rijk/ministeriele-regeling/bekendmaking-tekst-van-statuten-en-pensioenreglement-van-de-stichting-notarieel/BWBR0002181
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00
..
README.md feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown 2026-03-30 06:27:40 +02:00

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
BEKENDMAKING TEKST VAN STATUTEN EN PENSIOENREGLEMENT VAN DE STICHTING: NOTARIEEL PENSIOENFONDS BWBR0002181 ministeriele-regeling geldend 1955-06-14 https://wetten.overheid.nl/BWBR0002181 BEKENDMAKING TEKST VAN STATUTEN EN PENSIOENREGLEMENT VAN DE STICHTING: NOTARIEEL PENSIOENFONDS

BEKENDMAKING TEKST VAN STATUTEN EN PENSIOENREGLEMENT VAN DE STICHTING: NOTARIEEL PENSIOENFONDS

Artikel

Bekend te maken de tekst van:

a. a. de statuten van de stichting: Notarieel Pensioenfonds, gevestigd te 's-Gravenhage, opgericht bij akte, verleden op 7 januari 1955 voor notaris R. Remmelts, te 's-Gravenhage, goedgekeurd bij beschikking van de Minister van Justitie van 5 januari 1955, 1ste Afdeling A, no. 15/155; b. b. Het pensioenreglement van de genoemde stichting, vastgesteld bij akte, verleden op 12 mei 1955 voor noataris A.M. Vroom, te Amsterdam, goedgekeurd bij beschikking van de Minister van Justitie van 10 mei 1955, no. 251/155, 1ste Afdeling A.

Bijlage . STATUTEN VAN DE STICHTING: NOTARIEEL PENSIOENFONDS

Bijlage . Pensioenreglement van de stichting: notarieel pensioenfonds

Artikel 1

1. Deelnemer is iedere notaris en iedere candidaat-notaris, behoudens het bepaalde in artikel 5, tweede en derde lid, van de Wet tot invoering van een leeftijdsgrens voor het notarisambt en oprichting van een notarieel pensioenfonds.

2. In dit reglement wordt onder candidaat-notaris verstaan een candidaat-notaris, als bedoeld in artikel 1 van vorengenoemde wet.

3. In dit reglement wordt onder notariële instelling verstaan een instelling, aangewezen overeenkomstig artikel 1 van vorengenoemde wet.

Artikel 2

1.

Het deelnemerschap vangt, onverminderd het hierna bepaalde, aan:

a. a. voor hem, die ten tijde van de oprichting van het fonds notaris of candidaat-notaris is, met ingang van de dag van oprichting van het fonds; b. b. voor hem, die, nog geen deelnemer zijnde, na de oprichting van het fonds notaris of candidaat-notaris wordt, met ingang van de dag, waarop hij deze hoedanigheid verwerft.

2.

Onverminderd het in artikel 15 bepaalde, eindigt voor iedere deelnemer het deelnemerschap met ingang van de dag na die, waarop:

a. a. hij ophoudt notaris te zijn, tenzij hij in aansluiting hierop candidaat-notaris of opnieuw notaris wordt; b. b. hij ophoudt candidaat-notaris te zijn, tenzij hij in aansluiting hierop notaris of opnieuw candidaat-notaris wordt; c. c. hij komt te overlijden; d. d. hij, naar het oordeel van het bestuur van het fonds, als vermist moet worden aangemerkt; e. e. het bestuur hem van zijn deelnemerschap vervallen heeft verklaard.

3. Zolang een deelnemer in verplichte militaire dienst is, eindigt zijn deelnemerschap niet.

4. Indien een deelnemer op het ogenblik, dat hij ophoudt notaris, onderscheidenlijk candidaat-notaris, te zijn, naar het oordeel van het bestuur door ziels- of lichaamsgebreken voor het notariaat tot arbeiden ongeschikt is, eindigt tenzij hij de 70-jarige leeftijd heeft overschreden zijn deelnemerschap niet zolang deze ongeschiktheid hem naar het oordeel van het bestuur verhindert notariële arbeid te verrichten, met dien verstande, dat het deelnemerschap alsnog eindigt, wanneer hij de wens hiertoe schriftelijk aan het bestuur te kennen geeft of de 70-jarige leeftijd bereikt, dan wel de ongeschiktheid langer duurt dan vijf jaar nadat hij heeft opgehouden notaris, onderscheidenlijk candidaat-notaris, te zijn.

