40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt. |
||
|---|---|---|
| .. | ||
| README.md | ||
| titel | bwb_id | type | status | datum_inwerkingtreding | bron | citeertitel |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Algemene uitvoeringsregeling stimulering duurzame energieproductie en klimaattransitie | BWBR0023563 | ministeriele-regeling | geldend | 2020-09-17 | https://wetten.overheid.nl/BWBR0023563 | Algemene uitvoeringsregeling stimulering duurzame energieproductie en klimaattransitie |
Algemene uitvoeringsregeling stimulering duurzame energieproductie en klimaattransitie
Paragraaf 1. Begripsbepalingen
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
– –
*basisinfrastructuur voor koolstofdioxide:* infrastructuur voor het transport en de permanente opslag van koolstofdioxide of voor het transport en het gebruik van koolstofdioxide die wordt gebruikt door meerdere gebruikers met een productie-installatie voor de afvang en permanente opslag van koolstofdioxide of met een subsidie-ontvanger die koolstofdioxide afvangt en gebruikt;
– –
*besluit:*
Besluit stimulering duurzame energieproductie en klimaattransitie;
– –
*biomassalevering:* hoeveelheid biomassa die is ingezet voor energieproductie en waarvoor de fysieke en duurzaamheidseigenschappen voor de gehele levering gelijk zijn;
– –
*bioraffinage:* proces waarbij biomassa wordt gescheiden in verschillende stromen waarbij het hoofdproduct, eventueel na verdere verwerking, wordt gebruikt ter verdringing van grondstoffen van fossiele oorsprong en waarbij restproducten zoals lignine kunnen ingezet worden voor energietoepassingen;
– –
*bosbeheereenheid:* een of meer bospercelen die als één geheel worden beheerd;
– –
*ean-code:* uniek 18-cijferig nummer dat dient om een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit, hernieuwbare warmte of hernieuwbaar gas of een aansluiting van een productie-installatie of een productie-eenheid op het net te identificeren;
– –
*meetbedrijf:* meetbedrijf als bedoeld in artikel 1 van de Wet implementatie EU-richtlijn hernieuwbare energie voor garanties van oorsprong of artikel 24a van de Warmtewet, of meetverantwoordelijke partij als bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet;
– –
*meetprotocol:* document waarin de bemetering van een productie-installatie, de wijze van meten en de wijze van kwaliteitsborging van de meetgegevens ten aanzien van de hoeveelheden elektriciteit, gas, warmte, waterstof, koolstofdioxide of mechanische energie die de installatie opwekt, de hoeveelheden brandstof die de installatie verbruikt en de wijze van bepaling van de calorische waarde van de brandstof beschreven zijn;
– –
*meetrapport:* rapport dat alle meetgegevens van de desbetreffende kalendermaand bevat;
– –
*milieu- en energiesteunkader:* Richtsnoeren staatssteun ten behoeve van klimaat, milieubescherming en energie 2022 (PbEU 2022/C 80/010);
– –
*minister:* Minister van Klimaat en Groene Groei;
– –
*NTA 8003:2017:* de Nederlands Technische Afspraak 8003, Classificatie van biomassa voor energietoepassingen, uitgegeven door het Nederlands Normalisatie-Instituut, zoals deze luidde op 30 november 2017;
– –
*nuttig aangewende koolstofdioxide:* koolstofdioxide die wordt aangewend voor koolstofdioxidebemesting in tuinbouwkassen, voor zover daarmee uitsluitend het gebruik van fossiele brandstoffen voor koolstofdioxidebemesting wordt voorkomen;
– –
*nuttig aangewende koolstofdioxide-arme warmte:* warmte, uitgedrukt in GJ of MWh, die vrijkomt uit productie-installaties voor vermindering van broeikasgas en die, voor zover daarmee de uitstoot van broeikasgas wordt voorkomen en die buiten de systeemgrens van de productie-installatie wordt aangewend, wordt aangewend voor:
a.
gebouwklimatisering van de binnenruimten van gebouwen;
b.
tapwaterverwarming en verwarming van water dat wordt ingezet in bedrijfsprocessen, met uitzondering van het gebruik als voedingswater voor een productie-installatie waarmee elektriciteit wordt opgewekt;
c.
verwarming in industriële processen en van tuinbouwkassen, met uitzondering van:
1°.
de inzet in een turbine of organische rankine cyclus waarmee elektriciteit wordt opgewekt;
2°.
het drogen en verwarmen van inputstromen van een productie-installatie voor het opwekken van elektriciteit, inclusief het voorverwarmen van verbrandingslucht;
3°.
de inzet voor rookgasreiniging en waterzuivering van een productie-installatie;
d.
klimaatregeling van koelcellen en industriële koelingstoepasssingen;
e.
levering aan een warmtenet, mits de producent aannemelijk kan maken dat de warmte gebruikt wordt voor een van de toepassingen, bedoeld onder a tot en met d;
a. a. gebouwklimatisering van de binnenruimten van gebouwen; b. b. tapwaterverwarming en verwarming van water dat wordt ingezet in bedrijfsprocessen, met uitzondering van het gebruik als voedingswater voor een productie-installatie waarmee elektriciteit wordt opgewekt; c. c. verwarming in industriële processen en van tuinbouwkassen, met uitzondering van:
1°.
de inzet in een turbine of organische rankine cyclus waarmee elektriciteit wordt opgewekt;
2°.
het drogen en verwarmen van inputstromen van een productie-installatie voor het opwekken van elektriciteit, inclusief het voorverwarmen van verbrandingslucht;
3°.
de inzet voor rookgasreiniging en waterzuivering van een productie-installatie;
1°. 1°. de inzet in een turbine of organische rankine cyclus waarmee elektriciteit wordt opgewekt; 2°. 2°. het drogen en verwarmen van inputstromen van een productie-installatie voor het opwekken van elektriciteit, inclusief het voorverwarmen van verbrandingslucht; 3°. 3°. de inzet voor rookgasreiniging en waterzuivering van een productie-installatie; d. d. klimaatregeling van koelcellen en industriële koelingstoepasssingen; e. e. levering aan een warmtenet, mits de producent aannemelijk kan maken dat de warmte gebruikt wordt voor een van de toepassingen, bedoeld onder a tot en met d; – –
*oordeel omtrent de geschiktheid:* op verzoek van een producent door een meetbedrijf afgegeven oordeel dat:
a.
een productie-installatie geschikt is voor de opwekking van koolstofdioxide-arme warmte, de productie van waterstof, de afvang en permanente opslag van koolstofdioxide, de afvang en het gebruik van koolstofdioxide of de productie van geavanceerde hernieuwbare brandstof; en
b.
een meetinrichting geschikt is voor de meting van warmte die met een productie-installatie wordt opgewekt en nuttig wordt aangewend, van waterstof die met de productie-installatie wordt geproduceerd, van koolstofdioxide die met de productie-installatie wordt afgevangen en permanent wordt opgeslagen of wordt gebruikt of van geavanceerde hernieuwbare brandstof die met de productie-installatie wordt geproduceerd;
a. a. een productie-installatie geschikt is voor de opwekking van koolstofdioxide-arme warmte, de productie van waterstof, de afvang en permanente opslag van koolstofdioxide, de afvang en het gebruik van koolstofdioxide of de productie van geavanceerde hernieuwbare brandstof; en
b.
een meetinrichting geschikt is voor de meting van warmte die met een productie-installatie wordt opgewekt en nuttig wordt aangewend, van waterstof die met de productie-installatie wordt geproduceerd, van koolstofdioxide die met de productie-installatie wordt afgevangen en permanent wordt opgeslagen of wordt gebruikt of van geavanceerde hernieuwbare brandstof die met de productie-installatie wordt geproduceerd;
a. a. een productie-installatie geschikt is voor de opwekking van koolstofdioxide-arme warmte, de productie van waterstof, de afvang en permanente opslag van koolstofdioxide, de afvang en het gebruik van koolstofdioxide of de productie van geavanceerde hernieuwbare brandstof; en b. b. een meetinrichting geschikt is voor de meting van warmte die met een productie-installatie wordt opgewekt en nuttig wordt aangewend, van waterstof die met de productie-installatie wordt geproduceerd, van koolstofdioxide die met de productie-installatie wordt afgevangen en permanent wordt opgeslagen of wordt gebruikt of van geavanceerde hernieuwbare brandstof die met de productie-installatie wordt geproduceerd; – –
*P50-waarde voor de netto elektriciteitsproductie:* netto elektriciteitsproductie waarbij de verwachte jaarlijkse energieproductie voor een gegeven combinatie van locatie en windturbine dient te zijn bepaald met een waarschijnlijkheid van 50%;
– –
*productie-eenheid:* deel van een productie-installatie dat zelfstandig kan worden ingezet voor het opwekken van hernieuwbare elektriciteit, hernieuwbare warmte of de productie van hernieuwbaar gas;
– –
*productie-uren:* som van de tijdsperioden waarin een productie-installatie in deellast of op vol vermogen produceert;
– –
*register hernieuwbare energie vervoer:* register als bedoeld in artikel 9.7.5.1 van de Wet milieubeheer;
– –
*richtlijn (EU) 2018/2001:*
richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen (PbEU 2018, L 328);
– –
*systeemgrens van de productie-installatie:* fictieve gesloten omhulling van één of meer productie-eenheden die dezelfde wijze van vermindering van broeikasgas toepassen;
– –
*Verordening verificatie en accreditatie emissiehandel:* Uitvoeringsverordening (EU) 2018/2067 van de Commissie van 19 december 2018 inzake de verificatie van gegevens en de accreditatie van verificateurs krachtens Richtlijn 2003/87/EG van het Europees parlement en de Raad (PbEU 2018, L 334).
Artikel 1a
Deze regeling berust mede op artikel 63a, derde, vijfde en zesde lid, en artikel 71a van het besluit.
Artikel 1b
Indien een subsidie-ontvanger voldoet aan de in artikel 3, vierde lid van het besluit SDEK genoemde voorwaarden, maakt de minister gebruik van de mogelijkheid om subsidie te verstrekken als bedoeld in dat artikellid.
Paragraaf 2. Aanvraag om subsidie
Artikel 2
1. De aanvraag om subsidieverlening gaat vergezeld van vergunningen die noodzakelijk zijn voor de realisatie van de productie-installatie.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing indien de aanvraag betrekking heeft op:
a. a. een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit door middel van windenergie op zee; b. b. een productie-installatie voor de afvang en de permanente opslag van koolstofdioxide en het een vergunning betreft die noodzakelijk is voor de realisatie van het ondergrondse opslagvoorkomen voor koolstofdioxide; c. c. een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare warmte, hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte of koolstofdioxide-arme warmte, indien er sprake is van een melding als bedoeld in artikel 12b, eerste lid, van de Warmtewet, en het gaat om de productie van warmte waarmee een leverancier of een producent als bedoeld in artikel 12b van de Warmtewet opnieuw aan zijn wettelijke verplichtingen als bedoeld in die wet kan voldoen.
