40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt. |
||
|---|---|---|
| .. | ||
| README.md | ||
| titel | bwb_id | type | status | datum_inwerkingtreding | bron | citeertitel |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Organisatie- en mandaatbesluit Inspectie van het Onderwijs 2017 | BWBR0039325 | ministeriele-regeling | geldend | 2017-03-16 | https://wetten.overheid.nl/BWBR0039325 | Organisatie- en mandaatbesluit Inspectie van het Onderwijs 2017 |
Organisatie- en mandaatbesluit Inspectie van het Onderwijs 2017
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
– –
*inspectie:* Inspectie van het Onderwijs,
– –
*inspecteur-generaal:* inspecteur-generaal van de inspectie,
– –
*hoofdinspecteur:* degene die binnen de inspectie de functie bekleedt van hoofdinspecteur,
– –
*plaatsvervangend inspecteur-generaal:* de hoofdinspecteur die door de inspecteur-generaal is aangewezen om de rol van plaatsvervangend inspecteur-generaal te vervullen;
– –
*directeur:* degene die aan het hoofd staat van een directie als bedoeld in bijlage 1 bij dit besluit, zulks voor wat betreft paragraaf 1 van hoofdstuk 3 in afwijking van het Organisatie- en mandaatbesluit OCW 2008;
– –
*afdelingshoofd:* degene die binnen de inspectie de functie bekleedt van afdelingshoofd,
– –
*inspecteur:* degene die binnen de inspectie de functie bekleedt van coördinerend inspecteur, senior inspecteur of inspecteur,
– –
*mandaatregeling kinderopvang en peuterspeelzalen:*
Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 13 mei 2014, 2014-0000022827, tot verlening van mandaat, volmacht en machtiging aan de IvhO in verband met openbaarmaking van informatie over tweedelijns toezicht kinderopvang en peuterspeelzalen (Stcrt. 2014, 13942),
– –
*WNT:*
Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector.
Artikel 2
De organisatie van de inspectie wordt vastgesteld overeenkomstig de bij dit besluit behorende bijlage 1.
Artikel 3
Voor de toepassing van dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt met de verlening van mandaat gelijkgesteld de verlening van machtiging om in naam van het betrokken bestuursorgaan handelingen te verrichten die noch een besluit, noch een privaatrechtelijke rechtshandeling zijn, zulks voor wat betreft paragraaf 1 van hoofdstuk 3 onverminderd artikel 2 van het Organisatie- en mandaatbesluit OCW 2008.
Artikel 4
1. De inspecteur-generaal maakt met de hoofdinspecteur(s) en de directeuren van de onder hem ressorterende organisatieonderdelen managementafspraken als bedoeld in artikel 1, onderdeel n, van het Organisatie- en mandaatbesluit OCW 2008.
2. De hoofdinspecteur(s) maken met de directeuren van de volgens de bijlage onder hen ressorterende organisatieonderdelen managementafspraken als bedoeld in artikel 1, onderdeel n, van het Organisatie- en mandaatbesluit OCW 2008.
3. De directeur Beleidsondersteuning en Organisatie draagt zorg voor bekendmaking van de managementafspraken voor zover het betreft daarin opgenomen beperkingen of uitbreidingen van een mandaat dat op grond van dit besluit is verleend, door openbare terinzagelegging op het hoofdkantoor van de inspectie en door plaatsing op het intranet en de internetsite van de inspectie.
Hoofdstuk 2. Aan de inspectie geattribueerde bevoegdheden
Artikel 5
1. Dit hoofdstuk is van toepassing op de uitvoering van de aan de inspectie geattribueerde taken en bevoegdheden.
2.
In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
– –
*bewindspersoon:* minister of staatssecretaris,
– –
*het ministerie:* het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.
Artikel 6
Aan de inspecteur-generaal is voorbehouden:
a. a. het afdoen en ondertekenen van stukken gericht aan de:
1°.
Eerste en de Tweede Kamer der Staten-Generaal,
2°.
bewindspersonen van het ministerie of bewindspersonen van andere ministeries,
3°.
secretaris-generaal en directeuren-generaal van het ministerie en secretarissen-generaal en directeuren-generaal van andere ministeries, en
1°. 1°. Eerste en de Tweede Kamer der Staten-Generaal, 2°. 2°. bewindspersonen van het ministerie of bewindspersonen van andere ministeries, 3°. 3°. secretaris-generaal en directeuren-generaal van het ministerie en secretarissen-generaal en directeuren-generaal van andere ministeries, en b. b. het vaststellen van:
1°.
het jaarwerkplan, bedoeld in artikel 7 van de wet,
2°.
een themarapport als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de wet,
3°.
het onderwijsverslag, bedoeld in artikel 8, tweede lid, van de wet.
