rijk/ministeriele-regeling/besluit-mandaat-volmacht-en-machtiging-ez-2015/BWBR0036080
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00
..
README.md feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown 2026-03-30 06:27:40 +02:00

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Besluit mandaat, volmacht en machtiging EZ 2015 BWBR0036080 ministeriele-regeling geldend 2015-01-01 https://wetten.overheid.nl/BWBR0036080 Besluit mandaat, volmacht en machtiging EZ 2015

Besluit mandaat, volmacht en machtiging EZ 2015

Paragraaf 1. Algemene bepalingen

Artikel 1

In dit besluit wordt verstaan onder:

a. a.

    *de minister:* de Minister van Economische Zaken;

b. b.

    *de secretaris-generaal:* de secretaris-generaal van het Ministerie van Economische Zaken;

c. c.

    *de plaatsvervangend secretaris-generaal:* de plaatsvervangend secretaris-generaal van het Ministerie van Economische Zaken;

d. d.

    *de hoofden van dienst:*
  
  
    
      1°.
      de directeur-generaal van Agro en Natuur;
    
    
      2°.
      de directeur-generaal van Bedrijfsleven en Innovatie;
    
    
      3°.
      de directeur-generaal van Energie, Telecom en Mededinging;
    
    
      4°.
      de directeur Algemene Economische Politiek;
    
    
      5°.
      de directeur Bedrijfsvoering;
    
    
      6°.
      de directeur Bureau Bestuursraad;
    
    
      7°.
      de directeur Communicatie;
    
    
      8°.
      de directeur Europese en Internationale Zaken;
    
    
      9°.
      de directeur Financieel-Economische Zaken;
    
    
      10°.
      de directeur Wetgeving en Juridische Zaken;
    
    
      11°.
      de Nationaal Coördinator Groningen;
    
    
      12°.
      de directeur van het Centraal Planbureau;
    
    
      13°.
      de algemeen directeur van de Dienst ICT Uitvoering;
    
    
      14°.
      de inspecteur-generaal der mijnen;
    
    
      15°.
      de inspecteur-generaal van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit;
    
    
      16°.
      de algemeen directeur Rijksdienst voor Ondernemend Nederland;
    
    
      17°.
      de directeur-hoofdinspecteur van het Agentschap Telecom;

1°. 1°. de directeur-generaal van Agro en Natuur; 2°. 2°. de directeur-generaal van Bedrijfsleven en Innovatie; 3°. 3°. de directeur-generaal van Energie, Telecom en Mededinging; 4°. 4°. de directeur Algemene Economische Politiek; 5°. 5°. de directeur Bedrijfsvoering; 6°. 6°. de directeur Bureau Bestuursraad; 7°. 7°. de directeur Communicatie; 8°. 8°. de directeur Europese en Internationale Zaken; 9°. 9°. de directeur Financieel-Economische Zaken; 10°. 10°. de directeur Wetgeving en Juridische Zaken; 11°. 11°. de Nationaal Coördinator Groningen; 12°. 12°. de directeur van het Centraal Planbureau; 13°. 13°. de algemeen directeur van de Dienst ICT Uitvoering; 14°. 14°. de inspecteur-generaal der mijnen; 15°. 15°. de inspecteur-generaal van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit; 16°. 16°. de algemeen directeur Rijksdienst voor Ondernemend Nederland; 17°. 17°. de directeur-hoofdinspecteur van het Agentschap Telecom; e. e.

    *de P&O-aangelegenheden:* de aangelegenheden op het gebied van personeel, organisatie en formatie en het daarmee samenhangende budget;

f. f.

    *BBRA:*
    Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984;

g. g.

    *het ARAR:* het Algemeen Rijksambtenarenreglement.

Artikel 2

De organisatie van het Ministerie van Economische Zaken wordt vastgesteld overeenkomstig de bij dit besluit behorende bijlage.