3. Voor de uitvoering van het eerste lid worden omgevingsvergunningen voor een omgevingsplanactiviteit als bedoeld in de Omgevingswet waaraan een termijn is verbonden als bedoeld in artikel 5.36 van die wet niet in aanmerking genomen.
4. Indien de aanvraag betrekking heeft op een productie-installatie die wordt gerealiseerd op een perceel dat in eigendom is van het Rijk en waarop het recht van opstal is verkregen bij een openbare gunningsprocedure, waarbij de hoogte van de aangevraagde subsidie op basis van het besluit onderdeel was van de gunningscriteria, en op het moment van indienen van de aanvraag de vergunning die op grond van artikel 5.1., tweede lid, onderdeel b, van de Omgevingswet noodzakelijk is voor de realisatie van de productie-installatie, nog niet is verleend, gaat de aanvraag vergezeld van het ontwerpbesluit van die vergunning.
5. Indien de aanvraag betrekking heeft op een productie-installatie voor de afvang, niet zijnde afvang uit omgevingslucht, en het gebruik van koolstofdioxide of voor de afvang, niet zijnde afvang uit omgevingslucht, en de permanente opslag van koolstofdioxide en op het moment van indienen van de aanvraag vergunningen die noodzakelijk zijn voor de realisatie van die productie-installatie nog niet zijn verleend, gaat, in afwijking van het eerste lid, de aanvraag vergezeld van de vergunning die op grond van artikel 5.1, tweede lid, onderdeel b van de Omgevingswet noodzakelijk is voor de realisatie van de afvanginstallatie en, indien van toepassing, de vervloeiingsinstallatie of de installatie voor zuivering van de afgevangen koolstofdioxide, of indien die vergunning nog niet is verleend, de in behandeling genomen aanvraag voor die vergunning.
6. Indien de aanvraag betrekking heeft op een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare warmte, hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte of koolstofdioxide-arme warmte en er een melding als bedoeld in artikel 12b, eerste lid, van de Warmtewet is gedaan en op het moment van indienen van de aanvraag vergunningen die noodzakelijk zijn voor de realisatie van die productie-installatie nog niet zijn verleend, gaat, in afwijking van het eerste lid, de aanvraag vergezeld van de vergunning die op grond van artikel 5.1, tweede lid, van de Omgevingswet noodzakelijk is voor de realisatie van de productie-installatie, of indien die vergunning nog niet is verleend, de in behandeling genomen aanvraag voor die vergunning.
7.
Indien de aanvraag betrekking heeft op een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit uit zonlicht uitsluitend door middel van fotovoltaïsche zonnepanelen die natuurinclusief wordt gerealiseerd, zijn in de vergunning die op grond van artikel 5.1, eerste lid, onderdeel a van de Omgevingswet noodzakelijk is voor de realisatie van de productie-installatie de volgende voorwaarden opgenomen:
a. a. er is van bovenaf gezien minimaal 25% open ruimte tussen de tafels met zonnepanelen aanwezig; b. b. er is een inrichtingsplan en beheerplan dat ten doel heeft om verslechtering van de bodemkwaliteit, waterkwaliteit en ecologische kwaliteit te voorkomen, waarbij deze voorwaarden in ieder geval betrekking hebben op de periode waarvoor subsidie wordt verleend; c. c. de vergunninghouder monitort de effecten van de productie-installatie op de bodemkwaliteit, waterkwaliteit en biodiversiteit en neemt, indien nodig, aanvullende maatregelen om verslechtering van de bodemkwaliteit, waterkwaliteit en ecologische kwaliteit te voorkomen, waarbij deze voorwaarden in ieder geval betrekking hebben op de periode waarvoor subsidie wordt verleend; en d. d. de vergunninghouder voert een nulmeting uit om de huidige waarde van de bodemkwaliteit, de waterkwaliteit en de ecologische kwaliteit vast te stellen.
Artikel 2a
1. De aanvraag om subsidieverlening gaat vergezeld van een haalbaarheidsstudie.
2.
De haalbaarheidsstudie, bedoeld in het eerste lid, bevat in ieder geval:
a. a. een omschrijving van de productie-installatie; b. b. een exploitatieberekening; c. c. een financieringsplan voor de productie-installatie waarvoor de subsidie wordt aangevraagd; d. d. inzicht in het eigen vermogen van de aanvrager, en e. e. indien het eigen vermogen minder dan 20% van de investering in de productie-installatie of indien de aanvrager meer dan één aanvraag per openstellingsperiode heeft ingediend minder dan 20% van de som van de investeringen in de productie-installaties bedraagt een intentieverklaring van een financier ter financiering van de productie-installatie waarvoor subsidie wordt aangevraagd.
3. Indien de aanvraag betrekking heeft op een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit door middel van windenergie op zee heeft in afwijking van het tweede lid, onderdeel e, de intentieverklaring van de financier betrekking op de financiering van het restant dat nodig is om 20% van de investering te bereiken.
4.
De exploitatieberekening, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, omvat:
a. a. een specificatie van de investeringskosten per component van de productie-installatie, b. b. een overzicht van alle kosten en baten van de productie-installatie, en c. c. een berekening van het projectrendement over de subsidielooptijd of, indien de aanvraag betrekking heeft op een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit door middel van windenergie op zee, de looptijd van het project.
5.
Indien de aanvraag betrekking heeft op een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit door middel van windenergie op zee wordt als de aanvrager in de aanvraag dit aangeeft tot het eigen vermogen, bedoeld in het tweede lid, onderdeel d, meegerekend:
a. a. indien de aanvrager een samenwerkingsverband is de eigen vermogens van de deelnemers aan het samenwerkingsverband; b. b. indien de subsidie-aanvrager of een deelnemer aan een samenwerkingsverband een dochteronderneming is en de moederonderneming daarmee schriftelijk instemt het overige eigen vermogen van de moederonderneming.
6. Voor de bepaling van de omvang van het eigen vermogen overeenkomstig het vijfde lid, wordt het eigen vermogen van een deelnemer aan een samenwerkingsverband of van een moederonderneming meegerekend in het eigen vermogen van ten hoogste twee subsidie-aanvragers. Indien het eigen vermogen van dezelfde entiteit op grond van het vijfde lid voor de aanvragen van meer dan twee subsidie-aanvragers zou worden meegerekend, wordt dat eigen vermogen bij alle aanvragen buiten beschouwing gelaten.
Artikel 2b
1.
In aanvulling op artikel 2a, tweede lid, bevat de haalbaarheidsstudie tevens:
a. a. indien de aanvraag betrekking heeft op een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit uit waterkracht, hernieuwbare energie uit biomassa, waterstof uit afval of de vermindering van broeikasgas een energie- of productopbrengstberekening; b. b. indien de aanvraag betrekking heeft op een productie-installatie voor de productie van hernieuwbaar gas met een aansluiting met een doorlaatwaarde groter dan 40m^3(n) per uur een verklaring met prijsindicatie van de netbeheerder voor het invoeden van hernieuwbaar gas; c. c. indien de aanvraag betrekking heeft op een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare of koolstofdioxide-arme warmte een onderbouwing van de warmteafzet en, indien sprake is van levering van warmte aan derden, een verklaring van de intentie van afname door die derden; d. d. indien de aanvraag betrekking heeft op een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare of koolstofdioxide-arme warmte door middel van geothermie een geologisch rapport; e. e. indien de aanvraag betrekking heeft op een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit door middel van windenergie op zee:
1°.
een windenergie-opbrengstberekening, en
2°.
informatie die aannemelijk maakt dat tijdig zal zijn voldaan aan artikel 7.34, tweede lid, onder c, van het Besluit activiteiten leefomgeving;
1°. 1°. een windenergie-opbrengstberekening, en 2°. 2°. informatie die aannemelijk maakt dat tijdig zal zijn voldaan aan artikel 7.34, tweede lid, onder c, van het Besluit activiteiten leefomgeving; f. f. indien de aanvraag betrekking heeft op een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit door middel van windenergie, niet zijnde windenergie op zee, met een vermogen van ten minste 100 kW een windenergie-opbrengstberekening; g. g. indien de aanvraag betrekking heeft op een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit uit zonne-energie met een vermogen groter dan of gelijk aan 1 MWp door middel van zonnepanelen met een zonvolgsysteem, een zonne-energieopbrengstberekening; h. h. indien de aanvraag betrekking heeft op een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit, hernieuwbare warmte of koolstofdioxide-arme warmte uit zonne-energie, een gedetailleerde tekening op schaal van de locatie van de productie-installatie waarop de zonnepanelen of zonnecollectoren nauwkeurig zijn ingetekend; i. i. indien de aanvraag betrekking heeft op een productie-installatie voor de benutting van restwarmte een kaart waarop het tracé van de transportleiding is ingetekend; j. j. indien de aanvraag betrekking heeft op een productie-installatie voor de afvang en de permanente opslag van koolstofdioxide een rapport over de infrastructuur voor transport en de opslag; k. k. indien de aanvraag betrekking heeft op een productie-installatie voor de afvang en het gebruik van koolstofdioxide een onderbouwing van de koolstofdioxide-afzet; l. l. indien de aanvraag betrekking heeft op een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit door middel van windenergie met hoogtebeperking, een onderbouwing dat er op de locatie van de productie-installatie sprake is van een hoogterestrictie waardoor de tiphoogte van de windturbine beperkt is tot 150 meter of lager; m. m. indien de aanvraag betrekking heeft op een productie-installatie voor de productie van waterstof, waarbij sprake is van levering van waterstof aan derden, een verklaring van de intentie van afname door die derden; n. n. indien de aanvraag betrekking heeft op een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit, hernieuwbare warmte of koolstofdioxide-arme warmte uit zonne-energie, anders dan zonthermie voor warmte met toepassing in een daglichtkas, waarbij sprake is van plaatsing op daken of bevestiging aan gevels, een verklaring van een constructeur over de belastbaarheid van het dak of de gevel volgens het Besluit bouwwerken leefomgeving met gebruikmaking van het middel dat door de minister beschikbaar wordt gesteld; o. o. indien de aanvraag betrekking heeft op een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit uit zonne-energie, waarbij het dak van een bestaand gebouw constructief wordt aangepast of een draagconstructie wordt toegepast die het dak ontlast en waarbij deze constructieve aanpassing noodzakelijk is voor de realisatie van de productie-installatie, danwel bij het gebruik van het dak van een bestaand gebouw gebruik wordt gemaakt van een productie-installatie met een maximaal gewicht van 10 kilogram per vierkante meter bedekt dakoppervlak, een verklaring van een constructeur over de belastbaarheid van het dak of de gevel volgens de normen van het Besluit bouwwerken leefomgeving met gebruikmaking van het middel dat door de minister beschikbaar wordt gesteld; p. p. indien de aanvraag betrekking heeft op een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare warmte, hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte of koolstofdioxide-arme warmte, waarbij sprake is van een melding als bedoeld in artikel 12b, eerste lid, van de Warmtewet, een kopie van deze melding.
