rijk/ministeriele-regeling/bordenregeling/BWBR0012994
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00
..
README.md feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown 2026-03-30 06:27:40 +02:00

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Bordenregeling BWBR0012994 ministeriele-regeling geldend 2001-11-28 https://wetten.overheid.nl/BWBR0012994 Bordenregeling

Bordenregeling

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1

Deze regeling is van toepassing op borden op landingsterreinen en platformen van luchtvaartterreinen.

Artikel 2

1.

In deze regeling verstaan onder:

a. a. baanwachtpositie: een gemarkeerde positie waar voertuigen en taxiënde luchtvaartuigen verplicht zijn te stoppen met als doel een baan, een hindernisbeperkend vlak of een ILS/MLS kritisch dan wel gevoelig gebied te beschermen; b. b. hindernisbeperkend vlak: een gedefinieerd vlak dat is gerelateerd aan een baan met als doel de hindernissituatie te beheersten en een veilige vluchtuitvoering van en naar die baan te waarborgen; c. c. kruispunt: een kruising van banen of rijbanen dan wel splitsing van een rijbaan; d. d. luchtvaartterreincode: een indelingssysteem voor luchtvaartterreinen of delen daarvan dat is gebaseerd op de referentie baanlengte en de afmetingen van luchtvaartuigen (aerodrome reference code); e. e. niet-instrumentbaan: een baan die is bedoeld voor operaties van een luchtvaartuig waarbij gebruik wordt gemaakt van visuele naderingsprocedures; f. f. referentie baanlengte: de minimum baanlengte, zoals voorgeschreven door de certificerende autoriteit, die nodig is voor de start van een luchtvaartuig onder de volgende omstandigheden:

        maximum gecertificeerde startmassa,
      
    
    
      
        baan op zeeniveau en zonder helling,
      
      
        standaard atmosferische condities,
      
      
        windstilte. (aeroplane reference field length);
  • maximum gecertificeerde startmassa,
  • baan op zeeniveau en zonder helling,
  • standaard atmosferische condities,
  • windstilte. (aeroplane reference field length); g. g. rijbaankruispunt: een knooppunt van twee of meer rijbanen; h. h. tussenliggende wachtpositie: een gemarkeerde positie niet zijnde een baanwachtpositie waar voertuigen en taxiënde luchtvaartuigen verplicht zijn te stoppen (intermediate holding position); i. i. wachtpositie voor het wegverkeer: een gemarkeerde positie waar voertuigen verplicht zijn te stoppen (road-holding position); j. j. zichtbare baanlengte: het voor de gezagvoerder van een luchtvaartuig dat zich op de baanhartlijn bevindt zichtbare gedeelte van de markeringen of lichten van de baanrand of baanhartlijn (RVR).

Artikel 3

1. Voor een ordelijke en veilige verkeerscirculatie worden borden geplaatst.

2. Borden worden onderscheiden in gebodsborden en informatieborden.

3. Borden kunnen vaste of variabele opschriften hebben.

Artikel 4

1. De borden zijn van een zodanige constructie dat zij bij een botsing breken, vervormen of meebuigen opdat zo min mogelijk schade aan het luchtvaartuig wordt toegebracht.

2. De borden die bij een baan of rijbaan worden geplaatst hebben een zodanige hoogte dat er voldoende ruimte tussen bord en propellers en motorgondels van straalvliegtuigen overblijft. De afstand tussen maaiveld en de bovenkant van het bord overschrijdt de maximale hoogte als aangegeven in kolom 4 van tabel I in bijlage A niet.

3. Vorm en afmetingen van de borden alsmede de opschriften voldoen aan de eisen zoals gesteld in bijlage B.

Artikel 5

1. De kleuren voldoen aan de normen, zoals opgenomen in de appendix van bijlage 14 bij het Verdrag inzake de Internationale Burgerluchtvaart (ICAO Annex 14).

