40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt. |
||
|---|---|---|
| .. | ||
| README.md | ||
| titel | bwb_id | type | status | datum_inwerkingtreding | bron | citeertitel |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Besluit Voorschrift Informatiebeveiliging Rijksdienst Bijzondere Informatie 2013 (VIRBI 2013) | BWBR0033507 | ministeriele-regeling | geldend | 2013-06-01 | https://wetten.overheid.nl/BWBR0033507 | Besluit Voorschrift Informatiebeveiliging Rijksdienst Bijzondere Informatie 2013 (VIRBI 2013) |
Besluit Voorschrift Informatiebeveiliging Rijksdienst Bijzondere Informatie 2013 (VIRBI 2013)
Artikel 1
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. a.
*Bijzondere informatie:* informatie waar kennisname door niet geautoriseerden nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen van de Staat, van zijn bondgenoten of van één of meer ministeries;
b. b.
*Compromittering:* kennisname dan wel mogelijkheid tot kennisname van bijzondere informatie door niet geautoriseerden;
c. c.
*Rubriceren:* bepalen van het rubriceringsniveau en -duur van de bijzondere informatie op basis van de te verwachten nadelige gevolgen voor de belangen van de Staat, van zijn bondgenoten of van één of meer ministeries als (een deel van) deze informatie bekend wordt bij niet geautoriseerden;
d. d.
*Rubriceringsniveau:* aanduiding van de verwachte nadelige gevolgen aan de belangen van de Staat, van zijn bondgenoten of van één of meer ministeries als (een deel van) de informatie bekend wordt bij niet geautoriseerden;
e. e.
*Rubriceringsambtenaar:* ambtenaar bevoegd tot het vaststellen van rubriceringen, hiertoe aangewezen door de secretaris-generaal;
f. f.
*Vaststeller van de rubricering:* minister, staatssecretaris, secretaris-generaal of een door de secretaris-generaal aangewezen rubriceringsambtenaar;
g. g.
*Rijksdienst:* alle organisatieonderdelen waarvoor de ministeriële verantwoordelijkheid onverkort geldt.
h. h.
*Zorgdrager:* degene die bij of krachtens de wet belast is met de zorg voor de archiefbescheiden.
Artikel 2
1. Dit voorschrift met de bijbehorende toelichting en bijlage 1 geldt voor de Rijksdienst, waartoe gerekend worden de ministeries met de daaronder ressorterende diensten, bedrijven en instellingen.
2. Op de beveiliging van bijzondere informatie zijn de bepalingen van dit voorschrift als aanvulling op het Besluit voorschrift informatiebeveiliging rijksdienst 2007 (VIR 2007) en het Beveiligingsvoorschrift Rijk 2013 (BVR 2013) van toepassing.
3. Bijzondere informatie die krachtens een internationaal verdrag of overeenkomst is verkregen, behoudt de toegekende rubricering en wordt beveiligd volgens het overeenkomstige nationale beveiligingsniveau. Voor zover voor de beveiliging van dergelijke informatie als gevolg van het verdrag of de overeenkomst afwijkende of verdergaande beveiligingsbepalingen bestaan worden deze bepalingen toegepast.
Artikel 3
Het beveiligingsbeleid dat door de secretaris-generaal wordt vastgesteld omvat ten minste de ministeriële uitgangspunten voor de beveiliging van, de toegang tot, het omgaan met en verwerken van bijzondere informatie zoals bedoeld in dit voorschrift en de wijze waarop:
a. a. het ministerie informatie rubriceert; b. b. de secretaris-generaal vooraf toestemming verleent voor het verwerken van bijzondere informatie; c. c. het ministerie toezicht uitoefent op de beveiliging van bijzondere informatie.
Artikel 4
1. Informatie waarvan de geheimhouding vanwege het belang van de Staat, zijn bondgenoten of van één of meer ministeries is geboden, moet worden voorzien van een passend niveau van rubricering.
2.
