40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt. |
||
|---|---|---|
| .. | ||
| README.md | ||
| titel | bwb_id | type | status | datum_inwerkingtreding | bron | citeertitel |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Meetregeling luchtkwaliteit 2005 | BWBR0018590 | ministeriele-regeling | geldend | 2005-08-05 | https://wetten.overheid.nl/BWBR0018590 | Meetregeling luchtkwaliteit 2005 |
Meetregeling luchtkwaliteit 2005
Paragraaf 1. Definities
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder besluit: Besluit luchtkwaliteit 2005.
Paragraaf 2. Agglomeraties en zones
Artikel 2
Voor de toepassing van het besluit worden als agglomeraties aangewezen:
a. a. agglomeratie Amsterdam/Haarlem, omvattend de gemeenten Amsterdam, Aalsmeer, Amstelveen, Uithoorn, Ouder-Amstel, Diemen, Zaanstad, Heemskerk, Beverwijk, Velsen, Haarlem, Bloemendaal, Zandvoort, Heemstede, Bennebroek, Haarlemmerliede, Spaarnwoude en Haarlemmermeer; b. b. agglomeratie Den Haag/Leiden, omvattend de gemeenten Den Haag, Westland, Midden-Delfland, Delft, Rijswijk, Leidschendam-Voorburg, Wassenaar, Voorschoten, Leiden, Oegstgeest, Katwijk, Valkenburg, Rijnsburg en Leiderdorp; c. c. agglomeratie Rotterdam/Dordrecht, omvattend de gemeenten Rotterdam, Schiedam, Vlaardingen, Maassluis, Rozenburg, Spijkenisse, Albrandswaard, Capelle aan de IJssel, Ridderkerk, Barendrecht, Zwijndrecht, Hendrik-Ido-Ambacht, Dordrecht, Papendrecht en Sliedrecht; d. d. agglomeratie Utrecht, omvattend de gemeenten Utrecht, Houten, Nieuwegein, IJsselstein en Maarssen; e. e. agglomeratie Eindhoven, omvattend de gemeenten Eindhoven, Best, Veldhoven, Geldrop-Mierlo, Nuenen en Helmond; f. f. agglomeratie Heerlen/Kerkrade, omvattend de gemeenten Heerlen, Kerkrade, Landgraaf, Brunssum, Voerendaal en Nuth.
Artikel 3
Voor de toepassing van het besluit worden als zones aangewezen:
a. a. zone noord, omvattend de provincies Groningen, Friesland, Drenthe, Overijssel en Flevoland; b. b. zone midden, omvattend de provincies Noord-Holland, Zuid-Holland, Utrecht en Gelderland, met uitzondering van de zich in dit gebied bevindende agglomeraties; c. c. zone zuid, omvattend de provincies Zeeland, Noord-Brabant en Limburg, met uitzondering van de zich in dit gebied bevindende agglomeraties.
Paragraaf 3. Meetpunten
Artikel 4
1.
De agglomeratie Amsterdam/Haarlem bevat ten minste:
a. a. twee vaste meetpunten voor zwaveldioxide; b. b. vier vaste meetpunten voor stikstofdioxide; c. c. vier vaste meetpunten voor zwevende deeltjes (PM_10); d. d. vijf vaste meetpunten voor koolmonoxide; e. e. vijf vaste meetpunten voor benzeen.
2.
De agglomeratie Den Haag/Leiden bevat ten minste:
a. a. twee vaste meetpunten voor zwaveldioxide; b. b. vier vaste meetpunten voor stikstofdioxide; c. c. vier vaste meetpunten voor zwevende deeltjes (PM_10); d. d. twee vaste meetpunten voor koolmonoxide; e. e. twee vaste meetpunten voor benzeen.
3.
De agglomeratie Rotterdam/Dordrecht bevat ten minste:
a. a. twee vaste meetpunten voor zwaveldioxide; b. b. vier vaste meetpunten voor stikstofdioxide; c. c. vier vaste meetpunten voor zwevende deeltjes (PM_10); d. d. één vast meetpunt voor lood; e. e. twee vaste meetpunten voor koolmonoxide; f. f. twee vaste meetpunten voor benzeen.
4.