Artikel 3

Het in dit besluit ten aanzien van de minister bepaalde is van overeenkomstige toepassing voor de Staatssecretaris van Economische Zaken.

Artikel 4

1.

Mandaat, volmacht en machtiging in de zin van dit besluit heeft geen betrekking op:

a. a. bevoegdheden, privaatrechtelijke rechtshandelingen en andere handelingen dan een besluit of een privaatrechtelijke rechtshandeling met betrekking waartoe een wettelijk voorschrift zich tegen verlening van mandaat, volmacht of machtiging verzet; b. b. bevoegdheden, privaatrechtelijke rechtshandelingen en andere handelingen dan een besluit of een privaatrechtelijke rechtshandeling waarvan de aard zich tegen verlening van mandaat, volmacht of machtiging verzet.

2.

Aangelegenheden waarvan de aard zich tegen verlening van mandaat, volmacht of machtiging verzet zijn in ieder geval:

a. a. beslissingen omtrent politieke beleidswijzigingen en omtrent de uitbreiding of beperking van de bemoeienissen van de minister; b. b. het vaststellen van ministeriële regelingen en beleidsregels, met uitzondering van ministeriële regelingen als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel b, artikel 7, derde lid, en beleidsregels als bedoeld in artikel 7, vierde lid; c. c. delegatie van bevoegdheden; d. d. het beslissen op een bezwaarschrift tegen een besluit dat door de minister of namens de minister door de secretaris-generaal is genomen; e. e. aangelegenheden met betrekking tot de secretaris-generaal.

3.

Mandaat, volmacht en machtiging in de zin van dit besluit heeft voorts geen betrekking op het afdoen van stukken bestemd voor:

a. a. de Koning en het Kabinet van de Koning; b. b. de raad van ministers of de daaruit gevormde vaste colleges; c. c. een minister of een staatssecretaris; d. d. de voorzitter van de Eerste of de Tweede Kamer der Staten-Generaal of de voorzitter van een uit een van die kamers gevormde commissie; e. e. de Raad van State, behoudens voor zover het betreft bestuursrechtelijke procedures of het aanbieden van documenten van louter informatieve aard; f. f. de Algemene Rekenkamer behoudens voor zover het betreft gevraagde inlichtingen of gedane verzoeken of het aanbieden van documenten van louter informatieve aard; g. g. een adviescollege in de zin van de Kaderwet adviescolleges, met uitzondering van Actal; h. h. autoriteiten in binnen- of buitenland, in rang gelijk aan of hoger dan een minister of staatssecretaris.

Paragraaf 2. Mandaat, volmacht en machtiging

Artikel 5

1.

Aan de secretaris-generaal wordt mandaat, volmacht en machtiging verleend voor:

a. a. aangelegenheden op het gebied van de ambtelijke leiding van al hetgeen het ministerie betreft, zoals nader omschreven in de toelichting bij het koninklijk besluit van 18 oktober 1988, houdende regeling van de functie en verantwoordelijkheid van de secretaris-generaal (Stb. 1988, 499); b. b. het vaststellen van ministeriële regelingen als bedoeld in de artikel 31a van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, artikel 5.2 van de Wet dieren en het nemen van besluiten die noodzakelijk zijn ter uitvoering van Europese verordeningen op het gebied van het Europese Visserijbeleid; c. c. het vaststellen van circulaires, met uitzondering van circulaires die naar het oordeel van de secretaris-generaal door een hoofd van dienst of de plaatsvervangend secretaris-generaal moeten worden vastgesteld; d. d. het vaststellen van de werkterreinen van de hoofden van dienst; e. e. aangelegenheden op het werkterrein van de hoofden van dienst:

        1°.
        ten aanzien waarvan de secretaris-generaal in een incidenteel geval aan een hoofd van dienst mededeling heeft gedaan dat zij door hem zullen worden behandeld of
      
