rijk/ministeriele-regeling/instellingsbesluit-commissie-duurzaamheidsvraagstukken-biomassa/BWBR0030174
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00
..
README.md feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown 2026-03-30 06:27:40 +02:00

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Instellingsbesluit Commissie duurzaamheidsvraagstukken biomassa BWBR0030174 ministeriele-regeling geldend 2011-07-01 https://wetten.overheid.nl/BWBR0030174 Instellingsbesluit Commissie duurzaamheidsvraagstukken biomassa

Instellingsbesluit Commissie duurzaamheidsvraagstukken biomassa

Artikel 1

In dit besluit wordt verstaan onder:

  • biomassa: biomassa als bedoeld in artikel 2, onderdeel e, van richtlijn 2009/28/EG;
  • biobrandstoffen: biobrandstoffen als bedoeld in artikel 2, onderdeel i, van richtlijn 2009/28/EG;
  • commissie: commissie als bedoeld in artikel 2, eerste lid;
  • de 10%-doelstelling: de bijdrage van de inzet van biobrandstoffen aan de doelstelling, zoals bepaald in artikel 3, vierde lid, van richtlijn 2009/28/EG;
  • minister: Minister van Infrastructuur en Milieu;
  • ministerie: ministerie van Infrastructuur en Milieu;
  • richtlijn 98/70/EG: richtlijn nr. 98/70/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 13 oktober 1998 betreffende de kwaliteit van benzine en van dieselbrandstof en tot wijziging van Richtlijn 93/12/EEG van de Raad (PbEG L 350);
  • richtlijn 2009/28/EG: richtlijn nr. 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen en houdende wijziging en intrekking van Richtlijnen 2001/77/EG en 2003/30/EG (PbEU L 140).

Artikel 2

1. Er is een Commissie Duurzaamheidsvraagstukken Biomassa.

2. De commissie wordt ingesteld voor de periode van 1 juli 2011 tot 1 januari 2016.

Artikel 3

1.

De commissie heeft tot taak:

a. a. het gevraagd en ongevraagd adviseren over de verschillende aspecten van duurzaamheid van de productie en het gebruik van biomassa en biobrandstoffen, waarbij de nationale, Europese en mondiale schaal in hun onderlinge relatie worden betrokken, met als uitgangspunt het vergroten van het volume duurzame biomassa in de Nederlandse economie; b. b. het bieden van een forum voor maatschappelijke discussie over de verschillende aspecten van duurzaamheid van biomassa en biobrandstoffen.

2.

De commissie richt zich bij de vervulling van haar taak, bedoeld in het eerste lid, onder meer op het uitbrengen van advies over:

a. a. de mogelijkheden van het uitbreiden van de werkingssfeer van de duurzaamheidscriteria, zoals die in de richtlijnen zijn vastgelegd en verder worden ontwikkeld, naar andere toepassingen van biomassa in de economie, en van het nader specificeren van de duurzaamheidscriteria voor verschillende toepassingen van biomassa, waarbij in ieder geval wordt ingegaan op:

        1°.
        de inzet van biomassa voor alle vormen van energieproductie, mede in relatie tot duurzaamheidsprestaties van fossiele energie;
      
      
        2°.
        de inzet van biomassa in andere industriële sectoren zoals de chemiesector;
      
      
        3°.
        de duurzaamheidsprestaties van fossiele grondstoffen en van voedselproductie, voor zover dat voor het adviseren over de duurzaamheid van biomassa in de energie- en industriesector relevant is;
      
      
        4°.
        de mogelijkheden voor de overheid om te bevorderen dat schaarse duurzame biomassa zo efficiënt mogelijk wordt ingezet;
      
      
        5°.
        de mogelijkheden om aan te sluiten bij reeds bestaande vrijwillige duurzaamheidscriteria voor biomassa in de betreffende sectoren en bij in andere lidstaten van de Europese Unie ontwikkelde instrumenten;
      
      
        6°.
        de mogelijkheden om transparantie op het gebied van duurzaamheid in de betreffende productieketens te bevorderen, waarbij ook naar in andere lidstaten van de Europese Unie ontwikkelde mogelijkheden wordt gekeken.

1°. 1°. de inzet van biomassa voor alle vormen van energieproductie, mede in relatie tot duurzaamheidsprestaties van fossiele energie; 2°. 2°. de inzet van biomassa in andere industriële sectoren zoals de chemiesector; 3°. 3°. de duurzaamheidsprestaties van fossiele grondstoffen en van voedselproductie, voor zover dat voor het adviseren over de duurzaamheid van biomassa in de energie- en industriesector relevant is; 4°. 4°. de mogelijkheden voor de overheid om te bevorderen dat schaarse duurzame biomassa zo efficiënt mogelijk wordt ingezet; 5°. 5°. de mogelijkheden om aan te sluiten bij reeds bestaande vrijwillige duurzaamheidscriteria voor biomassa in de betreffende sectoren en bij in andere lidstaten van de Europese Unie ontwikkelde instrumenten; 6°. 6°. de mogelijkheden om transparantie op het gebied van duurzaamheid in de betreffende productieketens te bevorderen, waarbij ook naar in andere lidstaten van de Europese Unie ontwikkelde mogelijkheden wordt gekeken. b. b. het verwezenlijken van de 10%-doelstelling in Nederland, mede ten behoeve van het actieplan als bedoeld in artikel 4 van richtlijn 2009/28/EG, waarbij in ieder geval wordt ingegaan op:

        1°.
        de optimale inzet van de meest duurzame biobrandstoffen, waarbij rekening wordt gehouden met verdringingseffecten in de economie;
      
      
        2°.
        de mogelijkheden die de overheid en het bedrijfsleven hebben om het bereiken van de 10%-doelstelling te bespoedigen en uit te breiden naar vervoersmodaliteiten die nu nog niet worden omvat in de regelgeving ter implementatie van richtlijn 98/70/EG en richtlijn 2009/28/EG;
      
      
        3°.
        de actuele duurzaamheidsvraagstukken die bij de verdere ontwikkeling van het Europese beleid aan de orde zijn, waaronder in ieder geval is begrepen: het vraagstuk van de indirecte effecten van de productie en het gebruik van biomassa, in het licht van de doelstelling om op duurzame wijze reductie van broeikasgasemissies te bereiken door middel van de inzet van biomassa, en het vraagstuk van de effecten op sociaal gebied van de productie van biomassa.

1°. 1°. de optimale inzet van de meest duurzame biobrandstoffen, waarbij rekening wordt gehouden met verdringingseffecten in de economie; 2°. 2°. de mogelijkheden die de overheid en het bedrijfsleven hebben om het bereiken van de 10%-doelstelling te bespoedigen en uit te breiden naar vervoersmodaliteiten die nu nog niet worden omvat in de regelgeving ter implementatie van richtlijn 98/70/EG en richtlijn 2009/28/EG; 3°. 3°. de actuele duurzaamheidsvraagstukken die bij de verdere ontwikkeling van het Europese beleid aan de orde zijn, waaronder in ieder geval is begrepen: het vraagstuk van de indirecte effecten van de productie en het gebruik van biomassa, in het licht van de doelstelling om op duurzame wijze reductie van broeikasgasemissies te bereiken door middel van de inzet van biomassa, en het vraagstuk van de effecten op sociaal gebied van de productie van biomassa.

Artikel 4

1. De voorzitter en de leden van de commissie worden benoemd door de minister.

2. De leden kunnen tussentijds worden ontslagen door de minister.

3. Bij tussentijds vertrek van een lid kan de minister een ander lid benoemen.

Artikel 5

1. De commissie bepaalt, met inachtneming van dit besluit, haar eigen werkwijze.

2. De commissie stelt een werkplan op.

3. De commissie kan subcommissies instellen en andere personen consulteren, voor zover nodig voor de vervulling van haar taak. De commissie kan, indien zij dit voor de vervulling van haar taak nodig acht, inlichtingen inwinnen bij het ministerie.

Artikel 6

De archiefbescheiden betreffende de werkzaamheden van de commissie worden na beëindiging van de werkzaamheden van de commissie overgedragen aan het archief van het ministerie.

Artikel 7

De commissie verstrekt desgevraagd aan de minister de door hem gewenste inlichtingen.

Artikel 8

1. De minister stelt een budget beschikbaar waaruit de materiële kosten van de commissie worden vergoed, voor zover deze in redelijkheid gemaakt zijn bij de vervulling van haar taak, bedoeld in artikel 3. Onder kosten worden in ieder geval verstaan de kosten voor vergaderingen en voor de productie van adviezen.

2. De minister stelt secretariële ondersteuning beschikbaar ten behoeve van de commissie. Het secretariaat is voor de inhoudelijke uitvoering van zijn taak uitsluitend verantwoording schuldig aan de commissie.

3. Het secretariaat van de commissie handelt de declaraties in verband met de kosten, bedoeld in het eerste lid, af.

4. De commissie rapporteert de minister voor het eind van elk kalenderjaar over de gemaakte kosten, in relatie tot het in artikel 5, tweede lid, bedoelde werkplan.

Artikel 9

1. De voorzitter ontvangt een vaste vergoeding op schaal 18 van bijlage B van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 met een arbeidsduurfactor van 0,2.

2. De andere leden van de commissie ontvangen een vergoeding van 3% van het maximum van salarisschaal 17 van bijlage B van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren1984 per vergadering waaraan zij daadwerkelijk hebben deelgenomen.

3. Het secretariaat van de commissie handelt de declaraties af voor vergoedingen als bedoeld in het tweede lid.

Artikel 10

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en vervalt met ingang van 1 januari 2016.

Artikel 11

Dit besluit wordt aangehaald als: Instellingsbesluit Commissie duurzaamheidsvraagstukken biomassa.