40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt. |
||
|---|---|---|
| .. | ||
| README.md | ||
| titel | bwb_id | type | status | datum_inwerkingtreding | bron | citeertitel |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Organisatie- en mandaatbesluit Ministerie van Financiën 2015 | BWBR0037135 | ministeriele-regeling | geldend | 2018-07-03 | https://wetten.overheid.nl/BWBR0037135 | Organisatie- en mandaatbesluit Ministerie van Financiën 2015 |
Organisatie- en mandaatbesluit Ministerie van Financiën 2015
Hoofdstuk 1. Begripsomschrijvingen
Artikel 1
In deze regeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. a.
*het ministerie:* het Ministerie van Financiën;
b. b.
*het kernministerie:* het Ministerie van Financiën exclusief het directoraat-generaal Belastingdienst;
c. c.
*de minister:* de Minister van Financiën;
d. d.
*de staatssecretaris:* de Staatssecretaris van Financiën;
e. e.
*bewindspersoon:* de Minister of de Staatssecretaris van Financiën;
f. f.
*algemene leiding:* de secretaris-generaal, de plaatsvervangend secretaris-generaal en de directeuren-generaal;
g. g.
*mandaat:* de bevoegdheid om in naam van een bewindspersoon besluiten te nemen;
h. h.
*volmacht:* de bevoegdheid die een volmachtgever verleent aan een ander, de gevolmachtigde, om in zijn naam privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten;
i. i.
*(hoofd)budgethouder:* hoofd van een organisatie-eenheid verantwoordelijk voor het financieel beheer van één of meer budgetten;
j. j.
*bedrijfsvoering:* onderwerpen op de terreinen van personeel en organisatie, informatievoorziening en ict, inkoop, huisvesting, facilitaire zaken en beveiliging.
Hoofdstuk 2. Algemene leiding
Artikel 2
Het ministerie werkt aan een goede financiële huishouding van Nederland, int belastingen op basis van solide fiscale regelgeving en ziet toe op een doelmatige besteding van overheidsgeld. Het ministerie maakt regels voor het goed functioneren van het financiële stelsel en werkt aan een sterke economische structuur die verankerd is in een economisch en financieel gezond Europa.
De algemene leiding hanteert de basiswaarden van het ministerie en draagt zorg voor de bevordering van deze waarden onder de medewerkers. Zij stimuleert de toewijding, de deskundigheid, de professionaliteit en de aanspreekbaarheid van de medewerkers. De algemene leiding geeft ruimte aan talent in de organisatie en bevordert de samenwerking tussen dienstonderdelen en met andere ministeries. De algemene leiding legt over de bedrijfsvoering en het beheer van de haar toevertrouwde middelen op inzichtelijke wijze verantwoording af.
Artikel 3
1. Overeenkomstig artikel 1 van het Besluit regeling functie en verantwoordelijkheid van de secretaris-generaal (Stb. 1988, 499), is de secretaris-generaal (de SG), met inachtneming van de aanwijzingen van de Minister, belast met de ambtelijke leiding van al hetgeen het ministerie betreft.
2.
Onverminderd de overige bepalingen van dit besluit waarin aan de SG mandaat wordt verleend, wordt aan de SG mandaat verleend voor:
a) a) aangelegenheden op het gebied van de ambtelijke leiding van al hetgeen het ministerie betreft, zoals nader omschreven in de toelichting bij het Besluit regeling functie en verantwoordelijkheid van de secretaris-generaal (Stb. 1988, 499); b) b) het vaststellen van circulaires, met uitzondering van circulaires die naar het oordeel van de SG door een ander organisatieonderdeel als bedoeld in artikel 7 moeten worden vastgesteld; c) c) het vaststellen van de werkterreinen van de directeuren-generaal, bedoeld in artikel 4; d) d) het uitoefenen van de bevoegdheden van de minister inzake benoeming, schorsing, ontslag en vergoeding van ambtenaren en andere personen in organen van rechtspersonen en colleges, voor zover daarvoor geen mandaat, volmacht en machtiging is verleend aan een andere ambtenaar binnen het ministerie.