      
        2°.
        die door een hoofd van dienst aan de secretaris-generaal ter afhandeling worden voorgelegd, tenzij zij naar het oordeel van de secretaris-generaal door een ander hoofd van dienst of de plaatsvervangend secretaris-generaal moeten worden behandeld;

1°. 1°. ten aanzien waarvan de secretaris-generaal in een incidenteel geval aan een hoofd van dienst mededeling heeft gedaan dat zij door hem zullen worden behandeld of 2°. 2°. die door een hoofd van dienst aan de secretaris-generaal ter afhandeling worden voorgelegd, tenzij zij naar het oordeel van de secretaris-generaal door een ander hoofd van dienst of de plaatsvervangend secretaris-generaal moeten worden behandeld; f. f. aangelegenheden op het gebied van de Wet openbaarheid van bestuur, waaronder begrepen het nemen van beslissingen op bezwaarschriften, voor zover niet behorend tot het werkterrein van een hoofd van dienst; g. g. het uitoefenen van de bevoegdheden van de minister inzake benoeming, goedkeuring van benoemingen, schorsing, ontslag en vergoeding van ambtenaren en andere personen in organen van rechtspersonen en colleges, voor zover daarvoor geen mandaat, volmacht en machtiging is verleend aan een hoofd van dienst; h. h. aangelegenheden op het gebied van personeel, financiën, organisatie en bedrijfsvoering, voor zover niet vallend onder het werkterrein van een hoofd van dienst; i. i. aangelegenheden op het gebied van de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector (WNT), waaronder begrepen het nemen van beslissingen op bezwaarschriften; j. j. aangelegenheden op het gebied van de Wet hergebruik van overheidsinformatie, waaronder begrepen het nemen van beslissingen op bezwaarschriften, voor zover niet behorend tot het werkterrein van een hoofd van dienst; k. k. aangelegenheden op het gebied van de Wet bescherming persoonsgegevens, waaronder begrepen het nemen van beslissingen op bezwaarschriften, voor zover niet behorend tot het werkterrein van een hoofd van dienst of voor zover niet binnen een redelijke termijn te achterhalen is welk hoofd van dienst verantwoordelijke is.

2.

Tot de aangelegenheden, bedoeld in het eerste lid, onderdeel h, behoren in ieder geval:

a. a. het vaststellen van de organisatie en formatie van de diensten, bedoeld in artikel 1, onderdeel d, subonderdelen 1° tot en met 11°; b. b. het vaststellen van de apparaatskosten van de diensten; c. c. het vaststellen van interne circulaires; d. d. beslissingen op bezwaarschriften inzake personeelsaangelegenheden voor zover daarvoor geen mandaat, volmacht en machtiging is verleend aan de directeur Bedrijfsvoering; e. e. personeelsaangelegenheden met betrekking tot de hoofden van dienst; f. f. het nemen van besluiten en het verrichten van overige handelingen ten aanzien van medewerkers voor wie salarisschaal 15 of hoger van bijlage B van het BBRA geldt, respectievelijk kandidaten voor functies waarvoor die salarisschalen gelden, betreffende:

        1°.
        het aanstellen in vaste of tijdelijke dienst en het beëindigen van vaste of tijdelijke aanstellingen;
      
      
        2°.
        het bevorderen naar een hogere salarisschaal;
      
      
        3°.
        het verlenen van buitengewoon verlof ten behoeve van het vervullen van een functie bij een internationale volkenrechtelijke organisatie op grond van artikel 34 van het ARAR;
      
      
        4°.
        het opdragen van een andere functie op basis van artikel 57 van het ARAR;
      
      
        5°.
        het opdragen van tijdelijke andere werkzaamheden op basis van artikel 58 van het ARAR;
      
      
        6°.
        het toekennen van een terugkeergarantie, al dan niet op grond van sociaal flankerend beleid;
      
      
        7°.
        het toekennen van financiële tegemoetkomingen op grond van sociaal flankerend beleid;
      
      
        8°.
        het toekennen van schadeloosstellingen boven een bedrag van € 10.000 op grond van artikel 69 van het ARAR;
      
      
        9°.
        het opleggen van disciplinaire straffen op grond van artikel 81 van het ARAR;
      
      
        10°.
        het schorsen op grond van artikel 91 van het ARAR;
      
      
        11°.
        het verminderen van bezoldiging tijdens schorsing op basis van artikel 92 van het ARAR.