2. De kleur rood wordt uitsluitend gebruikt voor gebodsborden.

3. De achterzijde van de borden is in de kleur geel uitgevoerd.

Artikel 6

1. Een rijbaan wordt aangeduid door één of meer letters al dan niet gevolgd door een nummer.

2. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid is het gebruik van de letters I, O en X alsmede de woorden "inner" en "outer" niet toegestaan.

Artikel 7

1. Indien een luchtvaartterrein wordt gebruikt bij een zichtbare baanlengte van minder dan 800 meter zijn de borden zodanig verlicht dat wordt voldaan aan de luminantie eisen zoals gesteld in bijlage C.

2. Bij niet-instrumentbanen met codecijfer 3 of 4 of bij instrumentbanen zijn de borden zodanig verlicht dat wordt voldaan aan de luminantie eisen zoals gesteld in bijlage C, indien het luchtvaartterrein buiten de uniforme daglichtperiode wordt gebruikt.

3. Bij niet-instrumentbanen met codecijfer 1 of 2 zijn de borden retro-reflecterend uitgevoerd of verlicht conform de luminantie eisen zoals gesteld in bijlage C, indien het luchtvaartterrein buiten de uniforme daglichtperiode wordt gebruikt.

Artikel 8

Gebodsborden zijn steeds verlicht wanneer de baanlichten van de bijbehorende baan zijn ingeschakeld.

Artikel 9

1.

Borden met variabele opschriften worden geplaatst indien:

a. a. de afgebeelde instructie of informatie slechts gedurende een bepaalde periode van toepassing is; of b. b. er een operationele noodzaak bestaat om op voorhand bepaalde variabele informatie te kunnen

2. Indien borden met een variabel opschrift niet in gebruik zijn vertonen zij geen opschrift. Bij storingen vertonen de borden geen informatie die tot onveilige acties van voertuigbestuurders of gezagvoerders kan leiden.

3. Het tijdsinterval om over te schakelen naar een ander opschrift is maximaal vijf seconden.

Hoofdstuk II. Gebodsborden

Artikel 10

1.

Gebodsborden worden als volgt ingedeeld:

a. a. baanaanduidingsborden; b. b. categorie I, II en III wachtpositieborden; c. c. baanwachtpositieborden; d. d. geslotenverklaringsborden; en e. e. wachtpositieborden voor het wegverkeer.

2. Gebodsborden met uitzondering van geslotenverklaringsborden worden geplaatst op locaties waar taxiënde vliegtuigen en voertuigen verplicht zijn te stoppen.

3. Indien het op een locatie als bedoeld in het tweede lid door plaatselijke omstandigheden niet mogelijk is een gebodsbord te plaatsen wordt een gebodsmarkering als bedoeld in artikel 25 op de rijbaanverharding aangebracht.

4. Gebodsborden hebben een wit opschrift op een rode achtergrond.

5. Het opschrift is steeds zichtbaar voor voertuigbestuurders of gezagvoerders van luchtvaartuigen die zich in de richting bewegen van de delen van het landingsterrein waarop het betreffende bord betrekking heeft.

6. De afstand tussen gebodsborden en de verharding is in overeenstemming met kolom 5 of 6 van tabel 1 in bijlage A.

Artikel 11

1. Bij een aansluiting van een baan of rijbaan op een precisielandingsbaan wordt een baanaanduidingsbord geplaatst aan beide zijden van de baanwachtpositiemarkering type "A" in overeenstemming met figuur 1a en tabel 2 in bijlage A.

2. Bij een aansluiting van een baan of rijbaan op een startbaan, niet-instrumentbaan of niet-precisielandingsbaan wordt een baanaanduidingsbord geplaatst aan de linker zijde van de baanwachtpositiemarkering type "A" in overeenstemming met figuur 1b en tabel 2 in bijlage A.

3. Bij een aansluiting van een rijbaan op een baan wordt naast een baanaanduidingsbord een locatiebord als bedoeld in artikel 23 geplaatst.