5. Het bestuur kan hem, die vervallen is verklaard van het deelnemerschap, op diens verzoek opnieuw toelaten tot het deelnemerschap met ingang van een door het bestuur te bepalen dag en onder door het bestuur te stellen voorwaarden.

Artikel 3

1. Binnen één week na de aanvang of het einde van de werkzaamheid van een candidaat-notaris op een notariskantoor of bij een notariële instelling geeft zowel de notaris, onderscheidenlijk de instelling, als de candidaat-notaris daarvan schriftelijk kennis aan het fonds.

2. De notarissen en notariële instellingen zijn verplicht telkenjare vóór 1 Mei aan het fonds mededeling te doen van de namen en woonplaatsen der candidaat-notarissen, die bij de aanvang van het jaar op zijn kantoor, onderscheidenlijk bij haar, werkzaam waren.

Artikel 4

1. Onder diensttijd wordt, onverminderd het in artikel 23, lid 5, bepaalde, in dit reglement verstaan de duur van het deelnemerschap.

2. Als diensttijd geldt mede de tijd, gedurende welke de deelnemer of gewezen deelnemer vóór de oprichting van het fonds notaris of candidaat-notaris is geweest, tenzij het deelnemerschap voor de eerste maal is aangevangen overeenkomstig artikel 2, lid 1, sub b, en de deelnemer bij die aanvang de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt of overschreden.

3. Eveneens geldt als diensttijd de tijd, gedurende welke een deelnemer of gewezen deelnemer vóór de oprichting van het fonds na aflegging met goed gevolg van het examen, bedoeld in artikel 20a van de Wet op het Notarisambt, werkzaam is geweest bij een instelling, welke door de Minister van Justitie met ingang van de datum van oprichting van het fonds is aangewezen als instelling, die behartiging van notariële belangen beoogt, tenzij het deelnemerschap voor de eerste maal is aangevangen overeenkomstig artikel 2, lid 1, sub b, en de deelnemer bij die aanvang de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt of overschreden.

4. Als diensttijd geldt eveneens de tijd, gedurende welke de deelnemer of gewezen deelnemer in verplichte militaire dienst is geweest onmiddellijk na een periode, die ingevolge het tweede lid als diensttijd geldt, alsmede de tijd, gedurende welke hij onmiddellijk na zodanige periode in de jaren 19401945 naar het oordeel van het bestuur van het fonds ten gevolge van een maatregel van de bezetter verhinderd is geweest notaris of candidaat-notaris te zijn.

5.

Voor een deelnemer of gewezen deelnemer, op wie artikel 2, eerste lid, der wet van 16 Augustus 1951 (Stb. 386) van toepassing is, geldt bovendien als diensttijd als candidaat-notaris:

a. a. de tijd, gedurende welke hij in Indonesië notaris is geweest, of aldaar, na met goed gevolg de voor de benoembaarheid tot notaris in Indonesië vereiste examens te hebben afgelegd, op een notariskantoor werkzaam is geweest, tenzij het deelnemerschap voor de eerste maal is aangevangen overeenkomstig artikel 2, lid 1, sub b, en de deelnemer bij die aanvang de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt of overschreden; b. b. de tijd, gedurende welke hij in verplichte militaire dienst is geweest onmiddellijk na een periode, die ingevolge het onder a bepaalde als diensttijd geldt, alsmede de tijd, gedurende welke hij onmiddellijk na zodanige periode in de jaren 19421947 naar het oordeel van het bestuur van het fonds ten gevolge van de toenmaals in Indonesië heersende bijzondere omstandigheden verhinderd is geweest aldaar notaris of op een notariskantoor werkzaam te zijn.

6. Als diensttijd geldt niet de tijd, verstreken na het einde van de kalendermaand, waarin een deelnemer de 70-jarige leeftijd heeft bereikt, voor zover deze tijd niet samenvalt met de duur van het deelnemerschap.

7. Indien een notaris in de uitoefening van zijn bediening is geschorst en de schorsing door ontzetting of afzetting is gevolgd, geldt de tijd van schorsing niet als diensttijd.

