40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt. |
||
|---|---|---|
| .. | ||
| README.md | ||
| titel | bwb_id | type | status | datum_inwerkingtreding | bron | citeertitel |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties voor stikstofreductie | BWBR0048258 | ministeriele-regeling | geldend | 2023-06-13 | https://wetten.overheid.nl/BWBR0048258 | Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties voor stikstofreductie |
Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties voor stikstofreductie
Paragraaf 1. Algemeen
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
-
AERIUS Check: rekeninstrument voor de vaststelling van de omvang van de stikstofvracht, beschikbaar op www.aerius.nl;
-
dierenverblijf: gebouw voor het houden van landbouwhuisdieren, met uitzondering van ruimte voor uitloop;
-
diersoorten met productierecht: melkvee, kippen, kalkoenen en varkens;
-
landbouwhuisdier: zoogdier of vogel voor de productie van vlees, eieren, melk, wol of veren of een paard of pony voor het fokken;
-
melkvee: dieren als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel kk, van de Meststoffenwet;
-
minister: Minister voor Natuur en Stikstof;
-
Natura 2000-gebied: Natura 2000-gebied als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet natuurbescherming, dan wel, na inwerkingtreding van de Omgevingswet, als bedoeld in die wet;
-
natuurvergunning: vergunning als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming of omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit als bedoeld in artikel 2.2aa, onderdeel a, van het Besluit omgevingsrecht dan wel, na de inwerkingtreding van de Omgevingswet, artikel 5.1, eerste lid, onderdeel e, van de Omgevingswet;
-
omgevingsrechtelijke melding: melding op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer dan wel, na de inwerkingtreding van de Omgevingswet, melding als bedoeld in artikel 4.808 van het Besluit activiteiten leefomgeving;
-
omgevingsvergunning beperkte milieutoets: vergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel i, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;
-
omgevingsvergunning milieu: vergunning verleend krachtens artikel 2.1, eerste lid, onderdeel e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, dan wel, na inwerkingtreding van de Omgevingswet, vergunning voor een milieubelastende activiteit als bedoeld in die wet;
-
overbelast Natura 2000-gebied: Natura 2000-gebied dat is vermeld in bijlage 1;
-
productiecapaciteit: dierenverblijven, mest- en voeropslagen; a. productierecht: productierecht als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel aa, van de Meststoffenwet, dat wordt uitgedrukt in:
a. voor fosfaatrecht: kilogrammen fosfaat; b. voor varkensrecht: varkenseenheden, overeenkomstig de normen van bijlage II bij de Meststoffenwet; c. voor pluimveerecht: pluimvee-eenheden, overeenkomstig de normen van bijlage II bij de Meststoffenwet;
a. a. voor fosfaatrecht: kilogrammen fosfaat; b. b. voor varkensrecht: varkenseenheden, overeenkomstig de normen van bijlage II bij de Meststoffenwet; c. c. voor pluimveerecht: pluimvee-eenheden, overeenkomstig de normen van bijlage II bij de Meststoffenwet;
- stikstofvracht: het totaal van de stikstofdepositie, uitgedrukt in mol stikstof per jaar, die door een veehouderijlocatie wordt veroorzaakt op een overbelast Natura 2000-gebied;
- veehouder: natuurlijke persoon of rechtspersoon die of samenwerkingsverband van natuurlijke personen of rechtspersonen dat een veehouderij drijft;
- veehouderij: onderneming voor het houden van landbouwhuisdieren;
- veehouderij met productierecht: veehouderij voor het houden of het mede houden van diersoorten met productierecht;
- veehouderijlocatie: vestigingsplaats van een veehouderij, bestaande uit het erf, bedoeld in artikel 1 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht, dan wel, na inwerkingtreding van de Omgevingswet, bedoeld in bijlage I, onder A, bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, van de vestiging.
Artikel 2
1. De stikstofvracht wordt bepaald met gebruik van AERIUS Check.
2.
