rijk/ministeriele-regeling/algemeen-luchthavenreglement/BWBR0010160
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00
..
README.md feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown 2026-03-30 06:27:40 +02:00

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Algemeen luchthavenreglement BWBR0010160 ministeriele-regeling geldend 1998-12-30 https://wetten.overheid.nl/BWBR0010160 Algemeen luchthavenreglement

Algemeen luchthavenreglement

Hoofdstuk I. Algemene bepalingen

Artikel 1

Deze regeling is van toepassing op de volgende luchthavens: Ameland, Budel, Drachten, Eelde, Hilversum, Hoogeveen, Lelystad, Maastricht, Midden-Zeeland, Rotterdam, Schiphol, Seppe, Teuge en Texel.

Artikel 1a

Deze regeling berust op artikel 8a.1, eerste lid, van de Wet luchtvaart.

Artikel 2

1. De begripsbepalingen gegeven in de Luchtvaartwet, de Regeling Toezicht Luchtvaart, de Wet Luchtverkeer en het Luchtverkeersreglement zijn tevens van toepassing op deze regeling.

2. Voorts wordt in deze regeling verstaan onder:

Hoofdstuk II. Algemene voorschriften

Artikel 3

Gebruikers van het luchtvaartterrein, toeleveranciers, organisaties die op het luchtvaartterrein voor de exploitant werkzaamheden verrichten, alsmede organisaties die op het luchtvaartterrein zelfstandig grondafhandelingsdiensten verrichten, zijn verplicht te voldoen aan de eisen die door de exploitant zijn gesteld ten aanzien van orde en veiligheid op, alsmede het veilig gebruik van het luchtvaartterrein.

Artikel 4

1.

Het is verboden:

a. a. zich in kennelijke staat van dronkenschap te bevinden, dan wel onder de invloed te zijn van enig verdovend middel; b. b. branddetectie-, brandbeveiligings- of brandblusapparatuur zonder noodzaak in werking te stellen, dan wel de werking daarvan te verminderen of de bereikbaarheid van deze apparatuur te bemoeilijken; c. c. apparatuur in werking te stellen of te hebben, waardoor de radiocommunicatie op of in de omgeving van het luchtvaartterrein kan worden verstoord; d. d. onbevoegd enige apparatuur, inrichting of motoren van luchtvaartuigen of voertuigen in werking te stellen of te doen stellen; e. e. een brandende pijp, sigaar of sigaret of ander brandend materiaal bij zich te hebben:

        op het platform, zowel binnen als buiten de voertuigen;
      
      
        in de open lucht binnen een afstand van 15 meter van stilstaande vliegtuigen of opslagplaatsen van vliegtuigbrandstoffen;
      
      
        op alle plaatsen waar dit met het oog op de veiligheid door de exploitant is aangegeven of bekend gemaakt;
  • op het platform, zowel binnen als buiten de voertuigen;
  • in de open lucht binnen een afstand van 15 meter van stilstaande vliegtuigen of opslagplaatsen van vliegtuigbrandstoffen;
  • op alle plaatsen waar dit met het oog op de veiligheid door de exploitant is aangegeven of bekend gemaakt; f. f. vuilnis, afval, gevaarlijke stoffen of andere stoffen te deponeren of achter te laten op andere dan de daarvoor door de exploitant bepaalde plaatsen; g. g. vogels te voederen; h. h. in het algemeen iets te doen of na te laten, waardoor de orde of veiligheid op het luchtvaartterrein wordt verstoord of waardoor lichamelijk letsel van personen of schade aan eigendommen zou kunnen worden veroorzaakt;

2.

Het is verboden om zonder toestemming van de exploitant:

a. a. op het luchtvaartterrein open vuren te ontsteken of aan te houden, dan wel enig vuurwerk te ontsteken; b. b. zich zonder noodzaak buiten de gebaande wegen of paden te bevinden.

Artikel 5

1. Honden zijn te allen tijde kort aangelijnd, dan wel vastgelegd.

2. Het eerste lid geldt niet voor de door de exploitant of overheid ten behoeve van de functie-uitoefening gebruikte honden.

Artikel 6

Bij het ontdekken van een brand, een ongeval of een onveilige situatie stelt een ieder zo spoedig mogelijk de functionaris, die namens de exploitant is belast met het dagelijks toezicht op de goede orde en veiligheid of de brandweer hiervan in kennis.

