rijk/ministeriele-regeling/erkenningsregeling-snelheidsbegrenzers/BWBR0007081
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00
..
README.md feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown 2026-03-30 06:27:40 +02:00

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Erkenningsregeling snelheidsbegrenzers BWBR0007081 ministeriele-regeling geldend 1995-01-01 https://wetten.overheid.nl/BWBR0007081 Erkenningsregeling snelheidsbegrenzers

Erkenningsregeling snelheidsbegrenzers

Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen

Artikel 1

1. In deze regeling wordt verstaan onder:

2. Een wijziging van richtlijn 92/24/EEG treedt in werking met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uiterlijk uitvoering moet zijn gegeven. De Minister doet mededeling in de Staatscourant van het desbetreffende tijdstip van inwerkingtreding.

Hoofdstuk 2. Erkenningseisen

Artikel 2

1. De erkenning wordt verleend voor de door de natuurlijke persoon of rechtspersoon gevoerde merken snelheidsbegrenzer ten aanzien waarvan deze voldoet aan de in dit hoofdstuk gestelde eisen.

2. Een erkenning voor één of meer mobiele installatie-eenheden kan worden verleend aan een natuurlijke persoon of rechtspersoon voor de door deze gevoerde merken snelheidsbegrenzer ten aanzien waarvan wordt voldaan aan de in artikel 9 gestelde eisen.

3.

De in het tweede lid bedoelde mobiele installatie-eenheid wordt ten behoeve van de identificatie gekoppeld aan:

a. a. de naam van de persoon die de werkzaamheden als mobiele installatie-eenheid verricht, dan wel b. b. het kenteken van het voertuig van waaruit de werkzaamheden als mobiele installatie-eenheid worden verricht.

Artikel 3

De aanvrager van een erkenning moet beschikken over:

a. a. een verzegelinrichting en verzegelmateriaal dat geschikt is voor de gevoerde merken snelheidsbegrenzer, b. b. apparatuur voor het afstellen en het controleren van de afstelling van de gevoerde merken snelheidsbegrenzers in een stilstaand voertuig, en c. c. gereedschappen, werkplaatshandboeken en documentatie welke noodzakelijk zijn voor de installatie van de gevoerde merken snelheidsbegrenzer.

Artikel 4

De aanvrager van een erkenning moet beschikken over een register waarvan de registerkaarten overeenkomen met het model zoals opgenomen in bijlage 1 bij deze regeling.

Artikel 5

1.

De aanvrager van een erkenning dan wel het door hem aangewezen personeel moet met goed gevolg een cursus hebben doorlopen met betrekking tot:

a. a. het installeren en het functioneren van de in het kader van de erkenning te voeren merken snelheidsbegrenzers; b. b. het functioneren van controleapparaten met betrekking tot aspecten die van belang zijn bij de installatie van snelheidsbegrenzers; c. c. het functioneren van voertuigen met betrekking tot aspecten die van belang zijn bij de installatie van snelheidsbegrenzers; d. d. de wettelijke voorschriften ten aanzien van snelheidsbegrenzers alsmede ten aanzien van controleapparaten voor zover van belang voor de installatie van snelheidsbegrenzers.

2. De in het eerste lid bedoelde cursus moet zijn georganiseerd door de fabrikant of importeur van de in het kader van de erkenning te voeren merken snelheidsbegrenzer dan wel door de fabrikant van het betrokken motorrijtuig.

Artikel 6

1. De in artikel 5 bedoelde personen moeten door middel van een bewijs van deelname aantonen dat zij met goed gevolg de cursus hebben doorlopen.

2. Deze personen moeten door de aanvrager van de erkenning bij de RDW worden aangemeld.

3. Het bewijs van deelname moet in de werkplaats aanwezig zijn.

Artikel 7

Onverminderd het bepaalde in de artikelen 5 en 6 moet de aanvrager van een erkenning dan wel het door hem aangewezen personeel beschikken over actuele kennis omtrent de in het kader van de erkenning te voeren merken snelheidsbegrenzer.

Artikel 8

De aanvrager van een erkenning moet beschikken over een voorziening voor het door middel van datacommunicatie melden van de installatie aan de RDW. Deze voorziening moet geschikt zijn voor de toegangsstructuur van een door de Directeur geaccepteerd netwerk.

Artikel 9

1. De aanvrager van een erkenning voor één of meer mobiele installatie-eenheden moet beschikken over het in artikel 4 bedoelde register.

