993 in dienst is bij een instelling, bedoeld in artikel I-A1, onder d17, en voor wie een betrekkingsomvang van meer dan 38 uur is berekend, komt niet voor bezoldiging in aanmerking voor het verschil tussen 38 uur en de voor hem 1 augustus 1993 geldende betrekkingsomvang.

Artikel V-R1403

Op de betrokkene bedoeld in artikel I-A1, onder e17, voor wie tot en met 31 juli 1993 op grond van artikel IV, onderdeel 3, onder a ,sub 1, van het besluit van 3 juli 1992 (Stb 1992, 389) (Formatiebudgetsysteem) een of meer van de artikelen V-Q402, V-Q403, V-Q405, V-Q406, V-R402, eerste en tweede lid, V-R403, V-R404, V-R404a, V-R407 en V-R408, van toepassing zijn gebleven, zijn de artikelen V-P6, V-Q401, V-Q402, V-Q405, V-Q406, V-R401, V-R402, V-R403, V-R405 en V-R406 van overeenkomstige toepassing.

Artikel V-R1404

Voor zover de specifieke gebouwensituatie van de instelling dit noodzakelijk maakt, is in het georganiseerd overleg als bedoeld in artikel IV-E2, eerste lid, onderwerp van overleg de wijze waarop en de periode waarin de minimaal gebonden weektaak wordt bereikt.

Artikel V-R1405

1. De artikelen V-R1401 tot en met V-R1404 zijn niet van toepassing op de leraar die benoemd is in de formatie, bedoeld in artikel I-R1409, onder b, dan wel het deel van zijn benoeming dat daarop betrekking heeft indien hij tevens is benoemd in de formatie als bedoeld in artikel I-R1409, onder a.

2. Op de in het eerste lid bedoelde leraar zijn de artikelen V-P6, V-R401 tot en met V-R409 van overeenkomstige toepassing.

Paragraaf 15. Overgangsrecht leraren bbo

Artikel V-R1501

1. De leraar bedoeld in artikel I-A1, onder e18, bij wiens functie op 1 augustus 1993 een lagere maximumschaal behoort dan bij de functie die hij op 31 juli 1993 vervulde, behoudt aanspraak op bezoldiging volgens de hoogste aanloopschaal die behoorde bij de functie die hij op 31 juli 1993 bekleedde, zolang hij als zodanig aan de instelling verbonden blijft, onverminderd het bepaalde in artikel V-R1503.

2. In afwijking van het eerste lid behoudt de betrokkene, bedoeld in artikel I-A1, onder e18, die bij voortzetting van de functie die hij op 31 juli 1993 bekleedde, op 1 augustus 1994 zou worden bezoldigd volgens de maximumschaal bij die functie, aanspraak op bezoldiging volgens die maximumschaal zolang hij als zodanig aan de instelling verbonden blijft, onverminderd het bepaalde in artikel V-R1503.

3. De betrokkene bedoeld in artikel I-A1, onder e18, bij wiens functie op 1 augustus 1993 een lagere schaal behoort dan bij de functie volgens hoofdstuk I-Q zoals dat op 31 juli 1993 luidde, die hij op die datum vervulde, behoudt aanspraak op bezoldiging volgens het carrièrepatroon dat behoorde bij de functie die hij op 31 juli 1993 bekleedde, zolang hij aan de instelling verbonden blijft, onverminderd het bepaalde in artikel V-R1503.

Artikel V-R1502

De leraar bedoeld in artikel I-A1, onder e18, voor wie op 31 juli 1993 artikel V-Q404 dan wel artikel V-R404, zoals die artikelen op die datum luidden, van toepassing was en die op 1 augustus 1993 in dienst is bij een instelling, bedoeld in artikel I-A1, onder d18, en voor wie een betrekkingsomvang van meer dan 38 uur is berekend, komt niet voor bezoldiging in aanmerking voor het verschil tussen 38 uur en de voor hem 1 augustus 1993 geldende betrekkingsomvang.

Artikel V-R1503

Op de betrokkene bedoeld in artikel I-A1, onder d18, voor wie tot en met 31 juli 1993 op grond van artikel IV, onderdeel 3, onder a, sub 1, van het besluit van 3 juli 1992 (Stb 1992, 389) (Formatiebudgetsysteem) een of meer van de artikelen V-Q402, V-Q403, V-Q405, V-Q406, V-R402, eerste en tweede lid, V-R403, V-R404, V-R404a, V-R407 en V-R408, van toepassing zijn gebleven, zijn de artikelen V-P6, V-Q401, V-Q402, V-Q405, V-Q406, V-R401, V-R402, V-R403, V-R405 en V-R406 van overeenkomstige toepassing.

Artikel V-R1504

Voor zover de specifieke gebouwensituatie van de instelling dit noodzakelijk maakt, is in het georganiseerd overleg als bedoeld in artikel IV-E2, eerste lid, onderwerp van overleg de wijze waarop en de periode waarin de minimaal gebonden weektaak wordt bereikt.

Artikel V-R1505

1. De artikelen V-R1501 tot en met V-R1504 zijn niet van toepassing op de leraar die benoemd is in de formatie, bedoeld in artikel I-R1509, onder b, dan wel het deel van zijn benoeming dat daarop betrekking heeft indien hij tevens is benoemd in de formatie als bedoeld in artikel I-R1509, onder a.

2. Op de in het eerste lid bedoelde leraar zijn de artikelen V-P6, V-R401 tot en met V-R409 van overeenkomstige toepassing.

Hoofdstuk V-S. Overgangsrecht formatie en salariëring onderwijsondersteunend en beheerspersoneel

Paragraaf 1. Algemeen

Artikel V-S101

1. De betrokkene die op 30 april 1987 en op 1 mei 1987 aan een instelling is verbonden en die op grond van overgangsrecht zoals dat op grond van hoofdstuk V-T op 30 april 1987 luidde uitzicht had op een salarisbedrag dat hoger is dan het hoogste bedrag in de bij zijn functie behorende maximumschaal, behoudt dat uitzicht zolang hij in dezelfde functie aan dezelfde instelling verbonden blijft.

2.

Zolang het salaris van de betrokkene, bedoeld in het eerste lid, nog niet is vastgesteld op het hoogste bedrag in de bij zijn functie behorende maximumschaal wordt hem jaarlijks met toepassing van artikel I-P13 een periodieke verhoging toegekend.

Indien hij het bij zijn functie behorende maximumsalaris gedurende twaalf maanden heeft genoten, wordt hem vervolgens jaarlijks op de voet van artikel I-P13 een periodieke verhoging toegekend. Deze jaarlijkse periodieke verhoging wordt hem toegekend in de laagste schaal waarin het naasthogere bedrag voorkomt, tot het moment waarop het salarisniveau is bereikt dat gelijk is aan het voor hem vastgestelde uitzicht, bedoeld in het eerste lid.

Artikel V-S102

Voor de toepassing van artikel I-S107, vierde lid, wordt voor de betrokkene die op de datum van inwerkingtreding van dit besluit de leeftijd van 55 jaar reeds heeft bereikt, de in genoemd artikellid bedoelde toelage vastgesteld op het bedrag dat de betrokkene over de twaalf kalendermaanden direct voorafgaande aan de dag voor inwerkingtreding van dit besluit gemiddeld per maand heeft genoten aan toelagen als bedoeld in artikel I-S107, eerste lid, of artikel I-S108 zoals dat luidde op de dag voor de inwerkingtreding van dit besluit, welk bedrag wordt aangepast aan algemene salariswijzigingen.