1°. 1°. het jaarwerkplan, bedoeld in artikel 7 van de wet, 2°. 2°. een themarapport als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de wet, 3°. 3°. het onderwijsverslag, bedoeld in artikel 8, tweede lid, van de wet. c. c. het ingevolge artikel 9:12 van de Algemene wet bestuursrecht geven van een oordeel over een klacht.
Artikel 7
De hoofdinspecteur(s) hebben binnen het kader van de met hen gemaakte managementafspraak mandaat ten aanzien van alle aangelegenheden die verband houden met de taken en verantwoordelijkheden op hun werkterrein.
Artikel 8
De directeuren hebben, onverminderd de mandaatverlening aan de hoofdinspecteur(s), binnen het kader van de met hen gemaakte managementafspraak mandaat ten aanzien van alle aangelegenheden die verband houden met de taken en verantwoordelijkheden op hun werkterrein.
Artikel 9
1. De afdelingshoofden en de inspecteurs hebben, onverminderd de mandaatverlening aan de hoofdinspecteur(s) en de directeuren, binnen het kader van de met hun directeur gemaakte managementafspraak mandaat ten aanzien van alle aangelegenheden voortvloeiend uit hun functie.
2. Onverminderd het bepaalde in artikel 20, derde lid, omvat het mandaat, bedoeld in het eerste lid, niet de bevoegdheid tot het nemen van besluiten op grond van de Wet op het onderwijstoezicht omtrent de openbaarmaking van inspectierapporten.
Artikel 10
1. Ondermandaat door de hoofdinspecteur(s) of de directeuren is mogelijk, tenzij in dit besluit anders is bepaald. Bij het verlenen van ondermandaat wordt aangegeven in hoeverre het verlenen van verder ondermandaat mogelijk is.
2. Voor het verlenen van ondermandaat door een directeur is de goedkeuring vereist door de desbetreffende leidinggevende functionaris.
3.
De goedkeuring, bedoeld in het tweede lid, is niet vereist voor:
a. a. ondermandaat aan een afdelingshoofd, b. b. machtiging om op te treden in gerechtelijke procedures.
4. De directeur Beleidsondersteuning en Organisatie draagt zorg voor bekendmaking van krachtens dit hoofdstuk verleende algemene ondermandaten door openbare terinzagelegging op het hoofdkantoor van de inspectie en door plaatsing op het intranet en de internetsite van de inspectie.
Hoofdstuk 3. Aan de inspecteur-generaal gemandateerde bevoegdheden
Paragraaf 1. Ondermandaat aangelegenheden OCW
Artikel 11
Deze paragraaf is van toepassing op de uitoefening van de bevoegdheden ten aanzien waarvan aan de inspecteur-generaal mandaat is verleend:
a. a. krachtens de Wet op het onderwijstoezicht, b. b. op grond van het Organisatie- en mandaatbesluit OCW 2008, of c. c. voor zover het aangelegenheden betreft in het kader van de WNT op het terrein van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap: op grond van de Regeling bezoldiging topfunctionarissen OCW-sectoren.
Artikel 12
1. De hoofdinspecteur(s) heeft (hebben) binnen het kader van de met hen gemaakte managementafspraak mandaat om namens de minister besluiten te nemen en stukken af te doen en te ondertekenen ten aanzien van alle aangelegenheden voortvloeiend uit hun functie.
2. Het mandaat, bedoeld in het eerste lid, omvat tevens mandaat tot het nemen van personele besluiten ten aanzien van het onder hen ressorterende personeel.
3. De hoofdinspecteur(s) is (zijn) budgethouder voor de hun door de inspecteur-generaal toegewezen budgetten en hebben mandaat tot het aangaan van verplichtingen op basis van het door de minister vastgestelde departementale bestedingsplan tot maximaal € 150.000 exclusief btw.
Artikel 13
1. De directeuren hebben, onverminderd de mandaatverlening aan de hoofdinspecteur(s), binnen het kader van de met hen gemaakte managementafspraak mandaat om namens de minister besluiten te nemen en stukken af te doen en te ondertekenen ten aanzien van alle aangelegenheden voortvloeiend uit hun functie.
2. Het mandaat, bedoeld in het eerste lid, omvat tevens mandaat tot het nemen van personele besluiten ten aanzien van het onder hen ressorterende personeel.
