40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt. |
||
|---|---|---|
| .. | ||
| README.md | ||
| titel | bwb_id | type | status | datum_inwerkingtreding | bron | citeertitel |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Besluit aanwijzing toezichthouders Omgevingswet | BWBR0049186 | ministeriele-regeling | geldend | 2024-01-01 | https://wetten.overheid.nl/BWBR0049186 | Besluit aanwijzing toezichthouders Omgevingswet |
Besluit aanwijzing toezichthouders Omgevingswet
Hoofdstuk 1. Aanwijzing van toezichthouders
Paragraaf 1.1. Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Artikel 1
1. Als personen belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Omgevingswet, waarvoor op grond van paragraaf 18.1.1 van die wet de bestuursrechtelijke handhavingstaak berust bij de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, worden aangewezen de directeur-generaal in wiens taakpakket die wet valt of diegenen die door hem worden aangewezen.
2. In afwijking van het eerste lid worden als personen belast met het toezicht op de naleving van regels over het energielabel, gesteld in afdeling 6.4 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of paragraaf 5.1.2 van de Omgevingsregeling, met uitzondering van artikel 5.14 van die regeling, aangewezen diegenen die werkzaam zijn voor de Inspectie Leefomgeving en Transport.
Paragraaf 1.2. Minister van Economische Zaken en Klimaat
Artikel 2
Als personen belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Omgevingswet, waarvoor op grond van paragraaf 18.1.1 van die wet de bestuursrechtelijke handhavingstaak berust bij de Minister van Economische Zaken en Klimaat, worden aangewezen diegenen die werkzaam zijn voor:
a. a. het Staatstoezicht op de Mijnen; en b. b. de Kustwacht Nederland.
Paragraaf 1.3. Minister van Infrastructuur en Waterstaat
Artikel 3
1. Als personen belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Omgevingswet, waarvoor op grond van paragraaf 18.1.1 van die wet de bestuursrechtelijke handhavingstaak berust bij de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, worden aangewezen diegenen die werkzaam zijn voor de Inspectie Leefomgeving en Transport, tenzij in het derde tot en met het vijfde lid anders is bepaald.
2. Als personen belast met het toezicht, bedoeld in artikel 18.6a, derde lid, van de Omgevingswet, worden aangewezen diegenen die werkzaam zijn voor de Inspectie Leefomgeving en Transport.
3.
Als personen belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Omgevingswet, waarvoor op grond van paragraaf 18.1.1 van die wet de bestuursrechtelijke handhavingstaak berust bij de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, worden aangewezen de directeuren van de bedrijfseenheden Inframanagement en Verkeersleiding en de onder hen werkzame medewerkers van ProRail B.V. ten aanzien van:
a. a. bij algemene maatregel van bestuur over een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een hoofdspoorweg gestelde regels als bedoeld in artikel 4.3, derde lid, aanhef en onder c, onder 2°, van de Omgevingswet; b. b. het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder f, van de Omgevingswet om zonder omgevingsvergunning een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een hoofdspoorweg te verrichten; en c. c. het verbod, bedoeld in artikel 5.5, eerste lid, aanhef en onder f, van de Omgevingswet, om te handelen in strijd met een voorschrift van een omgevingsvergunning voor een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een hoofdspoorweg.
4.
