rijk/ministeriele-regeling/mandaatbesluit-artikelen-26-90b-en-90c-van-de-wet-toezicht-kredietwezen-1992/BWBR0016079
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00
..
README.md feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown 2026-03-30 06:27:40 +02:00

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Mandaatbesluit artikelen 26, 90b en 90c van de Wet toezicht kredietwezen 1992 BWBR0016079 ministeriele-regeling geldend 2004-01-01 https://wetten.overheid.nl/BWBR0016079 Mandaatbesluit artikelen 26, 90b en 90c van de Wet toezicht kredietwezen 1992

Mandaatbesluit artikelen 26, 90b en 90c van de Wet toezicht kredietwezen 1992

Artikel 1

In dit besluit wordt verstaan ander:

  • de Minister: de Minister van Financiën;
  • de Bank: De Nederlandsche Bank NV;
  • de wet: de Wet toezicht kredietwezen 1992;
  • kredietinstelling: een kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, van de wet, die een vergunning heeft verkregen als bedoeld in artikel 6 van de wet;
  • verzekeraar: een verzekeraar met zetel in Nederland die beschikt over een vergunning als bedoeld in artikel 24 van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993, dan wel een verzekeraar met zetel in Nederland die beschikt over een vergunning als bedoeld in artikel 11 van de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf;

Artikel 2

De Bank beslist ingevolge artikel 26, eerste lid, van de wet vanwege de Minister op aanvragen tot het verkrijgen van een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 23, eerste lid, van de wet, met uitzondering van aanvragen tot:

    1. het houden, verwerven dan wel vergroten van een gekwalificeerde deelneming als bedoeld in artikel 23, eerste lid, onder b, van de wet door een kredietinstelling die gerekend naar balanstotaal per ultimo van het jaar voorafgaand aan de aanvraag behoorde tot de grootste vijf kredietinstellingen in:

      a.
      een andere kredietinstelling die gerekend naar balanstotaal per ultimo van het jaar voorafgaand aan de aanvraag behoorde tot de grootste vijf kredietinstellingen;
      
      
      b.
      een buitenlandse kredietinstelling in de zin van artikel 1 van de Richtlijn, indien het balanstotaal van de te verwerven kredietinstelling per ultimo van het jaar voorafgaand aan de aanvraag meer bedraagt dan 5% van het balanstotaal van de verwervende kredietinstelling per ultimo van het jaar voorafgaand aan de aanvraag;
      
      
      c.
      een verzekeraar die gerekend naar bruto premie-inkomen per ultimo van het jaar voorafgaand aan de aanvraag behoorde tot de grootste vijf verzekeraars.
      

a. a. een andere kredietinstelling die gerekend naar balanstotaal per ultimo van het jaar voorafgaand aan de aanvraag behoorde tot de grootste vijf kredietinstellingen; b. b. een buitenlandse kredietinstelling in de zin van artikel 1 van de Richtlijn, indien het balanstotaal van de te verwerven kredietinstelling per ultimo van het jaar voorafgaand aan de aanvraag meer bedraagt dan 5% van het balanstotaal van de verwervende kredietinstelling per ultimo van het jaar voorafgaand aan de aanvraag; c. c. een verzekeraar die gerekend naar bruto premie-inkomen per ultimo van het jaar voorafgaand aan de aanvraag behoorde tot de grootste vijf verzekeraars. 2. 2. het aangaan van een fusie als bedoeld in artikel 23, eerste lid, onder e, van de wet door een kredietinstelling die gerekend naar balanstotaal per ultimo van het jaar voorafgaand aan de aanvraag behoorde tot de grootste vijf kredietinstellingen met:

      a.
      een andere kredietinstelling die gerekend naar balanstotaal per ultimo van het jaar voorafgaand aan de aanvraag behoorde tot de grootste vijf kredietinstellingen;
    
    
      b.
      een buitenlandse kredietinstelling in de zin van artikel 1 van de Richtlijn, indien het balanstotaal van de te verwerven onderneming of instelling per ultimo van het jaar voorafgaand aan de aanvraag meer bedraagt dan 5% van het balanstotaal van de verwervende kredietinstelling per ultimo van het jaar voorafgaand aan de aanvraag.

a. a. een andere kredietinstelling die gerekend naar balanstotaal per ultimo van het jaar voorafgaand aan de aanvraag behoorde tot de grootste vijf kredietinstellingen; b. b. een buitenlandse kredietinstelling in de zin van artikel 1 van de Richtlijn, indien het balanstotaal van de te verwerven onderneming of instelling per ultimo van het jaar voorafgaand aan de aanvraag meer bedraagt dan 5% van het balanstotaal van de verwervende kredietinstelling per ultimo van het jaar voorafgaand aan de aanvraag.

Artikel 3

1.