3. De directeuren zijn budgethouder voor de hun door de desbetreffende leidinggevende functionaris toegewezen budgetten en hebben mandaat tot het aangaan van verplichtingen op basis van het door de minister vastgestelde departementale bestedingsplan tot maximaal € 100.000 exclusief btw.
4. In afwijking van het derde lid heeft de directeur Beleidsondersteuning en Organisatie mandaat tot het aangaan van verplichtingen op basis van het door de minister vastgestelde departementale bestedingsplan tot maximaal € 150.000 exclusief btw.
Artikel 14
Onverminderd het bepaalde in artikel 20, derde lid, verlenen de functionarissen waaraan op grond van deze paragraaf ondermandaat is verleend geen verder ondermandaat.
Paragraaf 2. Ondermandaat aangelegenheden EZ en SZW
Artikel 15
1.
Deze paragraaf is van toepassing op de uitoefening van de bevoegdheden ten aanzien waarvan aan de inspecteur-generaal mandaat is verleend op grond van:
a. a. het Besluit mandaat en machtiging inspecteur-generaal van het onderwijs, b. b. de mandaatregeling kinderopvang en peuterspeelzalen, of c. c. voor zover het aangelegenheden betreft in het kader van de WNT op het terrein van het Ministerie van Economische Zaken: de Regeling bezoldiging topfunctionarissen OCW-sectoren.
2. In afwijking van het eerste lid, is artikel 18 uitsluitend van toepassing op de uitoefening van de bevoegdheden ten aanzien waarvan aan de inspecteur-generaal mandaat is verleend op grond van de mandaatregeling kinderopvang en peuterspeelzalen.
Artikel 16
De hoofdinspecteur(s) heeft (hebben), onverminderd de mandaatverlening aan de inspecteur-generaal, binnen het kader van de met hen gemaakte managementafspraak mandaat om besluiten te nemen en stukken af te doen en te ondertekenen namens:
a. a. de Minister van Economische Zaken ten aanzien van alle uit hun functie voortvloeiende aangelegenheden als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van het Besluit mandaat en machtiging inspecteur-generaal van het onderwijs, b. b. de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid ten aanzien van alle uit hun functie voortvloeiende aangelegenheden als bedoeld in de artikelen 1 en 2 van de mandaatregeling kinderopvang en peuterspeelzalen.
Artikel 17
De directeuren hebben, onverminderd de mandaatverlening aan de inspecteur-generaal en de hoofdinspecteur(s), binnen het kader van de met hen gemaakte managementafspraak mandaat om besluiten te nemen en stukken af te doen en te ondertekenen namens:
a. a. de Minister van Economische Zaken ten aanzien van alle uit hun functie voortvloeiende aangelegenheden als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van het Besluit mandaat en machtiging inspecteur-generaal van het onderwijs, b. b. de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid ten aanzien van alle uit hun functie voortvloeiende aangelegenheden als bedoeld in de artikelen 1 en 2 van de mandaatregeling kinderopvang en peuterspeelzalen.
Artikel 18
1. Het afdelingshoofd en de medewerkers van het team Juridische Zaken van de Directie Rekenschap en Juridische Zaken hebben, onverminderd de mandaatverlening aan de inspecteur-generaal, de hoofdinspecteur(s) en de directeuren, binnen het kader van de met de hoofdinspecteur(s) en de directeuren gemaakte managementafspraken mandaat om stukken af te doen en te ondertekenen namens de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid ten aanzien van alle uit hun functie voortvloeiende aangelegenheden als bedoeld in de artikelen 1 en 2 van de mandaatregeling kinderopvang en peuterspeelzalen.
2.
Het mandaat, bedoeld in het eerste lid, ten aanzien van aangelegenheden als bedoeld in artikel 2 van de mandaatregeling kinderopvang en peuterspeelzalen omvat de bevoegdheid om de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid te vertegenwoordigen, zulks met machtiging om zich door anderen te doen bijstaan, inzake:
a. a. bezwaarschriftprocedures, waaronder het horen van bezwaarden, b. b. gedingen aanhangig bij de bestuursrechter, c. c. het instellen van enig rechtsmiddel tegen uitspraken in gedingen als bedoeld onder b, d. d. overige geschillen voor zover:
1°.
dit past binnen het kader van de functie van betrokkene, of
2°.
daar vanwege de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid om is verzocht.
1°. 1°. dit past binnen het kader van de functie van betrokkene, of 2°. 2°. daar vanwege de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid om is verzocht.