2. Het geologisch rapport, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, voldoet aan het model ‘Specificaties geologisch onderzoek voor geothermieprojecten - rapportagevereisten SDE+ en RNES’ van 18 april 2017 van TNO zoals gepubliceerd op de website van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland.
3.
De windenergie-opbrengstberekening, bedoeld in het eerste lid, onderdelen e en f, is opgesteld door een organisatie met expertise op het gebied van windenergie-opbrengstberekeningen, met gebruikmaking van gerenommeerde rekenmodellen, omgevingsmodellen, windmodellen en windkaarten en bevat ten minste:
a. a. de locatiegegevens van het windpark; b. b. de technische specificaties waaronder merk, type, ashoogte, rotordiameter en vermogenscurve van de beoogde windturbines; c. c. de lokale windgegevens voor het windpark, en d. d. een berekening van de P50-waarde voor de netto elektriciteitsproductie op jaarbasis van het windpark.
4. Bij de berekening van de P50-waarde, bedoeld in het derde lid, onderdeel d, zijn voor wat betreft de productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit door middel van windenergie op zee de beschikbaarheid, zogeffecten, elektriciteitsverliezen, en terugregelverliezen opgenomen en is de organisatie met expertise op het gebied van windenergie-opbrengstberekeningen, bedoeld in het derde lid, onafhankelijk.
5.
Bij de berekening van de P50-waarde, bedoeld in het derde lid, onderdeel d, wordt voor wat betreft de productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit door middel van windenergie, niet zijnde windenergie op zee, voor de windenergie-opbrengstberekening per windturbinelocatie op de beoogde ashoogte de beschikbaarheid, zogeffecten, elektriciteitsverliezen, eigen consumptie, turbinerendement, terugregelverliezen en een berekende windsnelheid opgenomen, waarbij de berekende windsnelheid:
a. a. gebaseerd is op de omgevingseffecten en lokale windgegevens voor de windturbinelocatie over een aaneengesloten periode van minimaal 10 jaar; en b. b. niet hoger is dan de gemiddelde windsnelheid volgens een middel dat door de minister ter beschikking wordt gesteld.
6.
De zonne-energieopbrengstberekening, bedoeld in het eerste lid, onderdeel g, is gebaseerd op een gemiddelde jaarlijkse instraling op een horizontaal vlak van ten hoogste 1.000 kWh per m^2 en bevat ten minste:
a. a. technische specificaties van de zonnepanelen, waaronder minimaal het piekvermogen en het aantal panelen; b. b. technische specificaties van het automatische zonvolgsysteem, waaronder minimaal een beschrijving of verstelling van de hellingshoek, verstelling in oost-westoriëntatie of verstelling van de hellingshoek en verstelling in oost-westoriëntatie van de zonnepanelen wordt toegepast; c. c. het totale vermogen van omvormers en het aansluitvermogen van de netaansluiting; d. d. verliezen ten gevolge van reflectie, schaduwwerking, vervuiling en degradatie van de zonnepanelen; en e. e. een berekening van gemiddelde netto elektriciteitsproductie op jaarbasis, rekening houdend met de verliezen, bedoeld in onderdeel d, over een periode van 15 jaar van het zonne-energiesysteem.
7. Het rapport over de infrastructuur voor transport en opslag, bedoeld in het eerste lid, onderdeel j, voldoet aan het model ‘Vereiste informatie transport- en opslagverklaring’, gepubliceerd op de website van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland.
Artikel 2c
Indien de aanvraag betrekking heeft op een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit door middel van windenergie op zee worden bij de aanvraag tevens de volgende gegevens toegevoegd:
a. a. indien de aanvrager een samenwerkingsverband betreft een door elke deelnemer ondertekende verklaring van deelname aan het samenwerkingsverband; b. b. de meest recent vastgestelde jaarrekening van de aanvrager, diens moederonderneming, de deelnemers aan het samenwerkingsverband of hun moederondernemingen waarbij de jaarrekening betrekking heeft op een jaar dat ten hoogste drie kalenderjaren voor het jaar waarin de aanvraag wordt ingediend; c. c. de bescheiden waarmee voldoende aannemelijk wordt gemaakt dat aan het van toepassing zijnde kavelbesluit wordt voldaan, en d. d. het projectplan waaruit de voornemens van de aanvrager blijken inzake de wijze waarop en de partijen waardoor de productie-installatie wordt gerealiseerd en geëxploiteerd.
Artikel 2d
1.
Indien de aanvraag betrekking heeft op een productie-installatie op een locatie waarbij de subsidieaanvrager niet de eigenaar van de locatie is, gaat de aanvraag vergezeld van:
a. a. de toestemming van de eigenaar of eigenaren dat de desbetreffende productie-installatie op desbetreffende locatie wordt gevestigd met gebruikmaking van het middel dat door de minister beschikbaar wordt gesteld; b. b. een gedoogplichtbeschikking op grond van artikel 10.21, eerste lid, van de Omgevingswet met betrekking tot de desbetreffende locatie voor het vestigen van de desbetreffende productie-installatie; c. c. een afgesloten voorovereenkomst of grondovereenkomst met het Rijksvastgoedbedrijf met betrekking tot de desbetreffende locatie voor het vestigen van de desbetreffende productie-installatie.
2. Indien de aanvraag betrekking heeft op een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit uit zonne-energie, waterkracht of windenergie, of een productie-installatie waarbij sprake is van gecombineerde opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte uit biomassavergisting die wordt aangesloten op een elektriciteitsnet met een aansluiting met een totale doorlaatwaarde van meer dan 3*80 A, gaat de aanvraag vergezeld van de verklaring van de netbeheerder over de beschikbaarheid van transportcapaciteit voor de nauwkeurig omschreven productie-installatie met gebruikmaking van het middel dat door de minister beschikbaar wordt gesteld.
3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing indien de aanvraag betrekking heeft op een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit door middel van windenergie op zee.
4. Indien de aanvraag betrekking heeft op een productie-installatie voor de afvang en permanente opslag van koolstofdioxide gaat de aanvraag vergezeld van de verklaring of de verklaringen over de beschikbaarheid van transport- en opslagcapaciteit van de partij of partijen die het transport of de permanente opslag van de koolstofdioxide uitvoeren met betrekking tot de desbetreffende productie-installatie.
5. Indien de aanvraag betrekking heeft op een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit uit zonne-energie, gaat de aanvraag vergezeld van toestemming van de aanvrager op het delen van informatie tussen de netbeheerder en de minister over het bij de netbeheerder gecontracteerde terugleververmogen en de ean-code van de productie-installatie.
Paragraaf 3. Nadere verplichtingen van de subsidie-ontvanger
Paragraaf 3.1. Algemene verplichtingen
Artikel 3
1. De subsidie-ontvanger verstrekt de opdrachten voor de levering van onderdelen voor de bouw van de productie-installatie binnen 18 maanden na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening en zendt een afschrift aan de minister.
2. De subsidie-ontvanger rapporteert na de datum van de beschikking tot subsidieverlening tot het moment van ingebruikname jaarlijks over de voortgang van de realisatie van het op grond van artikel 56, vierde lid, onderdeel f, van het besluit in de aanvraag opgenomen tijdschema.
3. De subsidie-ontvanger zendt de minister binnen een jaar na de datum van ingebruikname van de productie-installatie of op verzoek van de minister een overzicht van de daadwerkelijke investeringskosten, van de overige kosten en baten gedurende de exploitatie, van de reeds ontvangen subsidies en overige steun en van de nog te ontvangen subsidies en overige steun. Het overzicht wordt gezonden met gebruikmaking van een middel dat door de minister beschikbaar wordt gesteld. Indien de verleende subsidie meer bedraagt dan € 125.000, gaat het overzicht vergezeld van een verklaring van een accountant als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het accountantsberoep. De verklaring wordt opgesteld met gebruikmaking van een controleprotocol dat door de minister ter beschikking wordt gesteld.
4. De minister kan de termijn, bedoeld in het derde lid, op verzoek van de subsidie-ontvanger eenmalig verlengen met ten minste zes weken.
5. De subsidie-ontvanger meldt iedere wijziging van reeds ontvangen subsidies en overige steun en van de nog te ontvangen subsidies en overige steun aan de minister.
6. Het eerste lid is niet van toepassing op de ontvanger van subsidie voor een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit door middel van windenergie op zee.
7.
Het derde lid is niet van toepassing indien de subsidie-ontvanger geen andere subsidie heeft ontvangen dan die op grond van het besluit en geen andere overige steun, met uitzondering van het financieel voordeel dat is behaald op grond van de Regeling groenprojecten 2016 of de Regeling groenprojecten 2022, tenzij sprake is van:
a. a. een productie-installatie voor restwarmte, de productie van koolstofdioxide-arme warmte met een elektroboiler, een procesgeïntegreerde warmtepomp in een verdampingsproces of een industriële warmtepomp met 3.000 vollasturen, waterstof, de afvang en permanente opslag van koolstofdioxide of de afvang en het gebruik van koolstofdioxide of de productie van hernieuwbare warmte of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte door middel van thermische conversie van vaste of vloeibare biomassa waarvoor via verlengde levensduur opnieuw subsidie is gegeven; b. b. een productie-installatie met een nominaal vermogen gelijk aan of groter dan 1 MW voor de productie van hernieuwbaar gas uit biomassa, de productie van hernieuwbare warmte uit biomassa, de gecombineerde opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte uit biomassa of de productie van geavanceerde hernieuwbare brandstof, indien er indicaties zijn dat de marktprijs voor biomassa waarvan de minister is uitgegaan bij het vaststellen van het basisbedrag meer dan 15% op jaarbasis is gedaald.
8. De productie-installatie wordt in stand gehouden in Nederland of binnen de Nederlandse exclusieve economische zone, met dien verstande dat in het geval het subsidieverlening betreft voor een productie-installatie voor de afvang en de permanente opslag van koolstofdioxide het ondergrondse opslagvoorkomen voor koolstofdioxide zich ook daarbuiten binnen de Europese Unie mag bevinden of in een land dat lid is van de Europese Economische Ruimte.
9. In afwijking van het eerste lid verstrekt de subsidie-ontvanger de opdrachten voor de levering van onderdelen voor de bouw van de productie-installatie voor de productie van hernieuwbare warmte of koolstofdioxide-warmte door middel van geothermie, voor de afvang en permanente opslag van koolstofdioxide of voor de afvang, niet zijnde uit omgevingslucht, en het gebruik van koolstofdioxide binnen 36 maanden na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening en zendt deze een afschrift aan de minister.
