rijk/ministeriele-regeling/besluit-aanwijzing-ambtenaren-vrom-regelgeving/BWBR0017740
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00
..
README.md feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown 2026-03-30 06:27:40 +02:00

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Besluit aanwijzing ambtenaren VROM-regelgeving BWBR0017740 ministeriele-regeling geldend 2008-10-27 https://wetten.overheid.nl/BWBR0017740 Besluit aanwijzing ambtenaren VROM-regelgeving

Besluit aanwijzing ambtenaren VROM-regelgeving

Artikel 1

1. Deze regeling vindt mede haar grondslag in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de Wet ruimtelijke ordening en de Wet belastingen op milieugrondslag.

2.

De directeur-inspecteur van het Inspectoraat-Generaal VROM in de betrokken regio wordt aangewezen als inspecteur in de zin van:

de Drinkwaterwet; de Interimwet stad-en-milieubenadering; het Vuurwerkbesluit; de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; de Wet bodembescherming; de Wet geluidhinder; de Wet hygiëne en veiligheid badinrichtingen en zwemgelegenheden; de Wet inzake de luchtverontreiniging; de Wet milieubeheer; de Wet ruimtelijke ordening; de Woningwet, met uitzondering van de aangelegenheden met betrekking tot welke ingevolge de artikelen 2 en 3 van het Besluit mandatering aan ILT van handhavingsbevoegdheden en aanwijzing toezichthouders op het terrein van BZK-wetgeving en de artikelen 3 tot en met 5 van het Besluit mandaat Autoriteit woningcorporaties en WNT mandaat en machtiging is verleend aan de Inspecteur-Generaal Leefomgeving en Transport, bedoeld in artikel 1, tweede lid, van het Instellingbesluit Inspectie Leefomgeving en Transport.

Artikel 2

1.

De directeuren-inspecteur van het Inspectoraat-Generaal VROM worden aangewezen als de ambtenaar, bedoeld in:

      artikel 2, onder d, van het Transactiebesluit milieudelicten;

de artikelen 29, eerste lid, 31, tweede en vierde lid, 34, 40, derde lid, 46, derde lid, en 66b, tweede lid, van de Wet op de lijkbezorging.

2.

De inspecteur-generaal, de hoofddirecteur Uitvoering en de directeuren-inspecteur van het Inspectoraat-Generaal VROM en de onder hun bevelen werkzame ambtenaren worden aangewezen als als ambtenaren als bedoeld in:

      artikel 46, tweede lid, van de Wet bevordering eigenwoningbezit.

Artikel 3

De inspecteur-generaal, de hoofddirecteur Uitvoering en de directeuren-inspecteur van het Inspectoraat-Generaal VROM en de door hen daartoe aangewezen, onder hun bevelen werkzame ambtenaren worden aangewezen als ambtenaren ten aanzien van wie, in geval van levering van leidingwater door een collectieve watervoorziening of een collectief leidingnet, het ten aanzien van de inspecteur in de artikelen 35, tweede tot en met vierde lid, 36, 37, derde lid, 49, 51 en 52 van de Drinkwaterwet bepaalde van toepassing is, met uitzondering van de gevallen bedoeld in artikel 12.

Artikel 4

Vervallen

Artikel 5

Vervallen

Artikel 6

1. De directeur van de Auditdienst VROM en de onder zijn bevelen werkzame ambtenaren, met uitzondering van hen die meer in het bijzonder administratieve werkzaamheden uitoefenen, zijn, voor zover het betreft de onderzoeken, bedoeld in de artikelen 20 en 21 van de Comptabiliteitswet 2001, en de controle, bedoeld in artikel 66 van die wet, belast met het toezicht op de uitvoering en de handhaving van het bepaalde bij of krachtens de subsidieregelingen op het beleidsterrein van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.

2. In opdracht van de directeur van de Auditdienst VROM kunnen door hem aangewezen ambtenaren van auditdiensten van andere ministeries bij die opdracht aangegeven taken als bedoeld in het eerste lid, uitvoeren.

3. De in het eerste en tweede lid aangewezen toezichthouders beschikken niet over de bevoegdheden, genoemd in de artikelen 5:18 en 5:19 van de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 7

De inspecteur-generaal, de hoofddirecteur Uitvoering en de directeuren-inspecteur van het Inspectoraat-Generaal VROM en de onder hun bevelen werkzame ambtenaren, met uitzondering van hen die meer in het bijzonder administratieve werkzaamheden uitoefenen, zijn belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens:

de Drinkwaterwet; de Huisvestingswet; de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;

    artikel 25a, zesde lid, onderdeel c, van de Wet belastingen op milieugrondslag;

de Wet bescherming Antarctica; de Wet bevordering eigenwoningbezit; de Wet bodembescherming; de Wet explosieven voor civiel gebruik; de Wet geluidhinder; de Wet hygiëne en veiligheid badinrichtingen en zwemgelegenheden; de Wet inzake de luchtverontreiniging; de Wet milieubeheer; de Wet op de openluchtrecreatie; de Wet stedelijke vernieuwing; de Woningwet, met uitzondering van de aangelegenheden met betrekking tot welke ingevolge de artikelen 2 en 3 van het Besluit mandatering aan ILT van handhavingsbevoegdheden en aanwijzing toezichthouders op het terrein van BZK-wetgeving en de artikelen 3 tot en met 5 van het Besluit mandaat Autoriteit woningcorporaties en WNT mandaat en machtiging is verleend aan de Inspecteur-Generaal Leefomgeving en Transport, bedoeld in artikel 1, tweede lid, van het Instellingbesluit Inspectie Leefomgeving en Transport; de EG-verordening overbrenging van afvalstoffen; de EG-verordening registratie, evaluatie en autorisatie van chemische stoffen; de EG-verordening PRTR; de EG-verordening indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels.