Bij de in het eerste lid bedoelde berekening wordt uitgegaan van:
a. a. het aantal landbouwhuisdieren dat gemiddeld in 2021 op de locatie is gehouden, onderscheiden naar de diercategorieën, vermeld in bijlage 1 van de Regeling ammoniak en veehouderij, dan wel, na inwerkingtreding van de Omgevingswet, bijlagen V en VI van de Omgevingsregeling; b. b. het huisvestingssysteem, genoemd in bijlage 1 van de Regeling ammoniak en veehouderij, dan wel, na inwerkingtreding van de Omgevingswet, bijlagen V en VI van de Omgevingsregeling, waarin de onderscheidenlijke diercategorieën in 2021 zijn gehouden.
3. Indien de veehouder aannemelijk kan maken dat de situatie in 2021 niet representatief is voor het jaarlijks gemiddeld gehouden aantal landbouwhuisdieren, kan worden uitgegaan van het aantal landbouwhuisdieren dat gemiddeld is gehouden in 2019 of 2020.
Artikel 3
De artikelen 6, 22, 23, 26, 28, 36, 36a, 41, 43, 52 van het Kaderbesluit nationale EZK- en LNV-subsidies zijn van overeenkomstige toepassing.
Paragraaf 2. Criteria voor subsidieverstrekking
Artikel 4
1. De minister kan een veehouder die een veehouderij met productierecht drijft, op aanvraag subsidie verstrekken voor de onomkeerbare sluiting van een veehouderijlocatie indien de stikstofvracht die deze locatie veroorzaakt op een overbelast Natura 2000-gebied, ten minste gelijk is aan de minimale stikstofvracht die voor dat gebied is vermeld in bijlage 1.
2. Voor subsidieverstrekking op grond van het eerste lid komt niet in aanmerking een veehouder die artikel 19, eerste lid, artikel 20, eerste lid, of artikel 21b, eerste lid, van de Meststoffenwet heeft overtreden.
3. Voor subsidieverstrekking op grond van het eerste lid komt niet in aanmerking een veehouder wiens veehouderij niet voldoet aan de in artikel 2, eerste lid, van bijlage I bij Verordening (EU) nr. 2472/2022 vastgestelde criteria.
Artikel 5
1.
Er is sprake van een onomkeerbare sluiting van een veehouderijlocatie als bedoeld in artikel 4, eerste lid, indien:
a. a. niet langer landbouwhuisdieren worden gehouden op de locatie; b. b. de dierlijke meststoffen zijn verwijderd van de locatie; c. c. de veehouder overeenkomstig artikel 31, eerste lid, van de Meststoffenwet een kennisgeving heeft gedaan van het geheel of gedeeltelijk vervallen van zijn productierecht, waarbij ten minste het productierecht voor een zodanige omvang vervalt als is vereist voor het houden van het hierna vermelde percentage van het aantal dieren, uitgedrukt in varkenseenheden, pluimvee-eenheden respectievelijk kilogrammen fosfaat, dat gemiddeld in het voor de berekening van de stikstofvracht gebruikte referentiejaar op de locatie is gehouden:
–
varkens: 80%;
–
kippen en kalkoenen: 80%;
–
melkvee: 95%;
– – varkens: 80%; – – kippen en kalkoenen: 80%; – – melkvee: 95%; d. d. al naar gelang de toepasselijke verplichtingen op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de Wet milieubeheer, dan wel, na de inwerkingtreding van de Omgevingswet, de Omgevingswet en het Besluit activiteiten leefomgeving:
1°.
de veehouder bij het bevoegd gezag een omgevingsrechtelijke melding heeft gedaan dat hij op de locatie niet langer landbouwhuisdieren houdt en, indien de veehouder op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht tevens dient te beschikken over een omgevingsvergunning beperkte milieutoets, het bevoegd gezag die vergunning heeft ingetrokken; of
2°.