Hoofdstuk III. Voorschriften met betrekking tot airside

Artikel 7

Op airside is het verboden om zonder schriftelijke toestemming van de exploitant dieren te hebben of te houden.

Artikel 8

1. Gebruikers van het luchtvaartterrein en organisaties die op het luchtvaartterrein voor de exploitant werkzaamheden verrichten, alsmede organisaties die op het luchtvaartterrein zelfstandig grondafhandelingsdiensten verrichten, zijn verplicht ongevallen, incidenten, defecten en gebreken die van aanmerkelijk belang zijn in relatie met de veiligheid, onverwijld te melden aan de exploitant.

2. Gebruikers van het luchtvaartterrein en organisaties die op het luchtvaartterrein voor de exploitant werkzaamheden verrichten, alsmede organisaties die op het luchtvaartterrein zelfstandig grondafhandelingsdiensten verrichten, zijn verplicht mee te werken aan het programma ter bevordering van de orde en veiligheid op, alsmede het veilig gebruik van het luchtvaartterrein.

Artikel 9

1.

De exploitant is verplicht registratie te voeren van:

  • ongevallen en incidenten;
  • defecten en gebreken aan inrichting en uitrusting van het luchtvaartterrein;
  • interne- en externe klachten.

2. De exploitant is verplicht om ongevallen en incidenten te onderzoeken teneinde de mogelijke oorzaken te achterhalen en stelt daarvoor procedures vast, met inbegrip van het nemen van correctieve of preventieve maatregelen, die ertoe moeten leiden dat soortgelijke ongevallen en incidenten niet nogmaals optreden.

3. De exploitant is verplicht om luchtvaartongevallen, ongevallen waarbij een luchtvaartuig is betrokken en ernstige incidenten op het luchtvaartterrein alsmede ernstige defecten of gebreken onverwijld te melden aan de Minister.

4. De melding als bedoeld in het derde lid geeft een zo volledig mogelijke beschrijving van het voorval, doch bevat in elk geval de aanduiding van de plaats van het voorval, de aard daarvan, de gevolgen voor wat betreft schade en letsel, de omstandigheden waaronder, alsmede alle overige van belang zijnde gegevens.

5. De melding als bedoeld in het derde lid wordt in elk geval binnen 72 uur na de ontdekking of het bekend worden ervan, schriftelijk gedaan, met inachtneming van de door de Minister gestelde regels.

Artikel 10

1. Voor zover op het luchtvaartterrein een platformverkeersdienst is ingesteld, is deze uitgerust met radiotelefonie communicatie-apparatuur voor verbinding met de luchtverkeersleiding.

2. De Minister kan per luchtvaartterrein, al dan niet op voordracht van de exploitant, voorschriften vaststellen voor het betreden van en het zich bevinden op het niet voor het publiek toegankelijke gedeelte van het luchtvaartterrein, het landingsterrein, het platform en het uitvoeren van werkzaamheden, waarin in ieder geval wordt aangegeven in welke gevallen door de exploitant schriftelijk toestemming is vereist.

3. De Minister kan per luchtvaartterrein, met het oog op het goed functioneren daarvan, voorschriften vaststellen met betrekking tot de grondafhandelingsdiensten op dat luchtvaartterrein.

4.

Indien voorschriften worden vastgesteld, als bedoeld in het derde lid, kunnen deze in ieder geval voorschriften bevatten met betrekking tot:

  • voertuigen in het landingsterrein, op de platformen en de daaraan grenzende wegen;
  • het uitvoeren van werkzaamheden;
  • opslag en plaatsing van gereedschappen, materialen, voertuigen en andere roerende zaken;
  • het voortbewegen, parkeren en stallen van, alsmede het verrichten van reparaties aan luchtvaartuigen;
  • het proefdraaien van motoren, anders dan voor warmdraaien vóór de start of afkoeling na de vlucht.