4. Het opschrift op een baanaanduidingsbord geplaatst bij het baaneinde toont alleen de aanduiding van het betreffende baaneinde. Een baanaanduidingsbord geplaatst bij een aansluiting van een baan of rijbaan op een baan anders dan bij een baaneinde bevat de aanduiding van beide baaneinden van de kruisende baan.

Artikel 12

1. Een categorie I, II of III wachtpositiebord dan wel een gecombineerd categorie II/III wachtpositiebord wordt geplaatst aan beide zijden van een baanwachtpositiemarkering type "B" in overeenstemming met figuur la van bijlage A.

2. Het opschrift op een categorie I, II of III wachtpositiebord dan wel een gecombineerd categorie II/III wachtpositiebord bevat de baanaanduiding gevolgd door CAT I, CAT II, CAT III dan wel CAT II/III.

Artikel 13

1. Indien een rijbaan zodanig is gelegen dat een voertuig of taxiënd luchtvaartuig een hindernisbeperkend vlak kan doorsnijden of een ILS//MLS kritisch dan wel gevoelig gebied kan binnenrijden, wordt een baanwachtpositiebord geplaatst aan beide zijden van een type "A" baanwachtpositiemarkering ten behoeve van het vrijhouden van het betreffende vlak of gebied.

2. Het opschrift op een baanwachtpositiebord bevat de rijbaanaanduiding en een nummer.

Artikel 14

1. Bij het begin van die delen van het landingsterrein of de platformen waarvan de toegang vanuit die richting verboden is, wordt aan beide zijden van de rijbaan een geslotenverklaringsbord geplaatst.

2. Wanneer geslotenverklaringsborden zijn geplaatst bij een rijbaan die toegang geeft tot een baan, worden zij voor de wachtpositiemarkering en bijbehorende gebodsborden geplaatst.

3. Het opschrift van een geslotenverklaringsbord is in overeenstemming met de afbeelding zoals opgenomen in figuur 2 van bijlage A.

Artikel 15

1. Een wachtpositiebord voor het wegverkeer wordt geplaatst bij alle wegen die toegang geven tot een baan.

2. Het wachtpositiebord voor het wegverkeer wordt geplaatst op 1,5 meter van de rechterkant van de weg ter hoogte van de wachtpositie in overeenstemming met tabel 2 in bijlage A.

3.

Het opschrift op een wachtpositiebord voor het wegverkeer is in overeenstemming met het terzake bij of krachtens de Wegenverkeerswet 1994 bepaalde en omvat het volgende:

a. a. een verplichting tot stoppen; en b. b. een verplichting tot het verkrijgen van klaring door de luchtverkeersleiding, indien op het luchtvaartterrein luchtverkeersleiding aanwezig is; en c. c. een locatie-aanduiding, indien meerdere locaties toegang geven tot een baan.

4. Indien de wegen worden gebruikt buiten de uniforme daglichtperiode is het wachtpositiebord voor het wegverkeer retro-reflecterend of verlicht.

Hoofdstuk III. Informatieborden

Artikel 16

1.

Informatieborden worden als volgt ingedeeld:

a. a. baanafritborden; b. b. baanklaringsborden; c. c. intersectie startborden; d. d. bestemmingsborden; e. e. richtingborden; f. f. locatieborden; en g. g. aanduidingsborden voor vliegtuigopstelplaatsen.

2. Informatieborden worden geplaatst indien er een operationele noodzaak bestaat om informatie te geven over een specifieke locatie of route.

3. Informatieborden worden geplaatst aan de linkerzijde van de rijbaan of baan. De afstand tot de verharding is in overeenstemming met kolom 5 of 6 van tabel 1 in bijlage A.

4. Bij een rijbaankruispunt worden de informatieborden voor het kruispunt in lijn met de tussenliggende wachtpositiemarkering geplaatst. Indien geen tussenliggende wachtpositiemarkering aanwezig is worden de borden op ten minste 60 meter van de hartlijn van de kruisende rijbaan geplaatst als het codecijfer 3 of 4 is en op ten minste 40 meter als het codecijfer 1 of 2 is.