2.

De aanvrager draagt er zorg voor dat:

a. a. elke mobiele installatie-eenheid is voorzien van de in artikel 3 voorgeschreven apparatuur; b. b. bij elke mobiele installatie-eenheid een tot installatie bevoegd persoon als bedoeld in artikel 5, aanwezig is.

Hoofdstuk 3. Aanvraag erkenning

Artikel 10

1. De aanvraag voor een erkenning wordt gedaan door een aanvraagformulier waarvan het model in bijlage 2 bij deze regeling is opgenomen, in te dienen bij de RDW.

2.

De aanvrager van een erkenning overlegt tegelijk met het aanvraagformulier de volgende bescheiden:

a. a. voor zover inschrijving in het handelsregister ingevolge de Handelsregisterwet 1996 verplicht is, een niet eerder dan één jaar vóór het tijdstip van indiening van de aanvraag door de secretaris van de Kamer van Koophandel en Fabrieken, waarbij de aanvrager of een onderneming waarop de aanvraag betrekking heeft, is ingeschreven, verstrekt uittreksel, afschrift, fotografische reproduktie of schriftelijke mededeling, waaruit blijkt dat de aanvrager of de onderneming op het tijdstip van afgifte van dat geschrift was ingeschreven in het handelsregister; b. b. voor zover inschrijving in het handelsregister ingevolge boek 2 van het Burgerlijk Wetboek verplicht is of inschrijving in het handelsregister ingevolge artikel 30, derde lid, van Boek 2 van genoemd wetboek is geschied, een niet eerder dan één jaar vóór het tijdstip van indiening van de aanvraag door de secretaris van de Kamer van Koophandel en Fabrieken waarbij de aanvrager is ingeschreven, verstrekte afdruk of schriftelijke mededeling, waaruit blijkt dat de aanvrager op het tijdstip van afgifte van die afdruk of mededeling was ingeschreven in het handelsregister; c. c. indien de aanvraag namens de aanvrager door een ander wordt ingediend, een gewaarmerkt afschrift van een geschrift waaruit blijkt dat die ander tot de vertegenwoordiging bevoegd is.

Hoofdstuk 4. Erkenningsvoorschriften

Paragraaf 1. Algemene erkenningsvoorschriften

Artikel 11

1. De met de installatie verband houdende werkzaamheden mogen slechts geschieden in de werkplaats welke in de erkenning is vermeld.

2. Vanaf de buitenkant van elke werkplaats waarvoor de erkenning geldt is op een door de Dienst Wegverkeer vastgestelde en in de Staatscourant bekendgemaakte wijze zichtbaar dat de erkenning is verleend.

3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing indien het een erkenning voor een mobiele installatie-eenheid betreft.

Artikel 12

1. De erkenninghouder moet voortdurend blijven voldoen aan de in hoofdstuk 2 opgenomen erkenningseisen.

2. De installatie moet plaatsvinden overeenkomstig de in paragraaf 2 opgenomen voorschriften voor installatie.

Artikel 13

De installatie mag alleen worden uitgevoerd door de in artikel 5 bedoelde personen, waarvan de namen ingevolge artikel 6 zijn aangemeld bij de RDW.

Artikel 14

De erkenninghouder draagt er zorg voor dat de bij hem in gebruik zijnde verzegelinrichting alsmede de aan hem verstrekte toegangscodes niet toegankelijk zijn voor onbevoegden.

Paragraaf 2. Voorschriften voor installatie

Artikel 15

Bij installatie mag slechts gebruik worden gemaakt van snelheidsbegrenzers die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 92/24/EEG en die voorzien zijn van een goedkeuringsmerk, zoals opgenomen in bijlage 4 bij deze regeling.

Artikel 16

1.

Er mag slechts tot installatie worden overgegaan indien:

a. a. de omtrek van de banden van de aangedreven wielen van het betrokken motorrijtuig niet meer dan 2,5% afwijkt van de bandenomtrek, vermeld op het in artikel 37, eerste lid, van de Regeling controleapparaten 2005, bedoelde installatieplaatje; b. b. blijkt dat de verzegeling als bedoeld in hoofdstuk V, paragraaf 4, van bijlage I of als bedoeld in hoofdstuk V, paragraaf 3, van bijlage IB van verordening (EEG) nr. 3821/85 van de Raad van 20 december 1985 betreffende het controleapparaat in het wegvervoer (PbEG L 370) van het controleapparaat aanwezig en niet verbroken is.