De Bank beslist ingevolge artikel 26, eerste lid, van de wet vanwege de Minister op aanvragen tot het verkrijgen van een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 24, eerste lid, van de wet, met uitzondering van aanvragen tot het houden, verwerven dan wel vergroten van een gekwalificeerde deelneming dan wel tot het uitoefenen van enige zeggenschap verbonden aan een gekwalificeerde deelneming in een kredietinstelling die gerekend naar balanstotaal per ultimo van het jaar voorafgaand aan de aanvraag behoorde tot de grootste vijf kredietinstellingen door:

a. a. een kredietinstelling die gerekend naar balanstotaal per ultimo van het jaar voorafgaand aan de aanvraag behoorde tot de grootste vijf kredietinstellingen; b. b. een verzekeraar die gerekend naar bruto premie-inkomen per ultimo van het jaar voorafgaand aan de aanvraag behoorde tot de grootste vijf verzekeraars; c. c. een ieder die niet behoort tot de onder a en b bedoelde categorieën, in geval van een belang van meer dan 20%.

2. De Bank kan ingevolge artikel 25a, tweede lid, van de wet aan een verklaring van geen bezwaar beperkingen stellen of voorwaarden verbinden, indien zij vanwege de Minister beslist op aanvragen tot het verkrijgen van een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 24, eerste lid, van de wet.

Artikel 4

Vervallen

Artikel 5

De Bank stelt ingevolge artikel 23, vierde en vijfde lid, en artikel 24, vierde en zesde lid, van de wet vanwege de Minister de onderscheiden termijnen vast ten aanzien van door de Minister voor de inwerkingtreding van dit besluit afgegeven verklaringen van geen bezwaar, indien de Bank op grond van dit besluit bevoegd zou zijn vanwege de Minister te beslissen op de aanvraag tot het verkrijgen van de verklaring van geen bezwaar.

Artikel 6

De Bank kan ingevolge artikel 25a, derde lid, van de wet vanwege de Minister aan de verklaring van geen bezwaar de in dat artikellid bedoelde gewijzigde voorschriften verbinden:

a. a. in de gevallen waarin de Bank vanwege de Minister heeft beslist op de aanvraag tot het verkrijgen van de verklaring van geen bezwaar; b. b. in de gevallen waarin de Minister heeft beslist op de aanvraag tot het verkrijgen van de verklaring van geen bezwaar, indien de Bank op grond van dit besluit vanwege de Minister bevoegd zou zijn geweest te beslissen op de aanvraag tot het verkrijgen van de verklaring van geen bezwaar.

Artikel 7

De Bank beslist ingevolge artikel 26, zevende lid, van de wet vanwege de Minister tot het wijzigen of intrekken van een door de Minister voor de inwerkingtreding van dit besluit afgegeven verklaring van geen bezwaar, indien de Bank op grond van dit besluit vanwege de Minister bevoegd zou zijn geweest te beslissen op de aanvraag tot het verkrijgen van de verklaring van geen bezwaar.

Artikel 8

De Bank oefent in de gevallen, waarin zij op grond van dit besluit bevoegd is vanwege de Minister verklaringen van geen bezwaar te verlenen en daarmee samenhangende bevoegdheden uit te oefenen, de volgende bevoegdheden uit:

    1. het opleggen van een last onder dwangsom als bedoeld in artikel 90b, eerste lid, van de wet terzake van overtreding van voorschriften, gesteld bij of krachtens de artikelen 23, eerste, derde, vierde en vijfde lid, 24, eerste, derde, vierde en zesde lid, 25a, tweede en derde lid, 26, achtste lid, van de wet;
    1. het opleggen van een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 90c, eerste lid, van de wet terzake van overtreding van voorschriften, gesteld bij of krachtens de artikelen 23, eerste, derde, vierde en vijfde lid, 24, eerste, derde, vierde en zesde lid, 25a, tweede en derde lid, 26, achtste lid, van de wet;
    1. de bevoegdheden, bedoeld in Hoofdstuk XIIIB van de wet, die noodzakelijk zijn met betrekking tot het opleggen van een last onder dwangsom of een bestuurlijke boete terzake van overtreding van voorschriften, gesteld bij of krachtens de artikelen 23, eerste, derde, vierde en vijfde lid, 24, eerste, derde, vierde en zesde lid, 25a, tweede en derde lid, 26, achtste lid, van de wet.

Artikel 9

Een document dat is opgesteld door de Bank en waarin is vastgelegd een besluit of handeling genomen respectievelijk verricht op grond van dit besluit, vermeldt aan het slot:

De Minister van Financiën,

namens deze:

De Nederlandsche Bank NV,.

Artikel 10

De Bank treedt in overleg met de Minister, indien in bijzondere gevallen sprake is van handelingen die de structuur van de financiële sector in zijn wezen raken, ook wanneer op die handelingen het gestelde in de artikelen 2 en 3 van toepassing zou zijn.

Artikel 11

Het mandaat verleend bij brief van 19 december 1994, kenmerk BGW 94/1410-U, wordt ingetrokken.

Artikel 12

Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst en treedt in werking met ingang van 1 januari 2004.

Artikel 13

Dit besluit wordt aangehaald als: Mandaatbesluit artikelen 26, 90b en 90c van de Wet toezicht kredietwezen 1992.