rijk/ministeriele-regeling/nadeelcompensatieregeling-verleggen-kabels-en-leidingen-in-en-buiten-rijkswaters/BWBR0010461
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00
..
README.md feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown 2026-03-30 06:27:40 +02:00

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Nadeelcompensatieregeling verleggen kabels en leidingen in en buiten rijkswaterstaatswerken en spoorwegwerken 1999 (NKL 1999) BWBR0010461 ministeriele-regeling geldend 1999-05-28 https://wetten.overheid.nl/BWBR0010461 Nadeelcompensatieregeling verleggen kabels en leidingen in en buiten rijkswaterstaatswerken en spoorwegwerken 1999 (NKL 1999)

Nadeelcompensatieregeling verleggen kabels en leidingen in en buiten rijkswaterstaatswerken en spoorwegwerken 1999 (NKL 1999)

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Afdeling 1.1

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

Afdeling 1.2

Artikel 2

Voorzover blijkt dat een verzoeker ten gevolge van een besluit van de minister, inhoudende de wijziging of intrekking van een vergunning, schade lijdt of zal lijden, waarvan de vergoeding niet of niet voldoende op andere wijze is verzekerd, kent de minister, met inachtneming van de hierna volgende bepalingen, op verzoek aan hem een vergoeding toe.

Artikel 3

De omvang van de schade wordt overeenkomstig de voorschriften vervat in de bijlage 1 bij deze regeling berekend.

Artikel 4

a) Onverminderd het bepaalde in de artikelen 5 t/m 6, bestaat de vergoeding bij een langsleiding uit een percentage van de berekende schade, welk percentage lineair gerelateerd is aan de tijdsduur die is verstreken vanaf de datum van inwerkingtreding van het besluit tot verlening van de vergunning tot en met de dag van de toezending of uitreiking van het besluit tot wijziging of intrekking van de vergunning, zulks overeenkomstig hetgeen terzake is weergegeven ten behoeve van respectievelijk de droge en natte infrastructuur in de van deze beleidsregeling deel uitmakende schemas zoals opgenomen in bijlage 2.

b) Onverminderd het bepaalde in de artikelen 5 t/m 6, bestaat de vergoeding bij een kruisende leiding uit de componenten kosten van ontwerp en begeleiding alsmede uitvoeringskosten van de werkelijke verleggingskosten zoals is weergegeven in de van deze beleidsregeling deel uitmakende bijlage 3.

Artikel 5

Geen vergoeding vindt plaats als in het besluit tot verlening van de vergunning een bepaling is opgenomen dat binnen een periode van vijf jaren, te rekenen vanaf de datum van inwerkingtreding van de betrokken vergunning, een wijziging of intrekking van die vergunning te voorzien is in verband met binnen die periode uit te voeren werkzaamheden aan en ten behoeve van het desbetreffende rijkswaterstaatswerk of spoorwegwerk en binnen de genoemde periode van vijf jaar daadwerkelijk een besluit tot wijziging of intrekking van de vergunning wordt toegezonden dan wel uitgereikt.

Artikel 6

Indien in bijzondere omstandigheden gronden aanwezig zijn om te concluderen dat redelijkerwijs een groter of kleiner gedeelte van de schade ten laste van de verzoeker dient te blijven dan uit de toepassing van het gestelde in de artikelen 3 t/m 5 voortvloeit, kan van het gestelde in die artikelen worden afgeweken.

Afdeling 1.3

Artikel 7

De minister kent de verzoeker die schade lijdt of zal lijden als gevolg van de rechtmatige uitoefening door of namens de minister van een aan het publiekrecht ontleende bevoegdheid of taak leidende tot een verlegging van een buitenleiding, op verzoek een vergoeding toe, voor zover de schade redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en voor zover de vergoeding niet of niet voldoende anderszins is verzekerd.

Artikel 8

De omvang van de schade wordt overeenkomstig de voorschriften vervat in de bijlage 1 bij deze regeling berekend.

Artikel 9

Onverminderd het bepaalde in artikel 10, bestaat de vergoeding bij een buitenleiding uit de componenten kosten van ontwerp en begeleiding alsmede uitvoeringskosten van de werkelijke verleggingskosten zoals is weergegeven in de van deze beleidsregeling deel uitmakende bijlage 4.