1°. 1°. het aanstellen in vaste of tijdelijke dienst en het beëindigen van vaste of tijdelijke aanstellingen; 2°. 2°. het bevorderen naar een hogere salarisschaal; 3°. 3°. het verlenen van buitengewoon verlof ten behoeve van het vervullen van een functie bij een internationale volkenrechtelijke organisatie op grond van artikel 34 van het ARAR; 4°. 4°. het opdragen van een andere functie op basis van artikel 57 van het ARAR; 5°. 5°. het opdragen van tijdelijke andere werkzaamheden op basis van artikel 58 van het ARAR; 6°. 6°. het toekennen van een terugkeergarantie, al dan niet op grond van sociaal flankerend beleid; 7°. 7°. het toekennen van financiële tegemoetkomingen op grond van sociaal flankerend beleid; 8°. 8°. het toekennen van schadeloosstellingen boven een bedrag van € 10.000 op grond van artikel 69 van het ARAR; 9°. 9°. het opleggen van disciplinaire straffen op grond van artikel 81 van het ARAR; 10°. 10°. het schorsen op grond van artikel 91 van het ARAR; 11°. 11°. het verminderen van bezoldiging tijdens schorsing op basis van artikel 92 van het ARAR.

Artikel 6

Aan de plaatsvervangend secretaris-generaal wordt mandaat, volmacht en machtiging verleend voor:

a. a. het sturing geven aan de organisatie en bedrijfsvoeringsaspecten van het Ministerie van Economische Zaken waaronder het vaststellen van de begroting op de apparaatskosten en personeelsbudgetten; b. b. het beslissen over gemeenschappelijke en generieke ICT-vraagstukken van het ministerie; c. c. het sturing geven aan en bewaken van de uitvoering van departementale taakstellingen; d. d. het begeleiden van transitie- en organisatietrajecten die voortvloeien uit wijzigingen binnen de organisatie; e. e. het vervangen van de secretaris-generaal in overleggen met de medezeggenschap en centrales van verenigingen van ambtenaren; f. f. het optreden als Chief Information Officer (CIO) van het Ministerie van Economische Zaken door onder meer het voorzitten van de EZ CIO-raad en het binnen het ministerie beheren van het portfolio op het gebied van informatievoorziening en sturen op de naleving van (inter)departementale kaders; g. g. het voorzitten van het Bedrijfsvoeringoverleg van het Ministerie van Economische Zaken; h. h. het invulling geven aan de eigenaarsrol van de Minister van Economische Zaken richting alle agentschappen, met uitzondering van de toezichtstaken van de rijksinspecties; i. i. het invulling geven aan de bedrijfsmatige relatie met de aan de Minister van Economische Zaken gelieerde organisaties met publieke taken; j. j. sturing geven aan inbreng in projecten die voortvloeien uit het overleg tussen secretarissen-generaal; k. k. het vertegenwoordigen van het ministerie in interdepartementale gremia, waaronder de Interdepartementale Commissie Bedrijfsvoering Rijksdienst en de Interdepartementale Commissie Chief Information Officers; l. l. het vorderen van opgaven en inlichtingen op grond van artikel 5.3 van de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector (WNT), het handhaven, bedoeld in de artikelen 5.4, 5.5. en 5.6 van de WNT, ten aanzien van de in artikel 1 van die wet bedoelde rechtspersonen, instellingen en topfunctionarissen en de invordering van verbeurde dwangsommen en van gemaakte kosten voor bestuursdwang als bedoeld in artikel 5:25 van de Algemene wet bestuursrecht, voor zover deze verband houden met de voorgaande bevoegdheid; m. m. aangelegenheden op het gebied van de Wet openbaarheid van bestuur, voor zover niet behorend tot het werkterrein van een hoofd van dienst; n. n. aangelegenheden op het gebied van de Wet hergebruik van overheidsinformatie, voor zover niet behorend tot het werkterrein van een hoofd van dienst; o. o. aangelegenheden op het gebied van de Wet bescherming persoonsgegevens, voor zover niet behorend tot het werkterrein van een hoofd van dienst of voor zover niet binnen een redelijke termijn te achterhalen is welk hoofd van dienst verantwoordelijke is.