10. Indien sprake is van een productie-installatie voor de afvang en permanente opslag van koolstofdioxide of voor de afvang, niet zijnde uit omgevingslucht, en het gebruik van koolstofdioxide, gaat het afschrift, bedoeld in het negende lid, vergezeld van vergunningen die noodzakelijk zijn voor de realisatie van de productie-installatie, met uitzondering van de vergunningen die op grond van artikel 5.1, tweede lid, onderdeel b, van de Omgevingswet en artikel 25, eerst lid, van de Mijnbouwwet en de Omgevingswet vereist zijn voor de realisatie van het ondergrondse opslagvoorkomen voor koolstofdioxide, voor zover de aanvraag om subsidieverlening niet vergezeld ging van deze vergunningen.
11. In afwijking van het zevende lid, aanhef en onderdeel b, is het derde lid niet van toepassing indien het een productie-installatie als bedoeld in dat onderdeel betreft met een nominaal vermogen kleiner dan 6 MW en de productie-installatie volledig in eigendom is van een kleine of middelgrote onderneming als bedoeld in artikel 2, van Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU 2014, L 187) of van een hernieuwbare energie-gemeenschap als bedoeld in artikel 2, punt 16, van richtlijn (EU) 2018/2001.
Artikel 4
1. De subsidie-ontvanger meet de productie van elektriciteit, warmte, gas, waterstof of geavanceerde hernieuwbare brandstof, dan wel de vermindering van koolstofdioxide per beschikking tot subsidieverlening.
2.
De minister kan ontheffing verlenen van de verplichting, bedoeld in het eerste lid, indien de beschikking betrekking heeft op een productie-installatie:
a. a. die is zijn aangewezen onder artikel 3, tweede lid, onderdeel a, van het besluit; of b. b. die in capaciteit wordt uitgebreid.
3. Aan de ontheffing kunnen voorwaarden en voorschriften verbonden worden.
Artikel 5
1. De subsidie-ontvanger verstrekt de minister op aanvraag gegevens over de verkoopprijs van de met de gesubsidieerde productie samenhangende garanties van oorsprong.
2. De verklaring, bedoeld in artikel 63b, eerste lid, van het besluit komt overeen met de gegevens die zijn geregistreerd bij de Nederlandse Emissieautoriteit.
Paragraaf 3.2. Verplichtingen gebruik biomassa
Artikel 6
1. Dit artikel is van toepassing op een subsidieontvanger die een productie-installatie bedrijft waarvoor subsidie wordt verstrekt onder de voorwaarde dat de subsidieontvanger aantoont dat de gebruikte biomassa voldoet aan de duurzaamheidscriteria en broeikasgasemissiereductiecriteria, bedoeld in artikel 29, eerste lid, van richtlijn (EU) 2018/2001.
2. Een subsidieontvanger maakt gebruik van biomassa die per biomassalevering vergezeld gaat van de benodigde conformiteitsbeoordelingsverklaringen, afgegeven op grond van een certificatieschema waarvan de Europese Commissie op grond van artikel 30, vierde lid, van richtlijn (EU) 2018/2001 heeft besloten dat deze accurate gegevens verschaft met het oog op de toepassing van artikel 29 van richtlijn (EU) 2018/2001 of op grond van een nationaal systeem, waarvan de Europese Commissie op grond van artikel 30, zesde lid, van de richtlijn (EU) 2018/2001 heeft besloten dat dit voldoet aan de in die richtlijn bepaalde voorwaarden, afhankelijk van de van toepassing zijnde criteria, bedoeld in het eerste lid.
3. Voor de toepassing van het eerste en tweede lid wordt voor een subsidie-ontvanger met een beschikking tot subsidieverlening die is afgegeven op een aanvraag om subsidieverlening die is ontvangen voor inwerkingtreding van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie en klimaattransitie 2023, uitgegaan van richtlijn (EU) 2018/2001, naar de tekst zoals deze bij die richtlijn is vastgesteld.
4. In afwijking van het tweede lid kan een subsidieontvanger voor biomassa als bedoeld in de nummers 170 tot en met 179, 300 tot en met 329 en 410 van NTA 8003:2017 gebruik maken van biomassa die per biomassalevering vergezeld gaat van de benodigde conformiteitsbeoordelingsverklaringen afgegeven op grond van het verificatieprotocol, bedoeld in artikel 7ba, eerste lid.
5. De subsidieontvanger zendt binnen vier maanden na afloop van ieder kalenderjaar waarover een voorschot wordt verstrekt aan de minister een jaarlijkse conformiteitsbeoordelingsverklaring afgegeven op grond van het verificatieprotocol, bedoeld in artikel 7ba, eerste lid.
Artikel 7
1.
Dit artikel is van toepassing op een subsidieontvanger die een daartoe bij een voor 1 januari 2023 in de Staatscourant gepubliceerde openstellingsregeling aangewezen categorie productie-installatie bedrijft:
a. a. voor de productie van stoom door middel van verbranding van houtpellets in een ketel; b. b. waarin vaste of gasvormige biomassa wordt omgezet in hernieuwbare elektriciteit of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte; c. c. voor de productie van elektriciteit door middel van kolen waarin biomassa mee wordt gestookt, of d. d. voor de productie van hernieuwbare warmte, of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte door middel van verbranding van houtpellets met een brander in een ketel, een oven of een fornuis.
2. Een subsidieontvanger maakt gebruik van vaste biomassa die per biomassalevering vergezeld gaat van de benodigde conformiteitsbeoordelingsverklaringen afgegeven op grond van een certificatieschema, bedoeld in artikel 10 van het Besluit conformiteitsbeoordeling vaste biomassa voor energietoepassingen, of op grond van het verificatieprotocol, bedoeld in artikel 4 van de Regeling conformiteitsbeoordeling vaste biomassa voor energietoepassingen, afhankelijk van de van toepassing zijnde duurzaamheidseisen, bedoeld in artikel 2 van de Regeling conformiteitsbeoordeling vaste biomassa voor energietoepassingen, en ten aanzien van elke aard van vaste biomassa.
3. Van de totale massa houtige biomassa uit bosbeheereenheden die in een kalenderjaar voor subsidie in aanmerking komt, hoeft ten hoogste 30% te voldoen aan de duurzaamheidscriteria en broeikasgasemissiereductiecriteria, bedoeld in artikel 29, eerste lid, van richtlijn (EU) 2018/2001, waarbij voor een subsidie-ontvanger met een beschikking tot subsidieverlening die is afgegeven op een aanvraag om subsidieverlening die is ontvangen voor inwerkingtreding van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie en klimaattransitie 2023, wordt uitgegaan van richtlijn (EU) 2018/2001, naar de tekst zoals deze bij die richtlijn is vastgesteld.
4. In afwijking van het tweede lid geldt voor een subsidieontvanger die een productie-installatie bedrijft met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen kleiner dan 7,5 MW, het bepaalde in eis 1.1b, tweede en derde volzin, van bijlage B van de Regeling conformiteitsbeoordeling vaste biomassa voor energietoepassingen, niet.
Artikel 7a
Vervallen
Artikel 7b
1. De subsidie-ontvanger die een productie-installatie bedrijft, bedoeld in artikel 7, eerste lid, zendt binnen vier maanden na afloop van ieder kalenderjaar waarover een voorschot wordt verstrekt aan de minister een verklaring waaruit blijkt dat de gebruikte biomassa aan artikel 7 voldoet.
2. De verklaring is een jaarlijkse conformiteitsbeoordelingsverklaring afgegeven op grond van het verificatieprotocol, bedoeld in artikel 4 van de Regeling conformiteitsbeoordeling vaste biomassa voor energietoepassingen.
3.
De subsidie-ontvanger toont voor het deel van de rapportage betreffende houtige biomassa afkomstig uit een bosbeheereenheid die kleiner is dan 500 hectare dat betrekking heeft op het duurzaam bosbeheer op regionaal niveau of op het niveau van de bosbeheereenheid aan dat aan de duurzaamheidseisen is voldaan, met uitzondering van:
a. a. de laatste twee jaar van de periode waarover subsidie wordt verstrekt aan een subsidie-ontvanger die een productie-installatie bedrijft die in 2015 of 2016 in gebruik of opnieuw in gebruik is genomen, waarvoor op het niveau van de bosbeheereenheid wordt aangetoond dat aan de duurzaamheidseisen is voldaan, b. b. de laatste drie jaar van de periode waarover subsidie wordt verstrekt aan een subsidie-ontvanger die een productie-installatie bedrijft die in 2017 of 2018 in gebruik of opnieuw in gebruik is genomen, waarvoor op het niveau van de bosbeheereenheid wordt aangetoond dat aan de duurzaamheidseisen is voldaan, c. c. de laatste vier jaar van de periode waarover subsidie wordt verstrekt aan een subsidie-ontvanger die een productie-installatie bedrijft die in 2019 in gebruik of opnieuw in gebruik is genomen, waarvoor op het niveau van de bosbeheereenheid wordt aangetoond dat aan de duurzaamheidseisen is voldaan, d. d. de laatste vijf jaar van de periode waarover subsidie wordt verstrekt aan een subsidie-ontvanger die een productie-installatie bedrijft die in 2020 in gebruik of opnieuw in gebruik is genomen, waarvoor op het niveau van de bosbeheereenheid wordt aangetoond dat aan de duurzaamheidseisen is voldaan, e. e. een subsidie-ontvanger die een productie-installatie bedrijft die na 2020 in gebruik of opnieuw in gebruik is genomen, waarvoor voor de gehele subsidieperiode op het niveau van de bosbeheereenheid wordt aangetoond dat aan de duurzaamheidseisen is voldaan.
4. De subsidie-ontvanger toont voor het deel van de rapportage betreffende houtige biomassa afkomstig uit een bosbeheereenheid groter dan of gelijk aan 500 hectare dat betrekking heeft op het duurzaam bosbeheer op het niveau van de bosbeheereenheid aan dat aan de duurzaamheidseisen is voldaan.
Artikel 7ba
1. Het verificatieprotocol, bedoeld in artikel 63a, vijfde lid, van het besluit is het verificatieprotocol dat op de website van Rijksdienst voor Ondernemend Nederland geplaatst is onder de naam Verificatieprotocol duurzaamheid biomassa – Aantonen van REDII-duurzaamheid voor SDE en EU-ETS.
2. Artikel 14 van het Besluit conformiteitsbeoordeling vaste biomassa voor energietoepassingen is van toepassing op het verificatieprotocol in het eerste lid.
Artikel 7bb
De inspecteurs van de Nederlandse emissieautoriteit worden aangewezen als ambtenaren, belast met het toezicht op de naleving, bedoeld in artikel 71a van het besluit.