Artikel 10

Indien in bijzondere omstandigheden gronden aanwezig zijn om te concluderen dat redelijkerwijs een groter of kleiner gedeelte van de schade ten laste van de verzoeker dient te blijven dan uit de toepassing van het gestelde in de artikelen 8 en 9 voortvloeit, kan van het gestelde in die artikelen worden afgeweken.

Hoofdstuk 2. Bepalingen van procedurele aard

Afdeling 2.1. De behandeling van de aanvraag; afdoening in eenvoudige gevallen

Artikel 11

Een verzoek tot vergoeding wordt zo spoedig mogelijk bij de minister ingediend, doch in ieder geval binnen een termijn van vijf jaar na het van kracht worden van het besluit waarbij de vergunning wordt gewijzigd of ingetrokken, of de dag na het rechtmatig uitoefenen door of namens de minister van een aan het publiekrecht ontleende bevoegdheid of taak waardoor een buitenleiding verlegd diende te worden.

Artikel 12

Het verzoek bevat onverminderd het bepaalde in artikel 4:2 van de Algemene wet bestuursrecht ten minste:

a. a. een aanduiding van het besluit tot intrekking of wijziging van de vergunning of van het rechtmatig uitoefenen door of namens de minister van een aan het publiekrecht ontleende taak of bevoegdheid leidende tot een verlegging van een buitenleiding; b. b. een aanduiding van de aard en omvang van de schade, alsmede een specificatie van het bedrag van de schade berekend conform de artikelen 3 t/m 5 en/of de artikelen 8 en 9; c. c. een opgave van het schadebedrag dat naar het oordeel van de verzoeker vergoed dient te worden.

Artikel 13

De minister bevestigt de ontvangst van het verzoek om vergoeding zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen twee weken na ontvangst ervan, en stelt de verzoeker op de hoogte van de te volgen procedure.

Artikel 14

Binnen acht weken na ontvangst van het verzoek om vergoeding besluit de minister:

a. a. het verzoek buiten behandeling te laten indien deze na afloop van de in artikel 11 genoemde termijn is ingediend of b. b. het verzoek af te wijzen indien deze naar het oordeel van de minister niet dan wel onvoldoende onderbouwd is nadat de minister de verzoeker in de gelegenheid heeft gesteld het verzuim te herstellen binnen vier weken na verzending van de brief waarin de verzoeker op het verzuim is gewezen of c. c. het verzoek geheel of gedeeltelijk in te willigen of d. d. toepassing te geven aan hoofdstuk 3 van deze regeling indien daartoe naar het oordeel van de minister termen aanwezig zijn of e. e. het verzoek in handen te stellen van een adviseur dan wel adviescommissie, bedoeld in Afdeling 2.2. of f. f. het verzoek kennelijk ongegrond te verklaren.

Artikel 15

In het besluit, bedoeld in artikel 14, aanhef en onder c, wordt tevens aangegeven tot welk gedeelte van de schade de vergoeding zich zal uitstrekken.

Artikel 16

De minister kan de termijn, genoemd in artikel 14, eenmaal met vier weken verlengen.

Afdeling 2.2

Artikel 17

Binnen vier weken nadat toepassing is gegeven aan het bepaalde in artikel 14, aanhef en onder e, wijst de minister een adviseur aan, welke niet werkzaam is onder de verantwoordelijkheid van de minister. De adviseur heeft tot taak de minister van advies te dienen over het op het verzoek om vergoeding te nemen besluit.

Artikel 18

Alvorens een adviseur aan te wijzen, geeft de minister van zijn voornemen daartoe kennis aan de verzoeker. De kennisgeving bevat, naast de redengeving voor het inschakelen van een adviseur, ten minste de naam van de adviseur, zijn beroep en de plaats waar hij zijn werkzaamheden pleegt te verrichten.

De verzoeker kan binnen twee weken na de verzending van de kennisgeving bedenkingen uiten tegen de voorgenomen aanwijzing in welk geval de minister eenmalig tot een andere aanwijzing kan overgaan.

