rijk/ministeriele-regeling/instellingsbeschikking-bedrijfsleven-tno/BWBR0006811
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00
..
README.md feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown 2026-03-30 06:27:40 +02:00

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Instellingsbeschikking Bedrijfsleven TNO BWBR0006811 ministeriele-regeling geldend 1994-09-14 https://wetten.overheid.nl/BWBR0006811 Instellingsbeschikking Bedrijfsleven TNO

Instellingsbeschikking Bedrijfsleven TNO

Paragraaf . Definities

Artikel 1

In dit besluit wordt verstaan onder:

Paragraaf . Instelling

Artikel 2

Ingesteld wordt: de commissie Bedrijfsleven TNO, nader te noemen: commissie.

Paragraaf . Taak

Artikel 3

De commissie heeft tot taak:

inzicht te verwerven in de ontwikkelingen in de kennismarkt van toegepast onderzoek en vandaaruit aanbevelingen te doen

    1. ter versterking van de positie van TNO, met inachtneming van de plaats en missie van TNO in de kennisinfrastructuur, en over de meest geëigende voorwaarden waaronder TNO als moderne R&D-organisatie zich op lange termijn binnen de Nederlandse (en Europese) kennisinfrastructuur kan ontwikkelen. Het gaat daarbij om de drie functies van TNO: huislaboratorium voor de minister van Defensie, onderzoeklaboratorium voor de private sector en onderzoeklaboratorium voor delen van de publieke sector.
    1. om eventuele belemmeringen bij de benutting van kennis en de uitbesteding van R&D door het bedrijfsleven weg te nemen teneinde de wisselwerking tussen bedrijfsleven en TNO te versterken. Bestaande instrumenten en mechanismen dienen onder de loep genomen te worden en te worden beoordeeld op hun effectiviteit voor TNO.

Paragraaf . Samenstelling

Artikel 4

1.

Tot voorzitter, tevens lid van de commissie, te benoemen:

de heer drs J.C. Blankert.

2.

Tot leden van de commissie te benoemen:

  • de heer dr G.M.V. van Aardenne, voorzitter College voor Ziekenhuisvoorzieningen en voorzitter NIVR;
  • de heer J. van Houwelingen, Burgemeester Gemeente Haarlemmermeer;
  • de heer ir F.E. Mathijsen Gerst, voorzitter van de Raad van Bestuur TNO;
  • de heer dr J. Nieuwenhuis, voorzitter Directie Unilever Research Laboratorium;
  • de heer J.H.J. Paques, directeur Paques B.V. Milieutechniek;
  • de heer J.C.A. Vercoulen, directeur R&D, Océ Nederland B.V.

3. Zij worden benoemd voor de duur van de commissie.

4. De voorzitter en de overige leden van de commissie kunnen bij besluit van de minister, de commissie gehoord, om zwaarwichtige redenen worden geschorst en/of tussentijdse ontslagen.

5. Als secretaris van de commissie, niet zijnde lid van de commissie, wordt aangewezen: J.F.G.M. Hurkmans, assistent directeur Arthur D. Little, gevestigd te Rotterdam.

Paragraaf . Inrichting, werkwijze en verantwoordelijkheid

Artikel 5

1. De commissie regelt haar eigen werkzaamheden.

2. Bij haar werkzaamheden zal de commissie deskundigen en instanties horen en adviseurs inschakelen, wanneer de commissie dit wenselijk voorkomt.

3. De secretaris is voor de uitoefening van zijn werkzaamheden uitsluitend verantwoording verschuldigd aan de voorzitter van de commissie.

4. De stukken die betrekking hebben op de activiteiten van de commissie worden ter beschikking gehouden van de minister.

5. Het beheer van de bescheiden betreffende de werkzaamheden van de commissie geschiedt met inachtneming van de bepalingen van het Besluit algemene secretarie-aangelegenheden rijksadministratie (Stb. 1980, 182).

Artikel 6

1. De commissie zal haar werkzaamheden voor 1 februari 1995 afronden met een aan de minister uit te brengen eindrapport.

2. Indien door onvoorziene omstandigheden de commissie haar werkzaamheden niet binnen de in het eerste lid bedoelde termijn kan voltooien, kan de minister op verzoek van de commissie deze termijn verlengen.

Paragraaf . Financiële aspecten

Artikel 7

1. De kosten van de commissie komen voor rekening van de minister, voor zover zij door of namens hem zijn goedgekeurd.

2. Ten aanzien van de leden zijn het Vacatiegeldenbesluit (Stb. 1988, 203) en het Reisbesluit 1971 (Stb. 1970, 602) van toepassing.

Paragraaf . Openbaarmaking

Artikel 8

De artikelen 9 tot en met 11 van de Wet openbaarmaking van bestuur (Stb. 1991, 703) zijn van toepassing.

Paragraaf . Afschriften

Artikel 9

Afschrift van dit besluit zal worden gezonden aan:

  • de voorzitter en leden van de Commissie
  • de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
  • de leden van de Interdepartementale Werkgroep TNO (IWT)
  • de leden van het Interdepartementaal Overleg voor het Wetenschapsbeleid
  • de leden van het Interdepartementaal Overleg voor het Technologiebeleid
  • alle ministers
  • de Colleges van Bestuur van de Universiteiten
  • de voorzitter van de Adviesraad voor het Wetenschaps- en Technologiebeleid
  • de voorzitter van de Wetenschappelijk Raad voor het Regeringsbeleid
  • de president van de Koninklijke Academie van Wetenschappen
  • de voorzitter van de Vereniging Samenwerkende Nederlandse Universiteiten
  • de voorzitter van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek
  • de voorzitter van de Raad van Bestuur TNO
  • de voorzitters van de Grote Technologische Instituten
  • de voorzitter van de Commissie voor Overleg Sectorraden
  • de voorzitter van de Raad van de Centrale Ondernemingsorganisaties
  • de Algemene Rekenkamer

Paragraaf . Inwerkingtreding/opheffing commissie/bekendmaking

Artikel 10

Dit besluit treedt in werking met ingang van de datum van publikatie van dat besluit in het blad Uitleg van het Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen en eindigt met inachtneming van het bepaalde in artikel 6, tweede lid, van dit besluit drie maanden na datum van het eindrapport van de commissie, waarna de commissie is opgeheven.