Paragraaf 3.3. Verplichtingen vergisting en co-vergisting van dierlijke meststoffen
Artikel 7c
De subsidieontvanger die een productie-installatie bedrijft waarmee hernieuwbare warmte, hernieuwbare elektriciteit, hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte, hernieuwbaar gas of geavanceerde hernieuwbare brandstof wordt geproduceerd door middel van vergisting en co-vergisting van dierlijke meststoffen:
a. a. voldoet aan de artikelen 33 en 39 van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet en de artikelen 38, vierde lid, 40, tweede lid, 46, achtste lid, en 47, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet; b. b. produceert slechts product dat beantwoordt aan Bijlage Aa, onderdeel IV, categorie 1 van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet; c. c. gebruikt slechts coproducten, genoemd in Bijlage Aa, onderdeel IV, van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet; d. d. voldoet bij gebruik van coproducten, genoemd in Bijlage Aa, onderdeel IV, categorie 1, onder G, van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet aan de eisen bedoeld in bijlage II, tabel 1, en tabel 4, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet; en e. e. gebruikt bij nakoming van artikel 24, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de Regeling garanties van oorsprong en certificaten van oorsprong dezelfde benamingen en coderingen, genoemd in Bijlage Aa van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet.
Paragraaf 3.4. Verplichtingen CO
Paragraaf 3.4.1. Algemene verplichtingen
Artikel 7d
1.
Een subsidie-ontvanger dient bij het meetbedrijf met gebruikmaking van het formulier, bedoeld in bijlage 8, een verzoek in om een oordeel omtrent de geschiktheid van diens productie-installatie voor:
a. a. de opwekking van koolstofdioxide-arme warmte; b. b. de afvang en permanente opslag van koolstofdioxide; c. c. de afvang en het gebruik van koolstofdioxide; d. d. de productie van waterstof uit afval; e. e. de productie van waterstof door middel van elektrolyse die met een aansluiting is gekoppeld aan het elektriciteitsnet, voor wat betreft subsidieaanvragen die door de subsidie-ontvanger tot 10 september 2024 zijn ingediend; f. f. de productie van geavanceerde hernieuwbare brandstof.
2. Een oordeel omtrent de geschiktheid is vijf jaar geldig of tot het moment waarop de subsidie-ontvanger een aanpassing heeft doorgevoerd in zijn productie-installatie die een wijziging van een van de gegevens, vermeld in het verzoek, bedoeld in het eerste lid, ten gevolge heeft. Een subsidie-ontvanger verricht een nieuw verzoek, bedoeld in het eerste lid, voordat de geldigheidsduur van het oordeel is verlopen.
3. De subsidie-ontvanger bepaalt in het verzoek, bedoeld in het eerste lid, de systeemgrens van iedere productie-installatie, waarvoor subsidie is aangevraagd, op dusdanige wijze dat de subsidiabele productie kan worden gemeten.
4. Een wijziging van de systeemgrens van een productie-installatie leidt er niet toe dat één of meer productie-eenheden van de desbetreffende productie-installatie gaan behoren aan een andere productie-installatie.
5. De subsidie-ontvanger stelt het meetbedrijf in staat het onderzoek te verrichten ten behoeve van de beoordeling van de geschiktheid.
6. De minister verstrekt het eerste voorschot aan een subsidie-ontvanger niet eerder dan nadat de subsidie-ontvanger het oordeel omtrent de geschiktheid overlegt of doet overleggen aan de minister.
7. De minister verstrekt uitsluitend een voorschot indien een subsidie-ontvanger over een geldig oordeel omtrent de geschiktheid beschikt.
Artikel 7e
1. Een subsidie-ontvanger stelt een meetprotocol op met inachtneming van de meetvoorwaarden voor koolstofdioxide-arme warmte, voor waterstof, voor koolstofdioxide en voor geavanceerde hernieuwbare brandstof, genoemd in bijlage 9.
2. De subsidie-ontvanger laat het meetprotocol beoordelen door een meetbedrijf.
3. Het meetprotocol heeft een geldigheid van vijf jaar of tot het moment dat de subsidie-ontvanger een aanpassing van de productie-installatie of het productieproces doorvoert die een wijziging van het meetprotocol tot gevolg heeft. De subsidie-ontvanger stelt voorafgaand aan het verlopen van de geldigheidsduur een nieuw meetprotocol op.
4. De minister verstrekt het eerste voorschot aan een subsidie-ontvanger niet eerder dan nadat de subsidie-ontvanger het beoordeelde meetprotocol overlegt of doet overleggen aan de minister.
5. De minister verstrekt uitsluitend een voorschot indien een subsidie-ontvanger over een geldig meetprotocol beschikt.
Artikel 7f
1. De subsidie-ontvanger draagt er zorg voor dat alle energie- of productiestromen die zijn omschreven in de meetvoorwaarden, bedoeld in bijlage 9 en die de systeemgrens passeren, worden gemeten in overeenstemming met het meetprotocol.
2. De minister kan het meetbedrijf verzoeken afwijkingen van het meetprotocol te melden aan de minister.
Artikel 7g
1.
De subsidie-ontvanger stelt elke kalendermaand een meetrapport op met inachtneming van het meetprotocol dat:
a. a. de wijze van totstandkoming van de meetgegevens beschrijft, en b. b. geverifieerd wordt door een meetbedrijf, waarbij het desbetreffende meetbedrijf ten minste de meetgegevens en het gerealiseerde energetische rendement ten opzichte van de geproduceerde energie bevestigt.
2. Het meetrapport bevat voor een productie-installatie voor waterstof uit elektrolyse met een aansluiting op het elektriciteitsnet de meetgegevens van de in- en uitgaande energiestromen van het elektrolyseproces en het aantal productie-uren.
3. Het meetrapport bevat voor een productie-installatie voor de productie van koolstofdioxide-arme warmte met een elektroboiler voor warmte het aantal productie-uren.
Artikel 7h
1. Een subsidie-ontvanger draagt er zorg voor dat het meetrapport uiterlijk 20 dagen na afloop van de kalendermaand waarop het meetrapport betrekking heeft, wordt overgedragen aan de Minister.
2. De minister stelt na ontvangst van het meetrapport op verzoek van een subsidie-ontvanger die een productie-installatie voor de productie van koolstofdioxide-arme warmte in stand houdt de nuttig aangewende koolstofdioxide-arme warmte in MWh vast.
3. Indien de subsidie-ontvanger die een productie-installatie voor de productie van koolstofdioxide-arme warmte in stand houdt, gebruik maakt van warmte afkomstig van een andere bron, draagt de subsidie-ontvanger er zorg voor dat het meetbedrijf de hoeveelheid gebruikte warmte in mindering brengt op de hoeveelheid geproduceerde koolstofdioxide-arme warmte.
Artikel 7i
1. Bij een productie-installatie voor restwarmte zonder warmtepompsysteem, wordt de productie gemeten bij de uitgang van het warmteoverdrachtsstation.
2. Bij een productie-installatie voor restwarmtebenutting met een warmtepomp wordt de productie gemeten bij de uitgang van de warmtepomp.
3. Bij een productie-installatie voor de productie van koolstofdioxide-arme warmte geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van warmte waarbij warmte wordt hergebruikt in een op het moment van de aanvraag bestaand verdampingsproces wordt de productie gemeten met een meting van de ingaande elektriciteit, waarna deze met een factor 3,0 in kWhth wordt omgezet.
Paragraaf 3.4.2. Verplichtingen voor de permanente opslag en het gebruik van koolstofdioxide en geavanceerde hernieuwbare brandstof
Artikel 7j
Vervallen
Artikel 7k
1. Dit artikel is van toepassing indien een subsidie-ontvanger met een productie-installatie koolstofdioxide afvangt en permanent opslaat of gebruikt, waarbij gebruik wordt gemaakt van gasvormig transport van koolstofdioxide en van een basisinfrastructuur voor koolstofdioxide.
2. De subsidie-ontvanger meet elke kalendermaand de hoeveelheid koolstofdioxide die wordt ingevoed in de basisinfrastructuur voor koolstofdioxide volgens de meetvoorwaarden, opgenomen in bijlage 9, en draagt er zorg voor dat deze uiterlijk twintig dagen na afloop van de kalendermaand aan de Minister wordt overgedragen.
3. De meting, bedoeld in het tweede lid, wordt gedaan op de grens tussen de productie-installatie en de gedeelde voorzieningen van de basisinfrastructuur voor koolstofdioxide.
4. De subsidie-ontvanger draagt er zorg voor dat de meting, bedoeld in het tweede lid, plaatsvindt bij alle productie-installaties die aangesloten zijn op de basisinfrastructuur voor koolstofdioxide.
5. Indien de subsidie-ontvanger met een productie-installatie koolstofdioxide afvangt en permanent opslaat, stelt de Minister de hoeveelheid koolstofdioxide die voor subsidie in aanmerking komt per productie-installatie vast door de hoeveelheid koolstofdioxide die in de basisinfrastructuur voor koolstofdioxide permanent wordt opgeslagen te verdelen naar rato van de geleverde koolstofdioxide, uitgedrukt in 1.000 kg koolstofdioxide, over de productie-installaties die aangesloten zijn op de desbetreffende basisinfrastructuur voor koolstofdioxide.
6. Indien er sprake is van meerdere productie-installaties met één aansluiting op een basisinfrastructuur voor koolstofdioxide en van meerdere subsidie-ontvangers wijzen de subsidie-ontvangers voor de meting, bedoeld in het tweede lid, tezamen één meetbedrijf aan.
7. Indien een subsidie-ontvanger is aangesloten op een basisinfrastructuur voor koolstofdioxide waar zowel productie-installaties voor de afvang en de permanente opslag van koolstofdioxide als productie-installaties voor de afvang en het gebruik van koolstofdioxide zijn aangesloten, verstrekt hij uiterlijk tien dagen na afloop van de kalendermaand aan het meetbedrijf, bedoeld in het vijfde lid, een overzicht over welk deel van de totale hoeveelheid koolstofdioxide permanent is opgeslagen en welk deel van de productie nuttig is aangewend.
Artikel 7l
1. Dit artikel is van toepassing indien een subsidie-ontvanger met een productie-installatie koolstofdioxide afvangt, permanent opslaat, doet opslaan of gebruikt, waarbij gebruik wordt gemaakt van vloeibaar transport.
2. De subsidie-ontvanger overlegt aan de Minister een verificatierapport dat betrekking heeft op het voorgaande kalenderjaar, van een verificateur als bedoeld in artikel 3, onderdeel 3, van de Verordening verificatie en accreditatie emissiehandel uiterlijk vier maanden na afloop van het kalenderjaar waarop het verificatierapport betrekking heeft.
3. Voor het opstellen van het verificatierapport wordt gebruikgemaakt van een door de Minister beschikbaar gesteld middel.