De agglomeratie Utrecht bevat ten minste:
a. a. twee vaste meetpunten voor zwaveldioxide; b. b. twee vaste meetpunten voor stikstofdioxide; c. c. twee vaste meetpunten voor zwevende deeltjes (PM_10); d. d. één vast meetpunt voor koolmonoxide; e. e. één vast meetpunt voor benzeen.
5.
De agglomeratie Eindhoven bevat ten minste:
a. a. twee vaste meetpunten voor zwaveldioxide; b. b. twee vaste meetpunten voor stikstofdioxide; c. c. twee vaste meetpunten voor zwevende deeltjes (PM_10); d. d. één vast meetpunt voor koolmonoxide; e. e. één vast meetpunt voor benzeen.
6.
De agglomeratie Heerlen/Kerkrade bevat ten minste:
a. a. twee vaste meetpunten voor zwaveldioxide; b. b. twee vaste meetpunten voor stikstofdioxide; c. c. twee vaste meetpunten voor zwevende deeltjes (PM_10); d. d. één vast meetpunt voor koolmonoxide; e. e. één vast meetpunt voor benzeen.
Artikel 5
1.
De zone noord bevat ten minste:
a. a. twee vaste meetpunten voor zwaveldioxide; b. b. twee vaste meetpunten voor stikstofdioxide, waarvan er één tevens als meetpunt voor stikstofoxiden wordt gebruikt; c. c. zeven vaste meetpunten voor zwevende deeltjes (PM_10); d. d. één vast meetpunt voor lood; e. e. één vast meetpunt voor koolmonoxide; f. f. één vast meetpunt voor benzeen.
2.
De zone midden bevat ten minste:
a. a. twee vaste meetpunten voor zwaveldioxide; b. b. acht vaste meetpunten voor stikstofdioxide; c. c. acht vaste meetpunten voor zwevende deeltjes (PM_10); d. d. één vast meetpunt voor lood; e. e. één vast meetpunt voor koolmonoxide; f. f. vier vaste meetpunten voor benzeen.
3.
De zone zuid bevat ten minste:
a. a. twee vaste meetpunten voor zwaveldioxide; b. b. drie vaste meetpunten voor stikstofdioxide; c. c. zeven vaste meetpunten voor zwevende deeltjes (PM_10); d. d. één vast meetpunt voor lood; e. e. drie vaste meetpunten voor koolmonoxide; f. f. drie vaste meetpunten voor benzeen.
Paragraaf 4. Plaatsing van meetpunten
Artikel 6
Meetpunten voor de meting van concentraties zwaveldioxide en stikstofoxiden ter beoordeling van de luchtkwaliteit voor stoffen waarvoor de grenswaarden, bedoeld in artikel 13, onderscheidenlijk 19, van het besluit gelden, worden geplaatst op een zodanig punt dat door middel van metingen op dat punt gegevens worden verkregen over concentraties van de betreffende luchtverontreinigende stof die representatief zijn voor gebieden met een oppervlakte van ten minste 1000 km^2, die geheel gelegen zijn op een afstand van ten minste 20 kilometer van agglomeraties of op een afstand van ten minste 5 kilometer van andere gebieden met bebouwing, van inrichtingen of van autosnelwegen.
Artikel 7
1.
Meetpunten voor de meting van concentraties zwaveldioxide, stikstofdioxide, zwevende deeltjes (PM_10), lood, koolmonoxide en benzeen ter beoordeling van de luchtkwaliteit voor stoffen waarvoor de grenswaarden, plandrempels en alarmdrempels, bedoeld in de artikelen 12, 14 tot en met 18 en 20 tot en met 24 van het besluit gelden, worden geplaatst op een zodanig punt, dat door middel van metingen op dat punt gegevens worden verkregen over concentraties van de betreffende luchtverontreinigende stof:
a. a. in gebieden binnen zones en agglomeraties waar de hoogste concentraties voorkomen waaraan de bevolking direct of indirect, gedurende een periode die ten opzichte van de middelingstijd van de betreffende grenswaarde significant is, aan die concentraties kan worden blootgesteld; b. b. in andere gebieden binnen zones en agglomeraties dan bedoeld onder a, die representatief zijn voor de blootstelling van de bevolking als geheel; c. c. op plaatsen die sterk door het verkeer worden beïnvloed, waarbij aannemelijk is dat die gegevens representatief zijn voor de luchtkwaliteit in een gebied van ten minste 200 m^2; de afstand van het meetpunt tot grote kruispunten bedraagt ten minste 25 meter en de afstand tot het midden van de dichtstbij gelegen rijbaan bedraagt ten minste 4 meter; d. d. op plaatsen die beïnvloed worden door een stedelijke achtergrondconcentratie, waarbij aannemelijk is dat die gegevens representatief zijn voor een gebied van verscheidene vierkante kilometers;
2. De in het eerste lid bedoelde meetpunten zijn zo mogelijk ook representatief voor soortgelijke plaatsen buiten hun onmiddellijke omgeving.