8. Diensttijd, waarin de deelnemer of gewezen deelnemer noch notaris, noch candidaat-notaris was, geldt, behoudens het in lid 5 bepaalde, als diensttijd als notaris, onderscheidenlijk als diensttijd als candidaat-notaris, naargelang van de laatstelijk voordien beklede functie.

9. Voor berekening van de diensttijd, hetzij diensttijd als notaris, hetzij diensttijd als candidaat-notaris, wordt de in iedere categorie doorgebrachte totale diensttijd naar boven op volle jaren afgerond.

Artikel 5

1. Een gewezen deelnemer, wiens deelnemerschap is geëindigd overeenkomstig artikel 2, lid 2, sub a, b of e, of lid 4, heeft recht op ouderdomspensioen, wanneer hij de 70-jarige leeftijd bereikt of heeft overschreden.

2. Een gewezen deelnemer, wiens deelnemerschap is geëindigd overeenkomstig artikel 2, lid 2, sub d, doch die later blijkt in leven te zijn, heeft recht op ouderdomspensioen, wanneer hij de 70-jarige leeftijd bereikt of heeft overschreden.

Artikel 6

1. Het ouderdomspensioen bedraagt, behoudens het in artikel 30 bepaalde, per jaar voor elk dienstjaar als notaris f 150 en voor elk dienstjaar als candidaat-notaris f 75.

2. Voor wie na het bereiken van de 42-jarige leeftijd tot notaris is benoemd, wordt de diensttijd, na het bereiken van die leeftijd en vóór zijn benoeming volbracht, voor diensttijd als notaris gerekend.

3. Het ouderdomspensioen bedraagt ten hoogste f 5000 per jaar.

Artikel 7

Recht op invaliditeitspensioen heeft een gewezen deelnemer, die ten minste 5 dienstjaren heeft vervuld en bij het einde van zijn deelnemerschap de 70-jarige leeftijd nog niet heeft bereikt, zolang zijn invaliditeit duurt, mits hij:

a. a. hetzij op het ogenblik, dat hij ophoudt notaris, onderscheidenlijk candidaat-notaris, te zijn, naar het oordeel van het bestuur door ziels- of lichaamsgebreken voor het notariaat tot arbeiden ongeschikt is; b. b. hetzij op grond van artikel 52 van de Wet op het Notarisambt is ontslagen.

Artikel 8

1. Het bedrag van het invaliditeitspensioen is gelijk aan dat van het ouderdomspensioen, vastgesteld overeenkomstig artikel 6.

2. Het bedraagt ten minste de helft van het ouderdomspensioen, waarop de gewezen deelnemer overeenkomstig artikel 6 recht zou hebben verkregen, indien hij van de datum van beëindiging van zijn deelnemerschap af tot het ogenblik, waarop hem wegens het bereiken van de 70-jarige leeftijd ontslag zou zijn verleend, onafgebroken deelnemer zou zijn gebleven, met dien verstande, dat daarbij diensttijd, na de 42-ste verjaardag volbracht, steeds voor diensttijd als notaris geldt.

Artikel 9

1. Recht op weduwepensioen heeft zowel de weduwe van een deelnemer als die van een gewezen deelnemer.

2. Het vorige lid is niet toepasselijk, indien het huwelijk is gesloten nadat de deelnemer of gewezen deelnemer de 65-jarige leeftijd had bereikt, dan wel nadat hij had opgehouden deelnemer te zijn.

Artikel 10

1. Recht op wezenpensioen hebben zowel de minderjarige wettige of gewettigde kinderen van een overleden deelnemer als die van een overleden gewezen deelnemer.

2. Het vorige lid is niet van toepassing op de kinderen van een mannelijke deelnemer of gewezen deelnemer, indien zij geboren zijn uit een huwelijk, gesloten nadat hun vader de 65-jarige leeftijd had bereikt, of indien zij daarna zijn gewettigd.

3. Het eerste lid is evenmin van toepassing op de kinderen van een mannelijke of vrouwelijke deelnemer of gewezen deelnemer, indien zij geboren zijn uit een huwelijk, gesloten nadat hun vader, onderscheidenlijk hun moeder, had opgehouden deelnemer te zijn, of indien zij daarna zijn gewettigd.