4. Indien de subsidie-ontvanger met de productie-installatie koolstofdioxide afvangt en permanent opslaat of doet opslaan, blijkt uit het verificatierapport dat de gemeten hoeveelheden koolstofdioxide, beschreven in het meetrapport, bedoeld in artikel 7g, permanent zijn opgeslagen.
5. Indien de subsidie-ontvanger met de productie-installatie koolstofdioxide afvangt en gebruikt, blijkt uit het verificatierapport dat de gemeten hoeveelheden koolstofdioxide, beschreven in het meetrapport, bedoeld in artikel 7g, nuttig zijn aangewend.
Artikel 7m
1. Dit artikel is van toepassing indien een subsidie-ontvanger met een productie-installatie koolstofdioxide afvangt en permanent opslaat.
2. De subsidie-ontvanger verzekert zich dat de hoeveelheid koolstofdioxide die permanent wordt opgeslagen wordt gemeten volgens de meetvoorwaarden, opgenomen in bijlage 9.
3. De subsidie-ontvanger overlegt uiterlijk vier maanden na afloop van het kalenderjaar de meetgegevens van de beheerder van de basisinfrastructuur voor koolstofdioxide over de hoeveelheid permanent opgeslagen koolstofdioxide aan de Minister.
4. Indien er sprake is van een vloeibaar transport van koolstofdioxide waarbij koolstofdioxide van meerdere productie-installaties wordt gemengd, wijst de subsidie-ontvanger voor de meting, bedoeld in het tweede lid, één meetbedrijf aan.
5. Indien er sprake is van een vloeibaar transport van koolstofdioxide, draagt de subsidie-ontvanger er zorg voor dat hij beschikt over transportdocumenten, waaruit sluitend de afleverlocatie en de afleverhoeveelheid van het transport door hem en derde partijen en de permanente opslag van koolstofdioxide blijkt.
Artikel 7n
1. Dit artikel is van toepassing indien een subsidie-ontvanger met een productie-installatie koolstofdioxide afvangt en gebruikt.
2. De subsidie-ontvanger draagt er zorg voor dat de productie van koolstofdioxide nuttig wordt aangewend.
3. De subsidie-ontvanger overlegt uiterlijk vier maanden na afloop van het kalenderjaar de meetgegevens van de beheerder van de basisinfrastructuur voor koolstofdioxide over de hoeveelheid nuttig aangewende koolstofdioxide aan de Minister.
4. Indien sprake is voor vloeibaar transport van koolstofdioxide, draagt de subsidie-ontvanger er zorg voor dat hij beschikt over transportdocumenten, waaruit sluitend de afleverlocatie en de afleverhoeveelheid van het transport door haar en derde partijen en de nuttige aanwending van koolstofdioxide blijkt.
Artikel 7o
1. Dit artikel is van toepassing indien een subsidie-ontvanger met een productie-installatie geavanceerde hernieuwbare brandstof produceert.
2. De hoeveelheid geavanceerde hernieuwbare brandstof die voor subsidie in aanmerking komt, wordt bepaald op basis van het register hernieuwbare energie vervoer.
3.
Uiterlijk vier maanden na afloop van het kalenderjaar overlegt de subsidie-ontvanger aan de Minister:
a. a. de dubbeltellingsverklaringen, bedoeld in artikel 1 van het Besluit energie vervoer, behorend bij de geproduceerde hoeveelheid geavanceerde hernieuwbare brandstof; b. b. de gegevens uit het register hernieuwbare energie vervoer, waaruit blijkt welke hoeveelheid geavanceerde hernieuwbare brandstof, omschreven in het meetrapport, bedoeld in artikel 7g, is geleverd in Nederland aan wegvoertuigen of binnenvaartschepen; c. c. een overzicht waaruit per kalendermaand de hoeveelheid, aard en, in honderdsten van procenten nauwkeurig, de verhouding van de in de productie-installatie ingezette grondstoffen blijkt, gerapporteerd volgens de NTA 8003:2017 met gebruikmaking van het middel dat door de Minister beschikbaar wordt gesteld.
4. De subsidie-ontvanger mengt de geavanceerde hernieuwbare brandstof die in aanmerking komt voor subsidie, niet met andere brandstoffen die niet voor subsidie in aanmerking komen.
Paragraaf 3.4.3. Verplichtingen voor de productie van waterstof door middel van elektrolyse
Artikel 7p
1. Dit artikel is van toepassing op subsidie-ontvangers aan wie subsidie is verleend op grond van subsidieaanvragen die vanaf 10 september 2024 zijn ingediend voor het produceren met een productie-installatie voor de productie van waterstof door middel van elektrolyse die met een aansluiting is gekoppeld aan het elektriciteitsnet en op subsidieaanvragen voor het produceren met een productie-installatie van waterstof door middel van elektrolyse die met een directe aansluiting op een productie-installatie die elektriciteit produceert met behulp van windenergie of een productie-installatie die elektriciteit produceert uit zonlicht door middel van fotovoltaïsche zonnepanelen.
2.
De subsidieontvanger is vanaf de datum van ingebruikname van de productie installatie tot aan de datum van de beschikking tot subsidievaststelling in het bezit van een geldig certificaat dat aantoont dat:
a. a. de waterstofproductie-installatie zodanig is ontworpen en de elektriciteits- en waterstofstromen zodanig worden gemeten en geadministreerd dat aantoonbaar volledig hernieuwbare waterstof kan worden geproduceerd; b. b. de te produceren waterstof als volledig hernieuwbaar kan worden aangemerkt; en c. c. indien met de productie-installatie ook waterstof die niet volledig hernieuwbaar is zal worden geproduceerd, de broeikasgasemissiereductie van het totaal aan te produceren volledig hernieuwbare waterstof en waterstof die niet volledig hernieuwbaar is samen tenminste 70% is.
3. Indien door de Europese Commissie twee of meer vrijwillige nationale of internationale systemen voor hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong zijn erkend op basis van artikel 30, vierde lid, van richtlijn (EU) 2018/2001, is het certificaat opgesteld met een van deze vrijwillige nationale of internationale systemen.
4. Indien door de Europese Commissie minder dan twee vrijwillige nationale of internationale systemen voor hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong zijn erkend op basis van artikel 30, vierde lid, van richtlijn (EU) 2018/2001, is het certificaat opgesteld met een erkend vrijwillig nationaal of internationaal systeem voor hernieuwbare gasvormige brandstoffen van niet-biologische oorsprong of met een vrijwillig nationaal of internationaal systeem voor hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong dat de vaststellingsprocedure door de Europese Commissie, bedoeld in artikel 30, vierde en vijfde lid, van die richtlijn doorloopt.
5. De subsidieontvanger zendt vanaf de datum van ingebruikname van de waterstofproductie-installatie tot aan de subsidievaststelling telkens binnen vijf maanden na afloop van ieder kalenderjaar aan de minister een verklaring waaruit blijkt dat de geproduceerde volledig hernieuwbare waterstof voldoet aan de eisen die zien op volledige hernieuwbaarheid, en dat, indien met de productie-installatie ook waterstof wordt geproduceerd die niet volledig hernieuwbaar is, de broeikasgasemissiereductie van het totaal aan geproduceerde volledig hernieuwbare waterstof en waterstof die niet volledig hernieuwbaar is tenminste 70% is.
6. De verklaring wordt overgelegd met gebruikmaking van een middel dat door de minister beschikbaar wordt gesteld.
7. De verklaring bevat ten minste de informatie, bedoeld in artikel 8 van gedelegeerde verordening (EU) 2023/1184, over het voorgaande kalenderjaar.
8. De subsidieontvanger laat de verklaring verifiëren en ondertekenen door de instantie die het certificaat, bedoeld in het tweede lid, afgeeft.
9. De subsidieontvanger verstrekt de minister de hernieuwbare stroomafnameovereenkomsten voor wind- of zonne-energie voor de elektriciteit die gedurende de eerste vijf jaar zal worden gebruikt voor de productie van volledig hernieuwbare waterstof.
Paragraaf 4. Voorschotten
Artikel 8
1.
De Minister stelt een voorschot binnen zes maanden na afloop van het kalenderjaar bij aan de hand van:
a. a. het aantal kWh of kg verminderde broeikasgas dat in het betreffende kalenderjaar voor subsidie in aanmerking komt; b. b. de voor het betreffende kalenderjaar vastgestelde correcties op grond van artikelen 14, vierde lid, 22, vierde lid, 31, vierde lid, 39, vierde lid, 47, vierde lid, 54, vierde lid, 55i, derde lid en 55p, derde lid van het besluit, c. c. indien artikel 11, derde lid, onderdeel a, b of c, 28, derde lid, onderdeel a, b of c, of 44, derde lid, onderdeel a, b, of c, van het besluit van toepassing is, het aantal geproduceerde kWh die voor subsidie in aanmerking komt, het aantal gerealiseerde vollasturen van de productie-installatie of het gerealiseerde rendement van de productie-installatie en d. d. indien artikel 55f, derde lid van het besluit van toepassing is, het aantal verminderde kg broeikasgas in Nederland, het gerealiseerde aantal vollasturen van de productie-installatie of het gerealiseerde rendement van de productie-installatie.
2. De Minister verrekent een tekort aan verstrekte maandelijkse bedragen of een tekort op het jaarlijkse bedrag, als bedoeld in artikel 68, tweede lid, van het besluit, door het te weinig betaalde bedrag aan het voorschot binnen zes weken na de datum van bijstelling van het voorschot aan de subsidie-ontvanger te verstrekken.
3. De minister verrekent een in een kalenderjaar teveel aan verstrekte maandelijkse bedragen of een teveel op het verstrekte jaarlijkse bedrag als bedoeld in artikel 68, tweede lid, van het besluit, door het bedrag van het teveel betaalde voorschot geheel of deels terug te vorderen van de subsidie-ontvanger in het daaropvolgende kalenderjaar of kalenderjaren voor zoveel als nodig is om het teveel betaalde voorschot volledig te verrekenen, of door het teveel betaalde voorschot aan de subsidie-ontvanger in mindering te brengen op het eerst volgende te verstrekken maandelijkse bedrag of op het eerst volgende te verstrekken jaarlijkse bedrag en vervolgens op zoveel maandelijkse of jaarlijkse bedragen als nodig is om het teveel betaalde voorschot volledig te verrekenen.
4. De minister kan op verzoek van de subsidieontvanger een teveel aan verstrekte maandelijkse bedragen of een teveel op het verstrekte jaarlijkse bedrag als bedoeld in artikel 68, tweede lid, van het besluit, tot het teveel betaalde bedrag volledig is verrekend, verrekenen door het bedrag van het teveel betaalde voorschot aan de subsidieontvanger in delen in mindering te brengen op de volgende te verstrekken maandelijkse bedragen of op de volgende te verstrekken jaarlijkse bedragen. Indien geen maandelijkse of jaarlijkse bedragen meer verschuldigd zijn, wordt een teveel betaald voorschot teruggevorderd.