het bevoegd gezag de omgevingsvergunning milieu voor de locatie heeft ingetrokken of zodanig heeft aangepast dat het niet langer is toegestaan op de locatie landbouwhuisdieren te houden;
1°. 1°. de veehouder bij het bevoegd gezag een omgevingsrechtelijke melding heeft gedaan dat hij op de locatie niet langer landbouwhuisdieren houdt en, indien de veehouder op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht tevens dient te beschikken over een omgevingsvergunning beperkte milieutoets, het bevoegd gezag die vergunning heeft ingetrokken; of 2°. 2°. het bevoegd gezag de omgevingsvergunning milieu voor de locatie heeft ingetrokken of zodanig heeft aangepast dat het niet langer is toegestaan op de locatie landbouwhuisdieren te houden; e. e. in het geval de veehouder beschikt over een natuurvergunning voor de locatie: deze vergunning is ingetrokken tenzij onderdeel f van toepassing is; f. f. in het geval de veehouder voornemens is om op de locatie na de sluiting andere activiteiten te gaan verrichten, het bevoegd gezag op verzoek van de veehouder een besluit heeft genomen:
1°.
op grond waarvan de toegestane stikstofemissie vanaf de locatie niet meer bedraagt dan de stikstofemissie ten gevolge van die activiteiten, met een maximum van 15% van de stikstofemissie van de activiteiten waarvoor voorheen toestemming was verleend,
2°.
waarbij voor zover het besluit een wijziging van een natuurvergunning betreft de vergunninghouder wordt verplicht om de toestemming voor de stikstofemissie van de andere activiteiten te laten intrekken ten behoeve van een of meer Natura 2000-gebieden, wanneer hij niet langer gebruik maakt van die toestemming;
1°. 1°. op grond waarvan de toegestane stikstofemissie vanaf de locatie niet meer bedraagt dan de stikstofemissie ten gevolge van die activiteiten, met een maximum van 15% van de stikstofemissie van de activiteiten waarvoor voorheen toestemming was verleend, 2°. 2°. waarbij voor zover het besluit een wijziging van een natuurvergunning betreft de vergunninghouder wordt verplicht om de toestemming voor de stikstofemissie van de andere activiteiten te laten intrekken ten behoeve van een of meer Natura 2000-gebieden, wanneer hij niet langer gebruik maakt van die toestemming; g. g. het bevoegde bestuursorgaan van de gemeente binnen de grenzen waarvan de veehouderijlocatie zich bevindt, een verzoek van de veehouder in behandeling heeft genomen om het bestemmingsplan dan wel, na inwerkingtreding van de Omgevingswet, het omgevingsplan, zodanig aan te passen dat op de locatie niet langer een veehouderij kan worden gevestigd; h. h. de veehouder zich met gebruikmaking van de in bijlage 2 opgenomen modelovereenkomst met de Staat der Nederlanden heeft verbonden om:
1°.
niet langer op de locatie landbouwhuisdieren te houden, noch als persoon, noch tezamen met anderen in de vorm van een rechtspersoon of samenwerkingsverband;
2°.
zeker te stellen dat na al dan niet tijdelijke overdracht of ingebruikgeving van de locatie of een deel daarvan aan een verkrijger of gebruiker evenmin op die locatie landbouwhuisdieren worden gehouden; en
3°.
niet op een andere locatie in Nederland of een andere lidstaat van de Europese Unie dezelfde diersoorten met productierecht te gaan houden die werden gehouden op de locatie die met subsidie op grond van deze regeling is gesloten, noch als persoon, noch tezamen met anderen in de vorm van een rechtspersoon of samenwerkingsverband;
en
1°. 1°. niet langer op de locatie landbouwhuisdieren te houden, noch als persoon, noch tezamen met anderen in de vorm van een rechtspersoon of samenwerkingsverband; 2°. 2°. zeker te stellen dat na al dan niet tijdelijke overdracht of ingebruikgeving van de locatie of een deel daarvan aan een verkrijger of gebruiker evenmin op die locatie landbouwhuisdieren worden gehouden; en 3°. 3°. niet op een andere locatie in Nederland of een andere lidstaat van de Europese Unie dezelfde diersoorten met productierecht te gaan houden die werden gehouden op de locatie die met subsidie op grond van deze regeling is gesloten, noch als persoon, noch tezamen met anderen in de vorm van een rechtspersoon of samenwerkingsverband; i. i. de voor de veehouderij met productierecht op de locatie gebruikte productiecapaciteit is afgebroken en verwijderd.
2. De minister kan ontheffing verlenen van het vereiste, bedoeld in het eerste lid, onderdeel i, voor zover de veehouder productiecapaciteit langdurig gaat gebruiken voor andere activiteiten dan voor een veehouderij, mits het bevoegd gezag op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de Wet milieubeheer dan wel, na de inwerkingtreding van de Omgevingswet, op grond van die wet, met dat gebruik instemt.