Artikel 11

In het landingsterrein en op het platform hebben de hieronder genoemde categorieën gebruikers ten opzichte van elkaar voorrang in de daarbij vermelde volgorde:

a. a. startende of landende luchtvaartuigen; b. b. motorvoertuigen ten dienste van politie en brandweer, ziekenautos en motorvoertuigen van andere hulpverleningsdiensten, voor zover zij de op grond van het gestelde in het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 voorgeschreven optische en geluidssignalen voeren; c. c. taxiënde luchtvaartuigen, alsmede motorvoertuigen die deze begeleiden; d. d. passagiers die te voet van en naar de luchtvaartuigen worden begeleid; e. e. gesleepte luchtvaartuigen; f. f. andere voertuigen.

Hoofdstuk IV. Voorschriften met betrekking tot luchtvaartuigen

Artikel 12

1.

Voordat vliegtuigmotoren in werking worden gesteld:

a. a. bevinden personen, voertuigen en ander materieel voor zover niet noodzakelijk bij de startprocedure van de vliegtuigmotor, zich op veilige afstand van het vliegtuig; b. b. worden stoffen die gevaar of schade kunnen opleveren opgeruimd, dan wel uit de onmiddellijke omgeving van het vliegtuig verwijderd.

2.

Met inachtneming van het eerste lid is tijdens het in werking stellen en houden van vliegtuigmotoren tevens:

a. a. in de stuurhut van het vliegtuig een ter zake bevoegd persoon aanwezig, die de controle heeft over de bedieningsorganen en de remmen; b. b. ervoor zorggedragen dat door de vliegtuigmotoren geen schade wordt veroorzaakt aan zaken en dat de veiligheid van personen niet in gevaar wordt gebracht.

3. Onverminderd het tweede lid geschiedt het in werking stellen van een vliegtuigmotor door middel van het met handkracht bewegen van de luchtschroef door personen die terzake geïnstrueerd zijn.

4. Het is verboden de vliegtuigmotor in werking te stellen of te hebben met een hoger dan het stationaire toerental indien het vliegtuig op een platform stilstaat.

5. Het vierde lid geldt niet indien in het desbetreffende vlieghandboek een hoger toerental is voorgeschreven voor afkoeling van de vliegtuigmotor na de vlucht, dan wel opwarmen van de vliegtuigmotor voor de vlucht.

Artikel 13

1. Het is verboden personen in of uit een vliegtuig met een in werking gestelde motor te laten stappen, tenzij die personen van en naar het vliegtuig worden begeleid.

2. Het eerste lid geldt niet ten aanzien van meermotorige vliegtuigen voor zover het betreft de motor of motoren aan de andere zijde van het vliegtuig dan waar het in- en uitstappen plaatsvindt en deze personen bij het verlaten of het naderen van het vliegtuig de in werking zijnde motor of motoren niet hoeven te passeren.

Artikel 14

Het is verboden in hangars vliegtuigmotoren of auxiliary power units, verder te noemen APUs, in bedrijf te stellen of te houden.

Artikel 15

Het is verboden een vliegtuig met een of meer in werking zijnde motoren in beweging te zetten, indien daardoor letsel of schade kan worden berokkend aan personen of zaken of de veiligheid van personen daardoor in gevaar kan worden gebracht.

Artikel 16

Het is verboden om gedurende de tijd dat een vliegtuig zich op een platform bevindt de in dat vliegtuig aanwezige boordradarinstallatie in werking te hebben of te stellen.

Hoofdstuk V. Voorschriften met betrekking tot voertuigen

Artikel 17

1. Voertuigen op het platform of landingsterrein zijn uitgerust met een deugdelijke parkeerrem of andere blokkeerinrichting, die in werking is gesteld indien het bedienend personeel zich niet in of op het voertuig bevindt.

2. Van voertuigen die zich een half uur na zonsondergang en een half uur voor zonsopgang alsmede overdag bij een zicht van minder dan 1500 meter op het platform, de randwegen of het landingsterrein voortbewegen, is de verlichting ontstoken.

3. a. a. De Minister kan per luchtvaartterrein, al dan niet op voordracht van de exploitant, voorschriften vaststellen met betrekking tot voertuigen op het luchtvaartterrein; b. b. indien voorschriften worden vastgesteld voor het gebruik van voertuigen op airside, kunnen deze in ieder geval voorschriften bevatten met betrekking tot:

        I.
         terreinkennis;
      
      
        II.
         rijroutes;
      
      
        III.
         radiotelefonie procedures;
      
      
        IV.
        beperkt zicht operaties;
      
      
        V.
        het opstellen, parkeren of stallen van voertuigen.

I. I. terreinkennis; II. II. rijroutes; III. III. radiotelefonie procedures; IV. IV. beperkt zicht operaties; V. V. het opstellen, parkeren of stallen van voertuigen.