Artikel V-S103

1.

De betrokkene, bedoeld in I-A1, onder e1, e2, en e16, die op 31 december 1999 was benoemd in een functie als bedoeld in hoofdstuk I-S en die op 1 januari 2000 in diezelfde functie blijft benoemd, heeft met ingang van 1 januari 2000 aanspraak op een salaris bij het op hem van toepassing zijnde salarisnummer als bedoeld in bijlage S13 indien hij op 31 december 1999 voldeed aan een van de volgende voorwaarden:

a. a. hij werd voor het tweede, derde of vierde achtereenvolgende jaar bezoldigd naar het bij zijn functie behorende maximumsalaris in schaal 1, 2, 3, 4 of 5, of b. b. hij werd bezoldigd naar een bedrag vermeld achter een salarisnummer beginnend met de letter U.

2. Van de betrokkene, bedoeld in artikel I-A1, onder e1, e2 en e16, die op 31 december 1999 was benoemd in een functie als bedoeld in hoofdstuk I-S en die op 1 januari 2000 wordt benoemd in een functie als bedoeld in hoofdstuk I-S of een functie als bedoeld in hoofdstuk I-Q of I-R, wordt ten behoeve van de vaststelling van het salaris in de nieuwe functie het in die vorige onderwijsfunctie genoten salaris vastgesteld zoals het zou zijn vastgesteld op grond van het eerste lid, indien op 31 december 1999 is voldaan aan een van de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid, onder a en b. De eerste volzin is niet van toepassing op de betrokkene die wordt benoemd in een functie als bedoeld in artikel I-P9, tweede lid.

Paragraaf 2. Scholen voor basisonderwijs

Artikel V-S201

1. De belanghebbende voor wie met toepassing van artikel II van het besluit van 30 november 1993 (Stb. 1993, 696) een uitzicht is vastgesteld, behoudt aanspraak op vaststelling van zijn salaris overeenkomstig dat uitzicht zolang hij in dezelfde functie aan dezelfde instelling verbonden blijft.

2. Zolang het salaris van de belanghebbende bedoeld in het eerste lid nog niet is vastgesteld op het hoogste bedrag in de bij zijn functie behorende maximumschaal wordt hem jaarlijks met toepassing van artikel I-P13 een periodieke verhoging toegekend. Indien hij het bij zijn functie behorende maximumsalaris gedurende twaalf maanden heeft genoten, wordt hem vervolgens jaarlijks op de voet van artikel I-P13 een periodieke verhoging toegekend. Deze jaarlijkse periodieke verhoging wordt hem toegekend in de laagste schaal waarin het naasthogere bedrag voorkomt, tot het moment waarop het salarisniveau is bereikt dat gelijk is aan het voor hem vastgestelde uitzicht.

Paragraaf 3. Scholen als bedoeld in de

Artikel V-S301

1. De belanghebbende voor wie met toepassing van artikel II van het besluit van 30 november 1993 (Stb. 1993, 696) een uitzicht is vastgesteld, behoudt aanspraak op vaststelling van zijn salaris overeenkomstig dat uitzicht zolang hij in dezelfde functie aan dezelfde instelling verbonden blijft.

2. Zolang het salaris van de belanghebbende bedoeld in het eerste lid nog niet is vastgesteld op het hoogste bedrag in de bij zijn functie behorende maximumschaal wordt hem jaarlijks met toepassing van artikel I-P13 een periodieke verhoging toegekend. Indien hij het bij zijn functie behorende maximumsalaris gedurende twaalf maanden heeft genoten, wordt hem vervolgens jaarlijks op de voet van artikel I-P13 een periodieke verhoging toegekend. Deze jaarlijkse periodieke verhoging wordt hem toegekend in de laagste schaal waarin het naasthogere bedrag voorkomt, tot het moment waarop het salarisniveau is bereikt dat gelijk is aan het voor hem vastgestelde uitzicht.

Artikel V-S302

Vervallen

Artikel V-S303

Vervallen

Artikel V-S304

Vervallen

Paragraaf 4. Speciale scholen voor basisonderwijs

Artikel V-S401

1. De betrokkene die is benoemd in een functie als bedoeld in hoofdstuk I-S ten behoeve van het verrichten van werkzaamheden aan een speciale school voor basisonderwijs en voor wie een salarisuitzicht geldt als bedoeld in artikel II van het Besluit van 30 november 1993 (Stb. 1993, 696), behoudt aanspraak op vaststelling van zijn salaris overeenkomstig dat uitzicht bij een herplaatsing overeenkomstig artikel XLII van de Wet van 2 april 1998 tot wijziging van enkele onderwijswetten en technische wijziging van enkele andere wetten in verband met het totstandbrengen van onder meer een Wet op het primair onderwijs en een Wet op de expertisecentra (Stb. 1998, 228). Deze aanspraak geldt zolang de betrokkene bij het bevoegd gezag waarbij hij is herplaatst in dezelfde functie benoemd blijft.

2. De betrokkene die is benoemd in een functie als bedoeld in hoofdstuk I-S ten behoeve van het verrichten van werkzaamheden aan een afdeling voor voortgezet speciaal onderwijs aan moeilijk lerende kinderen van een speciale school voor basisonderwijs en voor wie een aanspraak geldt als bedoeld in het eerste lid, behoudt die aanspraak indien genoemde afdeling wordt omgevormd tot een school voor praktijkonderwijs als bedoeld in deel I van de Wet op het voortgezet onderwijs en zijn benoeming wordt voortgezet ten behoeve van het verrichten van werkzaamheden aan die school. Het eerste lid, tweede volzin, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel V-S402

Vervallen

Artikel V-S403

Vervallen

Artikel V-S404

Vervallen

Artikel V-S405

Vervallen

Paragraaf 5. Overgangsrecht overig personeel h.b.o.

Artikel V-S501

Vervallen

Artikel V-S502

Vervallen

Artikel V-S503

Vervallen

Paragraaf 6. Overgangsrecht organen leerlingwezen

Artikel V-S601

1. Indien voor de functie van de betrokkene op 1 januari 1990 ten gevolge van de wijziging op 1 januari 1990 van hoofdstuk I-S een lagere maximumschaal gaat gelden dan volgens de regeling zoals die op 31 december 1989 luidde, behoudt hij aanspraak op vaststelling van zijn salaris volgens de maximumschaal die op 31 december 1989 voor hem gold, zolang hij in dezelfde functie aan dezelfde instelling verbonden blijft.

2. Indien het salaris van de betrokkene bedoeld in het eerste lid op 31 december 1989 werd vastgesteld volgens de maximumschaal van de functie waarin hij op 31 december 1989 was benoemd, wordt hem jaarlijks met toepassing van het bepaalde in artikel I-P13 een periodieke verhoging toegekend tot het moment waarop het hoogste bedrag in de voor hem op 31 december 1989 geldende maximumschaal is bereikt.