Artikel 11

1. Recht op tijdelijk pensioen hebben zowel de vrouw en de minderjarige wettige of gewettigde kinderen van een vermiste deelnemer als die van een vermiste gewezen deelnemer.

2. Onder vermiste deelnemer of gewezen deelnemer wordt in dit reglement verstaan een deelnemer of gewezen deelnemer, te wiens aanzien ter beoordeling van het bestuur van het fonds gegronde redenen bestaan om hem als vermist aan te merken.

3. De bepalingen betreffende weduwe- en wezenpensioenen zijn op de tijdelijke pensioenen van overeenkomstige toepassing, voor zover hierna niet anders is bepaald.

Artikel 12

1. Een pleegkind wordt gelijkgesteld met een wettig kind, voor zover hierna niet anders is bepaald.

2. Als pleegkind wordt aangemerkt hij, van wie ten genoegen van het bestuur van het fonds wordt aangetoond, dat hij gedurende ten minste 5 jaren uitsluitend door een deelnemer of gewezen deelnemer als eigen kind is onderhouden en opgevoed, met dien verstande, dat die 5 jaren moeten zijn verlopen voordat de deelnemer of gewezen deelnemer de 65-jarige leeftijd had bereikt of had opgehouden deelnemer te zijn.

3. Onderhoud en opvoeding door een deelnemer of gewezen deelnemer te zamen met diens echtgenoot gelden als onderhoud en opvoeding uitsluitend door de deelnemer of gewezen deelnemer.

4. Indien een kind zowel aan het deelnemerschap van zijn ouder als aan dat van zijn pleegouder recht op wezenpensioen ontleent, zal zijn wezenpensioen niet meer bedragen dan het hoogste bedrag, waarop het als kind van één hunner aanspraak kan maken.

Artikel 13

1. Het pensioen van de weduwe van een gepensionneerde gewezen deelnemer bedraagt de helft van zijn laatstgenoten pensioen.

2. Het pensioen van de weduwe van een nog niet gepensionneerde gewezen deelnemer bedraagt de helft van het ouderdomspensioen, dat hem bij het bereiken van de 70-jarige leeftijd zou zijn toegekomen. Heeft de weduwe tijdelijk pensioen genoten gedurende een periode, onmiddellijk voorafgaande aan de periode, waarin weduwepensioen wordt genoten, dan kan het weduwepensioen niet lager zijn dan het tijdelijk pensioen.

3. Het pensioen van de weduwe van een deelnemer bedraagt de helft van het ouderdomspensioen, waarop de overleden deelnemer overeenkomstig artikel 6 recht zou hebben verkregen, indien hij van de datum van zijn overlijden af tot het ogenblik, waarop hem wegens het bereiken van de 70-jarige leeftijd ontslag zou zijn verleend, onafgebroken deelnemer zou zijn gebleven, met dien verstande, dat daarbij diensttijd, na de 42ste verjaardag volbracht, steeds voor diensttijd als notaris geldt.

4. Indien een vrouw met meer dan één deelnemer gehuwd is geweest en aan het deelnemerschap van meer dan één hunner recht op pensioen ontleent, zal haar weduwepensioen niet meer bedragen dan het hoogste bedrag, waarop zij als weduwe van één hunner aanspraak kan maken.

Artikel 14

1. Het pensioen van de wezen van een gepensionneerde gewezen deelnemer bedraagt voor ieder hunner 10% van het laatstgenoten pensioen van die gewezen deelnemer.

2. Het pensioen van de wezen van een nog niet gepensionneerde gewezen deelnemer bedraagt voor ieder hunner 10% van het ouderdomspensioen, dat aan die gewezen deelnemer bij het bereiken van de 70-jarige leeftijd zou zijn toegekomen. Hebben de wezen tijdelijk pensioen genoten gedurende een periode, onmiddellijk voorafgaande aan de periode, waarin wezenpensioen wordt genoten, dan kan het wezenpensioen niet lager zijn dan het tijdelijk pensioen.