Paragraaf 5. Monsterneming
Artikel 8
Monsterneming bij de in de artikelen 6 en 7 bedoelde meetpunten gebeurt, voor zover mogelijk, op zodanige wijze dat:
a. a. de lucht rond de inlaatbuis vrij kan stromen en er geen voorwerpen zijn die de luchtstroom in de omgeving van de monsternemer beïnvloeden; b. b. de hoogte van de inlaatbuis tussen anderhalf en vier meter boven de grond ligt; c. c. door situering van de inlaatbuis wordt voorkomen dat de uitstoot van bronnen rechtstreeks en zonder menging met de buitenlucht in de inlaatbuis terechtkomt; d. d. de uitlaatbuis op een zodanige plaats is gesitueerd dat de lucht daaruit niet opnieuw in de inlaatbuis kan komen.
Artikel 9
Monsterneming bij de in artikel 7 bedoelde meetpunten op plaatsen die sterk door het verkeer worden beïnvloed, gebeurt, voor zover mogelijk, op zodanige wijze dat:
a. a. de inlaatbuizen voor stikstofdioxide en koolmonoxide zijn gesitueerd binnen vijf meter van de wegrand; b. b. de inlaatbuizen voor zwevende deeltjes (PM_10), lood en benzeen zijn gesitueerd op een plaats die representatief is voor de luchtkwaliteit in de nabijheid van de rooilijn.
Paragraaf 6. Metingen voor zwaveldioxide
Artikel 10
1. Per meetpunt voor de meting van zwaveldioxide worden uurgemiddelde en vierentwintig-uurgemiddelde concentraties bepaald.
2. Indien per etmaal minder dan dertien uurgemiddelde concentraties beschikbaar zijn, wordt geen vierentwintig-uurgemiddelde concentratie bepaald, tenzij op grond van de beschikbare uurgemiddelde concentraties overschrijding van de in artikel 12, onder b, van het besluit genoemde vierentwintig-uurgemiddelde concentratie kan worden aangetoond.
3. Het aantal gevalideerde uurwaarden per kalenderjaar bedraagt ten minste 90 procent.
4. Indien minder dan 90 procent gevalideerde uurwaarden per kalenderjaar beschikbaar zijn, wordt op grond van de beschikbare uurgemiddelde concentraties nagegaan of de in de artikelen 12 en 13 van het besluit genoemde waarden zijn overschreden.
5. Uurgemiddelde concentraties waarvan moet worden aangenomen dat de afwijking ten opzichte van de werkelijke concentratie groter is dan bepaald in artikel 25, tweede, onderscheidenlijk derde lid, van het besluit, worden niet gebruikt.
Paragraaf 7. Metingen voor stikstofdioxide en stikstofoxiden
Artikel 11
1. Per meetpunt voor de meting van stikstofdioxide en stikstofoxiden worden uurgemiddelde concentraties bepaald.
2. Het aantal gevalideerde uurwaarden per kalenderjaar bedraagt ten minste 90 procent.
3. Indien minder dan 90 procent gevalideerde uurwaarden per kalenderjaar beschikbaar zijn, wordt op grond van de beschikbare uurgemiddelde concentraties nagegaan of de in de artikelen 15 tot en met 17 en 19 van het besluit genoemde waarden zijn overschreden.
4. Uurgemiddelde concentraties waarvan moet worden aangenomen dat de afwijking ten opzichte van de werkelijke concentratie groter is dan bepaald in artikel 25, vierde, onderscheidenlijk vijfde lid, van het besluit, worden niet gebruikt.