3. Indien het salaris van de betrokkene bedoeld in het eerste lid op 31 december 1989 nog niet werd vastgesteld volgens de maximumschaal van de functie waarin hij op 31 december 1989 was benoemd, wordt hem, nadat hij gedurende 12 maanden het maximumsalaris van de voor hem sinds 1 januari 1990 geldende maximumschaal heeft genoten, jaarlijks met toepassing van het bepaalde in artikel I-P13 een periodieke verhoging toegekend. Deze jaarlijkse periodieke verhoging wordt hem toegekend in de maximumschaal van de functie waarin hij op 31 december 1989 was benoemd, tot het moment waarop het hoogste bedrag in deze maximumschaal is bereikt.

Artikel V-S602

1. Op de betrokkene, bedoeld in artikel I-A1, onder e4, bij wiens functie op 1 augustus 1993 een lagere maximumschaal behoort dan bij de functie volgens hoofdstuk I-Q, hoofdstuk I-R dan wel hoofdstuk I-S, zoals die hoofdstukken op 31 juli 1993 van toepassing waren, die hij op die datum vervulde, behoudt aanspraak op bezoldiging volgens het carrièrepatroon dat behoorde bij de functie die hij op 31 juli 1993 bekleedde, zolang hij als zodanig aan de instelling verbonden blijft, onverminderd het bepaalde in artikel V-S601.

2. Op de betrokkene, bedoeld in artikel I-A1, onder e4, bij wiens functie op 1 augustus 1993 een lagere maximumschaal behoort dan bij de functie die hij op 31 juli 1993, volgens hoofdstuk I-R zoals dat op die datum luidde, vervulde, is artikel V-R602 van overeenkomstige toepassing.

Paragraaf 7. Overgangsrecht instituten voor vormingswerk voor jeugdigen

Artikel V-S701

1. Indien voor de functie van de betrokkene op 1 januari 1990 ten gevolge van de wijziging op 1 januari 1990 van hoofdstuk I-S een lagere maximumschaal gaat gelden dan volgens de regeling zoals die op 31 december 1989 luidde, behoudt hij aanspraak op vaststelling van zijn salaris volgens de maximumschaal die op 31 december 1989 voor hem gold, zolang hij in dezelfde functie aan dezelfde instelling verbonden blijft.

2. Indien het salaris van de betrokkene bedoeld in het eerste lid op 31 december 1989 werd vastgesteld volgens de maximumschaal van de functie waarin hij op 31 december 1989 was benoemd, wordt hem jaarlijks met toepassing van het bepaalde in artikel I-P13 een periodieke verhoging toegekend tot het moment waarop het hoogste bedrag in de voor hem op 31 december 1989 geldende maximumschaal is bereikt.

3. Indien het salaris van de betrokkene bedoeld in het eerste lid op 31 december 1989 nog niet werd vastgesteld volgens de maximumschaal van de functie waarin hij op 31 december 1989 was benoemd, wordt hem, nadat hij gedurende 12 maanden het maximumsalaris van de voor hem sinds 1 januari 1990 geldende maximumschaal heeft genoten, jaarlijks met toepassing van het bepaalde in artikel I-P13 een periodieke verhoging toegekend. Deze jaarlijkse periodieke verhoging wordt hem toegekend in de maximumschaal van de functie waarin hij op 31 december 1989 was benoemd, tot het moment waarop het hoogste bedrag in deze maximumschaal is bereikt.

Artikel V-S702

1. Op de betrokkene, bedoeld in artikel I-A1, onder e5, bij wiens functie op 1 augustus 1994 een lagere maximumschaal behoort dan bij de functie volgens hoofdstuk I-Q, hoofdstuk I-R dan wel hoofdstuk I-S, zoals die hoofdstukken op 31 juli 1994 luidden, die hij op die datum vervulde, behoudt aanspraak op bezoldiging volgens het carrièrepatroon dat behoorde bij de functie die hij op 31 juli 1994 bekleedde, zolang hij als zodanig aan de instelling verbonden blijft, onverminderd het bepaalde in artikel V-S703.

2. Op de betrokkene, bedoeld in artikel I-A1, onder e5, bij wiens functie op 1 augustus 1994 een lagere maximumschaal behoort dan bij de functie die hij op 31 juli 1994, volgens hoofdstuk I-R zoals dat op die datum luidde, vervulde, is artikel V-R703 van overeenkomstige toepassing.

Artikel V-S703

Op de betrokkene bedoeld in artikel I-A1, onder e5, voor wie tot en met 31 juli 1994 op grond van artikel IV, onderdeel 3, onder a, sub 1, van het besluit van 3 juli 1992 (Stb 1992, 389) (Formatiebudgetsysteem) een of meer van de artikelen V-Q701, V-Q702, V-Q703, V-R702, eerste en tweede lid, en V-R703, van toepassing zijn gebleven, zijn de artikelen V-Q701, V-Q702, V-Q703, V-R701, V-R702, en V-R703 van overeenkomstige toepassing.

Paragraaf 9. Overgangsrecht basiseducatie

Artikel V-S901

Het bepaalde in artikel V-S101 is niet van toepassing op de betrokkene bedoeld in artikel I-S901, onder b.

Artikel V-S902

De betrokkene behorend tot het onderwijsondersteunend personeel op wie het bepaalde in de Overgangsregeling basiseducatie, met uitzondering van artikel A2 van dat besluit, van toepassing is, behoudt bij een instelling als bedoeld in artikel I-A1 onder d6, waaraan hij op de dag van overgang daarnaartoe wordt verbonden als lid van het onderwijsondersteunend personeel, uitzicht op vaststelling van zijn salaris volgens het bedrag bij het hoogste salarisnummer van de schaal waarin hij is ingepast op de dag waarop de overgang naar die instelling plaatsvindt. Indien de schaal bedoeld in de vorige volzin een lager nummer heeft dan de hoogste aanloopschaal, die behoorde bij de functie die de betrokkene vervulde op de dag voorafgaande aan de overgang naar de instelling, bedoeld in artikel I-A1 onder d6, behoudt hij, in afwijking van het bepaalde in de vorige volzin, uitzicht op vaststelling van zijn salaris volgens het bedrag bij het hoogste salarisnummer van die hoogste aanloopschaal.

Artikel V-S903

Vervallen

Artikel V-S904

Ten aanzien van de betrokkene voor wie de Overgangsregeling gewijzigde ondersteuningsstructuur VE van toepassing is, is het bepaalde in artikel V-Q1104 van overeenkomstige toepassing, zolang hij zonder onderbreking van meer dan twee maanden verbonden blijft aan een instelling als bedoeld in artikel A1, tweede lid, onder b, van de Overgangsregeling gewijzigde ondersteuningsstructuur VE, voor zover het betreft een instelling, bedoeld in artikel I-A1, onder d6.

Paragraaf 10. Overgangsrecht inhoudelijk en ondersteunend personeel verzorgingsinstellingen

Artikel V-S1001

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

Betrokkene: degene, die op 31 december 1988 in dienst is van een instelling bedoeld in artikel 8 van de Wet op de onderwijsverzorging als lid van het inhoudelijk dan wel ondersteunend personeel.

Artikel V-S1002

1. De betrokkene die per 1 januari 1989 door het bevoegd gezag een functie toegedeeld heeft gekregen waarbij een maximumschaal behoort waarvan het hoogste salaris lager is dan het hoogste salaris van de schaal die voor de betrokkene gold op 31 december 1988, behoudt vanaf 1 januari 1989 aanspraak op bezoldiging volgens die schaal, die voor hem ingevolge artikel C1 of C2 van de Invoeringsregeling WOV-personeel is vastgesteld, onverminderd het bepaalde in het tweede en derde lid.