5. Indien het door plaatselijke omstandigheden onmogelijk is om een informatiebord te plaatsen in overeenstemming met deze regeling wordt een informatiemarkering als bedoeld in artikel 26 aangebracht op de rijbaanverharding of platformverharding.

6. Informatieborden worden met uitzondering van locatieborden niet in combinatie met gebodsborden geplaatst.

7. Informatieborden hebben met uitzondering van locatieborden een zwart opschrift op een gele achtergrond.

8. Locatieborden hebben een geel opschrift op een zwarte achtergrond en zijn voorzien van een gele rand.

Artikel 17

1. Een baanafritbord wordt geplaatst vóór de baanafrit en afhankelijk van de luchtvaartterreincode op een positie van ten minste 60 meter voor het tangentpunt bij een baan met codecijfer 3 of 4 en ten minste 30 meter voor het tangentpunt bij een baan met codecijfer 1 of 2.

2. In afwijking van het bepaalde in artikel 16, derde lid, wordt een baanafritbord aan dezelfde zijde van de baan geplaatst waar de baanafrit is gelegen. De afstand tot de baanverharding is in overeenstemming met kolom 6 van tabel I in bijlage A.

3. Het opschrift op een baanafritbord bestaat uit de aanduiding van de baanafrit en een pijl die de te volgen richting aangeeft.

Artikel 18

1.

Een baanklaringsbord wordt geplaatst indien:

a. a. de baanafrit niet is voorzien van rijbaanhartlijnlichten; en b. b. het noodzakelijk is om aan een gezagvoerder die de baan verlaat aan te geven waar de grens van het ILS/MLS kritische dan wel gevoelige gebied of de onderste begrenzing van het binnenste zijvlak zich bevindt.

2.

In tegenstelling tot het bepaalde in artikel 16, derde lid, wordt een baanklaringsbord ten minste aan één zijde van de rijbaan geplaatst. De afstand tussen het bord en de hartlijn van een baan is ten minste gelijk aan de grootste van:

a. a. de afstand tussen de hartlijn van de baan en de grens van het ILS/MLS kritische dan wel gevoelige gebied; of b. b. de afstand tussen de hartlijn van de baan en de grens van het binnenste zijvlak.

3. Het opschrift op een baanklaringsbord bevat een afbeelding van de baanwachtpositiemarkering type "A".

Artikel 19

1. Een intersectie startbord wordt geplaatst aan de linkerzijde van de aansluiting van een rijbaan op een baan. De afstand tussen het bord en de baanhartlijn bedraagt ten minste 60 meter bij een baan met codecijfer 3 of 4 en ten minste 45 meter bij een baan met codecijfer 1 en 2.

2. Het opschrift op een intersectie startbord bestaat uit een aanduiding van de resterende beschikbare startlengte in meters en een pijl die de richting van de start aangeeft.

Artikel 20

1. Een bestemmingsbord wordt geplaatst om de richting naar specifieke bestemmingen op het luchtvaartterrein aan te geven.

2. Een bestemmingsbord wordt niet gebruikt in combinatie met een locatie- of een richtingbord.

3. Het opschrift op een bestemmingsbord bestaat uit letters, cijfers of een combinatie daarvan, die de bestemming aangeven en een pijl met de te volgen route.

Artikel 21

1. Naast een richtingbord wordt een locatiebord als bedoeld in artikel 23 geplaatst tenzij luchtvaarttechnisch onderzoek aangeeft dat het locatiebord niet noodzakelijk is.

2. Het opschrift op een richtingbord bestaat uit de rijbaanaanduiding en één of meerdere pijlen die de mogelijk te volgen richting aangeven.

Artikel 22

1. Waar een rijbaan bij een kruispunt eindigt, wordt een afzetting, een richtingbord of ander visueel hulpmiddel geplaatst.