3. De SG is verantwoordelijk voor de beleidsterreinen van de direct onder hem ressorterende directies en diensten, genoemd in bijlage 1a, voor de samenhang tussen die beleidsterreinen en voor de bijbehorende bedrijfsvoering. De SG geeft leiding aan de onder hem ressorterende directeuren en voorziet daartoe in de nodige ondermandaten van die directeuren.
4. De SG treft een vervangingsregeling inzake vervanging bij zijn afwezigheid, met inachtneming van artikel 3a, vijfde lid.
Artikel 3a
1.
De plaatsvervangend secretaris-generaal (de pSG) is verantwoordelijk voor:
a. a. de integrale ontwikkeling en realisering van de strategische doelstellingen op bedrijfsvoeringgebied voor het gehele ministerie, en b. b. de afstemming van de bedrijfsvoering op het primaire proces van het ministerie.
2. De pSG is door middel van kaderstelling verantwoordelijk voor de bedrijfsvoering van het ministerie.
3. De pSG is verantwoordelijk voor de beleidsterreinen van de onder hem ressorterende directies en diensten, genoemd in bijlage 1a, voor de samenhang tussen die beleidsterreinen en voor de bijbehorende bedrijfsvoering.
4. De pSG heeft de verantwoordelijkheid voor de bedrijfsvoering van de diensten en ZBO’s, genoemd in bijlage 1a.
5.
Bij afwezigheid van de SG treedt de pSG op als plaatsvervanger ten aanzien van:
a. a. De eigenaarsrol van de SG; b. b. Het overleg met de medezeggenschap en met de vakbonden.
Artikel 4
De directeuren-generaal, onder wie de thesaurier-generaal, (de DG’s) zijn verantwoordelijk voor de beleidsterreinen van de onder hen ressorterende directies, genoemd in bijlagen 1 b tot en met e, voor de samenhang tussen die beleidsterreinen en – met inachtneming van de artikelen 20 en 20a van dit besluit – voor de bijbehorende bedrijfsvoering. De DG’s hebben een plaatsvervanger, die hen bij afwezigheid vervangt. De DG’s geven leiding aan de onder hen ressorterende directeuren en voorzien daartoe in de nodige ondermandaten van die directeuren.
Artikel 4a
1. De pSG is chief information officer (de CIO) voor het ministerie.
2.
De CIO heeft de volgende hoofdtaken:
a. a. het inrichten van een CIO-stelsel voor het ministerie; b. b. de ambtelijke en politieke leiding gevraagd en ongevraagd adviseren over de doelstelling, uitvoering, kosten en risico’s van grote ICT-projecten; c. c. oordelen over de start van ICT-projecten en op kritieke momenten tijdens de uitvoering daarvan; d. d. opstellen en actueel houden van de departementale strategie en visie op geautomatiseerde informatievoorziening en ICT en deze ontwikkelen en onderhouden, vanuit de rijksbreed afgesproken kaders, de departementale architectuur en standaarden; e. e. bewaken van de samenhang in informatievoorziening en ICT-projecten binnen het ministerie door applicatie- en projectenportfoliomanagement; f. f. toezicht houden op de naleving van de rijksbrede kaders binnen het ministerie en het stellen van eisen aan projectbeheersingsmethodieken op basis van de rijksbrede kaders, en ondersteunen van audits, reviews en second opinions.
Artikel 5
1. Er is een bestuursraad. De bestuursraad overlegt regelmatig over de hoofdlijnen van beleidsontwikkeling en -uitvoering, over de hoofdlijnen van de departementale bedrijfsvoering en over al het andere dat nodig is voor een goed functioneren van het ministerie.
2.