Artikel 6
1. De aanvraag van de veehouder wordt afgewezen indien de veehouder op de veehouderijlocatie niet daadwerkelijk een veehouderij met productierecht drijft en voor zover de desbetreffende productiecapaciteit niet onafgebroken gedurende de vijf jaren voorafgaande aan het tijdstip van indiening van de aanvraag op bedrijfseconomisch gangbare wijze gebruikt is.
2.
De aanvraag wordt afgewezen indien de veehouder:
a. a. zich reeds heeft verplicht om de veehouderijlocatie te sluiten of reeds een aanvang heeft gemaakt met de sluiting van de locatie; b. b. voor de locatie in aanmerking komt voor subsidie op grond van de Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties met piekbelasting; of c. c. ruimte voor stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied die voor de veehouderijlocatie bestaat of bestond ingevolge de bestaande vergunningen, in het kader van extern salderen geheel of gedeeltelijk ter beschikking stelt of heeft gesteld voor andere activiteiten met het oog op een daarvoor aangevraagde of aan te vragen natuurvergunning.
3. De aanvraag kan worden afgewezen indien de veehouder niet voldoet of niet heeft voldaan aan de Unienormen of aan de wettelijke vereisten voor het drijven van een veehouderij met productierecht.
4. Alleen indien de aanvrager voldoet aan de normen van de Europese Unie, komt hij voor subsidie op grond van deze regeling in aanmerking. Een aanvraag wordt afgewezen indien de aanvrager niet aan de normen van de Europese Unie voldoet en zijn activiteiten als veehouder moet beëindigen.
Paragraaf 3. Subsidiebedrag
Artikel 7
De subsidie omvat:
a. a. een bijdrage in verband met het geheel of gedeeltelijk vervallen van het productierecht; en b. b. een bijdrage in verband met het verlies van de waarde van de voor de veehouderij met productierecht op de veehouderijlocatie gebruikte productiecapaciteit als gevolg van de onomkeerbare sluiting van de veehouderijlocatie, behoudens voor zover ontheffing van de verplichting tot afbraak en verwijdering van de productiecapaciteit is verleend op grond van artikel 5, tweede lid.
Artikel 8
1. De in artikel 7, onder a, bedoelde bijdrage bedraagt 100% van de waarde van het geheel of gedeeltelijk vervallen productierecht, voor zover dat vervallen productierecht niet meer bedraagt dan het productierecht dat vereist is voor het aantal dieren, uitgedrukt in varkenseenheden, pluimvee-eenheden respectievelijk kilogrammen fosfaat, dat gemiddeld in het voor de berekening van de stikstofvracht gebruikte referentiejaar op de veehouderijlocatie is gehouden.
2.
De in het eerste lid bedoelde waarde wordt bepaald op basis van:
a. a. de marktwaarde van het productierecht benodigd voor een varkenseenheid, respectievelijk een pluimvee-eenheid of een kilogram fosfaat; en b. b. de omvang van het productierecht dat vervalt.
3. De minister stelt met het oog op de toepassing van dit artikel de marktwaarde van het productierecht benodigd voor een varkenseenheid, een pluimvee-eenheid en een kilogram fosfaat vast aan de hand van de actuele marktprijs, waarbij voor zover het gaat om varkensrecht en pluimveerecht onderscheid wordt gemaakt tussen de concentratiegebieden Zuid en Oost, aangeduid in bijlage I van de Meststoffenwet, en het overige gebied, en maakt deze bedragen uiterlijk bekend op de dag voor de aanvang van de openstellingsperiode, bedoeld in artikel 10, eerste lid.
Artikel 9
1. De in artikel 7, onderdeel b, bedoelde bijdrage bedraagt 100% van de gecorrigeerde vervangingswaarde van de voor de veehouderij met productierecht op de veehouderijlocatie gebruikte productiecapaciteit, behoudens voor zover ontheffing van de verplichting tot afbraak en verwijdering van de productiecapaciteit is verleend op grond van artikel 5, tweede lid.