Artikel 19

Het door de adviseur uit te brengen advies bevat ten minste een antwoord op de vraag of de schade een gevolg is van de activiteiten van de minister zoals omschreven in de artikelen 2 en 7. Bij bevestigende beantwoording van die vraag bevat het advies tevens antwoorden op de volgende vragen:

a. a. Is vergoeding van de schade niet of niet voldoende op ander wijze verzekerd? b. b. wat is de omvang van de schade? c. c. welk gedeelte van de schade behoort voor vergoeding op basis van deze regeling in aanmerking te komen? d. d. zijn er gronden om toepassing te geven aan artikel 6 of 10 van deze regeling en zo ja, welk bedrag komt dan voor vergoeding in aanmerking? e. e. bestaat er aanleiding om op verzoek een bijdrage in de door de verzoeker gemaakte deskundigenkosten toe te kennen voorzoverre het inroepen van deskundigenbijstand door de verzoeker en de kosten daarvan redelijk zijn te achten?

Artikel 20

De minister stelt aan de adviseur de (nadere) gegevens ter beschikking die nodig zijn voor een goede vervulling van diens adviestaak. Artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 21

De verzoeker verschaft de adviseur, naast de van verzoeker afkomstige informatie waarover de adviseur op grond van artikel 20 reeds beschikt, desgevraagd nadere gegevens en bescheiden die voor de advisering nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

Artikel 22

De adviseur kan inlichtingen en adviezen inwinnen bij derden, daaronder begrepen ambtenaren, in dienst bij een dienst, bedrijf of instelling, werkzaam onder verant-woordelijkheid van de minister.

Indien met het verstrekken van inlichtingen of adviezen door derden kosten gemoeid zijn, oefent de adviseur deze bevoegdheid eerst uit na goedkeuring van de minister.

Artikel 23

De adviseur kan desgewenst een plaatsopneming houden.

Artikel 24

Ter voorbereiding van zijn advies stelt de adviseur de verzoeker en de minister in de gelegenheid tot het geven van een mondelinge toelichting. Beiden kunnen zich laten bijstaan of laten vertegenwoordigen door een gemachtigde.

Meegebrachte deskundigen kunnen in de gelegenheid gesteld worden een nadere toelichting te geven.

Artikel 25

De adviseur stelt van zijn werkzaamheden een verslag op. Dit verslag bevat mede een weergave van hetgeen, op grond van artikel 24, ten overstaan van de adviseur naar voren is gebracht.

Artikel 26

De minister kan aangeven binnen welke termijn een advies wordt verwacht. Deze termijn mag niet zodanig kort zijn dat de adviseur gelet op de in de artikelen 27 en 28 genoemde termijnen binnen een dermate beperkt tijdsbestek een conceptadvies dient op te stellen dat hij zijn taak niet naar behoren kan vervullen.

Artikel 27

Alvorens de adviseur zijn definitieve advies opstelt, maakt hij een concept-advies op. Dit concept-advies wordt aan de verzoeker en de minister toegezonden, met het verzoek om binnen een termijn van uiterlijk vier weken, te rekenen vanaf de datum van verzending van het concept-advies, schriftelijk eventuele bedenkingen tegen het concept-advies naar voren te brengen.

Artikel 28

De adviseur stelt zijn definitieve advies vast binnen vier weken na ontvangst van de eventuele bedenkingen van de verzoeker en/of de minister, danwel na afloop van de in artikel 27 gestelde termijn.

Artikel 29

Zodra het definitieve advies is vastgesteld, zendt de adviseur dit, vergezeld van het in artikel 25 bedoelde verslag, aan de minister en aan de aanvrager toe.

Artikel 30

In bijzondere gevallen kan de minister, bij toepassing van het bepaalde in artikel 14, aanhef en onder e, voor de benodigde advisering over de aanvraag om schadevergoeding een commissie instellen.

Artikel 31

Een commissie, bedoeld in artikel 30, bestaat uit een drietal door de minister benoemde deskundigen. De minister wijst uit hun midden de voorzitter aan.