De leden van de bestuursraad zijn:
a) a) de SG; b) b) de directeur-generaal Belastingdienst; c) c) de directeur-generaal voor Fiscale Zaken; d) d) de directeur-generaal van de Rijksbegroting; e) e) de thesaurier-generaal; f) f) de pSG; g) g) de hoofddirecteur Financieel-Economische Zaken.
De directie Bestuurlijke en Juridische Zaken verzorgt het secretariaat van de bestuursraad.
3.
Er is een bedrijfsvoeringsberaad. De volgende functionarissen voeren in het bedrijfsvoeringsberaad regelmatig collegiaal overleg over beleidsvoorstellen met betrekking tot de departementale bedrijfsvoering:
a) a) de plaatsvervangend directeur-generaal Belastingdienst; b) b) de plaatsvervangend directeur-generaal voor Fiscale Zaken; c) c) de plaatsvervangend directeur-generaal van de Rijksbegroting; d) d) een directeur van de Generale Thesaurie; e) e) de hoofddirecteur Financieel-Economische Zaken; f) f) de directeur Bedrijfsvoering; g) g) een directeur van het SG-cluster
4. De pSG is voorzitter van het bedrijfsvoeringsberaad.
Artikel 6
Over vraagstukken die van politiek gevoelige of anderszins zwaarwegende aard zijn, treedt de algemene leiding in contact met de bewindspersoon die het aangaat, voordat van bevoegdheden gebruik wordt gemaakt.
Hoofdstuk 3. Organisatie en taken
Artikel 7
De topstructuur van het ministerie bestaat uit de hieronder genoemde organisatieonderdelen, alsmede de rechtstreeks daaronder ressorterende directies en diensten:
a. a. Het cluster secretaris-generaal (SG-cluster); b. b. Het directoraat-generaal Belastingdienst (het DGBD); c. c. Het directoraat-generaal voor Fiscale Zaken (het DGFZ); d. d. Het directoraat-generaal van de Rijksbegroting (het DGRB); e. e. De Generale Thesaurie (de GT).
Artikel 8
1. De organisatie en taken van de topstructuur van het ministerie, alsmede de organisatie en taken van organisatieonderdelen ressorterend onder de topstructuur, worden vastgesteld zoals weergegeven in de bij dit besluit behorende bijlage 1 (a tot met e).
2. Van het eerste lid is uitgezonderd de organisatie en taken van organisatieonderdelen ressorterend onder de topstructuur bij het DGBD, waarvoor de directeur-generaal Belastingdienst, in overeenstemming met de SG, een organisatiebesluit vaststelt.
3.
De algemene leiding van een directoraat-generaal wordt gevormd:
a. a. voor het SG-cluster: door de SG en pSG; b. b. voor het DGBD, het DGFZ en het DGRB: door de directeur-generaal en de plaatsvervangend directeur-generaal; c. c. voor de GT: door de thesaurier-generaal en de plaatsvervangend thesaurier-generaal;
4. Een van de directeuren van het directoraat-generaal (met uitzondering van het DGBD) is tevens de plaatsvervangend directeur-generaal. In de bij de mandaatbesluiten, als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van dit besluit, behorende bijlagen 2 is opgenomen welke directeur tevens plaatsvervangend directeur-generaal is.
Artikel 9
1. Met inachtneming van de taken als bedoeld in artikel 8 en passend binnen de topstructuur als bedoeld in artikel 7 kan de SG of de pSG tijdelijke organisatieonderdelen instellen.
2. De SG kan de directeur-generaal Belastingdienst toestemming verlenen om, met inachtneming van de topstructuur van het DGBD en de taken genoemd in bijlage 1b, tijdelijke organisatieonderdelen in te stellen.