5. Indien toepassing is gegeven aan artikel 12, vierde lid, van het besluit, waarbij de productie, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, de in de subsidiebeschikking opgenomen maximale productie die voor subsidie in aanmerking komt en de productie die in voorkomend geval bij toepassing van artikel 15, derde lid, van het besluit bij de maximale productie wordt opgeteld, overschrijdt, verdeelt de Minister bij de bijstelling van een voorschot als bedoeld in het eerste lid, de productie die voor subsidie in aanmerking komt evenredig aan de productie die is ingevoed en de productie die niet is ingevoed.
Artikel 8a
1. De productie, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, in verband met een beschikking op een aanvraag om subsidieverlening wordt verminderd met het aantal kWh dat is ingevoed op een elektriciteitsnet gedurende elke periode waarin de waarde voor elektriciteit negatief is.
2. Het eerste lid is niet van toepassing indien de beschikking tot subsidieverlening betrekking heeft op een productie-installatie waarvan het nominaal geïnstalleerd vermogen voor elektriciteitsproductie per aansluiting op het elektriciteitsnet minder dan 200 kW bedraagt.
Artikel 9
1.
Het in artikel 68, eerste lid, van het besluit bedoelde maandelijkse bedrag bedraagt één-twaalfde van 80% van het product van:
a. a. de in beschikking tot subsidieverlening voor het betreffende kalenderjaar opgenomen maximum productie, waar de minister op verzoek van de producent, het aantal kWh of het verschil in kg broeikasgas, bedoeld in artikel 15, derde of vierde lid15a, derde lid, jo. artikel 15, derde lid, 23, derde of vierde lid, 32, derde of vierde lid, 40, derde of vierde lid, 48, derde of vierde lid, 55, derde of vierde lid, 55j, derde of vierde lid of 55q, derde of vierde lid, van het besluit, bij op kan tellen, en b. b. het voor de subsidie-ontvanger geldende:
1°.
basisbedrag, of bij toepassing van artikel 11, derde lid, onderdeel c, 28, derde lid, onderdeel c, 44, derde lid, onderdeel c, of 55f, derde lid van het besluit het basisbedrag behorende bij het in de beschikking tot subsidieverlening opgenomen rendement, verminderd met de bij ministeriële regeling vastgestelde correcties op grond van artikel 14, vijfde lid, 31, vijfde lid, 47, vijfde lid, of 55i, vierde lid, van het besluit,
2°.
het tenderbedrag verminderd met de bij ministeriële regeling vastgestelde correcties op grond van artikel 22, vijfde lid, 39, vijfde lid, 54, vijfde lid, of 55p, vierde lid, van het besluit, of
3°.
fasebedrag, verminderd met de bij ministeriële regeling vastgestelde correcties op grond van artikel 14, vijfde lid, 31, vijfde lid, 47, vijfde lid, of 55i, vierde lid, van het besluit.
1°. 1°. basisbedrag, of bij toepassing van artikel 11, derde lid, onderdeel c, 28, derde lid, onderdeel c, 44, derde lid, onderdeel c, of 55f, derde lid van het besluit het basisbedrag behorende bij het in de beschikking tot subsidieverlening opgenomen rendement, verminderd met de bij ministeriële regeling vastgestelde correcties op grond van artikel 14, vijfde lid, 31, vijfde lid, 47, vijfde lid, of 55i, vierde lid, van het besluit, 2°. 2°. het tenderbedrag verminderd met de bij ministeriële regeling vastgestelde correcties op grond van artikel 22, vijfde lid, 39, vijfde lid, 54, vijfde lid, of 55p, vierde lid, van het besluit, of 3°. 3°. fasebedrag, verminderd met de bij ministeriële regeling vastgestelde correcties op grond van artikel 14, vijfde lid, 31, vijfde lid, 47, vijfde lid, of 55i, vierde lid, van het besluit.
2.
Het in artikel 68, eerste lid, van het besluit bedoelde jaarlijkse bedrag bedraagt 80% van het product van:
a. a. de in beschikking tot subsidieverlening voor het betreffende kalenderjaar opgenomen maximum productie, waar de minister op verzoek van de producent, het aantal kWh, bedoeld in artikel 15, derde of vierde lid15a, derde lid, jo. artikel 15, derde lid, 23, derde of vierde lid, 32, derde of vierde lid, 40, derde of vierde lid, 48, derde of vierde lid, of 55, derde of vierde lid, van het besluit, bij op kan tellen, en b. b. het voor de subsidie-ontvanger geldende:
1°.
basisbedrag, of bij toepassing van artikel 11, derde lid, onderdeel c, 28, derde lid, onderdeel c, 44, derde lid, onderdeel c, of 55f, derde lid van het besluit het basisbedrag behorende bij het in de beschikking tot subsidieverlening opgenomen rendement, verminderd met de bij ministeriële regeling vastgestelde correcties op grond van artikel 14, vijfde lid, 31, vijfde lid, 47, vijfde lid, of 55i, vierde lid, van het besluit,
2°.
het tenderbedrag verminderd met de bij ministeriële regeling vastgestelde correcties op grond van artikel 22, vijfde lid, 39, vijfde lid, 54, vijfde lid, of 55p, vierde lid, van het besluit, of
3°.
fasebedrag, verminderd met de bij ministeriële regeling vastgestelde correcties op grond van artikel 14, vijfde lid, 31, vijfde lid, 47, vijfde lid, of 55i, vierde lid, van het besluit.
1°. 1°. basisbedrag, of bij toepassing van artikel 11, derde lid, onderdeel c, 28, derde lid, onderdeel c, 44, derde lid, onderdeel c, of 55f, derde lid van het besluit het basisbedrag behorende bij het in de beschikking tot subsidieverlening opgenomen rendement, verminderd met de bij ministeriële regeling vastgestelde correcties op grond van artikel 14, vijfde lid, 31, vijfde lid, 47, vijfde lid, of 55i, vierde lid, van het besluit, 2°. 2°. het tenderbedrag verminderd met de bij ministeriële regeling vastgestelde correcties op grond van artikel 22, vijfde lid, 39, vijfde lid, 54, vijfde lid, of 55p, vierde lid, van het besluit, of 3°. 3°. fasebedrag, verminderd met de bij ministeriële regeling vastgestelde correcties op grond van artikel 14, vijfde lid, 31, vijfde lid, 47, vijfde lid, of 55i, vierde lid, van het besluit.
3. Indien de subsidieperiode start op een andere datum dan 1 januari of eindigt op een andere datum dan 31 december bedraagt voor het eerste jaar respectievelijk het laatste jaar van de periode waarover subsidie wordt verstrekt het maandelijkse of jaarlijkse bedrag een evenredig deel van het aantal maanden of van het jaar waarover het voorschot wordt verstrekt.
4.
De minister kan het maandelijkse of jaarlijkse bedrag herberekenen indien:
a. a. de subsidie-ontvanger een verzoek tot ontheffing als bedoeld in artikel 62, derde lid, van het besluit, indient; b. b. de maandelijkse productie van hernieuwbare elektriciteit, hernieuwbare warmte, hernieuwbaar gas of de maandelijkse vermindering van broeikasgas gedurende ten minste twee maanden ten minste 50 procent zal achterblijven dan wel achter is gebleven ten opzichte van de in de beschikking tot voorschotverlening opgenomen maximum productie in kWh; c. c. de minister na het begin van de voorschotverlening meer dan een maand geen productiegegevens heeft ontvangen over de betreffende productie-installatie; d. d. de cumulatieve productie van hernieuwbare elektriciteit, hernieuwbare warmte, hernieuwbaar gas of de cumulatieve vermindering van broeikasgas in het betreffende kalenderjaar ten minste 20% zal achterblijven dan wel achter is gebleven ten opzichte van de in de beschikking tot voorschotverlening opgenomen maximum productie in kWh; e. e. de subsidie-ontvanger een producent van geavanceerde hernieuwbare brandstof is als bedoeld in artikel 9.7.1.1 van de Wet milieubeheer; of f. f. de subsidie-ontvanger niet heeft voldaan aan de verplichting, bedoeld in artikel 3, derde lid.
5. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, onderdeel b, ten eerste, kan de Minister van een lager basisbedrag uitgaan indien het rendement van de productie-installatie gedurende ten minste twee jaar structureel is achtergebleven ten opzichte van het in de beschikking tot voorschotverlening opgenomen rendement.
Paragraaf 5. Subsidievaststelling
Artikel 10
Een aanvraag om subsidievaststelling wordt ingediend met gebruikmaking van het origineel van een ondertekend formulier, dat is opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage 5.
Paragraaf 6. Overige bepalingen
Artikel 11
Vervallen
Artikel 12
Onder renovatiekosten als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel b, van het besluit wordt verstaan de kosten voor het in nieuwstaat brengen van die voorzieningen van een productie-installatie die zorg dragen voor broeikasgasreductie of voor de omzetting van hernieuwbare energiebronnen in elektriciteit, gas of warmte.
Artikel 13
-
- De Minister deelt de op grond van artikel 2.58, vijfde lid, van de Energiewet, artikel 26 van de Warmtewet of artikel 3, vierde lid, van de Wet implementatie EU-richtlijn hernieuwbare energie voor garanties van oorsprong gemandateerde per productie-installatie de locatiegegevens, de ean-code en andere voor de subsidieverlening relevante informatie mee.
-
- De op grond van artikel 2.58, vijfde lid, van de Energiewet, artikel 26 van de Warmtewet of artikel 3, vierde lid, van de Wet implementatie EU-richtlijn hernieuwbare energie voor garanties van oorsprong gemandateerde deelt de Minister per productie-installatie het aantal kWh waarvoor garanties van oorsprong is verstrekt en andere voor de subsidieverlening relevante informatie mee.
Artikel 14
1.
In aanvulling op de voor de subsidieverstrekking toegestane biomassastromen kunnen subsidie-ontvangers aan wie subsidie is verstrekt op grond van:
a. a.
artikel 29, eerste lid, onderdeel b, of 42, eerste lid, onderdeel b, van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2008,
b. b.
artikel 29, eerste lid, onderdeel b, of 51, eerste lid, onderdeel a, van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2009 of
c. c.
artikel 29, eerste lid, onderdeel b, of 54, eerste lid, onderdeel a, van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2010,
met ingang van 1 juli 2011 ten hoogste 50 procent van de massa die wordt vergist laten bestaan uit biomassastromen als bedoeld in de NTA 8003:2017, met uitzondering van de nummers 410, 420, 500, 550 tot en met 559.
2.