2. Het eerste lid is slechts van toepassing indien het snelheidssignaal ten behoeve van de snelheidsbegrenzer afkomstig is van het controleapparaat.

Artikel 17

Onverminderd artikel 16, eerste lid, onder b, mag voor de installatie een verzegeling van het controleapparaat verbroken worden, mits het verbreken van deze verzegeling noodzakelijk is voor de aansluiting van de snelheidsbegrenzer op het controleapparaat.

Artikel 18

1.

De snelheidsbegrenzer moet worden geïnstalleerd met inachtneming van:

a. a. de door de fabrikant of importeur van de snelheidsbegrenzer ten aanzien van het desbetreffende merk gegeven installatie-instructies, b. b. de door de fabrikant of importeur van het controleapparaat gegeven instructies ten aanzien van de installatie van een snelheidsbegrenzer, alsmede c. c. de door de fabrikant of importeur van het betrokken voertuig gegeven instructies ten aanzien van de installatie van een snelheidsbegrenzer.

2. De snelheidsbegrenzer moet worden geïnstalleerd met behulp van de in artikel 3 bedoelde gereedschappen en apparatuur.

Artikel 19

De snelheidsbegrenzer moet worden afgesteld op de in artikel 5.3.15, derde lid, van het Voertuigreglement, bepaalde snelheid.

Artikel 20

1. De snelheidsbegrenzer moet in overeenstemming met het ter zake bepaalde in richtlijn 92/24/EEG worden verzegeld overeenkomstig het door de fabrikant van de desbetreffende snelheidsbegrenzer opgestelde verzegelplan.

2. De verzegeling van de verbinding tussen de snelheidsbegrenzer en de brandstofpomp mag door een erkende installateur worden aangebracht ongeacht het merk snelheidsbegrenzer waarvoor deze is erkend, waarbij de melding als bedoeld in artikel 23 achterwege kan blijven.

Artikel 21

1.

Van iedere installatie moeten de volgende gegevens in het register worden vastgelegd:

a. a. met betrekking tot de installateur:

        1º.
        de naam, het adres, de postcode en plaats van de installateur,
      
      
        2º.
        de naam van de persoon die de installatie heeft verricht;

1º. 1º. de naam, het adres, de postcode en plaats van de installateur, 2º. 2º. de naam van de persoon die de installatie heeft verricht; b. b. met betrekking tot het voertuig:

        1º.
        het kenteken, of
      
      
        2º.
        indien het voertuig nog niet is voorzien van een kenteken, het chassisnummer,
      
      
        3º.
        het merk en type, en
      
      
        4º.
        de bandenomtrek van de aangedreven wielen in mm;

1º. 1º. het kenteken, of 2º. 2º. indien het voertuig nog niet is voorzien van een kenteken, het chassisnummer, 3º. 3º. het merk en type, en 4º. 4º. de bandenomtrek van de aangedreven wielen in mm; c. c. met betrekking tot de snelheidsbegrenzer:

        1º.
        het merk en type,
      
      
        2º.
        het goedkeuringsmerk, en
      
      
        3º.
        de ingestelde maximum snelheid;

1º. 1º. het merk en type, 2º. 2º. het goedkeuringsmerk, en 3º. 3º. de ingestelde maximum snelheid; d. d. met betrekking tot de uitgevoerde werkzaamheden:

        1º.
        de datum van de installatie,
      
      
        2º.
        de handtekening van de in onderdeel a, onder 2° bedoelde persoon, en
      
      
        3º.
        het tijdstip van melding van de installatie, en
      
      
        4º.
        het resultaat van de installatie.

1º. 1º. de datum van de installatie, 2º. 2º. de handtekening van de in onderdeel a, onder 2° bedoelde persoon, en 3º. 3º. het tijdstip van melding van de installatie, en 4º. 4º. het resultaat van de installatie.

2. De registerkaart moet door de erkenninghouder voor een periode van ten minste twee jaar vanaf het moment van installatie worden bewaard.

Artikel 22

In de bestuurdersruimte moet op een duidelijk zichtbare plaats een installatieplaatje worden aangebracht waarop de ingestelde snelheid op onuitwisbare wijze is vermeld.

Artikel 23

1.

