rijk/ministeriele-regeling/instellingsbesluit-commissie-duurzaamheidvraagstukken-biomassa/BWBR0026018
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00
..
README.md feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown 2026-03-30 06:27:40 +02:00

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Instellingsbesluit Commissie duurzaamheidvraagstukken biomassa BWBR0026018 ministeriele-regeling geldend 2009-07-01 https://wetten.overheid.nl/BWBR0026018 Instellingsbesluit Commissie duurzaamheidvraagstukken biomassa

Instellingsbesluit Commissie duurzaamheidvraagstukken biomassa

Artikel 1

In dit besluit wordt verstaan onder:

a. a.

    *Minister:* Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;

b. b.

    *commissie:* Commissie duurzaamheidsvraagstukken biomassa;

c. c.

    *ministerie:* ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;

d. d.

    *richtlijn:*
    Richtlijn 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen en houdende wijziging en intrekking van Richtlijnen 2001/77/EG en 2003/30/EG;

e. e.

    *biomassa:* biomassa, zoals gedefinieerd in artikel 2, onder e, van de richtlijn;

f. f.

    *biobrandstoffen:* biobrandstoffen, zoals gedefinieerd in artikel 2, onder i, van de richtlijn;

g. g.

    *de 10%-doelstelling:* de bijdrage van de inzet van biobrandstoffen aan de doelstelling, zoals bepaald in artikel 3, vierde lid, van de richtlijn.

Artikel 2

1. Er is een Commissie duurzaamheidsvraagstukken biomassa.

2. Commissie wordt ingesteld tot 1 juli 2011.

Artikel 3

1.

De commissie heeft tot taak:

a. a. het gevraagd en ongevraagd adviseren over de verschillende aspecten van duurzaamheid van de productie en het gebruik van biomassa en biobrandstoffen, waarbij de nationale, Europese en mondiale schaal in hun onderlinge relatie worden betrokken, met als uitgangspunt de noodzaak het volume duurzame biobrandstoffen te vergroten; b. b. het bieden van een forum voor maatschappelijke discussie over de verschillende aspecten van duurzaamheid van biomassa en biobrandstoffen.

2.

De commissie zal zich bij de vervulling van haar taak, bedoeld in het eerste lid, in de eerste plaats richten op het uitbrengen van advies over:

a. a. het verwezenlijken van de 10%-doelstelling uit de richtlijn in Nederland, mede ten behoeve van het actieplan als bedoeld in artikel 4 van de richtlijn, waarbij in ieder geval wordt ingegaan op:

        
        de mogelijkheden om de import van biobrandstoffen, waarvan de duurzaamheid is verzekerd door bijvoorbeeld certificering, te bewerkstelligen en te bespoedigen;
      
      
        
        de mogelijkheid een hogere doelstelling te verwezenlijken dan de 10%-doelstelling uit de richtlijn;
      
      
        
        de mogelijkheden die de overheid en het bedrijfsleven hebben om het bereiken van de 10%-doelstelling uit de richtlijn te instrumenteren en te bespoedigen.

de mogelijkheden om de import van biobrandstoffen, waarvan de duurzaamheid is verzekerd door bijvoorbeeld certificering, te bewerkstelligen en te bespoedigen; de mogelijkheid een hogere doelstelling te verwezenlijken dan de 10%-doelstelling uit de richtlijn; de mogelijkheden die de overheid en het bedrijfsleven hebben om het bereiken van de 10%-doelstelling uit de richtlijn te instrumenteren en te bespoedigen. b. b. de actuele duurzaamheidsvraagstukken die bij de verdere ontwikkeling van het Europese beleid aan de orde zijn, waaronder in ieder geval is begrepen:

        
        het vraagstuk van transparantie over de herkomst van biobrandstoffen op de Nederlandse en Europese markt;
      
      
        
        het vraagstuk van de indirecte effecten van de productie en het gebruik van biobrandstoffen, in het licht van de doelstelling om op duurzame wijze reductie van broeikasgasemissies te bereiken door middel van de inzet van biobrandstoffen; en
      
      
        
        het vraagstuk van het uitbreiden van de werkingssfeer van de duurzaamheidscriteria naar vaste biomassa voor energietoepassing.

het vraagstuk van transparantie over de herkomst van biobrandstoffen op de Nederlandse en Europese markt; het vraagstuk van de indirecte effecten van de productie en het gebruik van biobrandstoffen, in het licht van de doelstelling om op duurzame wijze reductie van broeikasgasemissies te bereiken door middel van de inzet van biobrandstoffen; en het vraagstuk van het uitbreiden van de werkingssfeer van de duurzaamheidscriteria naar vaste biomassa voor energietoepassing. c. c. duurzaamheidsvraagstukken die samenhangen met het nationaal en Europees concretiseren en implementeren van de duurzaamheidscriteria zoals omschreven in artikel 17 van de richtlijn.

Artikel 4

1.