Artikel 19
Onverminderd het bepaalde in artikel 20, derde lid, verlenen de functionarissen waaraan op grond van deze paragraaf ondermandaat is verleend geen verder ondermandaat.
Hoofdstuk 4. Vervanging en beperkingen
Artikel 20
1. Bij afwezigheid of verhindering van de inspecteur-generaal wordt, voor de duur van de afwezigheid of verhindering, diens bevoegdheid uitgeoefend door een hoofdinspecteur.
2. Bij afwezigheid of verhindering van een hoofdinspecteur wordt, voor de duur van de afwezigheid of verhindering, diens bevoegdheid uitgeoefend door de inspecteur-generaal of door een door de inspecteur-generaal aan te wijzen directeur Toezicht. De omvang van laatstgenoemde uit te oefenen bevoegdheid kan worden beperkt.
3. Bij afwezigheid of verhindering van een directeur wordt, voor de duur van de afwezigheid of verhindering, diens bij of krachtens dit besluit toekomende bevoegdheid uitgeoefend door een onder hem ressorterend afdelingshoofd. Onverminderd de eerste volzin wordt de bevoegdheid van de directeur Rekenschap en Juridische Zaken met betrekking tot aangelegenheden waarop de beroepsvoorschriften voor registeraccountants van toepassing zijn, uitgeoefend door een onder hem ressorterende registeraccountant.
Artikel 21
1. De inspecteur-generaal en de directeuren bepalen de volgorde van plaatsvervanging als bedoeld in artikel 20, eerste lid onderscheidenlijk derde lid.
2. De directeur Beleidsondersteuning en Organisatie draagt zorg voor bekendmaking van de volgorde, bedoeld in het eerste lid, en van een aanwijzing of beperking als bedoeld in artikel 20, derde lid, op de wijze, bedoeld in artikel 10, vierde lid.
Artikel 22
1. Een bij of krachtens dit besluit verleend mandaat omvat niet de bevoegdheid te beslissen op een tegen een besluit ingediend bezwaarschrift.
2. Onverminderd het eerste lid omvat het mandaat van degene die voor de duur van de afwezigheid of verhindering van een andere functionaris diens bevoegdheid uitoefent niet de bevoegdheid tot het verlenen, wijzigen of intrekken van mandaat.
Artikel 23
1. De bij of krachtens dit besluit gemandateerde is gehouden in de ondertekening van stukken zijn vertegenwoordigingsbevoegdheid tot uitdrukking te brengen door opneming van de in bijlage 2 bij dit besluit opgenomen formule.
2. Ondertekening bij afwezigheid met de aanduiding ‘ b/a’ is uitsluitend mogelijk indien de ondertekenaar ook zelf bevoegd is tot ondertekenen. In dat geval wordt ook de naam van de ondertekenaar vermeld.
Hoofdstuk 5. Slotbepalingen
Artikel 24
1.
De volgende besluiten worden ingetrokken:
a. a.
Organisatie- en mandaatbesluit Inspectie van het Onderwijs 2015,
b. b.
Besluit van de Inspecteur-generaal van het Onderwijs van 18 juni 2014, nr. 4349325, tot doorverlening van mandaat, volmacht en machtiging aan de Hoofdinspecteur primair onderwijs en expertisecentra van de Inspectie van het Onderwijs in verband met openbaarmaking van informatie over tweedelijnstoezicht kinderopvang en peuterspeelzalen (Stcrt. 2014, 17888).
2. Mandaten die zijn verleend op grond van de besluiten, genoemd in het eerste lid, of mandaten die worden geacht op grond van die besluiten te zijn verleend, en die gelden op de dag voor inwerkingtreding van dit besluit, worden geacht te zijn verleend op grond van dit besluit, met inachtneming van het in dit besluit bepaalde.
Artikel 25
Wijzigt dit besluit.
Artikel 26
1. Dit besluit treedt in werking met ingang van de eerste dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.
2. Artikel 25 treedt in werking met ingang van 1 juli 2017.
Artikel 27
Dit besluit wordt aangehaald als het Organisatie- en mandaatbesluit Inspectie van het Onderwijs 2017.
Bijlage 1. bij het Organisatie- en mandaatbesluit Inspectie van het Onderwijs 2016
Bijlage 2. bij het Organisatie- en mandaatbesluit Inspectie van het Onderwijs 2016
De formule, bedoeld in artikel 23, eerste lid, luidt:
- Afhankelijk van de onderlinge taakverdeling.