40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt. |
||
|---|---|---|
| .. | ||
| README.md | ||
| titel | bwb_id | type | status | datum_inwerkingtreding | bron | citeertitel |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Dienst Buitenlandse Zaken Voorzieningenstelsel 2018 | BWBR0041636 | ministeriele-regeling | geldend | 2019-06-01 | https://wetten.overheid.nl/BWBR0041636 | Dienst Buitenlandse Zaken Voorzieningenstelsel 2018 |
Dienst Buitenlandse Zaken Voorzieningenstelsel 2018
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. a.
*RDBZ:* het Reglement Dienst Buitenlandse Zaken;
b. b.
*HDPO:* de Hoofddirecteur Personeel en Organisatie van het Ministerie van Buitenlandse Zaken;
c. c.
*3W:* de Directeur WereldWijdWerken van het Ministerie van Buitenlandse Zaken;
d. d.
*DBV:* de Directeur Bedrijfsvoering van het Ministerie van Buitenlandse Zaken;
e. e.
*post:* een vertegenwoordiging van het Koninkrijk in het buitenland als bedoeld in artikel 7, tweede lid, van het RDBZ;
f. f.
*ambtenaar:* een ambtenaar als bedoeld in artikel 5, tweede lid, onderdeel a, van het RDBZ;
g. g.
*functieniveau:* het overeenkomstig het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 vastgestelde niveau van de functie;
h. h.
*brutosalaris:* het salaris bij een volledige arbeidsduur, vastgesteld overeenkomstig het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984, tenzij het salaris op grond van artikel 35 van het RDBZ is verlaagd in welk geval het verlaagde salaris geldt;
i. i.
*nettosalaris:* het brutosalaris verminderd met de wettelijk verplichte inhoudingen waarbij geen rekening is gehouden met persoonlijke omstandigheden van de ambtenaar;
j. j.
*partner:* de huwelijkspartner en de geregistreerde partner met wie de ambtenaar samenwoont of zou hebben samengewoond indien hij niet buiten Nederland was geplaatst en een gemeenschappelijke huishouding voert dan wel de levenspartner met wie de ambtenaar zonder huwelijkspartner of geregistreerde partner samenwoont of zou hebben samengewoond indien hij niet buiten Nederland was geplaatst en – met het oogmerk duurzaam samen te leven – een gemeenschappelijke huishouding voert op basis van een notarieel verleden samenlevingscontract bevattende de wederzijdse rechten en verplichtingen betreffende die samenwoning en gemeenschappelijke huishouding. Tegelijkertijd kan slechts één persoon als partner worden aangemerkt;
k. k.
*tandempartners:* twee ambtenaren die elkaars partner zijn waarbij:
1°.
beiden op dezelfde standplaats zijn geplaatst;
2°.
beiden in overplaatsing zijn als bedoeld in hoofdstuk 3, dan wel
3°.
beiden in Nederland zijn geplaatst;
1°. 1°. beiden op dezelfde standplaats zijn geplaatst; 2°. 2°. beiden in overplaatsing zijn als bedoeld in hoofdstuk 3, dan wel 3°. 3°. beiden in Nederland zijn geplaatst; l. l.
*eerste tandempartner:* de tandempartner die:
1°.
is geplaatst in een functie waarvoor een hoger niveau geldt dan voor de functie van zijn partner, dan wel bij gelijke functieniveaus
2°.
wordt bezoldigd volgens een hogere salarisschaal dan zijn partner, dan wel bij gelijke salarisschalen
3°.
voor wie een hoger brutosalaris geldt dan voor zijn partner, dan wel bij gelijke brutosalarissen
4°.
in leeftijd ouder is dan zijn partner;
1°. 1°. is geplaatst in een functie waarvoor een hoger niveau geldt dan voor de functie van zijn partner, dan wel bij gelijke functieniveaus 2°. 2°. wordt bezoldigd volgens een hogere salarisschaal dan zijn partner, dan wel bij gelijke salarisschalen 3°. 3°. voor wie een hoger brutosalaris geldt dan voor zijn partner, dan wel bij gelijke brutosalarissen 4°. 4°. in leeftijd ouder is dan zijn partner; m. m.
*tweede tandempartner:* de tandempartner die niet als eerste tandempartner wordt aangemerkt;
n. n.
*afhankelijk kind:* een in artikel 2, eerste lid, onder b tot en met d, van het RDBZ bedoeld kind van de ambtenaar dat primair, secundair of tertiair onderwijs volgt dan wel nog te jong is om primair onderwijs te volgen, dan wel jonggehandicapt is als bedoeld in de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten mits:
1°.
ten behoeve van dat kind aanspraak bestaat op kinderbijslag op grond van de Algemene Kinderbijslagwet, dan wel aanspraak daarop zou bestaan indien het kind in Nederland zou wonen;
2°.
dat kind de leeftijd van 25 jaar nog niet heeft bereikt en aanspraak heeft op een tegemoetkoming op grond van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten dan wel op studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000, dan wel daarop aanspraak zou hebben indien het zijn studie in Nederland zou volgen;
3°.
dat kind de leeftijd van 25 jaar nog niet heeft bereikt en aanspraak heeft op een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, dan wel daarop aanspraak zou hebben indien het kind in Nederland zou wonen.
Met een afhankelijk kind wordt gelijkgesteld een in artikel 2, eerste lid, onder c en d, van het RDBZ bedoeld kind van de partner dat deel uitmaakt van de huishouding van de ambtenaar dan wel in het verleden ten minste twee jaar deel heeft uitgemaakt van die huishouding en dat kind overigens voldoet aan de in de aanhef van dit onderdeel gestelde voorwaarden;
1°. 1°. ten behoeve van dat kind aanspraak bestaat op kinderbijslag op grond van de Algemene Kinderbijslagwet, dan wel aanspraak daarop zou bestaan indien het kind in Nederland zou wonen; 2°. 2°. dat kind de leeftijd van 25 jaar nog niet heeft bereikt en aanspraak heeft op een tegemoetkoming op grond van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten dan wel op studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000, dan wel daarop aanspraak zou hebben indien het zijn studie in Nederland zou volgen; 3°. 3°. dat kind de leeftijd van 25 jaar nog niet heeft bereikt en aanspraak heeft op een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, dan wel daarop aanspraak zou hebben indien het kind in Nederland zou wonen. o. o.
*gezinsleden:* de partner en de afhankelijke kinderen van de ambtenaar;
p. p.
*standplaats:* de plaats van vestiging van de post waarbij de ambtenaar is geplaatst;
q. q.
*CBS-bestedingsindex:* de door het Centraal bureau voor de statistiek gepubliceerde index betreffende de consumptie van huishoudens, reeks totale bevolking;
r. r.
*onafhankelijk instituut:* de door HDPO aangewezen onafhankelijke deskundige organisatie die belast is met het aanleveren van statische gegevens die de basis vormen voor het vaststellen van vergoedingen, tegemoetkomingen, percentages en budgetten met betrekking tot de kosten van levensonderhoud en werk- en leefomstandigheden van een bij een post geplaatste ambtenaar;
s. s.
*primair onderwijs:* basisonderwijs in Nederland dan wel daarmee vergelijkbaar voltijds onderwijs in het buitenland;
t. t.
*secundair onderwijs:* voltijds voortgezet dagonderwijs in Nederland op grond waarvan aanspraak bestaat op kinderbijslag op grond van de Algemene Kinderbijslagwet dan wel op een tegemoetkoming als bedoeld in de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten dan wel op studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000, dan wel daarmee vergelijkbaar voltijds onderwijs in het buitenland;
u. u.
*tertiair onderwijs: * een voltijds bacheloropleiding of masteropleiding als bedoeld in artikel 7.3a van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek in Nederland, dan wel daarmee vergelijkbaar voltijds onderwijs in het buitenland;
v. v.
*een erkende instelling voor primair of secundair onderwijs:* een in Nederland door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap geheel of gedeeltelijk bekostigde instelling of daarmee gelijk te stellen instelling in of buiten Nederland voor primair of secundair onderwijs;
w. w.
*schooljaar:* een aaneengesloten periode van twaalf maanden, beginnende met de maand waarin het ter plaatse gebruikelijke onderwijs aanvangt;
x. x.
*auto:* een personenauto of motorrijwiel;
y. y.
*boedel:* het geheel van alle roerende zaken in eigendom, in bruikleen of in vruchtgebruik van de ambtenaar, zijn partner en zijn afhankelijke kinderen met uitzondering van auto’s;
z. z.
*dienstwoning:* een door of namens het hoofd van de post aan de ambtenaar beschikbaar gestelde woning als bedoeld in de Regeling dienstwoningen BZ;
aa. aa.
*kinderopvang, gastouderopvang, kindercentrum, gastouderbureau, ouder en kinderopvangtoeslag:* hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van de Wet kinderopvang;
bb. bb.
*geregistreerd kindercentrum en geregistreerd gastouderbureau:* een kindercentrum respectievelijk gastouderbureau dat is opgenomen in een register als bedoeld in de artikelen 1.46 en 1.48 van de Wet kinderopvang.
Artikel 2
1. Voorzieningen die op grond van deze regeling worden toegekend, zijn gebaseerd op het voor de ambtenaar tijdens de plaatsing geldende functieniveau, tenzij anders is bepaald.
2. Indien het functieniveau niet is vastgesteld, wordt vóór de plaatsing het functieniveau bepaald dat voor de toepassing van deze regeling gedurende de plaatsingsperiode voor de ambtenaar zal gelden. Het aldus bepaalde functieniveau wordt schriftelijk aan de ambtenaar medegedeeld.
3. Indien het functieniveau gedurende de plaatsingsperiode wordt vastgesteld of gewijzigd, blijft voor de toepassing van deze regeling het functieniveau gelden dat bij het begin van zijn plaatsing voor de ambtenaar gold, tenzij het daarna vastgestelde of gewijzigde functieniveau hoger is, in welk geval het hogere functieniveau zal gelden vanaf de dag waarop dat hogere functieniveau ingaat.
4. Indien meer ambtenaren voor hetzelfde afhankelijk kind een beroep doen op toepassing van deze regeling, wordt door 3W degene aangewezen die als enig rechthebbende wordt aangemerkt.
5. Voor zover uit anderen hoofde een voorziening is of kan worden verkregen ter zake van extra uitgaven en kosten die in deze regeling worden bestreken, bestaat daarvoor geen aanspraak op toepassing van deze regeling.
6. Op grond van deze regeling verstrekte voorzieningen zijn onvervreemdbaar en niet vatbaar voor verpanding of belening.
7. Voor de berekening van vergoedingen, tegemoetkomingen of inhoudingen over een gedeelte van een maand, wordt de maand op het aantal dagen van die maand gesteld, tenzij anders is bepaald.
8.
Artikel 1, onder k, l en m, is van overeenkomstige toepassing indien de partner:
a. a. ambtenaar is van een ander ministerie en op grond van artikel 8, achtste lid, van het RDBZ aanspraak maakt of kan maken op voorzieningen als bedoeld in deze regeling, of b. b. een persoon is als bedoeld in artikel 8, vijfde lid, van het RDBZ die tijdelijk werkzaamheden uitoefent bij een post en aanspraak maakt of kan maken op voorzieningen als bedoeld in deze regeling.
9. Indien een vergoeding, tegemoetkoming of inhouding in deze regeling rekenkundig is gerelateerd aan het bruto- of nettosalaris, is de berekeningsgrondslag het bruto- of nettosalaris dat op het betaalmoment van de desbetreffende maand van toepassing is. Indien dat salaris nadien met terugwerkende kracht wordt gewijzigd, wordt de hoogte van de desbetreffende vergoeding, tegemoetkoming of inhouding met inachtneming van het gewijzigde salaris opnieuw vastgesteld.
10. Op twee ambtenaren die een gezamenlijke huishouding voeren maar niet elkaars partner zijn als bedoeld in artikel 1, onderdeel k, is artikel 1, onderdelen l en m, van overeenkomstige toepassing.
11. Tenzij in deze regeling anders is bepaald, worden besluiten in het kader van deze regeling namens de Minister van Buitenlandse Zaken genomen door 3W.
12. HDPO kan 3W omtrent het nemen van besluiten in het kader van deze regeling aanwijzingen geven.
Hoofdstuk 2. Voorzieningen tijdens plaatsing bij een post
Paragraaf 1. Aanspraken
Artikel 3
1. Dit hoofdstuk is van toepassing op de bij een post geplaatste ambtenaar indien de duur van de plaatsing bij de aanvang daarvan is bepaald op een periode van ten minste twaalf maanden, met inachtneming van het tweede lid.
2.
Voor tandempartners gelden de volgende afwijkende bepalingen:
a. a. voor de toepassing van de artikelen 8, 9, 15, 20, 26, 28, 29, 32 tot en met 34, 55 en 56 wordt onder ambtenaar verstaan de eerste tandempartner en geldt de tweede tandempartner als partner van de eerste tandempartner; b. b. voor de toepassing van de artikelen 14 en 36 gelden beide tandempartners als ambtenaar zonder partner.
3. Indien de arbeidsduur van de ambtenaar tijdens zijn plaatsing bij een post op zijn aanvraag op minder uren wordt vastgesteld dan gemiddeld 36 uur per week, wordt zijn aanspraak op de voorzieningen, bedoeld in de artikelen 13, 14, 15, 27, derde lid, 32, 35, 36 en 39, naar evenredigheid vastgesteld.
4.
Het derde lid is van overeenkomstige toepassing indien:
a. a. aan de ambtenaar voor een deel van zijn arbeidsduur buitengewoon verlof in persoonlijk belang voor langer dan een maand is verleend, of b. b. de gemiddelde wekelijkse werktijd van de ambtenaar van 57 jaar of ouder op zijn aanvraag met behoud van zijn arbeidsduur is teruggebracht op grond van artikel 38 van het RDBZ.
5. Indien buitengewoon verlof in persoonlijk belang dat aanvankelijk is verleend voor een periode van een maand of korter aansluitend wordt verlengd waardoor de totale duur van het buitengewoon verlof meer bedraagt dan een maand, is het derde lid van overeenkomstige toepassing vanaf het moment waarop het besluit tot verlenging is bekendgemaakt.
Artikel 4
1. a. a. De aanspraak op de in dit hoofdstuk bedoelde voorzieningen gaat in op de dag waarop de ambtenaar zijn werkzaamheden bij de post aanvangt en eindigt op de dag waarop hij zijn werkzaamheden bij de post beëindigt, tenzij anders is bepaald. b. b. Indien tussen de dag van eerste aankomst op respectievelijk definitief vertrek van de standplaats en de dag waarop de ambtenaar zijn werkzaamheden bij de post aanvangt respectievelijk beëindigt een aaneengesloten periode is gelegen waarin de post voor het publiek is gesloten, vangt de onder a bedoelde aanspraak aan respectievelijk eindigt de onder a bedoelde aanspraak op de dag van eerste aankomst op respectievelijk definitief vertrek van de standplaats.
2. a. a. De aanspraak op de in de artikelen 21 tot en met 25, 45, 46 en 48 en 51 tot en met 54 bedoelde voorzieningen gaat bij een overplaatsing vanuit Nederland in op een naar billijkheid vast te stellen datum. Deze datum is op zijn vroegst 91 dagen gelegen voor de dag waarop de ambtenaar zijn werkzaamheden bij de post aanvangt. b. b. De onder a bedoelde aanspraak loopt door bij een overplaatsing naar een andere post en eindigt bij een overplaatsing naar Nederland en bij beëindiging van het dienstverband. De dag waarop de aanspraak eindigt wordt, tenzij in deze regeling anders is bepaald, daarbij vastgesteld op:
1°.
indien het afhankelijk kind primair Nederlandstalig onderwijs volgt: de dag waarop de ambtenaar zijn werkzaamheden bij de post beëindigt;
2°.
in overige gevallen: de dag volgend op het einde van het semester waarin de ambtenaar zijn werkzaamheden bij de post beëindigt.
1°. 1°. indien het afhankelijk kind primair Nederlandstalig onderwijs volgt: de dag waarop de ambtenaar zijn werkzaamheden bij de post beëindigt; 2°. 2°. in overige gevallen: de dag volgend op het einde van het semester waarin de ambtenaar zijn werkzaamheden bij de post beëindigt.
Paragraaf 2. Tijdelijke beëindiging van de werkzaamheden bij de post
Artikel 5
1.
Indien de werkzaamheden bij de post tijdelijk worden beëindigd vanwege:
a. a. ziekte langer dan drie maanden; b. b. scholingsverlof langer dan één maand; c. c. evacuatie, dan wel d. d. andere dan de onder a tot en met c genoemde redenen langer dan één maand, met uitzondering van vakantie, recuperatieverlof van degene die is geplaatst in een standplaats met extreme omstandigheden en zwangerschaps- en bevallingsverlof,
zijn voor de duur van de tijdelijke beëindiging van de werkzaamheden bij de post de artikelen 6 en 7 van toepassing met ingang van de dag waarop die tijdelijke beëindiging aanvangt. In afwijking van de vorige volzin zijn de artikelen 6 en 7 voor onderdeel a eerst van toepassing met ingang van de eerste dag na afloop van de periode van drie maanden.
2. Het eerste lid is niet van toepassing bij een gelijktijdige tijdelijke tewerkstelling van de ambtenaar bij een andere post dan wel in Nederland.
3. Indien de werkzaamheden bij de post tijdelijk worden beëindigd vanwege buitengewoon verlof in persoonlijk belang langer dan een maand, is artikel 3, derde lid, van overeenkomstige toepassing.
Artikel 6
Gedurende de tijd dat de werkzaamheden bij de post tijdelijk zijn beëindigd vanwege een omstandigheid als bedoeld in artikel 5, eerste lid, behoudt de ambtenaar aanspraak op voorzieningen als bedoeld in dit hoofdstuk naar de situatie zoals deze gold direct voorafgaande aan die beëindiging, met dien verstande dat indien de ambtenaar de standplaats niet verlaat:
a. a. de vergoeding passieve representatie, bedoeld in artikel 35, wordt vastgesteld op 30% daarvan; b. b. de transportvergoeding, bedoeld in artikel 39, wordt vastgesteld op 15% daarvan.
Artikel 7
1.
Gedurende de tijd dat de werkzaamheden bij de post tijdelijk zijn beëindigd vanwege een omstandigheid als bedoeld in artikel 5, eerste lid, behoudt de ambtenaar aanspraak op voorzieningen als bedoeld in dit hoofdstuk naar de situatie zoals deze gold direct voorafgaande aan die beëindiging, met dien verstande dat indien de ambtenaar de standplaats verlaat:
a. a. de koopkrachtcorrectie op basis van het nettosalaris, bedoeld in artikel 10, op nihil wordt vastgesteld; b. b. de standplaatstoelage, bedoeld in artikel 13, wordt vastgesteld op 85% daarvan; c. c. de vergoeding huispersoneel, bedoeld in artikel 32, op nihil wordt vastgesteld, met dien verstande dat de werkelijke kosten voor huispersoneel tot ten hoogste het voor hem geldende bedrag zoals vermeld in Bijlage B, onder 10, worden vergoed; d. d. de vergoeding passieve representatie, bedoeld in artikel 35, wordt vastgesteld op 30% daarvan.
2.
In aanvulling op het eerste lid kan worden bepaald dat de ambtenaar voor de tijd dat de werkzaamheden bij de post tijdelijk zijn beëindigd aanspraak heeft op:
a. a. een tegemoetkoming tijdelijke huisvesting als bedoeld in artikel 69. Op de dag dat een tegemoetkoming tijdelijke huisvesting is toegekend, vervalt de aanspraak op een tegemoetkoming in de kosten van dubbele huishouding als bedoeld in artikel 45; b. b. vergoeding van de kosten van het vervoeren van bagage als bedoeld in artikel 61; c. c. vergoeding van reiskosten overeenkomstig het Reisbesluit buitenland voor zover daarop elders door toepassing van deze regeling al geen aanspraak bestaat.
3. Indien de gezinsleden achterblijven op de standplaats wordt in afwijking van het eerste lid, onderdeel a, de koopkrachtcorrectie op basis van het nettosalaris, bedoeld in artikel 10, vastgesteld op 50%.
4.
Indien een op de standplaats verblijvend gezinslid waarvoor de ambtenaar direct voorafgaande aan een in artikel 5, eerste lid, bedoelde omstandigheid aanspraak heeft op een verhoging van de standplaatstoelage als bedoeld in artikel 14 of 15, vooruit reist, na reist dan wel met hem meereist:
a. a. kan in aanvulling op het eerste lid worden bepaald dat:
1°.
het voor het gezinslid toegekende deel van de standplaatstoelage, bedoeld in artikel 14 of 15, wordt vastgesteld op 85% daarvan;
2°.
de onderwijskosten, bedoeld in artikel 81, worden vergoed;
3°.
de kosten worden vergoed van het vervoeren van bagage als bedoeld in artikel 61;
4°.
de reiskosten voor ten hoogste het traject van de standplaats naar Nederland worden vergoed overeenkomstig het Reisbesluit buitenland voor zover daarop elders door toepassing van deze regeling al geen aanspraak bestaat en vooraf schriftelijk toestemming is gegeven voor de te ondernemen reis;
1°. 1°. het voor het gezinslid toegekende deel van de standplaatstoelage, bedoeld in artikel 14 of 15, wordt vastgesteld op 85% daarvan; 2°. 2°. de onderwijskosten, bedoeld in artikel 81, worden vergoed; 3°. 3°. de kosten worden vergoed van het vervoeren van bagage als bedoeld in artikel 61; 4°. 4°. de reiskosten voor ten hoogste het traject van de standplaats naar Nederland worden vergoed overeenkomstig het Reisbesluit buitenland voor zover daarop elders door toepassing van deze regeling al geen aanspraak bestaat en vooraf schriftelijk toestemming is gegeven voor de te ondernemen reis; b. b. komt de vergoeding passieve representatie, bedoeld in artikel 35, te vervallen.