2. De visuele hulpmiddelen als bedoeld in het eerste lid worden geplaatst aan de overzijde van het kruispunt.

Artikel 23

1. Bij een tussenliggende wachtpositie wordt een locatiebord geplaatst.

2. Indien zich meerdere tussenliggende wachtposities op dezelfde rijbaan bevinden, bevat het locatiebord de aanduiding van de rijbaan en een nummer.

3. Locatieborden worden geplaatst bij rijbanen welke aansluiten op een platform of zich achter een kruispunt bevinden. In afwijking van het bepaalde in artikel 16, derde lid, worden de locatieborden na een rijbaankruispunt aan de linker- of rechterzijde van de rijbaan geplaatst.

4. Een locatiebord bij een baanaanduidingsbord of baanklaringsbord wordt ten opzichte van de rijbaanhartlijn aan de buitenzijde van het betreffende bord geplaatst.

5. In het geval dat twee banen elkaar kruisen wordt geen locatiebord naast het baanaanduidingsbord geplaatst

6. Indien de richting van een rijbaan na een kruispunt significant verandert wordt naast het locatiebord een richtingbord geplaatst.

7.

Bij combinatie van een locatiebord en één of meer richtingborden:

a. a. worden alle richtingborden met betrekking tot bochten naar links aan de linkerzijde van het locatiebord geplaatst en alle richtingborden met betrekking tot bochten naar rechts aan de rechterzijde van het locatiebord. b. b. wordt in het geval dat de rijbaan wordt gekruist door een rijbaan met zowel links als rechts dezelfde benaming het locatiebord aan de linkerkant van het richtingbord geplaatst. c. c. worden de richtingborden zo geplaatst dat de richting van de pijlen vanuit de verticale as met toenemende afwijking naar de corresponderende rijbanen wijzen. d. d. worden de opschriften gescheiden door een verticale zwarte lijn in overeenstemming met bijlage B onder 7 indien op één bord meerdere opschriften zijn geplaatst.

8. Het opschrift op een locatiebord bestaat uit de aanduiding van de baan, rijbaan of andere verharding waarop het luchtvaartuig zich bevindt of die door het luchtvaartuig wordt ingereden.

Artikel 24

1. Bij een vliegtuigopstelplaats wordt een aanduidingsbord voor vliegtuigopstelplaatsen geplaatst.

2. Het opschrift op een aanduidingsbord voor vliegtuigopstelplaatsen bestaat uit een letter, nummer of een combinatie daarvan.

Hoofdstuk IV. Gebods- en informatiemarkeringen

Artikel 25

1. Indien artikel 10, derde lid, van toepassing is, wordt een gebodsmarkering aangebracht voor de wachtpositiemarkering aan de linkerzijde van de rijbaanhartlijnmarkering zoals aangegeven in figuur 6 van bijlage A.

2. De gebodsmarkering bevat hetzelfde opschrift als het overeenkomstige gebodsbord.

3. In afwijking van het bepaalde in het tweede lid bevat een geslotenverklaringsmarkering het opschrift "NO ENTRY".

4. Een gebodsmarkering heeft een wit opschrift op een rode achtergrond.

5. De hoogte van het opschrift bedraagt ten minste 4 meter.

6. Vorm en afmetingen van het opschrift voldoen aan de normen als bedoeld in appendix 3 van bijlage 14 bij het Verdrag inzake de Internationale Burgerluchtvaart (ICAO Annex 14).

7. De achtergrond is rechthoekig van vorm en steekt aan weerszijden alsmede aan boven- en onderzijde van de inscriptie ten minste 0,5 meter uit.

Artikel 26

1. Een informatiemarkering wordt aangebracht op de rijbaan- of platformverharding en zodanig gepositioneerd dat de markering leesbaar is vanuit het gezichtspunt van de gezagvoerder van een naderend luchtvaartuig.

2. Indien een markering wordt gebruikt om een locatiebord te vervangen of aan te vullen heeft de informatiemarkering een geel opschrift. Bij onvoldoende contrast tussen de markering en de verharding wordt een zwarte achtergrond toegevoegd.