Hoofdstuk VI. Bepalingen met betrekking tot het vervoer en de opslag van gevaarlijke stoffen, het tanken een aanverwante handelingen

Artikel 18

Het is verboden:

    1. met het tanken van vliegtuigen aan te vangen, indien de navolgende handelingen in hierna te noemen volgorde niet zijn verricht:

      a.
       het vliegtuig en de tankauto dan wel het tanksysteem zijn elektrisch geleidend met elkaar verbonden, met uitzondering van geleiding tussen hydrant- en tanksysteem;
      
      
      b.
       het slangmondstuk is, alvorens de vulopening van de vliegtuigtank wordt geopend, elektrisch geleidend met het vliegtuig verbonden, met uitzondering van brandstofsystemen waarvan de afgiftecapaciteit minder bedraagt dan 100 l/min, alsmede bij het vullen onder druk;
      
      
      c.
       het vliegtuig, de tankauto dan wel het tanksysteem, de slangen en al het overige bij het tanken gebruikte materiaal zijn middels een aardklem op blanke metalen delen en met een deugdelijke aardkabel elektrisch geleidend met elkaar verbonden, met uitzondering van geleiding tussen hydrant- en tanksysteem.
      

a. a. het vliegtuig en de tankauto dan wel het tanksysteem zijn elektrisch geleidend met elkaar verbonden, met uitzondering van geleiding tussen hydrant- en tanksysteem; b. b. het slangmondstuk is, alvorens de vulopening van de vliegtuigtank wordt geopend, elektrisch geleidend met het vliegtuig verbonden, met uitzondering van brandstofsystemen waarvan de afgiftecapaciteit minder bedraagt dan 100 l/min, alsmede bij het vullen onder druk; c. c. het vliegtuig, de tankauto dan wel het tanksysteem, de slangen en al het overige bij het tanken gebruikte materiaal zijn middels een aardklem op blanke metalen delen en met een deugdelijke aardkabel elektrisch geleidend met elkaar verbonden, met uitzondering van geleiding tussen hydrant- en tanksysteem. 2. 2. tijdens het tanken van vliegtuigen:

      a.
       startwagens of Ground Power Units, verder te noemen GPUs, in de afhandelings- en tankzone op te stellen;
    
    
      b.
       een startwagen of GPU te starten;
    
    
      c.
       een startwagen of GPU aan te sluiten of af te koppelen;
    
    
      d.
       een in bedrijf zijnde startwagen of GPU bij te vullen met brandstof;
    
    
      e.
       APUs, in werking te stellen, wanneer de uitlaat uitmondt in de tankzone, met dien verstande, dat in het geval dat een APU tijdens het tanken uitvalt, deze slechts dan weer mag worden opgestart, wanneer de brandstofstroom door de afsluiters tot stilstand is gebracht en er geen risico aanwezig is voor de ontsteking van brandstofdampen;
    
    
      f.
       voertuigen binnen de tankzone te doen of laten stilstaan anders dan wanneer deze direct bij het laden of lossen van het vliegtuig betrokken zijn;
    
    
      g.
       andere dan gasdichte lantaarns of schijnwerpers te gebruiken;
    
    
      h.
       flitslampjes of elektronenflitsers te gebruiken binnen de tank- en afhandelingszone;
    
    
      i.
      elektrische schakelaars of elektronische schakelaars die geen onderdeel zijn van het vliegtuig in een andere positie te zetten die niet noodzakelijk is voor het tanken, laden of lossen;
    
    
      j.
      elektrische apparatuur of elektronische apparatuur van het vliegtuig te testen of te gebruiken, tenzij uit de onderhoud- en gebruiksdocumentatie van het vliegtuig blijkt dat dit is toegestaan;
    
    
      k.
       binnen de tankzone brandgevaarlijke werkzaamheden te verrichten.