5. Ingeval van evacuatie worden aan de ambtenaar voor hem en zijn op de standplaats verblijvende gezinsleden waarvoor hij op grond van artikel 14 of 15 een verhoging van de standplaatstoelage ontvangt, tickets verstrekt of een vergoeding als bedoeld in artikel 60 toegekend voor ten hoogste het traject van de standplaats naar Nederland, tenzij reeds op andere wijze voor rijksrekening in het vervoer wordt voorzien.
Paragraaf 3. Koopkrachtgelijkstelling nettosalaris
Artikel 8
1. Indien de ambtenaar gedurende het verblijf op de standplaats tijdelijk niet, nog niet of niet meer over een dienstwoning beschikt, wordt in zijn tijdelijke huisvesting voorzien, passend bij de functie en de gezinssamenstelling van de ambtenaar.
2. In verband met de verstrekking van een dienstwoning of tijdelijke huisvesting wordt maandelijks een bedrag ingehouden op het totaal aan vergoedingen dat op grond van deze regeling aan de ambtenaar wordt uitbetaald. Dit bedrag, de inhouding huisvesting, betreft een percentage van het nettosalaris gelijk aan de rekenkundig op één decimaal afgeronde som van de in de CBS-bestedingsindex opgenomen indexen betreffende huisvesting, water en energie (elementen woninghuur hoofdwoning, huur garage, toegerekende huur eigen woning, toegerekende huur gratis woning).
3. Het in het tweede lid bedoelde percentage is vermeld in Bijlage B, onder 1, en wordt jaarlijks per 1 januari vastgesteld overeenkomstig de beschikbaar gestelde meest recente gegevens van het CBS betreffende bestedingen van huishoudens.
Artikel 9
1.
De volgende kosten betrekking hebbend op de aan de ambtenaar ter beschikking gestelde huisvesting komen rechtstreeks voor rekening van het rijk:
a. a. kosten van water- en energieverbruik; b. b. servicekosten als bedoeld in de artikelen 237, derde lid, en 259 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en het Besluit servicekosten; c. c. kosten van lokale heffingen verband houdende met de huisvesting onder welke benaming dan ook zoals rioolheffing, reinigingsheffing, zuiveringsheffing en watersysteemheffing.
2.
In verband met de verstrekking van de in het eerste lid bedoelde voorzieningen wordt maandelijks een bedrag ingehouden op het totaal aan vergoedingen dat op grond van deze regeling aan de ambtenaar wordt uitbetaald. Dit bedrag, de inhouding bijkomende kosten huisvesting, betreft een percentage van het netto maandsalaris van de ambtenaar. Dit percentage is gelijk aan de rekenkundig op één decimaal afgeronde som van de in de CBS-bestedingsindex opgenomen indexen betreffende:
a. a. water en energie (elementen elektriciteit, stadsgas en aardgas, vaste en vloeibare brandstoffen, compensatie energiebelasting en water); b. b. diensten i.v.m. de woning; c. c. rioolrecht, reinigingsrecht, zuiveringsheffing en watersysteemheffing ingezetenen (consumptiegebonden belastingen).
3. Het in het tweede lid bedoelde percentage is vermeld in Bijlage B, onder 2, en wordt jaarlijks per 1 januari vastgesteld overeenkomstig de beschikbaar gestelde meest recente gegevens van het CBS betreffende bestedingen van huishoudens.
4. Indien een deel van de in het eerste lid bedoelde kosten veroorzaakt is door als onredelijk aan te merken verbruik, kan DBV, naast de in het tweede lid bedoelde inhouding, een naar billijkheid nader vast te stellen bijdrage in de kosten aan de ambtenaar in rekening brengen.
Artikel 10
1. Een bedrag ter grootte van het percentage van het voor de ambtenaar geldende nettosalaris dat hij wordt geacht te besteden op de standplaats, wordt gecorrigeerd voor de meer of mindere koopkracht daarvan op de standplaats. Dit percentage is het rekenkundig op een geheel getal afgeronde verschil van het getal 100 en het getal dat volgens de CBS-bestedingsindex het percentage aangeeft van de bestedingen die de ambtenaar wordt geacht in Nederland te doen. Deze bestedingen zijn vermeld in Bijlage C, onder 1.
2. Het bedrag van de koopkrachtcorrectie wordt berekend door het in het eerste lid bedoelde bedrag te vermenigvuldigen met het verschil van de koopkrachtcorrectiefactor, bedoeld in artikel 11, en het getal 1. Deze koopkrachtcorrectie nettosalaris wordt verrekend met het totaal aan vergoedingen dat op grond van deze regeling aan de ambtenaar wordt uitbetaald.
3. Het in het eerste lid bedoelde percentage is vermeld in Bijlage B, onder 3, en wordt jaarlijks per 1 januari vastgesteld overeenkomstig de beschikbaar gestelde meest recente gegevens van het CBS betreffende bestedingen van huishoudens.
Artikel 11
1. Per standplaats wordt een koopkrachtcorrectiefactor vastgesteld overeenkomstig de door het onafhankelijk instituut berekende index, met dien verstande dat de koopkrachtcorrectiefactor niet hoger zal zijn dan 3,5 en niet lager zal zijn dan 0,7.
2. a. a. De in het eerste lid bedoelde index wordt door het onafhankelijk instituut berekend aan de hand van het verschil tussen het prijspeil in Nederland en het prijspeil op de standplaats betreffende de bestedingen, bedoeld in artikel 10, eerste lid, die de ambtenaar wordt geacht op de standplaats te doen. b. b. Indien op een standplaats een schaarste aan goederen is ontstaan waardoor de ambtenaar genoodzaakt is meer goederen buiten het land van plaatsing aan te schaffen, kan het onafhankelijk instituut worden gevraagd een koopkrachtcorrectiefactor te berekenen op basis van aankopen op de standplaats en elders op de naar zijn oordeel meest voor de hand liggende plaats van besteding.
3. a. a. De koopkrachtcorrectiefactor wordt per 1 februari van ieder jaar vastgesteld overeenkomstig:
1°.
de ontwikkeling van het prijspeil in Nederland;
2°.
de ontwikkeling van het prijspeil op de standplaats;
3°.
de ontwikkeling van de koersverhouding tussen de euro en de op de standplaats officieel gangbare valuta;
4°.
de ontwikkeling van het aanbod van goederen en diensten op de standplaats, en indien toepassing is gegeven aan het tweede lid, onder b, tevens overeenkomstig:
5°.
de ontwikkeling van het prijspeil in de in het tweede lid, onder b, bedoelde meest voor de hand liggende plaats van besteding, en
6°.
de ontwikkeling van de koersverhouding tussen de euro en de in het tweede lid, onder b, bedoelde meest voor de hand liggende plaats van besteding officieel gangbare valuta.
1°. 1°. de ontwikkeling van het prijspeil in Nederland; 2°. 2°. de ontwikkeling van het prijspeil op de standplaats; 3°. 3°. de ontwikkeling van de koersverhouding tussen de euro en de op de standplaats officieel gangbare valuta; 4°. 4°. de ontwikkeling van het aanbod van goederen en diensten op de standplaats, en indien toepassing is gegeven aan het tweede lid, onder b, tevens overeenkomstig: 5°. 5°. de ontwikkeling van het prijspeil in de in het tweede lid, onder b, bedoelde meest voor de hand liggende plaats van besteding, en 6°. 6°. de ontwikkeling van de koersverhouding tussen de euro en de in het tweede lid, onder b, bedoelde meest voor de hand liggende plaats van besteding officieel gangbare valuta. b. b. De koopkrachtcorrectiefactor wordt per 1 augustus van ieder jaar vastgesteld overeenkomstig de onder a, ten 1° tot en met 3°, bedoelde ontwikkelingen en, indien toepassing is gegeven aan het tweede lid, onder b, de onder a, ten 5° en 6°, bedoelde ontwikkelingen. c. c. Indien als gevolg van prijs- of koersontwikkelingen een stijging of daling van 7 procent of meer optreedt in de koopkrachtsituatie op de standplaats kan worden bepaald dat de onder b bedoelde aanpassing bovendien per 1 mei of 1 november plaatsvindt.
4.
Onverminderd het derde lid wordt de koopkrachtcorrectiefactor voor de in Bijlage C, onder 5, vermelde landen maandelijks per de eerste dag van de maand vastgesteld, met uitzondering van de maanden februari en augustus, overeenkomstig:
1°. 1°. de ontwikkeling van de koersverhouding tussen de euro en de op de standplaats officieel gangbare valuta, en 2°. 2°. de ontwikkeling van de koersverhouding tussen de euro en de in of bij de in het derde lid, onder ten 5°, bedoelde plaats van besteding officieel gangbare valuta.
5. De in Bijlage C, onder 5, opgenomen lijst met landen wordt jaarlijks per 1 januari vastgesteld overeenkomstig de meest recente gegevens.
Paragraaf 4. Standplaatsgebonden voorzieningen
Artikel 12
1.
Elke standplaats is ingedeeld in een zone, overeenkomstig de door het onafhankelijk instituut berekende indeling. Deze zone-indeling is afhankelijk van:
a. a. de afstand in een rechte lijn gemeten van de standplaats tot Den Haag, uitgedrukt in punten, zijnde de basisindeling:
1°. tot 650 kilometer:
1 punt;
2°. 650 tot 1300 kilometer:
2 punten;
3°. 1300 tot 2000 kilometer:
3 punten;
4°. 2000 kilometer en meer:
4 punten,
met dien verstande dat voor standplaatsen in Australië en Nieuw-Zeeland 5 punten worden toegekend en dat voor standplaatsen met een lager aantal punten dan 3 een extra punt wordt toegekend indien zij niet, of slechts via grote omwegen, over land bereikbaar zijn, en
b. b. de specifieke omstandigheden op de standplaats als bepaald door het onafhankelijk instituut door de aan de in Bijlage A, onder 1, opgenomen (sub) categorieën toegekende standaardscore om te zetten in een aantal punten overeenkomstig het gestelde in Bijlage A, onder 2, zijnde de correctie op de basisindeling.
2. De som van de in het eerste lid, onder a en b, bedoelde punten geeft aan in welke zone de standplaats is ingedeeld.
3. De zone-indeling is vermeld in Bijlage A, onder 4, en wordt jaarlijks per 1 januari vastgesteld overeenkomstig de meest recente indeling van het onafhankelijk instituut.
4. Indien in het land waarbinnen de standplaats is gelegen een oorlogssituatie of andere extreme omstandigheid ontstaat, wordt het onafhankelijk instituut verzocht om een tussentijdse evaluatie van de omstandigheden op de standplaats. In het geval dat deze tussentijdse evaluatie leidt tot een andere zone-indeling zal deze indeling gelden vanaf de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin de oorlogssituatie of andere extreme omstandigheid ontstond.
Artikel 13
1.
Aan de ambtenaar wordt een standplaatstoelage toegekend ter bestrijding van:
a. a. kosten die het gevolg zijn van de specifieke omstandigheden van en op de standplaats; b. b. kosten voor het onderhouden van contact met de thuisbasis, en c. c. uit de overplaatsbaarheid in het algemeen voortvloeiende extra uitgaven.
2.
De hoogte van de standplaatstoelage is afhankelijk van de zone waarin de standplaats is ingedeeld en van het voor de ambtenaar geldende functieniveau, en wordt berekend op de volgende wijze:
X + ((Y-1) x 0,175 x X) = standplaatstoelage, waarbij
• •
*X* staat voor het bij het functieniveau vermelde bedrag in Bijlage B, onder 4, en
• •
*Y* voor de zone waarin de standplaats is ingedeeld.
3. De in Bijlage B, onder 4, vermelde bedragen worden jaarlijks per 1 januari vastgesteld overeenkomstig de ontwikkeling in de daaraan voorafgaande periode van medio november tot medio november van de voor het deel ‘huisvesting, water en energie’ geschoonde CBS-consumentenprijsindex, reeks alle huishoudens.
4. Voor de toepassing van het tweede lid wordt onder ambtenaar de eerste tandempartner verstaan. Aan de tweede tandempartner wordt een standplaatstoelage toegekend ter grootte van 55% van de standplaatstoelage van de eerste tandempartner.
Artikel 14
1. De standplaatstoelage van de ambtenaar wordt met 70% verhoogd indien zijn partner in een aaneengesloten periode van zes maanden, gerekend vanaf de dag van eerste aankomst van de partner op de standplaats, 120 dagen op de standplaats verblijft en deel uitmaakt van het gezin van de ambtenaar of met de ambtenaar gezamenlijk doorbrengt buiten de standplaats in verband met vakantie en andere gezinsactiviteiten.
2. De aanspraak op de in het eerste lid bedoelde verhoging van de standplaatstoelage vangt aan op de dag van eerste aankomst van de partner op de standplaats en eindigt op de dag dat de partner definitief van de standplaats vertrekt, met dien verstande dat bij definitief vertrek van de standplaats het gestelde in het eerste lid naar rato geldt.
Artikel 15
1.
De standplaatstoelage van de ambtenaar wordt verhoogd met een percentage van de standplaatstoelage die geldt voor functieniveau 11 op de desbetreffende standplaats indien een afhankelijk kind in een aaneengesloten periode van zes maanden, gerekend vanaf de dag van eerste aankomst van het kind op de standplaats, 120 dagen op de standplaats verblijft en deel uitmaakt van het gezin van de ambtenaar of met de ambtenaar gezamenlijk doorbrengt buiten de standplaats in verband met vakantie en andere gezinsactiviteiten. Dit percentage is voor een kind:
a. a. jonger dan twaalf jaar: 12,5% per kind; b. b. vanaf twaalf jaar: 25,0% per kind.
2. De aanspraak op de in het eerste lid bedoelde verhoging van de standplaatstoelage vangt aan op de dag van eerste aankomst van het kind op de standplaats en eindigt op de dag dat het kind definitief van de standplaats vertrekt, met dien verstande dat bij definitief vertrek van de standplaats het gestelde in het tweede lid naar rato geldt.
Artikel 16
1. De ambtenaar die voor zijn partner aanspraak maakt op een verhoging van de standplaatstoelage als bedoeld in artikel 14, maakt aanspraak op een bedrag van € 423,47 per maand als tegemoetkoming in de kosten voor het treffen van een oudedagsvoorziening voor zijn partner.
2. Het in het eerste lid genoemde bedrag wordt telkens aangepast aan de algemene salarisaanpassingen van het overheidspersoneel in de sector Rijk.
Artikel 17
1. De alleenstaande ambtenaar wiens afhankelijke kind of kinderen jonger dan 18 jaar in een aaneengesloten periode van zes maanden, gerekend vanaf de dag van eerste aankomst van het kind of de kinderen op de standplaats, 120 dagen op de standplaats verblijft en deel uitmaakt of uitmaken van het gezin van de ambtenaar of met de ambtenaar gezamenlijk doorbrengt buiten de standplaats in verband met vakantie en andere gezinsactiviteiten, ontvangt een tegemoetkoming in de daarmee verband houdende extra kosten ter grootte van het in artikel 15, eerste lid, onderdeel b, bedoelde bedrag, zulks met inachtneming van het tweede en derde lid.
2.
De aanspraak op de in het eerste lid bedoelde tegemoetkoming eindigt op de dag dat:
a. a. de ambtenaar een partner heeft; b. b. er geen afhankelijk kind jonger dan 18 jaar meer op de standplaats deel uitmaakt van het gezin van de ambtenaar.
3. Artikel 15, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 18
1. Elke standplaats is ingedeeld in een categorie. Deze indeling geschiedt overeenkomstig de door het onafhankelijk instituut berekende indeling en is afhankelijk van de mate van lokale verkrijgbaarheid van goederen en diensten, alsmede van de lokale ontspanningsmogelijkheden.
2. De ter zake van deze indeling gehanteerde criteria zijn opgenomen in Bijlage A, onder 3, waarbij categorie A staat voor min of meer met Nederland vergelijkbare omstandigheden, categorie B voor omstandigheden die in vergelijking met Nederland tekortschieten en categorie C voor omstandigheden die in vergelijking met Nederland substantieel tekortschieten.
3. De categorie-indeling is vermeld in Bijlage A, onder 4, en wordt jaarlijks per 1 januari vastgesteld overeenkomstig de meest recente indeling van het onafhankelijk instituut.
Artikel 19
1. De standplaatstoelage wordt voor een deel voor koopkrachtverschillen gecorrigeerd.
2.
Het in het eerste lid bedoelde deel is afhankelijk van de categorie waarin de standplaats is ingedeeld en betreft de navolgende percentages daarvan:
a. a. bij categorie A: 50% van de standplaatstoelage, met dien verstande dat het deel van de standplaatstoelage dat betrekking heeft op de partner respectievelijk een kind voor 65% respectievelijk 50% wordt gecorrigeerd; b. b. bij categorie B: 30% van de standplaatstoelage, met dien verstande dat het deel van de standplaatstoelage dat betrekking heeft op de partner respectievelijk een kind voor 40% respectievelijk 30% wordt gecorrigeerd; c. c. bij categorie C: 10% van de standplaatstoelage, met dien verstande dat het deel van de standplaatstoelage dat betrekking heeft op de partner respectievelijk een kind voor 15% respectievelijk 10% wordt gecorrigeerd.
3. De koopkrachtcorrectie wordt berekend door de som van de op grond van het tweede lid vastgestelde delen te vermenigvuldigen met het verschil van de koopkrachtcorrectiefactor en het getal 1. Een negatieve koopkrachtcorrectie wordt verrekend met het totaal aan vergoedingen dat op grond van deze regeling aan de ambtenaar wordt uitbetaald.
Artikel 20
1. Indien de ambtenaar in een geval als bedoeld in artikel 8, eerste lid, is ondergebracht in een hotel, waaronder niet begrepen een appartementenhotel of daarmee vergelijkbare gelegenheid, wordt hem ingaande de dag van het hotelverblijf een tegemoetkoming in de buitengewone kosten van hotelverblijf toegekend, met inachtneming van het tweede lid.
2.
De tegemoetkoming in de kosten van hotelverblijf bedraagt per vol etmaal een percentage van de voor de plaats van verblijf geldende verblijfkostenvergoeding als bedoeld in artikel 10 van het Reisbesluit buitenland juncto artikel 3 van de Reisregeling buitenland. Dit percentage is voor:
a. a. de ambtenaar: 10%; b. b. de partner: 10%; c. c. een afhankelijk kind vanaf twaalf jaar: 10%; d. d. een afhankelijk kind jonger dan twaalf jaar: 5%.
Artikel 21
1. Kosten die de ambtenaar maakt in verband met het volgen van onderwijs van zijn afhankelijk kind aan een erkende instelling voor primair of secundair onderwijs worden aan hem vergoed met inachtneming van het tweede tot en met het zesde lid en artikel 22.
2.
De volgende kosten komen voor vergoeding in aanmerking:
a. a. door de onderwijsinstelling voorgeschreven entree-, registratie-, inschrijf-, les- en examengeld en de kosten van een door de onderwijsinstelling verplicht gestelde toelatingstest. Het inschrijfgeld en de kosten van een verplicht gestelde toelatingstest worden voor twee onderwijsinstellingen vergoed indien er een gerede kans is dat het kind niet zal worden toegelaten tot de onderwijsinstelling die de voorkeur van de ambtenaar geniet; b. b. door de onderwijsinstelling voorgeschreven schoolboeken voor primair of secundair onderwijs; c. c. een door de onderwijsinstelling voorgeschreven aansprakelijkheidsverzekering; d. d. door de onderwijsinstelling apart in rekening gebrachte lesvakken in het kader van primair of secundair onderwijs die in Nederland tot het standaard curriculum van door de overheid geheel of gedeeltelijk bekostigde onderwijsinstellingen voor primair of secundair onderwijs behoren.
3. In aanvulling op het eerste lid worden kosten die de ambtenaar voor zijn in het eerste lid bedoelde afhankelijk kind maakt voor noodzakelijke extra onderwijsbegeleiding op de standplaats, blijkende uit een door de ambtenaar bekostigd en overgelegd psychologisch rapport, aan hem vergoed overeenkomstig de bepalingen van het Besluit Leerlinggebonden Financiering zoals dat luidde op 31 juli 2014 tot maximaal de in Bijlage B, onder 5, vermelde bedragen. Het maximale bedrag van de desbetreffende vergoeding per schooljaar wordt jaarlijks per 1 januari verhoogd overeenkomstig de beschikbaar gestelde meest recente gegevens van het deel ‘onderwijs’ van de CBS-consumentenprijsindex, reeks alle huishoudens.
4.