Paragraaf 8. Metingen voor zwevende deeltjes (PM10)
Artikel 12
1. Per meetpunt voor de meting van zwevende deeltjes (PM_10) worden vierentwintig-uurgemiddelde concentraties bepaald.
2. Indien per etmaal minder dan dertien uur bemonsterd is, wordt geen vierentwintig-uurgemiddelde concentratie bepaald, tenzij op grond van de over dat etmaal beschikbare meetwaarden overschrijding van de in artikel 20, onder b, van het besluit genoemde vierentwintig-uurgemiddelde concentraties kan worden aangetoond.
3. Het aantal gevalideerde vierentwintig-uurgemiddelde concentraties per kalenderjaar bedraagt ten minste 90 procent.
4. Indien minder dan 90 procent gevalideerde vierentwintig-uurgemiddelde concentraties beschikbaar zijn wordt op grond van de beschikbare vierentwintig-uurgemiddelde concentraties nagegaan of de in artikel 20 van het besluit genoemde waarden zijn overschreden.
5. Vierentwintig-uurgemiddelde concentraties waarvan moet worden aangenomen dat de afwijking ten opzichte van de werkelijke concentratie groter is dan bepaald in artikel 25, zesde lid, van het besluit worden niet gebruikt.
6. Voor de toepassing van artikel 5, eerste lid, van het besluit, wordt ten aanzien van zeezout gebruik gemaakt van de procedure zoals beschreven in de bij deze regeling behorende bijlage.
Paragraaf 9. Metingen voor lood
Artikel 13
1. Per meetpunt voor de meting van lood worden gedurende ten minste 14 procent van de tijd in een kalenderjaar concentraties bepaald. De metingen vinden gelijkmatig over het kalenderjaar gespreid plaats.
2. Het aantal gevalideerde meetwaarden per kalenderjaar bedraagt ten minste 90 procent.
3. Meetresultaten waarvan moet worden aangenomen dat de afwijking ten opzichte van de werkelijke concentratie groter is dan bepaald in artikel 25, zevende lid, van het besluit worden niet gebruikt.
Paragraaf 10. Metingen voor koolmonoxide
Artikel 14
1. Per meetpunt voor de meting van koolmonoxide worden uurgemiddelde en acht-uurgemiddelde concentraties bepaald.
2. Indien in een periode van acht uur minder dan vijf uurgemiddelde concentraties beschikbaar zijn, wordt uit de uurgemiddelde concentraties geen acht-uurgemiddelde concentratie berekend.
3. Uurgemiddelde concentraties waarvan moet worden aangenomen dat de afwijking ten opzichte van de werkelijke concentraties groter is dan bepaald in artikel 25, achtste lid, van het besluit, worden niet gebruikt.
4. Acht-uurgemiddelde concentraties worden voortschrijdend berekend uit acht achtereenvolgende uurgemiddelde concentraties. Het eerste acht-uurgemiddelde op een dag betreft de periode van 17.00 uur op de voorgaande dag tot 01.00 uur; het laatste acht-uurgemiddelde op een dag betreft de periode van 16.00 uur tot 24.00 uur.
5. Het aantal gevalideerde uurwaarden per kalenderjaar bedraagt ten minste 90 procent.
6. Indien minder dan 90 procent gevalideerde uurwaarden per kalenderjaar beschikbaar zijn wordt op grond van de beschikbare uurgemiddelde concentraties nagegaan of de in artikel 22 van het besluit genoemde waarde is overschreden.
Paragraaf 11. Metingen voor benzeen
Artikel 15
1.
Per meetpunt voor de meting van benzeen worden uurgemiddelde, vierentwintig-uurgemiddelde dan wel week-gemiddelde concentraties bepaald
a. a. in stedelijk gebied: gedurende ten minste 35 procent van de tijd in een kalenderjaar en b. b. in de nabijheid van inrichtingen: gedurende ten minste 90 procent van de tijd in een kalenderjaar.
2. De metingen worden continu dan wel steekproefsgewijs verricht.
3. Steekproefsgewijze metingen vinden gelijkmatig over het kalenderjaar gespreid plaats, met dien verstande dat gedurende één dag per week, gelijkmatig over het jaar gespreid, één meting plaatsvindt dan wel dat één meting per dag plaatsvindt gedurende acht gelijkmatig over het jaar gespreide weken.
