40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt. |
||
|---|---|---|
| .. | ||
| README.md | ||
| titel | bwb_id | type | status | datum_inwerkingtreding | bron | citeertitel |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Handhavingsvoorschrift luchtvaartterrein Maastricht | BWBR0008305 | ministeriele-regeling | geldend | 1996-11-01 | https://wetten.overheid.nl/BWBR0008305 | Handhavingsvoorschrift luchtvaartterrein Maastricht |
Handhavingsvoorschrift luchtvaartterrein Maastricht
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
1. In deze regeling wordt verstaan onder:
2. De berekening van de maximaal toelaatbare, de verwachte en de zich ontwikkelende geluidsbelasting geschiedt volgens de krachtens artikel 25g, eerste lid, van de Luchtvaartwet vastgestelde regels.
Hoofdstuk 2. Verzameling van gegevens
Artikel 2
1. De directeur laat de radar- en vliegplangegevens, genoemd in bijlage B bij deze regeling, in het FANOMOS-systeem opslaan en verwerken.
2. De directeur laat iedere werkdag een reservebestand van deze gegevens maken. Dit reservebestand wordt ten minste 5 jaar bewaard.
Artikel 3
De gegevens, bedoeld in artikel 30b, tweede lid, van de Luchtvaartwet, die nodig zijn voor de bepaling van de verwachte geluidsbelasting, zijn de in bijlage C bij deze regeling genoemde gegevens, uitgesplitst per maand.
Artikel 4
Indien blijkt dat de exploitant de in artikel 21 van het aanwijzingsbesluit bedoelde gegevens over het feitelijke gebruik van het luchtvaartterrein niet heeft verstrekt, vordert de directeur, binnen een door hem te bepalen termijn, dat de exploitant deze gegevens alsnog verstrekt.
Artikel 5
Indien de exploitant niet heeft voldaan aan een van de termijnen, genoemd in artikel 30b, zesde lid, van de Luchtvaartwet, maakt de directeur daarvan onmiddellijk rapport op. Hij zendt het rapport aan de Luchtvaartpolitie en een afschrift daarvan aan de exploitant, de Minister van VROM en de voorzitter van de Commissie 28. Tevens stelt hij de Minister hiervan terstond in kennis.
Hoofdstuk 3. Toetsing van feitelijk gebruik aan gebruiksplan en geluidszones
Paragraaf 3.1. De zich ontwikkelende geluidsbelasting
Artikel 6
1. Na afloop van elk kwartaal laat de directeur voor elk netwerkpunt de zich ontwikkelende geluidsbelasting en het verschil tussen de maximaal toelaatbare geluidsbelasting en de zich ontwikkelende geluidsbelasting berekenen.
2. De directeur rapporteert ten minste één keer per kwartaal aan de Minister over de zich ontwikkelende geluidsbelasting en de toetsing daarvan aan het verwachte gebruik van het luchtvaartterrein en aan de maximaal toelaatbare geluidsbelasting, en zendt een afschrift van het rapport aan de Minister van VROM, de exploitant en de voorzitter van de Commissie 28.
Paragraaf 3.2. Overschrijding van de verwachte geluidsbelasting
Artikel 7
1. Indien blijkt dat de zich ontwikkelende geluidsbelasting in enig kwartaal van het gebruiksplanjaar de verwachte geluidsbelasting heeft overschreden met meer dan 50% van het verschil tussen de maximaal toelaatbare geluidsbelasting en de verwachte geluidsbelasting, deelt de directeur aan de exploitant mee dat deze een voorstel tot wijziging van het gebruiksplan aan de Minister dient te zenden.
2. De directeur zendt een afschrift van de in het eerste lid bedoelde mededeling aan de Minister, de Minister van VROM en de voorzitter van de Commissie 28.
Paragraaf 3.3. Dreigende overschrijding van de maximaal toelaatbare geluidsbelasting
Artikel 8
1. Indien blijkt dat de zich ontwikkelende geluidsbelasting in een netwerkpunt hoger is dan de maximaal toelaatbare geluidsbelasting, handelt de directeur volgens artikel 7.
2. In het in het eerste lid bedoelde geval verzoekt de directeur aan de exploitant de in artikel 21 van het aanwijzingsbesluit bedoelde gegevens over het feitelijk gebruik van het luchtvaartterrein maandelijks te verstrekken.
Paragraaf 3.4. Overschrijding van de maximaal toelaatbare geluidsbelasting
Artikel 9
Indien blijkt dat de maximaal toelaatbare geluidsbelasting in een netwerkpunt is overschreden, stelt de directeur de Minister en de exploitant daarvan onmiddellijk in kennis, en zendt een afschrift van deze mededeling aan de Minister van VROM en aan de voorzitter van de Commissie 28.
Paragraaf 3.5. Toepassing preferentieel baangebruiksysteem
Artikel 10
1. De directeur toetst steekproefsgewijs, doch ten minste één keer per kwartaal, de toepassing van het preferentieel baangebruiksysteem zoals omschreven in het gebruiksplan.
2. Op verzoek van het klachtenbureau van de Commissie 28 kan de directeur, indien de aard of omvang van de klachten daartoe aanleiding geeft, naast de in het eerste lid bedoelde toetsing, een specifieke controle uitvoeren op de toepassing van het preferentieel baangebruiksysteem.
Artikel 11
Indien blijkt dat het preferentieel baangebruiksysteem niet is toegepast, onderzoekt de directeur de oorzaak daarvan, maakt hiervan rapport op, stelt de Minister daarvan onmiddellijk in kennis, en zendt een afschrift daarvan aan de Minister van VROM, de voorzitter van de Commissie 28, de exploitant en het bestuur van de LVNL.