Indien de ambtenaar en zijn partner vanwege een duurzame ontwrichting van hun relatie geen gezamenlijke huishouding meer voeren dan wel zullen voeren en een afhankelijk kind tot de huishouding van de (gewezen) partner behoort dan wel zonder erkende reden niet bij de ambtenaar op de standplaats verblijft, eindigt de aanspraak op de in het eerste lid bedoelde vergoeding met dien verstande dat:
a. a. indien een afhankelijk kind primair onderwijs volgt, worden vergoed de kosten voor het afronden van het reeds aangevangen schooljaar aan de desbetreffende onderwijsinstelling; b. b. indien een afhankelijk kind secundair onderwijs volgt, worden vergoed de kosten voor het afronden van het reeds aangevangen secundair onderwijs in het desbetreffende curriculum in de desbetreffende taal.
5. Kosten voor het in Nederland volgen van primair of secundair onderwijs in het Nederlands komen niet voor vergoeding in aanmerking.
6. Ingeval van gehele of gedeeltelijke restitutie door de onderwijsinstelling van kosten waarvoor de ambtenaar een vergoeding heeft ontvangen, wordt het gerestitueerde bedrag door de ambtenaar terugbetaald aan het rijk.
Artikel 22
1. Indien een afhankelijk kind op of in de directe nabijheid van de standplaats primair of secundair onderwijs volgt en voor dat kind aanspraak bestaat op een vergoeding als bedoeld in artikel 15, worden vergoed de door een erkende instelling voor primair of secundair onderwijs in rekening gebrachte kosten als bedoeld in artikel 21, tweede en derde lid.
2. Indien een afhankelijk kind primair of secundair onderwijs volgt en het eerste lid niet van toepassing is, worden vergoed de door de onderwijsinstelling in rekening gebrachte kosten als bedoeld in artikel 21, tweede en derde lid, tot ten hoogste de kosten die overeenkomstig artikel 81 vergoed zouden worden indien dat kind in Nederland primair of secundair onderwijs volgt of zou hebben gevolgd.
3. Indien de ambtenaar een vergoeding van internaatskosten als bedoeld in artikel 51 ontvangt die lager is dan het tarief dat is vermeld in Bijlage B, onder 16, wordt het in het tweede lid bedoelde maximum van de vergoeding van kosten voor het volgen van primair of secundair onderwijs verhoogd met het verschil tussen de ontvangen vergoeding van internaatskosten en het in Bijlage B, onder 16, vermelde tarief.
Artikel 23
1. De kosten van vervoer van en naar school van een afhankelijk kind dat primair of secundair onderwijs volgt, worden aan de ambtenaar vergoed mits door of namens de onderwijsinstelling in dat vervoer wordt voorzien en het kind tot de huishouding van de ambtenaar op de standplaats behoort.
2. Op de in het eerste lid bedoelde vergoeding wordt per kind een eigen bijdrage in mindering gebracht. De hoogte van die eigen bijdrage is vermeld in Bijlage B, onder 6.
3. De in Bijlage B, onder 6, vermelde bedragen worden jaarlijks per 1 januari vastgesteld overeenkomstig de ontwikkeling in de daaraan voorafgaande periode van medio november tot medio november van het totaal van de delen ‘Vervoer’ en ‘Motorrijtuigzekeringen’ van de CBS-consumentenprijsindex, reeks alle huishoudens.
4. Voor het vervoer van een afhankelijk kind dat niet tot de huishouding van de ambtenaar op de standplaats behoort, is artikel 82 van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van het tweede lid.
Artikel 24
1. Indien een afhankelijk kind dat primair of secundair onderwijs volgt door een wisseling van school als gevolg van een overplaatsing van de ambtenaar bijlessen behoeft in een of meer vakken die behoren tot het curriculum van de onderwijsinstelling op de standplaats, worden de kosten daarvan vergoed met inachtneming van het tweede en vierde lid.
2. Om voor vergoeding in aanmerking te komen dienen de bijlessen te worden gegeven door een tot lesgeven in het desbetreffende vak bevoegde persoon of te worden gevolgd aan een passende onderwijsinstelling. Vergoeding geschiedt tot ten hoogste het in Bijlage B, onder 7, vermelde bedrag voor de duur van de plaatsing op de standplaats.
3. Het in Bijlage B, onder 7, vermelde bedrag wordt jaarlijks per 1 januari vastgesteld overeenkomstig de ontwikkeling in de daaraan voorafgaande periode van medio november tot medio november van het deel ‘Onderwijs’ van de CBS-consumentenprijsindex, reeks alle huishoudens.
4. De aanspraak op een vergoeding als bedoeld in het eerste lid vervalt indien de ambtenaar deze niet heeft aangevraagd binnen twaalf maanden na de dag van eerste aankomst van het kind op de standplaats.
Artikel 25
1. Indien een afhankelijk kind dat niet-Nederlandstalig primair of secundair onderwijs volgt lessen in de Nederlandse taal volgt, worden de kosten daarvan vergoed met inachtneming van het tweede lid.
2. Om voor vergoeding in aanmerking te komen dienen de lessen te worden gegeven door een tot lesgeven in de desbetreffende taal bevoegde persoon of te worden gevolgd aan een passende onderwijsinstelling. Vergoeding geschiedt tot ten hoogste het in Bijlage B, onder 8, vermelde bedrag per periode van twaalf maanden gedurende welke de lessen worden gevolgd.
3. Het in Bijlage B, onder 8, vermelde bedrag wordt jaarlijks per 1 januari vastgesteld overeenkomstig artikel 24, derde lid.
Artikel 26
1. Per periode van twaalf maanden, gerekend vanaf de dag van eerste aankomst van de ambtenaar op de standplaats, wordt hem een vliegticket of een treinticket verstrekt overeenkomstig de artikelen 6 en 7 van de Regeling buitenlandse reizen BZ 2017 voor een reis, te ondernemen in die periode van twaalf maanden, van de standplaats naar Nederland vice versa voor hem en zijn gezinsleden waarvoor hij in die periode een verhoging van zijn standplaatstoelage ontvangt op grond van de artikelen 14 en 15.
2. Op verzoek van de ambtenaar kan de in het eerste lid bedoelde periode door het hoofd van de post worden verlengd met een periode van ten hoogste drie maanden, mits het dienstbelang zich daartegen naar het oordeel van het hoofd van de post niet verzet. Ook ingeval van verlenging vindt vaststelling van de volgende periode(n) van twaalf maanden plaats op de in het eerste lid genoemde wijze. Indien de verzoeker het hoofd van de post zelf is, beslist diens plaatsvervanger over het ingediende verzoek.
3. Indien voor de in het eerste lid bedoelde reis een vliegticket wordt verstrekt, worden tevens de eventuele kosten vergoed van het vervoeren van ruimbagage met een maximum van 23 kilogram dan wel indien het aantal stuks ruimbagage bepalend is, één stuk met een maximum van 23 kilogram of zoveel meer als de luchtvaartmaatschappij zonder meerkosten toestaat. In dat maximum is begrepen de door de luchtvaartmaatschappij op het ticket vermelde maximale ruimbagage.
4. Indien de ambtenaar of een gezinslid in afwijking van het eerste lid de reis geheel met de auto maakt, wordt per persoon een vergoeding van € 0,28 per gereden kilometer toegekend voor ten hoogste de snelste route tussen de standplaats en Den Haag vice versa en de noodzakelijk gemaakte kosten voor tolwegen, veerdiensten en de Kanaaltunnel of daarmee vergelijkbare kosten. De in de vorige volzin bedoelde vergoeding wordt toegekend voor het reizen met ten hoogste twee auto’s, waarbij de afstand wordt vastgesteld met gebruikmaking van de Google Maps routeplanner.
5. De in het vierde lid bedoelde vergoeding is voor iedere in het vierde lid bedoelde persoon niet hoger dan het voor de standplaats vermelde bedrag in Bijlage B, onder 9. De in Bijlage B, onder 9, vermelde bedragen worden jaarlijks per 1 januari vastgesteld op basis van een schatting van de kosten van een vliegticket in economy klasse van de standplaats naar Amsterdam vice versa dat ten minste 12 weken voor aanvang van de reis is aangeschaft. De in de vorige volzin bedoelde bedragen hebben betrekking op de posten gelegen binnen 2.000 kilometer gemeten over de weg via de snelste route vanaf Den Haag onder gebruikmaking van de Google Maps routeplanner en worden aan het begin van ieder kalenderjaar vastgesteld, na advies van de reisagent. Voor de overige posten geldt het hoogste in Bijlage B, onder 9, vermelde bedrag.
6. Op de in dit artikel bedoelde voorzieningen bestaat geen aanspraak indien de plaatsing van de ambtenaar binnen de desbetreffende periode van twaalf maanden wordt of is beëindigd.
7.
Indien aan de ambtenaar op grond van dit artikel een ticket is verstrekt of een vergoeding is toegekend en nadien blijkt dat daarop op grond van het zesde lid geen aanspraak bestaat, worden de hierop betrekking hebbende bedragen teruggevorderd, tenzij de ambtenaar:
a. a. ten tijde van het verstrekken van het ticket respectievelijk de aanvang van de reis per auto in redelijkheid geen kennis kon hebben van de op handen zijnde beëindiging van zijn plaatsing, dan wel b. b. naar een andere post wordt overgeplaatst, de overplaatsingsreis niet via Nederland plaatsvindt en er overigens geen redenen zijn om terug te vorderen.
Artikel 27
1. Indien de in artikel 12, eerste lid, onder a, bedoelde basisindeling voor de standplaats vier punten of meer bedraagt, wordt bij een twaalfmaandelijkse verlofreis 14,4 uren extra verlof verleend.
2. Indien de ambtenaar tijdens een twaalfmaandelijkse verlofreis voor dienstredenen het departement bezoekt, wordt eenmalig 7,2 uren extra verlof verleend.
3. Indien de in artikel 12, eerste lid, onder b, bedoelde correctie op de basisindeling zeven punten of meer bedraagt, wordt per punt 4 uren extra verlof verleend per geheel kalenderjaar dat de ambtenaar bij de post is geplaatst.
4.
Niet opgenomen extra verlof vervalt:
1°. 1°. aan het eind van ieder kalenderjaar waarin het extra verlof is verleend, en 2°. 2°. per de dag waarop de ambtenaar definitief van de standplaats vertrekt.
Artikel 28
1. Indien het hoofd van de post beslist dat de ambtenaar tijdens zijn plaatsing dient te verhuizen naar een andere dienstwoning, komen de kosten van het overbrengen van de boedel naar de nieuwe woning rechtstreeks voor rekening van het rijk, met inachtneming van het derde lid.
2. Ingeval de nieuw te betrekken dienstwoning onvoldoende ruimte biedt om de gehele inboedel daarin onder te brengen, kan het deel dat niet in de dienstwoning kan worden ondergebracht voor rekening van het rijk op de standplaats in opslag worden gegeven, met inachtneming van het derde lid.
3. Ter zake van de maximaal voor rekening van het rijk over te brengen en in opslag te geven volumen en de verzekeringswaarden daarvan gelden dezelfde bepalingen als bij overplaatsing.
Artikel 29
1. Ingeval van een verhuizing als bedoeld in artikel 28, eerste lid, wordt de ambtenaar een tegemoetkoming toegekend ter bestrijding van de kosten verbonden aan het verlaten van de oude en het betrekken van de nieuwe dienstwoning.
2. De hoogte van de in het eerste lid bedoelde tegemoetkoming bedraagt 35% van het overeenkomstig artikel 71, tweede en derde lid, berekende bedrag.
Artikel 30
1. Ingeval de ambtenaar of zijn partner of kind waarvoor hij een verhoging van de standplaatstoelage ontvangt als bedoeld in de artikelen 14 en 15 in Nederland of een derde land een ingrijpende of langdurige geneeskundige behandeling dient te ondergaan of dient te bevallen, komen ten hoogste de kosten van de reis van de standplaats naar Nederland vice versa voor rekening van het rijk indien de daartoe aangewezen arts de medische noodzaak van een behandeling of bevalling elders bevestigt.
2. Indien in een geval als bedoeld in het eerste lid, na advies van de daartoe aangewezen arts, de toestand van de patiënt zodanig is dat overkomst van één of meer van de in het eerste lid bedoelde gezinsleden wenselijk is, komen ook de aan deze overkomst verbonden reiskosten tot ten hoogste de kosten van een reis naar Nederland vice versa voor rekening van het rijk.
3. Ingeval van een bevalling van de ambtenaar of zijn partner komen naast de in het eerste lid bedoelde reiskosten ook de reiskosten van de partner respectievelijk de ambtenaar en van afhankelijke kinderen jonger dan 13 jaar, tot ten hoogste de kosten van een reis naar Nederland vice versa voor rekening van het rijk, voor zover de ambtenaar voor deze gezinsleden een verhoging van de standplaatstoelage ontvangt als bedoeld in de artikelen 14 en 15.
4. Voor de in het eerste lid bedoelde reis wordt een ticket verstrekt overeenkomstig de artikelen 6 en 7 van de Regeling buitenlandse reizen BZ 2017.
5. Ingeval op de standplaats een epidemie uitbreekt komen de kosten van daarmee verband houdende immunisaties van de ambtenaar, tot zijn huishouding op de standplaats behorende gezinsleden waarvoor hij een vergoeding ontvangt als bedoeld in de artikelen 14 en 15 en in zijn dienst zijnde huispersoneelsleden voor rekening van het rijk.
Artikel 31
1.
Ingeval de ambtenaar of zijn partner of kind waarvoor hij een verhoging van de standplaatstoelage ontvangt als bedoeld in de artikelen 14 en 15 komt te overlijden, komen de volgende kosten, zo mogelijk rechtstreeks, voor rekening van het rijk:
a. a. indien de nabestaanden hulp behoeven bij het afwikkelen van met het overlijden verband houdende formaliteiten: de reiskosten van overkomst van een bijstand verlenende derde tot ten hoogste de kosten van een reis van Nederland naar de standplaats vice versa, en b. b. de kosten van:
1°.
ingeval van een begrafenis of crematie anders dan ter plaatse van het overlijden: het vervoer van het stoffelijk overschot tot ten hoogste de kosten van vervoer van de standplaats naar Den Haag, inclusief de kosten van afleggen, bekisten, bewaring en vrijgifte, alsmede de reiskosten naar deze bestemming vice versa tot ten hoogste de reiskosten naar Nederland vice versa, van gezinsleden voor wie op grond van deze regeling een vergoeding is toegekend, of
2°.
ingeval van een begrafenis of crematie ter plaatse van het overlijden: de reiskosten van overkomst vice versa van gezinsleden en bloed- en aanverwanten in de eerste en tweede graad tot ten hoogste de kosten, bedoeld ten 1°.
1°. 1°. ingeval van een begrafenis of crematie anders dan ter plaatse van het overlijden: het vervoer van het stoffelijk overschot tot ten hoogste de kosten van vervoer van de standplaats naar Den Haag, inclusief de kosten van afleggen, bekisten, bewaring en vrijgifte, alsmede de reiskosten naar deze bestemming vice versa tot ten hoogste de reiskosten naar Nederland vice versa, van gezinsleden voor wie op grond van deze regeling een vergoeding is toegekend, of 2°. 2°. ingeval van een begrafenis of crematie ter plaatse van het overlijden: de reiskosten van overkomst vice versa van gezinsleden en bloed- en aanverwanten in de eerste en tweede graad tot ten hoogste de kosten, bedoeld ten 1°.
2. Ter zake van de reiskosten is het Reisbesluit buitenland van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat voor een dergelijke reis een ticket wordt verstrekt overeenkomstig de artikelen 6 en 7 van de Regeling buitenlandse reizen BZ 2017.
3. In het eerste lid, onder a en onder b, ten 1°, wordt, indien de ambtenaar ten tijde van het overlijden van dienstwege op een andere plaats dan de standplaats verblijft, voor ‘de standplaats’ telkens gelezen: de plaats van overlijden.
Paragraaf 5. Functiegebonden voorzieningen
Artikel 32
1. Ter bestrijding van de kosten voortvloeiende uit het in persoonlijke dienst nemen of inhuren van huispersoneel wordt aan de ambtenaar, niet zijnde een hoofd van een post of een plaatsvervangend hoofd van een post voor wie functieniveau 16 of hoger geldt, een vergoeding huispersoneel toegekend.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een hoofd van een post of een plaatsvervangend hoofd van een post voor wie functieniveau 16 of hoger geldt die niet is gehuisvest in een van rijkswege voor representatieve doeleinden ingerichte of daarmee vergelijkbare dienstwoning.
3. Indien een in het tweede lid bedoelde ambtenaar per periode van twaalf opeenvolgende maanden, gerekend vanaf de dag van eerste aankomst op de post, aantoonbaar vanwege zijn functie-uitoefening genoodzaakt was meer kosten te maken voor het in persoonlijke dienst nemen of inhuren van huispersoneel dan het totaal van de vergoeding huispersoneel over die periode, worden de noodzakelijke meerkosten overeenkomstig artikel 33 aan hem vergoed.
4. De hoogte van de vergoeding huispersoneel wordt vastgesteld met toepassing van Bijlage B, onder 10, overeenkomstig het daarin voor het functieniveau vermelde bedrag. Dit bedrag wordt verhoogd met het in Bijlage B, onder 10, vermelde bedrag voor ieder kind waarvoor de ambtenaar een verhoging van de standplaatstoelage ontvangt op grond van artikel 15, met een maximum van drie kinderen.
5. De in Bijlage B, onder 10, vermelde bedragen worden jaarlijks per 1 januari vastgesteld overeenkomstig de ontwikkeling in de daaraan voorafgaande periode van medio november tot medio november van het element ‘Huishoudelijke diensten’ van de CBS-consumentenprijsindex, reeks alle huishoudens.
6. Indien de in het eerste of tweede lid bedoelde ambtenaar vanwege de beëindiging van de arbeidsrelatie met een in zijn persoonlijke dienst zijnd of ingehuurd lid van zijn huispersoneel een ontslaguitkering of daarmee vergelijkbare uitkering heeft betaald, wordt deze aan hem vergoed voor zover het ter plaatse verplicht of gebruikelijk is deze uitkering te betalen.
Artikel 33
1. Indien een hoofd van een post of een plaatsvervangend hoofd van een post voor wie functieniveau 16 of hoger geldt, voor de functie-uitoefening huispersoneel in zijn persoonlijke dienst neemt of inhuurt en artikel 32, tweede lid, niet van toepassing is, worden de hieruit voortvloeiende noodzakelijke kosten aan hem vergoed uit het aan de desbetreffende post ter beschikking gestelde budget.
2.
Onder de in het eerste lid bedoelde noodzakelijke kosten van het in persoonlijke dienst nemen van huispersoneel, worden in ieder geval verstaan:
a. a. het nettoloon, indien de ambtenaar verantwoordelijk is voor afdracht van loonbelasting, pensioenpremies en socialeverzekeringspremies, dan wel het brutoloon, indien het betrokken lid van het huispersoneel geheel of gedeeltelijk verantwoordelijk is voor afdracht van loonbelasting, pensioenpremies en socialeverzekeringspremies tot ten hoogste het ter plaatse gangbare loon voor gelijkwaardige arbeid; b. b. de lokaal voorgeschreven belastingen, pensioenpremies en socialeverzekeringspremies voor zover de ambtenaar verantwoordelijk is voor de afdracht; c. c. een bijdrage in de kosten van een ziektekostenverzekering voor zover het ter plaatse verplicht of gebruikelijk is deze bijdrage te betalen; d. d. de kosten van verplichte kleding; e. e. een vanwege de beëindiging van de overeenkomst met een lid van het huispersoneel betaalde ontslaguitkering of daarmee vergelijkbare uitkering, voor zover het ter plaatse verplicht of gebruikelijk is deze uitkering te betalen.
3. Onder de in het eerste lid bedoelde noodzakelijke kosten van het inhuren van huispersoneel worden verstaan: het bedrag betaald aan de persoon of organisatie die het lid van het huispersoneel ter beschikking heeft gesteld tot ten hoogste het ter plaatse gangbare bedrag voor inhuur van gelijkwaardige arbeid.
Artikel 34
1. Indien een lid van het huispersoneel dat in persoonlijke dienst is van de ambtenaar, na zijn definitief vertrek van de post in persoonlijke dienst van zijn opvolger wordt genomen, worden de hieruit voortvloeiende noodzakelijke kosten namens de opvolger gedurende de interim-periode vergoed uit het aan de desbetreffende post ter beschikking gestelde budget. De vergoeding wordt toegekend voor een tijdvak van maximaal twee maanden. In bijzondere gevallen kan dit tijdvak worden verlengd.
2. Onder de in het eerste lid bedoelde noodzakelijke kosten worden verstaan: de in artikel 33, tweede lid, onder a, b en c, genoemde kosten. Onder de in het eerste lid bedoelde interim-periode wordt verstaan: de periode gelegen tussen de dag waarop de arbeidsovereenkomst tussen het betrokken lid van het huispersoneel en de opvolger ingaat, maar niet eerder dan de dag waarop de arbeidsovereenkomst met de voorganger is geëindigd, en de dag waarop de opvolger zijn werkzaamheden bij de post aanvangt.
3. De in het eerste lid bedoelde kosten worden uitsluitend voldaan voor zover het loon gedurende de interim-periode niet hoger is dan het loon dat voordien voor het betrokken lid van het huispersoneel gold.