Artikel 8

1. De directeur van de Auditdienst VROM en de onder zijn bevelen werkzame ambtenaren, met uitzondering van hen die meer in het bijzonder administratieve werkzaamheden uitoefenen, zijn, voor zover het betreft de onderzoeken, bedoeld in de artikelen 20 en 21 van de Comptabiliteitswet 2001, en de controle, bedoeld in artikel 66 van die wet, belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de subsidieregelingen op het beleidsterrein van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.

2. In opdracht van de directeur van de Auditdienst VROM kunnen door hem aangewezen ambtenaren van auditdiensten van andere ministeries bij die opdracht aangegeven taken als bedoeld in het eerste lid, uitvoeren.

3. De in het eerste en tweede lid aangewezen toezichthouders beschikken niet over de bevoegdheden, genoemd in de artikelen 5:18 en 5:19 van de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 8a

De ambtenaren werkzaam bij de afdeling Toezicht en handhaving van de Nederlandse emissieautoriteit in oprichting, zijn belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 9.2.2.1, eerste lid, voor zover dat betrekking heeft op het aan een ander ter beschikking stellen van brandstoffen ten behoeve van vervoer, 9.2.2.6a en 9.2.3.4, derde lid, titel 9.7 en hoofdstuk 16 van de Wet milieubeheer.

Artikel 9

De ambtenaren, bedoeld in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering zijn mede belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens:

    titel 10.7 van de Wet milieubeheer;

het Besluit inzameling afvalstoffen en de Regeling inzameling afvalstoffen; de EG-verordening overbrenging van afvalstoffen.

Artikel 10

De commandant en de controleurs van het Korps Militaire Controleurs Gevaarlijke Stoffen zijn mede belast met het toezicht op de naleving van de EG-verordening registratie, evaluatie en autorisatie van chemische stoffen, de EG-verordening indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels en het bepaalde bij of krachtens titels 9.2, 9.3 en 9.3a van de Wet milieubeheer, voor zover het toezicht kan worden uitgeoefend in samenhang met de werkzaamheden waartoe zij krachtens wettelijke bepalingen inzake het vervoer van stoffen en preparaten bevoegd zijn.

Artikel 11

In afwijking van de artikelen 7 en 12 tot en met 18 en artikel 5.10, derde lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, zijn ten aanzien van inrichtingen die behoren tot categorieën die zijn genoemd in bijlage I, onder C, onder 29.1, onder a tot en met i, van het Besluit omgevingsrecht, en inrichtingen die zijn aangewezen krachtens artikel 2.4, vierde lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, uitsluitend de door de inspecteur-generaal, de hoofddirecteur Uitvoering of de directeuren-inspecteur van het Inspectoraat-Generaal VROM daartoe aangewezen, onder hun bevelen werkzame ambtenaren belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens:

de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; de Wet bodembescherming; de Wet geluidhinder; de Wet inzake de luchtverontreiniging; de Wet milieubeheer; de EG-verordening registratie, evaluatie en autorisatie van chemische stoffen; de EG-verordening PRTR; de EG-verordening indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels.

Artikel 12

De inspecteur-generaal der mijnen en de inspecteurs van het Staatstoezicht op de Mijnen worden aangewezen als ambtenaren ten aanzien van wie, in geval van levering van leidingwater door collectieve watervoorzieningen die aanwezig zijn op een mijnbouwinstallatie, aangewezen krachtens de Mijnbouwwet, het ten aanzien van de inspecteur in de artikelen 35, tweede tot en met vierde lid, 36, 37, derde lid, 49, 51 en 52 van de Drinkwaterwet bepaalde van toepassing is.

Artikel 13

De inspecteur-generaal der mijnen en de inspecteurs van het Staatstoezicht op de Mijnen zijn, voor zover het betreft mijnbouwactiviteiten, mede belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens:

de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; de Wet bodembescherming; de Wet explosieven voor civiel gebruik; de Wet geluidhinder; de Wet inzake de luchtverontreiniging; de Wet milieubeheer; de EG-verordening registratie, evaluatie en autorisatie van chemische stoffen; de EG-verordening PRTR; de EG-verordening indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels.