In de commissie hebben zitting:

a. a. als voorzitter, tevens lid, mw. dr. D.J.M. Corbey; b. b. als leden:

        1.
        dhr. dr. ir. P.S. Bindraban;
      
      
        2.
        dhr. drs. J. C. D. Boot;
      
      
        3.
        dhr. ir. H. Buis;
      
      
        4.
        dhr. drs. B.W. ten Cate;
      
      
        5.
        dhr. drs. D. Dijk;
      
      
        6.
        dhr. prof. dr. A.P.C. Faaij;
      
      
        7.
        dhr. drs. ing. W. Hadders;
      
      
        8.
        dhr. ir. J.P. Kloos;
      
      
        9.
        dhr. ir. W.J.G. Laan;
      
      
        10.
        mw. ir. K.A.E. Lagendijk;
      
      
        11.
        mw. drs. K.J. van Lierop;
      
      
        12.
        dhr. dr. G. Meester;
      
      
        13.
        mw. drs. M.L.M. Meijer;
      
      
        14.
        mw. drs. D. de Nie;
      
      
        15.
        mw. ir. A. van der Rest;
      
      
        16.
        dhr. drs. S.I.D. Sielhorst;
      
      
        17.
        dhr. prof. dr. ir. P. Vellinga;
      
      
        18.
        dhr. drs. A.E. van Weldam;
      
      
        19.
        dhr. drs. R.C.N. Wit.
    1.   dhr. dr. ir. P.S. Bindraban;
      
    1.   dhr. drs. J. C. D. Boot;
      
    1.   dhr. ir. H. Buis;
      
    1.   dhr. drs. B.W. ten Cate;
      
    1.   dhr. drs. D. Dijk;
      
    1.   dhr. prof. dr. A.P.C. Faaij;
      
    1.   dhr. drs. ing. W. Hadders;
      
    1.   dhr. ir. J.P. Kloos;
      
    1.   dhr. ir. W.J.G. Laan;
      
    1. mw. ir. K.A.E. Lagendijk;
      
    1. mw. drs. K.J. van Lierop;
      
    1. dhr. dr. G. Meester;
      
    1. mw. drs. M.L.M. Meijer;
      
    1. mw. drs. D. de Nie;
      
    1. mw. ir. A. van der Rest;
      
    1. dhr. drs. S.I.D. Sielhorst;
      
    1. dhr. prof. dr. ir. P. Vellinga;
      
    1. dhr. drs. A.E. van Weldam;
      
    1. dhr. drs. R.C.N. Wit.
      

2. De leden kunnen tussentijds worden ontslagen door de minister.

3. Bij tussentijds vertrek van een lid kan de minister een ander lid benoemen.

Artikel 5

1. De commissie bepaalt, met inachtneming van het gestelde in dit besluit, haar eigen werkwijze.

2. De commissie stelt een werkplan op.

3. De commissie kan subcommissies oprichten en andere personen consulteren, voor zover nodig voor de vervulling van haar taak. De commissie kan, indien zij dit voor de vervulling van haar taak nodig acht, inlichtingen inwinnen bij het ministerie.

Artikel 6

De archiefbescheiden betreffende de werkzaamheden van de commissie worden na beëindiging van de werkzaamheden van de commissie bewaard in het archief van het ministerie.

Artikel 7

De commissie verstrekt aan de minister de door hem gewenste inlichtingen.

Artikel 8

1. De minister stelt een budget beschikbaar waaruit de materiële kosten van de commissie worden vergoed, voorzover deze in redelijkheid gemaakt zijn bij de vervulling van haar taak, genoemd in artikel 3. Onder kosten worden in ieder geval verstaan de kosten voor vergaderingen en voor de productie van adviezen.

2. De minister stelt secretariële ondersteuning beschikbaar ten behoeve van de commissie. Het secretariaat is voor de inhoudelijke uitvoering van zijn taak uitsluitend verantwoording schuldig aan de commissie.

3. Het secretariaat van de commissie handelt de declaraties in verband met de kosten, als bedoeld in het eerste lid, af.

4. De commissie rapporteert de minister voor het eind van elk kalenderjaar en voor 1 juli 2011 over de gemaakte kosten, in relatie tot het in artikel 5, tweede lid, bedoelde werkplan.

Artikel 9

1. Aan de voorzitter van de commissie wordt een vaste vergoeding per maand toegekend, overeenkomstig artikel 2 van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies, waarbij de vergoeding wordt vastgesteld op het maximum van schaal 18 van bijlage B van het Bezoldigingsbesluit burgerlijke rijksambtenaren 1984. De arbeidsduurfactor wordt vastgesteld op 0,2 voor de periode vanaf inwerkingtreding van dit besluit tot en met 31 juli 2010 en op 0,1 voor de periode daarna.

2. Voor zover daarvan niet uitgesloten op grond van artikel 2, derde lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies, komen de overige leden van de commissie in aanmerking voor een vergoeding per vergadering waaraan het lid daadwerkelijk heeft deelgenomen, van 3% van het maximum van salarisschaal 17 van bijlage B van het Bezoldigingsbesluit burgerlijke rijksambtenaren 1984.

3. De voorzitter en de andere leden van de commissie ontvangen een vergoeding van reis- en verblijfkosten conform het Reisbesluit Binnenland, het Reisbesluit Buitenland en de Reisregeling Buitenland.

4. Het secretariaat van de commissie handelt de declaraties voor vergoedingen, als bedoeld in de leden 2 en 3, af.

Artikel 10

1. Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.

2. Dit besluit vervalt met ingang van 1 juli 2011.

Artikel 11

Dit besluit wordt aangehaald als: Instellingsbesluit Commissie duurzaamheidsvraagstukken biomassa.