Artikel 35
1. Ter bestrijding van de kosten van passieve representatie wordt een vergoeding passieve representatie toegekend.
2.
De hoogte van de vergoeding passieve representatie wordt vastgesteld met toepassing van Bijlage B, onder 11, overeenkomstig het voor het functieniveau geldende bedrag, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen de ambtenaar die:
a. a. de functie vervult van hoofd van een post en is gehuisvest in een dienstwoning die van rijkswege voor representatieve doeleinden is ingericht of een daarmee vergelijkbare dienstwoning; b. b. de functie vervult van hoofd van een post en is gehuisvest in een dienstwoning die niet van rijkswege voor representatieve doeleinden is ingericht of een daarmee vergelijkbare dienstwoning dan wel de functie vervult van plaatsvervangend hoofd van een post; c. c. een andere functie vervult.
3. De in Bijlage B, onder 11, vermelde bedragen worden jaarlijks per 1 januari opnieuw vastgesteld overeenkomstig artikel 13, derde lid.
4. Voor de toepassing van het tweede lid wordt onder de ambtenaar uitsluitend de eerste tandempartner verstaan. Aan de tweede tandempartner wordt een vergoeding passieve representatie toegekend ter grootte van 45% van de vergoeding passieve representatie van de eerste tandempartner.
Artikel 36
De vergoeding passieve representatie wordt verhoogd met 35% indien de ambtenaar voor zijn partner aanspraak maakt op een verhoging van de standplaatstoelage als bedoeld in artikel 14. Artikel 14, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 37
1. Van de vergoeding passieve representatie wordt 25% voor koopkrachtverschillen gecorrigeerd, met dien verstande dat het deel van die vergoeding dat betrekking heeft op de partner of de tweede tandempartner voor 40% wordt gecorrigeerd.
2. De koopkrachtcorrectie wordt berekend door de som van de op grond van het eerste lid vastgestelde delen te vermenigvuldigen met het verschil van de koopkrachtcorrectiefactor en het getal 1. De aldus berekende koopkrachtcorrectie wordt verrekend met het totaal aan vergoedingen dat op grond van deze regeling wordt uitbetaald.
Artikel 38
Het hoofd van de post bepaalt op welke wijze de aan een post toegewezen middelen voor de bestrijding van de kosten van actieve representatie worden aangewend, met in achtneming van de daartoe gestelde beleidsregels. Vergoed worden de kosten die verbonden zijn aan het opbouwen en onderhouden van een extern gericht functioneel relatie- en informatienetwerk en die de ambtenaar niet geacht wordt te bestrijden uit zijn vergoeding passieve representatie.
Artikel 39
1. Ter bestrijding van de kosten van het woon-werkverkeer en van met de functie-uitoefening verband houdend vervoer binnen de standplaats wordt een transportvergoeding toegekend.
2. De hoogte van de transportvergoeding wordt vastgesteld met toepassing van Bijlage B, onder 12, overeenkomstig het voor het functieniveau geldende bedrag, waarbij voor de ambtenaar die de functie van hoofd van een post vervult het daarbij vermelde hogere bedrag geldt.
3. De in Bijlage B, onder 12, vermelde bedragen worden jaarlijks per 1 januari opnieuw vastgesteld overeenkomstig artikel 23, derde lid.
4.
Ter bestrijding van de kosten van de met de functie-uitoefening verband houdend vervoer buiten de standplaats wordt een vergoeding toegekend van de kosten van gebruik van:
a. a. openbaar vervoer: de werkelijke kosten in de door het hoofd van de post vanwege de lokale omstandigheden passend geachte klasse onder overlegging van bewijsstukken; b. b. eigen vervoer: € 0,28 per afgelegde kilometer; c. c. taxi: de kosten van een taxi indien het gebruik van openbaar vervoer en eigen vervoer redelijkerwijs niet mogelijk is onder overlegging van bewijsstukken.
Artikel 40
1. Indien de ambtenaar voor zijn woon-werkverkeer en met de functie-uitoefening verband houdend vervoer binnen de standplaats voor ten minste de helft van het aantal af te leggen kilometers gebruik kan maken van een door de dienst ter beschikking gestelde dienstauto, bestaat geen aanspraak op een transportvergoeding als bedoeld in artikel 39.
2.
Kosten die de in het eerste lid bedoelde ambtenaar maakt voor woon-werkverkeer of voor met de functie-uitoefening verband houdend vervoer binnen de standplaats, worden hem op declaratiebasis als volgt vergoed:
a. a. woon-werkverkeer:
1°.
per openbaar vervoer: de werkelijke kosten in de door het hoofd van de post vanwege de lokale omstandigheden passend geachte klasse onder overlegging van bewijsstukken;
2°.
met eigen vervoer: € 0,28 per afgelegde kilometer;
1°. 1°. per openbaar vervoer: de werkelijke kosten in de door het hoofd van de post vanwege de lokale omstandigheden passend geachte klasse onder overlegging van bewijsstukken; 2°. 2°. met eigen vervoer: € 0,28 per afgelegde kilometer; b. b. met de functie-uitoefening verband houdend vervoer binnen de standplaats:
1°.
openbaar vervoer: de werkelijke kosten in de door het hoofd van de post vanwege de lokale omstandigheden passend geachte klasse onder overlegging van bewijsstukken;
2°.
met eigen vervoer: € 0,28 per afgelegde kilometer;
3°.
taxi: de kosten van een taxi indien het gebruik van openbaar vervoer en eigen vervoer redelijkerwijs niet mogelijk is onder overlegging van bewijsstukken.
1°. 1°. openbaar vervoer: de werkelijke kosten in de door het hoofd van de post vanwege de lokale omstandigheden passend geachte klasse onder overlegging van bewijsstukken; 2°. 2°. met eigen vervoer: € 0,28 per afgelegde kilometer; 3°. 3°. taxi: de kosten van een taxi indien het gebruik van openbaar vervoer en eigen vervoer redelijkerwijs niet mogelijk is onder overlegging van bewijsstukken.
3. De ambtenaar die in het genot is van een transportvergoeding als bedoeld in artikel 39 en incidenteel voor met de functie-uitoefening verband houdend vervoer binnen de standplaats gebruik maakt van de dienstauto, is daarvoor per afgelegde kilometer een vergoeding verschuldigd van € 0,28.
4. Op de ambtenaar aan wie vanwege bijzondere omstandigheden door of namens het hoofd van de post toestemming is verleend een dienstauto te gebruiken anders dan voor een met de functie-uitoefening verband houdende reis, is het derde lid van overeenkomstige toepassing.
5. Op de in het vierde lid bedoelde ambtenaar is artikel 3a, vierde en vijfde lid, van het Besluit betaling emolumenten burgerlijk rijkspersoneel van overeenkomstige toepassing.
Artikel 41
Indien het wenselijk is dat de ambtenaar lessen volgt in een officiële taal dan wel een lokaal gebruikelijke voertaal van het land van plaatsing komen de kosten daarvan rechtstreeks voor rekening van het rijk, voor zover deze lessen worden gevolgd bij een persoon die tot lesgeven in de desbetreffende taal bevoegd is of een passende onderwijsinstelling.
Artikel 42
1.
De ambtenaar kan, met in achtneming van het tweede tot en met vijfde lid, ten behoeve van zijn partner voor wie hij een verhoging van de standplaatstoelage ontvangt als bedoeld in artikel 14 of artikel 44, derde lid, onder a, ten 1° en 2°, per periode van twaalf maanden tot ten hoogste € 3.350 aanspraak maken op een tegemoetkoming in de kosten voor:
a. a. een dienst of activiteit gericht op de professionele ontwikkeling ten behoeve van het verwerven of behouden van de positie op de arbeidsmarkt op de standplaats of elders; b. b. het volgen van taallessen in een officiële taal dan wel een lokaal gebruikelijke voertaal van het land van plaatsing; c. c. het volgen van taallessen Nederlands.
2. De in het eerste lid bedoelde tegemoetkoming geldt voor iedere door de ambtenaar gekozen periode van twaalf maanden waarvan de eerste periode niet eerder kan ingaan dan de dag waarop de ambtenaar zijn plaatsingsbesluit heeft ontvangen.
3. De in het eerste lid bedoelde tegemoetkoming wordt toegekend op basis van door de ambtenaar overgelegde bewijstukken waaruit blijkt dat de in het eerste lid bedoelde kosten zijn gemaakt voor diensten of activiteiten van een ter zake deskundige persoon of passende instelling.
4. Indien de plaatsing van de ambtenaar tijdens een periode van twaalf maanden als bedoeld in het eerste lid eindigt omdat hij in Nederland wordt geplaatst of hij ter beschikking wordt gehouden, wordt het in het eerste lid bedoelde bedrag voor die periode naar rato verlaagd en wordt het als gevolg daarvan teveel betaalde teruggevorderd. Terugvordering vindt niet plaats indien de ambtenaar ten tijde van het door hem of zijn partner aangaan van verplichtingen voor activiteiten, diensten of taallessen als bedoeld in het eerste lid in redelijkheid geen kennis kon hebben van de op handen zijnde beëindiging van zijn plaatsing binnen de in de eerste volzin bedoelde periode.
5. Het vierde lid is van overeenkomstige toepassing bij beëindiging van de gezamenlijke huishouding op de post, het huwelijk, het geregistreerd partnerschap dan wel de notarieel verleden samenlevingsovereenkomst, bij ontslag van de ambtenaar en bij overlijden van de ambtenaar of de partner.
Artikel 43
1.
Ter zake van de vergoeding van reis- en verblijfkosten bij een dienstreis in het buitenland is het Reisbesluit buitenland van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat voor een dergelijke reis een ticket wordt verstrekt overeenkomstig de artikelen 6 en 7 van de Regeling buitenlandse reizen BZ 2017 en in afwijking van het Reisbesluit buitenland:
a. a. de standplaats als uitgangspunt wordt genomen; b. b. indien per eigen auto wordt gereisd, een vergoeding van € 0,28 per kilometer wordt toegekend, en c. c. voor de vergoeding van kosten voor verlies, diefstal of beschadiging van bagage als bedoeld in artikel 6 van de Reisregeling buitenland, een maximum geldt van € 4000 waaronder begrepen een bedrag van € 500 voor verlies of diefstal van geld of geldswaardige papieren.
2. Ter zake van de vergoeding van verblijfkosten bij een dienstreis naar Nederland is het Reisbesluit binnenland van overeenkomstige toepassing voor de tijd doorgebracht in Nederland, met dien verstande dat indien niet een bewijsstuk kan worden overgelegd waaruit blijkt dat logieskosten zijn gemaakt in een daarvoor bestemde gelegenheid, de vergoeding voor logieskosten wordt vastgesteld op een bedrag van € 11,34 per overnachting tot een maximum van vier overnachtingen per dienstreis.
Paragraaf 6. Voorzieningen in verband met een niet op de standplaats verblijvende partner
Artikel 44
1. Voor de duur dat de ambtenaar geen verhoging van de standplaatstoelage als bedoeld in artikel 14 ontvangt èn niet lastens het rijk wordt voorzien in de huisvesting van de partner, worden op het totaal aan vergoedingen dat op grond van deze regeling wordt uitbetaald, geen bedragen ingehouden aan inhouding huisvesting als bedoeld in artikel 8, tweede lid, en inhouding bijkomende kosten huisvesting als bedoeld in artikel 9, tweede lid.
2. In aanvulling op het eerste lid, heeft de ambtenaar die vanwege een erkende reden als bedoeld in het derde lid, geen verhoging van de standplaatstoelage als bedoeld in artikel 14 ontvangt tevens aanspraak op de in de artikelen 45 en 46 bedoelde voorzieningen.
3.
Van een erkende reden is sprake indien:
a. a. een afhankelijk kind dat primair of secundair onderwijs volgt en de leeftijd van 20 jaar nog niet heeft bereikt de zorg van de partner behoeft en dat kind:
1°.
op de vorige standplaats is achtergebleven ter afronding van het schooljaar;
2°.
is vooruit gereisd naar de volgende standplaats om vanaf de aanvang van het nieuwe schooljaar het onderwijs aldaar te volgen;
3°.
niet op de standplaats verblijft vanwege het ontbreken van passende onderwijsmogelijkheden op de standplaats, rekening houdend met het tot dan toe gevolgde onderwijs; dan wel
4°.
niet op de standplaats verblijft omdat medische redenen of de veiligheidssituatie een langdurig verblijf daar niet toelaten dan wel een langdurig verblijf daar door de autoriteiten van het gastland niet wordt toegestaan;
1°. 1°. op de vorige standplaats is achtergebleven ter afronding van het schooljaar; 2°. 2°. is vooruit gereisd naar de volgende standplaats om vanaf de aanvang van het nieuwe schooljaar het onderwijs aldaar te volgen; 3°. 3°. niet op de standplaats verblijft vanwege het ontbreken van passende onderwijsmogelijkheden op de standplaats, rekening houdend met het tot dan toe gevolgde onderwijs; dan wel 4°. 4°. niet op de standplaats verblijft omdat medische redenen of de veiligheidssituatie een langdurig verblijf daar niet toelaten dan wel een langdurig verblijf daar door de autoriteiten van het gastland niet wordt toegestaan; b. b. de partner niet op de standplaats verblijft omdat medische redenen of de veiligheidssituatie een langdurig verblijf daar niet toelaten dan wel een langdurig verblijf daar door de autoriteiten van het gastland niet wordt toegestaan.
4.
Indien twee ambtenaren elkaars partner zijn en beiden op een verschillende standplaats zijn geplaatst, blijft:
a. a. het eerste lid buiten toepassing voor de ambtenaar voor wie het hoogste brutosalaris geldt dan wel, bij gelijke brutosalarissen, de in leeftijd oudste ambtenaar; b. b. het tweede lid buiten toepassing.
5. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder medische redenen verstaan: een ziekte als bedoeld in de recentste versie van de Internationale statistische classificatie van ziekten en met gezondheid verband houdende problemen (ICD-10) van de Wereldgezondheidsorganisatie.
Artikel 45
1. Indien de partner vanwege een erkende reden als bedoeld in artikel 44, derde lid, zodanig langdurig in Nederland of een ander niet in het tweede lid bedoeld land verblijft dat de ambtenaar geen verhoging van de standplaatstoelage als bedoeld in artikel 14 ontvangt, wordt een tegemoetkoming in de kosten van dubbele huishouding toegekend ter grootte van een percentage van het voor de ambtenaar geldende nettosalaris. Dit percentage bedraagt de rekenkundig op één decimaal afgeronde som van de indexen betreffende de in Bijlage C, onder 2, vermelde elementen van de CBS-bestedingsindex.
2.
Indien de partner vanwege een erkende reden als bedoeld in artikel 44, derde lid, is achtergebleven op de vorige standplaats, dan wel vooruit is gereisd naar de volgende standplaats, wordt:
a. a. een tegemoetkoming in de kosten van dubbele huishouding toegekend ter grootte van een percentage van het voor de ambtenaar geldende nettosalaris. Dit percentage bedraagt de rekenkundig op één decimaal afgeronde som van de indexen betreffende de in Bijlage C, onder 3, vermelde elementen van de CBS-bestedingsindex, en b. b. een deel van de onder a bedoelde tegemoetkoming voor koopkrachtverschillen gecorrigeerd, welk deel gelijk is aan een percentage van het geldende nettosalaris. Dit percentage bedraagt de rekenkundig op één decimaal afgeronde som van de indexen betreffende de in Bijlage C, onder 4, vermelde elementen van de CBS-bestedingsindex. De koopkrachtcorrectie wordt berekend door het voor koopkrachtcorrectie in aanmerking komende deel te vermenigvuldigen met het verschil van de voor de verblijfplaats van de partner geldende koopkrachtcorrectiefactor en het getal 1.
3. De in het eerste en tweede lid bedoelde percentages zijn vermeld in Bijlage B, onder 13 en 14 respectievelijk 15, en worden jaarlijks per 1 januari vastgesteld overeenkomstig de beschikbaar gestelde meest recente relevante gegevens van het CBS betreffende bestedingen van huishoudens.
Artikel 46
Indien de partner vanwege een erkende reden als bedoeld in artikel 44, derde lid, is achtergebleven op de vorige standplaats, dan wel vooruit is gereisd naar de volgende standplaats:
a. a. wordt voor een periode van ten hoogste zes maanden tevens toegekend het partnerdeel van de standplaatstoelage die zou zijn verleend indien de ambtenaar als standplaats had waar zijn partner verblijf houdt, alsmede de daarvoor geldende koopkrachtcorrectie standplaatstoelage; b. b. zijn artikel 8, eerste lid, en artikel 20 van overeenkomstige toepassing op de achtergebleven of vooruit gereisde partner, met dien verstande dat indien in de huisvesting van de partner wordt voorzien lastens het rijk de eventuele ter zake van de huisvesting apart in rekening gebrachte kosten van bijkomende kosten huisvesting voor rekening van het rijk komen, met inachtneming van artikel 9, vierde lid.
Paragraaf 7. Voorzieningen in verband met reizen
Artikel 47
1. Aan de ambtenaar die geen verhoging van de standplaatstoelage als bedoeld in artikel 14 ontvangt, wordt per aaneengesloten periode van twaalf maanden, gerekend vanaf de dag van eerste aankomst van de ambtenaar op de standplaats, de mogelijkheid tot gezinshereniging geboden met inachtneming van het tweede tot en met negende lid.
2. De in het eerste lid bedoelde mogelijkheid betreft het verstrekken van tickets overeenkomstig de artikelen 6 en 7 van de Regeling buitenlandse reizen BZ 2017 voor drie reizen in de in het eerste lid bedoelde periode. De ambtenaar is vrij in de keuze op welke wijze de verdeling van de drie reizen in de periode van twaalf maanden plaatsvindt en of de partner of hijzelf de reis onderneemt.
3. In afwijking van het tweede lid bestaat voor ambtenaren die elkaars partner zijn en beiden bij een verschillende post zijn geplaatst, aanspraak op voor hen beiden in totaal tickets voor drie reizen per aaneengesloten periode van twaalf maanden.
4. Onverminderd het tweede lid, heeft het ticket uitsluitend betrekking op het rechtstreekse traject tussen de vaste verblijfplaats van de partner en de standplaats van de ambtenaar vice versa dan wel, indien zowel de ambtenaar als zijn partner bij een post zijn geplaatst, tussen de standplaatsen vice versa.
5. In afwijking van het vierde lid heeft het ticket van de ambtenaar en zijn partner die beiden bij een post zijn geplaatst met zone-indeling 14 of hoger dan wel bij een door de secretaris-generaal of HDPO aangewezen andere standplaats, onder de daarbij vastgestelde voorwaarden betrekking op het traject tussen de standplaatsen en Nederland vice versa dan wel tussen de standplaatsen naar een andere gezamenlijke bestemming dan Nederland tot ten hoogste de ticketkosten die betrekking hebben op het traject van de standplaatsen naar Nederland vice versa.
6. De aanspraak op tickets vervalt na afloop van de desbetreffende periode van twaalf maanden.
7. In afwijking van het tweede lid kan op verzoek van de ambtenaar of zijn in het eerste lid bedoelde partner een in het tweede lid bedoelde reis geheel met de auto worden gemaakt. In dat geval is artikel 26, vierde en vijfde lid, van overeenkomstige toepassing.
8. Op de in het eerste lid bedoelde mogelijkheid bestaat geen aanspraak indien de plaatsing van de ambtenaar binnen vier maanden na aanvang van de reis wordt of is beëindigd.
9. Indien op grond van dit artikel een ticket is verstrekt of een vergoeding is toegekend en nadien blijkt dat daarop op grond van het achtste lid geen aanspraak bestaat, wordt het hierop betrekking hebbende bedrag teruggevorderd, tenzij de ambtenaar ten tijde van het verstrekken van het ticket respectievelijk de aanvang van de reis per auto in redelijkheid geen kennis kon hebben van de op handen zijnde beëindiging van zijn plaatsing.
Artikel 48
1. Aan de ambtenaar die voor zijn afhankelijk kind geen verhoging van de standplaatstoelage als bedoeld in artikel 15 ontvangt, wordt per aaneengesloten periode van twaalf maanden, gerekend vanaf de dag van eerste aankomst van de ambtenaar op de standplaats, de mogelijkheid tot gezinshereniging geboden, met inachtneming van het tweede tot en met achtste lid.
2. De in het eerste lid bedoelde mogelijkheid betreft het verstrekken aan de ambtenaar van tickets overeenkomstig de artikelen 6 en 7 van de Regeling buitenlandse reizen BZ 2017 voor twee reizen in de in het eerste lid bedoelde periode. De ambtenaar is vrij in de keuze op welke wijze de verdeling van het aantal reizen in de periode van twaalf maanden plaatsvindt en of het kind of hijzelf de reis onderneemt.
3. De ambtenaar die zelf de herenigingsreis onderneemt en meer dan één afhankelijk kind heeft dat niet op de standplaats verblijft, bezoekt tijdens die reis zo mogelijk ook zijn andere afhankelijke kinderen. Indien die kinderen binnen een redelijke afstand van elkaar maar niet allemaal in dezelfde verblijfplaats wonen, worden de reiskosten die de ambtenaar of het kind of de kinderen lokaal moeten maken om herenigd te worden aan de ambtenaar vergoed overeenkomstig het Reisbesluit binnenland.