Artikel 10
1. De SG stelt een mandaatbesluit vast voor de rechtstreeks onder hem ressorterende dienstonderdelen.
2. De DG’s stellen, in overeenstemming met de SG, een mandaatbesluit voor hun directoraat-generaal vast.
Hoofdstuk 4. Mandaten
Artikel 11
1. De SG en DG’s zijn hoofdbudgethouder voor wat betreft hun taken en zijn uit dien hoofde bevoegd verplichtingen – met financiële consequenties – aan te gaan en uitgaven goed te keuren binnen hun budgetten.
2. In afwijking van het eerste lid, gaat de directeur-generaal Belastingdienst verplichtingen ten aanzien waarvan het verscherpt toezicht geldt, als bedoeld in bijlage 3, slechts aan in overeenstemming met de hoofddirecteur Control en Financiën van directoraat-generaal Belastingdienst danwel de hoofddirecteur Financieel-Economische Zaken.
3. De SG stelt, na advies van de hoofddirecteur FEZ, de hoogte vast van de budgetten bedoeld in het eerste lid.
4. De hoofdbudgethouders zijn verantwoordelijk voor een adequaat financieel beheer.
Artikel 12
1. De SG en de DG’s kunnen voor de in artikel 11 genoemde bevoegdheden ondermandaat verlenen aan budgethouders.
2. In een ondermandaat wordt de omvang ervan aangegeven.
Artikel 13
1. De SG en DG’s hebben binnen het kader van de jaarplannen en binnen eventueel door de minister of namens de minister door de SG gegeven richtlijnen mandaat ten aanzien van het nemen van besluiten en afdoen van stukken betreffende alle aangelegenheden die behoren tot hun werkterrein tenzij bij wet anders is bepaald of de aard van de bevoegdheid zich daartegen verzet.
2.
De ondertekening van uitgaande stukken zal luiden als volgt:
De Minister van Financiën, resp. De Staatssecretaris van Financiën,
namens deze,
gevolgd door de aanduiding van de (onder)gemandateerde functionaris.
Artikel 14
1. De SG en de DG’s kunnen ieder voor hun werkterrein ondermandaat verlenen.
2. Directeuren kunnen het aan hen verleende ondermandaat doormandateren. Voor ondermandaat door een directeur is de goedkeuring door de SG of de DG vereist.
3. In een ondermandaat wordt de omvang ervan aangegeven.
4. De directeur Bestuurlijke en Juridische Zaken draagt zorg voor openbare terinzagelegging op het ministerie en bekendmaking op de internetsite van het ministerie van de krachtens deze regeling verleende ondermandaten.
Artikel 15
Onderdeel van deze regeling vormt een mandaatregister dat is opgenomen in bijlage 2. Het mandaatregister bevat handtekeningen en parafen van de in dit besluit gemandateerde functionarissen.
Artikel 16
Bij het nemen van besluiten, afdoen van stukken en ondertekenen van uitgaande brieven met betrekking tot alle personeelsaangelegenheden, bedoeld in bijlage 4 bij deze regeling, betreffende het kernministerie is advies van het hoofd Eenheid Organisatie en Personeel van de directie Bedrijfsvoering vereist.
Artikel 17
Voor zover voorgenomen besluiten met financiële consequenties niet passen binnen de door de SG vastgestelde budgetten, is instemming van de hoofddirecteur Financieel-Economische Zaken vereist.
Artikel 18
Voor de toepassing van deze regeling en de daarop berustende bepalingen wordt met de verlening van mandaat gelijkgesteld de verlening van:
a. a. volmacht, en b. b. machtiging om in naam van een bewindspersoon handelingen te verrichten die noch een besluit, noch een privaatrechtelijke rechtshandeling zijn.
Hoofdstuk 5. Algemene bepalingen ten aanzien van de uitoefening van taken
Artikel 19
Aan de bewindspersonen is voorbehouden het afdoen en ondertekenen van stukken:
a. a. gericht aan de Koning; b. b. gericht aan de Raad van State; c. c. gericht aan de ministerraad (van het Koninkrijk); d. d. gericht aan de Eerste of Tweede Kamer der Staten-Generaal; e. e. gericht aan de president van de Algemene Rekenkamer; f. f. gericht aan autoriteiten in binnen- en buitenland, gelijk of hoger in rang dan een minister of staatssecretaris; g. g. zijnde Ministeriële regelingen houdende algemeen verbindende voorschriften.