3. Het pensioen van de wezen van een deelnemer bedraagt voor ieder hunner 10% van het ouderdomspensioen, waarop de overleden deelnemer overeenkomstig artikel 6 recht zou hebben verkregen, indien hij van de datum van zijn overlijden af tot het ogenblik, waarop hem wegens het bereiken van de 70-jarige leeftijd ontslag zou zijn verleend, onafgebroken deelnemer zou zijn gebleven, met dien verstande, dat daarbij de diensttijd, na de 42-ste verjaardag volbracht, steeds voor diensttijd als notaris geldt.

4. Is de moeder van een wettig of gewettigd kind overleden of geniet zij geen weduwepensioen, dan bedraagt zijn wezenpensioen het dubbele van het bedrag, dat hem ingevolge de vorige leden zou toekomen. Het hierbepaalde is van overeenkomstige toepassing op het pleegkind van een overleden deelnemer, onderscheidenlijk gewezen deelnemer.

5. Indien een kind aan het deelnemerschap van meer dan één ouder of pleegouder recht op pensioen ontleent, zal het wezenpensioen niet meer bedragen dan het hoogste bedrag, waarop het als kind van één hunner aanspraak kan maken.

Artikel 15

Voor de toepassing van de twee voorgaande artikelen worden de weduwe en de wezen van een nog niet gepensionneerde gewezen deelnemer, wiens deelnemerschap overeenkomstig artikel 2, lid 2, sub a of b, of lid 4, was geëindigd en die binnen zes maanden daarna is overleden, aangemerkt als de weduwe en de wezen van een deelnemer.

Artikel 16

1. De bedragen der pensioenen, toekomende aan de weduwe en de wezen van een deelnemer of gewezen deelnemer, mogen te zamen het bedrag van het ouderdomspensioen, waarvan zij overeenkomstig de artikelen 13 en 14 zijn afgeleid, niet te boven gaan.

2. Indien in verband met dit voorschrift de pensioenen een vermindering moeten ondergaan, geschiedt deze in evenredigheid van hun bedragen. De gewijzigde bedragen worden naar boven in guldens afgerond.

Artikel 17

1. Het bestuur kent het pensioen toe na schriftelijke aanvrage door of vanwege de belanghebbende.

2. Het bestuur is in bijzondere gevallen bevoegd een pensioen, behalve een invaliditeitspensioen, ambtshalve toe te kennen.

3. Indien de regeling van het pensioen door bijzondere omstandigheden wordt vertraagd, kan een voorschot op het pensioen worden verstrekt.

Artikel 18

1. Strekt de aanvrage tot het verkrijgen van invaliditeitspensioen, dan wordt door het bestuur geen beslissing genomen dan nadat twee geneeskundigen de aanvrager hebben onderzocht en omtrent hem een verklaring hebben afgegeven, waaruit van het bestaan van ziels- of lichaamsgebreken blijkt. Bij de geneeskundige verklaring wordt tevens een gevoelen uitgesproken over de vraag of de aanvrager wegens de bij hem vastgestelde gebreken ongeschikt is voor de verdere waarneming van zijn notariële functie, alsmede of te verwachten is, dat deze ongeschiktheid blijvend zal zijn.

2. De geneeskundigen, bedoeld in het vorige lid, worden aangewezen door het bestuur. Het bestuur wijst op verzoek van belanghebbende een derde, door laatstgenoemde gekozen, geneeskundige aan, die het onderzoek bijwoont en de beide onderzoekende geneeskundigen van advies dient.

3. De kosten van het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, komen, als hem geen pensioen wordt verleend, ten laste van de onderzochte. De kosten van de derde geneeskundige komen steeds ten laste van de onderzochte.

Artikel 19

1. De geneeskundigen brengen zo spoedig mogelijk een met redenen omkleed rapport uit aan het bestuur. Het bestuur beoordeelt of de aanvrager uit hoofde van de in het rapport geconstateerde ziels- of lichaamsgebreken ongeschikt moet worden geacht voor verdere vervulling van de laatstelijk door hem beklede notariële functie en deelt deze met redenen omklede beslissing onverwijld schriftelijk aan belanghebbende mede.

2. Het bepaalde in artikel 18 en het vorige lid is niet van toepassing, indien artikel 7, eerste lid, sub b, toepasselijk is.

Artikel 20

Het bestuur geeft een schriftelijke en met redenen omklede beslissing op een verzoek tot toekenning van pensioen.