In aanvulling op de voor de subsidieverstrekking toegestane biomassastromen kunnen subsidie-ontvangers aan wie subsidie is verstrekt op grond van:
a. a.
artikel 29, eerste lid, onderdeel c, of 51, eerste lid, onderdeel c, van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2009 of
b. b.
artikel 29, eerste lid, onderdeel c, of 54, eerste lid, onderdeel c, van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2010,
met ingang van 1 juli 2011 biomassastromen als bedoeld in de NTA 8003:2017: 430, 512 en 587 gebruiken.
3. In aanvulling op de voor de subsidieverstrekking toegestane biomassastromen kunnen subsidie-ontvangers aan wie subsidie is verstrekt op grond van artikel 21, eerste lid, onderdeel c, of 44, eerste lid, van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2011 met ingang van 1 januari 2011 biomassastromen als bedoeld in de NTA 8003:2017: 512 en 587 gebruiken.
4. In aanvulling op de voor de subsidieverstrekking toegestane biomassastromen kunnen subsidie-ontvangers met een productie-installatie op een landbouwbedrijf aan wie subsidie is verstrekt op grond van artikel 116, eerste lid, onderdeel b, van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2012, met ingang van 4 april 2013 tevens uitsluitend plantaardige stoffen vermeld onder de categorieën A tot en met G1 onder categorie 1 van Bijlage Aa, onderdeel IV, van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet vergisten.
5.
Als productie-installaties als bedoeld in artikel 15, zesde lid, van het besluit worden aangewezen productie-installaties waarvoor subsidie is verstrekt op grond van:
a. a.
artikelen 3, eerste lid,15, eerste lid, 22, eerste lid29, eerste lid, van de regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2008;
b. b.
artikel 2, eerste lid, 7a, eerste en tweede lid, 15, eerste lid, 22, eerste lid, 29, eerste lid, 35, eerste lid, van de regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2009;
c. c.
artikel 2, eerste lid, 15, eerste lid, 22, eerste lid, 29, eerste lid, 35, eerste lid, van de regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2010, en
d. d.
artikel 4, eerste lid, 10, eerste lid, 16, eerste lid, 21, eerste lid, 26, eerste lid, 31, eerste lid, 35, eerste lid, 44, eerste lid, 48, eerste lid, 52, eerste lid, 56, eerste lid, van de regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2011.
6.
In aanvulling op de voor de subsidieverstrekking toegestane biomassastromen kunnen subsidieontvangers aan wie subsidie is verstrekt op grond van:
a. a.
artikel 32, eerste lid, of artikel 34, eerste lid, onderdelen a en b, van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2015;
b. b.
artikel 30, eerste lid, of artikel 32 eerste lid, onderdelen a of b van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie voorjaar 2016, van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie najaar 2016 of van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie voorjaar 2017;
c. c.
artikel 30, eerste lid, van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie najaar 2017;
d. d.
artikel 36, eerste lid, of artikel 38, eerste lid, van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie voorjaar 2018 of van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie najaar 2018; of
e. e. artikel 40, eerste lid, artikel 42, eerste lid, of artikel 44, eerste lid, van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie voorjaar 2019,
biomassa uit bioraffinage als bedoeld onder nummer 595 van NTA 8003:2017 die is geproduceerd uit biomassa als bedoeld onder nummers 110 tot en met 138 van NTA 8003:2017 gebruiken tot ten hoogste 25% van het aantal kWh dat in een kalenderjaar voor subsidie in aanmerking komt
7. Bij de toepassing van het zesde lid is artikel 7 van toepassing op de vaste biomassa die wordt gebruikt voor de productie van de biomassa uit bioraffinage, bedoeld in het zesde lid.
Artikel 14a
1. Productie-installaties, met uitzondering van productie-installaties voor de productie van hernieuwbare elektriciteit met behulp van windenergie, waarvoor subsidie is verstrekt op grond van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2008, de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2009, de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2010 en de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2011, worden met ingang van 1 januari 2012 aangewezen als productie-installaties als bedoeld in de artikelen 15, derde lid, 32, derde lid, of 48, derde lid, van het besluit.
2. Bij de toepassing van de artikelen 15, derde lid, artikel 15a, derde lid, jo. artikel 15, derde lid, 23, derde lid, 32, derde lid, 40, derde lid, 48, derde lid, 55, derde lid, 55j, derde lid of 55q derde lid, van het besluit bedraagt het aantal kWh of aantal kg verminderde broeikasgas dat het desbetreffende jaar voor subsidie in aanmerking komt, indien de subsidieperiode start op een andere datum dan 1 januari voor het eerste jaar waarover subsidie wordt verstrekt, een evenredig deel van het aantal maanden of van het jaar waarover subsidie wordt verstrekt.
Artikel 14b
Productie-installaties, met uitzondering van productie-installaties voor de productie van hernieuwbare elektriciteit met behulp van windenergie, waarvoor subsidie is verstrekt op grond van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2008, de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2009, de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2010, de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2011, de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2012, de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2013 en de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2014, worden met ingang van 1 januari 2015 aangewezen als productie-installaties als bedoeld in de artikelen 15, vierde lid, 32, vierde lid, of 48, vierde lid, van het besluit, met dien verstande dat het verschil in kWh dat bij het aantal geproduceerde kWh van het volgende jaar kan worden opgeteld, bedoeld in de artikel 15, vierde lid, 32, vierde lid, of 48, vierde lid, van het besluit, wordt gemaximeerd op 25% van het aantal kWh dat het desbetreffende jaar voor subsidie in aanmerking komt.
Artikel 14c
De vermindering van de productie die op grond van artikel 8a wordt toegepast, wordt tevens toegepast op het aantal kWh dat jaarlijks voor subsidie in aanmerking komt, bedoeld in artikel 15, eerste lid, artikel 15a, eerste lid, artikel 23, eerste lid, artikel 48, eerste lid en artikel 55 eerste lid, van het besluit.
Artikel 14d
Op een aanvraag om subsidie als bedoeld in artikel 2 van de Regeling windenergie op zee 2015 blijft artikel 2 van deze regeling van toepassing zoals dat luidde op het tijdstip van indienen van die aanvraag.
Artikel 14e
1. Indien een subsidie die op grond van het besluit wordt verleend, staatssteun bevat die door het milieu – en energiesteunkader wordt gerechtvaardigd, maakt de minister binnen zes maanden na de datum van subsidieverlening de gegevens, bedoeld in paragraaf 3.1.2.4, onderdeel 58, onderdeel (a), van het milieu- en energiesteunkader, bekend, voor zover de individuele steun meer bedraagt dan € 100.000.
2. De gegevens, bedoeld in het eerste lid, blijven voor ten minste tien jaar openbaar beschikbaar.
Paragraaf 7. Slotbepalingen
Artikel 14f
Vervallen
Artikel 14g
1. Een subsidieontvanger aan wie subsidie is verstrekt voor de inzet van vaste biomassa in een productie-installatie als bedoeld in artikel 7, eerste lid, op grond van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2015, de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie voorjaar 2016, de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie najaar 2016, de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie voorjaar 2017, de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie najaar 2017, de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie voorjaar 2018, de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie najaar 2018, met een thermisch ingangsvermogen gelijk aan of groter dan 20 MW, kan gebruik maken van artikel 7, tweede tot en met zesde lid, waarbij het vierde, vijfde en zesde lid van dat artikel luiden zoals ze luidden voor inwerkingtreding van de Regeling van de Minister voor Klimaat en Energie van 13 juli 2023, nr. WJZ/ 26784474, tot wijziging van de Algemene uitvoeringsregeling stimulering duurzame energieproductie en klimaattransitie in verband met terugvorderen voorschotten, meetellen uren met negatieve elektriciteitsprijs en enkele andere wijzigingen (Stct. 2023, nummer 20349) met dien verstande dat bij de toepassing van dat vierde of zesde lid, voor ‘kleiner dan 20 MW’ wordt gelezen ‘gelijk aan of groter dan 20 MW’.
2. Bij de toepassing van het eerste lid, kan een subsidieontvanger als bedoeld in dat lid tevens ook een combinatie toepassen van artikel 7, derde, vierde en vijfde lid, waarbij het vierde en vijfde lid van dat artikel luiden zoals ze luidden voor inwerkingtreding van de Regeling van de Minister voor Klimaat en Energie van 13 juli 2023, nr. WJZ/ 26784474, tot wijziging van de Algemene uitvoeringsregeling stimulering duurzame energieproductie en klimaattransitie in verband met terugvorderen voorschotten, meetellen uren met negatieve elektriciteitsprijs en enkele andere wijzigingen (Stct. 2023, nummer 20349).
Artikel 14h
1. Op beschikkingen tot subsidieverlening die zijn afgegeven op aanvragen voor subsidie die zijn ontvangen voor inwerkingtreding van de Regeling van de Minister voor Klimaat en Energie van 21 april 2022, tot wijziging van de Algemene uitvoeringsregeling stimulering duurzame energieproductie en klimaattransitie in verband met wijzigingen in aan te leveren gegevens en enkele andere wijzigingen (Stct. 2022, 11413) blijft artikel 3, negende lid, van toepassing zoals dat luidde voor de inwerkingtreding van die regeling.
2. Op beschikkingen tot subsidieverlening die zijn afgegeven op aanvragen voor subsidie die zijn ontvangen voor inwerkingtreding van de Regeling van de Minister voor Klimaat en Energie van 21 april 2022, tot wijziging van de Algemene uitvoeringsregeling stimulering duurzame energieproductie en klimaattransitie in verband met wijzigingen in aan te leveren gegevens en enkele andere wijzigingen (Stct. 2022, 11413), is artikel 7g, tweede en derde lid, is niet van toepassing.
3. Op beschikkingen tot subsidieverlening die zijn afgegeven op aanvragen voor subsidie die zijn ontvangen voor inwerkingtreding van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie en klimaattransitie 2023 zijn de artikelen 3, zevende lid, 7, vierde, vijfde en zesde lid, en 8a van toepassing zoals deze luidden voor de inwerkingtreding van de Regeling van de Minister voor Klimaat en Energie van 13 juli 2023, nr. WJZ/ 26784474, tot wijziging van de Algemene uitvoeringsregeling stimulering duurzame energieproductie en klimaattransitie in verband met terugvorderen voorschotten, meetellen uren met negatieve elektriciteitsprijs en enkele andere wijzigingen (Stct. 2023, nummer 20349).
Artikel 15
Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit stimulering duurzame energieproductie in werking treedt.
Artikel 16
Deze regeling wordt aangehaald als: Algemene uitvoeringsregeling stimulering duurzame energieproductie en klimaattransitie.
Bijlage 1. behorende bij
Vervallen
Bijlage 1a
Vervallen
Bijlage 2. behorende bij
Vervallen
Bijlage 3. behorende bij
Vervallen
Bijlage 4. , behorende bij
Vervallen
Bijlage 5. behorende bij
Bijlage 6. behorende bij
Vervallen
Bijlage 7. behorende bij
Vervallen