Bijzondere informatie wordt als volgt gerubriceerd:
a. a. Staatsgeheim ZEER GEHEIM (afgekort Stg.ZG) Indien kennisname door niet geautoriseerden zeer ernstige schade kan toebrengen aan een van de vitale belangen van de Staat of zijn bondgenoten b. b. Staatsgeheim GEHEIM (afgekort Stg.G) Indien kennisname door niet geautoriseerden ernstige schade kan toebrengen aan een van de vitale belangen van de Staat of zijn bondgenoten c. c. Staatsgeheim CONFIDENTIEEL (afgekort Stg.C) Indien kennisname door niet geautoriseerden schade kan toebrengen aan een van de vitale belangen van de Staat of zijn bondgenoten d. d. Departementaal VERTROUWELIJK (afgekort Dep.V.). Indien kennisname door niet geautoriseerden schade kan toebrengen aan de belangen van één of meerdere ministeries.
3. De opsteller van de informatie doet een voorstel tot rubricering en brengt deze aan op de informatie. De vaststeller van de inhoud van de informatie stelt tevens de rubricering vast.
Artikel 5
1. Rubriceringen worden verbonden aan een maximum tijdsverloop of aan een bepaalde gebeurtenis. Na die periode of na die gebeurtenis weegt de vaststeller voor bijzondere informatie af of herziening, dan wel beëindiging van de rubricering, aan de orde is.
2.
Van het eerste lid van deze bepaling kan worden afgeweken in die gevallen waarin de rubricering betrekking heeft op:
a. a. Bijzondere informatie die krachtens een internationaal verdrag of overeenkomst is verkregen; b. b. Staatsgeheimen die door de wet als zodanig zijn aangewezen.
3. Uitsluitend de vaststeller van de rubricering is bevoegd de rubricering te herzien of te beëindigen.
4. Bij overbrenging van bijzondere informatie naar een rijksarchiefbewaarplaats als bedoeld in de Archiefwet 1995 vervalt de rubricering, tenzij de zorgdrager, na advies van de algemene rijksarchivaris, bepaalt dat deze gehandhaafd dan wel herzien moet worden.
Artikel 6
1.
Bijzondere informatie wordt zodanig beveiligd dat:
a. a. alleen personen die daartoe zijn geautoriseerd deze kunnen behandelen of inzien voor zover dit noodzakelijk is voor een goede uitoefening van hun taak en b. b. dat inbreuken op de beveiliging worden gedetecteerd en gedegen onderzoek naar (mogelijke) inbreuken mogelijk is.
2. De beveiliging is ingericht op basis van risicomanagement.
3. Bijzondere informatie die krachtens een internationaal verdrag of een internationale overeenkomst is verkregen wordt uitsluitend verwerkt nadat de autoriteit, die krachtens het betreffende verdrag verantwoordelijk is voor de beveiligingsregels ter bescherming van bijzondere informatie, haar goedkeuring aan de beveiliging heeft gegeven.
Artikel 7
1. Bij het buiten de rijksdienst brengen van bijzondere informatie, anders dan op grond van een wettelijke verplichting tot openbaarmaking, blijven de eisen aan de beveiliging en het toezicht daarop onverkort van kracht.
2. Bijzondere informatie die krachtens een internationaal verdrag of een internationale overeenkomst is verkregen wordt uitsluitend na voorafgaande toestemming van het land of de internationale organisatie van herkomst doorgegeven aan externe partijen.
Artikel 8
1. Elke ambtenaar is verplicht de Beveiligingsambtenaar (BVA) onmiddellijk mededeling te doen van een inbreuk op de beveiliging die redelijkerwijs kan leiden, dan wel vermoedelijk of vaststaand heeft geleid, tot compromittering van bijzondere informatie.
2. De BVA laat, nadat hij op de hoogte is gebracht van een inbreuk op de beveiliging, onmiddellijk (nood)maatregelen treffen om verdere inbreuk te voorkomen.
3. De BVA onderzoekt of compromittering van bijzondere informatie heeft plaatsgevonden; indien dit het geval is doet hij hiervan mededeling aan de secretaris-generaal en adviseert over de noodzaak tot het instellen van een commissie van onderzoek.