Nadat de installatie is voltooid en, indien de verzegeling van het controleapparaat overeenkomstig het gestelde in artikel 17 is verbroken, nadat deze door een erkende installateur van snelheidsbegrenzers of controleapparaten opnieuw is aangebracht, moeten door middel van datacommunicatie de volgende gegevens aan de RDW worden gemeld:

a. a. indien het voertuig is voorzien van een kenteken:

        het kenteken en de meldcode gevormd door de laatste vier cijfers van het chassisnummer;
  • het kenteken en de meldcode gevormd door de laatste vier cijfers van het chassisnummer; b. b. indien het voertuig nog niet is voorzien van een kenteken:

          het volledige chassisnummer.
    
  • het volledige chassisnummer.

2. In geval van een mobiele installatie-eenheid moet in aanvulling op het eerste lid tevens het adres en de postcode van de werkplaats waar de installatie is verricht, worden gemeld.

3. De door de directeur gegeven aanwijzingen met betrekking tot de melding moeten in acht worden genomen.

Artikel 24

1. Indien het voertuig blijkens mededeling van de RDW ten aanzien van de snelheidsbegrenzer aan een steekproef moet worden onderworpen, gelden voor de erkenninghouder de in de volgende leden genoemde verplichtingen.

2. De erkenninghouder mag in de staat van een voertuig dat aan een steekproef moet worden onderworpen, gedurende negentig minuten na de in artikel 23 bedoelde melding geen wijziging aanbrengen of laten aanbrengen.

3.

Aan een steekproef moet alle medewerking worden verleend. Onder alle medewerking wordt in ieder geval verstaan:

a. a. dat de persoon die ingevolge artikel 13 bevoegd is tot installeren, aanwezig is; b. b. dat indien de keuring verricht is door een mobiele installatie-eenheid, deze eenheid bij de steekproef aanwezig is; c. c. feitelijke assistentie wordt verleend bij het uitvoeren van de steekproef. Voorts moeten de ter zake door de Directeur gegeven aanwijzingen in acht worden genomen.

4. Indien bij de steekproef wordt vastgesteld dat de snelheidsbegrenzer niet overeenkomstig de voorschriften voor installatie is ingebouwd, afgesteld en verzegeld, wordt door de functionaris van de RDW een steekproefcontrolerapport opgemaakt welke door deze wordt ondertekend, alsmede door de persoon die de installatie heeft verricht.

5.

De eigenaar of houder van een voertuig, waarvoor een steekproef wordt vereist:

a. a. moet voorafgaande aan de steekproef deel I A dan wel deel I van het kentekenbewijs, behorende bij het desbetreffende voertuig, aan de daartoe aangewezen functionaris van de RDW, overleggen, b. b. mag in de in het tweede lid, bedoelde periode van 90 minuten geen wijzigingen brengen of laten brengen in de staat van het voertuig.

Artikel 25

De erkenninghouder mag geen handelingen verrichten dan wel laten verrichten die er toe leiden dat de snelheidsbegrenzer, nadat het voertuig ingevolge artikel 23 bij de RDW is gemeld, niet langer op de voorgeschreven wijze is afgesteld of verzegeld.

Hoofdstuk 5. Toezicht

Paragraaf 1. Algemeen

Artikel 26

De in dit hoofdstuk opgenomen regels ten aanzien van het toezicht op werkplaatsen zijn, voor zover niet anders bepaald, tevens van toepassing op het toezicht op mobiele installatie-eenheden.

Artikel 27

Het bepaalde in de paragrafen 2 en 3 laat de bevoegdheid tot intrekking, wijziging en schorsing van de erkenning, zoals omschreven in artikel 103 van de wet, in andere gevallen dan de in paragrafen 2 en 3 beschreven gevallen, onverlet.

Artikel 28

Onverminderd het bepaalde in artikel 24, derde lid, moet in het kader van het toezicht alle medewerking aan de daartoe aangewezen functionarissen van de RDW worden verleend. Hieronder wordt onder andere verstaan:

a. a. het verlenen van toegang tot de werkplaats, b. b. het verstrekken van inlichtingen, en c. c. het overleggen van bescheiden.

De door de Directeur aangegeven aanwijzingen moeten in acht worden genomen.