2. De betrokkene, die per 1 januari 1989 door het bevoegd gezag een functie toegedeeld heeft gekregen en voor wie vanaf 1 januari 1989 ingevolge artikel C2, derde lid, van de Invoeringsregeling WOV-personeel een salarisschaal is gaan gelden waarvan het hoogste salaris hoger is dan het hoogste salaris bij de functie per 1 januari 1989, behoudt aanspraak op een salarisbedrag dat gelijk is aan het hoogste salaris van de voor hem op 31 december 1988 geldende schaal, onverminderd het bepaalde in het derde lid.

3. Het salarisuitzicht bedoeld in het eerste en tweede lid blijft tot 1 januari 2004 behouden zolang de betrokkene zonder wezenlijke onderbreking aan een instelling benoemd blijft in een functie met een maximumschaal die ten minste gelijk is aan de maximumschaal welke geldt voor de functie waarin hij op 1 januari 1989 werd benoemd.

4.

Met een wezenlijke onderbreking als aangegeven in het eerste lid, wordt een periode van langer dan twee maanden bedoeld.

De tijd gedurende welke een ontslaguitkering als bedoeld in hoofdstuk I-H dan wel een uitkering als bedoeld in het Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel wordt genoten, wordt niet als onderbreking aangemerkt.

5. Wat betreft het carrièrepatroon van de betrokkene, bedoeld in het eerste lid, is het bepaalde in artikel V-P1, tweede lid, van overeenkomstige toepassing.

Artikel V-S1003

1. De betrokkene voor wie vóór 1 januari 1989 met goedkeuring van Onze minister het behoud van een bepaalde salarisschaal dan wel een bepaald salarisuitzicht gold, behoudt die salarisschaal dan wel dat salarisuitzicht zolang hij aan dezelfde instelling verbonden blijft in dezelfde functie dan wel in de functie, die hem per 1 januari 1989 door het bevoegd gezag is toegedeeld.

2. De betrokkene aan wie vóór 1 januari 1989 in overeenstemming met de door Onze minister tot stand gebrachte regelingen aantoonbaar het behoud van een bepaalde salarisschaal dan wel van een bepaald salarisuitzicht is toegezegd in een bepaalde functie behoudt die salarisschaal dan wel dat salarisuitzicht zolang hij aan dezelfde instelling verbonden blijft in dezelfde functie dan wel in de functie, die hem per 1 januari 1989 door het bevoegd gezag is toegedeeld.

Artikel V-S1004

1.

De onderwijskundig medewerker B of de onderwijskundig medewerker A bij een landelijk pedagogisch centrum die sedert 31 juli 1981 als pedagogisch-didactisch medewerker aanspraak had op een salaris dat hoger is dan het maximumsalaris van schaal 12 behoudt vanaf 1 januari 1989 aanspraak op een salaris volgens onderstaand schema zolang hij zonder wezenlijke onderbreking bij dezelfde instelling in dienst blijft als onderwijskundig medewerker B of A dan wel in de functie, die hem per 1 januari 1989 door het bevoegd gezag is toegedeeld.

salaris sedert 31 juli 1981 volgens de bij de schaal vermelde leeftijd in jaren salaris vanaf 1 januari 1989
in schaal 13 bij
salarisnummer
IA IB A B C
39 42 38 41 42 5
40 43 39 42 43 6
41 44 40 43 44 7
42 - 41 - - 7

2. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, behoudt de onderwijskundig medewerker B wiens salaris op 31 december 1988 werd vastgesteld volgens een der schalen IA, IB, A, B of C voor pedagogisch-didactisch medewerkers vanaf 1 januari 1989 aanspraak op bezoldiging volgens schaal 12 zolang hij zonder wezenlijke onderbreking bij dezelfde instelling in dienst blijft als onderwijskundig medewerker B dan wel in de functie, die hem per 1 januari 1989 door het bevoegd gezag is toegedeeld.

3. Met een wezenlijke onderbreking als aangegeven in het eerste en tweede lid wordt een periode van langer dan twee maanden bedoeld. De tijd gedurende welke een ontslaguitkering als bedoeld in hoofdstuk I-H dan wel een uitkering als bedoeld in het Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel wordt genoten, wordt niet als onderbreking aangemerkt.

Paragraaf 11. Overgangsrecht inhoudelijk en ondersteunend personeel ondersteuning volwasseneneducatie

Artikel V-S1101

1. De betrokkene op wie het bepaalde in de Overgangsregeling ondersteuning VE, met uitzondering van artikel A2 van dat besluit, van toepassing is, behoudt bij een instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder d13, waaraan hij op de dag van de overgang, bedoeld in artikel A1, tweede lid, van de Overgangsregeling ondersteuning VE wordt verbonden als lid van het inhoudelijk dan wel van het ondersteunend personeel uitzicht op de vaststelling van zijn salaris volgens het bedrag bij het hoogste salarisnummer van de schaal waarop hij is ingepast op de dag waarop de overgang naar die instelling plaatsvindt. Indien de schaal, bedoeld in de vorige volzin, een lager nummer heeft dan de hoogste aanloopschaal die behoorde bij de functie die de betrokkene vervulde op de dag voorafgaande aan de overgang naar die instelling bedoeld in artikel I-A1, onder d13, behoudt hij, in afwijking van het bepaalde in de vorige volzin, uitzicht op de vaststelling zijn salaris volgens het bedrag bij het hoogste salarisnummer van die hoogste aanloopschaal.

2. Het bepaalde in het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de betrokkene die op 1 april 1989 als lid van het inhoudelijk dan wel van het ondersteunend personeel wordt verbonden aan de landelijke instelling het "Centrum voor de Innovatie van Beroepsonderwijs" en op wie de Overgangsregeling CIBB, met uitzondering van artikel 2 van die regeling, van toepassing is.

Artikel V-S1102

1. De betrokkene voor wie een uitzicht is vastgesteld met toepassing van een der artikelen V-R402 dan wel V-R701 en die met ingang van de dag waarop zijn overgang als bedoeld in artikel A1, tweede lid, van de Overgangsregeling ondersteuning VE heeft plaatsgevonden, vanuit de door hem beklede functie van leraar of vormingswerker is benoemd aan een instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder d13, in een functie als bedoeld in paragraaf 11 van hoofdstuk I-S behoudt, in afwijking van het bepaalde in artikel V-S1101, aanspraak op vaststelling van zijn salaris overeenkomstig dat uitzicht zolang hij zonder wezenlijke onderbreking aan een instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder d13, verbonden blijft in een functie waarbij een maximumschaal hoort die ten minste gelijk is aan de maximumschaal die behoort bij de functie die hem is toebedeeld bij zijn overgang naar meergenoemde instelling.

