rijk/ministeriele-regeling/nadere-regeling-aflopende-toelage-artikel-18-bbra-1984/BWBR0005491
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00
..
README.md feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown 2026-03-30 06:27:40 +02:00

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Nadere regeling aflopende toelage artikel 18 BBRA 1984 BWBR0005491 ministeriele-regeling geldend 1992-04-25 https://wetten.overheid.nl/BWBR0005491 Nadere regeling aflopende toelage artikel 18 BBRA 1984

Nadere regeling aflopende toelage artikel 18 BBRA 1984

Artikel 1

In dit besluit wordt verstaan onder:

Artikel 2

De berekeningsbasis voor de toelage is het bedrag dat de ambtenaar over de twaalf kalendermaanden, voorafgaande aan de datum waarop de in artikel 18, eerste lid, van het Bezoldigingsbesluit bedoelde blijvende verlaging van zijn bezoldiging intreedt, gemiddeld per maand aan toelage onregelmatige dienst heeft genoten, verminderd met het bedrag dat hij daarna in totaal per maand gaat genieten aan toelage onregelmatige dienst.

Artikel 3

De uitkeringsperiode voor de toelage is gelijk aan het naar boven op een maand afgeronde één vierde gedeelte van de tijd, gedurende welke de ambtenaar, direct voorafgaande aan het tijdstip van de in artikel 18, eerste lid, van het Bezoldigingsbesluit bedoelde blijvende verlaging van de bezoldiging, zonder onderbreking van twaalf maanden of langer toelage onregelmatige dienst heeft genoten. Aan de uitkeringsperiode voor de toelage is een maximum verbonden van drie jaar.

Artikel 4

De hoogte van de toelage wordt bepaald door de uitkeringsperiode voor de toelage in drie gelijke delen te splitsen, waarbij te beginnen met het eerste deel, afronding naar boven plaatsvindt op een hele maand, met dien verstande, dat hierdoor de ingevolge artikel 3 vastgestelde totale duur van de uitkeringsperiode van de toelage niet mag worden overschreden.

Gedurende deze drie deelperioden bedraagt de toelage achtereenvolgens 75%, 50% en 25% van de voor de desbetreffende maand(en) van toepassing zijnde berekeningsbasis.

Artikel 5

Indien de in artikel 18, eerste lid, van het Bezoldigingsbesluit bedoelde blijvende inkomstenvermindering intreedt op de eerste dag van een maand, vangt de toelage op die datum aan. Treedt deze vermindering in op een andere dag van de maand, dan gaat de toelage in op de eerste dag van de erop volgende maand. In het laatste geval wordt aan de ambtenaar over de maand waarin de inkomstenvermindering intreedt, een aanvulling verleend op het door hem over die maand genoten bedrag aan toelage onregelmatige dienst, tot het gemiddelde maandbedrag dat hij hieraan over de twaalf maanden, voorafgaande aan vorenbedoelde inkomstenvermindering, heeft genoten.

Artikel 6

Dit besluit wordt gepubliceerd in de Nederlandse Staatscourant en treedt in werking met ingang van 25 april 1992.

Artikel 7

Dit besluit kan worden aangehaald als Nadere regeling aflopende toelage artikel 18 BBRA 1984.