4. Voor het in het derde lid bedoelde kind waarvoor de reiskosten overeenkomstig het Reisbesluit binnenland zijn vergoed, maakt de ambtenaar in die periode geen aanspraak meer op een ticket als bedoeld in het tweede lid.
5. Een ticket heeft uitsluitend betrekking op het traject van de vaste verblijfsplaats van het kind naar de standplaats vice versa dan wel van de standplaats naar die verblijfplaats vice versa.
6. In een geval als bedoeld in artikel 2, vierde lid, kan de ambtenaar die voor een afhankelijk kind door 3W als enig rechthebbende is aangewezen afstand doen van de aanspraak op een herenigingsreis als bedoeld in dit artikel, ten gunste van de bij een andere post geplaatste ambtenaar die tevens ouder is van het kind.
7. Indien de in het tweede lid bedoelde keuze tot onevenredig hoge kosten leidt in vergelijking met alternatieve reisschema’s, kan 3W besluiten dat ten hoogste de kosten van een passend te achten alternatief reisschema voor vergoeding in aanmerking komen.
8. Artikel 47, zesde tot en met negende lid, zijn van overeenkomstige toepasing. In aanvulling op de eerste volzin eindigt de aanspraak op de in dit artikel bedoelde voorziening ook indien het kind binnen vier maanden na afloop van de herenigingsreis de leeftijd van 25 jaar bereikt dan wel om andere redenen geen afhankelijk kind meer is.
Artikel 49
1. Aan de alleenstaande ambtenaar wordt per aaneengesloten periode van twaalf maanden, gerekend vanaf de dag van eerste aankomst van de ambtenaar op de standplaats, de mogelijkheid geboden een reis naar Nederland te ondernemen in voornoemde periode, met inachtneming van het tweede en derde lid.
2. De in het eerste lid bedoelde mogelijkheid betreft het verstrekken van een ticket overeenkomstig de artikelen 6 en 7 van de Regeling buitenlandse reizen BZ 2017 voor een door de ambtenaar te ondernemen reis van de standplaats naar Nederland vice versa.
3. Artikel 47, zesde tot en met negende lid, zijn van overeenkomstige toepasing.
Paragraaf 8. Voorzieningen in verband met niet op de standplaats verblijvende kinderen
Artikel 50
1. Op de in de artikelen 51 tot en met 54 bedoelde voorzieningen heeft aanspraak de ambtenaar die voor zijn afhankelijk kind vanwege een erkende reden geen verhoging van de standplaatstoelage als bedoeld in artikel 15 ontvangt.
2.
Van een erkende reden kan slechts sprake zijn indien een kind:
a. a. op de vorige standplaats voor het volgen van onderwijs is achtergebleven ter afronding van het schooljaar; b. b. is vooruit gereisd naar de volgende standplaats om vanaf de aanvang van het nieuwe schooljaar het onderwijs aldaar te volgen; c. c. niet op de standplaats verblijft in verband met het ontbreken van passende onderwijsmogelijkheden op de standplaats, rekening houdende met het door het kind tot dan toe gevolgde onderwijs; d. d. niet op de standplaats verblijft omdat medische redenen of de veiligheidssituatie een langdurig verblijf daar niet toelaten dan wel een langdurig verblijf daar door de autoriteiten van het gastland niet wordt toegestaan.
Artikel 44, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.
3.
De in het eerste lid bedoelde aanspraak bestaat niet indien:
a. a. de partner niet tot de huishouding van de ambtenaar behoort, of b. b. het kind uit een eerder huwelijk of eerdere andere relatie is voortgekomen en dat kind niet voor meer dan de helft ten laste komt van de ambtenaar.
4.
De ambtenaar heeft voor een afhankelijk kind, in afwijking van artikel 15, eerste en tweede lid, aanspraak op de in het eerste lid van dat artikel bedoelde verhoging van zijn standplaatstoelage, inclusief het in artikel 19 bedoelde gedeelte van de standplaatstoelage dat voor koopkracht wordt gecorrigeerd voor zover dit betrekking heeft op een kind, indien:
a. a. hij in aanmerking komt voor voorzieningen op grond van artikel 46 en het kind bij zijn partner verblijft, of b. b. het kind op grond van het tweede lid, onder a of b, op de vorige standplaats is achtergebleven of vooruit is gereisd naar de volgende standplaats.
Artikel 51
1. Indien een afhankelijk kind vanwege een erkende reden als bedoeld in artikel 50, tweede lid, in een internaat verblijft, worden de ter zake van het verblijf door het internaat in rekening gebrachte kosten aan de ambtenaar vergoed, indien het kind de leeftijd van 20 jaar nog niet heeft bereikt en primair of secundair onderwijs volgt en met inachtneming van het tweede tot en met vierde lid en artikel 54.
2. De vergoeding van internaatskosten bedraagt voor een schooljaar ten hoogste het bedrag van het door Bas Bouwlust te Den Haag voor dat schooljaar vastgestelde internaatstarief, welk tarief is vermeld in Bijlage B, onder 16. Indien de ambtenaar een vergoeding voor de kosten van het volgen van primair of secundair onderwijs ontvangt die lager is dan de in artikel 81, eerste tot en met derde lid, bedoelde voor het kind geldende maximum vergoeding, wordt het in de eerste volzin bedoelde maximum van de vergoeding van internaatskosten verhoogd met het verschil tussen de ontvangen vergoeding voor de kosten van het volgen van primair of secundair onderwijs en de in artikel 81, eerste tot en met derde lid, bedoelde maximum vergoeding.
3. Ingeval van gehele of gedeeltelijke restitutie door het internaat van kosten waarvoor de ambtenaar een vergoeding heeft ontvangen, wordt het gerestitueerde bedrag door de ambtenaar terugbetaald aan het rijk.
4. Zolang een andere persoon die als ouder in een familierechtelijke betrekking staat tot het kind niet tot de huishouding van de ambtenaar op de standplaats behoort, bestaat geen aanspraak op de tegemoetkoming in de kosten van verblijf in een internaat, tenzij de ambtenaar is gescheiden en het niet op de standplaats verblijvende kind financieel voor meer dan de helft ten laste van de ambtenaar komt.
Artikel 52
1. Indien een afhankelijk kind vanwege een erkende reden als bedoeld in artikel 50, tweede lid, in een gastgezin verblijft, wordt aan de ambtenaar een tegemoetkoming toegekend met inachtneming van het tweede tot en met vijfde lid en artikel 54.
2. Onder gastgezin wordt niet verstaan de huishouding van de partner, van een gewezen partner of van een ander kind van de ambtenaar of zijn (gewezen) partner.
3. De in het eerste lid bedoelde tegemoetkoming bedraagt voor kinderen die primair of secundair onderwijs volgen het in Bijlage B, onder 17, vermelde bedrag per maand. Dit bedrag wordt jaarlijks per 1 januari vastgesteld overeenkomstig de ontwikkeling in de daaraan voorafgaande periode van medio november tot medio november van het totaal van de delen ‘voedingsmiddelen & alcoholvrije dranken, alcoholhoudende dranken & tabak’ en ‘huisvesting, water en energie’ van de CBS-consumentenprijsindex, reeks alle huishoudens.
4. De in het eerste lid bedoelde tegemoetkoming wordt toegekend met ingang van de dag dat het kind het verblijf in een gastgezin aanvangt en eindigt met ingang van de dag dat het kind het verblijf in een gastgezin definitief heeft beëindigd.
5. Zolang een andere persoon die als ouder in een familierechtelijke betrekking staat tot het kind niet tot de huishouding van de ambtenaar op de standplaats behoort, bestaat geen aanspraak op de tegemoetkoming in de kosten van verblijf in een gastgezin, tenzij de ambtenaar is gescheiden en het niet op de standplaats verblijvende kind financieel voor meer dan de helft ten laste van de ambtenaar komt.
Artikel 53
1. Indien een afhankelijk kind vanwege een erkende reden als bedoeld in artikel 50, tweede lid, zelfstandig is gehuisvest, wordt aan de ambtenaar een tegemoetkoming in de kosten daarvan toegekend, met inachtneming van het tweede tot en met zesde lid.
2.
Van zelfstandig gehuisvest zijn is sprake indien het kind woont:
a. a. in een gehuurde kamer, voor zover deze zich niet bevindt in de woning van de partner, van een gewezen partner of van een kind van de ambtenaar of van zijn (gewezen) partner; b. b. op de campus van de instelling waarbij het kind onderwijs volgt; c. c. in een appartement of andere woning; d. d. in andere als zelfstandig aangemerkte huisvesting.
3. De in het eerste lid bedoelde tegemoetkoming bedraagt het in Bijlage B, onder 18, vermelde bedrag per kind per maand.
4. Het in het derde lid bedoelde bedrag wordt jaarlijks per 1 januari vastgesteld overeenkomstig de ontwikkeling in de daaraan voorafgaande periode van medio november tot medio november van het deel ‘huisvesting, water en energie’ van de CBS-consumentenprijsindex, reeks alle huishoudens.
5. De in het eerste lid bedoelde tegemoetkoming wordt toegekend met ingang van de dag dat de zelfstandige huisvesting van het kind aanvangt en eindigt met ingang van de dag dat het kind de zelfstandige huisvesting definitief heeft beëindigd.
6. Zolang een andere persoon die als ouder in een familierechtelijke betrekking staat tot het kind niet tot de huishouding van de ambtenaar op de standplaats behoort, bestaat geen aanspraak op de tegemoetkoming in de kosten van zelfstandige huisvesting, tenzij de ambtenaar is gescheiden en het niet op de standplaats verblijvende kind financieel voor meer dan de helft ten laste van de ambtenaar komt.
Artikel 54
1. Indien voor een afhankelijk kind een vergoeding van internaatskosten of een tegemoetkoming in de kosten van verblijf in een gastgezin is toegekend, wordt daarop per kind een bedrag in mindering gebracht overeenkomstig de in Bijlage B, onder 19, vermelde bedragen. Deze bedragen worden jaarlijks per 1 januari vastgesteld op basis van het verschil in kinderbijslag tussen een uitwonend en een thuiswonend kind.
2. De vermindering vindt tijdsevenredig plaats met de periode waarop de toekenning van de vergoeding internaatskosten of de tegemoetkoming in de kosten van verblijf in een gastgezin betrekking heeft.
Paragraaf 9. Tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang
Artikel 55
1.
De ambtenaar heeft voor zijn afhankelijk kind dat nog geen secundair onderwijs volgt aanspraak op een tegemoetkoming in de door hem of diens partner betaalde kosten van de voor zijn functievervulling redelijkerwijs noodzakelijke kinderopvang indien het betreft:
a. a. kinderopvang buiten Nederland in een kindercentrum dat verantwoorde kinderopvang biedt in een veilige en gezonde omgeving; b. b. kinderopvang buiten Nederland door een persoon van 18 jaar of ouder, niet zijnde een familielid van de ambtenaar, diens partner of het kind, die verantwoorde kinderopvang biedt aan maximaal 6 kinderen in een veilige en gezonde omgeving en die tijdens het bieden van de kinderopvang niet of slechts in zeer beperkte mate is belast met andere werkzaamheden; c. c. kinderopvang in Nederland in een geregistreerd kindercentrum, of d. d. gastouderopvang in Nederland die plaatsvindt door tussenkomst van een geregistreerd gastouderbureau.
2.
De ambtenaar met een partner heeft slechts aanspraak op een tegemoetkoming gedurende de periode waarin de partner:
a. a. arbeid verricht waaruit inkomen wordt genoten, of b. b. arbeid als vrijwilliger verricht of scholing volgt gericht op de bevordering van de inschakeling in het arbeidsproces op de huidige of volgende standplaats of in Nederland.
3. Het tweede lid is niet van toepassing indien het afhankelijk kind tijdelijk of structureel op de standplaats verblijft en de partner tijdelijk of structureel elders verblijft.
4. Indien de ambtenaar of zijn partner in verband met de kinderopvang van het kind aanspraak maakt of kan maken op een kinderopvangtoeslag maakt hij geen aanspraak op een tegemoetkoming tenzij voor het land waarin de kinderopvang plaatsvindt de koopkrachtcorrectie, bedoeld in artikel 11, meer dan 1 bedraagt.
Artikel 56
1. De in artikel 55 bedoelde tegemoetkoming bedraagt 55% van de aan de ambtenaar of diens partner in rekening gebrachte kosten van kinderopvang.
2. Bij het vaststellen van de hoogte van de tegemoetkoming wordt een uurprijs in aanmerking genomen die niet hoger is dan de krachtens artikel 1.7 van de Wet kinderopvang vastgestelde uurprijs.
3. Indien in het land waar de kinderopvang plaatsvindt de koopkrachtcorrectie, bedoeld in artikel 11, meer dan 1 bedraagt, wordt de in het tweede lid bedoelde uurprijs verhoogd met de voor dat land geldende koopkrachtcorrectie.
4. De ambtenaar kan eens per drie maanden een aanvraag indienen tot toekenning van een tegemoetkomingbijdrage in de kosten van kinderopvang die hij heeft gemaakt in een aaneengesloten tijdvak van maximaal twaalf maanden direct voorafgaande aan de datum van indiening van zijn aanvraag.
5.
Bij de aanvraag voegt de ambtenaar gespecificeerd per kind:
a. a. bewijsstukken waaruit blijkt:
1°.
de soort genoten opvang;
2°.
de uurprijs van de genoten opvang, en
3°.
het aantal uren van de genoten opvang;
1°. 1°. de soort genoten opvang; 2°. 2°. de uurprijs van de genoten opvang, en 3°. 3°. het aantal uren van de genoten opvang; b. b. de schriftelijke overeenkomst met de houder van het kindercentrum of de persoon die de kinderopvang verleent of enig ander bewijsstuk waaruit de genoten kinderopvang blijkt.
6. Bij de aanvraag voegt de ambtenaar met een partner tevens bewijsstukken waaruit blijkt dat de partner gedurende de periode waarop de aanvraag betrekking heeft voldoet aan het bepaalde in artikel 55, tweede en derde lid.
7. Bij de eerste aanvraag betreffende kinderopvang in Nederland voegt de ambtenaar tevens bewijsstukken waaruit blijkt dat de kinderopvang plaatsvindt bij een geregistreerd kindercentrum of door tussenkomst van een geregistreerd gastouderbureau.
8. Bij de eerste aanvraag betreffende kinderopvang buiten Nederland voegt de ambtenaar tevens informatie die aannemelijk maakt dat kinderopvang plaatsvindt bij een kindercentrum dat of door een persoon van 18 jaar of ouder die verantwoorde kinderopvang biedt die bijdraagt aan een goede en gezonde ontwikkeling van het kind in een veilige en gezonde omgeving.
9. 3W kan nadere voorschriften stellen omtrent de wijze waarop de aanvraag wordt ingediend.
10. In afwijking van het eerste tot en met derde lid bedraagt de tegemoetkoming voor de in artikel 55, vierde lid, bedoelde ambtenaar 55% van de aan hem of diens partner in rekening gebrachte kosten van kinderopvang voor zover die kosten hoger zijn dan de krachtens artikel 1.7 van de Wet kinderopvang vastgestelde uurprijs tot ten hoogste die uurprijs verhoogd met de koopkrachtcorrectie die geldt voor het land waarin de kinderopvang plaatsvindt.
Hoofdstuk 3. Voorzieningen bij overplaatsing
Paragraaf 1. Aanspraken
Artikel 57
1.
Dit hoofdstuk is, met inachtneming van het tweede tot en met het vijfde lid, van toepassing op de ambtenaar:
a. a. wiens plaatsing bij een post wordt of is beëindigd, indien de duur van die plaatsing bij de aanvang daarvan werd bepaald op een periode van ten minste twaalf maanden; b. b. wiens plaatsing in Nederland wordt of is beëindigd vanwege een besluit tot plaatsing bij een post, indien de duur van die plaatsing bij de aanvang daarvan wordt bepaald op een periode van ten minste twaalf maanden.
2.
In aanvulling op het eerste lid zijn de artikelen 58, 60, 61, 62, 63, 66, 67, 68, 69, 70 en 71 van overeenkomstige toepassing op:
a. a. de in het eerste lid, onder a, bedoelde ambtenaar die na beëindiging van zijn plaatsing langdurig verlof geniet of zal gaan genieten als bedoeld in de artikelen 45b of 46, derde lid, van het RDBZ of die daarmee, naar het oordeel van 3W, overeenkomend langdurig verlof geniet of zal gaan genieten, en b. b. de ambtenaar wiens dienstverband eindigt direct na beëindiging van diens plaatsing bij een post.
3. Voor de toepassing van de artikelen 60, 61, 62, 63, 64, 65, 68, 69, 70 en 71 geldt de eerste tandempartner als de ambtenaar en geldt de tweede tandempartner als de partner van de eerste tandempartner.
4. De aanspraak op de in de artikelen 60 en 61 bedoelde voorzieningen ontstaat op de dag waarop de ambtenaar zijn werkzaamheden bij de post eindigt als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel a, en vervalt indien de in artikel 60 bedoelde overplaatsingsreis niet binnen een als redelijk te achten korte termijn heeft plaatsgevonden.
5. De aanspraak op de in de artikelen 63 tot en met 67 bedoelde voorzieningen ontstaat op de dag waarop de ambtenaar zijn werkzaamheden bij de post eindigt als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel a, en vervalt indien daarvan binnen drie maanden na bedoeld moment geen gebruik is gemaakt. Het transport en de aflevering van de boedel, bedoeld in artikel 62, dienen plaats te hebben gevonden binnen een periode van twaalf maanden, gerekend vanaf het moment waarop de aanspraak is ontstaan. De kosten van de tijdelijke opslag van de boedel komen gedurende ten hoogste negen maanden, gerekend vanaf het moment waarop die aanspraak is ontstaan, voor rijksrekening. De kosten verbonden aan de tijdelijke opslag na negen maanden voldoet de ambtenaar rechtstreeks aan de in artikel 63, tiende lid, bedoelde organisatie.
Artikel 58
1.
Ingeval van ontslag, anders dan eervol, alsmede indien de plaatsing op de standplaats binnen de plaatsingsduur uitsluitend om persoonlijke redenen wordt beëindigd, al dan niet in samenhang met ontslag op eigen verzoek, kan worden bepaald dat:
a. a. aan de ambtenaar en tot zijn huishouding op de standplaats behorende gezinsleden de in artikel 60 bedoelde voorziening geheel of gedeeltelijk niet wordt verstrekt; b. b. de ambtenaar de kosten van het transport van zijn boedel en auto geheel of gedeeltelijk zelf dient te dragen, of c. c. de ambtenaar geheel of gedeeltelijk geen tegemoetkoming in de kosten van tijdelijke huisvesting of herinrichtingskosten als bedoeld in de artikelen 69 tot en met 71 wordt toegekend.
2. In het in het eerste lid bedoelde geval wordt rekening gehouden met alle omstandigheden, waaronder de duur van de periode waarin de ambtenaar bij de desbetreffende post werkzaam is geweest.
Artikel 59
1. Indien de (gewezen) partner of een met die (gewezen) partner meeverhuizend afhankelijk kind de standplaats verlaat, kan worden bepaald dat aan de ambtenaar ten behoeve van die (gewezen) partner of dat kind op een ander tijdstip dan bedoeld in artikel 57, eerste lid, een voorziening wordt verstrekt als bedoeld in artikel 60 voor een reis tot ten hoogste de kosten van een reis naar Nederland.
2. Indien een afhankelijk kind vanwege een erkende reden als bedoeld in artikel 50, tweede lid, de standplaats verlaat en het eerste lid niet van toepassing is, kan worden bepaald dat aan de ambtenaar ten behoeve van dat kind op een ander tijdstip dan bedoeld in artikel 57, eerste lid, een voorziening wordt verstrekt als bedoeld in artikel 60 voor een reis naar de plaats van vestiging van de onderwijsinstelling van het kind tot ten hoogste de kosten van een reis naar Nederland.
3. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op het in artikel 15 bedoelde kind dat door een wijziging van omstandigheden niet langer meer geacht wordt een afhankelijk kind te zijn als bedoeld in artikel 1, onder n. In dat geval wordt een voorziening verstrekt als bedoeld in artikel 60 voor een reis tot ten hoogste de kosten van een reis naar Nederland.
4. Indien een voorziening als bedoeld in het eerste, tweede of derde lid is verstrekt, wordt in de resterende periode van de plaatsing van de ambtenaar bij de desbetreffende post of bij de beëindiging van deze plaatsing, niet nogmaals een dergelijke voorziening verstrekt.
Paragraaf 2. Overplaatsingsreis
Artikel 60
1.
Voor een reis die in verband met een in artikel 57, eerste lid, bedoelde omstandigheid wordt gemaakt, worden aan de ambtenaar ten behoeve van hem en zijn gezinsleden waarvoor hij op grond van de artikelen 14 en 15 een verhoging van zijn standplaatstoelage ontvangt, waaronder begrepen het in artikel 59, derde lid, bedoelde kind, tickets verstrekt overeenkomstig de artikelen 6 en 7 van de Regeling buitenlandse reizen BZ 2017 voor het reistraject naar:
a. a. Nederland ingeval van overplaatsing van een post naar Nederland; b. b. de volgende standplaats ingeval van overplaatsing van Nederland naar een post; c. c. de volgende standplaats via Nederland ingeval van overplaatsing van een post naar een andere post, tenzij anders wordt beslist; d. d. Nederland ingeval de plaatsing bij een post eindigt door beëindiging van het dienstverband, tenzij anders wordt beslist.