2. De betrokkene voor wie een uitzicht is vastgesteld met toepassing van een der artikelen V-Q401, V-Q402 of V-Q701 en die met ingang van de dag van zijn overgang als bedoeld in artikel A1, tweede lid, van de Overgangsregeling ondersteuning VE, naar een instelling als bedoeld in artikel I-A1 onder d13, vanuit de door hem beklede functie van directeur of adjunct-directeur anders dan op eigen verzoek is benoemd aan die instelling in een functie als bedoeld in paragraaf 11 van hoofdstuk I-S, behoudt in afwijking van het bepaalde in artikel V-S1101 aanspraak op vaststelling van zijn salaris overeenkomstig dat uitzicht zolang hij zonder wezenlijke onderbreking aan een instelling als bedoeld in artikel I-A1 onder d13, verbonden blijft in een functie, waarbij een maximumschaal hoort die ten minste gelijk is aan de maximumschaal, die behoort bij de functie die hem is toebedeeld bij zijn overgang naar meergenoemde instelling.

3. Met een wezenlijke onderbreking als aangegeven in het eerste en tweede lid, wordt een periode van langer dan twee maanden bedoeld. De tijd gedurende welke een ontslaguitkering als bedoeld in hoofdstuk I-H dan wel een uitkering als bedoeld in het Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel wordt genoten, wordt niet als onderbreking aangemerkt.

Artikel V-S1103

Vervallen

Artikel V-S1104

1. De betrokkene op wie het bepaalde in de Overgangsregeling gewijzigde ondersteuningsstructuur VE, met uitzondering van artikel A2 van dat besluit van toepassing is, behoudt bij een instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder d13, sub b, waaraan hij op de dag van overgang, bedoeld in artikel I-A1, tweede lid, van de Overgangsregeling gewijzigde ondersteuningsstructuur VE wordt verbonden als lid van het inhoudelijk dan wel het ondersteunend personeel, het uitzicht op de vaststelling van zijn salaris overeenkomstig het bepaalde in de artikelen V-S1101 en V-S1102.

2. De betrokkene, bedoeld in het eerste lid, aan wie met toepassing van artikel V-Q1103 dan wel V-S1103 een toelage is toegekend, behoudt overeenkomstig het bepaalde in artikel V-Q1103 die toelage bij een instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder d13, sub b, waaraan hij op de dag van overgang, bedoeld in artikel A1, tweede lid, van de Overgangsregeling gewijzigde ondersteuningsstructuur VE, wordt verbonden als lid van het inhoudelijk dan wel het ondersteunend personeel.

Paragraaf 12. Overgangsrecht M.B.O.

Artikel V-S1201

1. Op de betrokkene, bedoeld in artikel I-A1, onder e14, bij wiens functie op 1 augustus 1990 een lagere maximumschaal behoort dan bij de functie volgens hoofdstuk I-Q, hoofdstuk I-R dan wel hoofdstuk I-S, zoals die hoofdstukken op 31 juli 1990 luidden, die hij op die datum vervulde, behoudt aanspraak op bezoldiging volgens het carrièrepatroon dat behoorde bij de functie die hij op 31 juli 1990 bekleedde, zolang hij als zodanig aan de instelling verbonden blijft, onverminderd het bepaalde in artikel V-S1203.

2. Op de betrokkene, bedoeld in artikel I-A1, onder e14, bij wiens functie op 1 augustus 1990 een lagere maximumschaal behoort dan bij de functie die hij op 31 juli 1990, volgens hoofdstuk I-R zoals dat op die datum luidde, vervulde, is artikel V-R1201 van overeenkomstige toepassing.

3. Op de betrokkene, bedoeld in artikel I-A1, onder e14, voor wie op 31 juli 1990 een of meer der artikelen V-S404 en V-S407, zoals die artikelen op die datum luidden, van toepassing waren, zijn de artikelen V-S404 en V-S405 van overeenkomstige toepassing.

Artikel V-S1202

Voor de betrokkene bedoeld in artikel I-A1, onder e14, voor wie op 31 juli 1990 artikel V-Q404 dan wel V-R406, zoals die artikelen op die datum luidden, van toepassing was en die op 1 augustus 1990 in dienst is bij een instelling, bedoeld in artikel I-A1, onder d14, en voor wie een betrekkingsomvang van meer dan 38 uur is berekend, komt niet voor bezoldiging in aanmerking het verschil tussen 38 uur en de voor hem op 1 augustus 1990 geldende betrekkingsomvang.

Artikel V-S1203

1. Op de betrokkene bedoeld in artikel I-A1, onder e14, voor wie op 31 juli 1990 één of meer der artikelen V-Q402, V-Q403, V-Q405, V-Q406, V-R402, eerste en tweede lid, V-R403, V-R404, V-R404a, V-R407, V-R408 dan wel een of meer der artikelen in hoofdstuk V-S, paragraaf 4, zoals die artikelen op die datum luidden, van toepassing waren, zijn de artikelen V-P6, V-Q401, V-Q402, V-Q405, V-Q406, V-R401, V-R402, V-R403, V-R405 en V-R406 en bovenbedoelde artikelen in hoofdstuk V-S, paragraaf 4, van overeenkomstige toepassing.

2.

De betrokkene bedoeld in artikel I-A1, onder e14, en de betrokkene in dienst van een instelling als bedoeld in artikel I-Q101, onderdeel c onder 3, op wie op 31 juli 1990 een of meer der artikelen V-Q402, V-Q403, V-Q406, V-R404 en V-R408, zoals die artikelen op die datum luidden, van toepassing waren, behoudt de in die artikelen bedoelde aanspraak indien hij op of na 1 augustus 1990 vrijwillig een functie aanvaardt met een maximumschaal die ten hoogste één lager is dan de maximumschaal bij de functie die hij op 31 juli 1990 bekleedde, mits:

a. a. in de door hem niet aanvaarde dan wel nadien opgegeven functie een andere betrokkene wordt benoemd die boventallig is en b. b. die andere betrokkene een aanspraak heeft als bedoeld in de in de aanhef genoemde artikelen die tenminste gelijk is aan het maximumsalaris van de maximumschaal van de functie die behoort bij de functie waarin hij wordt benoemd en c. c. de boventalligheid aan een instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder d14, wordt verminderd en d. d. in een verticale scholengemeenschap: het verschil in salaris van de in het gestelde onder a bedoelde beide betrokkenen niet meer bedraagt dan twee periodieke verhogingen.

Artikel V-S1204

Artikel V-S401 is van overeenkomstige toepassing.

Artikel V-S1205

1. De artikelen V-S1201 tot en met V-S1204 zijn niet van toepassing op het lid van het ondersteunend en beheerspersoneel dat benoemd is in de formatie, bedoeld in artikel I-S1211, onder b, dan wel het deel van zijn benoeming dat daarop betrekking heeft indien hij tevens is benoemd in de formatie als bedoeld in artikel I-S1211, onder a.

2.

Op de in het eerste lid bedoelde betrokkene zijn:

    • de artikelen V-S401 tot en met V-S404 van overeenkomstige toepassing indien hij voor de datum waarop de compartimentering heeft plaatsgevonden deel uitmaakte van het onderwijsondersteunend personeel, dan wel
      
    • de artikelen V-Q401 tot en met V-Q409 van overeenkomstige toepassing indien hij voor de datum waarop de compartimentering heeft plaatsgevonden deel uitmaakte van de directie, dan wel
      
    • de artikelen V-R401 tot en met V-R409 van overeenkomstige toepassing indien hij voor de datum waarop de compartimentering heeft plaatsgevonden leraar was.
      