Artikel 20
Aan de SG is voorbehouden:
-
- Het doen van voorstellen omtrent de vaststelling van de topstructuur van het ministerie, tot en met het niveau van directies, en hiermee samenhangend het besluiten tot reorganisaties;
-
-
het vaststellen van de formatie, en hiermee samenhangend het besluiten tot reorganisaties:
a. van het kernministerie, b. van de topstructuur van het DGBD, als opgenomen in bijlage 1b;als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van het Coördinatiebesluit organisatie en bedrijfsvoering 2011, en na gehoord hebbende de bestuursraad; a. a. van het kernministerie, b. b. van de topstructuur van het DGBD, als opgenomen in bijlage 1b;
-
-
- het aanstellen, benoemen, plaatsen en ontslaan van ambtenaren in functies behorende tot de topstructuur van het ministerie en de directoraten-generaal. Benoemingen vinden plaats na overleg met de bestuursraad;
-
- het toekennen van maatregelen van sociaal flankerend beleid aan functionarissen als bedoeld in het vorige lid;
-
- het besluiten tot bezoldiging conform de artikelen 22a en 7, tweede lid, van het BBRA 1984 van functionarissen behorende tot de topstructuur van het ministerie en de directoraten-generaal;
-
- het voeren van overleg met bonden over regelingen van rechtspositionele aard als bedoeld in artikel 113 van het ARAR.
Artikel 20a
Met inachtneming van artikel 20 is aan de pSG voorbehouden:
-
- het, na overleg met de bestuursraad, doen van voorstellen omtrent de vaststelling van de organisatie van het kernministerie vanaf het niveau van afdelingen (of daarmee vergelijkbare organisatieonderdelen) en lager, en hiermee samenhangend het besluiten tot reorganisaties;
-
- het vaststellen van de formatie van het DGBD, voor zover het een uitbreiding van de totale formatie betreft;
-
- het – met inachtneming van het vorige artikel – aanstellen, benoemen, plaatsen en ontslaan van ambtenaren in overige leidinggevende functies bij het kernministerie tot het niveau van afdelingshoofden of daarmee gelijk te stellen leidinggevende functies;
-
- het – met inachtneming van het vorige artikel – aanstellen, benoemen, plaatsen en ontslaan van ambtenaren werkzaam in functies bij het kernministerie met een bezoldiging van salarisschaal 15 of hoger. Benoemingen vinden plaats na overleg met de bestuursraad;
-
- het toekennen van maatregelen van sociaal flankerend beleid aan functionarissen als bedoeld in de vorige twee leden;
-
- het besluiten tot (bijzondere) beloning conform artikel 8 van het BBRA 1984 van functionarissen van het kernministerie;
-
- het besluiten op verzoeken van functionarissen van het kernministerie tot uitbreiding van een arbeidsduur van meer dan 36 uur per week;
-
- het voeren van overleg met bonden over regelingen van rechtspositionele aard als bedoeld in artikel 113 van het ARAR bij afwezigheid van de SG;
-
- het vaststellen van regelingen of maken van afspraken met betrekking tot sociaal flankerend beleid;
-
-
-
-
-
-
Artikel 20b
Met inachtneming van voorgaande artikelen van dit besluit is aan de algemene leiding van een DG, uitgezonderd het DGBD, ten aanzien van onder hen ressorterende medewerkers voorbehouden, het besluiten:
-
- tot een bijzondere aanstelling in tijdelijke dienst (artikel 6a ARAR);
-
- tot een (tijdelijke) plaatsing in het buitenland;
-
- het toekennen van maatregelen van sociaal flankerend beleid aan functionarissen als bedoeld in de vorige twee leden;