Als personen belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Omgevingswet, waarvoor op grond van paragraaf 18.1.1 van die wet de bestuursrechtelijke handhavingstaak berust bij de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, worden aangewezen diegenen die werkzaam zijn voor Rijkswaterstaat ten aanzien van:
a. a. toegangsverboden tot waterstaatswerken en wegen in beheer bij het Rijk, bedoeld in artikel 2.40 van de Omgevingswet; b. b. activiteiten in of bij waterstaatswerken in beheer bij het Rijk, bedoeld in hoofdstuk 6 van het Besluit activiteiten leefomgeving; c. c. activiteiten in de Noordzee bedoeld in hoofdstuk 7 van het Besluit activiteiten leefomgeving; d. d. lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk, bedoeld in de hoofdstukken 2 tot en met 5 van het Besluit activiteiten leefomgeving; e. e. activiteiten rond rijkswegen bedoeld in hoofdstuk 8 van het Besluit activiteiten leefomgeving; f. f. lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk, bedoeld in hoofdstuk 17 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en g. g. gedoogplichten, bedoeld in artikelen 10.2, 10.3 en 10.17 van de Omgevingswet; h. h. peilbesluiten, bedoeld in artikel 13.1, eerste lid aanhef en onderdeel d, subonderdeel 2°;
met dien verstande dat de aanwijzing, bedoeld in de aanhef en onder b tot en met d en f, niet van toepassing is voor zover het betreft activiteiten die worden verricht door Rijkswaterstaat.
5. Als personen belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Omgevingswet, waarvoor op grond van paragraaf 18.1.1 van die wet de bestuursrechtelijke handhavingstaak berust bij de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, worden aangewezen diegenen die werkzaam zijn voor het Staatstoezicht op de Mijnen ten aanzien van het bepaalde bij of krachtens de paragrafen 7.2.3 en 7.2.4 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
6.
Als personen mede belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Omgevingswet, waarvoor op grond van paragraaf 18.1.1 van die wet de bestuursrechtelijke handhavingstaak berust bij de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, worden aangewezen diegenen die werkzaam zijn:
a. a. voor het Staatstoezicht op de Mijnen voor windparken op zee; b. b. voor de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit voor het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2.6, 2.18, 2.22, 2.23 en 2.32 en paragraaf 16.3.5 van de Omgevingswet; en c. c. voor een beheerder van regionale wateren ten aanzien van wateractiviteiten met betrekking tot regionale wateren waarvoor een omgevingsvergunning is verleend, met toepassing van artikel 5.11, derde lid, of 5.12, vierde lid, van de Omgevingswet.
7.
Als personen belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens artikel 20.6 in verband met artikel 20.7, aanhef en onder b, van de Omgevingswet en de EG-verordening PRTR, worden ook aangewezen diegenen die werkzaam zijn voor:
a. a. de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit, voor zover het betreft de beleidsterreinen van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; en b. b. het Staatstoezicht op de Mijnen, voor zover het betreft mijnbouwwerken en pijpleidingen.
8.
Als personen belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Omgevingswet, waarvoor op grond van paragraaf 18.1.1 van die wet de bestuursrechtelijke handhavingstaak berust bij de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, worden ook aangewezen diegenen die werkzaam zijn bij het Havenbedrijf Amsterdam N.V., Divisie Havenmeester, te Amsterdam en diegenen die werkzaam zijn bij het Havenbedrijf Rotterdam N.V., Divisie Havenmeester, te Rotterdam, ten aanzien van:
a. a. lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk, bedoeld in de hoofdstukken 2 tot en met 5 van het Besluit activiteiten leefomgeving; b. b. lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk, bedoeld in hoofdstuk 17 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en c. c. gedoogplichten, bedoeld in de artikelen 10.2 en 10.3 van de Omgevingswet.
Paragraaf 1.3a. Minister voor Klimaat en Energie
Artikel 3a
Als personen belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Omgevingswet, waarvoor op grond van paragraaf 18.1.1 van die wet de bestuursrechtelijke handhavingstaak berust bij de Minister voor Klimaat en Energie, worden aangewezen diegenen die werkzaam zijn voor de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland.
Paragraaf 1.4. Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit
Artikel 4
Als personen belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Omgevingswet, waarvoor op grond van paragraaf 18.1.1 van die wet de bestuursrechtelijke handhavingstaak berust bij de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, worden aangewezen:
a. a. de door de Minister van Justitie en Veiligheid op grond van artikel 17 van de Wet op de economische delicten met de opsporing van de bij of krachtens die wet strafbaar gestelde feiten belaste personen; b. b. diegenen die werkzaam zijn voor de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland; en c. c. diegenen die werkzaam zijn voor de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit, met uitzondering van de personen, bedoeld onder a.