Artikel 7

1. Aan de hoofden van dienst wordt, ieder voor zich, mandaat, volmacht en machtiging verleend voor aangelegenheden op zijn werkterrein, als bedoeld in de bijlage van dit besluit, waaronder begrepen de P&O-aangelegenheden van zijn dienst, met uitzondering van aangelegenheden waarvoor mandaat, volmacht en machtiging is verleend aan de secretaris-generaal, de plaatsvervangend secretaris-generaal of aan een ander hoofd van dienst.

2. Aan de hoofden van dienst wordt voorts, ieder voor zijn werkterrein, mandaat en machtiging verleend voor aangelegenheden inzake de benoeming, ontslag en vergoeding van leden van adviescommissies ter zake van subsidieverlening.

3. Aan de directeuren-generaal wordt tevens, ieder voor zich, mandaat en machtiging verleend voor het vaststellen van ministeriële regelingen als bedoeld in de artikel 31a van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, artikel 5.2 van de Wet dieren en het nemen van besluiten die noodzakelijk zijn ter uitvoering van Europese verordeningen op het gebied van het Europese Visserijbeleid.

4. Aan de hoofden van dienst als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, subonderdelen 14°, 15° en 17°, wordt, ieder voor zich, op zijn werkterrein, mandaat en machtiging verleend voor het vaststellen van beleidsregels.

Artikel 8

Aan de directeur-generaal van Agro en Natuur wordt mandaat en machtiging verleend inzake de benoeming, schorsing, ontslag en vergoeding van de leden en de secretaris van het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden.

Artikel 9

Aan de directeur-generaal van Bedrijfsleven en Innovatie wordt mandaat en machtiging verleend inzake:

a. a. benoeming, ontslag en vergoeding van de leden van de Gemeenschappelijke Raadgevende Commissie; b. b. benoeming, ontslag en vergoeding van de leden van de Adviesraad programmaonderzoek MKB en ondernemerschap; c. c. benoeming, schorsing en ontslag van de voorzitter van het Strategisch Beraad en van de voorzitter van het Tactisch Beraad alsmede benoeming en ontslag van de afgevaardigden van de deelnemers, dienstverleners en de gebruikers van het Strategisch Beraad; d. d. benoeming, ontslag en vergoeding van de leden van topteams als genoemd in het Instellingsbesluit topteams in de implementatiefase topsectorenbeleid.

Artikel 10

Aan de directeur-generaal van Energie, Telecom en Mededinging wordt mandaat, volmacht en machtiging verleend voor het nemen van besluiten en verrichten van overige handelingen die verband houden met:

a. a. de Mijnbouwwet, het Mijnbouwbesluit en de Mijnbouwregeling, met uitzondering van het nemen van besluiten en het verrichten van overige handelingen waarvoor in artikel 14, onderdelen a tot en met c, mandaat, volmacht en machtiging wordt verleend aan de inspecteur-generaal der mijnen; b. b. benoeming, schorsing, ontslag en vergoeding van de leden van de Mijnraad; c. c. benoeming, schorsing, ontslag en vergoeding van de leden van de Technische commissie bodembeweging; d. d. benoeming en ontslag van de leden van de Raad van Toezicht van de Stichting Energieonderzoek Centrum Nederland; e. e. benoeming en ontslag van de bestuursleden van de stichting Centraal Orgaan Voorraadvorming Aardolieprodukten.