a. a. startwagens of Ground Power Units, verder te noemen GPUs, in de afhandelings- en tankzone op te stellen; b. b. een startwagen of GPU te starten; c. c. een startwagen of GPU aan te sluiten of af te koppelen; d. d. een in bedrijf zijnde startwagen of GPU bij te vullen met brandstof; e. e. APUs, in werking te stellen, wanneer de uitlaat uitmondt in de tankzone, met dien verstande, dat in het geval dat een APU tijdens het tanken uitvalt, deze slechts dan weer mag worden opgestart, wanneer de brandstofstroom door de afsluiters tot stilstand is gebracht en er geen risico aanwezig is voor de ontsteking van brandstofdampen; f. f. voertuigen binnen de tankzone te doen of laten stilstaan anders dan wanneer deze direct bij het laden of lossen van het vliegtuig betrokken zijn; g. g. andere dan gasdichte lantaarns of schijnwerpers te gebruiken; h. h. flitslampjes of elektronenflitsers te gebruiken binnen de tank- en afhandelingszone; i. i. elektrische schakelaars of elektronische schakelaars die geen onderdeel zijn van het vliegtuig in een andere positie te zetten die niet noodzakelijk is voor het tanken, laden of lossen; j. j. elektrische apparatuur of elektronische apparatuur van het vliegtuig te testen of te gebruiken, tenzij uit de onderhoud- en gebruiksdocumentatie van het vliegtuig blijkt dat dit is toegestaan; k. k. binnen de tankzone brandgevaarlijke werkzaamheden te verrichten.

Artikel 19

Het is verboden:

a. a. tankwerkzaamheden te verrichten bij een vliegtuig met een in bedrijf zijnde motor; b. b. een tankauto bij een vliegtuig op te stellen dat deze niet onder alle omstandigheden onbelemmerd vooruit naar een veilige zone kan rijden; c. c. afhandelingsmaterieel of voertuigen voor een tankauto te plaatsen, dat hierdoor wegrijden wordt belemmerd; d. d. een tankauto onbeheerd achter te laten anders dan op een daartoe aangewezen parkeerplaats; e. e. de aanwezige noodstopknoppen van een tank of hydrantensysteem te blokkeren; f. f. vliegtuigen te tanken zolang onderdelen van het landingsgestel overmatig zijn verhit; g. g. enige handeling te verrichten, die brandgevaar kan vergroten of veroorzaken; h. h. vliegtuigbrandstoffen te vervoeren met voertuigen, waarop niet ten minste één brandblusapparaat voorzien van een bewijs van typekeuring en controle datum met voldoende capaciteit en geschikt voor de bestrijding van vloeistofbranden voor onmiddellijk gebruik gereed aanwezig is; i. i. te tanken op een ondeugdelijke ondergrond; j. j. te tanken voor zover geen maatregelen zijn getroffen ter vermijding van milieu verontreiniging; k. k. te tanken zonder brandweertoezicht binnen een straal van 20 meter vanaf hangars of andere gebouwen en voorwerpen die een vonk zouden kunnen veroorzaken; l. l. te tanken in hangars zonder brandweertoezicht; m. m. te tanken wanneer boven of in de onmiddellijke omgeving van het luchtvaartterrein de weersomstandigheden daartoe aanleiding geven.

Artikel 20

Het bepaalde in artikel 18 en artikel 19, onderdelen a en e tot en met m, is van overeenkomstige toepassing op hydrantdispensers.

Artikel 21

1.

Het is verboden:

a. a. (vliegtuig) brandstoffen op het luchtvaartterrein op te slaan op andere dan de daarvoor door de exploitant aangewezen opslagplaatsen; b. b. vliegtuigbrandstoffen of andere gevaarlijke stoffen op te slaan of te vervoeren zonder vooraf verkregen toestemming van de exploitant, met inachtneming van de wettelijke bepalingen terzake;

2. Het eerste lid is niet van toepassing op brandstoffen of gassen die aanwezig zijn in de normale reservoirs van luchtvaartuigen of motorvoertuigen.

Artikel 22

Met inachtneming van artikel 16,17 en 19 kan de Minister per luchtvaartterrein, al dan niet op voordracht van de exploitant voorschriften vaststellen met betrekking tot vervoer en opslag van gevaarlijke stoffen, het tanken en aanverwante handelingen. Indien voorschriften worden vastgesteld kunnen deze betrekking hebben op:

  • toezicht op de met het tanken verband houdende werkzaamheden;
  • tanken met passagiers aan boord;
  • gemorste olie en brandstof.