In het onder d bedoelde geval worden ten hoogste de kosten vergoed van een reis naar Nederland.
De reiskosten in het land van bestemming dan wel herkomst betrekking hebbend op het traject van en naar de luchthaven respectievelijk het station worden vergoed op basis van € 0,28 per kilometer als de reis met de auto wordt gemaakt dan wel van de werkelijke kosten als de reis op andere wijze wordt gemaakt, met dien verstande dat als Nederland het land van bestemming dan wel herkomst is vergoeding van die kosten binnen Nederland plaatsvindt overeenkomstig het Reisbesluit binnenland.
2.
In afwijking van het eerste lid kan op verzoek van de ambtenaar of één van zijn in het eerste lid bedoelde gezinsleden de reis geheel met een auto worden gemaakt. In dat geval is artikel 26, vierde lid, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat het aantal gereden kilometers dat voor vergoeding in aanmerking komt ten hoogste betreft het traject tussen:
a. a. indien de reis tussen de vorige standplaats en de volgende standplaats geheel per auto wordt afgelegd: de vorige en de volgende standplaats; b. b. voor zover de reis tussen de vorige standplaats en Nederland per auto wordt afgelegd: de vorige standplaats en Den Haag; c. c. voor zover de reis tussen Nederland en de volgende standplaats per auto wordt afgelegd: Den Haag en de volgende standplaats.
3. Indien de partner niet tot de huishouding van de ambtenaar op de standplaats behoort, maar wel tot zijn huishouding op de volgende standplaats zal gaan behoren, wordt ten behoeve van de partner overeenkomstig het eerste en tweede lid een ticket verstrekt, dan wel een vergoeding van reiskosten toegekend, tot ten hoogste het traject van Den Haag naar de volgende standplaats van de ambtenaar.
4.
Indien een afhankelijk kind niet tot de huishouding van de ambtenaar op de standplaats behoort, maar wel tot zijn huishouding op de volgende standplaats zal gaan behoren, wordt ten behoeve van dat kind een ticket verstrekt, dan wel een vergoeding van reiskosten toegekend, tot ten hoogste het traject:
a. a. indien het kind onderwijs volgt buiten Nederland en de kosten van dat onderwijs op grond van deze regeling worden vergoed: van de verblijfplaats van het kind naar de volgende standplaats van de ambtenaar; b. b. in overige gevallen: van Den Haag naar de volgende standplaats van de ambtenaar.
Artikel 61
Indien voor de overplaatsingsreis een vliegticket wordt verstrekt, worden tevens de eventuele kosten vergoed van het vervoeren van ruimbagage met een maximum van 40 kilogram dan wel indien het aantal stuks ruimbagage bepalend is, twee stuks met een maximum gewicht van in totaal 40 kilogram. In dat maximum is begrepen de door de vliegtuigmaatschappij op het ticket vermelde maximale ruimbagage.
Paragraaf 3. Verhuizing
Artikel 62
Onder het transport of het overbrengen van de boedel wordt mede begrepen:
a. a. het in- en uitpakken van de boedel; b. b. de noodzakelijke tijdelijke opslag van de ingepakte boedel direct voorafgaand aan en direct volgend op het transport daarvan; c. c. het afleveren van de boedel.
Artikel 63
1. De boedel van de ambtenaar die in overplaatsing is, wordt over zee of over land getransporteerd naar Nederland of zijn nieuwe standplaats indien aan de ambtenaar op die standplaats een dienstwoning ter beschikking wordt of is gesteld.
2. Indien de ambtenaar tijdens zijn plaatsing bij een post in een niet door het rijk ingerichte dienstwoning is of wordt gehuisvest, zulks ter beoordeling van DBV, vindt het transport van de boedel plaats in een 20 voet container dan wel, indien de omvang van de boedel dit niet toelaat, in een 40 voet container.
3. Indien de ambtenaar tijdens zijn plaatsing bij een post in een door het rijk ingerichte dienstwoning is of wordt gehuisvest, zulks ter beoordeling van DBV, vindt het transport van de boedel plaats in een 20 voet container. Indien de ambtenaar bij zijn overplaatsing over een boedel beschikt met een grotere omvang, wordt het meerdere met een maximum van 30 m^3 naar Nederland getransporteerd.
4.
In afwijking van het derde lid kan de ambtenaar die in een door het rijk ingerichte dienstwoning is of wordt gehuisvest verzoeken meer of minder boedel dan past in een 20 voet container naar de nieuwe standplaats te transporteren voor zover:
a. a. de omvang en de inrichting van dienstwoning dat mogelijk maakt, zulks ter beoordeling van DBV, en b. b. het totaal van de te transporteren en in Nederland in opslag te geven boedel niet meer bedraagt dan 70 m^3.
Na afloop van zijn plaatsing kan de ambtenaar bij zijn vervolgplaatsing zijn boedel overeenkomstig het tweede of derde lid laten transporteren dan wel opnieuw verzoeken om een afwijking als bedoeld in dit lid.
5. Indien aan de ambtenaar op de standplaats geen dienstwoning ter beschikking is of wordt gesteld, wordt ten hoogste 4 m^3 boedel naar de nieuwe standplaats getransporteerd. Indien de ambtenaar bij zijn overplaatsing naar de hiervoor bedoelde standplaats een hoger volume aan verhuisboedel heeft dan 4 m^3, wordt het meerdere naar Nederland getransporteerd met een maximum van het aantal m^3 dat zou hebben gegolden bij een overplaatsing naar Nederland.
6. a. a. In bijzondere gevallen, ter beoordeling van 3W, kan in afwijking van het eerste lid, het transport van de boedel door de lucht plaatsvinden. In dat geval wordt ten hoogste 30 m^3 boedel getransporteerd met een maximumgewicht van 167 kilogram per m^3 boedel. b. b. In afwijking van onderdeel a kan 3W op verzoek van de ambtenaar toestaan dat er een gecombineerd transport plaatsvindt waarbij een deel van de boedel overeenkomstig het eerste lid wordt getransporteerd in een 20 voet container en ten hoogste 10 m^3 van de rest van de boedel met een maximumgewicht van 167 kilogram per m^3 boedel door de lucht, waarbij de totale omvang van de te transporteren boedel niet meer bedraagt dan 30 m^3. c. c. Indien de ambtenaar bij zijn overplaatsing een hoger volume aan verhuisboedel heeft dan het in a en b genoemde volume van 30 m^3, wordt het meerdere tot een maximum van 30 m^3 naar Nederland getransporteerd.
7. Op verzoek van de ambtenaar die wordt geplaatst bij een post met zware klimatologische omstandigheden die is opgenomen in Bijlage D, onder 1, wordt ten hoogste 2 m^3 van tot zijn boedel behorende kostbaarheden die niet goed bestand zijn tegen die omstandigheden naar Nederland getransporteerd. De in de vorige volzin bedoelde post is een post die bij de categorie-indeling, bedoeld in artikel 18, voor het onderwerp ‘natuurverschijnselen’ 20 punten of meer scoort.
8. De ambtenaar waarvan tijdens zijn plaatsing bij een post op grond van dit artikel een deel van zijn boedel naar Nederland is getransporteerd, maakt bij zijn vervolgplaatsing naar een post naast het in het tweede dan wel derde lid bedoelde transport zo mogelijk tevens aanspraak op transport van het hiervoor bedoelde deel van zijn boedel vanuit Nederland naar die post.
9.
Het deel van de boedel van de in het achtste lid bedoelde ambtenaar dat naar Nederland wordt getransporteerd kan op zijn verzoek in plaats van in opslag te worden gegeven geheel of gedeeltelijk bij een privéadres in Nederland worden afgeleverd tot ten hoogste het aantal m^3 dat voor rijksrekening in opslag kan worden genomen. De volgende kosten die betrekking hebben op het afleveren van de in de vorige volzin bedoelde boedel komen bij aflevering bij een privéadres in Nederland voor rekening van het rijk:
a. a. de kosten van het transport en de aflevering; b. b. alle invoerheffingen tot ten hoogste het bedrag van de verwachte opslagkosten in Nederland gedurende de resterende plaatsingsduur.
De ambtenaar voldoet de in onderdeel b bedoelde heffingen rechtstreeks aan de autoriteiten en declareert die kosten daarna bij 3W.
10. Het transport van de boedel geschiedt door of in opdracht van een door 3W aangewezen organisatie op de voor het rijk meest economische wijze.
11. De ambtenaar die met de in het tiende lid bedoelde organisatie afspreekt meer boedel te transporteren of de boedel op andere wijze of volgens een andere route te transporteren dan waarop hij krachtens dit artikel aanspraak maakt, voldoet de daarmee verband houdende extra kosten rechtstreeks aan die organisatie.
12. De boedel van de ambtenaar waarvan de plaatsing bij een post eindigt door beëindiging van het dienstverband wordt met inachtneming van dit artikel getransporteerd naar Nederland. Op verzoek van de ambtenaar kan die boedel in plaats van naar Nederland naar elders worden getransporteerd. De eventuele meerkosten van dat transport ten opzichte van een transport naar Nederland komen met inachtneming van het elfde lid voor rekening van de ambtenaar.
13. Voor de toepassing van deze paragraaf kan bij vervoer over land voor een 20 voet container en een 40 voet container ook worden gelezen ‘een verhuiscombinatie met de capaciteit van ten minste een 20 voet respectievelijk een 40 voet container’.
Artikel 64
1.
Indien het aantal personen voor wie de ambtenaar een verhoging van de standplaats als bedoeld in de artikelen 14 en 15 ontvangt tussentijds wijzigt, maakt hij in de volgende gevallen en tot ten hoogste het daarbij aangegeven volume aanspraak op tussentijds transport van een deel van de boedel:
a. a. bij geboorte van een afhankelijk kind of aankomst van een afhankelijk kind jonger dan 1 jaar op een standplaats die is opgenomen in Bijlage D, onder 2, naar de keuze van de ambtenaar: vanuit Nederland 4 m^3 boedel vervoerd over zee of over land dan wel 2 m^3 boedel vervoerd door de lucht. De in de vorige volzin bedoelde standplaats is een standplaats die bij de categorie-indeling, bedoeld in artikel 18, voor het onderwerp ‘goederen en diensten’ 10 punten of meer scoort voor het onderdeel goederen. Het transport van de extra boedel kan plaatsvinden vanaf drie maanden voorafgaande aan de vermoedelijke bevallingsdatum zoals die blijkt uit een door de ambtenaar overgelegde verklaring van een geneeskundige of verlofkundige; b. b. bij aankomst op of definitief vertrek van de standplaats van een afhankelijk kind van 1 jaar of ouder of van de partner: vanuit respectievelijk naar Nederland 2 m^3 boedel vervoerd over zee of over land dan wel, in bijzondere gevallen ter beoordeling van 3W, door de lucht.
2. In afwijking van het eerste lid, onderdeel b, wordt op verzoek van de ambtenaar die bij zijn verhuizing naar de standplaats aanspraak maakte op transport van de boedel in een 40 voet container, ten behoeve van zijn definitief van de standplaats vertrekkende partner dan wel partner met één of meer afhankelijke kinderen een deel van de boedel in een 20 voet container naar Nederland getransporteerd. De ambtenaar die gebruik heeft gemaakt van de in de vorige volzin bedoelde mogelijkheid, maakt bij zijn definitief vertrek van de standplaats, in afwijking van artikel 63, tweede lid, nog slechts aanspraak op transport over zee of over land van de resterende boedel in een 20 voet container.
3. In afwijking van het eerste lid, onderdeel b, wordt op verzoek van de ambtenaar wiens boedel bij zijn verhuizing naar de standplaats voor rijksrekening door de lucht is getransporteerd, ten behoeve van zijn definitief van de standplaats vertrekkende partner dan wel partner met één of meer afhankelijke kinderen maximaal 15 m^3 boedel met een maximum gewicht van 167 kilogram per m^3 boedel door de lucht naar Nederland getransporteerd. De ambtenaar die gebruik heeft gemaakt van de in de vorige volzin bedoelde mogelijkheid, maakt bij zijn definitief vertrek van de standplaats, in afwijking van artikel 63, vierde lid, nog slechts aanspraak op transport door de lucht van het resterende deel van het in dat lid genoemde maximale volume van de boedel.
4. Het eerste tot en met derde lid zijn niet van toepassing indien de resterende duur van de plaatsing zes maanden of korter is.
5. Artikel 63, zesde, negende, tiende, elfde en dertiende lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 65
1.
Tijdens plaatsing bij een post wordt de boedel van de ambtenaar voor de duur van die plaatsing door of in opdracht van een door 3W aangewezen organisatie in Nederland op de voor het rijk meest economische wijze opgeslagen tot een volume van ten hoogste:
a. a. bij verhuizing van de boedel voor rijksrekening in een 40 voet container: 10 m^3; b. b. bij verhuizing van de boedel voor rijksrekening in een 20 voet container of door de lucht dan wel in het geval op de standplaats geen dienstwoning ter beschikking wordt gesteld: 40 m^3.
2. Op verzoek van de bij een post geplaatste ambtenaar kan de in het eerste lid bedoelde boedel tussentijds in één keer volledig bij een privéadres in Nederland worden afgeleverd, mits de plaatsingsduur bij die post op het moment van afleveren van de boedel naar verwachting nog ten minste twee jaren zal voortduren. Artikel 63, negende en tiende lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 66
1. Indien de snelste route tussen de vorige en de nieuwe standplaats over land of over zee gemeten 2.000 kilometer of meer bedraagt, wordt de auto van de ambtenaar die in overplaatsing is of van een tot zijn huishouding behorend gezinslid op diens verzoek tezamen met de boedel door of in opdracht van de door 3W aangewezen organisatie op de voor het rijk meest economische wijze getransporteerd en worden de inklaringskosten voor rijksrekening genomen. De afstand wordt vastgesteld met gebruikmaking van de Google Maps routeplanner.
2. Indien de in het eerste lid bedoelde reisroute minder dan 2.000 kilometer bedraagt, is het eerste lid van overeenkomstige toepassing indien het met de auto afleggen van die reisroute om veiligheidsredenen of om andere bijzondere redenen, ter beoordeling van 3W, niet in redelijkheid van de ambtenaar gevergd kan worden.
3. Indien in een geval als bedoeld in het eerste of tweede lid de auto elders is aangeschaft, worden de kosten van transport van de auto naar de nieuwe standplaats, de kosten van verzekering tijdens het transport en de inklaringskosten aan de ambtenaar vergoed, mits de auto binnen twaalf maanden gerekend vanaf de dag van eerste aankomst van de ambtenaar op de standplaats is afgeleverd, tot ten hoogste de meerkosten die voor rijksrekening zouden zijn gekomen indien de auto tezamen met de boedel zou zijn getransporteerd overeenkomstig het eerste lid.
4. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing bij een overplaatsing van of naar Nederland.
Artikel 67
1.
De in de artikelen 63, 64 en 65 bedoelde boedel wordt door 3W ten behoeve van de ambtenaar voor de vervangingswaarde tot ten hoogste het in Bijlage D, onder 3, sub a, vermelde bedrag per m^3 verzekerd tegen schade, verlies en diefstal tijdens:
a. a. het transport naar de volgende standplaats of naar Nederland; b. b. de direct daaraan voorafgaande of daaropvolgende tijdelijke opslag; c. c. de opslag in Nederland.
2. De in artikel 66, eerste lid, bedoelde auto wordt door 3W ten behoeve van de ambtenaar verzekerd tegen schade, verlies en diefstal tijdens het transport naar de volgende standplaats of naar Nederland overeenkomstig de polisvoorwaarden van de door 3W aangewezen verzekeringsmaatschappij. Verzekerd is het door de ambtenaar blijkens een aankoopfactuur voor de auto betaalde bedrag tot ten hoogste het in Bijlage D, onder 3, sub b, vermelde bedrag.
3. De ambtenaar die met de in het tweede lid bedoelde verzekeringsmaatschappij afspreekt zijn boedel of zijn auto voor een hoger bedrag of tegen andere voorwaarden te verzekeren dan waarop hij krachtens dit artikel aanspraak maakt, voldoet de daarmee verband houdende kosten rechtstreeks aan die maatschappij.
4. Het in Bijlage D, onder 3, sub b, vermelde bedrag wordt jaarlijks per 1 januari vastgesteld overeenkomstig de ontwikkeling in de daaraan voorafgaande periode van medio november tot medio november van het element ‘aankoop voertuigen’ van de CBS-consumentenprijsindex, reeks alle huishoudens.
Artikel 68
De ambtenaar draagt alle kosten voortvloeiende uit:
a. a. een bijzondere behandeling bij de verpakking, het transport of de aflevering van goederen die niet kunnen worden gerekend tot gangbare boedel voor ambtenaren; b. b. vertraging van het transport van de boedel, waarin begrepen de in- of uitklaring, indien die vertraging wordt veroorzaakt door het zich in de boedel bevinden van goederen:
1°.
die niet op de inhoudsopgave staan;
2°.
waarvan de uitvoer, doorvoer of invoer is verboden;
3°.
waarvoor door de ambtenaar niet tijdig is voldaan aan de door het land van uitvoer, doorvoer of invoer gestelde uitvoer-, doorvoer- respectievelijk invoervoorwaarden;
1°. 1°. die niet op de inhoudsopgave staan; 2°. 2°. waarvan de uitvoer, doorvoer of invoer is verboden; 3°. 3°. waarvoor door de ambtenaar niet tijdig is voldaan aan de door het land van uitvoer, doorvoer of invoer gestelde uitvoer-, doorvoer- respectievelijk invoervoorwaarden; c. c. vertraging van het transport van de auto, waarin begrepen de in- of uitklaring, indien de vertraging wordt veroorzaakt doordat:
1°.
door de ambtenaar niet tijdig is voldaan aan de door het land van uitvoer, doorvoer of invoer gestelde uitvoer-, doorvoer- respectievelijk invoervoorwaarden;
2°.
de technische specificaties van de auto niet voldoen aan de wettelijke eisen die worden gesteld in het land van bestemming;
3°.
zich daarin goederen bevinden als bedoeld onder b.
1°. 1°. door de ambtenaar niet tijdig is voldaan aan de door het land van uitvoer, doorvoer of invoer gestelde uitvoer-, doorvoer- respectievelijk invoervoorwaarden; 2°. 2°. de technische specificaties van de auto niet voldoen aan de wettelijke eisen die worden gesteld in het land van bestemming; 3°. 3°. zich daarin goederen bevinden als bedoeld onder b.
Paragraaf 4. Overige voorzieningen tijdens overplaatsing
Artikel 69
1. Aan de in overplaatsing zijnde ambtenaar worden in de overplaatsingsperiode de kosten van tijdelijke huisvesting vergoed tot ten hoogste het in derde lid bedoelde bedrag, met uitzondering van kosten die de ambtenaar maakt voor zijn privéwoning of die van één van zijn gezinsleden, met inachtneming van het tweede tot en met vierde lid.
2.
De in het eerste lid genoemde overplaatsingsperiode betreft het volgende tijdvak:
a. a. bij overplaatsing van een post naar een post: vanaf de dag volgende op de dag waarop de werkzaamheden bij de post worden beëindigd tot de dag waarop de werkzaamheden bij de volgende post worden aangevangen, met een maximum van 42 opeenvolgende dagen; b. b. bij overplaatsing van Nederland naar een post: vanaf de dag waarop de ambtenaar zijn woning heeft verlaten, tot de dag waarop de ambtenaar zijn werkzaamheden bij de post aanvangt, met een maximum van 21 opeenvolgende dagen; c. c. bij overplaatsing van een post naar Nederland dan wel indien het dienstverband is of wordt beëindigd: vanaf de dag waarop de ambtenaar van de standplaats vertrekt tot de dag waarop de boedel is afgeleverd in een woning, anders dan ter tijdelijke huisvesting, met een maximum van 91 opeenvolgende dagen.
3.
De maximale tegemoetkoming in de kosten van tijdelijke huisvesting wordt op de volgende wijze berekend:
a. a. het voor logies bestemde deel van de dagvergoeding welke geldt voor dienstreizen in Nederland, wordt vermenigvuldigd met het aantal dagen van de overplaatsingsperiode; b. b. op het onder a berekende bedrag wordt een bedrag in mindering gebracht ter grootte van de in artikel 8, tweede lid, bedoelde inhouding huisvesting, berekend naar de periode waarop de tegemoetkoming in de kosten van tijdelijke huisvesting betrekking heeft.
4.
Indien voorafgaande aan de overplaatsingsperiode een tegemoetkoming in de kosten van dubbele huishouding als bedoeld in artikel 45, eerste lid, is toegekend:
a. a. komt de ambtenaar bij overplaatsing naar Nederland niet in aanmerking voor een tegemoetkoming in de kosten van tijdelijke huisvesting; b. b. komt de ambtenaar bij overplaatsing naar een post uitsluitend in aanmerking voor een tegemoetkoming in de kosten van tijdelijke huisvesting indien de partner vanaf de dag van zijn aankomst op de volgende standplaats tot zijn huishouding aldaar gaat behoren. In dit geval omvat de overplaatsingsperiode het tijdvak, genoemd in het tweede lid, onder b, waarbij onder ‘de ambtenaar zijn woning heeft verlaten’ dient te worden gelezen: de partner zijn woning heeft verlaten.