2. De gecorrigeerde vervangingswaarde, bedoeld in het eerste lid, wordt bepaald door per dierenverblijf het aantal m^2 van het dierenverblijf te vermenigvuldigen met het bedrag dat in bijlage 3 is vermeld voor het desbetreffende dierenverblijf, uitgaand van de levensduur, uitgedrukt in jaren en maanden, van de romp van het dierenverblijf op het tijdstip dat is voldaan aan de vereisten, vermeld in artikel 5, eerste lid, onderdelen a, b en c.
Paragraaf 4. Aanvraag tot subsidieverlening
Artikel 10
1. Subsidieaanvragen kunnen worden ingediend in de periode van 3 juli 2023 tot en met 1 december 2023.
2. Het subsidieplafond voor de verstrekking van subsidies op aanvragen die zijn ingediend in de in het eerste lid bedoelde periode, bedraagt € 1.102.000.000,–.
Artikel 11
1. Een subsidieaanvraag wordt ingediend bij de minister met gebruikmaking van een daartoe door de minister ter beschikking gesteld middel.
2. Indien op grond van de Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties met piekbelasting een aanvraag is ingediend in het tijdvak, bedoeld in artikel 10, eerste lid, die niet in aanmerking komt voor toewijzing op grond van die regeling, wordt de aanvraag aangemerkt als aanvraag op grond van deze regeling. In dat geval wordt de aanvraag geacht te zijn gedaan op het tijdstip waarop de oorspronkelijke aanvraag is ingediend en zo nodig is aangevuld om te voldoen aan de wettelijke voorschriften.
3.
De aanvraag bevat ten minste de volgende gegevens:
a. a. gegevens over de aanvrager, waaronder contactgegevens en het nummer waaronder zijn onderneming geregistreerd is bij de Kamer van Koophandel; b. b. de veehouderijlocatie van de aanvrager waarop de aanvraag betrekking heeft; c. c. het gemiddelde aantal dieren van de diersoorten met productierecht, uitgedrukt in varkenseenheden, pluimvee-eenheden respectievelijk kilogrammen fosfaat, dat op de veehouderijlocatie is gehouden in het voor de berekening van de stikstofvracht gebruikte referentiejaar; d. d. de omvang van het productierecht, uitgedrukt in varkenseenheden, pluimvee-eenheden respectievelijk kilogrammen fosfaat, dat zal vervallen; e. e. een opgave of de aanvrager voor de veehouderijlocatie beschikt over een natuurvergunning; f. f. een opgave van de voor de veehouderij met productierecht op de veehouderijlocatie gebruikte productiecapaciteit, met vermelding, voor zover het een dierenverblijf betreft, van:
1°.
de datum waarop voor het eerst landbouwhuisdieren in het dierenverblijf zijn gehouden, en
2°.
de oppervlakte van het dierenverblijf, uitgedrukt in m^2, uitgaand van de buitenmaten van het dierenverblijf.
1°. 1°. de datum waarop voor het eerst landbouwhuisdieren in het dierenverblijf zijn gehouden, en 2°. 2°. de oppervlakte van het dierenverblijf, uitgedrukt in m^2, uitgaand van de buitenmaten van het dierenverblijf.
4.
Bij de aanvraag worden de volgende bescheiden gevoegd:
a. a. een kopie van, voor zover van toepassing, de omgevingsrechtelijke melding, de omgevingsvergunning beperkte milieutoets of de omgevingsvergunning milieu en de natuurvergunning betreffende de veehouderijlocatie waarop de aanvraag betrekking heeft; b. b. een verklaring van de aanvrager dat:
1°.
hij op de veehouderijlocatie daadwerkelijk een veehouderij met productierecht drijft;
2°.
