40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt. |
||
|---|---|---|
| .. | ||
| README.md | ||
| titel | bwb_id | type | status | datum_inwerkingtreding | bron | citeertitel |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar Dienst Stadstoezicht van de gemeente Amsterdam 2007 | BWBR0021969 | ministeriele-regeling | geldend | 2010-05-10 | https://wetten.overheid.nl/BWBR0021969 | Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar Dienst Stadstoezicht van de gemeente Amsterdam 2007 |
Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar Dienst Stadstoezicht van de gemeente Amsterdam 2007
Artikel 1
In dit besluit wordt verstaan onder de buitengewoon opsporingsambtenaar, de buitengewoon opsporingsambtenaar in dienstbetrekking werkzaam bij de Dienst Stadstoezicht van de gemeente Amsterdam.
Artikel 2
Maximaal 90 personen werkzaam bij de Dienst Stadstoezicht van de gemeente Amsterdam en belast met de opsporing van strafbare feiten, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar.
Artikel 3
1. De in artikel 2 bedoelde ambtenaren zijn bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten genoemd in domein IV Openbaar Vervoer, van bijlage A-I van de Circulaire Buitengewoon opsporingsambtenaar, voor zover noodzakelijk voor een goede vervulling van de aan de functie gerelateerde taken.
2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van Nederland, voor zover noodzakelijk voor een goede vervulling van de aan de functie gerelateerde taken.
3. De buitengewoon opsporingsambtenaar vermeldt in zijn processen-verbaal en schriftelijke verslagleggingen het domein waarin hij is aangesteld.
Artikel 4
De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd bij de opsporing van de in artikel 3, eerste lid, van dit besluit genoemde strafbare feiten, gebruik te maken van de bevoegdheden bedoeld in:
a. a.
artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering;
b. b.
artikel 8, eerste en derde lid, van de Politiewet 1993, hij gedraagt zich daarbij overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk 7 van de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke Marechaussee en de buitengewoon opsporingsambtenaar.
Artikel 5
De buitengewoon opsporingsambtenaar kan gedurende de uitoefening van zijn dienst als buitengewoon opsporingsambtenaar gebruik maken van handboeien en een korte wapenstok.
Artikel 6
1. Als toezichthouder van de buitengewoon opsporingsambtenaar is aangewezen de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Amsterdam.
2. Als direct toezichthouder van de buitengewoon opsporingsambtenaar is aangewezen de korpschef van het regionaal politiekorps Amsterdam-Amstelland.
Artikel 7
De directeur van de Dienst Stadstoezicht van de gemeente Amsterdam verstrekt de toezichthouder en de direct toezichthouder overeenkomstig artikel 41, eerste lid van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar alle door hen gewenste informatie en voert zo nodig en desgevraagd periodiek overleg met hen.
Artikel 8
1.
De directeur van de Dienst Stadstoezicht van de gemeente Amsterdam stelt in overleg met de toezichthouder op:
a. a. Een instructie waarin zo concreet mogelijk beschreven wordt voor welke feiten het opmaken van een proces-verbaal voor de artikelen 266 en 267 van het Wetboek van Strafrecht is toegestaan. b. b. Een procedure voor de afhandeling van door de buitengewoon opsporingsambtenaar opgemaakte processen-verbaal voor de artikelen 266 en 267 van het Wetboek van Strafrecht.
2. De directeur van de Dienst Stadstoezicht van de gemeente Amsterdam zendt, overeenkomstig artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar, voor 1 november 2007 aan de Minister van Justitie, aan de toezichthouder en aan de direct toezichthouder een evaluatie over de doeltreffendheid en de effecten van het toekennen van de opsporingsbevoegdheid voor de artikelen 266 en 267 van het Wetboek van Strafrecht in de periode vanaf 1 december 2006 tot 1 oktober 2007. Deze evaluatie voldoet aan nader door de Minister van Justitie te stellen voorwaarden.
Artikel 9
De directeur van de Dienst Stadstoezicht van de gemeente Amsterdam brengt jaarlijks, vóór 1 april over het jaar daaraan voorafgaand, aan de Minister van Justitie verslag uit over:
a. a. het aantal buitengewoon opsporingsambtenaren dat op 31 december werkzaam was bij de Dienst Stadstoezicht van de gemeente Amsterdam. b. b. De door die buitengewoon opsporingsambtenaren verrichte activiteiten. c. c. Het aantal interventies waarbij het gebruik/toepassing van handboeien en/of een korte wapenstok geïndiceerd is geweest; d. d. De stand van zaken met betrekking tot de opleiding van die buitengewoon opsporingsambtenaren, waarbij in ieder geval wordt aangegeven hoeveel personen in het verslagjaar zijn aangemeld voor het door de Minister van Justitie goedgekeurde examen en hoeveel personen voor dat examen zijn geslaagd.
Artikel 10
Het ‘Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar Dienst Ondersteunende Taken van het GVB Amsterdam 2003’ wordt ingetrokken.
Artikel 11
De op naam gestelde akten van opsporingsbevoegdheid en beëdiging en de overige benoemingsbescheiden, afgegeven mede op basis van het besluit van 23 mei 2007, nr. 5447634/Justis/07, worden geacht mede te zijn afgegeven op basis van het onderhavige besluit.
Artikel 12
Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.
Artikel 13
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar Dienst Stadstoezicht van de gemeente Amsterdam 2007.