Hoofdstuk 4. Toezicht op naleving gebruiksvoorschriften
Paragraaf 4.1. Baanbeschikbaarstelling
Artikel 12
1. De directeur houdt met behulp van het FANOMOS-systeem dagelijks toezicht op de naleving van artikel 16 van het aanwijzingsbesluit omtrent de baanbeschikbaarstelling.
2. Op verzoek van het klachtenbureau van de Commissie 28 kan de directeur, indien de aard of omvang van de klachten daartoe aanleiding geeft, naast het in het eerste lid bedoelde toezicht, een specifieke controle uitvoeren op de baanbeschikbaarstelling.
Artikel 13
Indien blijkt dat de exploitant in strijd met artikel 16 van het aanwijzingsbesluit een baan beschikbaar gesteld heeft, maakt de directeur hiervan rapport op en zendt dit aan de Luchtvaartpolitie en in afschrift aan de exploitant en de Minister van VROM. Tevens stelt de directeur de Minister daarvan onmiddellijk in kennis.
Paragraaf 4.2. Tolerantiegebieden
Artikel 14
1. De directeur houdt dagelijks toezicht, met behulp van het FANOMOS-systeem, op de uitvoering door de gezagvoerders van de aan hen opgedragen standaard-instrument-vertrekprocedure, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van het aanwijzingsbesluit.
2. Op verzoek van het klachtenbureau van de Commissie 28 kan de directeur, indien de aard of omvang van de klachten daartoe aanleiding geeft, naast het in het eerste lid bedoelde toezicht, een specifieke controle uitvoeren op de in het eerste lid bedoelde uitvoering.
Artikel 15
1. Indien blijkt dat een gezagvoerder de hem opgedragen standaard-instrument-vertrekprocedure niet heeft uitgevoerd binnen het voor die procedure vastgestelde tolerantiegebied, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van het aanwijzingsbesluit, kan de directeur de oorzaak daarvan onderzoeken.
2. Indien uit het in het eerste lid bedoelde onderzoek blijkt dat van het tolerantiegebied is afgeweken zonder een daartoe strekkende opdracht van de LVNL, maakt de directeur hiervan rapport op en zendt hij dit aan de Luchtvaartpolitie.
3. Indien uit het onderzoek blijkt dat van het tolerantiegebied is afgeweken in opdracht van de LVNL, maakt de directeur hiervan rapport op en zendt hij dit aan het bestuur van de LVNL en in afschrift aan de exploitant en aan de voorzitter van de Commissie 28.
4. In verband met het in het eerste lid bedoelde onderzoek kan de directeur aan de LVNL verzoeken om hem de registratie van de betreffende radiotelefonie-gesprekken tussen de verkeersleiding en het stuurhutpersoneel te verstrekken.
Paragraaf 4.3. Circuitvluchten
Artikel 16
1. De directeur houdt steekproefsgewijs doch ten minste eenmaal per kwartaal toezicht op de naleving van artikel 20 van het aanwijzingsbesluit betreffende de periode waarin circuitvluchten toegestaan zijn.
2. Op verzoek van het klachtenbureau van de Commissie 28 kan de directeur, indien de aard of omvang van de klachten daartoe aanleiding geeft, een specifieke controle laten uitvoeren op de in het eerste lid bedoelde naleving.
Artikel 17
Indien blijkt dat de gezagvoerder circuitvluchten als bedoeld in artikel 20 van het aanwijzingsbesluit uitvoert of heeft uitgevoerd buiten de in dat artikel genoemde periode, maakt de directeur hiervan rapport op en zendt dit aan de Luchtvaartpolitie.
Paragraaf 4.4. Niet-geluidgecertificeerde of Hoofdstuk 2 vliegtuigen
Artikel 18
1. De directeur houdt steekproefsgewijs, doch ten minste één keer per kwartaal, toezicht op de naleving van de Regeling ter beperking van de exploitatie van niet-geluidgecertificeerde straalvliegtuigen (Stcrt. 1992, 94).
2. Op verzoek van het klachtenbureau van de Commissie 28 kan de directeur, indien de aard of omvang van de klachten daartoe aanleiding geeft, een specifieke controle laten uitvoeren op de in het eerste lid bedoelde naleving.
Artikel 19
Indien blijkt dat de gezagvoerder heeft gehandeld in strijd met de in artikel 18 genoemde regeling, maakt de directeur hiervan rapport op en zendt dit aan de Luchtvaartpolitie.
Hoofdstuk 5. Slotbepalingen
Artikel 20
De directeur rapporteert één keer per kwartaal, gelijktijdig met het in artikel 6, tweede lid, bedoelde rapport, aan de Minister, de Minister van VROM en de voorzitter van de Commissie 28 over:
a. a. het aantal overtredingen van de bij het aanwijzingsbesluit gestelde voorschriften omtrent baanbeschikbaarstelling, tolerantiegebieden en circuitvluchten; b. b. de wijze van afhandeling daarvan, en c. c. het toezicht op de naleving van artikel 30b, zesde lid, van de Luchtvaartwet.
Artikel 21
Deze regeling is van overeenkomstige toepassing op de voorschriften van een krachtens artikel 25f van de Luchtvaartwet gegeven ontheffing.
Artikel 22
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 november 1996.
Artikel 23
Deze regeling wordt aangehaald als: Handhavingsvoorschrift luchtvaartterrein Maastricht.