Artikel 21

1. Het ouderdomspensioen gaat in met de dag, waarop aan het in artikel 5 bepaalde is voldaan.

2. Het invaliditeitspensioen gaat in met de dag, waarop aan het in artikel 7 bepaalde is voldaan.

3. Het weduwe- en het wezenpensioen gaan in met de dag, volgende op die van het overlijden van degene, aan wiens deelnemerschap het recht daarop wordt ontleend.

4. Het tijdelijk pensioen gaat in met de dag, volgende op de door het bestuur te bepalen dag van vermissing.

5. Wordt een pensioen toegekend op grond van een aanvraag, gedaan meer dan twee jaren na de dag, waarop het volgens het bepaalde in de vorige leden zou ingaan, dan gaat het eerst in met de dag, waarop de aanvraag bij het fonds is ingekomen.

Artikel 22

1. Het ouderdomspensioen eindigt met het einde van de tweede maand na die, waarin de rechthebbende is overleden.

2. Rechten op ouderdomspensioen worden geschorst gedurende de tijd, dat de vrouw of een kind van de rechthebbende een tijdelijk pensioen geniet.

3. Ouderdomspensioen wordt niet toegekend aan degene, die invaliditeitspensioen geniet.

Artikel 23

1. Het invaliditeitspensioen eindigt met het einde van de tweede maand na die, waarin de rechthebbende is overleden.

2.

Het invaliditeitspensioen eindigt voorts:

a. a. indien de gewezen deelnemer opnieuw deelnemer wordt; b. b. indien de gewezen deelnemer, voordat hij de 70-jarige leeftijd heeft bereikt, naar het oordeel van het bestuur weder geschikt is notariële arbeid te verrichten.

3. Degene, die invaliditeitspensioen geniet, is verplicht zich, wanneer het bestuur dit verlangt, te onderwerpen aan een geneeskundig onderzoek. Het bepaalde in de artikelen 18 en 19, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing.

4. Hij, die verhindert, dat een voldoend onderzoek, als bedoeld in het vorige lid, plaats heeft, verliest het recht op invaliditeitspensioen met ingang van de dag, waarop het bestuur heeft verklaard, dat het in dit lid bedoelde geval zich heeft voorgedaan.

5. Indien een invaliditeitspensioen ingevolge het bepaalde in het tweede lid is geëindigd, wordt, zo de gepensionneerde te eniger tijd weder als deelnemer toetreedt, de tijd, waarover dat invaliditeitspensioen is uitgekeerd, voor de berekening van ouderdomspensioen mede aangemerkt als diensttijd in de laatstelijk vóór de toekenning van dat invaliditeitspensioen beklede functie.

Artikel 24

1. Het weduwe- en wezenpensioen eindigt met het einde van de tweede maand na die, waarin de rechthebbende is overleden.

2. Het wezenpensioen eindigt bovendien met het einde van de maand, waarin de rechthebbende meerderjarig is geworden.

3. Rechten op weduwe- of wezenpensioen worden geschorst gedurende de tijd, dat de rechthebbende een tijdelijk pensioen geniet.

Artikel 25

1. Het tijdelijk pensioen eindigt, onverminderd het bepaalde in artikel 24, eerste en tweede lid, met ingang van een door het bestuur te bepalen dag, wanneer de vermiste blijkt in leven te zijn of te zijn overleden.

2. Moet ingevolge het in het vorige lid van dit artikel bepaalde herrekening van tijdelijk pensioen met ouderdomspensioen plaats vinden dan worden de uitgekeerde tijdelijke pensioenen in mindering gebracht op dat ouderdomspensioen, ongeacht wie rechthebbenden op de onderscheidene pensioenen zijn.

Artikel 26

1. Zodra een pensioen is toegekend, verricht het bestuur hetgeen vereist wordt voor de uitbetaling.

2. Het pensioen wordt driemaandelijks voldaan. Indien het recht op pensioen ontstaat vóór de laatste maand van een kalenderkwartaal, vindt de eerste uitbetaling plaats aan het eind van dat kwartaal. De eerste pensioentermijn wordt zo nodig pro rata berekend. Ontstaat het recht op pensioen in de laatste maand van een kalenderkwartaal, dan vindt de eerste pro rata betaling plaats aan het eind van het volgende kwartaal, gelijktijdig met de betaling van de tweede termijn. Het bestuur is bevoegd een uitbetaling in andere termijnen vast te stellen.