Paragraaf 1.5. Minister voor Natuur en Stikstof
Artikel 5
1.
Als personen belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Omgevingswet, waarvoor op grond van paragraaf 18.1.1 van die wet de bestuursrechtelijke handhavingstaak berust bij de Minister voor Natuur en Stikstof, worden aangewezen:
a. a. de door de Minister van Justitie en Veiligheid op grond van artikel 17 van de Wet op de economische delicten met de opsporing van de bij of krachtens die wet strafbaar gestelde feiten belaste personen; b. b. diegenen die werkzaam zijn voor de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland; en c. c. diegenen die werkzaam zijn voor de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit, met uitzondering van de personen, bedoeld onder a.
2. In afwijking van het eerste lid worden als personen belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde in de artikelen 11.87 tot en met 11.91 van het Besluit activiteiten leefomgeving aangewezen de heer R. van de Mortel, burgemeester van de gemeente Vught, en de heer R. Jager, burgemeester van de gemeente Westerveld.
Paragraaf 1.6. Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Artikel 6
Als personen belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Omgevingswet, waarvoor op grond van paragraaf 18.1.1 van die wet de bestuursrechtelijke handhavingstaak berust bij de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, worden aangewezen diegenen die werkzaam zijn voor de Inspectie Overheidsinformatie en Erfgoed, met uitzondering van de personen die toezicht houden op de naleving van de Archiefwet 1995.
Hoofdstuk 2. Bevoegdheid van toezichthouders tot het binnentreden van een woning
Paragraaf 2.1. Minister van Infrastructuur en Waterstaat
Artikel 7
De personen, bedoeld in artikel 3, belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Omgevingswet, zijn bevoegd, met medeneming van de benodigde apparatuur, een woning te betreden zonder toestemming van de bewoner, ten aanzien van de activiteiten, bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, c en d, en tweede lid, aanhef en onder b tot en met f, van de Omgevingswet, voor zover deze activiteiten betrekking hebben op gevaarlijke stoffen.
Paragraaf 2.2. Minister voor Natuur en Stikstof
Artikel 8
De personen, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onder a en c, belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Omgevingswet, zijn bevoegd, met medeneming van de benodigde apparatuur, een woning te betreden zonder toestemming van de bewoner, ten aanzien van de activiteiten, bedoeld in de artikelen 11.32, 11.38, 11.39, 11.47, 11.93, 11.96, 11.101, 11.102, 11.105, 11.106, 11.108, 11.109a en 11.110 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Paragraaf 2.3. Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Artikel 9
De personen, bedoeld in artikel 6, belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Omgevingswet, zijn bevoegd, met medeneming van de benodigde apparatuur, een woning te betreden zonder toestemming van de bewoner, ten aanzien van:
a. a. de activiteiten, bedoeld in de artikelen 5.1, eerste lid, aanhef en onder b,5.5, eerste lid, aanhef en onder b, 10.19, tweede lid, en de artikelen 19.4, 19.5, 19.7 en 19.9 van de Omgevingswet; en b. b.
artikel 13.12 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Hoofdstuk 3. Slotbepalingen
Artikel 10
Het Besluit aanwijzing toezichthouders water- en wegbeheer wordt ingetrokken.
Artikel 11
Wijzigt de Aanwijzingsregeling ambtenaren toezicht Mijnbouwwet.
Artikel 12
Wijzigt het Besluit aanwijzing toezichthouders en mandaat Regeling bedrijfsmatig tot ontbranding brengen van vuurwerk.
Artikel 13
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2024.
Artikel 14
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit aanwijzing toezichthouders Omgevingswet.