-
-
tot bezoldiging conform de artikelen 22a en 7, tweede lid, van het BBRA 1984 van:
a. afdelingshoofden of daarmee gelijk te stellen functionarissen; b. directeuren (m.u.v. Algemeen directeur), sectormanagers en manager Bestuursondersteuning en Vaktechniek bij de ADR;
-
a. a. afdelingshoofden of daarmee gelijk te stellen functionarissen; b. b. directeuren (m.u.v. Algemeen directeur), sectormanagers en manager Bestuursondersteuning en Vaktechniek bij de ADR; 5. 5. tot disciplinaire maatregelen (hoofdstuk 8 ARAR); 6. 6. tot schadeloosstelling (artikel 69 ARAR); 7. 7. tot het verlenen van ontslag op grond van artikel 99 van het ARAR; 8. 8. tot aanbestedingsprocedures, indien een andere dan de procedures als bedoeld in de hoofdstukken 1.2 en 2.1 van de Aanbestedingswet 2012 wordt gevolgd; 9. 9. met betrekking tot (de aansprakelijkheidsstelling als gevolg van) dienstongevallen, beroepsziekten en beroepsincidenten, waarbij de pSG door de algemene leiding wordt geïnformeerd.
Artikel 20c
Met inachtneming van voorgaande artikelen van dit besluit is aan de algemene leiding van het DGBD, ten aanzien van onder hen ressorterende medewerkers voorbehouden, het besluiten:
-
- tot het vaststellen van de organisatie tot afdelingsniveau, en hiermee samenhangend het besluiten tot reorganisaties;
-
- tot het vaststellen van de formatie, waarbij tot wijzigingen in formatie van functies met salarisschaal 16 en hoger na overleg met de bestuursraad besloten wordt;
-
- tot het – met inachtneming van artikel 20 – aanstellen, benoemen, plaatsen en ontslaan van ambtenaren in overige leidinggevende functies tot het niveau van afdelingshoofden of daarmee gelijk te stellen leidinggevende functies;
-
- tot het – met inachtneming van artikel 20 – aanstellen, benoemen, plaatsen en ontslaan van ambtenaren in functies met een bezoldiging van salarisschaal 16 of hoger is verbonden. Benoemingen vinden plaats na overleg met de bestuursraad, en over de arbeidsvoorwaarden dient vooraf overleg met de pSG plaats te vinden;
-
- tot een bijzondere aanstelling in tijdelijke dienst (artikel 6a ARAR);
-
- tot een (tijdelijke) plaatsing in het buitenland;
-
- tot het toekennen van maatregelen van sociaal flankerend beleid aan functionarissen als bedoeld in de leden drie tot en met vijf van dit artikel;
-
- tot bezoldiging conform artikel 8 van het BBRA 1984;
-
-
tot – met inachtneming van artikel 20 – bezoldiging conform de artikelen 22a en 7, tweede lid, van het BBRA 1984 van ambtenaren in:
a. overige leidinggevende functies tot het niveau van afdelingshoofden of daarmee gelijk te stellen leidinggevende functies, of b. overige functies met een bezoldiging van salarisschaal 16 of hoger, na overleg met de pSG.
-
a. a. overige leidinggevende functies tot het niveau van afdelingshoofden of daarmee gelijk te stellen leidinggevende functies, of b. b. overige functies met een bezoldiging van salarisschaal 16 of hoger, na overleg met de pSG. 10. 10. het besluiten op verzoeken tot uitbreiding van een arbeidsduur van meer dan 36 uur per week; 11. 11. het binnen de rijksbrede en/of ministeriebrede kaders vaststellen van regels en beleid(skaders) inzake de bedrijfsvoering voor zover specifiek van toepassing bij het DGBD; 12. 12. tot disciplinaire maatregelen (hoofdstuk 8 ARAR) aan:
a.
leidinggevende functionarissen;
b.