3. Het pensioen wordt op een door het bestuur te bepalen wijze uitgekeerd aan degene, die bevoegd is de uitkering in ontvangst te nemen, met dien verstande, dat iedere volmacht tot inning de goedkeuring behoeft van het bestuur.

Artikel 27

Pensioentermijnen, die niet binnen 5 jaren na de eerste dag, waarop zij konden worden geïnd, zijn ingevorderd, vervallen ten behoeve van het fonds.

Artikel 28

Een notaris-deelnemer is aan het fonds verschuldigd 13½% van de in enig kalenderjaar uit zijn beroep van notaris genoten beroepswinst. Het fondsbestuur is bevoegd in de loop van een kalenderjaar als voorheffing, op door het bestuur te bepalen tijd en wijze, betaling van een naar redelijkheid vast te stellen bedrag van de deelnemers te vorderen.

Artikel 29

Een candidaat-notaris-deelnemer is aan het fonds schuldig 8% van het in enig kalenderjaar uit zijn beroep van candidaat-notaris genoten inkomen.

Artikel 30

1. Wanneer te eniger tijd het financieel evenwicht is verbroken, in dien zin, dat de middelen, bestemd voor de coming-service, geen gelijkwaardige dekking meer bieden voor de aanspraken wegens de na de oprichting van het fonds te vervullen diensttijd, is het bestuur verplicht door middel van wijziging van dit reglement het verbroken evenwicht te herstellen, hetzij door gelijke evenredige wijziging van de aanspraken ter zake van de diensttijd, te vervullen na de wijziging van het reglement, hetzij door gelijke evenredige wijziging van de bijdragen, verschuldigd voor de diensttijd, te vervullen na de wijziging van het reglement, hetzij door beide maatregelen te zamen.

2. Wanneer te eniger tijd het financieel evenwicht is verbroken tussen de verplichtingen van het fonds met betrekking tot aanspraken ter zake van de diensttijd, vervuld vóór de oprichting van het fonds (back-service-pensioenen), enerzijds en de voor dat doel reeds beschikbare en te verwachten middelen anderzijds, is het bestuur verplicht door middel van wijziging van dit reglement het verbroken evenwicht te herstellen, hetzij door gelijke voor de toekomst geldende evenredige wijziging van de aanspraken ter zake van de diensttijd, vervuld vóór de oprichting van het fonds, hetzij door gelijke evenredige wijziging van de bijdragen, dienende ter financiering van die diensttijd, hetzij door beide maatregelen te zamen.

3. Bij de toepassing van het hierboven bepaalde moet er rekening mede worden gehouden, dat het belegd vermogen van het fonds in de eerste plaats bestemd is ter dekking van aanspraken ter zake van diensttijd, vervuld van de oprichting van het fonds af tot het tijdstip van wijziging van het reglement.

Artikel 31

1. Ingegaan pensioen, dat een bedrag van f 250 per jaar niet te boven gaat, kan door het bestuur van het fonds op verzoek van de rechthebbende worden afgekocht door uitbetaling van een door het fondsbestuur naar redelijkheid vast te stellen som ineens. Indien ingevolge het voorgaande tot afkoop van een ouderdomspensioen wordt overgegaan, dient tegelijkertijd hetzelfde te geschieden met het weduween/of wezenpensioen, waarop bij overlijden van de tot het ouderdomspensioen gerechtigde aanspraak zou ontstaan. Indien de afkoop een ingegaan weduwepensioen betreft, dient hetzelfde te geschieden met het wezenpensioen, dat aan dezelfde deelnemer is ontleend.

2. Geen afkoop van weduwe- en wezenpensioen vindt plaats, wanneer de som van deze pensioenen gemeld bedrag van f 250 per jaar te boven gaat.

Artikel 32

Een gewezen deelnemer, die wederom deelnemer wordt, heeft het recht voor pensioen in te kopen de tijd, welke is verstreken na het einde van zijn laatste deelnemerschap, tegen een door het bestuur naar redelijkheid te bepalen inkoopsom. Deze inkoopsom kan worden betaald in door het bestuur vast te stellen termijnen.

