rijk/ministeriele-regeling/besluit-buitengewoon-opsporingsambtenaar-voedsel-en-waren-autoriteit-2002/BWBR0013855
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00
..
README.md feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown 2026-03-30 06:27:40 +02:00

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar Voedsel en Waren Autoriteit 2002 BWBR0013855 ministeriele-regeling geldend 2002-07-08 https://wetten.overheid.nl/BWBR0013855 Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar Voedsel en Waren Autoriteit 2002

Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar Voedsel en Waren Autoriteit 2002

Artikel 1

In dit besluit wordt verstaan onder:

Artikel 2

Maximaal 400 personen werkzaam bij de Voedsel en Waren Autoriteit en belast met de opsporing van strafbare feiten zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar.

Artikel 3

1.

De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de feiten strafbaar gesteld bij of krachtens:

a. a.

         de Warenwet;
      
      
         de Landbouwkwaliteitswet;
      
      
         de Vleeskeuringswet;
      
      
         de Destructiewet;
      
      
         de Wet op de dierproeven;
      
      
         de Bestrijdingsmiddelenwet 1962;
      
      
         de Kernenergiewet;
      
      
         de Drank- en Horecawet;
      
      
         de Tabakswet;
      
      
        de Absintwet 1909;
      
      
         de artikelen 172 tot en met 175, 198, 329 en 330, van het Wetboek van Strafrecht;
      
      
         de artikelen 13 en 19 van de Landbouwwet;
      
      
        
          artikel 11, onderdeel a, sub 5, de artikelen 17, 19, 38, 44, 45, 55, 66, 96 tot en met 99, 100, 103, 107 en 111 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, voor zover sprake is van voorschriften die de volksgezondheid raken of van voorschriften die gelden in dierproefinstellingen waar de Voedsel en Waren Autoriteit taken verricht in het kader van de Wet op de dierproeven;
      
      
         de artikelen 2, eerste lid, 7, 13, 14, eerste en tweede lid, 17, eerste lid, 18, 19, 20, tweede lid, 21, eerste lid, 24, tweede lid, 30, eerste lid, 32, 33, 35, 36, eerste lid, 37, eerste lid, 38 tot en met 42, 43, eerste lid, 44, eerste lid, 45, derde lid, 49 en 58, derde lid, van de Diergeneesmiddelenwet;
      
      
         de artikelen 68, eerste lid, 69, eerste lid, en 71 van de Veewet;
      
      
         de paragrafen 1 en 2 van Hoofdstuk 4, van de Wet milieugevaarlijke stoffen;
      
      
         de voorschriften gebaseerd op artikel 93 van de Wet op de Bedrijfsorganisatie;
      
      
        
          artikel 34 van de Wegenverkeerswet 1994;
  • de Warenwet;
  • de Landbouwkwaliteitswet;
  • de Vleeskeuringswet;
  • de Destructiewet;
  • de Wet op de dierproeven;
  • de Bestrijdingsmiddelenwet 1962;
  • de Kernenergiewet;
  • de Drank- en Horecawet;
  • de Tabakswet;
  • de Absintwet 1909;
  • de artikelen 172 tot en met 175, 198, 329 en 330, van het Wetboek van Strafrecht;
  • de artikelen 13 en 19 van de Landbouwwet;
  • artikel 11, onderdeel a, sub 5, de artikelen 17, 19, 38, 44, 45, 55, 66, 96 tot en met 99, 100, 103, 107 en 111 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, voor zover sprake is van voorschriften die de volksgezondheid raken of van voorschriften die gelden in dierproefinstellingen waar de Voedsel en Waren Autoriteit taken verricht in het kader van de Wet op de dierproeven;
  • de artikelen 2, eerste lid, 7, 13, 14, eerste en tweede lid, 17, eerste lid, 18, 19, 20, tweede lid, 21, eerste lid, 24, tweede lid, 30, eerste lid, 32, 33, 35, 36, eerste lid, 37, eerste lid, 38 tot en met 42, 43, eerste lid, 44, eerste lid, 45, derde lid, 49 en 58, derde lid, van de Diergeneesmiddelenwet;
  • de artikelen 68, eerste lid, 69, eerste lid, en 71 van de Veewet;
  • de paragrafen 1 en 2 van Hoofdstuk 4, van de Wet milieugevaarlijke stoffen;
  • de voorschriften gebaseerd op artikel 93 van de Wet op de Bedrijfsorganisatie;
  • artikel 34 van de Wegenverkeerswet 1994; b. b. andere wetten, indien en voor zover hij daarmee in een concreet opsporingsonderzoek door een officier van justitie wordt belast, voor de duur van dat onderzoek.

2. De opsporingsbevoegdheid geldt voor het grondgebied van Nederland.

Artikel 4

1. Als toezichthouder van de buitengewoon opsporingsambtenaar is aangewezen de hoofdofficier van justitie van het arrondissementsparket Den Haag.

2. Als direct toezichthouder van de buitengewoon opsporingsambtenaar is aangewezen de korpschef van het regionaal politiekorps Haaglanden.

Artikel 5

De Directeur-Generaal Voedsel en Waren Autoriteit brengt jaarlijks vóór 1 april over het jaar daaraan voorafgaand aan de Minister van Justitie verslag uit over:

a. a. het aantal buitengewoon opsporingsambtenaren dat op 31 december werkzaam was bij de Voedsel en Waren Autoriteit; b. b. de door die buitengewoon opsporingsambtenaren verrichte activiteiten; c. c. de stand van zaken met betrekking tot opleiding van die buitengewoon opsporingsambtenaren, waarbij in ieder geval wordt aangegeven hoeveel personen in het verslagjaar zijn aangemeld voor het door de Minister van Justitie goedgekeurde examen en hoeveel personen in dat jaar voor dat examen zijn geslaagd.

Artikel 6

Aan de buitengewoon opsporingsambtenaar, die belast is met het opmaken van technische processen-verbaal, waarbij hij geen verklaringen van verdachten of getuigen behoeft op te nemen, is ontheffing verleend van het bepaalde in artikel 16, eerste lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar.

Artikel 7

Het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar Keuringsdienst van Waren 2000 wordt ingetrokken.

Artikel 8

De op naam gestelde akten van opsporingsbevoegdheid en beëdiging, de legitimatiebewijzen buitengewoon opsporingsambtenaar en de overige benoemingsbescheiden, afgegeven mede op basis van het in artikel 7 genoemde besluit, worden voor de duur van hun geldigheid of tot daarover nader zal zijn beslist, geacht akten en legitimatiebewijzen of overige benoemingsbescheiden afgegeven mede op basis van het onderhavige besluit te zijn.

Artikel 9

Dit besluit treedt in werking met ingang van 8 juli 2002 en vervalt met ingang van 8 juli 2007.

Artikel 10

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar Voedsel en Waren Autoriteit 2002.