Artikel 11

Aan de directeur Bedrijfsvoering wordt mandaat, volmacht en machtiging verleend voor het nemen van besluiten en het verrichten van overige handelingen ten aanzien van medewerkers voor wie salarisschaal 1 tot en met 14 van bijlage B van het BBRA geldt, betreffende:

a. a. beslissingen op bezwaarschriften inzake personeelsaangelegenheden met uitzondering van de beslissingen op bezwaarschriften tegen besluiten die in mandaat zijn genomen door hem of door hem aangewezen ambtenaren; b. b. het verlenen van buitengewoon verlof ten behoeve van het vervullen van een functie bij een internationale volkenrechtelijke organisatie op grond van artikel 34 van het ARAR; c. c. het toekennen van een terugkeergarantie op grond van sociaal flankerend beleid; d. d. het toekennen van financiële tegemoetkomingen op grond van sociaal flankerend beleid; e. e. het toekennen van schadeloosstellingen boven een bedrag van € 10.000 op grond van artikel 69 van het ARAR; f. f. het opleggen van disciplinaire straffen op grond van artikel 81 van het ARAR; g. g. het verminderen van bezoldiging tijdens schorsing op basis van artikel 92 van het ARAR; h. h. het verlenen van ontslag op grond van artikel 99 van het ARAR en het verlenen van ontslag in combinatie met een financiële regeling.

Artikel 11a

Aan de Nationaal Coördinator Groningen wordt mandaat en machtiging verleend inzake:

a. a. benoeming, schorsing, ontslag en vergoeding van de leden van de Raad van Arbiters Bodembeweging; b. b. benoeming, schorsing, ontslag en vergoeding van de leden van de Commissie bijzondere situaties.

Artikel 12

1.

Aan de directeur Wetgeving en Juridische Zaken wordt mandaat, volmacht en machtiging verleend voor het behandelen van verzoeken van de Nationale ombudsman en bezwaar- en beroepschriften, waaronder begrepen het nemen van beslissingen op bezwaarschriften en het instellen van (hoger) beroep, met uitzondering van:

a. a. bezwaar- en beroepschriften inzake personeelsaangelegenheden; b. b. bezwaar- en beroepschriften tegen besluiten die in mandaat zijn genomen of behandeld door een functionaris of door die functionaris aangewezen medewerkers die mandaat, volmacht en machtiging heeft verkregen voor het behandelen van bezwaar- en beroepschriften tegen die besluiten.

2. Aan de directeur Wetgeving en Juridische Zaken wordt voorts volmacht en machtiging verleend voor het aangaan van verplichtingen inzake het verlenen van opdrachten aan externe juridische dienstverleners, met uitzondering van verplichtingen op het werkterrein van de hoofden van dienst, genoemd in artikel 1, onderdeel d, subonderdelen 15°, 16° en 17°.

Artikel 13

1. Aan de algemeen directeur Rijksdienst voor Ondernemend Nederland en aan de directeur-hoofdinspecteur van het Agentschap Telecom wordt, ieder voor zich, mandaat, volmacht en machtiging verleend voor het behandelen van niet op personeelsaangelegenheden betrekking hebbende bezwaar- en beroepschriften, waaronder begrepen het nemen van beslissingen op bezwaarschriften en het instellen van (hoger) beroep, tegen besluiten die in mandaat zijn genomen of behandeld door hem of door onder hem ressorterende medewerkers.

2. Aan de algemeen directeur Rijksdienst voor Ondernemend Nederland wordt tevens mandaat, volmacht en machtiging verleend voor het behandelen van bezwaar- en beroepschriften, waaronder begrepen het nemen van beslissingen op bezwaarschriften en het instellen van (hoger) beroep tegen besluiten op het terrein van landbouw, natuur en voedselkwaliteit. Dit mandaat, volmacht en machtiging voor het behandelen van bezwaar en beroepszaken tegen besluiten op Wob-verzoeken is beperkt tot besluiten die zijn genomen of behandeld door een hoofd van dienst of door hem aangewezen medewerkers als genoemd in artikel 1, onderdeel d, subonderdelen 13°, 15° en 16°.