Artikel 70
1.
Indien tot de huishouding van de in overplaatsing zijnde ambtenaar één of meer gezinsleden behoren, wordt het in artikel 69, derde lid, onder a, berekende bedrag verhoogd met:
a. a. bij één gezinslid: 30%; b. b. bij twee gezinsleden: 50%; c. c. bij drie of meer gezinsleden: 60%.
2.
Tot de huishouding van de in overplaatsing zijnde ambtenaar behoren niet:
a. a. de partner, indien aan de ambtenaar een tegemoetkoming in de kosten van dubbele huishouding als bedoeld in artikel 45, eerste lid, wordt toegekend; b. b. de afhankelijke kinderen, indien aan de ambtenaar tijdens de overplaatsingsperiode ten behoeve van hen een vergoeding als bedoeld in de artikelen 51, 52 of 53 wordt toegekend.
3.
Indien de partner in verband met een erkende reden als bedoeld in artikel 44, derde lid, onder b, de standplaats eerder heeft moeten verlaten dan de ambtenaar, wordt aan hem voor ten hoogste de periode, bedoeld in artikel 69, tweede lid, een tegemoetkoming in de kosten van tijdelijke huisvesting toegekend. De tegemoetkoming wordt als volgt vastgesteld:
a. a. ten behoeve van de partner: een bedrag gelijk aan het op grond van artikel 69, derde lid, onder a, berekende bedrag; b. b. ten behoeve van met de partner in overplaatsing zijnde afhankelijke kinderen wordt het onder a bedoelde bedrag verhoogd met:
1°.
bij één kind: 30%;
2°.
bij twee kinderen: 50%;
3°.
bij drie of meer kinderen: 60%.
1°. 1°. bij één kind: 30%; 2°. 2°. bij twee kinderen: 50%; 3°. 3°. bij drie of meer kinderen: 60%.
Artikel 71
1. De ambtenaar die een woning verlaat ontvangt, met inachtneming van het tweede tot en met vierde lid, na het betrekken van een nieuwe woning een tegemoetkoming in de daaruit voortvloeiende kosten.
2. De in het eerste lid bedoelde tegemoetkoming bedraagt een percentage van het voor de ambtenaar geldende brutosalaris, vermenigvuldigd met achtereenvolgens 12 en 1,08, met dien verstande dat voor de vaststelling van de tegemoetkoming het brutosalaris ten minste het maximumsalaris van schaal 6 en ten hoogste het maximumsalaris van schaal 14 van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 bedraagt, vermeerderd met per afhankelijk kind het in Bijlage B, onder 20, vermelde bedrag, voor zover ten behoeve van dat kind op zijn volgende standplaats een tegemoetkoming of vergoeding als bedoeld in artikel 15, 51, 52 of 53 wordt toegekend.
3.
Het in het tweede lid bedoelde percentage bedraagt:
a. a. bij overplaatsing naar Nederland of bij beëindiging van het dienstverband: 12% dan wel, indien de partner in Nederland verbleef: 3%; b. b. bij overplaatsing naar een post:
1°.
indien de aldaar te betrekken dienstwoning niet is ingericht, zulks ter beoordeling van DBV: 10%;
2°.
indien de aldaar te betrekken dienstwoning is ingericht, zulks ter beoordeling van DBV: 3%;
3°.
indien op de post geen dienstwoning ter beschikking is of wordt gesteld maar op andere wijze vanwege het rijk in de huisvesting van de ambtenaar is of wordt voorzien: 3%.
1°. 1°. indien de aldaar te betrekken dienstwoning niet is ingericht, zulks ter beoordeling van DBV: 10%; 2°. 2°. indien de aldaar te betrekken dienstwoning is ingericht, zulks ter beoordeling van DBV: 3%; 3°. 3°. indien op de post geen dienstwoning ter beschikking is of wordt gesteld maar op andere wijze vanwege het rijk in de huisvesting van de ambtenaar is of wordt voorzien: 3%.
4.
De aanspraak op de in dit artikel bedoelde voorziening ontstaat op het volgende tijdstip:
a. a. bij overplaatsing naar een post: op de dag waarop de ambtenaar op de standplaats aankomt; b. b. bij overplaatsing naar Nederland: op de dag waarop de ambtenaar in Nederland aankomt en zijn intrek neemt in een privéwoning; c. c. bij beëindiging van het dienstverband, aansluitend op een plaatsing bij een post:
1°.
bij terugkeer naar Nederland: als onder b;
2°.
bij vestiging buiten Nederland: op de dag, volgend op de dag waarop de ambtenaar zijn werkzaamheden bij de post definitief beëindigt.
1°. 1°. bij terugkeer naar Nederland: als onder b; 2°. 2°. bij vestiging buiten Nederland: op de dag, volgend op de dag waarop de ambtenaar zijn werkzaamheden bij de post definitief beëindigt.
Artikel 72
1. Voorafgaand aan een plaatsing bij een post ondergaat de ambtenaar de immunisaties die door het toekomstige land van plaatsing als eis voor binnenkomst worden gesteld, dan wel door de aangewezen medische instelling worden aanbevolen.
2. Een gezinslid van de ambtenaar wordt in de gelegenheid gesteld immunisaties als bedoeld in het eerste lid te ondergaan.
3. De kosten van arbeidsgezondheidskundige onderzoeken als bedoeld in de artikelen 51, tweede lid en 52, tweede lid, RDBZ alsmede de kosten van de in het eerste en tweede lid bedoelde immunisaties komen voor rekening van het rijk.
4. De kosten verbonden aan vaccinaties voor jonge kinderen overeenkomstig het Rijksvaccinatieprogramma en de kosten van bevolkingsonderzoeken die tijdens de plaatsing op een post voor rekening van de ambtenaar of zijn gezinsleden blijven en waarvoor de ambtenaar en zijn gezinsleden bij inschrijving in een gemeente in Nederland geen kosten zouden behoeven te maken, komen voor rekening van het rijk.
Artikel 73
1. De kosten die de ontvangende staat in rekening brengt voor het afgeven van voor de plaatsing noodzakelijke visa voor de ambtenaar of zijn gezinsleden waarvoor hij aanspraak maakt op een verhoging van de standplaatstoelage als bedoeld in artikel 14 of 15, komen voor rekening van het rijk.
2.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op:
a. a. gezinsleden die ingevolge artikel 47 of 48 een gezinsherenigingsreis naar de standplaats van de ambtenaar ondernemen, of; b. b. de ambtenaar of zijn gezinsleden die:
1°.
een twaalfmaandelijkse verlofreis als bedoeld in artikel 26, een reis voor bedrijfsgeneeskundige begeleiding als bedoeld in artikel 30 of een scholingsreis onderneemt respectievelijk ondernemen van Australië of Nieuw-Zeeland naar Nederland;
2°.
een overplaatsingsreis als bedoeld in artikel 60 onderneemt respectievelijk ondernemen en de totale vliegtijd van de vlucht 21 uur of meer bedraagt,
1°. 1°. een twaalfmaandelijkse verlofreis als bedoeld in artikel 26, een reis voor bedrijfsgeneeskundige begeleiding als bedoeld in artikel 30 of een scholingsreis onderneemt respectievelijk ondernemen van Australië of Nieuw-Zeeland naar Nederland; 2°. 2°. een overplaatsingsreis als bedoeld in artikel 60 onderneemt respectievelijk ondernemen en de totale vliegtijd van de vlucht 21 uur of meer bedraagt,
in de economy klasse of vergelijkbare klasse en daarbij onderweg een overnachting maakt respectievelijk maken als bedoeld in artikel 7, vierde lid, van de Regeling buitenlandse reizen BZ 2017.
Artikel 74
1.
Indien het wenselijk is dat de ambtenaar voorafgaand aan zijn plaatsing bij een post een cursus volgt in een officiële taal dan wel een lokaal gebruikelijke voertaal van het land van zijn aanstaande plaatsing, worden de kosten vergoed van:
a. a. inschrijf-, les- en examenkosten; b. b. door de onderwijsinstelling voorgeschreven lesboeken, met uitzondering van woordenboeken; c. c. vervoer tussen de verblijfplaats van de ambtenaar en de plaats waar bedoelde lessen worden gegeven, overeenkomstig de bepalingen die voor dienstreizen gelden.
2. Vooraf wordt bepaald bij welke instelling de in het eerste lid bedoelde cursus dient te worden gevolgd.
Artikel 75
Artikel 24 is van overeenkomstige toepassing op de ambtenaar die naar een post wordt overgeplaatst.
Artikel 76
Indien het wenselijk is dat de ambtenaar, zijn partner of zijn afhankelijk kind van twaalf jaar of ouder voorafgaand aan de plaatsing bij een post een acculturatiecursus betreffende het land van aanstaande plaatsing volgt, worden die kosten overeenkomstig artikel 74 vergoed.
Hoofdstuk 4. Voorzieningen bij plaatsing of terbeschikkinghouding in Nederland
Artikel 77
1.
Dit hoofdstuk is van toepassing op de in Nederland geplaatste of ter beschikking gehouden ambtenaar indien:
a. a. de plaatsing of de terbeschikkinghouding volgt op een plaatsing bij een post waarvan de duur bij aanvang daarvan was bepaald op een periode van ten minste twaalf maanden; b. b. de duur van de plaatsing in Nederland bij de aanvang daarvan is bepaald op een periode van ten minste zes maanden dan wel bij aanvang van de terbeschikkinghouding het tot plaatsing bevoegde gezag niet verwacht dat deze korter dan zes maanden zal duren.
2. Voor de toepassing van artikel 80 wordt onder de ambtenaar de eerste tandempartner verstaan en geldt de tweede tandempartner als partner van de eerste tandempartner.
Artikel 78
Indien de partner en het kind dan wel het kind zelfstandig op de vorige standplaats zijn respectievelijk is achtergebleven in verband met de afronding van het schooljaar van het kind, zijn de artikelen 45, tweede en derde lid, 46 en 50, vierde lid, van overeenkomstige toepassing.
Artikel 79
1. De boedel van de in artikel 77 bedoelde ambtenaar wordt voor de duur van zijn verblijf in Nederland maar uiterlijk tot zes jaar gerekend vanaf de dag volgend op de dag waarop hij zijn werkzaamheden op de post heeft beëindigd door of in opdracht van een door 3W aangewezen organisatie in Nederland op de voor het rijk meest economische wijze opgeslagen tot een volume van ten hoogste 10 m^3.
2. Indien tijdens het verblijf in Nederland komt vast te staan dat de ambtenaar niet meer voor een periode van langer dan twaalf maanden bij een post in het buitenland zal worden geplaatst, kan door 3W naar billijkheid een datum worden vastgesteld waarop de in het eerste lid bedoelde aanspraak voortijdig eindigt.
3. In afwijking van het eerste lid eindigt de in dit artikel bedoelde aanspraak tussentijds bij beëindiging van het dienstverband.
4. Kosten die de in het eerste lid bedoelde organisatie in rekening brengt voor het aanbrengen van wijzigingen in de samenstelling van het in het eerste lid genoemde volume, komen gedurende de eerste drie maanden gerekend vanaf de dag waarop de boedel in Nederland is afgeleverd voor rijksrekening. Kosten van wijzigingen die nadien op verzoek van de ambtenaar in de samenstelling van de boedel worden aangebracht, komen voor rekening van de ambtenaar en voldoet de ambtenaar rechtstreeks aan die organisatie.
5. De tweede volzin van het vierde lid is niet van toepassing indien de ambtenaar zijn gehele in opslag gegeven boedel in één keer op een adres in Nederland laat afleveren en hij op dat moment naar verwachting nog ten minste twee jaren aanspraak zou kunnen maken op vergoeding van de kosten van opslag van de boedel. In dat geval komen ook de transport- en afleverkosten van de boedel bij het door de ambtenaar opgegeven adres in Nederland voor rijksrekening.
6. De ambtenaar die met de in het eerste lid bedoelde organisatie afspreekt meer boedel op te slaan of op andere wijze boedel op te slaan of meer wijziging aan te brengen in de boedel dan waarop hij krachtens dit artikel aanspraak heeft, voldoet de daarmee verband houdende kosten rechtstreeks aan die organisatie.
Artikel 80
1. De ambtenaar die een voor permanente bewoning geschikte huurwoning in Nederland betrekt, kan op zijn schriftelijk verzoek aanspraak maken op een maandelijkse tegemoetkoming in die woonlasten.
2. De in het eerste lid bedoelde aanspraak ontstaat na afloop van de in artikel 69 bedoelde periode van tijdelijke huisvesting dan wel, indien door de ambtenaar op een dergelijke tegemoetkoming geen aanspraak is gemaakt, op de dag dat de ambtenaar in Nederland is aangekomen.
3. De hoogte van de tegemoetkoming wordt berekend door de maandelijkse kale huur te verminderen met 25% van het voor de ambtenaar geldende brutosalaris, met dien verstande dat daarbij ten hoogste het in Bijlage B, onder 21, vermelde bedrag als kale huur in aanmerking wordt genomen.
4. Het in Bijlage B, onder 21, vermelde bedrag wordt jaarlijks per 1 januari vastgesteld overeenkomstig de meest recente gegevens van het CBS met betrekking tot de gemiddelde verhoging van de woninghuur in Nederland.
5. De tegemoetkoming wordt opnieuw berekend zodra één van de voor toekenning noodzakelijke gegevens daartoe noodzaakt.
6. Op de in het eerste lid bedoelde tegemoetkoming bestaat geen aanspraak indien de huurwoning door de ambtenaar of één van zijn gezinsleden tijdens de plaatsing bij een post is aangehouden of gehuurd, tenzij de woning is gehuurd binnen een periode van 6 maanden voorafgaande aan de dag van aankomst van de ambtenaar in Nederland. De vorige volzin is van overeenkomstige toepassing indien niet de hiervoor bedoelde huurwoning maar een andere huurwoning wordt betrokken.
7.
De aanspraak op de tegemoetkoming vervalt:
a. a. zes jaar na de dag van aankomst van de ambtenaar in Nederland; b. b. indien een andere woning wordt betrokken dan de woning waarvoor de tegemoetkoming is toegekend; c. c. bij ontslag; d. d. zodra het bedrag van de tegemoetkoming voor een periode van twaalf maanden minder bedraagt dan € 200.
8. Indien de ambtenaar een arbeidsduur heeft van meer dan gemiddeld 36 uur per week wordt, in afwijking van artikel 1, onderdeel h, voor de toepassing van dit artikel uitgegaan van het salaris van de ambtenaar bij de voor hem geldende arbeidsduur.
Artikel 81
1. Aan de ambtenaar wiens afhankelijk kind direct voorafgaande aan zijn overplaatsing naar Nederland gedurende ten minste één volledig schooljaar voor rijksrekening primair of secundair niet-Nederlandstalig onderwijs heeft gevolgd en dat onderwijs in dezelfde taal in Nederland voortzet, worden de daarmee verband houdende kosten, met inachtneming van het tweede tot en met het zesde lid, vergoed.
2. De in het eerste lid bedoelde kosten worden ten hoogste vergoed tot het niveau van de door de International School of The Hague of een daarmee vergelijkbare door het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap gesubsidieerde onderwijsinstelling in Nederland in rekening gebrachte kosten als bedoeld in artikel 21, tweede lid, voor het volgen van dat onderwijs.
3. Indien door het kind onderwijs is gevolgd in een Amerikaans of Brits curriculum of het kind Frans-, Duits- of Spaanstalig onderwijs heeft gevolgd en dat onderwijs in hetzelfde curriculum respectievelijk in dezelfde taal in Nederland voortzet, worden in afwijking van het tweede lid de door de desbetreffende onderwijsinstelling in rekening gebrachte kosten vergoed als bedoeld in artikel 21, tweede lid, voor het volgen van dat onderwijs. De vorige volzin is van overeenkomstige toepassing indien het in het eerste lid bedoelde kind niet wordt toegelaten op een in het eerste lid bedoelde school.
4. Indien het in het eerste lid bedoelde kind in Nederland tweetalig onderwijs gaat volgen bij een door het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap gesubsidieerde onderwijsinstelling, worden de daarvoor door de onderwijsinstelling aan de ambtenaar in rekening gebrachte kosten als bedoeld in artikel 21, tweede lid, aan hem vergoed.
5. De aanspraak op de in dit artikel bedoelde vergoeding bestaat voor een periode van ten hoogste zes jaar gerekend vanaf de dag van aankomst van de ambtenaar in Nederland en vervalt bij ontslag.
6. Artikel 21, derde, vierde, vijfde en zesde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 82
1.
Indien een afhankelijk kind dat de leeftijd van 14 jaar nog niet heeft bereikt primair of secundair onderwijs volgt aan een in artikel 81, tweede en derde lid, bedoelde onderwijsinstelling en de enkele reisafstand tussen de woning van de ambtenaar en de onderwijsinstelling meer bedraagt dan 15 kilometer, worden de reiskosten tussen de woning van de ambtenaar en de onderwijsinstelling vice versa aan hem vergoed, voor zover deze betrekking hebben op:
a. a. het gebruik van een transportdienst van de onderwijsinstelling; b. b. de kosten van het gebruik door het kind van openbaar vervoer in de tweede klasse indien geen gebruik kan worden gemaakt van een transportdienst van de onderwijsinstelling; c. c. de kosten van het gebruik door de ambtenaar of zijn partner van gemotoriseerd eigen vervoer indien geen gebruik kan worden gemaakt van een transportdienst van de onderwijsinstelling of van openbaar vervoer, overeenkomstig het lage tarief voor de vergoeding van dienstreizen per eigen auto op grond van het Reisbesluit binnenland.
De onder c bedoelde vergoeding heeft betrekking op één reis van de woning van de ambtenaar naar de onderwijsinstelling vice versa per schooldag.
2. Artikel 81, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.
3. De in het eerste lid bedoelde vergoeding wordt verminderd met de in artikel 23, tweede lid, bedoelde eigen bijdrage.
Artikel 83
Ter zake van de vergoeding van de kosten van bijlessen is artikel 24 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 84
1.
Teneinde een afhankelijk kind dat primair of secundair onderwijs volgt aan een Nederlandstalige onderwijsinstelling in staat te stellen de taal bij te houden waarin het direct voorafgaande aan de overplaatsing van de ambtenaar naar Nederland ten minste twee achtereenvolgende schooljaren voor rijksrekening onderwijs heeft gevolgd, worden de kosten van het volgen van lessen in die taal aan hem vergoed, voor zover:
a. a. deze kosten betrekking hebben op een periode van ten hoogste zes jaar vanaf de dag van aankomst van de ambtenaar in Nederland; b. b. de lessen worden gegeven door een tot lesgeven in de desbetreffende taal bevoegde persoon of worden gevolgd aan een passende onderwijsinstelling.
2. Vergoeding geschiedt tot ten hoogste het in Bijlage B, onder 22, vermelde bedrag per aaneengesloten periode van twaalf maanden waarin de lessen worden gevolgd, welk bedrag jaarlijks per 1 januari wordt vastgesteld overeenkomstig artikel 24, derde lid.
3. Teneinde een afhankelijk kind dat primair of secundair niet-Nederlandstalig onderwijs volgt in staat te stellen aanvullende lessen in de Nederlandse taal te volgen, worden de kosten van het volgen van lessen in de Nederlandse taal overeenkomstig het eerste lid aan de ambtenaar vergoed, met dien verstande dat vergoeding geschiedt tot ten hoogste 50% van het in Bijlage B, onder 8, vermelde bedrag.
4. De ambtenaar die op een post wordt geplaatst, blijft voor zijn in Nederland achterblijvend afhankelijk kind aanspraak maken op de in dit artikel bedoelde vergoeding onder de daarvoor gestelde voorwaarden.
Hoofdstuk 5. Tewerkstellingen van korte duur
Artikel 85
1.
Dit hoofdstuk is van toepassing op de ambtenaar die:
a. a. in Nederland is geplaatst met het oogmerk om telkens tijdelijk bij een post tewerkgesteld te worden al dan niet afgewisseld met tijdelijke tewerkstellingen op het departement; b. b. in Nederland is geplaatst dan wel ter beschikking wordt gehouden en tijdelijk bij een post wordt tewerkgesteld voor een periode welke bij aanvang daarvan naar verwachting langer dan drie maanden, maar korter dan twaalf maanden zal duren; c. c. bij een post is geplaatst en tijdelijk bij een andere post wordt tewerkgesteld; d. d. bij een post is geplaatst en tijdelijk in Nederland wordt tewerkgesteld; e. e. in tijdelijke dienst is aangesteld om tijdelijk bij een post te worden tewerkgesteld voor een periode welke bij aanvang daarvan naar verwachting langer dan drie maanden, maar korter dan twaalf maanden zal duren.
2. De aanspraak op de in de artikelen 86 en 87 bedoelde voorzieningen ontstaat op de dag waarop de ambtenaar zijn tijdelijke werkzaamheden bij de post aanvangt en eindigt op de dag waarop hij deze werkzaamheden beëindigt. Artikel 4, eerste lid, onderdeel b, is van overeenkomstige toepassing.