de voor de veehouderij met productierecht op de veehouderijlocatie gebruikte productiecapaciteit onafgebroken gedurende de vijf jaren voorafgaande aan de aanvraag op bedrijfseconomisch gangbare wijze is gebruikt;
1°. 1°. hij op de veehouderijlocatie daadwerkelijk een veehouderij met productierecht drijft; 2°. 2°. de voor de veehouderij met productierecht op de veehouderijlocatie gebruikte productiecapaciteit onafgebroken gedurende de vijf jaren voorafgaande aan de aanvraag op bedrijfseconomisch gangbare wijze is gebruikt; c. c. een kopie van de uitkomsten van de berekening van de stikstofvracht op één of meer overbelaste Natura 2000-gebieden; d. d. een kopie van de administratie voor het voor de berekening van de stikstofvracht gebruikte referentiejaar, voor zover deze betrekking heeft op de gegevens, bedoeld in artikel 32, tweede lid, onderdelen d en e, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet; e. e. een actuele kaart van de veehouderijlocatie, met aanduiding van de voor de veehouderij met productierecht gebruikte productiecapaciteit; f. f. een kopie van de bouwtekening van de dierenverblijven waar de aanvraag betrekking op heeft; g. g. een kopie van de meest recente beschikking voor de bepaling van de waarde, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Wet waardering onroerende zaken, van de productiecapaciteit.
Paragraaf 5. Verdeling subsidieplafond
Artikel 12
1. De minister verdeelt het in artikel 10, tweede lid, bedoelde subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen.
2. De minister rangschikt een aanvraag hoger naarmate de totale stikstofvracht van de desbetreffende veehouderijlocatie op overbelaste Natura 2000-gebieden groter is, afgezet tegen de hoogte van het subsidiebedrag.
Paragraaf 6. Verplichtingen van de subsidieontvanger
Artikel 13
1.
De subsidieontvanger voldoet aan:
a. a. het vereiste, vermeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel h, door de in die bepaling bedoelde overeenkomst binnen zes maanden na de subsidieverlening ondertekend aan de minister te zenden; b. b. de vereisten, vermeld in artikel 5, eerste lid, onderdelen a, b, c en g, binnen twaalf maanden nadat de overeenkomst, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel h, is gesloten; c. c. de vereisten, vermeld in artikel 5, eerste lid, onderdelen d, e, f en i, voor zover van toepassing, binnen 28 maanden nadat de overeenkomst, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel h, is gesloten, met dien verstande dat de subsidieontvanger, voor zover van toepassing, binnen twaalf maanden nadat de overeenkomst, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel h, is gesloten, bij het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdelen d en f, een of meer aanvragen indient tot het nemen van besluiten als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdelen d, e respectievelijk f.
2. Het afbreken en verwijderen van de productiecapaciteit, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel i, vindt niet eerder plaats dan nadat de minister heeft geconstateerd dat uitvoering is gegeven aan de in artikel 5, eerste lid, onderdelen a en b, bedoelde vereisten.
Artikel 14
1. De subsidieontvanger verstrekt de minister op diens verzoek informatie over de uitvoering van de in artikel 5, eerste lid, bedoelde vereisten.
2. De subsidieontvanger verstrekt de minister informatie over de wijze waarop uitvoering is gegeven aan de in artikel 5, eerste lid, onderdelen a, b, c, d, e, f en g bedoelde vereisten.
3. De in het tweede lid bedoelde informatieverstrekking vindt plaats met gebruikmaking van een daartoe door de minister ter beschikking gesteld middel.
4.
Bij de informatieverstrekking worden de volgende bescheiden gevoegd:
a. a. een kopie van de kennisgeving over het geheel of gedeeltelijk vervallen van het productierecht, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel c; b. b. een kopie van de omgevingsrechtelijke melding, dan wel intrekking of wijziging van de omgevingsvergunning beperkte milieutoets of omgevingsvergunning milieu, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel d; c. c. een kopie van het besluit, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel e, of van het besluit, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel f; d. d. een kopie van een ontvangstbevestiging van aanvragen als bedoeld in artikel 13, eerste lid, onderdeel c; e. e. een kopie van het verzoek, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel g, en van een bericht van de gemeente waaruit blijkt dat het verzoek in behandeling is genomen.
Artikel 15
1. De subsidieontvanger houdt zich aan de verplichtingen die hij jegens de Staat der Nederlanden is aangegaan op grond van artikel 5, eerste lid, onderdeel h.
2. De subsidieontvanger stelt geen ruimte voor stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied die voor de veehouderijlocatie bestaat of bestond ingevolge de bestaande vergunningen, in het kader van extern salderen geheel of gedeeltelijk ter beschikking voor andere activiteiten met het oog op een daarvoor aangevraagde of aan te vragen natuurvergunning.