4. Indien de compromittering betrekking heeft op bijzondere informatie die is verkregen van een ander ministerie of krachtens internationaal verdrag of overeenkomst, doet de BVA bovendien mededeling aan dat betreffende ministerie of de krachtens het verdrag of de overeenkomst voor de beveiliging van die bijzondere informatie verantwoordelijke instantie.
Artikel 9
1. Een commissie van onderzoek wordt ingesteld door de secretaris-generaal.
2.
De commissie stelt een onderzoek in naar:
a. a. de wijze waarop de compromittering heeft plaatsgevonden; b. b. de aard en de omvang van de schade aan de belangen van de Staat of zijn bondgenoten; c. c. de te nemen maatregelen om de schade te beperken en herhaling te voorkomen.
3. De commissie voert, indien de gecompromitteerde bijzondere informatie (mede) afkomstig is van een ander ministerie, haar onderzoek uit in overleg met de BVA van dat ministerie. In het geval dat de gecompromitteerde bijzondere informatie krachtens een internationaal verdrag of overeenkomst is verkregen voert de commissie haar onderzoek uit in samenwerking met de instantie die krachtens het verdrag of de overeenkomst verantwoordelijk is voor de beveiliging ervan.
4. De secretaris-generaal of een door hem aangewezen ambtenaar treft, op basis van de bevindingen van de commissie van onderzoek, maatregelen om de schade die de compromittering heeft toegebracht aan de veiligheid of andere gewichtige belangen van de Staat of zijn bondgenoten te beperken en herhaling van de compromittering te voorkomen.
5. Indien het de compromittering van een staatsgeheim betreft stelt de secretaris-generaal het hoofd van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst in kennis van de uitkomsten van het onderzoek. Bij het ministerie van Defensie wordt de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst op de hoogte gesteld van de uitkomsten van het onderzoek.
Artikel 10
1. Het Besluit voorschrift informatiebeveiliging rijksdienst – bijzondere informatie van 24 februari 2004 wordt ingetrokken.
2. Rubriceringen die zijn vastgesteld vóór inwerkingtreding van dit voorschrift worden uiterlijk tien jaar na vaststelling door de vaststeller onderzocht op de mogelijkheid om de rubricering te herzien of te beëindigen.
3. Dit besluit en de daarbij behorende bijlagen treden in werking met ingang van 1 juni 2013.
4. Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit Voorschrift Informatiebeveiliging Rijksdienst Bijzondere Informatie 2013 (VIRBI 2013).
5. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst. Van de ter inzage legging van de bij dit besluit behorende bijlagen zal mededeling worden gedaan in de Staatscourant.
Bijlage 1. Uitgangspunten en minimum niveau beveiliging
Deze bijlage beschrijft de uitgangspunten en het minimum beveiligingsniveau voor de beveiliging van bijzondere informatie. Bij de inrichting van een adequaat stelsel van beveiligingsmaatregelen voor de beveiliging van bijzondere informatie moet binnen het in de artikelen beschreven principe van risicomanagement worden uitgegaan van de volgende inrichtingsprincipes:
Deze inrichtingprincipes moeten stringenter worden toegepast naarmate het niveau van de rubricering toeneemt.
Voor de volgende onderwerpen, die grotendeels afkomstig zijn uit de Code voor Informatiebeveiliging, zijn specifiek op bijzondere informatie toegesneden doelstellingen en eisen geformuleerd waaraan dient te worden voldaan. Waar aan de orde zijn daarbij ook maatregelen benoemd die ten minste deel uit moeten maken van de totale set van maatregelen om de vertrouwelijkheid van bijzondere informatie te waarborgen.
Hiermee is voor alle betrokkenen inzichtelijk gemaakt wat minimaal wordt verlangd op het gebied van beveiliging voor de verschillende rubriceringen op grond van dit voorschrift. Tevens is op efficiënte wijze de toepassing van een uniforme set van minimale maatregelen gedefinieerd waardoor waarborgen zijn gecreëerd voor een consistente beveiliging van bijzondere informatie.