Artikel 14

Vervallen

Artikel 15

De ambtenaren van de Algemene Inspectiedienst van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit zijn, voor zover het de beleidsterreinen van dat ministerie betreft, mede belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde:

bij of krachtens de Wet bescherming Antarctica; bij of krachtens de Wet bodembescherming; krachtens artikel 1.2 of bij of krachtens titels 9.2, 9.3, 9.3a en 12.3 van de Wet milieubeheer; de EG-verordening registratie, evaluatie, en autorisatie van chemische stoffen; de EG-verordening PRTR; de EG-verordening indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels.

Artikel 16

De ambtenaren van de Arbeidsinspectie van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zijn mede belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens:

    hoofdstuk II van de Wet geluidhinder, voor zover het betrekking heeft op de bescherming van werknemers;

de titels 9.2, 9.3 en 9.3a van de Wet milieubeheer; de EG-verordening registratie, evaluatie en autorisatie van chemische stoffen; de EG-verordening indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels.

Artikel 17

De inspecteur-generaal van de Inspectie Verkeer en Waterstaat en de door hem daartoe aangewezen onder zijn bevelen werkzame ambtenaren van die inspectie zijn mede belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens:

de Wet bodembescherming, voor zover het betreft het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk IV, paragrafen 5.1, 5.3 en 5.4, met betrekking tot rijkswateren en het vervoer van stoffen die de bodem kunnen verontreinigen; de Wet milieubeheer, voor zover het betreft:

      a.
      gevaarlijke afvalstoffen,
    
    
      b.
      inrichtingen die behoren tot categorieën die zijn genoemd in bijlage I, onder C, onder 2.1, onder a, 3.1 tot en met 3.5, 4.1, onder a, 5 en 14.1, voor zover het spoorwegemplacementen betreft, van het Besluit omgevingsrecht, voor zover het toezicht kan worden uitgeoefend in samenhang met de werkzaamheden waartoe zij krachtens wettelijke bepalingen inzake vervoer van stoffen en preparaten bevoegd zijn, of
    
    
      c.
      hetgeen bepaald is bij of krachtens de titels 9.2, 9.3, 9.3a, 11A.1 en 12.3 en paragraaf 10.6.3;

a. a. gevaarlijke afvalstoffen, b. b. inrichtingen die behoren tot categorieën die zijn genoemd in bijlage I, onder C, onder 2.1, onder a, 3.1 tot en met 3.5, 4.1, onder a, 5 en 14.1, voor zover het spoorwegemplacementen betreft, van het Besluit omgevingsrecht, voor zover het toezicht kan worden uitgeoefend in samenhang met de werkzaamheden waartoe zij krachtens wettelijke bepalingen inzake vervoer van stoffen en preparaten bevoegd zijn, of c. c. hetgeen bepaald is bij of krachtens de titels 9.2, 9.3, 9.3a, 11A.1 en 12.3 en paragraaf 10.6.3; de EG-verordening overbrenging van afvalstoffen;

    hoofdstuk III van de Wet explosieven voor civiel gebruik, met uitzondering van de gevallen bedoeld in artikel 11;

de EG-verordening PRTR; de EG-verordening registratie, evaluatie, en autorisatie van chemische stoffen; de EG-verordening indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels.

Artikel 17a

De directeur-generaal van Rijkswaterstaat en de door hem daartoe aangewezen onder zijn gezag werkzame ambtenaren van Rijkswaterstaat zijn mede belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens:

de Wet bodembescherming, voor zover het betreft het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk IV, paragrafen 5.1, 5.3 en 5.4, met betrekking tot rijkswateren en het vervoer van stoffen die de bodem kunnen verontreinigen; de Wet milieubeheer, voor zover het betreft gevaarlijke afvalstoffen.

Artikel 18

De hoofdinspecteurs van de Voedsel en Waren Autoriteit, de controleambtenaren van de Voedsel en Waren Autoriteit en de ambtenaren van de Inspectie gezondheidszorg en jeugd van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport zijn mede belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens:

de titels 9.2 tot en met 9.4 van de Wet milieubeheer; de EG-verordening registratie, evaluatie en autorisatie van chemische stoffen; de EG-verordening indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels.

Artikel 19

Het Besluit aanwijzing toezichtambtenaren VROM-regelgeving, de Regeling aanwijzing bevoegde ambtenaren collectieve watervoorzieningen en collectieve leidingnetten, de regeling van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 27 maart 1995 tot aanwijzing van toezichthoudende ambtenaren Wet op de openluchtrecreatie (Stcrt. 1995) en de Regeling aanwijzing toezichtambtenaren Huursubsidiewet worden ingetrokken.

Artikel 20

Wijzigt de Regeling aanwijzing keuringsinstelling en toezichthoudende ambtenaren Wet explosieven voor civiel gebruik.

Artikel 21

Dit besluit treedt in werking met ingang van het tijdstip waarop de wet van 22 oktober 2003 tot wijziging van diverse wetten in verband met de instelling van het Inspectoraat-Generaal VROM en ter verbetering van de doelmatigheid van gegevensverstrekking met het oog op toezicht (Stb. 2003, 449) in werking treedt.

Artikel 22

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit aanwijzing ambtenaren VROM-regelgeving.