Paragraaf 7. Gegevensverwerking
Artikel 16
1. De minister kan voor een beoordeling van de juistheid van de informatie die is verstrekt bij de indiening van aanvragen op grond van deze regeling gebruikmaken van de daarvoor noodzakelijke gegevens die zijn opgenomen in registraties op grond van de Meststoffenwet, de Wet dieren, de Landbouwwet, de Verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 (PB EU 2016, L 84) en de Gedelegeerde verordening (EU) 2019/2035 van de Commissie (Pb EU 2019, L 314).
2. De minister kan met het oog op de uitvoering van deze regeling gegevens over aanvragen op grond van deze regelingen verstrekken aan het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel d respectievelijk f.
3.
De minister kan gegevens die de subsidieontvanger heeft verschaft in het kader van de subsidieverstrekking gebruiken voor:
a. a. het opnemen van depositieruimte in AERIUS Register, bedoeld in afdeling 3.7 van de Omgevingsregeling; b. b. de toepassing van de artikelen 1.12f, 1.13b en 1.13c van de Wet natuurbescherming en de artikelen 2.2, 2.3 en 2.4 van het Besluit natuurbescherming, dan wel, na inwerkingtreding van de Omgevingswet: artikel 20.1, eerste lid, van die wet, de artikelen 11.68, 11.69, 11.69a, 11.69c, 12.26b en 12.26c van het Besluit kwaliteit leefomgeving en de artikelen 10.36dc en 15.5 van het Omgevingsbesluit.
Paragraaf 8. Bevoorschotting
Artikel 17
1. De minister verstrekt de subsidieontvanger uiterlijk zes weken na ontvangst van de ondertekende overeenkomst, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel h, een voorschot van 20% van het subsidiebedrag.
2. De minister verstrekt de subsidieontvanger een voorschot van 60% van het subsidiebedrag uiterlijk zes weken nadat aan de hand van de in artikel 14, tweede lid, bedoelde informatieverstrekking is vastgesteld dat uitvoering is gegeven aan de in artikel 5, eerste lid, onderdelen a, b, c en g bedoelde vereisten en dat de subsidieontvanger, voor zover van toepassing, bij het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdelen d en f, een of meer aanvragen heeft ingediend tot het nemen van een besluit als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdelen d, e respectievelijk f.
Paragraaf 9. Subsidievaststelling
Artikel 18
De aanvraag om subsidievaststelling wordt uiterlijk dertien weken na afloop van de in artikel 13, eerste lid, onderdeel c, bedoelde termijn van 28 maanden ingediend met gebruikmaking van een middel dat door de minister beschikbaar wordt gesteld.
Paragraaf 10. Slotbepalingen
Artikel 19
1. De subsidie, bedoeld in artikel 4, eerste lid, bevat staatssteun.
2.
De minister maakt, gelet op de Richtsnoeren voor staatssteun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden (2022/C 485/01), na de datum van de subsidievaststelling de volgende gegevens over de subsidieverstrekking bekend:
a. a. de naam van de subsidieontvanger; b. b. de hoogte van het verstrekte subsidiebedrag; c. c. de datum van de subsidievaststelling; d. d. het feit dat de subsidieverstrekking betrekking heeft op een onderneming die voldoet aan de in artikel 2, eerste lid van bijlage I bij Verordening (EU) nr. 2472/2022 vastgestelde criteria; e. e. de provincie op het grondgebied waarvan de locatie zich bevindt; f. f. de voornaamste economische sector waarin de subsidieontvanger ten tijde van de subsidieaanvraag actief was.
3. De gegevens, bedoeld in het tweede lid, blijven ten minste tien jaar openbaar beschikbaar.
Artikel 20
1. Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.
2. Deze regeling vervalt vijf jaren na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend.
Artikel 21
Deze regeling wordt aangehaald als: Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties voor stikstofreductie.
Bijlage 1. behorende bij
Bijlage 2. behorende bij
Bijlage 3. behorende bij
[afbeelding]
[afbeelding]
[afbeelding]
[afbeelding]
[afbeelding]
[afbeelding]