Artikel 14

Aan de inspecteur-generaal der mijnen wordt mandaat, volmacht en machtiging verleend voor het nemen van besluiten en het verrichten van overige handelingen die verband houden met:

a. a. de artikelen 50, en 51, derde lid, van de Mijnbouwwet; b. b. de artikelen 22, 30, 35, derde lid, 51, vijfde lid, 85, 88, tweede lid, 90, 91, 97, 99, derde en vierde lid, 101, 111, tweede lid, 112, tweede lid, en 113, tweede lid, van het Mijnbouwbesluit; c. c. de Mijnbouwregeling, met uitzondering van de vergunningen bedoeld in paragraaf 1.3 en paragraaf 1.4; d. d. de artikelen 5.2, 5.14, 5.15, 5.16, 5.17, 5.18, 5.21, 5.22 en 5.23 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; e. e.

    artikel 119 van het Besluit Stralingsbescherming;

f. f. de artikelen 8.3, derde lid en 8.4, tweede lid, van het Bouwbesluit 2012; g. g. de artikelen 27 en 28 van de Wet windenergie op zee; h. h. de artikelen 17.3, eerste en tweede lid, 17.4, 17.10, eerste en tweede lid, 17.12, vierde, vijfde en zesde lid, 18.2, 18.2b, tweede lid, en 18.2g van de Wet Milieubeheer met betrekking tot een inrichting of een mijnbouwwerk als bedoeld in artikel 3.3, vierde lid, onderdeel a, respectievelijk onderdeel b, van het Besluit omgevingsrecht.

Paragraaf 3. Instructies

Artikel 15

Mandaat en volmacht worden uitgeoefend met inachtneming van:

a. a. ter zake geldende algemeen verbindende voorschriften, beleidsregels, de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, Aanwijzingen voor de rijksdienst en andere van toepassing zijnde regelingen, circulaires en instructies; b. b. de in de beschrijving van de administratieve organisatie voorgeschreven medeparaafprocedures alsmede andere afspraken omtrent afstemming en coördinatie; c. c.

    artikel 2, tweede lid, van het Besluit Taak FEZ.

Artikel 16

Het krachtens mandaat, volmacht of machtiging ondertekenen van stukken geschiedt als volgt:

De Minister van Economische Zaken,

namens deze:

(handtekening)

(naam functionaris)

(functie)

Paragraaf 4. Ondermandaat

Artikel 17

1. De secretaris-generaal kan aan een hoofd van dienst binnen diens werkterrein ondermandaat en machtiging verlenen voor benoeming en ontslag van ambtenaren en andere personen in organen van rechtspersonen en colleges.

2. De secretaris-generaal kan aan een hoofd van dienst ondermandaat, volmacht en machtiging verlenen voor P&O-aangelegenheden van zijn dienst, waarvoor de secretaris-generaal of de directeur Bedrijfsvoering krachtens dit besluit mandaat, volmacht en machtiging heeft verkregen.

3. De secretaris-generaal kan voorts aan de plaatsvervangend secretaris-generaal ondermandaat, volmacht en machtiging verlenen voor de aangelegenheden op zijn werkterrein, waaronder voor P&O-aangelegenheden.

Artikel 18

1. De hoofden van dienst kunnen, ieder voor zijn werkterrein, voor aangelegenheden als bedoeld in de artikelen 7, eerste lid, en 8 tot en met 14, ondermandaat, volmacht en machtiging verlenen aan hun plaatsvervangers, en wat het werkterrein van ondergeschikte organisatieonderdelen of functionarissen betreft, aan de hoofden van die onderdelen of aan die functionarissen en aan hun plaatsvervangers.

2.