Artikel 33

1. Binnen zeven maanden na afloop van elk kalenderjaar doet een notaris-deelnemer op een door het bestuur te bepalen wijze opgave van zijn beroepswinst over het afgelopen kalenderjaar.

2. Hetgeen door de notaris-deelnemer over enig kalenderjaar verschuldigd is, moet door hem worden voldaan op een door het bestuur te bepalen wijze en binnen door het bestuur te bepalen termijnen.

Artikel 34

1. De notarissen en notariële instellingen zijn verplicht op het salaris van de op hun kantoor of bij haar werkzaam zijnde candidaat-notarissen-deelnemers het in artikel 29 bedoelde bedrag ten behoeve van het fonds in te houden.

2. Deze verplichting vervalt, indien op het salaris van de candidaatnotaris beslag is gelegd, indien hij failliet is verklaard of surséance van betaling heeft verkregen.

Artikel 35

1. Binnen één maand na afloop van elk kalenderkwartaal doen de notarissen en notariële instellingen op een door het bestuur van het fonds te bepalen wijze aan het fonds opgave van hetgeen zij verplicht waren in dat kwartaal ten behoeve van het fonds in te houden.

2. De in het vorige lid bedoelde bedragen worden binnen dezelfde tijd aan het fonds afgedragen.

Artikel 36

1. Binnen zeven maanden na afloop van elk kalenderjaar doet een candidaat-notaris-deelnemer op een door het bestuur te bepalen wijze opgave van het in dat jaar uit zijn beroep van candidaat-notaris genoten inkomen, onder opgave tevens welke bedragen overeenkomstig artikel 34 te zijnen laste zijn ingehouden.

2. Hetgeen door de candidaat-notaris-deelnemer verschuldigd is en niet overeenkomstig artikel 34 is ingehouden, moet door hem worden voldaan op een door het bestuur te bepalen wijze en binnen door het bestuur te bepalen termijnen.

3. Indien een candidaat-notaris-deelnemer met de waarneming van een notariskantoor is belast of is belast geweest, is hij verplicht binnen één maand na afloop van elk kalenderkwartaal aan het fonds op te geven met de waarneming van welk kantoor hij is belast of is belast geweest en gedurende welke tijd.

4. Een plaatsvervangend notaris heeft dezelfde verplichtingen als een notaris, met dien verstande, dat zijn bijdrage overeenkomstig artikel 29 wordt bepaald.

Artikel 37

1. Notarissen, candidaat-notarissen en notariële instellingen, alsmede zij, die aan de bepalingen van dit reglement rechten op uitkering ontlenen, zijn, ook nadat zij die hoedanigheid of zodanig recht hebben verloren, verplicht aan het bestuur of aan één of meer door het bestuur aangewezen personen de gegevens te verstrekken, waarvan het bestuur ter vaststelling van het deelnemerschap of van daaruit voortvloeiende rechten en verplichtingen de kennisneming wenselijk oordeelt.

2. De verplichting tot het verstrekken van gegevens overeenkomstig het vorige lid bestaat ook jegens de organen, waarbij beroep van beslissingen van het bestuur is ingesteld.

3. De in de vorige leden bedoelde gegevens dienen te worden verstrekt schriftelijk, mondeling of door het verlenen van inzage in boeken en andere bescheiden, een en ander ter keuze van hem, die het verstrekken van de gegevens vordert, en binnen de door deze te bepalen termijn.

4. Hij, aan wie inzage van boeken en bescheiden is gevraagd, wordt geacht die in zijn bezit te hebben, tenzij hij het tegendeel aannemelijk maakt.

5. Voor een weigering om te voldoen aan een in dit artikel opgelegde verplichting kan ingevolge het bepaalde in artikel 12 van de Wet tot invoering van een leeftijdsgrens voor het notarisambt en oprichting van een notarieel pensioenfonds niemand zich met vrucht beroepen op enige geheimhoudingsplicht, ook al mocht deze hem bij enig wetsvoorschrift zijn opgelegd.

Artikel 38

In alle gevallen, waarin dit reglement niet voorziet, beslist het bestuur.