Paragraaf 13. Overgangsrecht AOC

Artikel V-S1301

1. De betrokkene, bedoeld in artikel I-A1, onder e15, bij wiens functie op 1 augustus 1990 een lagere maximumschaal behoort dan bij de functie volgens hoofdstuk I-Q, hoofdstuk I-R dan wel hoofdstuk I-S, zoals die hoofdstukken op 31 juli 1990 luidden, die hij op die datum vervulde, behoudt aanspraak op bezoldiging volgens het carrièrepatroon dat behoorde bij de functie die hij op 31 juli 1990 bekleedde, zolang hij als zodanig aan de instelling verbonden blijft, onverminderd het bepaalde in artikel V-S1303.

2. Op de betrokkene, bedoeld in artikel I-A1, onder e15, bij wiens functie op 1 augustus 1990 een lagere maximumschaal behoort dan bij de functie die hij op 31 juli 1990, volgens hoofdstuk I-R zoals dat op die datum luidde, vervulde, is artikel V-R1301 van overeenkomstige toepassing.

3. Op de betrokkene, bedoeld in artikel I-A1, onder e15, voor wie op 31 juli 1990 een of meer der artikelen V-S404 en V-S407, zoals die artikelen op die datum luidden, van toepassing waren, zijn de artikelen V-S404 en V-S405 van overeenkomstige toepassing.

Artikel V-S1302

Voor de betrokkene bedoeld in artikel I-A1, onder e15, voor wie op 31 juli 1990 artikel V-Q404 dan wel V-R406, zoals die artikelen op die datum luidden, van toepassing was en die op 1 augustus 1990 in dienst is bij een instelling, bedoeld in artikel I-A1, onder d15, en voor wie een betrekkingsomvang van meer dan 38 uur is berekend, komt niet voor bezoldiging in aanmerking het verschil tussen 38 uur en de voor hem op 1 augustus 1990 geldende betrekkingsomvang.

Artikel V-S1303

1. Op de betrokkene bedoeld in artikel I-A1, onder e15, voor wie op 31 juli 1990 één of meer der artikelen V-Q402, V-Q403, V-Q405, V-Q406, V-R402, eerste en tweede lid, V-R403, V-R404, V-R404a, V-R407, V-R408 dan wel een of meer der artikelen in hoofdstuk V-S, paragraaf 4, zoals die artikelen op die datum luidden, van toepassing waren, zijn de artikelen V-P6, V-Q401, V-Q402, V-Q405, V-Q406, V-R401, V-R402, V-R403, V-R405 en V-R406 en bovenbedoelde artikelen in hoofdstuk V-S, paragraaf 4, van overeenkomstige toepassing.

2.

De betrokkene bedoeld in artikel I-A1, onder e15, voor wie op 31 juli 1990 een of meer der artikelen V-Q402, V-Q403, V-Q406, V-R404 en V-R408, zoals die artikelen op die datum luidden, van toepassing waren, behoudt de in die artikelen bedoelde aanspraak indien hij op of na 1 augustus 1990 vrijwillig een functie aanvaardt met een maximumschaal die ten hoogste één lager is dan de maximumschaal bij de functie die hij op 31 juli 1990 bekleedde, mits:

a. a. in de door hem niet aanvaarde dan wel nadien opgegeven functie een andere betrokkene wordt benoemd die boventallig is en b. b. die andere betrokkene een aanspraak heeft als bedoeld in de in de aanhef genoemde artikelen die tenminste gelijk is aan het maximumsalaris van de maximumschaal van de functie die behoort bij de functie waarin hij wordt benoemd en c. c. de boventalligheid aan een instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder d15, wordt verminderd en d. d. het verschil in salaris van de in het gestelde onder a bedoelde beide betrokkenen niet meer bedraagt dan twee periodieke verhogingen.

Artikel V-S1304

Artikel V-S401 is van overeenkomstige toepassing.

Paragraaf 14. Overgangsrecht vavo

Artikel V-S1401

1. Op de betrokkene, bedoeld in artikel I-A1, onder e17, bij wiens functie op 1 augustus 1993 een lagere maximumschaal behoort dan bij de functie volgens hoofdstuk I-Q, hoofdstuk I-R dan wel hoofdstuk I-S, zoals die hoofdstukken op 31 juli 1993 luidden, die hij op die datum vervulde, behoudt aanspraak op bezoldiging volgens het carrièrepatroon dat behoorde bij de functie die hij op 31 juli 1993 bekleedde, zolang hij als zodanig aan de instelling verbonden blijft, onverminderd het bepaalde in artikel V-S1403.

2. Op de betrokkene, bedoeld in artikel I-A1, onder e17, bij wiens functie op 1 augustus 1993 een lagere maximumschaal behoort dan bij de functie die hij op 31 juli 1993, volgens hoofdstuk I-R zoals dat op die datum luidde, vervulde, is artikel V-R1401 van overeenkomstige toepassing.

3. Op de betrokkene, bedoeld in artikel I-A1, onder e17, voor wie op 31 juli 1993 een of meer der artikelen V-S404 en V-S407, zoals die artikelen op die datum luidden, van toepassing waren, zijn de artikelen V-S404 en V-S405 van overeenkomstige toepassing.

Artikel V-S1402

De betrokkene bedoeld in artikel I-A1, onder e17, voor wie op 31 juli 1993 artikel V-Q404 dan wel V-R404, zoals die artikelen op die datum luidden, van toepassing was en die op 1 augustus 1993 in dienst is bij een instelling, bedoeld in artikel I-A1, onder d17, en voor wie een betrekkingsomvang van meer dan 38 uur is berekend, komt niet voor bezoldiging in aanmerking voor het verschil tussen 38 uur en de voor hem op 1 augustus 1993 geldende betrekkingsomvang.

Artikel V-S1403

Op de betrokkene bedoeld in artikel I-A1, onder d17, voor wie tot en met 31 juli 1993 op grond van artikel IV, onderdeel 3, onder a ,sub 1, van het besluit van 3 juli 1992 (Stb 1992, 389) (Formatiebudgetsysteem) een of meer van de artikelen V-Q402, V-Q403, V-Q405, V-Q406, V-R402, eerste en tweede lid, V-R403, V-R404, V-R404a, V-R407 en V-R408, van toepassing zijn gebleven, zijn de artikelen V-P6, V-Q401, V-Q402, V-Q405, V-Q406, V-R401, V-R402, V-R403, V-R405 en V-R406 van overeenkomstige toepassing.

Artikel V-S1404

Artikel V-S401 is van overeenkomstige toepassing.

Artikel V-S1405

1. De artikelen V-S1401 tot en met V-S1404 zijn niet van toepassing op het lid van het ondersteunend en beheerspersoneel dat benoemd is in de formatie, bedoeld in artikel I-S1411, onder b, dan wel het deel van zijn benoeming dat daarop betrekking heeft indien hij tevens is benoemd in de formatie als bedoeld in artikel I-S1411, onder a.

2.

Op de in het eerste lid bedoelde betrokkene zijn:

    • de artikelen V-S401 tot en met V-S404 van overeenkomstige toepassing indien hij voor de datum waarop de compartimentering heeft plaatsgevonden deel uitmaakte van het onderwijsondersteunend personeel, dan wel
      
    • de artikelen V-Q401 tot en met V-Q409 van overeenkomstige toepassing indien hij voor de datum waarop de compartimentering heeft plaatsgevonden deel uitmaakte van de directie, dan wel
      
    • de artikelen V-R401 tot en met V-R409 van overeenkomstige toepassing indien hij voor de datum waarop de compartimentering heeft plaatsgevonden leraar was.
      