Artikel 32

De artikelen 17 tot en met 29 zijn ten aanzien van de commissie van over-eenkomstige toepassing, met dien verstande dat de in artikel 17 genoemde termijn van vier weken in dat geval acht weken bedraagt.

Afdeling 2.3

Artikel 33

Indien toepassing is gegeven aan het bepaalde in artikel 14, aanhef en onder e, besluit de minister binnen vier weken na de dag van ontvangst van het advies in hoeverre toekenning van de gevraagde vergoeding jegens een verzoeker zal plaatsvinden.

Artikel 34

Indien het in artikel 33 bedoelde besluit afwijkt van het terzake uitgebrachte advies, bevat de motivering van dat besluit de redenen van deze afwijking.

Artikel 35

In een besluit, bedoeld in artikel 15 of artikel 33, kan het bedrag van de toegekende vergoeding worden verhoogd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 van het Burgerlijk Wetboek, berekend vanaf de dag dat het verzoek om vergoeding is ontvangen dan wel vanaf de dag dat de schade daadwerkelijk is veroorzaakt indien laatstbedoeld tijdstip later is dan de dag van ontvangst van het verzoek.

Hoofdstuk 3. Voorschotten

Artikel 36

Indien de verzoeker naar redelijke verwachting in aanmerking komt voor een schadevergoeding, kan de minister, in afwachting van de beslissing terzake die vergoeding, op verzoek dan wel ambtshalve aan de verzoeker een voorschot verlenen.

Artikel 37

Indien de minister besluit tot het verlenen van één of meer voorschot(ten) wordt daarmee geen aanspraak op schadevergoeding, als bedoeld in artikel 2 of artikel 7, erkend.

Artikel 38

Een voorschot wordt eerst verleend nadat de verzoeker schriftelijk de verplichting heeft aanvaard tot gehele en onvoorwaardelijke terugbetaling van hetgeen ten onrechte als voorschot is uitbetaald. De minister kan daarvoor zekerheidstelling verlangen.

Hoofdstuk 4. Slotbepalingen

Artikel 39

Aanvragen om vergoeding, ingediend voor 1 juli 1998, worden behandeld met inachtneming van de NKL 1991.

Artikel 40

De NKL 1991 wordt op het tijdstip genoemd in artikel 41 ingetrokken.

Artikel 41

Deze beleidsregeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij, tezamen met de toelichting en bijlagen, wordt bekendgemaakt.

Artikel 42

Deze beleidsregeling wordt tezamen met de overeenkomst in het vijfde jaar na het tijdstip genoemd in artikel 39 geëvalueerd.

Artikel 43

Deze beleidsregeling kan worden aangehaald als Nadeelcompensatieregeling verleggen kabels en leidingen in en buiten rijkswaterstaatswerken en spoorweg-werken 1999 (NKL 1999).

Bijlage 1. bedoeld in

In de NKL 1999 worden vier soorten leidingen onderscheiden: Leidingen binnen beheersgebied:

De vergoeding voor een verlegging van een buitenleiding wordt bepaald aan de hand van bijlage 3 en de ver-goeding voor het verleggen van een leiding die onder de overeenkomst valt wordt bepaald aan de hand van de overeenkomst.

Voor de leidingen genoemd onder 1, 2 en 3 geldt dat allereerst de kosten van een verlegging bepaald dienen te worden. Van deze kosten worden de voordelen afgetrokken die voortvloei-en uit een verlegging. Het aldus bere-kende bedrag is de schade die een kabel of leidingbeheerder lijdt door een verlegging. De wijze van schade-berekening is in deze bijlage vastge-legd. De vergoeding voor een verleg-ging van een kruisende- , langsliggen-de- of buitenleiding wordt vervolgens aan de hand van de respectieve bijla-gen bepaald.

Bijlage 2. bedoeld in

De schade bij een verlegging van een langsleiding wordt bepaald conform bijlage 1 waarna, afhankelijk van de ouderdom van de ingetrokken vergunning, aan de hand van de van bijgaande tabellen, de vergoeding bepaald wordt. De tabellen concretiseren een aftrek maatschappelijk risico wat er in resulteert dat bij een verlegging van een langsleiding vanwege een droog of nat infrastructuurwerk de vergoeding bij een in te trekken of te wijzigen vergunning die ouder is dan vijftien respectievelijk 30 jaar nihil bedraagt.