3. Indien tijdens een tijdelijke tewerkstelling als bedoeld in het eerste lid, onderdelen b en e, voor een periode die bij de aanvang van de tewerkstelling naar verwachting drie maanden of korter zou duren wordt besloten dat deze periode wordt verlengd waardoor de totale periode van tijdelijke tewerkstelling op dezelfde post langer zal duren dan drie maanden, eindigt op het moment waarop het besluit tot verlenging is genomen de toepasselijkheid van het Reisbesluit buitenland en bestaat er voor de resterende duur van de tijdelijke tewerkstelling op die post per gelijke datum aanspraak op de voorzieningen, bedoeld in artikel 86.
Artikel 86
1. Op de ambtenaar die in Nederland is geplaatst dan wel ter beschikking wordt gehouden en tijdelijk bij een post wordt tewerkgesteld, blijft hoofdstuk 4 van toepassing.
2.
Ter zake van de tijdelijke tewerkstelling wordt aan de in artikel 85, eerste lid, onder a, b en e, bedoelde ambtenaar:
a. a. een ticket verstrekt of een vergoeding toegekend als bedoeld in artikel 60; b. b. Indien een vliegticket wordt verstrekt, worden tevens de eventuele kosten vergoed van het vervoeren van ruimbagage met een maximum van 80 kilogram dan wel indien het aantal stuks ruimbagage bepalend is, zoveel stuks ruimbagage om tot het gewicht van 80 kilogram te komen. In dat maximum is begrepen de door de vliegtuigmaatschappij op het ticket vermelde maximale ruimbagage.
3.
Voor de duur van zijn tijdelijke tewerkstelling bij een post zijn op de in het tweede lid bedoelde ambtenaar de in de derde volzin vermelde artikelen van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor vergoedingen en tegemoetkomingen die gerelateerd zijn aan het functieniveau, het niveau van de tijdelijk vervulde functie geldt. Indien echter voor de ambtenaar een hogere salarisschaal geldt dan overeenkomt met het functieniveau van de tijdelijk vervulde functie, is die salarisschaal van toepassing bij de berekening van de vergoedingen en tegemoetkomingen. De in de eerste volzin bedoelde artikelen zijn:
a. a.
artikel 8, eerste lid (huisvesting), juncto artikel 3, eerste lid, van de Regeling Dienstwoningen BZ;
b. b.
artikel 9, eerste en vierde lid (bijkomende kosten huisvesting);
c. c.
artikel 10 (koopkrachtcorrectie nettosalaris);
d. d.
artikel 13 (standplaatstoelage);
e. e.
artikel 19 (koopkrachtcorrectie standplaatstoelage);
f. f.
artikel 20 (tegemoetkoming in verband met hotelverblijf), met dien verstande dat het percentage dat voor de ambtenaar geldt op 12,5% wordt gesteld;
g. g.
artikel 27, derde lid (extra verlof);
h. h.
artikel 30 (bedrijfsgeneeskundige begeleiding);
i. i.
artikel 31 (voorzieningen bij overlijden);
j. j.
artikel 32 (vergoeding huispersoneel), indien hij gedurende zijn tijdelijke tewerkstelling een dienstwoning bewoont en ten behoeve van deze woning geen huispersoneel beschikbaar is dat direct of indirect ten laste van het rijk komt;
k. k.
artikel 35 (vergoeding passieve representatie);
l. l.
artikel 37, eerste lid (koopkrachtcorrectie passieve representatie), met dien verstande dat het percentage waarmee de vergoeding passieve representatie voor koopkrachtverschillen wordt gecorrigeerd 40% bedraagt;
m. m.
artikel 39 (transportvergoeding);
n. n.
artikel 40 (gevolgen beschikbaarstelling dienstauto en regeling privégebruik dienstauto);
o. o.
artikel 43 (reis- en verblijfkosten bij buitenlandse dienstreizen);
p. p.
artikel 47 (herenigingsreis partner);
q. q.
artikel 48 (herenigingsreis kind).
4.
Indien de in het eerste lid bedoelde ambtenaar als gevolg van zijn tijdelijke tewerkstelling bij een post moet worden aangemerkt als eerste of tweede tandempartner, is
a. a. het derde lid, onder a, b en j, niet van toepassing, en b. b.
artikel 3, tweede lid, onder b, van toepassing.
Artikel 87
1. De ambtenaar die tijdens zijn plaatsing bij een post tijdelijk bij een andere post wordt tewerkgesteld, behoudt voor de duur van zijn tijdelijke tewerkstelling aanspraak op de voorzieningen, bedoeld in hoofdstuk 2.
2.
Ter zake van de tijdelijke tewerkstelling wordt aan de in artikel 85, eerste lid, onder c, bedoelde ambtenaar:
a. a. een ticket verstrekt of een vergoeding toegekend als bedoeld in artikel 60; b. b. Indien een vliegticket wordt verstrekt, worden tevens de eventuele kosten vergoed van het vervoeren van ruimbagage met een maximum van 80 kilogram dan wel indien het aantal stuks ruimbagage bepalend is, zoveel stuks ruimbagage om tot het gewicht van 80 kilogram te komen. In dat maximum is begrepen de door de vliegtuigmaatschappij op het ticket vermelde maximale ruimbagage.
3.
In aanvulling op het tweede lid geldt voor de aldaar bedoelde ambtenaar voor de duur van zijn tijdelijke tewerkstelling bij de andere post dat:
a. a. de artikelen 8, eerste lid (huisvesting), juncto 3, eerste lid, van de Regeling Dienstwoningen BZ, 9, eerste en vierde lid (bijkomende kosten huisvesting) en 20 (tegemoetkoming in verband met hotelverblijf) van overeenkomstige toepassing zijn, met dien verstande dat voor de toepassing van artikel 20 het percentage dat voor de ambtenaar geldt op 12,5% wordt gesteld; b. b. indien de voor de tijdelijke standplaats geldende koopkrachtcorrectiefactor als bedoeld in artikel 11 hoger is dan de voor de eigenlijke standplaats geldende koopkrachtcorrectiefactor, de koopkrachtcorrectie nettosalaris als bedoeld in artikel 10 wordt berekend met gebruikmaking van de hogere koopkrachtcorrectiefactor; c. c. indien de voor de tijdelijke standplaats geldende zone-indeling als bedoeld in artikel 12 hoger is dan de voor de eigenlijke standplaats geldende zone-indeling, het verschil tussen de op basis van de hogere zone-indeling berekende standplaatstoelage als bedoeld in artikel 13 en de op basis van de zone-indeling van de eigenlijke standplaats berekende standplaatstoelage additioneel wordt toegekend; d. d. de in onderdeel c bedoelde toekenning voor koopkrachtverschillen wordt gecorrigeerd op de in artikel 19, tweede en derde lid, aangegeven wijze.
4.
Indien de in het eerste lid bedoelde ambtenaar als gevolg van zijn tijdelijke tewerkstelling bij een andere post moet worden aangemerkt als eerste of tweede tandempartner, is
a. a. het derde lid, onder a, niet van toepassing, en b. b.
artikel 3, tweede lid, onder b, van toepassing.
Artikel 88
1. De ambtenaar die tijdens zijn plaatsing bij een post tijdelijk in Nederland wordt tewerkgesteld, behoudt voor de duur van zijn tijdelijke tewerkstelling aanspraak op de voorzieningen, bedoeld in hoofdstuk 2.
2.
Ter zake van de tijdelijke tewerkstelling in Nederland wordt aan de in artikel 85, eerste lid, onder d, bedoelde ambtenaar:
a. a. een ticket verstrekt of een vergoeding toegekend als bedoeld in artikel 60; b. b. Indien een vliegticket wordt verstrekt, worden tevens de eventuele kosten vergoed van het vervoeren van ruimbagage met een maximum van 80 kilogram dan wel indien het aantal stuks ruimbagage bepalend is, zoveel stuks ruimbagage om tot het gewicht van 80 kilogram te komen. In dat maximum is begrepen de door de vliegtuigmaatschappij op het ticket vermelde maximale ruimbagage.
3.
In aanvulling op het tweede lid heeft de aldaar bedoelde ambtenaar voor de duur van zijn tijdelijke tewerkstelling in Nederland aanspraak op:
a. a. een tegemoetkoming in de kosten van tijdelijke huisvesting overeenkomstig artikel 69, met inachtneming van het vierde lid van dat artikel; b. b. een vergoeding woon-werkverkeer als bedoeld in het Verplaatsingskostenbesluit 1989 naar en van de plaats van tijdelijke tewerkstelling.
Hoofdstuk 6. Betalingen
Artikel 89
1. Betaling van de in de artikelen 21 tot en met 26, 28, 30, 31, 33, 34, 38, 41, 43, 47, 48, 51, 52, 53, 61, 72, 73, 74, 75, 76, 86, tweede lid, 87, tweede lid, bedoelde vergoedingen en tegemoetkomingen vindt plaats in de valuta waarin de kosten zijn of worden gemaakt, tenzij zulks naar het oordeel van de Directeur Financieel Economische Zaken niet mogelijk of niet redelijk is.
2. In andere dan in het eerste lid genoemde gevallen vindt de betaling plaats in euro.
Artikel 90
1. De ambtenaar die voor een periode van ten minste twaalf maanden bij een post is geplaatst komt op zijn aanvraag in aanmerking voor een aanloopvoorschot. Een aanloopvoorschot kan aangevraagd worden in de periode gelegen tussen drie maanden voorafgaande aan de verwachte dag van aankomst op de standplaats en een maand na de dag van aankomst op de standplaats.
2.
Het aanloopvoorschot bedraagt, met inachtneming van het derde lid, de som van
a. a. de in een periode van ten hoogste drie maanden toekomende vergoedingen op grond van artikel 10 (koopkrachtcorrectie nettosalaris), de artikelen 13 tot en met 15 (standplaatstoelage), artikel 19 (koopkrachtcorrectie standplaatstoelage), artikel 32 (huispersoneel), de artikelen 35 en 36 (passieve representatie), artikel 37 (koopkrachtcorrectie passieve representatie) en artikel 39 (transportvergoeding), en b. b. het in een periode van ten hoogste drie maanden toekomende nettosalaris.
3. Het aanloopvoorschot bedraagt ten hoogste het bedrag, vermeld in Bijlage B, onder 23. Dit bedrag wordt jaarlijks per 1 januari vastgesteld op de in artikel 13, derde lid, aangegeven wijze.
4. Het aanloopvoorschot is rentevrij en wordt binnen een periode van twee jaar, gerekend vanaf de eerste dag van de maand volgend op de dag van aankomst op de standplaats, in 24 gelijke maandelijkse termijnen verrekend met het totaal aan vergoedingen en tegemoetkomingen dat op grond van deze regeling wordt uitbetaald.
5.
Voor de eerste keer dat aan een ambtenaar een aanloopvoorschot wordt toegekend, gelden de volgende afwijkende bepalingen:
a. a. het bedrag van het aanloopvoorschot bedraagt 150% van het in het tweede lid bedoelde aanloopvoorschot; b. b. in het vierde lid worden de zinsneden ‘binnen een periode van twee jaar’, ‘in 24 gelijke maandelijkse termijnen’ en ‘binnen de periode van twee jaar’, respectievelijk gelezen als: binnen een periode van drie jaar, in 36 gelijke maandelijkse termijnen en binnen de periode van drie jaar.
Artikel 91
1. Indien na het gebruik van een op grond van deze regeling verstrekt ticket komt vast te staan dat de ambtenaar daarop geen aanspraak had en hij dat wist of redelijkerwijs kon weten, stort hij, met inachtneming van de artikelen 26, zevende lid, 47, negende lid, en 48, achtste lid, het door het rijk voor dit ticket betaalde aanschafbedrag binnen een periode van een maand, gerekend vanaf de datum waarop dit aan hem is medegedeeld, in de kas van de post of op een aangegeven bankrekening.
2. Indien een op grond van deze regeling verstrekt ticket niet wordt gebruikt door de ambtenaar, wordt dit zo spoedig mogelijk door de ambtenaar geretourneerd, maar uiterlijk op een zodanig tijdstip dat het ter restitutie aan de vervoermaatschappij kan worden aangeboden binnen de door die maatschappij daarvoor gestelde termijn. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing indien de ambtenaar zonder geldige reden het ticket na afloop van de in de vorige volzin bedoelde termijn retourneert en de vervoermaatschappij om die reden weigert tot restitutie over te gaan.
Artikel 92
1. 3W stelt voorschriften vast voor de wijze van indiening van declaraties betreffende vergoedingen en tegemoetkomingen die op declaratiebasis worden toegekend.
2. Tenzij in deze regeling anders is aangegeven, wordt een declaratie zo spoedig mogelijk ingediend, maar uiterlijk binnen zes maanden nadat de aanspraak op de vergoeding of tegemoetkoming is ontstaan.
3. Indien een declaratie niet binnen de in het tweede lid bedoelde termijn is ingediend, vervalt het recht op de desbetreffende vergoeding of tegemoetkoming.
Hoofdstuk 7. Overige bepalingen
Artikel 93
1. Indien zich omstandigheden of wijzigingen voordoen die van invloed zijn of kunnen zijn op aanspraken op een voorziening als bedoeld in deze regeling, stelt de ambtenaar – afhankelijk van wie beslist over de vaststelling van die aanspraken of voorzieningen – 3W, DBV dan wel het hoofd van de post daarvan onverwijld, maar uiterlijk binnen zeven dagen gerekend vanaf de dag waarop de omstandigheid of wijziging zich voordoet, schriftelijk in kennis.
2. 3W, DBV en het hoofd van de post kunnen van de ambtenaar verlangen dat hij, onder overlegging van bewijsstukken, aantoont dat hij aanspraak kan maken op een voorziening als bedoeld in deze regeling.
3. 3W, DBV en het hoofd van de post kunnen bepalen op welke wijze een kennisgeving als bedoeld in het eerste lid dient plaats te vinden.
Artikel 94
De ambtenaar is naar redelijkheid en billijkheid verplicht de kosten die hij maakt en waarvoor hij op grond van deze regeling op declaratiebasis een voorziening ontvangt te beperken.
Artikel 95
HDPO kan ten gunste van de ambtenaar artikelen van deze regeling buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard gelet op het belang dat ambtenaren en hun gezinsleden zich zowel tijdens de plaatsing bij een post als in de periode direct daaraan voorafgaande en direct daarop volgend een passende tegemoetkoming ontvangen in de noodzakelijke extra kosten die voortvloeien uit die plaatsing en welke ambtenaren van gelijk niveau die in Nederland werkzaam zijn niet hoeven te maken.
Hoofdstuk 8. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 96
1. Het Dienst Buitenlandse Zaken Voorzieningenstelsel 2007 wordt ingetrokken.
2. De Regeling oudedagsvoorziening partners uitgezonden ambtenaren BZ wordt ingetrokken.
3. Alle op Rijksportaal gepubliceerde regels betreffende de professionele ontwikkeling van de partner worden ingetrokken.
Artikel 97
Wijzigt de Regeling dienstwoningen BZ.
Artikel 98
Wijzigt de Regeling buitenlandse reizen BZ 2017.
Artikel 99
1. De ambtenaar die op het moment van inwerkingtreding van deze regeling in het buitenland is geplaatst op grond van de artikelen 27 en 29 van het RDBZ en een buitenlandvergoeding ontvangt overeenkomstig het DBZV 2007 komt in aanmerking voor een overgangsmaatregel als bedoeld in dit artikel indien zijn plaatsingsbesluit vóór 6 juni 2018 aan hem bekend is gemaakt en zijn buitenlandvergoeding tijdens zijn plaatsing sterk daalt als gevolg van de inwerkingtreding van deze regeling.
2.
3W berekent het verschil tussen de hoogte van de buitenlandvergoeding van de ambtenaar op basis van het DBZV 2007 en op basis van deze regeling met de formule: X – Y = Z. Daarbij staat
– – X voor het totaal dat de ambtenaar aan in het derde lid genoemde onderdelen aan buitenlandvergoeding op grond van het DVZV 2007 ontvangt op de dag voorafgaande aan de inwerkingtreding van deze regeling vermeerderd met 50% van een naar een maandbedrag teruggerekende tegemoetkoming in de oudedagsvoorziening als bedoeld in de Regeling oudedagsvoorziening partners uitgezonden ambtenaren BZ; – – Y voor het totaal dat de ambtenaar aan de in het derde lid genoemde onderdelen aan buitenlandvergoeding op grond van deze regeling ontvangt op de dag van inwerkingtreding van deze regeling; – – Z voor het verschil tussen X en Y.
3.
De in het tweede lid bedoelde berekening wordt gebaseerd op het bedrag van de volgende onderdelen van het DBZV 2007 en van deze regeling, tenzij anders aangegeven:
a. a. de standplaatstoelage van de ambtenaar en zijn gezinsleden; b. b. de vergoeding huispersoneel; c. c. de vergoeding passieve representatie van de ambtenaar en zijn partner; d. d. de tegemoetkoming kosten van dubbele huishouding bij gescheiden gezinssituatie; e. e. de tegemoetkoming overige kosten van dubbele huishouding bij gescheiden gezinssituatie; f. f. de inhouding huisvesting; g. g. de inhouding water- en energieverbruik; h. h. de transportvergoeding; i. i. de oudedagsvoorziening zoals opgenomen in deze regeling; j. j. de tegemoetkoming kosten verblijf in een gastgezin; k. k. de tegemoetkoming zelfstandige huisvesting; l. l. de waarde van de volgens deze regeling toegekende extra verloftickets voor kinderen, partners en alleenstaande ambtenaren zoals die door 3W, na advies van de reisagent, eenmalig is vastgesteld en teruggerekend naar een maandbedrag.
4. Aanspraak op de overgangsmaatregel bestaat indien Z meer bedraagt dan het drempelbedrag. Het drempelbedrag bedraagt 10% van X.
5. De overgangsmaatregel wordt toegepast voor de resterende plaatsingsduur zoals die gold op de dag van inwerkingtreding van deze regeling met een maximum van 24 maanden.
6. Het bedrag van de overgangsmaatregel bedraagt gedurende de eerste twaalf maanden 100% van Z voor zover dat uitkomt boven het drempelbedrag en gedurende de daaropvolgende twaalf maanden 50% van Z voor zover dat uitkomt boven het drempelbedrag.
7. Het bedrag van de overgangsmaatregel kan worden verlaagd indien zich een belangrijke wijziging van omstandigheden voordoet waardoor handhaving van dat bedrag niet langer gerechtvaardigd is.
Artikel 100
Indien op de dag van inwerkingtreding van deze regeling de periode van twaalf maanden, bedoeld in artikel 46 van het DBZV 2007, en zes maanden, bedoeld in artikel 53 van het DBZV 2007, zoals die artikelen luidden op de hiervoor bedoelde dag nog voortduren, maakt de ambtenaar in afwijking van artikel 47 van deze regeling voor de resterende duur van de periode van twaalf respectievelijk zes maanden aanspraak op het volgende aantal tickets voor een herenigingsreis:
a. a. één ticket: indien de periode van de in de artikelen 46 en 53 van het DBZV 2007 bedoelde ambtenaar nog gedurende ten minste drie maanden maar minder dan zes maanden voortduurt; b. b. twee tickets: indien de periode van de in artikel 46 van het DBZV 2007 bedoelde ambtenaar zes maanden of meer voortduurt.
Artikel 101
In afwijking van artikel 49 maakt de in dat artikel bedoelde ambtenaar van wie op de dag van inwerkingtreding van deze regeling de periode van twaalf maanden, bedoeld in artikel 49, nog ten minste drie maanden voortduurt, voor de resterende duur van die periode aanspraak op één ticket voor een reis naar Nederland.
Artikel 102
Aan de ambtenaar die op de dag voorafgaande aan de dag van inwerkingtreding van deze regeling een tegemoetkoming ontvangt in de woonlasten als bedoeld in artikel 76 van het DBZV 2007, wordt deze tegemoetkoming ook nadien nog toegekend overeenkomstig dat artikel zoals dat luidde op de hiervoor bedoelde dag.
Artikel 103
De ambtenaar die op de dag voorafgaande aan de dag van inwerkingtreding van deze regeling een vergoeding voor schooltransport ontvangt als bedoeld in artikel 78 van het DBZV 2007, ontvangt die vergoeding voor zijn afhankelijk kind van 14 jaar of ouder nog voor het lopende schooljaar overeenkomstig dat artikel zoals dat luidde op de hiervoor bedoelde dag.
Artikel 104
De ambtenaar die op de dag van inwerkingtreding van deze regeling over het lopende of vorige kalenderjaar nog geen tegemoetkoming heeft aangevraagd als bedoeld in artikel 2 van de Regeling oudedagsvoorziening partners uitgezonden ambtenaren BZ zoals deze regeling luidde op de dag voorafgaande aan de dag van inwerkingtreding van deze regeling, wordt daartoe nog in staat gesteld gedurende twaalf maanden gerekend vanaf de dag van inwerkingtreding van deze regeling.
Artikel 105
1. Deze regeling treedt in werking met ingang van de eerste dag van de maand volgende op de dag waarop het vernieuwde geautomatiseerde vergoedingensysteem waarmee de hoogte van de buitenlandvergoedingen voor de individuele ambtenaar wordt berekend door 3W in gebruik wordt genomen.
2. Deze regeling wordt aangehaald als: Dienst Buitenlandse Zaken Voorzieningenstelsel 2018 (afgekort: DBZV 2018).