Voor P&O-aangelegenheden geldt, in afwijking van het eerste lid, dat geen ondermandaat, volmacht en machtiging mag worden verleend voor de volgende aangelegenheden:

a. a. het aanstellen in vaste of tijdelijke dienst of het beëindigen van vaste of tijdelijke aanstellingen; b. b. het verlenen van buitengewoon verlof op grond van artikel 34 van het ARAR; c. c. het opdragen van een andere functie op grond van artikel 57 van het ARAR; d. d. het opdragen van tijdelijke andere werkzaamheden op grond van artikel 58 van het ARAR; e. e. het bevorderen naar een hogere salarisschaal; f. f. het toekennen van beloningen; g. g. het toekennen van schadeloosstellingen op grond van artikel 69 van het ARAR; h. h. het verlenen van ontslag op grond van de artikelen 49l en 96 van het ARAR; i. i. het schorsen op grond van artikel 91 van het ARAR; j. j. het toekennen van een terugkeergarantie; k. k. het afnemen van de eed en belofte.

3. De secretaris-generaal kan aan hoofden van dienst schriftelijk toestemming geven voor het, in afwijking van het tweede lid, verlenen van ondermandaat, volmacht en machtiging.

Artikel 19

1. Het verlenen van ondermandaat en volmacht alsmede wijziging daarvan, geschiedt schriftelijk en wat de formulering betreft in overeenstemming met de directeur Wetgeving en Juridische Zaken.

2. Een afschrift van besluiten inzake ondermandaat, volmacht en machtiging als bedoeld in de artikelen 17 en 18 wordt gezonden aan de secretaris-generaal, de plaatsvervangend secretaris-generaal, de directeur Wetgeving en Juridische Zaken, de directeur Financieel-Economische Zaken, de directeur Bedrijfsvoering, de Auditdienst Rijk en de Algemene Rekenkamer.

Paragraaf 5. Vervanging

Artikel 20

1. De uit dit besluit voor de secretaris-generaal voortvloeiende bevoegdheden gaan in geval van afwezigheid over op de plaatsvervangend secretaris-generaal. Bij afwezigheid van zowel de secretaris-generaal als de plaatsvervangend secretaris-generaal gaan de uit dit besluit voortvloeiende bevoegdheden over op een door de secretaris-generaal aangewezen directeur-generaal.

2. De uit dit besluit voor de hoofden van dienst voortvloeiende bevoegdheden gaan in geval van afwezigheid over op hun plaatsvervanger, met uitzondering van de bevoegdheid tot het verlenen van ondermandaat, volmacht en machtiging.

Paragraaf 6. Ondertekening bij afwezigheid minister

Artikel 21

1. Indien afwezigheid of ontstentenis van de minister eraan in de weg staat dat een door de minister genomen besluit door hem wordt ondertekend, kan, tenzij een wettelijk voorschrift of de aard van de bevoegdheid zich ertegen verzet, een besluit namens de minister worden ondertekend door de secretaris-generaal.

2.

In het geval bedoeld in het eerste lid geschiedt het ondertekenen als volgt:

De Minister van Economische Zaken,

namens deze,

overeenkomstig het door de minister genomen besluit:

(handtekening)

(naam)

secretaris-generaal

Paragraaf 7. Slotbepalingen

Artikel 22

Het Besluit mandaat, volmacht en machtiging EZ 2012 en het Besluit mandaat, volmacht en machtiging directeur-hoofdinspecteur van het Agentschap Telecom betreffende de Wet telecommunicatievoorzieningen BES worden ingetrokken.

Artikel 23

Een afschrift van dit besluit wordt gezonden aan de secretaris-generaal, de plaatsvervangend secretaris-generaal, de hoofden van dienst en de Algemene Rekenkamer.

Artikel 24

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2015.

Artikel 25

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit mandaat, volmacht en machtiging EZ 2015.

Bijlage . : Organisatie van het Ministerie van Economische Zaken