(strategische) functionarissen met een bezoldiging van salarisschaal 15 of hoger.
a. a. leidinggevende functionarissen; b. b. (strategische) functionarissen met een bezoldiging van salarisschaal 15 of hoger. 13. 13. tot het verlenen van ontslag op grond van artikel 99 van het ARAR; 14. 14. tot aanbestedingsprocedures, indien een andere dan de procedures als bedoeld in de hoofdstukken 1.2 en 2.1 van de Aanbestedingswet 2012 wordt gevolgd; 15. 15. met betrekking tot (de aansprakelijkheidsstelling als gevolg van) dienstongevallen, beroepsziekten en beroepsincidenten, waarbij de pSG door de algemene leiding wordt geïnformeerd.
Artikel 20d
1. In situaties waarin het bevoegd gezag een beloning aan een medewerker wil toekennen, waarbij wordt afgeweken van de reguliere beloningsregels dient vooraf overleg met de pSG plaats te vinden.
2. De bevoegdheid tot het toekennen van maatregelen sociaal flankerend beleid aan andere functionarissen dan bedoeld in artikel 20, derde lid, en artikel 20a, vijfde lid, en artikel 20b, derde lid, en artikel 20c, zevende lid, is voorbehouden aan de directeur van het organisatieonderdeel waar betrokkene is geplaatst.
Hoofdstuk 6. Verantwoording
Artikel 21
De SG en de DG’s leggen, aan het eind van het verslagjaar en tussentijds, gestructureerd verantwoording af over de uitvoering van aan hen opgelegde taken en het gebruik van daarbij verleende bevoegdheden.
Artikel 22
1. De SG stelt ieder jaar een jaarplan op. De DG’s stellen ieder jaar een jaarplan op en bespreken dit met de SG. In het jaarplan worden beleidsdoelstellingen opgenomen, alsmede een risicoanalyse, voorgenomen activiteiten en budgetten.
2. De SG stelt gedurende het jaar twee uitvoeringsrapportages op. De DG’s stellen gedurende het jaar twee uitvoeringsrapportages op en bespreken deze met de SG. In de uitvoeringsrapportages wordt gerapporteerd over het realiseren van beleidsdoelstellingen en activiteiten, over de uitputting van budgetten en over bijzonderheden in de bedrijfsvoering.
3. Op basis van de uitvoeringsrapportages van de SG en de DG's stelt de hoofddirecteur Financieel-Economische Zaken tweemaal per jaar een concernrapportage op die wordt besproken in de bestuursraad.
4. De SG stelt na afloop van ieder jaar een jaarrapportage en een managementverklaring op. De DG’s stellen na afloop van ieder jaar een jaarrapportage en een managementverklaring op en bespreken deze met de SG. In de managementverklaring wordt verslag gedaan van afwijkingen in de bedrijfsvoering en over de risicobeheersing daarbij. Voorts bevat de managementverklaring een oordeel over de rechtmatigheid van de gedane uitgaven.
5. De SG stelt na afloop van ieder jaar een samenvattende managementverklaring op en brengt deze ter kennis van de minister.
Artikel 23
1. De hoofddirecteur Financieel-Economische Zaken (FEZ) ondersteunt in de vorm van toezicht en advies de SG en de DG’s bij hun overkoepelende verantwoordelijkheid voor beleidsterreinen en bijbehorende bedrijfsvoering.
2. De hoofddirecteur FEZ vervult de rol van concerncontroller – vanuit de in wet- en regelgeving, waaronder de Comptabiliteitswet 2001, vastgelegde taken – bij de totstandkoming van solide begrotingen en verantwoordingen in het kader van de planning- en controlcyclus, en bij de beoordeling van voorstellen met financiële gevolgen.