Hoofdstuk VII. Voorschriften met betrekking tot het gebruik van het luchtvaartterrein

Artikel 23

De Minister kan per luchtvaartterrein, al dan niet op voordracht van de exploitant, voorschriften vaststellen met betrekking tot het vooraf verstrekken van schemas van aankomst- en vertrektijden van luchtvaartuigen.

Artikel 24

Indien op het luchtvaartterrein geen permanente grensbewaking aanwezig is, draagt de exploitant ervoor zorg dat de ambtenaren belast met grensbewaking en de ambtenaren der invoerrechten en accijnzen tijdig worden ingelicht omtrent de aankomst en het vertrek van luchtvaartuigen afkomstig uit dan wel vertrekkend naar een land dat niet is toegetreden tot het op 14 juni 1985 te Schengen gesloten akkoord betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen (Trb. 1985, 102).

Artikel 25

De Minister kan, al dan niet op voordracht van de exploitant, voorschriften vaststellen die een beperking van de hoeveelheid luchtvaartterreinverkeer en gedragsregels voor het gebruik van het luchtvaartterrein kunnen inhouden, indien er sprake is van een te groot verkeersaanbod of van enige andere oorzaak waardoor de goede orde of de veiligheid op het luchtvaartterrein in gevaar kan worden gebracht.

Artikel 26

De Minister kan per luchtvaartterrein, al dan niet op voordracht van de exploitant, voorschriften vaststellen met betrekking tot:

a. a. het gedeelte van het landingsterrein dat wordt gebruikt voor het aanhaken en afwerpen van sleepnetten, dan wel sleepkabels; b. b. het gedeelte van het landingsterrein dat wordt gebruikt voor het landen en opstijgen van motorzweefvliegtuigen; c. c. het gedeelte van het landingsterrein dat wordt gebruikt voor het landen en opstijgen van ultra lichte vliegtuigen; d. d. het gedeelte van het landingsterrein dat wordt gebruikt voor het oplieren of opslepen van zweefvliegtuigen, of zeilvliegtuigen, waarbij tevens voorschriften kunnen worden vastgesteld met betrekking tot de leiding en het toezicht op het zweefvlieg- of zeilvliegbedrijf; e. e. het gedeelte van het landingsterrein dat wordt gebruikt voor het opstijgen van een vrije ballon; f. f. het gedeelte van het luchtvaartterrein dat wordt gebruikt voor het uitvoeren van valschermsprongen.

Hoofdstuk VIIa. Strafbepalingen

Artikel 26a

Vervallen

Hoofdstuk VIII. Slotbepalingen

Artikel 27

Waar orde en veiligheid dit vereisen kan de Minister per luchtvaartterrein, al dan niet op voordracht van de exploitant, nadere voorschriften vaststellen.

Artikel 28

1. De exploitant is verplicht om de krachtens artikel 132, eerste en tweede lid, van de Regeling Toezicht Luchtvaart vastgestelde voorschriften en maatregelen aan de gebruikers van het niet voor het publiek toegankelijke gedeelte van het luchtvaartterrein voldoende kenbaar te maken.

2. Ondernemingen die zijn gevestigd op het luchtvaartterrein, of die werkzaamheden verrichten op het luchtvaartterrein, zijn verplicht om kennis te nemen van de krachtens artikel 132, eerste en tweede lid, van de Regeling Toezicht Luchtvaart vastgestelde voorschriften en maatregelen en deze voldoende kenbaar te maken bij het bij hen in dienst zijnde personeel.

3. Aan de verplichting als bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt geacht te zijn voldaan, wanneer de exploitant of de onderneming aantoont, dat de nodige bevelen zijn gegeven, de nodige maatregelen zijn genomen en het redelijkerwijze te vorderen toezicht is gehouden om de naleving van deze voorschriften te verzekeren.

Artikel 29

Het Algemeen luchthavenreglement (Stcrt.1994, 214) wordt ingetrokken.

Artikel 30

De Aanvullende luchthavenreglementen van de luchtvaartterreinen Schiphol, Eelde en Lelystad worden aangemerkt mede gebaseerd te zijn op dit reglement.

Artikel 31

Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst

Artikel 32

Deze regeling wordt aangehaald als: Algemeen luchthavenreglement.

Bijlage . Lijst van grondafhandelingsdiensten