3. Indien een markering wordt gebruikt om een richtingbord of bestemmingsbord te vervangen of aan te vullen heeft de informatiemarkering een zwart opschrift. Bij onvoldoende contrast tussen de markering en de verharding wordt een gele achtergrond toegevoegd.

4. De hoogte van het opschrift bedraagt ten minste 4 m.

5. Vorm en afmetingen van het opschrift voldoen aan de normen als bedoeld in appendix 3 van bijlage 14 bij het Verdrag inzake de Internationale Burgerluchtvaart (ICAO Annex 14). <

Hoofdstuk V. Slotbepalingen

Artikel 27

Indien plaatselijke omstandigheden een aanpassing van de plaatsing van de borden als bedoeld in artikel 10, vijfde lid, artikel 16, derde lid, of artikel 17, tweede lid, nodig of wenselijk maken, kan door Onze Minister ontheffing worden verleend van het bij deze artikelen bepaalde. Aan de ontheffing kunnen voorwaarden en beperkingen worden verbonden. Onze Minister kan de ontheffing wijzigen of intrekken.

Artikel 28

De borden op het landingsterrein en de platformen die voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling zijn geplaatst en niet voldoen aan het bij deze regeling bepaalde, worden voor 1 juli 2002 vervangen.

Artikel 29

Een overtreding van de artikelen 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 17, 18, 19, 20, 21, 22, 23, 24, 25, 26, of 28, wordt aangemerkt als strafbaar feit.

Artikel 30

Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Artikel 31

Deze regeling wordt aangehaald als: Bordenregeling.

Bijlage A. als bedoeld in de artikelen 4, tweede lid, 10, vijfde lid, 11, eerste en tweede lid, 12, eerste lid, 14, derde lid, 15, tweede lid, 16 derde lid, 17, tweede lid, en 25, eerste lid van de Bordenregeling

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

Bijlage B. als bedoeld in de artikelen 4, derde lid, en 23, zevende lid, onder d, van de Bordenregeling

Opm. Indien een locatiebord wordt gecombineerd met een gebodsbord, wordt de hoogte van de karakters van het gebodsbord toegepast.

  1. De vorm van karakters zoals letters, cijfers, pijlen en symbolen is zoals aangegeven in figuur 1. De breedte van de karakters en de spatiëring wordt bepaald volgens tabel 1.

  2. De breedte van het leesvlak wordt vastgesteld volgens figuur 2. Echter in het geval dat een gebodsbord slechts aan één zijde van een rijbaan is geplaatst, is de breedte minimaal:

  3. Randen

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

Opm. 1. - De streepdikte van de pijl, diameter van de punt en zowel de breedte als de lengte van de streep zijn afgestemd op de streepdikte van de karakters.

Opm. 2 - De afmetingen van de pijl blijven gelijk voor een bepaalde bordafmeting, onafhankelijk van de richting van de pijl.

Instructies

  1. Om de juiste spatiëring tussen letters en cijfers te bepalen: Bepaal met behulp van tabel a of b het codenummer. Kijk in tabel c bij dit codenummer onder de gewenste letter- of cijferhoogte.

  2. De spatiëring tussen woorden, groepen van karakters welke een afkorting vormen of een symbool is gelijk aan 0,5 tot 0,75 maal de hoogte van de gebruikte karakters behalve wanneer een pijl bij een enkel karakter is geplaatst, zoals "A->". In dit geval kan de spatiëring worden gereduceerd tot een kwart van de hoogte van het karakter om een goede visuele balans te verkrijgen.

  3. Gebruik code 1 wanneer een cijfer volgt op een letter en andersom.

  4. Gebruik code 1 wanneer een koppelteken, punt of schuine streep volgt op een karakter of andersom.

Figuur 2 Breedte leesvlak

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

Bijlage C. als bedoeld in artikel 7 van de Bordenregeling Vereisten met betrekking tot luminantie

[afbeelding]