4. Het aantal gevalideerde meetwaarden per kalenderjaar bedraagt ten minste 90 procent.
5. Meetresultaten waarvan moet worden aangenomen dat de afwijking ten opzichte van de werkelijke concentratie groter is dan bepaald in artikel 25, negende lid, van het besluit, worden niet gebruikt.
Paragraaf 12. Referentiemethoden
Artikel 16
Voor de analyse van zwaveldioxide wordt gebruik gemaakt van
a. a. de methode beschreven in ISO/FDIS 10498, Bepaling van zwaveldioxide, UV-fluorescentiemethode, dan wel van b. b. een andere methode met behulp waarvan resultaten kunnen worden verkregen die gelijkwaardig zijn aan de met gebruikmaking van de onder a. genoemde methode verkregen resultaten.
Artikel 17
Voor de analyse van stikstofdioxide en stikstofoxiden wordt gebruik gemaakt van
a. a. de methode beschreven in ISO 7996: 1985 Lucht, Bepaling van massaconcentraties van stikstofoxiden, chemoluminescentiemethode, dan wel van b. b. een andere methode met behulp waarvan resultaten kunnen worden verkregen die gelijkwaardig zijn aan de met gebruikmaking van de onder a. genoemde methode verkregen resultaten.
Artikel 18
Voor de monsterneming en meting van PM_10 wordt gebruik gemaakt van
a. a. de methode beschreven in prEN 12341, Air Quality – Field Test Procedure to Demonstrate Reference Equivalence of Sampling Methods for the PM_10 fraction of particulate matter, dan wel van b. b. een andere methode met behulp waarvan resultaten kunnen worden verkregen die gelijkwaardig zijn aan de met gebruikmaking van de onder a. genoemde methode verkregen resultaten, dan wel van c. c. een andere methode die een constante samenhang heeft met de onder a. genoemde methode. Op de met deze methode verkregen resultaten wordt een correctiefactor toegepast, teneinde resultaten te verkrijgen die gelijkwaardig zijn aan de met gebruikmaking van de onder a. genoemde methode, verkregen resultaten.
Artikel 19
Voor de monsterneming van lood wordt gebruik gemaakt van
a. a. de methode beschreven in prEN 12341, Air Quality – Field Test Procedure to Demonstrate Reference Equivalence of Sampling Methods for the PM_10 fraction of particulate matter, dan wel van b. b. een andere methode met behulp waarvan resultaten kunnen worden verkregen die gelijkwaardig zijn aan de met gebruikmaking van de onder a. genoemde methode verkregen resultaten.
Artikel 20
Voor de analyse van lood wordt gebruik gemaakt van
a. a. de methode beschreven in ISO 9855: 1993 Lucht, Bepaling van het gehalte aan zwevende looddeeltjes in in filters opgevangen aërosolen, Methode van atomaire absorbtiespectrometrie, dan wel b. b. een andere methode met behulp waarvan resultaten kunnen worden verkregen die gelijkwaardig zijn aan de met gebruikmaking van de onder a. genoemde methode verkregen resultaten.
Artikel 21
Voor de analyse van koolmonoxide wordt gebruik gemaakt van
a. a. een methode van niet-dispersieve infrarood-spectrometrie (NDIR), dan wel van b. b. een andere methode met behulp waarvan resultaten kunnen worden verkregen die gelijkwaardig zijn aan de met gebruikmaking van de onder a. genoemde methode verkregen resultaten.
Artikel 22
Voor de monsterneming en analyse van benzeen wordt gebruik gemaakt van
a. a. een methode van pompbemonstering met een absorptiepatroon, gevolgd door bepaling met behulp van gaschromatografie, dan wel van b. b. een andere methode met behulp waarvan resultaten kunnen worden verkregen die gelijkwaardig zijn aan de met gebruikmaking van de onder a. genoemde methode verkregen resultaten.
Paragraaf 13. Slotbepalingen
Artikel 23
Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit luchtkwaliteit 2005 in werking treedt.
Artikel 24
Deze regeling wordt aangehaald als: Meetregeling luchtkwaliteit 2005.
Bijlage . , behorende bij
Het buiten beschouwing laten van concentraties van zwevende deeltjes (PM_10), die zich van nature in de lucht bevinden en die niet schadelijk zijn voor de gezondheid van de mens, geschiedt op de volgende wijze.