Raadpleeg voor de grafieken de gedrukte Staatscourant [1999/97].

Bijlage 3. bedoeld in

De schade bij een verlegging van een kruisende leiding wordt bepaald conform bijlage 1. De vergoeding voor een verlegging van een kruisende leiding bestaat uit de componenten kosten van ontwerp en begeleiding en uitvoeringskosten hetgeen impliceert dat materiaalkosten en de kosten van het uit en in bedrijf stellen niet voor vergoeding in aanmerking komen.

Bijlage 4. bedoeld in

De overeenkomst is het resultaat van besprekingen tussen het Ministerie van Verkeer en Waterstaat en van brancheorganisaties van leidingbeheerders (EnergieNed, Vewin en Velin). Deze overeenkomst geldt slechts tussen de minister en de leden van genoemde brancheorganisaties. Uit oogpunt van rechtsgelijkheid is het wenselijk om verleggingen van kabels en leidingen in beheer bij niet-ondertekenaars van de overeenkomst op dezelfde wijze te vergoeden als op grond van de overeenkomst dient te geschieden. Daarom is het werkingsbereik van de NKL 1999 uitgebreid tot buiten het beheersgebied van de Minister en is bepaald dat de vergoeding voor het verleggen van een buitenleiding op dezelfde manier bepaald wordt als de vergoeding voor het verleggen van een kruisende leiding. Voor de goede orde: leden van de brancheorganisaties die de overeenkomst hebben ondertekend komen niet in aanmerking voor een vergoeding op grond van deze bijlage aangezien de vergoeding voor een verlegging buiten het beheersgebied al anderszins verzekerd is, namelijk door de overeenkomst. Uitgangspunt van de overeenkomst is overigens, wil een kabel of leiding onder de overeenkomst vallen, dat de te verleggen kabel of leiding op basis van een gedoogplicht op grond van de Belemmeringenwet Privaatrecht (Wet van 13 mei 1927, Stb. 159) had kunnen liggen maar dat dit, om welke reden dan ook, niet het geval is. M.a.w. een dergelijke kabel of leiding dient een zeker publiek belang te hebben welk publiek belang hier wordt bepaald door het begrip openbaar werk van artikel 1 van de Belemmeringenwet Privaatrecht. Wanneer een kabel of leiding niet valt onder te brengen in één van de categorieën van openbare werken als bedoeld in artikel 1 van de Belemmeringenwet Privaatrecht dan wordt een dergelijk publiek belang niet aanwezig geacht.

Bij verleggingen van buitenleidingen is wat betreft de vergoeding voor de verlegging allereerst de juridische basis waarop de te verleggen kabel of leiding ligt van belang. Ligt een kabel of leiding op basis van eigendom of een ander zakelijk recht of op grond van een gedoogplicht op grond van de Belemmeringenwet privaatrecht dan wordt de vergoeding van de verlegging op basis van de onteigeningswet bepaald. Aangezien het echter regelmatig voorkomt dat een kabel of leiding op basis van een vergunning van een ander dan de minister of op basis van een overeenkomst of een andere vorm van toestemming van de grondeigenaar ligt, is in een wettelijke schadevergoedingsregeling niet voorzien. In deze gevallen wordt de vergoeding voor een verlegging op grond van deze bijlage bepaald aan de hand van bijlage 3 waarin immers de vergoeding voor het verleggen van kruisende leidingen is vastgelegd. Deze vergoedingssystematiek stemt overeen met de vergoedingssystematiek van de overeenkomst.

Een kabel of leiding die niet valt onder te brengen onder één van de categorieën openbare werken als bedoeld in artikel 1 van de Belemmeringenwet Privaatrecht wordt niet geacht een publiek belang te hebben. Voor een vergoeding van een verlegging van een dergelijke kabel of leiding, indien deze niet anderszins verzekerd is, dient daarom een beroep gedaan te worden op een algemene nadeelcompensatieregeling zoals de RNR.