Paragraaf 2. Toezicht op erkenningseisen en algemene erkenningsvoorschriften

Artikel 29

Nadat een erkenning is verleend wordt ten minste één maal per twee jaar door middel van een herschouwing onderzocht of de erkenninghouder alsmede de werkplaats nog voldoen aan de in hoofdstuk 2 opgenomen erkenningseisen en of de in hoofdstuk 4 opgenomen erkenningsvoorschriften worden nageleefd. Deze controle kan tevens plaatsvinden in het kader van een steekproef van het voertuig.

Artikel 30

1. Indien aan één of meer erkenningseisen of erkenningsvoorschriften niet wordt voldaan, is ingevolge artikel 103, tweede lid, van de wet intrekking of wijziging van de erkenning voor de betrokken werkplaats mogelijk.

2. De in het eerste lid bedoelde intrekking of wijziging van de erkenning zal, indien de erkenningseis of het erkenningsvoorschrift waaraan niet wordt voldaan slechts betrekking heeft op het installeren van bepaalde merken snelheidsbegrenzers, beperkt blijven tot die merken.

3. De in het eerste lid bedoelde intrekking of wijziging van de erkenning zal, in het geval dat de erkenninghouder een erkenning heeft voor meerdere werkplaatsen, indien een van deze werkplaatsen niet voldoet aan de erkenningseisen of erkenningsvoorschriften, beperkt blijven tot die desbetreffende werkplaats.

Artikel 31

1. Indien er sprake is van een in het eerste lid van artikel 29 bedoelde situatie die echter op korte termijn hersteld kan worden, kan, in plaats van intrekking of wijziging van de erkenning, overgegaan worden tot schorsing van de erkenning voor een termijn van ten hoogste twaalf weken.

2. Wordt binnen de in het eerste lid genoemde termijn niet aangetoond dat wederom aan de erkenningseisen wordt voldaan, dan volgt alsnog intrekking of wijziging van de erkenning.

Artikel 32

In geval van niet-naleving door de erkenninghouder van:

a. a. de in artikel 23 neergelegde verplichtingen ten aanzien van het melden van een voertuig, of b. b. de in artikel 24, tweede en derde lid, opgenomen voorschriften, wordt terstond intrekking van de erkenning overwogen.

Paragraaf 3. Toezicht op voorschriften voor installatie

Artikel 33

1. De steekproef wordt uitgevoerd door een door de Directeur aangewezen functionaris van de RDW en vindt plaats in de werkplaats waar de installatie is verricht.

2. Bij de steekproef wordt onderzocht of de snelheidsbegrenzer overeenkomstig de installatievoorschriften is geïnstalleerd.

Artikel 34

1. Het resultaat van de steekproef telt mee in een door de Directeur vastgesteld systeem van bonus- en strafpunten, dat bekendgemaakt wordt in de Staatscourant. Aan de hand van dit systeem wordt vastgesteld of de kwaliteit van de door de erkenninghouder verrichte inbouwen van dien aard is dat verminderd toezicht, verscherpt toezicht dan wel intrekking van de erkenning mogelijk dan wel noodzakelijk is.

2. De kennisgeving van het verscherpen van het toezicht kan plaatsvinden door middel van datacommunicatie. In dat geval wordt de kennisgeving na daartoe strekkend verzoek van de belanghebbende in een beschikking vastgelegd.

Hoofdstuk 6. Overgangs-en slotbepalingen

Artikel 35

Op het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling bestaande erkenningen als installateur van snelheidsbegrenzers die zijn verleend op basis van artikel 66, onderdeel ij, van het Wegenverkeersreglement, worden aangemerkt als te zijn verleend op grond van artikel 101 van de Wegenverkeerswet 1994.

Artikel 36

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag waarop de artikelen 100, 101 en 102 van de Wegenverkeerswet 1994 alsmede artikel 6.14 van het Voertuigreglement in werking treden.

Artikel 37

Deze regeling wordt aangehaald als: Erkenningsregeling snelheidsbegrenzers.

Bijlage 1. behorende bij

Bijlage 2. behorende bij

Bijlage 3. behorende bij artikel 11

Vervallen

Bijlage 4. behorende bij

Het goedkeuringsmerk voor een snelheidsbegrenzer als bedoeld in artikel 15 bestaat uit:

Voorbeeld:

[afbeelding]

De cijfers 4 en 001241 zijn slechts bij wijze van voorbeeld aangegeven.

Het hierboven afgebeelde goedkeuringsmerk geeft aan dat de snelheidsbegrenzer in Nederland (e4) is goedgekeurd met als goedkeuringsnummer 001241.