Paragraaf 15. Overgangsrecht bbo

Artikel V-S1501

1. Op de betrokkene, bedoeld in artikel I-A1, onder e18, bij wiens functie op 1 augustus 1993 een lagere maximumschaal behoort dan bij de functie volgens hoofdstuk I-Q, hoofdstuk I-R dan wel hoofdstuk I-S, zoals die hoofdstukken op 31 juli 1993 luidden, die hij op die datum vervulde, behoudt aanspraak op bezoldiging volgens het carrièrepatroon dat behoorde bij de functie die hij op 31 juli 1993 bekleedde, zolang hij als zodanig aan de instelling verbonden blijft, onverminderd het bepaalde in artikel V-S1503.

2. Op de betrokkene, bedoeld in artikel I-A1, onder e18, bij wiens functie op 1 augustus 1993 een lagere maximumschaal behoort dan bij de functie die hij op 31 juli 1993, volgens hoofdstuk I-R zoals dat op die datum luidde, vervulde, is artikel V-R1501 van overeenkomstige toepassing.

3. Op de betrokkene, bedoeld in artikel I-A1, onder e18, voor wie op 31 juli 1993 een of meer der artikelen V-S404 en V-S407, zoals die artikelen op die datum luidden, van toepassing waren, zijn de artikelen V-S404 en V-S405 van overeenkomstige toepassing.

Artikel V-S1502

De betrokkene bedoeld in artikel I-A1, onder e18, voor wie op 31 juli 1993 artikel V-Q404 dan wel V-R404, zoals die artikelen op die datum luidden, van toepassing was en die op 1 augustus 1993 in dienst is bij een instelling, bedoeld in artikel I-A1, onder d18, en voor wie een betrekkingsomvang van meer dan 38 uur is berekend, komt niet voor bezoldiging in aanmerking voor het verschil tussen 38 uur en de voor hem op 1 augustus 1993 geldende betrekkingsomvang.

Artikel V-S1503

Op de betrokkene bedoeld in artikel I-A1, onder d17, voor wie tot en met 31 juli 1993 op grond van artikel IV, onderdeel 3, onder a ,sub 1, van het besluit van 3 juli 1992 (Stb 1992, 389) (Formatiebudgetsysteem) een of meer van de artikelen V-Q402, V-Q403, V-Q405, V-Q406, V-R402, eerste en tweede lid, V-R403, V-R404, V-R404a, V-R407 en V-R408, van toepassing zijn gebleven, zijn de artikelen V-P6, V-Q401, V-Q402, V-Q405, V-Q406, V-R401, V-R402, V-R403, V-R405 en V-R406 van overeenkomstige toepassing.

Artikel V-S1504

Artikel V-S401 is van overeenkomstige toepassing.

Artikel V-S1505

1. De artikelen V-S1501 tot en met V-S1504 zijn niet van toepassing op het lid van het ondersteunend en beheerspersoneel dat benoemd is in de formatie, bedoeld in artikel I-S1511, onder b, dan wel het deel van zijn benoeming dat daarop betrekking heeft indien hij tevens is benoemd in de formatie als bedoeld in artikel I-S1511, onder a.

2.

Op de in het eerste lid bedoelde betrokkene zijn:

    • de artikelen V-S401 tot en met V-S404 van overeenkomstige toepassing indien hij voor de datum waarop de compartimentering heeft plaatsgevonden deel uitmaakte van het onderwijsondersteunend personeel, dan wel
      
    • de artikelen V-Q401 tot en met V-Q409 van overeenkomstige toepassing indien hij voor de datum waarop de compartimentering heeft plaatsgevonden deel uitmaakte van de directie, dan wel
      
    • de artikelen V-R401 tot en met V-R409 van overeenkomstige toepassing indien hij voor de datum waarop de compartimentering heeft plaatsgevonden leraar was.
      

Hoofdstuk V-V. Overgangsrecht taakverlichtingsregeling senioren per 1-8-1994, arbeidsduurverkorting 60-jarigen en ouder en verlof in verband met niet genoten arbeidsduurverkorting.

Artikel V-VI

1. Voor de betrokkene bedoeld in artikel I-V3, tweede lid, die op 31 juli 1994 verlof genoot op grond van hoofdstuk I-V zoals dat toen luidde, geldt dat voor het percentage genoemd in artikel I-V4 gedurende het schooljaar 1994-1995 wordt gelezen "70%" en gedurende het schooljaar 1995-1996 "60%".

2. Voor de betrokkene bedoeld in artikel I-V3, derde lid, die op 31 juli 1994 verlof genoot op grond van hoofdstuk I-V zoals dat toen luidde, geldt dat voor het percentage genoemd in artikel I-V4 gedurende het schooljaar 1994-1995 wordt gelezen "80%", voor het schooljaar 1995-1996 "75%", voor het schooljaar 1996-1997 "70%" en voor het schooljaar 1997-1998 "60%", mits de betrokkene de leeftijd van 56 jaar heeft bereikt vóór 1 februari 1994.

3. Voor de betrokkene bedoeld in artikel I-V3, derde lid, die op 31 juli 1994 verlof genoot op grond van hoofdstuk I-V zoals dat toen luidde en de leeftijd van 56 jaar heeft bereikt op of na 1 februari 1994 is het eerste lid van overeenkomstige toepassing.

4. Voor de betrokkene bedoeld in artikel I-V3, tweede en derde lid, die op 31 juli 1994 op grond van artikel V-V1, zoals dat toen luidde, verlof genoot voor meer dan 5,26% van zijn betrekkingsomvang zoals die op 1 augustus 1994 gaat gelden, is het eerste, tweede en derde lid van overeenkomstige toepassing.

Artikel V-V2

1. Voor de betrokkene van 60 jaar en ouder op wie op 31 juli 1994 artikel I-S111 van toepassing is en die tevens gebruik maakt van het verlof bedoeld in artikel I-V2, geldt dat artikel I-S111, eerste lid, in afwijking van het derde lid van artikel I-S111 van toepassing is.

2. Het eerste lid geldt tot het moment dat de betrokkene de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt.

Artikel V-V3

1. Artikel I-C42 is van overeenkomstige toepassing voor de betrokkene als bedoeld in artikel I-A1, onder e4, e17 en e18, die in het schooljaar 1991/1992 en 1992/1993 gebruik heeft gemaakt van de regeling verlof in verband met niet genoten arbeidsduurverkorting onderwijsgevend personeel.

2. Artikel I-C42 is van overeenkomstige toepassing voor de betrokkene als bedoeld in artikel I-A1 onder e5 en e10 die in het schooljaar 1991/1992, 1992/1993 en 1993/1994 tot en met 31 december 1993 gebruik heeft gemaakt van de regeling verlof in verband met niet genoten arbeidsduurverkorting onderwijsgevend personeel.

Artikel V-V4

Vervallen

Artikel V-V5

Vervallen

Artikel V-V6

Vervallen

Artikel V-V7

Vervallen

Artikel V-V8

Vervallen

Artikel V-V9

Vervallen

Hoofdstuk V-Z. Slotbepalingen

Artikel V-Z1

Vervallen

Artikel V-Z2

Vervallen

Artikel V-Z3

Wijzigt het Besluit proefprojecten nieuw vervolg/beroepsonderwijs.