3. De verantwoordelijkheden en bevoegdheden van de hoofddirecteur FEZ zijn vastgelegd in het Besluit taak FEZ.
Artikel 24
1. De directeur Auditdienst Rijk (ADR), respectievelijk de certificerend accountant van de ministeries, verschaft zekerheid over de rechtmatigheid van verplichtingen, de uitgaven en de ontvangsten van de aangesloten ministeries. Hij voert de accountantscontrole uit op de jaarverslagen van deze ministeries. Hij informeert de algemene leiding, de bewindspersonen en het Audit Committee over de uitkomsten van deze werkzaamheden.
2. In opdracht van de algemene leiding of van de directeuren onderzoekt de directeur ADR, respectievelijk de certificerend accountant van de ministeries, de beleids- en bedrijfsvoering en rapporteert daarover aan de opdrachtgever en aan het Audit Committee.
3. De verantwoordelijkheden en bevoegdheden van de directeur ADR zijn vastgelegd in het Besluit taak DAD.
Artikel 25
1. Er is een Audit Committee.
2. Het Audit Committee is samengesteld uit drie externe leden en twee leden van de bestuursraad. Eén van de externe leden is de voorzitter van het Audit Committee.
3. De externe leden van het Audit Committee kunnen hun bevindingen separaat aan de minister kenbaar maken.
Artikel 26
De volgende regeling wordt ingetrokken: Organisatie- en mandaatbesluit Ministerie van Financiën, zoals laatstelijk gewijzigd bij besluit van 9 mei 2014.
Artikel 27
Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.
Artikel 28
Deze regeling wordt aangehaald als: Organisatie- en mandaatbesluit Ministerie van Financiën 2015.
Bijlage 1. bij het Organisatie- en mandaatbesluit Ministerie van Financiën
De personeelsaangelegenheden als bedoeld in artikel 16 zijn:
artikel 14 ARAR (stopzetting bezoldiging algemeen)
artikel 40 ARAR (stopzetten bezoldiging bij ziekte)
artikel 43 ARAR (sancties ziekte 0-52 weken)
artikel 44 ARAR (sancties ziekte >52 weken)
artikel 49 l ARAR (ontslag/sanctie bij reorganisatie)
artikel 73 ARAR (aanzuiveren tekort)
artikel 77 ARAR (ontzegging toegang tot gebouw)
artikel 80-84 ARAR (disciplinaire straffen)
artikel 90-92 ARAR (schorsing)
artikel 94, derde lid, ARAR (blokkeren ontslag op verzoek)
artikel 94, vierde lid, ARAR (blokkeren ontslag op verzoek wijziging termijn)
artikel 96 ARAR (reorganisatie-ontslag)
artikel 98, eerste lid, ARAR (ontslag ongeschiktheid)
artikel 99 ARAR (ontslag om andere reden)
artikel 104a ARAR (vermissing)
alsmede
de vaststelling van de formatie zoals gebaseerd op artikel 2 van het Coördinatiebesluit inrichting organisatie en formatie rijksdienst.
Bijlage 1a. Organisatie en taken van het SG-cluster en daaronder ressorterende organisatieonderdelen
Bijlage 1b. Organisatie en taken van het directoraat-generaal Belastingdienst (DGBD)
Bijlage 1c. Organisatie en taken van het directoraat-generaal voor Fiscale Zaken en de daaronder ressorterende directies
Bijlage 1d. Organisatie en taken van het directoraat-generaal voor Rijksbegroting en de daaronder ressorterende directies
Bijlage 1e. Organisatie en taken van de Generale Thesaurie en de daaronder ressorterende directies
Bijlage 2
Niet opgenomen.
Bijlage 3. Verscherpt toezicht
De toepasselijkheid van het verscherpt toezicht, bedoeld in artikel 11, tweede lid, wordt beoordeeld aan de hand van de hierna genoemde criteria.
Algemene criteria verscherpt toezicht
Wat valt niet onder het verscherpt toezicht?
Bijlage 4. Personeelsaangelegenheden als bedoeld in
De personeelsaangelegenheden als bedoeld in artikel 16 zijn:
alsmede