rijk/ministeriele-regeling/besluit-commissie-van-wijze-vrouwen-en-mannen/BWBR0005601
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00
..
README.md feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown 2026-03-30 06:27:40 +02:00

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Besluit Commissie van wijze vrouwen en mannen BWBR0005601 ministeriele-regeling geldend 1992-07-30 https://wetten.overheid.nl/BWBR0005601 Besluit Commissie van wijze vrouwen en mannen

Besluit Commissie van wijze vrouwen en mannen

Paragraaf 1. Begripsomschrijvingen

Artikel 1

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder;

Paragraaf 2. Instelling en taak

Artikel 2

1. Er is een Commissie van wijze vrouwen en mannen.

2. De commissie heeft tot taak kandidaat-leden voor de (in te stellen) raad te selecteren en daarover een voordracht te doen aan de minister. Telkenmale zodra enige vacature voor het lidmaatschap van de raad ontstaat, oefent zij deze taak uit,

Paragraaf 3. Samenstelling

Artikel 3

1. De commissie bestaat uit een oneven aantal leden, ten minste drie en ten hoogste vijf, de voorzitter daaronder begrepen.

2. De voorzitter en de overige leden worden door de minister benoemd en ontslagen.

3. De benoeming geschiedt voor een tijdvak van twee jaren. Aftredende leden kunnen ten hoogste tweemaal terstond worden herbenoemd.

4. Hij die tot lid is benoemd ter vervulling van een tussentijds opengevallen plaats, treedt af op het ogenblik waarop degene in wiens plaats hij is benoemd, had moeten aftreden.

Paragraaf 4. Organisatie en werkwijze

Artikel 4

1. Voor de benoeming tot lid van de commissie komen in aanmerking zij die deskundigheid en kennis van en ervaring met belangrijke terreinen van het ouderenbeleid bezitten, dan wel zij van wie uit anderen hoofde een specifieke inbreng kan worden verwacht.

2. Bij de benoeming van de leden wordt gestreefd naar een evenwichtige verdeling van vrouwen en mannen en wordt voorts rekening gehouden met de verscheidenheid aan geestelijke en maatschappelijke stromingen in Nederland.

Artikel 5

1. De minister voegt aan de commissie ten behoeve van de uitvoering van haar taak een secretaris toe.

2. De secretaris is voor de uitoefening van zijn taak uitsluitend verantwoording schuldig aan de commissie,

Artikel 6

1. De commissie kan uit haar midden een plaatsvervangend voorzitter aanwijzen.

2. De commissie kan, met inachtneming van dit besluit, haar werkwijze naar eigen inzicht regelen.

Artikel 7

1.

In verband met de vervulling van vacatures voor het lidmaatschap van de raad biedt de minister door middel van een oproep in de Staatscourant en door verdere publikatie op de wijze die de minister dienstig acht, aan een ieder de gelegenheid ter zake voorstellen te doen aan de commissie. In de publikatie wordt ten minste vermeld:

a. a. een omschrijving van taak en functie van de raad: b. b. de eisen die aan het lid van de raad worden gesteld: c. c. de termijn binnen welke de reactie aan de commissie dient te worden gezonden.

2. De commissie selecteert aan de hand van de voorstellen geschikte kandidaten. Voorts kan de commissie uit eigen beweging personen benaderen teneinde te bezien of zij belangstelling hebben voor het lidmaatschap van de raad.

Artikel 8

1. Over de door de commissie voor te dragen kandidaten zullen de leden van de raad worden gehoord. In afwijking hiervan zullen voor de eerste maal de beoogde voorzitter van de raad alsmede de leden van de Voorlopige raad voor het ouderenbeleid worden gehoord.

2. Het besluit tot voordracht van de commissie wordt genomen bij volstrekte meerderheid van stemmen. De stemming geschiedt schriftelijk. Mocht bij eerste stemming geen volstrekte meerderheid worden verkregen dan zal een nieuwe stemming plaats hebben. Indien ook dan geen volstrekte meerderheid wordt verkregen, beslist het lot.

3. De voordracht van de commissie wordt schriftelijk en met redenen omkleed uitgebracht aan de minister, ondertekend door de voorzitter en de overige leden van de commissie.

4. In haar voordracht streeft de commissie naar het bereiken van een zo groot mogelijke deskundigheid op één of meer terreinen van het ouderenbeleid, politieke en bestuurlijke ervaring, een bepaalde verdienste op één of meer terreinen van het ouderenbeleid in een aaneengesloten periode alsmede naar een evenwichtige verdeling van vrouwen en mannen, een zodanige spreiding van leden over het gehele land en in het algemeen naar een zodanige geschakeerdheid van samenstelling als voor een goed functioneren van de raad wenselijk wordt geacht. Bij de selectie van de leden van de Voorlopige raad voor het ouderenbeleid die overgaan naar de raad, wordt ernaar gestreefd de deskundigheid op de terreinen inkomen, huisvesting en zorg te handhaven.

5. De commissie houdt de stukken, die op de voorbereiding van de voordracht betrekking hebben, ter beschikking van de minister.

6. Het beheer van de bescheiden betreffende de werkzaamheden van de commissie geschied: met inachtneming van artikel 9, vierde lid, van het Besluit algemene secretarie-aangelegenheden rijksadministratie (Stb. 1980, 182).

Artikel 9

Ieder lid van de commissie dat de beschikking krijgt over gegevens waarvan hij het vertrouwelijk karakter kent of redelijkerwijs moet vermoeden, is verplicht tot geheimhouding daarvan.

Paragraaf 5. Slotbepalingen

Artikel 10

Dit besluit, dat met de daarbij behorende toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst, treedt in werking met ingang van de dag na die van de dagtekening van de Staatscourant waarin zij is geplaatst.

Artikel 11

Dit besluit kan worden aangehaald als Besluit Commissie van wijze vrouwen en mannen.

Afschrift van dit besluit zal worden gezonden aan de Algemene Rekenkamer.