Artikel V-Z4

1. Artikel IV-A1 onder c, wordt tot 1 augustus 1985 als volgt gelezen: c. onderwijspersoneel: het aan de instellingen, bedoeld in artikel I-A1, onder d3 tot en met d5, alsmede d7 tot en met d9, verbonden personeel, alsmede het personeel verbonden kleuterscholen, gewone lagere scholen en scholen voor buitengewoon onderwijs, waarvoor de salaris- en overige rechtspositieregelingen bij algemene maatregel van bestuur worden vastgesteld;

2.

Artikel IV-A3, eerste lid, onderdeel a, wordt tot 1 augustus 1985 als volgt gelezen:

Afdeling 1 voor het onderwijzend personeel werkzaam bij het kleuteronderwijs, het gewoon en het buitengewoon lager onderwijs.

3.

Artikel IV-A12, zesde lid, wordt tot 1 augustus 1985 als volgt gelezen:

De secretaris draagt er zorg voor dat de Bijzondere commissie in afschrift alle stukken ontvangt welke worden toegezonden aan het informatief overleg dat Onze minister voert met organisaties van school- en gemeentebesturen.

Artikel V-Z5

1. De koninklijke besluiten van 11 juli 1968, Stb. 377 (Rechtspositiebesluit W.V.O.), 14 november 1968, Stb. 622 (Rechtspositiebesluit W.L.W.) en 27 februari 1975, Stb. 156 (Besluit G.O.-onderwijs 1975) worden ingetrokken met ingang van de datum waarop dit besluit in werking treedt.

2. Het koninklijk besluit van 13 april 1978, Stb. 228 (Rechtspositiebesluit K.O./L.O.) wordt ingetrokken met ingang van 1 augustus 1985.

Artikel V-Z6

1. Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst, behoudens het bepaalde in het tweede lid en derde lid.

2. Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 augustus 1985, ten aanzien van de belanghebbende bedoeld in artikel 1-A1, onder e1 en e2.

3. Artikel IV-A3, tweede lid, hoofdstuk IV-B en artikel V-2, tweede en vijfde lid, treden in werking met ingang van 1 augustus 1985.

Artikel V-Z7

Dit besluit kan worden aangehaald als: Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel.

Bijlage 1A. bij het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel bevattende salarisschalen met salarisnummers en maandbedragen in guldens behorend bij een normbetrekking

Bijlage 1B. van het

Bijlage 1C. bij het

en vervolgens zoals aangegeven in schalen 15 en hoger

Bijlage 1D. bij het

Bijlage 1E

Vervallen.

Bijlage 1F. bij het

Bijlage 1G. bij het

Bijlage 1 H

Bijlage 2. Bij het

Bijlage 3. Bij het

[afbeelding]

Bijlage 5A. bij het

Vervallen.

Bijlage 5B. bij het

Vervallen.

Bijlage 5C. bij het

Vervallen.

Bijlage 5D. bij het

Vervallen.

Bijlage 5E. bij het

Vervallen.

Bijlage 5F. bij het

Vervallen.

Bijlage 5G. bij het

Vervallen.

Bijlage 5H. bij het

Vervallen.

Bijlage 5I. bij het

Vervallen.

Bijlage 5J. bij het

Vervallen.

Bijlage J1. Bij het

Bijlage J2. Bij het

Noten

Indien binnen 1 betrekking:

Bijlage J2A

Vervallen.

Bijlage J2B

Vervallen.

Bijlage J3

Vervallen.

Bijlage L1

Vervallen.

Bijlage Q1. bij het

Bijlage Q2. bij het

Bijlage Q3. bij het

Vervallen.

Bijlage Q4. bij het

Vervallen.

Bijlage Q5. bij het

Bijlage Q6. bij het

Bijlage Q7. bij het

Bijlage Q8. bij het

Bijlage Q9. bij het

Bijlage Q10. bij het

Bijlage Q11. bij het

Bijlage Q12. bij het

Bijlage Q13. bij het

Bijlage Q14. bij het

Bijlage R1. bij het

Bijlage R2. bij het

Bijlage R3. bij het

Vervallen.

Bijlage R4

Vervallen.

Bijlage R5. bij het

Bijlage R6. bij het

Bijlage R7. bij het

Bijlage R8. bij het

Bijlage R9. bij het

Bevattende normfuncties leraren bij instellingen voor middelbaar beroepsonderwijs en instellingen voor lager en middelbaar beroepsonderwijs alsmede beroepsbegeleidend onderwijs in de sector landbouw en natuurlijke omgeving (AOC) als aangegeven in de paragrafen 12 en 13 van hoofdstuk I-R.

Normfuncties van leraren, bedoeld in artikel I-R1204, tweede lid, en artikel I-R1305, tweede lid.

Bijlage R10. bij het

Bijlage R11. bij het

Bijlage R11a. bij het

Bijlage S1. bij het

Bijlage S1a

Door vernummering vervallen.

Bijlage S2. bij het

Vervallen.

Bijlage S3

Vervallen.

Bijlage S4. bij het

Bijlage S5. bij het

Bijlage S6. bij het

Bijlage S7. bij het

Bijlage S8. bij het

Vervallen

Bijlage S9. bij het

Bijlage S10. bij het

Bevattende functieomschrijvingen van het beheerspersoneel bij instellingen voor middelbaar beroepsonderwijs en instellingen voor lager en middelbaar beroepsonderwijs alsmede beroepsbegeleidend onderwijs in de sector landbouw en natuurlijke omgeving (AOC) als aangegeven in de paragrafen 12 en 13 van hoofdstuk I-S.

Functiebeschrijvingen van het beheerspersoneel, bedoeld in artikel I-S1204, tweede lid, en artikel I-S1304, tweede lid.

Bijlage S11. bevattende functiebeschrijvingen van het beheerspersoneel voortgezet algemeen volwassenenonderwijs, bedoeld in artikel I-S14505

Bijlage S12. bevattende functiebeschrijvingen van het beheerspersoneel beroepsbegeleidend onderwijs, bedoeld in artikel I-S1505

Bijlage S13. bij het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel bevattende salarisaanspraken op grond van artikel V-S103, eerste lid

Per 1 januari 2000

Maximumschaal 1

Maximumschaal 2

Maximumschaal 3

Maximumschaal 4

Maximumschaal 5

Bijlage T1

Vervallen.

Bijlage T2

Vervallen.

Bijlage T3a

Vervallen.

Bijlage T3b

Vervallen.

Bijlage T3c

Vervallen.

Bijlage T3d

Vervallen.

Bijlage T3e

Vervallen.

Bijlage T3f

Vervallen.

Bijlage T3g

Vervallen.

Bijlage T4a

Vervallen.

Bijlage T4b

Vervallen.

Bijlage T4c

Vervallen.

Bijlage T4d

Vervallen.

Bijlage T5a

Vervallen.

Bijlage T5b

Vervallen.

Bijlage T5c

Vervallen.

Bijlage T6a

Vervallen.

Bijlage T6b

Vervallen.

Bijlage T6c

Vervallen.

Bijlage T6d

Vervallen.

Bijlage T7

Vervallen.

Bijlage T8

Vervallen.